Lezen

De fietsers

Ik had ze bijna niet opgemerkt, deze bijzondere groep fietsers. Er passeren je tijdens het wandelen immers veel mensen op een tweewieler. Wielrenners met kleurige pakjes en veel elektrische fietsers op leeftijd, die je tegenwoordig bijna sneller voorbij racen dan de kleurige koersmannen. Of gezinnen met kleine kinderen, waarbij de rechterhand van papa of mama op de schouder van de nog maar pas zonder wieltjes fietsende zoon of dochter ligt. Wat ze met elkaar gemeen hebben, naast het fietsen natuurlijk, is het babbelen. Er zijn weinig fietsers die niet aan het kletsen zijn. Het gekke is, hoe harder ze fietsen, hoe luider ze praten. Let er maar eens op bij de wielrenners. Die hoor je al van ver roepen. Alsof ze met de snelheid van het geluid moeten rekening houden.    Omdat je dus zoveel fietsers ziet, had ik deze groep op een haar na gemist. Het waren in totaal zes fietsen, maar ze vervoerden twaalf mensen. Tandems inderdaad. Aan de blik van de achteraan zittende passagiers, kon je zien dat ze niets voor niets op die tweede zadel hun plek hadden. Ze waren allemaal blind of hadden een visuele beperking. Hun ogen hielden ze grotendeels gesloten. Maar ze luisterden geconcentreerd naar de geluiden van de omgeving en naar de stem van de man of vrouw vooraan op fiets. Die vertelde wat hij of zij wel te zien kreeg. Zo hoorde ik een man tegen zijn bijzit zeggen dat ‘het eerste groepje nu net achter de bocht verdwijnt. We halen ze zo wel in.’    Het moet een aparte ervaring zijn, dat je de wereld door de ogen van anderen te zien krijgt. Hoe geef je de wereld immers beeld? Als je die nooit gezien hebt? Hoe vertaal je de wereld, als je de ogen van iemand anders bent? Misschien wel mooier.  

Rudi Lavreysen
0 0

Groen, zo diepgroen

(Ter verduidelijking voor wie er nood aan heeft:  Nieve betekent sneeuw in het Spaans – Blanc is wit , Chasseur is Jager en Aupépine is Doorn in het Frans, enz…)   Niève Leblanc de Chasseur is moe. Sinds haar huwelijk met prins Baldwin de Termonde heeft ze vier kinderen op de wereld gezet. De twee prinsessen, Liliane  en Laura hebben met vriendinnen Lesley en Lisa een meidengroep opgericht en zingen uptempo covers van Duitse schlagers.  Sinds ze er achter kwamen dat al hun voornamen  met een ‘L’  beginnen, noemen ze hun groepje ‘The four L’s’. Bij optredens prijken op hun hagelwitte T shirts vier blauwgrijze opspringende vissen met het ‘4 L’s’-logo. Hun oudere tweelingbroers zijn ernstiger: de ene studeert voor landbouwingenieur en de andere veeartsenij (studenten aan de KULeuven noemen afgestudeerden van deze richting ook ‘paardendoktoors’).  Grootvader de Termonde heeft aangekondigd dat hij er de brui aan geeft en zoon Baldwin volgt hem weldra op aan het hoofd van zijn Immobiliënmaatschappij.  Daardoor heeft Baldwin het zo druk dat hij nog amper oog heeft voor zijn familie.  De jongens zijn op kot in de universiteitsstad. De twee vrolijke meiden wonen nog thuis en Niève zit zonder personeel  sinds de kosten voor haar kroost en het onderhoud van het prinselijk domein  de pan uit swingen. Ze zorgt daarenboven voor drie dwergen, die vroeger deel uitmaakten van een groep van zeven.  De zeven werden immens populair door optredens in Tv-series na hun bijrollen in de kas krakende jeugdfilm waarin Niève de hoofdrol vertolkte. Vier zijn inmiddels overleden en de overige delen een serviceflat.  Ze bezoekt het drietal regelmatig,  alléén, want haar kinderen zijn nooit geïnteresseerd geweest in de bejaarde, bebaarde mannetjes met hun rare mutsen. In haar ravenzwarte bobkapsel  duiken her en der grijze haren op. Voor een bezoek aan de kapper is er amper geld, laat staan voor een kleurplix,  zoals haar grootmoeder zaliger zich elke week kon permitteren. Gelukkig heeft ze de naaimachine van jeugdvriendin Rose d’Aubépine voor een prik kunnen overkopen.  Daar maakt ze babykleedjes mee, die ze doorverkoopt  aan een rondreizende koopman in diepvriesproducten, die ze op zijn beurt slijt aan jonge koppels in zijn klantenbestand. Met Rose is ze bevriend gebleven en samen met Fitness-vriendinnen Dusty van As en Bonnie Reddy,  vormen ze een hecht clubje dat niettegenstaande de crisis regelmatig de bloemetjes buiten zet. Enkel via facebook heeft ze nog contact met Cinderella  von Rosenthal en Alice Wunderland. Cinderella heeft destijds ook een prins gehuwd, wiens naam ze overnam.  De von Rosenthal’s zitten er warmpjes in: een authentiek ‘Schloss’ in Oostenrijk en drie wijnkastelen in het Zuiden, die ook als luxehotels fungeren en overspoeld worden door bemiddelde toeristen. Alice Wunderland is met een beroemde goochelaar getrouwd, die de wereld afstruint met een wervelende variétéshow. Stiekem hoopt Niève soms dat ze een dochter aan één van de zonen van Cinderella kan koppelen. Die van Alice liever niet, zij behoren tenslotte niet tot de gevestigde adel.  Maar ze hoorde waaien dat de jongens liever met hun bolides rondrijden en van één weet ze dat hij niet in meisjes geïnteresseerd is, dat zie je ook op de manier waarop hij loopt. Ach, dat lang en gelukkig leven, waarvan na hun trouwpartij gewag werd gemaakt is niet geworden wat ze verwacht had.  Maar ongelukkig  is ze niet.  Niève is alleen hondsmoe . Niettemin neemt ze zich voor om er bij het begin van het nieuwe jaar weer stevig tegenaan te gaan. In de aftandse jeep van de vroegere tuinman rijdt ze die morgen naar het dorp om brood.  Waar is de tijd dat ze met Mammie in de Bentley naar de bakker reed?  Haar grootmoeder was klein van gestalte en droeg steevast een haarwrong.  Men zag haar nauwelijks zitten achter het enorme stuurwiel, net of de wagen zonder chauffeur reed. Het immense bedrag dat de luxewagen jaren later opbracht  had amper volstaan om de enorme som aan successierechten te betalen, toen ze als enig kind het familiedomein erfde. In het bakkersatelier speelt radio Nostalgie oude Eurovisiesongfestivalnummers.  Isabelle Aubret zingt ‘Un premier amour….ne s’oublie jamais…….’. Niève betaalt de bakker en krijgt plots een raar gevoel, alsof twee priemen haar doorboren. In de spiegel achter de toog merkt ze dat een grote blonde kerel pal achter haar staat. “Dag mevrouw de Termonde.” Ze draait zich. “Of mag ik Niève, zeggen?”, vraagt de blonde God.  Ze kijkt in twee groene ogen.  Groen is wereldwijd de zeldzaamste kleur die ogen kunnen aannemen.  Ze beseft wie bij dit paar ogen hoort en stamelt “Conrad?” Dan weet ze met zichzelf geen blijf meer, rent de winkel uit en stapt in de jeep. Ze zit als versteend achter het stuur.  Het rechterportier zwaait open en zij hoort de diepwarme stem. “Heb ik u doen schrikken, mevrouw?  Sorry, dat ik mij zo onbehouwen gedroeg.  Maar u herkende mij toch meteen, niet ?” Ze knikt. “Je mag me tutoyeren, Conrad”, zegt ze. Haar stem trilt. “Waar was je al die tijd?”  Conrad vraagt “Mag ik?, en zet zich naast haar. “Dat dit ding het nog doet”, zegt hij en klopt op het dashboard van het voertuig.“Hij werd altijd prima onderhouden door je vader,”zegt Niève weifelend: “maar waar kom je zo plots vandaan?”“Om precies te zijn kom ik nu net uit Puerto Limón in Costa Rica. Ik ben dek officier ter lange omvaart”, zegt hij trots. “Wat is in godsnaam een dek officier?”, vraagt Niève.“Ik ken enkel dekhengsten van toen wij nog paarden hadden op het landgoed.” Ze voelt dat ze rood kleurt bij het gebruik van deze woordenschat. Hij merkt het, negeert het en lijkt haar te willen geruststellen met zijn antwoord.“Als dek officier, Niève, moet je een koopvaardijschip kunnen manoeuvreren, rekening houdend met stromingen, wind en stabiliteit. Je moet alles kennen over laden, stockeren en het behandelen van de lading. Vroeger was dit een taak van de stuurman.  Je moet een zeereis kunnen plannen en in alle wateren je positie weten te bepalen met je kennis van kustnavigatie en van astronomie.” Niève zucht dromerig: “De stand van de sterren, daar wist jij alles van, Conrad. Hoe dikwijls lagen we er ‘s nachts niet naar te kijken op de heuvel naast het kasteel?”Ziet zij het goed?  Ja, de haar zo vertrouwde  groene kijkers zijn vochtig.  Zacht neemt hij haar bleke pols in zijn getaande zeemanshand. Hij brengt haar hand naar zijn mond, kust ze teder en fluistert  “Vayo con Dios, mi princesa.” Dan springt hij uit de wagen en verdwijnt. Even blijft ze beduusd achter. Dan glimlacht ze, start de jeep en rijdt gezwind neuriënd huiswaarts.  Haar vermoeidheid is verdwenen. Ze kan opnieuw de hele wereld aan.   Voetnoot: alle verwijzingen naar sprookjesfiguren als Sneeuwwitje, de zeven dwergen, Doornroosje, Assepoester, Roodkapje, Cinderella, Alice in Wonderland, enz…zijn pure verzinsels.      

Vic de Bourg
15 1

Tomootje en Dennomo

  Een donderdagse marktdag in een vergeten Vlaams gat.    De zon schijnt en dan verschijnt ook Tomootje, dat weet haast iedereen in dit meestal verstilde boerendorp, Hij neemt plaats op zijn geliefde plekje: de stoel dicht aan de stoeprand waar vanaf halftwaalf - hij weet het goed - de zonnestralen de zitplaats van deze zonaanbidder bereiken. Wat kan Tomootje genieten, daar in dat terrashoekje van café ‘In de drie Stommeriken’.   De zaken draaien blijkbaar opperbest want het bier en de rosé-tjes vloeien rijkelijk. Monster, het hondje van de kroegeigenaar, een waarschijnlijke kruising van een chihuahua en een dwergpoedel, paradeert van tafel tot tafel en troggelt zo menigeen koekje af van de koffieslurpers, want die zijn als naar gewoonte ook van de partij.   ‘Laat de zon in je hart’ keelt Willy Sommers door de luidsprekers die aan weerszijden van de toog opgehangen zijn. Telkens als het marktdag is zet Monsters baasje de muziek extra luid zodat je de schlagers vanaf het terras kunt meebrullen. Zodra Jo Vally met zijn interpretatie van ‘Santa Maria’ alles definitief in vuur en vlam zet, laat ook Dennomo zijn stembanden meetrillen. Hij is de vriend van Tomootje en hij zit aan de andere kant van de zonnetafel, nog net in de schaduw. De lommer is de natuurlijke habitat van deze lamme goedzak. Hij is druk in gesprek met een jongedame, die de ene sigaret met de andere opsteekt en naar zijn verhalen luistert. 'Ik ben daar nog gaan opgetreden,' zegt hij en hij verwijst naar een balzaal enkele boerendorpen verder. 'Wij hadden er veel succes met onze countryband. Bel mij eens op,' dringt hij aan, 'je gaat mijn voicemail horen en dan hoor je me zingen'. Het jonge wicht durft niet anders dan zijn smeekbede op te volgen, neemt haar smartphone en tikt het nummer in dat de loebas haar dicteert. 'Before the next teardrop falls' hoort ze Dennomo kwelen in erbarmelijk Engels. 'Schoon' zegt ze en hij wil niet inzien dat zij hem voorliegt. Een leugentje om bestwil, denkt ze. 'Nadat ik destijds gestopt ben met muziek te maken heb ik les gegeven in linedance. Dat waren nog eens tijden.' Ze hoopt stilletjes dat hij op zijn stoel blijft zitten.   Er komen weer nieuwe terrasgapers toe. Het is een ouder koppel dat dadelijk de belangstelling krijgt van Monster. Het mormel weet dat ze komen koffiekletsen. Het echtpaar doet aanstalten om aan de al druk bezette tafel onder het zonneterras plaats te nemen. Alras worden tafels en stoelen verschoven want blijkbaar behoren zij bij het clubje van de reeds gezetenen. Het vrouwmens ploft in de bijgeschoven rieten stoel neer die het bijna begeeft onder het nadrukkelijke gewicht. Haar evenzeer corpulente man pakt voor de zekerheid een metalen exemplaar. Monstertje ziet zijn kans schoon en wipt op madams schoot. Haar sacoche gaat open en ze haalt een hondensnoepje boven dat onmiddellijk de geest geeft in de hunkerende muil van de bastaard.   Dennomo ziet het lieflijk tafereeltje gebeuren en glimlacht. Het heeft een half mensenleven geduurd en een twintigjarig huwelijk met een vrouw, voor hij wist dat hij eerder op mannen viel. Tomootje was vroeger een van zijn bankcliënten en het zakelijke had na verloop van enige tijd plaats gemaakt voor amoureuze praktijken. Het had destijds even geduurd eer de goegemeente het met de mantel der liefde had toegedekt maar sindsdien was het mannenkoppel onafscheidelijk, Tomootje als een schriele en dunne Stan en Dennomo als een verwijfde dikke Ollie.   Agnes, de vroegere meid van de pastoor, heeft ondertussen postgevat voor Dennomo's buurmeisje en geeft haar drie smakkerds. Ze steekt een aangeboden sigaret tussen haar lippen, ze trekt en blaast de rook als een oude stoomlocomotief in het rond. Het nicotinegoedje krijgt nauwelijks de kans om haar longen aan te tasten. Zelden is een kankerstok zo'n kort leven beschoren geweest.   'Ik neem vandaag de trein' zingt Ann Christy vrolijk.  'Kom jongen' zegt dikkerdje, 'wij moeten ook ons treintje halen. 't Is al kwart voor één geworden'. Dan gebeurt er iets wonderlijks. Dennomo en Tomootje staan recht. Ze bezoeken iedere tafel en schudden handen en kussen wangen dat het een lieve lust is. Iedereen neemt afscheid van het koppel. Ze nemen de trein naar de stad waar ze onlangs een appartement gekocht hebben.  Twee vroegzeventigers lopen richting station hand in hand. Tomootje draagt onder zijn linkerarm een watermeloen. Hij lijkt wel een voetbalscheidsrechter die seffens de aftrap gaat blazen. Dennomo draagt in zijn rechterhand een boodschappentas waarboven de poreistengels uittorenen. Volgende donderdag zijn ze weer van de partij. Daar mag je donder op zeggen. De kastelein heeft even genoeg van de schlagers en 'Thunder' van AC/DC buldert door de luidsprekers. De meeste terraszitters zijn toch hardhorig. Tomootje en Dennomo gaan bijna het hoekje om maar niet alvorens nog eens te zwaaien. Het terras zwaait terug. 'Duizend terrassen in Rome' zingt Bart Kaell en het terras valt in.

Marc M. Aerts
12 1

Berichten uit het roddelstraatje

Het is geen herenhuis maar heeft wel iets statigs. Van de vroegere bewoners blijft enkel nog de bejaarde moeder over. Soms komen kinderen en kleinkinderen op bezoek. Sommigen komen niet meer, een oude familievete. Rosalia is al geruime tijd weduwe. Ze houdt zich kranig.  Met haar ranke verschijning en net iets te grote neus doet zij aan tante Sidonia denken.  Ze komt geregeld grappig uit de hoek. Voor een alleenstaande oude dame is zij opmerkelijk bij de pinken.  Zij heeft een uitgebreide garderobe met niet alledaagse jurken, ensembles en bijpassende accessoires. Haar taal is verzorgd maar doorspekt van de grappigste dialectwoorden.  Ze is van de streek, dochter van de witloofboer van de grote hoeve in een naburig dorp. Haar man zaliger was directeur op de regionale zetel van een Bank met sterke Vlaamse verankering.  Daarom wappert  op 11 juli nog lang na zijn dood steevast de Vlaamse Leeuwenvlag aan de gevel van het huis. Dit is een doorn in het oog van de schuins overbuur, een Franstalige Gentenaar die tien dagen later de Belgische driekleur uit het raam hangt. Wij zijn haar nieuwe overburen en schoorvoetend groeit het contact met de streng ogende maar bij nadere kennismaking lieftallige dame. Om het ijs te breken hebben wij het over haar verzorgd voorkomen. “Waar ik die mooie kleren vandaan heb?”, vraagt ze: “mijn man reisde veel voor zijn werk en kwam ook regelmatig in de chique Avenue Louise in Brussel.  Hij kende precies mijn maten en bracht dan de laatste modespullen voor mij mee.  Zelf heb ik bijna nooit kledij moeten kopen en al wat hij meebracht paste als gegoten.” Ze kent hier veel bewoners maar houdt de meeste op afstand. “Het is hier een roddelstraatje”,  weet ze te vertellen: “dat zullen jullie snel merken.  Let maar op.” Op een dag wordt eindelijk de verloederde straat vernieuwd.  De werken duren zes maand langer dan oorspronkelijk voorzien.  De zoon van Rosalia werkt op de gemeente.  Zo weet  ze aan wie de opdracht voor de werken werd toevertrouwd.  “Dat is geen aannemer”, lacht ze smalend: “dat is een pattattenboer.”  Later gaat de voormalige aardappelkweker failliet en moet een andere aannemer zijn knoeiwerk voltooien . Meestal steken wij de straat over als wij met haar een praatje slaan.  Wij dringen aan om naar de druivelaar in onze achtertuin te komen kijken en eindelijk stemt ze toe.  Op een lokaal marktje hebben wij op een standje met streekproducten voor het eerst witloofjenever gevonden.  “Rosalia, mag ik je een borreltje aanbieden van iets dat je nog nooit hebt gedronken?” vraag ik .  “Ik mag geen alcohol drinken”, antwoordt ze maar neemt toch gretig het glaasje aan.  “En, ken je dit”, vraag ik.  “Maar, manneke, dat is lofjenever, dat ken ik al van mijn jeugd”, lacht ze: “en dat is lang geleden, er is geen varken dat zo oud wordt als ik.” Na het derde neutje loodsen wij haar huiswaarts.  Daar toont ze foto’s van vroeger.  Ze is nog steeds eigenares van een chaletje in de Ardennen dat op de beelden te zien is.  Er loopt ook een hondje rond op het terrein.  “Onze Jacky”, zegt ze meewarig: “die is al lang geleden gestorven.” Ze vertelt dat het chalet in de Ardennen te koop staat.  Ik vraag het adres en ga er met een vriend een bezoekje brengen.  Het staat midden op een totaal verwilderd terrein.  Zodra wij uit de wagen stappen valt ons op hoe rustig het er is.  Wij worden haast ongemakkelijk van de stilte.  Het gebouwtje is niets meer dan een uit de kluiten gewassen tuinhuisje.  De ramen zijn stuk en er ligt vuilnis van vermoedelijke krakers.  Ik trek een deur open en schrik me rot.  Het is het toilet en vanop de pot kijkt mij een dier strak in de ogen.  Ik denk eerst dat het een vos is die mij elk moment gaat bespringen maar merk dan dat het opgezet is.  Ik herken Jacky van op de foto.  Als ik later het verhaal aan Rosalia vertel komt ze niet meer bij van het lachen.  “Onze Jacky, ja, die zagen wij zo graag dat wij hem hebben laten opzetten.  Dus die waakt daar nog steeds?” Donderdag is marktdag in het dorp.  Ze zegt dat ze er al lang niet meer geweest is en vraagt mijn echtgenote haar te vergezellen.  Ze nemen de bus, het is amper twee haltes verder.  Mijn echtgenote heeft een busabonnement maar Rosalia staat erop alles te betalen,  ook het bus ticket. Na een kwartiertje heeft ze er al genoeg van en nodigt mijn echtgenote uit in het dorpscafé. Ze wordt er hartelijk begroet door de waard, een oude kennis.  Het is amper elf uur maar Rosalia bestelt reeds twee rode porto’s. Een uur en drie porto’s later nemen beide vrouwen vrolijk de bus terug naar huis.  Als ze later gezwind door het roddelstraatje naar huis stappen snijdt Rosalia een heikel onderwerp aan.  Ze zegt dat ze breeddenkend is en tegen niemand iets heeft.   Zoals ze daar arm in arm lopen moet ze denken aan de problemen van de holebies.  “Ge weet toch hoe ze twee vrouwen die samen zijn noemen?”, vraagt ze: “dat zijn lesbieken" , knikt ze heel wijs. Het enige restaurant op loopafstand is een  chinees eethuis waar Rosalia regelmatig uit eten gaat. Ze  nodigt ons uit om er samen naar toe te trekken.  Als de bestelling is opgenomen vraagt de ober wat er gedronken wordt.  “Doe maar dat rond fleske, ge weet wel”, zegt Rosalia.  De ober komt terug met het alombekende  Portugese Mateus rosé tafelwijntje. “Dat drink ik hier graag”, knikt ze: “past perfect bij hun eten.” Rosalia neemt ons in vertrouwen. Ze heeft in haar geboortedorp  een nog te bouwen serviceflat gekocht. Haar huis wordt te groot om te onderhouden.  Zes maanden later zegt ze enigszins bedrukt dat het project met de seniorenflats niet doorgaat:  alweer een politieke kwestie, zeurt ze.   Dan blijft ze maar in haar huis wonen want naar dat oudewijventehuis in het andere dorp wil ze niet. Met haar gezondheid gaat het langzaam achteruit. Na een aantal keren dat ze onwel werd vraagt de dokter haar een verklikker te dragen waarmee ze de hulpdiensten kan verwittigen als haar iets overkomt. Wanneer de rolluiken een ganse dag omlaag blijven verwittigen wij de zoon. Rosalia is gevallen en heeft de ganse nacht op de vloer gelegen. Haar verklikker ligt op de keukentafel. De kinderen besluiten dat ze niet meer alleen mag blijven en brengen haar onder in het gehate rusthuis. Wij bezoeken haar af en toe.  Ze deelt haar kamer met een andere dame. De dementerende kamergenote lacht ons kinderlijk toe maar Rosalia zegt resoluut: “Ge moet daar niet tegen klappen. Dat menske is compleet tureluut.”  Toch geeft ze het menske een stuk van de taart die wij voor haar hebben meegebracht.  “Ne mens moet toch een beetje compassie hebben, nietwaar?” Geruime tijd na haar begrafenis wordt de voormalige woonst van Rosalia verkocht aan hoogst onsympathieke huizenopkopers uit de buurt. Ze verhuren het huis. De eerste huurders zijn een buitenlands lesbisch koppel. Wij denken meteen terug aan de ‘lesbieken’ van Rosalia. P.S. : Alle gelijkenissen met bestaande personen berusten op puur toeval

Vic de Bourg
73 3

Mijn fantastische leven

Gedachten en andere explosies   25 April 2015 Er zijn overal explosies. Geuren-, kleuren-, mensenexplosies. Het werd me te veel, vandaar de cocon. Ik bouwde deze heel langzaam op, ik beschermde mezelf tegen de buitenwereld ... maar niet tegen mezelf. De emoties, gedachten en gevoelens vulden de cocon met een doordringend gevoel van afschuw voor mezelf. Een groot afgrijzen voor mijn leven kroop in mijn hoofd, plakte op mijn huid. Het was alsof iedereen op mijn hoofd kon lezen dat ik een emotioneel, onstabiel kind was dat om het minste moest huilen. Ik ben haar ontgroeid, dat kind. Ik ben anders en ik heb me erbij neergelegd. Ik ben anders en anders zijn is oké. 26 April 2015 De duistere kant van mijn persoonlijkheid. Ze is terug. Donkere Daphne. Groot, lelijk, zelfzuchtig en verschrikkelijk ambetant. Ze vertelt me dat ik alleen zal zijn, voor de rest van mijn leven. Ik laat het even bezinken. Het interesseert me niet. Mijn donkere kant schreeuwt om aandacht die ze nooit zal krijgen. Het is onnozel. Ze zou beter moeten weten. Ik heb haar verbannen naar de achterste hoek in mijn hoofd. Daar hoort ze thuis! Ze mag mijn leven niet verder verpesten. 27 April 2015 Het is zover. De cocon barst, zo ook mijn hoofd. Het zijn net messteken. Ze doordringen mijn schedel alsof die gemaakt is van was. Zo soepel, alsof het niet moeilijk is om alle gedachten te doorklieven. Zelfs ik geraak moeilijk door de vaste gevoelens. Hoe kan het dat zij het wel kan. Hoe moeizaam ik vooruit geraak. Het zit vast in mijn gevoel. De pijn. Eerst zacht en daarna steken steeds meer messen in me, niet alleen in mijn hoofd, ook in mijn hart en in mijn buik. Vertrouw je buikgevoel ... Dat is makkelijk praten want als ik dat nu zou doen dan zie je me niet meer terug. 28 April 2015 Ik heb ervan gedroomd, van mijn buikgevoel volgen. Ik nam een tas, smeet er enkele kleren in, deed mijn stapschoenen aan en vertrok in het vroege ochtendgloren. Op stap. Enkel ik en mijn gedachten. Wacht ... Er ontbreekt iets. Ah, daar is ze, mijn duistere kant. Ik heb haar niet gemist maar ik heb haar nodig. Net zoals ik hem nodig heb. Je kent hem niet. Dat zou ik ook niet willen. Hij kent mij ook niet, althans niet helemaal. Hij heeft nog nooit mijn duistere kant ontmoet. De duistere kant die graag mensen graag kwetst. Als hij er ooit achter zou komen, wil ik niet meer verder leven. Het is een kant van mij die niemand kent. Maar niemand heeft ooit gevraagd of hij haar mocht leren kennen. 29 April 2015 Ik ga ervoor. Ik volg mijn buikgevoel. Ik heb mijn spullen bijeengeraapt en ik ben vertrokken. Alleen ik, mijn gedachten en de duisternis. 30 April 2015 Mijn moeder begreep het. Ze zei wel dat ik haar moest verwittigen als ik nog eens zou weggaan. Ik heb die avond lang in de douche gestaan. Gewoon het water stromend over mijn lelijke en mismaakte naakte lichaam. De dunne spillebenen die bibberen, de scheve neus, de borstkas die rustig op en neer gaat. Ik lijk kalm maar ben het niet. Het hete water verbrandt mijn lichaam. Mijn al zo ruwe huid werd nog ruwer. Het was net als schuurpapier. Mijn huid ging van blauw naar roze en toen naar knalrood. Ik huilde. Mijn tranen vermengden zich met het water. Het ging allemaal niet meer. Ik stapte uit de douche, deed niet eens de moeite om me af te drogen of en pyjama aan te doen. Ik ging zitten op mijn bed en sloeg de lakens om me heen. Ik had me nog nooit zo vreselijk gevoeld. Ik viel niet in slaap, daarvoor was ik te veel aan het piekeren. Wat zou er gebeurd zijn als ik niet terug naar huis was gekeerd? Hoe zou ik me dan voelen? Zou ik dan nog steeds mezelf zijn? De storm deed het huis kraken. Het was angstaanjagend. Ik was bang, zelfs al was daar geen reden voor. Het huis zuchtte. Het voelde zich al even slecht als ik. Ik troostte het huis met mijn woorden. "Huis, maak je maar geen zorgen. Het komt wel goed. Alles komt altijd op zijn pootjes terecht", fluisterde ik. Ik geloofde mezelf niet eens hoe zou het dan kunnen als het huis me wel zou geloven? Het klinkt belachelijk, misschien zelfs gek maar de storm ging liggen en het huis viel in slaap, net zoals ik.   De pijn is prettig, het geeft me het gevoel van bestaan   1 Mei 2015 Ik ben niet perfect. Ik ben alles behalve perfect. Ik eindig alleen. Ik heb er vrede mee genomen. Alhoewel, hij staat nog steeds aan mijn zijde. Ik ken hem niet zo goed, maar hij heeft alles wat je van een vriend zou verwachten: · Hij is er altijd, echt altijd op momenten dat je hem nodig hebt. Zelfs al wil je liever je verdriet alleen verwerken · Hij is het perfecte beeld van de "beschermer" · Hij is een goed persoon zelfs al verdien ik hem niet. Ik snap niet waarom hij zelfs bevriend wil zijn met mij. Hij is een held en ik ben juist het tegenovergestelde ... ik ben de slechterik. Hij weet het gewoon nog niet. · Hij is charmant. Ik neem niet altijd de juiste beslissing, maar hij was een van de beste beslissingen die ik in mijn hele leven heb gemaakt. 2 Mei 2015 We gaan ervoor, ik bedoel: ik ga ervoor. Ik sta klaar. Ik ben paraat om dit denken toe te laten in mijn hoofd. Het is moeilijk maar ik ben in alle staten. Ik ben werkelijk bereid om ervoor te gaan. Niets stopt me. Het kan snel en pijnloos. Het intimideert me want het is dodelijk. Het is verslavend. Het idee van lief gehad te worden. Ik dacht er voor het eerst aan. De schrik sloeg me om m'n oren. Ik kreeg er buikpijn van. Ik moest ervan kotsen. Niemand mocht weten dat ik het had gedurfd. Niet dat ik me er voor schaamde. Oké, ik schaamde me een klein beetje. Ik durfde niet aan te raken wat zo dichtbij was. Het leek zo kwetsbaar. Het komt omdat ik zo gemeen ben. Ik wou dat ik toen die ene seconde toch had besloten om niet aan liefde te denken. 3 Mei 2015 Het is allemaal al vooraf bepaald. Het huis waar ik mijn jeugdige jaren zou doorbrengen, mijn studiekeuze en zelfs mijn vrienden en ik geloof ook niet in toeval en ook niet in het lot. Ik geloof in de beslissingen die we allemaal maken. Ik geloof in de menselijke wil. Mijn vrienden en vijanden hadden al bepaald dat ze zo zouden worden vernoemd vanaf het eerste moment dat ze me zagen. Hun beslissing vormde mijn leven tot wat het nu is, al zou ik het niet echt een leven noemen. Maar omgekeerd ook ... Ik heb hun leven gevormd door mijn beslissingen, en zoals ik al zei, zijn die niet altijd de juiste. Ze verpesten mensen hun levens. Vooral het zijne. Het zou allemaal anders zijn gegaan als ik niet had beslist dat hij mijn beste vriend zou worden. Ik zou niet zijn leven maar het mijne verpesten. Het klinkt egoïstisch maar ik ben blij dat ik een deel van zijn leven heb afgepakt en met het mijne heb verstrengeld. 4 Mei 2015 Soms klink ik depressief maar ik ben allesbehalve depressief. Ik ben gelukkig maar het "zijn" zit me tegen. Het irriteert me dat ik het ene meisje ben dat alleen naar feestjes moet omdat ze geen vrienden heeft. Ik ga niet naar feestjes omdat ik niet zo bestempeld wil worden. Ik wil niet gelabeld worden, zoals mijn "vrienden" op school als marginaal en niet cool worden bestempeld. Ik wil niet dat andere mensen hen zo noemen want ik vind hen cool. Ik vond hen cool. 5 Mei 2015 Het heeft geen nut. Omdat ik dat ene meisje ben, zal ik dat beoogde doel met mijn boek niet kunnen bereiken. Hier enkele tips voor beginnende schrijvers: · Wil je een boek schrijven? Begin daar niet aan. Het interesseert niemand. · Ga je dan toch een boek schrijven? Zorg dan dat je emotioneel stabiel bent en je niemand lastig valt met een boek over je saaie leven. · Ben je emotioneel niet stabiel? Schrijf geen boek. Kijk wat er van komt. Je problemen dringen enkel verder in je bestaan. · Toch een boek aan het schrijven? Lieg tegen de lezers over je leven en schrijf over het gelukkige leven waarin je graag geboren was. · Nog een tip: het suckt om een boek te schrijven . Waarom ik verder schrijf? Er zijn enkele lichtpuntjes op komst. 6 Mei 2015 Toen ik gisteren schreef over lichtpuntjes in mijn leven bedoelde ik dat letterlijk. Mijn grote broer Simon had een briefje achtergelaten en 6 kaarsjes die werkten op batterijen voor mijn verjaardag. Hij zei dat ik ze moest aansteken als ik even alleen in het leven stond. Ik stond er niet alleen voor maar toch stak ik ze aan. Een maand geleden was de moeder van hem gestorven, ik bedoel van mijn beste vriend. Ik was er niet voor hem. Ik was te erg met mijn eigen problemen bezig. Ik wou hem helpen maar ik was machteloos. Hij huilde nooit in mijn bijzijn. Ik voelde hoe hij daarvoor moeite moest doen en ik wou niet dat hij die moeite deed. Als hij zou gehuild hebben had ik me beter gevoeld. Ik had hem kunnen troosten. Mijn ouders hebben me nooit geleerd hoe ik iemand met emotionele pijn moest troosten. Of hoe ik iemand moest troosten die zich niet comfortabel genoeg voelde om te huilen in mijn bijzijn of zich daarvoor schaamde. Als iemand zich schaamde, was ik het wel want elke keer dat ik iets wou zeggen leek het alsof ik mijn tanden met lijm had gepoetst. Ik voelde me zo dom. Ik kon ons niet allebei helpen en weer was ik egoïstisch en hielp ik eerst mezelf en liet ik zijn vrienden hem helpen. Er gaat geen dag voorbij dat ik daar geen spijt van heb. 7 Mei 2015 De vraag van vandaag: ben je gelukkig? Gelukkig niet! Het is al een oud spreekwoord maar het is geen wijs spreekwoord. Je koopt geen geluk. Dat is niet waar want ik heb mijn geluk wel gekocht. Niet op E-bay of bol.com. Ik heb het gekocht met emoties en verhalen toen ik bevriend werd met hem en de andere. Zijn verhaal is alreeds verteld maar niet dat van mijn vroegere beste vriendin: Sherin. Ze was een vluchteling. Nu is ze bijna een rasechte Belg. Ze hoort hier thuis. Niets is zekerder dan dat maar ik zou het liever hebben gehad als ze in een andere klas zou zitten. Een jaar lang waren we beste vriendinnen. We deden alles samen, we vierden onze verjaardagen samen, gingen samen naar de film en bij elk groepswerk waren we partners. Nu irriteert ze me mateloos. Als ze niet in mijn klas zou zitten zou ik het niet erg vinden. We zouden nog verbonden zijn met elkaar, alsdan niet via groepswerken. Ik haat het wanneer ze lacht naar mij alsof ze niet weet wat ze fout heeft gedaan. Wat heeft ze dan fout gedaan? Ze kent de grens tussen grappig en beledigend niet. En dan noemt zij mij gemeen. Halleluja mijn reet. Sorry voor het gebruik van niet-gepaste woorden, maar wat die meid in me losmaakt is wel gemeen. Ik neem het haar niet kwalijk. Ik ging haar ook laten vallen net zoals zij mij. Alleen had ik een lange termijnplan opgesteld.We zijn elkaar plotseling ontgroeid en daar heb ik genoegen mee. 8 Mei 2015 Ik dacht dat het nooit meer zou gebeuren, maar het is zover. Ik heb de gedachtenpoort weer heel even opengezet. Ik weet nu al dat ik daar later spijt van zal hebben. Er zijn verschillende mogelijkheden: 1. Ik verban de gedachte zoals ik ooit met mijn donkere kant heb gedaan maar na een tijdje had ik haar nodig zo ook deze gedachte. 2. Ik laat de gedachte toe. Ik denk erover na maar beslis toch om mogelijkheid 1 toe te passen. 3. Ik denk erover na en raak eraan verslaafd. 4. Ik laat het bezinken en zie wel wat er van komt. 9 Mei 2015 Het is één en al chaos in mijn hoofd. Toen ik besloot om dit dagboek te schrijven had ik niet verwacht dat ik er zo verslaafd aan zou raken. Mijn beste vriend was tot nu toe onbekend voor jullie. Ik zal jullie vertellen wie hij is: Zijn naam is Sean, hij is, was, mijn beste vriend. Hij is boos op mij en ik dacht dat ik alles kon delen met hem. Ik schreef dit stomme dagboek om al mijn gedachten te ordenen maar ze zijn juist nog chaotischer geworden. Wat heb je aan een dagboek als niemand het mag lezen? Uri las het. Daarom is hij boos. Hij ontdekte de waarheid achter mijn verfoeilijke bestaan. 10 Mei 2015 Ik ben nietig tegenover al zijn boosheid. Nooit gedacht dat ik zo in de afgrond zou vallen. De donkere periode in mijn leven is nog niet beschreven: De donkere tijden, liever te vermijden. Ze verpestte mijn leven, misschien klinkt dit overdreven. Maar het zei zo. Welkom aan de duistere kant. Ik ben de slechterik in alle verhalen. Ik ben degene die de moorden pleegt en mensen ontvoerd en opsluit. Geniet ervan, zolang de tijd ons rest. 11 Mei 2015 Het leven heeft twee kanten. Het is net als wiskunde. · Positieve zin: Tegen de wijzers in. · Negatieve zin: met de wijzers mee. Het heeft een stomme symbolische betekenis. Vroeger was alles beter naarmate je de klok terugdraait wordt het leven positiever. De toekomst staat er negatiever voor want dat is met de wijzers mee. Hoe verder het leven vordert is negatieve zin... dat is allemaal mijn fout. Ik heb er niets mee bereikt. 12 Mei 2015 Kom naar me toe gestegen. Volg de pijltjes door het doolhof. Waarom kunnen dichters woorden zo mooi maken? Ik vraag me af hoe het komt dat mijn leven zo veranderd is sinds hem. Hij is mijn probleem. Ik kom liever van hem af. Het doet pijn maar het voelt juist aan. De pijn, doordringend en vastberaden om me onderuit te halen, herinnert me aan een overwinning. 13 Mei 2015 Ik doe mijn best om me te beheersen. Het lukt niet. Ik schreeuw het uit. Honden blaffen in de verte. Het is mijn schuld. Ik schreeuw nog harder. Het is een wedstrijd. Ik tegen de honden, om het luidst. De lichten in het appartementsgebouw naast mijn huis springen aan. Ik zie een vrouw in badjas op het balkon lopen. Ik bestudeer haar aandachtig. Ze kijkt recht in mijn ogen. Ik hoor haar praten, besef dat het tegen mij is en luister aandachtig. Eerst bewegen enkel haar lippen maar als de honden gestopt zijn met blaffen hoor ik haar duidelijk. Ze zegt: "ik begrijp het. Soms komt het gewoon, is het niet? Toen ik jong was..." Ze ziet er nog steeds jong uit, denk ik. Ze zwijgt. De stilte is fijner dan ik dacht. Het is rustgevend. De chaos aan gedachten vervagen. Ik ga zitten op de grond en nog geen tien minuten later val ik in slaap. 14 Mei 2015 Ik ben verbonden met hem. Zijn gedachten breiden zich uit in mijn hoofd. Het gaat over beknopte thema's. Het klinkt me vertrouwelijk in de oren. Onze communicatiemiddelen zijn onder andere: · Telepathie · Gedachten lezen · Praten · Sms'en Het is makkelijk om te communiceren met hem. Hij begrijpt me zelfs zonder woorden. 15 Mei 2015 De meesten kinderen in mijn klas zijn hoogbegaafd... Als je meerekent dat hun mentale leeftijd 7 is. Het zei zo. Ze denken enkel aan games. Ik dacht onlangs aan piercings en tattoos. Het zou fijn zijn, zo'n tattoo. Een teken dat me doet herinneren aan een overwinning. Ik wou heel graag een tattoo op mijn pols. Eerst dacht ik aan een lotus... maar dat is te zachtaardig voor de zware periode die ik wil symboliseren. Omdat ik een grote fan ben van Harry Potter wou ik het teken van de relieken van de dood. Het doel heiligt de middelen. Het is eveneens het teken van illuminatie en daarom heb ik besloten dat het geen goed idee is. 16 Mei 2015 Ze zijn van plan om Joachim in een psychiatrische instelling te stoppen. Joachim is bang, van alles. Hij is verslaafd aan macht. De hond die blaft en bijt. Hij is een uitzondering op de regel: Blaffende honden bijten niet. Als hij boos is op iemand neemt hij een mes uit de schuif... wacht ik vergis me. Dat is wat ik doe. Ik kies het scherpste en grootste mes dat er is. Verklaar me maar voor gek. Zet me maar op de brandstapel. Heksen branden niet. Hij is naar de therapeut geweest. Het is een vrouw met een heel zware stem. Dit is weer een actie van mijn moeder. Ze manipuleert hem emotioneel. Hij heeft het niet eens door. Ze zei eens tegen een groep mensen dat hij faalangst heeft. Sindsdien heeft hij dus faalangst. Ze geeft hem ziektes waar nog geen sporen van zichtbaar zijn. Het zit allemaal in hun hoofd. Het is wonderbaarlijk hoe ons eigen brein ons zo kan misleiden. 17 Mei 2015 Hij is ziek en niet alleen in zijn hoofd. 18 Mei 2015 We zijn godverdomme nog maar 15. Who the fuck gives a shit. Sean doet dat. Alles wat ik zeg neemt hij persoonlijk en serieus op. Nooit eens lachen. Hij maakt zich zorgen over de toekomst. Het is stom! We zijn nog niet eens echt aan het leven!. Ik ben er nog niet aan begonnen. Het leven is een mirakel. En ik heb nog geen mirakel meegemaakt. Het fenomeen "leven" speelt zich af tussen de volwassenen. Vooral tussen de volwassenen die niet gebonden zijn aan een plaats, job, kind. Volwassenen die vrij zijn. Ik doe het liever nog wat kalmpjes aan. 19 Mei 2015 Ze is mijn schaduw. Ze volgt me overal. Ik apprecieer haar aanwezigheid en ben oprecht blij dat ze er is. Jammer dat ze er altijd is. Mijn hoofd vult zich met woorden. Ze kent die woorden ook. Ze denkt hoe ik denk, weet alles wat ik weet, ze is mij. Ze is slechts een schaduw, een duistere schim, een hersenspinsel dat zich in mijn brein heeft gevormd. Ze is de dood. Ze heeft besloten dat zij degene is die mij later naar de onderwereld zal slepen. Langzaam en met veel pijn. Zoals ik het wil. Ze zal m'n fouten wegtrekken vanonder mijn logge lijf. Ik geloof niet in leven na de dood.  20 Mei 2015 Gewoon mezelf. Dat is wat ik wil zijn. Met mijn pen op het papier. Daarna het tikken van mijn vingers op het bacterierijke toetsenbord. Ik kijk naar mijn nagels. Ze zijn iets te lang om aan de norm verzorgd te voldoen. Ik geniet van de stilte maar des te meer geniet ik van het kleine donkere kamertje waarin ik mezelf opsluit om in mijn dagboek te schrijven. Het is donker in mijn kamer en donker in mijn hoofd op het witte kille licht afkomstig van de oude computer na. Ik besloot dat er een nieuwe periode van start zou gaan. Niet ik zou hier gekwetst worden. Ik zou sterk zijn.   Een nieuwe ontmoeting   21 Mei 2015 Hey duistere kant, ben je daar? Dagenlang was ik op zoek naar mezelf. Ik dacht ook enkel aan mijn doel. Het doel heiligt de middelen. Mijn donkere kamer werd nog donkerder. Het was een teken. Het was haar teken. Ik had er nog nooit over nagedacht maar omdat ze een schaduw is heeft ze waarschijnlijk nog een erger leven als ik. Ik dacht dat ze onoverwinnelijk was maar ik kende haar zwakke punt. Ik ben haar zwakke punt. Hoe meer ik leed onder de druk des te afschuwelijker zij zich voelde. Ik wou graag een pact sluiten met haar. Dat zou beter voor ons zijn... Duistere kant? Ik wil graag een deal sluiten. 22 Mei 2015 Het werkte. Ik werd sterker. Zij ook. We waren lotgenoten. Voorbestemd om elkaar te haten maar elkaar eveneens te helpen. Ze trekt me erdoorheen. Zolang ik leef kan zij niet weg. Zolang zij bestaat ben ik gedwongen om verder te gaan. Dit is niet enkel mijn dagboek. Ze is er altijd al geweest. Bij elke stap die ik durfde te zetten nam zij mee beslissingen. Ze zal m'n geest overnemen zo ook dit boek. Ze noemt zichzelf Daphne. Ze stal mijn naam. Maakte er iets vreselijk van. Mensen spuwden op die naam. Ikzelf nam er vrede mee. 23 Mei 2015 Ik snap niet waar Daphne zich mee bezighoudt. Waarom schrijft ze zo vaak in dit verdomde boek. Niemand mag mijn bestaan te weten komen. Boeken kunnen gevonden worden. Dit is gevaarlijk! Ze had het moeten weten, voordat ze dit schreef. Ik ben, ik bedoel ik was, opgesloten in mijn eigen wereld. Toen ze mij dat ene aanlokkelijke voorstel deed zette ik mijn voeten in haar wereld. Ik ben nu geen schaduw meer. Ik ben wedergekeerd als haar wederhelft. 24 Mei 2015 Ik heb mijn belofte verbroken. Ik zei dat ik sterk kon zijn. Hoe kan zo'n achterlijk kind zo'n wreedheid wekken? Het is geen wreedheid. Het is een zwak, machteloos gevoel tegenover mezelf. Ik kan het niet beheersen. Het laat me beven. Koude rillingen sidderen in mijn lichaam. Ik stop met ademhalen. De schaar is mijn redding. Waarom zou ik mezelf pijnigen. Omdat het scharminkel zich dan beter zou voelen? Neen, ik zou me beter voelen. Het schuldgevoel dat ik had zou verdwijnen. Ik was schuldig door het feit dat er een monster in mij huisde. Het monster dat hem met de grond gelijk zou maken, even zou glimlachen als de kist in het graf zou zakken dat ik voor hem had gegraven. Het monster dat zich opgelucht zou voelen, vrijheid zou evenaren en zekerheid zou gewaarworden. Zoals ik al zei: de schaar is mijn enige redding. De andere optie is de dood. 25 Mei 2015 Vandaag niets. Een donker gat in mijn geheugen.   Sterren   Daar lag ze dan.  Niemand behalve ik weet wat er echt gebeurt is. Ze lag daar, in het bad. Ze had haar polsen overgesneden. Ik was er te laat bij om haar te redden. Iemand zei ooit dat onze cellen opgebouwd zijn uit sterren. Dat we niet weg gaan maar juist terug vanwaar we komen. Geniet van de sterren Daphne. Je verdient het, dat meen ik met heel mijn hart!

Daphne
0 1

Nicolas

Het was de eerste keer dat ze zich zo extatisch voelde. Ze raakte in een trance door de omgeving. Zweterige lijven, dansend om elkaar, lippen die elkaar bijna raakte, uitbundig gelach, alcohol vloeiend door de aderen. Ze keek hier al het hele laatste jaar naar uit. Haar vriendinnen lieten zich helemaal gaan en dansten mee opde luide dreunen van de boxen. Hun haren plakten in natte slierten tegen hun gezicht en ze konden hun eigen voeten niet bijhouden. Een jongen in een wit shirt en een wilde haardos had duidelijk geoefend thuis. Zijn vrijheid verspreide zich als een explosie van expressie terwijl hij danste. Ze voelde een verschrikkelijkeaandrang om met hem mee te dansen. Ze lonkte naar hem. Zijn blik verleide haar om dichterbij te komen, nodigde haar uit om hem aan te raken. Het was schemerig en rook naar alcohol en sigaretten, maar dat vergat ze allemaal door naar hem te kijken. Hij draaide in het rond en ging helemaal op in zijn bewegingen. Ze raakte lichtjes zijn arm aan en hij keek op naar haar. “Goeie dansmoves” riep ze boven de muziek uit, de woorden hadden haar lippen nog niet verlaten of ze voelde de schaamte voor deze openingszin al opwellen. Hij leek het niet erg te vinden en danste nu met zijn gezicht naar haar toe. Ze wees op haar borst, waar haar naam in gouden letters op haar Tshirt stond gedrukt. “Ik ben Mira” probeerde ze boven de muziek uit teschreeuwen. Hij lachte en kippenvel vormde zich over haar lijf, “ik ben Nicolas” en hij bewoog zich dichter naar haar toe. Nog geen minuut later nam hij haar handen vast, trok haar dichter naar zich toe en danste met haar. Ze voelde de adrenaline en de alcohol samenwerken in haar bloed en ging nog dichter bij hem staan.Hij draaide haar rond, hun voeten het ritme zoekend. De dreunen van de bas verstomden en de snelle ritmes maakten plaats voor uitnodigende tragere varianten, hij legde haar hand plat tegen zijn borstkas, plaatste zijn andere hand op haar heup en leidde haar in deze dans. Ze wou zo graag nog dichter bij hem zijn en ze wistdat hetzelfde voor hem opging. Hij wikkelde haar arm rond zijn nek en trok haar tegen zich aan. Hun zweet vermengde zich met elkaar, hun armen en lichamen versmolten, ze werden één mens. Hij draaide met zijn heupen, ze liet hem begaan. De trance werd heviger. Ze verlangde niets liever dan bij hem te zijn. De extase waarin ze zich bevond, werd ruw onderbroken door een por in haar rib. Verstoord keek ze achterom, waar haar vriendin haar stond aan te kijken met opgetrokken wenkbrauwen, vragend. “Ik dans, is dat verboden?” antwoordde Mira glimlachend. Haar vriendin knipoogde, draaide zich om en zwiepte haarhaar over haar schouder. Mira benijde haar elegantie, alleen maar door met haar heupen te zwaaien plakten de mannen aan haar lijf. Het verlangen naar het dansen werd heviger, dus draaide ze zich om en liep naar Nicolas toe. De ringtone was bijna onverstaanbaar, hij werd gebeld, maar nam niet op. Ze wist dat hij nu ging vertrekken, haar achterlatend met het verlangen naar geliefd te worden, aangeraakt te worden. “Ik kan je nu niet kussen” zei hij, wijzend op het koortsblaasje in zijn mondhoek. Ze wist niet wat ze moest doen en antwoorde: “Ik was ook niet van plan dat te doen, niet dat je lelijk bent ofzo, maar ik doe niet aan kussen op feestjes” en meteen had ze spijt dat ze dat had gezegd. Ze wou hem niet afschrikken en ze wou het juist wel. Hij werd weer gebeld. “Ik moet gaan” deelde hij mee. Ze keek recht in zijn bruine kijkers, ging op haar tenen staan en raakte met haar lippen zachtjes zijn wang. Haar gedachten schoten alle kanten op toen ze met haar lippen langs zijn wang streek. Haar handen lagen op zijn borst, haar hart stuiterde op en neer, simultaan met het zijne. Het leek alsof zijn hart uit zijn borstkas ging spatten. Hij keek haar een laatste keer aan en vertrok. Haar handen waren leeg, haar hoofd bomvol met zijn gezicht, zijn geur, zijn handen om haar, haar vingers in zijn krullen, zijn strak wit shirt. Haar handen bibberden, zweten als een rund, haar mond voelde droog aan en haar tong dik. Huiverend ademde ze uit. Ze had stress, maar dat hield haar wakker. Die ochtend was ze eigenlijk te ziek om haar bed uit te komen,maar voor hem moest ze het doen. Een sms om te bevestigen dat ze elkaar straks zouden treffen, in de Steeg, een café. De enige dag dat het internaat hem een uurtje door de stad liet zwerven, zou hij bij haar doorbrengen. Ze wachtte hem op, begroette hem met een eenvoudige kus op de wang en liet zich naar binnen leiden. Hij zat neer en keek haar aan. Ze lachte. Deze stilte was er een zoals geen ander, ongemakkelijk, maar vol spanning en verlangens. Hun gesprek vorderde, hij haperde en keek haar aan. Zij stamelde wat en keek hem aan. Een onbedoelde streling van haar been langs het zijne, zijn hand dat per ongeluk langs haar vingers streek. Hij haalde drankjes, die ze in korte tijd leegden. Er was haast bij. Hijstreek een lok haar achter haar oor, ze bloosde, hij keek omlaag, ongemakkelijk. Hij struikelde over haar tas, bloosde, ze kreeg haar jas niet aan, ongemakkelijk. Hij vertelde haar dat ze iets met hem deed, dat het nog nooit was gebeurd dat hij niet wist wat te zeggen, dat hij normaal een vlotte babbelaar was. Ze durfde hethem niet vertellen, maar hij deed ook iets met haar. Die jongen met zijn mooie lach vol goede bedoelingen, zorgden ervoor dat ze de beste versie van zichzelf wou zijn, zonder al die onvolmaaktheden die haar teisterden. Het afscheid was te snel, de kus die op zich liet wachten, kwam maar niet. Onhandig, stuntelend en tergend pijnlijk was het afscheid. De deur die achter hem dichtsloeg, was net de deur van haar hart. Ze was levendiger dan ooit, maar wist niet dat ze ooit zo hard kon vallen. Niemand had ooit zoals hem naar haar gekeken. Ze was beschadigd en hij was haar geneesmiddel. Ze had hoge dosissen van hem nodig om dit te overleven, maar wou zich niet aan hem opdringen. Het gewone leven ging door, maar veel te traag.Wijzer op één, ze checkte haar gsm, niets. Wijzer op 2, gezoem uit haar zak, verheugd kijkend, niets. Wijzer op 7. Nog. Steeds. Niets.  Liggend in haar bed, woelend, stelde ze zichzelf voor in zijn armen, een veilig gevoel verspreide zich van haar borst over haar hele lichaam. Hij had haar zelf verteld dat hij nog nooit zo onhandig was geweest met een meisje, dat ze een indruk op hem achtergelaten, er was een klik. Die zou hij toch niet snel met een ander meisje krijgen? Normaal geloofde ze niet in liefde op het eerste gezicht, maar dit kon er niet ver naast zitten.   Ze hadden niet veel met elkaar gemeen, maar dat is wat haar zo nieuwsgierig maakte naar hem De luide muziek zorgde ervoor dat hij haar niet kon verstaan. Ze lachte en wees op haar borst. Daar stond in gouden letters ‘gewoon Mira’ geschreven, wat hij tegelijk grappig en innovatief vond. Ze danste, wiegde met haar heupen en lachte naar hem. Wat moest hij doen? Haar een drankje aanbieden? Zo te zien was ze wel al een beetje aangeschoten en hij wou niet de verkeerde indruk wekken. Ze kwam steeds dichterbij en daardoor zag hij de details van haar gezicht. Ze straalde een soort zelfzekerheid, maar ook een even grote kwetsbaarheid uit. Hij trok haar dicht tegen zich aan en daar leek ze geen bezwaar tegen te hebben. Eerst hadhij gedacht dat ze sarcastisch was toen ze voor het eerst tegen hem sprak, maar zelf met het weinige licht dat er was, zag hij haar blozen. Ze was nog nooit zo aangeraakt merkte hij door haar onhandigheid, maar het kon ook door de alcohol komen. Zijn vrienden lachte goedkeurend en staken hun duim op. Wanneer haar vriendin even haar aandacht afleidde keek hij naar zijn gsm. Tien voor twee. Zijn lift naar huis stond buiten op hem te wachten. Hij wou haar zo graag kussen, maar eveneens wou hij haar gezondheid niet in gevaar brengen. Dat koortsblaasje bracht hem in een moeilijk parket. Vastberaden dat hij haar nog is terug ging zien, nam hij afscheid. Haar lippen beroerden zijn wang en hij drukte zijn neus in haar haren. Het gezoem uit zijn zak verplichte hem om haar los te laten, weg te gaan. Zijn mond was kurkdroog en hij kon geen woord uitbrengen. Wat deed ze toch met hem?Na het eerste sms’je was het allemaal heel snel gegaan. Vier dagen na hun eerste ontmoeting zat ze te wachten op hem aan de Steeg, van ver zag hij haar al zitten, elegant. Met een zachte dwang in zijn hand leidde hij haar naar binnen. Hun gesprek kwam op gang en de tijd vloog. Hij was helemaal vergeten dat ze misschien iets wou drinken. Veel tijd hadden ze niet meer, maar het leek alsof ze het naar haar zin had. Ze lachte naar hem, hij naar haar. Soms viel het gesprek stil en kon hij het niet laten naar haar te kijken. Hij bestudeerde haar zorgvuldig. Als uit het niets kreeg hij de impuls haar haarlok achter haar oor te schuiven, wat haar deed blozen.  Ongemakkelijke stiltes waren er om te koesteren dacht hij. Ze waren twee tegenpolen, maar juist dat maakte hem zo nieuwsgierig. Hij moest terug naar het internaat, te vroeg, te snel. Hij wou haar nog zo veel horen vertellen. Hoe kan dat nu dat een één meter negentig lange kerel zich zo klein kan voelen, vroeg hij zich af. Hij bracht moeizaam zijn woorden uit, zij eveneens. Hij bekende haar dat hij normaal een vlotte babbelaar was. Het afscheid was pijnlijk. Hij was zenuwachtig en zag dat zij dat ook was. Weer kuste ze hem op de wang. Hij had een hogere dosis van haar nodig. Zij was zijn medicijn. Hij lag in zijn bed, draaide zich, schudde zijn kussen, de slaap kwam niet. Hij beeldde zich in dat ze naast hem lag, hij haar omarmde, haar ademhaling voelde tegen zijn borstkas, haar geurende haren gedrapeerd omhaar hoofd als een waaier. Het gevoel van veiligheid, van geborgenheid, van verdwijnende eenzaamheid overspoelde zijn lichaam. Hij dacht niet dat hij een indruk op haar had achtergelaten, maar het onhandige gestuntel van die date, was geen eenrichtingsverkeer. “Ik ben superzenuwachtig” was het eerste dat ze tegenhem had gezegd. Dat vond hij zowel lief als gedurfd, gevoelens uitten is moeilijker dan het lijkt. Hij viel voor haar lach waar geen einde aan leek te komen. Ze glimlachte, giechelde en dat was het enige dat hij wou, dat ze hem toelachte, instemde en haar herkenning deelde. Hij geloofde niet in liefde op het eerstegezicht, maar dit kwam toch dicht in de buurt.

Daphne
15 1

De geesten van de tsunami

‘Ok, baas. Ik haal hem nu op.’ Tanaka san klonk als een windstille zee. Maar iedereen die hem zag, zou schrikken. Zijn gezicht was lijkbleek. Zijn gevoelens gingen op en neer. Als hoge golven. Waarin hij elk moment kon verdrinken. Zo ontzettend gestresst was hij. Vanavond ging hij Hanna ten huwelijk vragen. In zijn hoofd zei ze ‘ja’. Maar een ander stemmetje zei: ‘nee’. Ja, nee, ja, nee, wisselden elkaar in razendsnel tempo af. Tot ze een woord waren. Het liefst wilde hij zijn hoofd uitzetten als een kapotte lamp. Hij trilde. Zijn vingers voelden klam aan. Ze gleden voortdurend van het stuur. Hij zocht naar zijn witte handschoenen in het laatje. Ze lagen er niet. ‘Oh, ja,’ bedacht hij ineens. ‘Ze hangen aan de waslijn!’ Hij zag zijn handschoenen al naar de voorbijgangers zwaaien. Hij kon zichzelf wel voor de kop slaan. Als het maar niet ging regenen. Verdwaasd keek hij naar de hemel. Zeemeeuwen vlogen onder donkere wolken. Als lenige surfers op de golven van de wind. Het zou nu vast gaan regenen. Shit. Een vliegtuig met een rode vogel op zijn staart vloog over. Op dat moment klonk door de intercom van het vliegtuig: ‘We gaan over een paar minuten landen. Wilt u uw tafeltje voor u inklappen en blijven zitten. Tot we geland zijn. Vergeet niet uw veiligheidsgordels aan te doen voor uw eigen veiligheid.’ De pictogrammen op het scherm lichtten op. De passagiers volgden de instructies op. Tanaka san drukte de hendel in van zijn richtingaanwijzer. De rode pijl gaf links aan. Hij vloog met zijn taxi naar de vlieghaven. Hij had haast. De klant was al uitgecheckt en wachtte bij terminal 1. Het zou zijn laatste klant zijn voor vandaag. Daarna was hij vrij. Normaal reed Tanaka san altijd met zijn navigatiesysteem aan. Maar in de buurt van de vlieghaven zette hij hem angstvallig uit. Het was nog maar zes maanden geleden dat het gebied compleet verwoest was door de tsunami. Tanaka san reed door een leeg landschap. Hier en daar was een weg opgeknapt. Het ergste puin was opgeruimd. Maar op zijn navigatiesysteem stond alles er nog: de rijstvelden, de scholen, de woonhuizen. De bruggen, de wegen. Ook de nog intacte dijk waarover hij reed. Alsof er nooit een tsunami was geweest. Hij reed door een schijnwereld. In die wereld kon elk moment iemand uit zijn huis stappen en een taxi aanhouden. Net zoals zijn handschoenen naar voorbijgangers zwaaiden. Tanaka san was als de dood dat hij een geest zou oppikken. Het hele gebied krioelde van de geesten, zei men. Geesten van vermisten die nooit begraven waren. Maar die als elke andere dode naar de hemel wilden. Hij kwam aan bij terminal 1 van het vliegveld dat tijdens de tsunami volledig was verwoest, maar nu als een wonder weer rechtop stond. De vliegtuigen scheerden als geesten door de helderblauwe lucht. Tanaka san keek naar de glazen constructie. Een oogsbechoocheling.  Glimmend in de zon. Maar indien er weer zo'n vreselijke aardbeving kwam, dan zouden de panelen weer als een kaartenhuis instorten. Toch was hij niet bang. Hij geloofde niet dat een ramp van dit caliber op dezelfde plek een tweede keer zou toeslaan.'Je zal mijn leven niet nog een keer verwoesten!' mompelde hij zijn vuist naar de hemel richtend. Alsof daar een God zat die klaar stond met een toverstok om de mensen wakker te schudden uit hun duffe leventje. 'Een prachtige vrouw wacht op mij. Ik ga met haar trouwen!' Hij fronste zijn voorhoofd. Als ze tenminste 'ja' zegt...' Deze keer liet hij haar niet gaan.  De vrouw wachtte hem op. Toen ze hem zag aanrijden, zwaaide ze naar hem. Hij greep automatisch naar de hendel van de achterbak. Maar trok snel zijn hand weer terug alsof hij zich aan iets verbrandde. Want tot zijn verbazing had de vrouw helemaal geen bagage bij zich. (wordt vervolgd)        

Margaretha Juta
38 0

Vakantiegenoegens

“Stoort het niet dat ik eet terwijl jullie roken?”   Ze zaten even verder op het terras Hij: hoogrood verbrand Zij: donkerbruin olifantenvel Hij had ze al opgemerkt op het strand Beiden in de vlakke zon op ligstoelen   Om het half uur werden sigaretten opgestoken Hij: iets met zwarte tabak zonder filter Zij: iets superlang met lange filter De peuken werden naast hen in het zand geduwd Haar peuken zagen rood van de lippenstift   Na elke sigaret werd het braadspit  gedraaid Haar armbanden rinkelend Zijn nepgouden halsketting blinkend in blakend zonlicht   Op het terras had hij ze te laat opgemerkt Pas bij het horen van de klik van de zware vergulde aansteker Besefte hij dat hij niet dit enige nog vrije tafeltje had moeten uitkiezen Maar zijn maaltijd werd reeds opgediend   Ze schrikken op bij zijn vraag Verbijsterd kijkt zij naar de aangebrande vleeshoop naast haar Woedend snauwt hij: “Ga dan elders zitten, sukkel.” Ze betalen en stappen misprijzend op   In de asbak op hun tafeltje liggen een tiental peuken Uit een geparkeerde cabriolet nemen zij hun strandhanddoeken Dan wandelen ze rokend terug naar het strand Zeelucht geeft trek   Nadat hij heeft betaald ledigt hij snel de asbak in zijn servet Hij stapt resoluut naar de rode cabriolet Dit zeebriesje zit net goed, denkt hij Hij opent de servet en merkt hoe as en peuken de lucht in gaan   Ze belanden precies op de witlederen zetels Ach, denkt hij, wat sneu Dat die lui nu net op dit enige vrije plekje staan Hadden ze maar elders moeten parkeren Op de passagiersstoel ligt een lange peuk met rode lipstift Past wel bij de kleur van de wagen, denkt hij.

Vic de Bourg
39 2