Lezen

Opdracht 4 - Veerle Schaltin

De straat ligt er verlaten bij. Geen zuchtje wind doet op deze zomerdag de plataanbladeren op het plein ook maar een tikje wiebelen. Farahilde parkeert haar wagen vlak voor de oprit van haar ouderlijk huis. Haar sleutel sputtert tegen als ze hem in het slot van de voordeur omdraait. De deur kraakt als ze ze openduwt. De trap met tapis plein naar de eerste verdieping kreunt onder haar voetstappen. In de living staan één zetel en een reusachtige boekenkast vol boeken. Verder is het er leeg. Geen planten meer op de vroeger overvolle vensterbanken. Geen kaders aan de muren. En nergens nog de altijd rondslingerende paperassen. Haar ouders zijn vandaag naar een assistentiewoning verhuisd. Eigenlijk zijn ze daar te jong voor, maar haar vader is ziek, en haar moeder denkt de zorgen voor hem niet alleen aan te kunnen. Zij en Luc moeten boeken komen kiezen. Wat ze niet meenemen, wordt naar de kringloopwinkel gebracht. Toch gooit ze zich niet op de boekenkast. Ze neemt wel nog een trap naar boven en loopt haar oude slaapkamer in. Het paarse behang daar bladdert af. Op een schab staan vergeten kaften. Het lichtkoordje dat altijd boven haar bed hing, bevindt zich eenzaam aan de muur. Ze knipt het licht aan en uit. Dan kijkt ze door het raam. De tuin van Ilse waar ze zo vaak ging spelen. De dakgoot waar Luc nog ingeklommen is om ’s nachts bij de buurjongens op bezoek te gaan. De muur waarlangs ze zelf met buurjongen Eric communiceerde. Eén klop. Ben jij daar? Twee kloppen. Ik kan niet slapen. Drie kloppen. Zien we elkaar morgen op straat? Ze bonkt nog een keer. Niet te luid, want de buurman zou het kunnen horen. Dan staart ze weer uit het raam. De Montreal waar ze verstoppertje speelde. Het huis van de Pukkie waarmee ze bijna dagelijks ging wandelen. Daken van nieuwe huizen waar vroeger bomen stonden waarin ze kampen bouwde. Luc blijft lang weg. Had hij nog werk in de serviceflat? Ze vindt het niet erg. Haar voeten willen immers niet meer bewegen.  Als ze zichzelf uiteindelijk toch de kamer uit dwingt, voelt ze een zeurende pijn zoals wanneer je een pleister van een wonde trekt om hem te verversen. Ze piept even in de slaapkamer van haar ouders. Onbekende meubels. Een beddenbak met slechts één lattenbodem. Ernaast een paar sloffen met gaten. Vanuit de badkamer schreeuwen twee felroze lavabo’s haar toe. Vroeger was er slechts één, een witte. Ze slentert de trap naar de living af. Daar laat ze haar handpalm langs de vele boeken glijden. Bij de dichtbundel ‘Dingen die niet overgaan’ hapert ze even. Hoeveel gedichten heeft ze niet overgeschreven uit dit boek? Sommige kent ze nog van buiten. ‘Multatuli’ springt haar in het oog, en ‘Cécile’, een boek met dezelfde naam als haar moeder. Ze durft geen enkel boek uit de kast te nemen. Als Luc eraan komt, zou hij kunnen denken dat ze al gekozen heeft zonder op hem te wachten. Ze tuurt in de leegte. Dan ploft ze in de zetel en kijkt opnieuw naar buiten, naar de straatkant nu. Daar was haar thuis.   Ze ziet de camionet van dertig jaar geleden. Het is een even zomerse dag. Haar vader, Walter en zijzelf sjouwen af en aan met valiezen, zakken en dozen. Ze stapelen ze in de garage om ze daarna zo slim mogelijk in de camionet te plaatsen. Haar moeder loopt in de weg. Af en toe verzet ze iets. Ze heeft een brede glimlach op haar gezicht. Farahilde stommelt de trap af met meer pakken dan haar armen eigenlijk kunnen dragen, als plots een gebrul door de gang klinkt: ‘Wie heeft die dozen op de plaats van mijn fiets gezet?’ Luc is onverwacht thuisgekomen. Van het schrikken trapt ze mis, maar ze weet zich toch staande te houden. In een wip is ze in de garage en ziet ze hoe Luc zijn fiets woest bovenop haar dozen smijt. ‘Nu gaat ze weg! Is ’t nu nog nie goed?’ tiert Walter. Hij pakt de fiets en zet hem bruut aan de overkant. Farahilde gooit haar zakken neer en sleept de dozen zo vlug mogelijk naar buiten. Luc wipt van zijn ene been op zijn andere. Ze denkt dat hij Walter te lijf zal gaan. Maar dan draait hij zich om en stampt de trap op. Haar moeder staat er roerloos bij. Haar glimlach is nu een streep. Zodra ze de deur van Lucs kamer hoort dichtslaan, verandert hij toch weer in een voorzichtige lach. Ze verdwijnt ook naar boven. Walter drukt Farahilde even stevig tegen zich aan. Dan werken ze zonder nog iets te zeggen harder door dan eerst. Als de camionet volgeladen is, en de garage leeg, zet haar vader Lucs fiets terug op zijn plaats. Walter en Farahilde stappen in de camionet. Haar vader heft zijn arm als ze wegrijden. Ze zwaaien flauwtjes terug.   Ze hoort een autodeur dichtklappen. Luc is eindelijk daar. De boeken zijn snel verdeeld. Luc neemt enkele boeken uit de kast die hij zeker wil hebben. De andere krijgt Farahilde, want ‘hij heeft geen tijd om te lezen’. Het gros van de boeken die zij niet meeneemt, legt hij toch op zijn stapel. Met meer boeken dan haar armen eigenlijk kunnen dragen stommelt ze de trap af. De treden kreunen een allerlaatste keer onder haar voeten. Het voelt alsof ze nu pas echt verhuist. Ze is gehaast. Ze wil dit afscheid niet rekken. Ze gooit de boeken op de achterbank van haar auto, en wuift naar Luc, terwijl ze het portier dicht zwaait. ‘Tot later!’ Haar handen trillen op het stuur als ze de straat uitrijdt.               ‘Weet dat je wordt bemind en gesteund op deze reis,’ fluistert Farahilde tegen het kind dat  Walter in haar armen legt. Ze drukt hem dicht tegen haar borst, streelt zijn bolle wangen en de haartjes op zijn hoofd, en glimlacht. ‘Dag, Johannes!’ Nu pas valt het mistdeken dat haar de voorbije uren omwikkelde af en beseft ze dat dit kind het hare is. Dat zij hem op de wereld heeft gezet en de rest van haar dagen voor hem zal zorgen.   Rond half zes wordt ze wakker door een immense plas water die uit haar vagina gutst. Ze stoot Walter aan. ‘Lap, het is van dat!’ Het duurt even voor hij zijn ogen open krijgt. Dan springt hij uit bed en haalt meteen het beddengoed af. Terwijl zij onder de douche staat, dweilt hij de slaapkamer. Ze nemen de koffer die ze pas gisterenavond heeft klaargezet en rijden langs benevelde velden en lege straten naar het ziekenhuis. ‘Goeiemorgen. Mijn water is gebroken,’ zegt ze tegen de receptioniste. ‘Ik heb gebeld,’ vult Walter aan, ‘Het is voor een keizersnede.’ ‘Waarschijnlijk toch. Eergisteren lag ons kindje nog dwars.’ Ze haalt haar schouders op. ‘Ik heb hem nog voelen bewegen, maar of hij voldoende gedraaid is om gewoon te kunnen bevallen…’ ‘Wacht hier even,’ antwoordt de receptioniste, ‘De verpleegster haalt jullie zo meteen op.’ Een vrouw in een wit pak brengt hen naar de verloskamer. Farahilde krijgt een riem om haar bolle buik. Zodra die met de monitor verbonden is, zien ze hun kind op het scherm. ‘Het hartje klopt normaal,’ stelt de verpleegster hen gerust. ‘Er is ook nog voldoende vocht in de vruchtzak. Maar ik denk niet dat hij gedraaid is. De dokter zal straks uitsluitsel geven. Zij is nog niet aanwezig. Heb je weeën?’ Farahilde schudt haar hoofd. Dan valt de blik van de verpleegster op Farahildes handen. ‘Jij hebt rode nagels! We moeten de huidskleur onder je nagels kunnen zien.’ Ze beent weg en komt terug met een pot aceton en een pak watten. Terwijl ze op de gynaecoloog wachten, verwijdert Farahilde het rode kleurtje. De baby ligt inderdaad nog steeds dwars. Farahilde wordt naar de operatiezaal gereden. Walter loopt er achteraan. Eerst moet ze op haar zij gaan liggen en krijgt ze een spuit in haar rug. Dan zetten ze een hoge tafel met een groen tafellaken over haar buik. Die beneemt haar alle zicht. Walter houdt haar hand stevig vast. Plots komt een straal pipi boven de tafel uit. De dokter en haar assistent lachen. ‘Proficiat, mevrouw!’ Een verpleegster toont een kind in een doek. Farahilde strijkt met een vinger langs zijn gezichtje. Dan is de verpleegster alweer weg. ‘Kom maar mee, papa!’ Walter volgt haar tot achter een glazen wand. ‘Drie kilo honderdnegentig,’ roept iemand, ‘achtenveertig centimeter, apgarscore tien-tien-tien.’  ‘We gaan al naar de kamer,’ komt Walter zeggen. Hij zoent Farahilde. Een vertwijfelde blik. ‘Tot gauw.’ De dokters trekken en duwen aan en in haar buik. Dan rollen ze haar de recoveryroom in. Naast haar staan twee bedden met slapende mensen. Voor haar hangt een klok met wijzers die trager tikken dan normaal. Ze probeert ze met haar ogen te verschuiven. Pas na een eeuwigheid brengt een verpleegster haar naar de kamer waar Walter met de baby op haar wacht.   Ze drukt het kind nog dichter naar zich toe. Walter kruipt tegen haar aan. Hij schuift zijn vinger in het vuistje van de baby. Zo zitten ze daar een hele tijd met drie in één cocon. Een verpleegster verstoort de stilte. ‘Heb je de baby al aangelegd?’ ‘Hij slaapt,’ verontschuldigt ze zich. ‘Hij moet toch eten. Hoe sneller je hem aanlegt, hoe beter voor de melkproductie.’ Walter verhuist naar de stoel aan het raam. De verpleegster maakt het operatieschort los en trekt het naar beneden. Ze verschuift het kind zodat zijn lippen de moedertepel raken. Er gebeurt niets. De verpleegster neemt de borst in haar handen en duwt ze in de kindermond. ‘Ondersteun ze zelf met je vrije hand,’ beveelt ze. Zacht tikt ze enkele keren tegen de wang van de baby. De jongen sabbelt even. Haast meteen valt hij weer in slaap. ‘Blijf tikjes geven,’ spoort de verpleegster Farahilde aan. ‘Als hij een beetje heeft gedronken, probeer je de andere borst.’ Ze verlaat de kamer. Het kind dommelt meteen weer in. Farahilde probeert hem met tikjes te wekken.  Ze duwt haar tepel naar zijn mond toe. Walter komt weer dichterbij zitten. Als hij over de wang van de jongen wrijft, tuit die even zijn lippen. Veel melk krijgt hij echter niet binnen. Na een poosje proberen ze de andere kant. Ze krijgen het kind niet goed gelegd en zo vindt hij de tepel niet. ‘Ik kan het niet,’ zucht Farahilde. Uiteindelijk bellen ze om hulp. De verpleegster legt een kussen onder Farahildes arm. Enkele tikjes op de wang en de baby zuigt. De verpleegster lacht. ‘Maak je geen zorgen. Als hij niet genoeg drinkt, geven we hem straks wel wat suikerwater.’ Farahilde trekt grote ogen. Ze hoort de moor fluiten en de lepel waarmee Moéke de suiker onder het kokende water roerde in het glas rinkelen. Speeksel vormt zich net als toen in haar mond. Het was lang wachten tot het water weer wat afgekoeld was en haar mierzoete troost kon brengen. Een voorrecht dat je alleen ten deel viel als je ziek was. Haar kersverse kind is niet ziek. Hij is moe. En zijzelf is te stom om hem te kunnen voeden. ‘Dat wil ik niet,’ zegt ze. De verpleegster heeft de deurklink al vast. Ze fronst haar voorhoofd. ‘Hij heeft toch iets nodig om aan te sterken.’ Om beurten duwen Farahilde en Walter de tepel tussen de lippen van de jongen. Na een poos neemt Walter de baby over en legt hem in het plexiglazen bedje naast het raam.  ‘We proberen het straks wel opnieuw. Hij is te moe nu.’ Wat later verschijnt het hoofd van de verpleegster in de deuropening. ‘Is het gelukt?’ ‘Ja!’ knikken Farahilde en Walter gelijktijdig. Als de deur toegaat, kijken ze elkaar aan. Tranen wellen op in Farahildes ogen.                           ‘I’m singing in the rain, just singing in the rain…’ De muziek is nauwelijks hoorbaar in de kelder, maar Farahilde hoort hem wel, tussen het geroezemoes van de grote meisjes verderop aan de toog, het gejoel van de jongens die tussen en over de bergen kleren die overal verspreid liggen springen, en het herhaaldelijke ‘Stt…’ en ‘Zit stil!’ van de juffen die hen proberen rustig te houden door.  Helemaal alleen zit ze op de bank vlak aan het luik naar de zaal, op blote voeten en in een blauw maillot. Op wat brandende spotjes na is het pikdonker. Niemand merkt haar op. Ze bibbert. ‘What a glorious feeling…’ Ze zou boven moeten zijn en mee dansen. Wekenlang heeft ze elke woensdagmiddag geoefend. Ze kent nu alle passen en danst ook in de maat. En ze laat de paraplu, als Wilfried die naar haar gooit, haast nooit meer vallen. In het begin deed ze dat wel. Wilfried lachte haar dan uit. Dat deed hij ook als ze moest tuimelen en zo scheef rolde dat ze tegen hem aanbotste. Maar ondertussen heeft ze veel geoefend thuis in de tuin, en ze weet wel zeker dat ze vandaag recht zou rollen. Alleen die kus onder de paraplu op het allerlaatst, daar had ze nog tegenop gezien. Wilfried lachte dan altijd zo raar. Stiekem had ze liever met Dirk gekust. Maar die danste met Ann. Al wist ze niet wie vandaag met wie danste. Toen ze zich daarnet, toen het bijna hun beurt was, op twee rijen voor de trap naar de zaal moesten klaarzetten, ontdekte de juf dat er een meisje te veel was. ‘Da’s waar ook,’ zuchtte ze, ‘Marc is ziek.’ Ze duwde alle meisjes een plaats vooruit, tot ze bij Farahilde kwam. Die nam ze bij haar schouder vast en drukte ze neer op de Zweedse bank. ‘Blijf jij maar hier.’ Het luik was opengegaan. De jongens marcheerden de zaal in met hun paraplu’s over hun schouder en de meisjes huppelden er achteraan. Farahilde bleef achter op de bank waar ze nog steeds zit. Piepkleine beestjes, net luizen, tuimelen rond in haar buik. Dat is vervelender dan in haar haren, want in haar buik kan ze niet eens krabben. Ze trekt haar benen op, grijpt haar knieën stevig vast en wiegt zacht heen en weer. Moeke en vake zitten in de zaal. Vragen zij zich af waar zij nu is? Ze staat op en slentert naar haar jas die helemaal aan de andere kant van de kelder hangt. Uit de binnenzak diept ze een bonnetje op. Aan de toog steekt ze het in de lucht. Het komt maar een klein stukje boven de tapkast uit. Het duurt dan ook even voor iemand het ziet. ‘Paprikachips alstublieft.’ Met de chips zet ze zich weer op de bank. Ze opent het zakje. ‘A smile on my face…’ De chips kraakt tussen haar tanden. Hij kruipt in de spleten en holtes in haar mond. Hij smaakt een beetje naar de zweetvoeten waar heel deze kelder naar ruikt. ‘I’m dancing and singing in the rain.’ Als het applaus tot in de kelder doordringt, laat ze de chips nog harder kraken. Het luik gaat open. ‘Ik heb het goed gedaan!’ ‘En ik de paraplu niet laten vallen…’ ‘Dat was plezant!’ ‘Ik heb ons mama gezien!’ ‘Mijn mama zat op de eerste rij!’ ‘Mijn zus en mijn broer ook!’ ‘Mijn zus applaudisseerde het hardst!’ ‘Stt!’, sist de juf, ‘Jullie hebben het heel goed gedaan, maar ze mogen ons boven niet horen.’ Farahilde gooit haar zakje in de vuilbak. Ze neemt een tweede bonnetje uit haar jas en koopt nieuwe chips. Ze laat hem nu zo hard kraken dat dat het enige is wat ze nog hoort.

veerle schaltin
6 0

opdracht 4 sabine steels

Nazomer 2017   Sheaboter trekt bijtjes aan, merk ik. Ze zoomen gedurig rond mijn benen en scheren af en toe zacht langs mijn nek. Telkens schrik ik op en sla het al lang vertrokken insect wild weg. De zon brandt van rechts op mijn gezicht en eigenlijk is het kleed dat ik draag te warm. Ik hoor alleen maar natuur, de haan die vooraan in de straat, zo’n anderhalve kilometer voorop, kraait, de bijen, het gekwetter van vogels en als grondtoon het kabbelen van de beek die net achter de haag een verdiepinkje daalt. Hemelser wordt het niet en toch ben ik ongemakkelijk. Omdat ik iets zou moeten maar het niet aan het doen ben. Geld verdienen? Iets produceren? Maar ik wil terugdenken aan het feest van mama.   De hele oprit staat vol wagens. Mama heeft ze allemaal weten te verzamelen, ook diegenen die niet meer met elkaar praten. Hoewel we van alle genodigden het korst bij wonen, komen we toch laat aan. We parkeren op straat. De schapen beginnen meteen en zoals altijd overdreven hard te blaten. Ook wij zijn blij hen terug te zien. De jongens lopen al door, achterom via de tuin naar de keuken, tot ze al het volk opmerken. Mama zou het aperitief op het ‘oosterterras’ geven. ‘Daar blijft de zon zo mooi lang hangen en dan hoeft al dat volk niet voor mijn keuken te staan’. Het is een gezellige boel, ik spot meteen Tony, klein maar nog steeds dik. Het feestvarken. Hij wordt 72. Een wit hemd, breed open aan de hals. Ze drinken bubbels. Linda brengt hapjes rond. Iedereen is er, hier en daar ook iemand die ik niet meteen kan plaatsen. Ik feliciteer eerst Tony, en werk dan de ronde af waarin hij staat: Vera, Francine en Erik, iemand die ik niet ken en die zich als Nicole voorstelt. ‘Door jou heb ik ‘Het achtste leven voor Brilka’ gelezen’ zegt ze, ‘en het was fan-tas-tisch’. Juist, mama had me inspiratie gevraagd en ik had dàt boek getipt. De zon schijnt fel, maar verderop komen donkere wolken aanschuiven. De kinderen zeggen iedereen beleefd gedag en lopen dan recht naar de trampoline. Ik ben trots op mijn kinderen, het zijn fijne, zotte jongens, mooi, en heel verschillend. Het is goed dat ze niet wegkruipen achter mijn rok maar iedereen gewoon dag zeggen. Zonder flauwekul, met vertrouwen. Mama heeft de ronde partytafels gezet, en een buffettafel voor de drank. Het is fijn om deze mensen terug te zien. Altijd. Marc kent bijna iedereen. Ik merk dat hij ontspannen is, dat hij zijn best doet. Tony is nieuw voor hem en ik weet dat hij zo dadelijk prijs zal hebben. Ik krijg een glas van papa. Hij speelt die rol voortreffelijk, die van gastheer onder regie van mijn moeder. ‘Paulus, nu dit, Paulus, nu dat’. Hij kijkt haar over zijn bril aan, een monkellach, zijn bovenlichaam helt overdreven naar achter en zijn knieën veren meer dan gewoonlijk, hetgeen hem iets energieks geeft. Ik zie aan die houding dat hij er zin in heeft – de houding en het enthousiasme waarmee hij ieders glas bijschenkt– en natuurlijk de muziekkeuze. Paul Simon vandaag, Diamonds on the Soles of her Shoes, net dat tikkeltje te luid. Dat doet papa altijd bij feesten, de muziek te luid zetten. Ik vraag me telkens opnieuw af of het aan mij ligt dat ik de kakafonie van geluiden niet goed verdraag of dat hij hardhorig wordt, of dat hij zijn zelfgekozen, dagelijkse isolement op een sociale happening als deze wil overcompenseren door alles te goed te willen doen. Ik spot mama. Ze komt met een lege vaas vanuit het huis en is zoals altijd blij ons te zien. Heel even gaat haar ‘dirigentenknop’ af en knuffelt ze ons uitgebreid, tot ook dat voorbij is en ze ‘Lindaatje’ en ‘Paulus’ met een volgende opdracht belast. Linda brengt soepjes rond – een van vele amuse gueules -  in kleine aardenwerken bekertjes. Groene soep met een oranje bloemetje erin. Mama huurt die kommetjes niet, ze heeft ze om dit soort feestjes te geven. Vijfentwintig of meer aardewerken kommetjes voor de soep en dezelfde aantallen aangepaste bordjes voor alle hapjes die volgen. Ze is vervuld van geluk wanneer ze een feest geeft, niet zozeer omdat ze alle vrienden dan terugziet - dat natuurlijk ook - maar vooral de acte zelf ze allemaal bij elkaar te brengen geeft haar een diepe voldoening. Daar de motor van te zijn, het te initiëren en te orkestreren, na te denken over de plaats van handeling (starten op het oosterterras, daarna onder de pergola en als uitwijkmogelijkheid de living), de kleuren van de servetten en de tafelkleden en dat doortrekken in de keuze van de bloemen, het uitzoeken van recepten, gewaagde combinaties maken en door er met ons over te praten, ze mentaal proeven én verbeteren, Linda een dag op voorhand inschakelen om de zetels te versleuren en de tafels al te dekken en dan -  de dag zelf -  alles vlot laten verlopen. Zij is maître d’orcheste en ze is de beste in haar vak. Ik zie vanuit mijn ooghoek dat het zover is. Tony heeft Marc beet. Daar was geen ontkomen aan. Er is natuurlijk het gemeenschappelijk ‘Antwerpenaarschap’ en ook Tony is blijkbaar niet bestand tegen de zoete lokroep dat het bv-schap uitstraalt. Marc weet dat ik Tony het archetype van de pedante Antwerpenaar vind, daarvan heb ik hem over de jaren heen al heel wat voorbeelden gegeven. Voor zover ik me kon herinneren – mijn hele bewuste leven– is Tony een moppentapper van het soort dat in feite niet geestig is – of dat vonden wij toch niet. Meestal waren het moppen in de trend van ‘Antwerpen dit en zus en zo, en de rest is parking’, en hoe de Limburgers daar als sloom en bijna achterlijk bij afsteken. Wij konden daar al heel snel alleen maar groen om lachen, niet zozeer omdat wij zelf in Limburg wonen en Tony wél om de haverklap bij ons op bezoek kwam, maar vooral de herhaling ervan verveelde ons. Bij elk bezoek werden diezelfde grollen opnieuw verteld, en wij begrepen daar de zin niet van. Wat ik daarentegen wel wonderlijk aan hem vond, was dat hij zijn leven aan jaartallen ophing als in: ‘In 74, toen ik als arts in opleiding stage liep in Egypte en bijna werd opgegeten door een krokodil in de Nijl’, terwijl ik mijn jonge leven aan geen enkel jaartal behalve mijn geboortejaar kon vastknopen. Tony is psychiater en nooit getrouwd. Hij is altijd écht alleen geweest en naarmate zijn grappen ook andere mensen begonnen te vervelen, werd hij hoe langer hoe minder genodigd. Deze keer heeft iedereen het opgebracht om voor hem samen te komen. Hij is altijd verliefd geweest op mijn moeder – of dat beweerde zij toch -  maar dat belette hem niet om ook te koketteren met de andere vrouwen van hun vriendenkring. Mietje bijvoorbeeld, waar ik intussen mee sta te babbelen. Ze is niets veranderd in die vijfendertig jaren. Nog altijd een bloedmooie brunette met een fragiel Limburgs accent. Haar woorden weloverwogen gekozen. Lange haren in een paardenstraat, kastanjebruine ogen, een smal gezicht met zachte gelaatstrekken. Gracieuze, slanke vingers, maar ook knokig dankzij het minutieuze werk als juwelenontwerpster. Ze vertelt over David, over Jo en Sara, en haar kleinkinderen. Hoe Jo en David zo ondernemend zijn, en het harde leven van Sara als alleenstaande moeder en onderzoeker. Dat ze alle drie een zeilboot hebben en nog vaak allemaal samen met haar en Harry gaan zeilen. En dat ze geen juwelen meer maakt omdat ze geen eigen atelier meer heeft. In vijf, zes zinnen is een heel leven bijgepraat. Ondertussen eet ik onophoudelijk kaaskoekjes, nootjes en de hapjes die worden rondgebracht. Ik kan er niet vanaf blijven en voel me al snel verzadigd. Anso komt erbij staan. Ze moet net toegekomen zijn. Ze ziet er moe uit, maar ze straalt. Ze heeft nog maar pas een restaurant geopend en je ziet aan haar dat ze fysiek bijna geen marge meer heeft. Ze is graatmager en ze is de enige van ons drie die altijd al last heeft gehad van migraine. Ze staat heel scherp. Maar ik zie dat zij hier ook van geniet. Al die vrienden samen. Een aantal mensen die ik nog niet had gegroet, lopen nu richting pergola met servies in de handen. Annick, tante Nouch, Thierry, en Benny, die in feite in de weg loopt. Het zijn oude versies van hun jonge zelf. Goed geconserveerd. Kloek en blakend. Ze hebben zich allemaal mooi gemaakt voor het feest en ze ruiken lekker. Iedereen wordt ingeschakeld. Op aangeven van mama wordt in de tuin gedekt. Ze wil het erop wagen. De servetten liggen net en dan komt er een flinke zucht wind. Ze dansen over de tafel naar links, het gazon op. De lucht is donkergrijs. ‘Het gaat langs ons heen scheren, scheren maar niet raken.’ Samen met Benny monster ik de lucht. Hij heeft een soort van piep in zijn stem, die elk moment lijkt te gaan breken. ‘Wij gaan gespaard blijven’. Maar dat is natuurlijk niet zo. Tante Nouch loopt achter de servetten aan. Het is een koddig zicht. Nu komen ook de kinderen erbij. Hun schoenen staan nog bij de trampoline. Ze rennen het gras op, de dansende servetten en tante Nouch achterna. Ik roep hen op te letten voor de ‘kippenkak’. Dat wordt zo stilaan een running gag in de familie, sinds papa kortgeleden geen vat meer had op de kippen die mama koopt en waarvan ze verwacht dat hij ze verzorgt. Het is begonnen bij de gigantische kippenren die ‘doorbraakplekken’ vertoonde waar papa niet tegenop gewassen bleek. Sindsdien laat hij de kippen de vrije loop in de tuin en vermenigvuldigen ze zich aan een razend tempo. We hebben er nu 34, waarvan 27 kuikens. Hij schijnt die chaos niet onprettig te vinden. Volgens mij doet het mijn vader denken aan het utopisch samenleven in een bucolische tuin zoals Epicurus dat placht te doen en zoals hij zelf zijn studententijd in Leuven doorbracht met de vrienden die hier vandaag verzameld zijn.  Een zoete herinnering aan vroeger, die hij nu op kleine schaal aan zijn kippen gunt. Maar ondertussen schijten die kippen wel de hele tuin onder. Of misschien is het een kleine daad van verzet van hem aan het adres van mijn moeder, die hem gedurig commandeert. Ik hoor nu een scherp en dwingend ‘Leen’ door de tuin galmen. Tante Nouche.  Mijn mama heeft een hekel aan die naam, maar ze berust in alle kuren van haar zus. ‘Leen’ komt aangesneld en er wordt overlegd of ze wel doorgaan met dekken. Er is veel wind – ook de jurken en de haartooi van de genodigden lijken nu overgeleverd aan de grillen van de wind– en er zijn regendruppels gesignaleerd. We horen in de verte de fruitkanonnen afgaan die de wolken moeten verdrijven. Mama beslist dat het toch de living wordt. Geen probleem, daar was ze op voorzien. De hele ribambelle gaat terug naar binnen – kussens, servies, bloemstukjes -  behalve de loodzware, oerdegelijke tuinstoelen die zo net met man en macht werden aangesleurd, die mogen blijven staan. Ik zoek mijn man. Hij staat op het gazon bij Annick. Ze zijn blijkbaar druk verwikkeld in een gesprek want de druppels deren hen niet. Ze is nog altijd een mooie vrouw, de huid van haar gezicht na een heel leven nog steeds strakgespannen over de brede jukbeenderen als van het leer over een tamboerijn. Het is onbegrijpelijk dat in die textuur toch rimpeltjes aanwezig zijn, rond en om de ogen. Ze is altijd verzorgd maar zelden knap gekleed. Ook vandaag draagt ze een wat ouderwetse rok met losse plooien over haar brede heupen en in een appelblauwzeegroen dat niet flatteert. Ze praten over Genk. Annick is van opleiding archeologe en ze is gek op alles wat naar geschiedenis ruikt. Bovendien is ze van Waterschei en ik weet nu dat Marc haar over het huis in de Stalenstraat heeft gevraagd. Maar deze keer moet ze het antwoord schuldig blijven. De cité kent ze als haar broekzak maar het huis achterin kent ze niet. Ik heb Annick altijd gemogen. Ze is belezen, erudiet en geïnteresseerd zonder zich ooit op te dringen, én ze kent echt veel van culturele geschiedenis. Ze is nu de partner van Benny, al een hele poos eigenlijk. Benny heeft drie goedaardige hersentumoren achter de kiezen en is daardoor deels verlamd. Toch stapt hij nog, al is dat wankel en met een stok. Ik kijk vanop het gazon hoe hij het trapje van het terras naar ons wil nemen: het is één trapje in een smalle doorgang aan beide kanten begrensd door kniehoge buxus. Ik kijk of hij zich zal mistellen en struikelen, want zijn voet sleept wat en is verdraaid. Maar het lukt natuurlijk. Hij heeft in zijn eigenaardige stap een eigen vaardigheid ontwikkelt die nu zijn ‘normaal’ is. Benny’s echte vrouw kon de pech niet aan en heeft hem verlaten. Misschien was hij onhandelbaar geworden? Of misschien was zijn karakter veranderd na zoveel operaties? Benny was nogal breedsprakerig vroeger, luidruchtig ook, met bulder lachen en zo. Liefst samen met Thierry. Ik denk dat papa in Leuven bewust het gezelschap van die mannen zocht, om zijn stille kant in evenwicht te brengen. Het is het type mannen waarbij de mop altijd om de hoek ligt en zelden mislukt omdat ze die zo weten te orkestreren dat je gedwongen wordt te lachen. Als je dat maar mondjesmaat doet is het ook niet erg omdat niemand harder lacht dan zijzelf. Maar Benny was dus alleen komen te staan en had ook zijn flamboyante, alomtegenwoordige zelf wat verloren. En Annick was allang niet meer de vriendin van mijn vader. Ik weet er het fijne niet van waarom dat is afgesprongen. Het meest waarschijnlijke antwoord is allicht dat mijn beide ouders hadden ingezien dat een ‘ménage à quâtre’ op de lange termijn minder vanzelfsprekend is dan de eerste, gloedrijke, vrije jaren deden vermoeden. Maar iets in me zegt dat Annick er uiteindelijk een punt achter zette. Een sterke vrouw, weduwe van vier kinderen, die geen zin meer had en genoeg zelfrespect om niet voor altijd slechts een weliswaar felbegeerde, maar toch een ‘nevenvrouw’ te blijven. En dus dwong ze papa om een keuze te maken. Het is me nog steeds een raadsel waarom papa niet gekozen heeft voor deze vrouw. Ik denk dat hij tot lang daarna verteerd werd door liefdesverdriet en zijn hart toen een stukje is gescheurd.   Ik zoek de blik van mijn man. Hij staat te praten met Harry. Ik merk dat hij door wil. Ik zou liever blijven maar hij wil een toertje gaan doen in de omgeving. Huizen kijken. Dat doen we graag, het is een soort van ‘gezamenlijk project’, soms denk ik dat het een surrogaat is voor de verstandhouding die we niet hebben. En bij elk mooi huis dat we zien, prikt hij ook de mogelijke droom die eraan vasthangt onmiddellijk kapot. We ontdekken die middag Vechmaal, een dorpje op een kwartier van mijn ouders maar nog steeds in het heuvelrijke Haspengouw.  We onthouden het voor een volgende wandeling. Drie uur later keren we weer. Het is een prachtig tafereel. Nu zitten ze wel onder de pergola. De zon komt van de andere kant, lager, gloedrijk, minder fel. Een geanimeerde bende, onderuit geschoven, de flessen wijn bijna leeg, en daarachter onze kinderen. Ze voetballen met Liliana. Ik neem wat van het desserten buffet en vul ook een bordje voor Linda. Ze is in de keuken en wast de laatste borden af. Alles is proper. Ze loopt wat gebukt, ziet er moe uit. We zitten samen op het terras voor de keuken. Ook daar schijnt de zon nu. ‘Hoelang ben je nu bij ons?’, vraag ik. ‘Van toen Thomas geboren is. Ka kwam hier werken in het atelier en ik gaf Thomas het flesje.’ Thomas is 19 geworden dit jaar. Ik zie dat mijn jongste in zijn ogen wrijft. Onze kinderen zijn moe. We stappen op.   Aan dat feest van vorig weekend denk ik, en ik bewonder mijn ouders voor zoveel energie. Ze zijn in alle opzichten geslaagd. Behalve dan wat mij betreft. Boordevol talent, veelbelovend en toch niet uit de startblokken gekomen. Een eeuwige studax. Wat durven ze vertellen over mij wanneer ze ergens op bezoek zijn en er wordt over de kinderen opgeschept? Ik blijf maar vasthangen in dat verleden, kom niet los van dat aardige nest. Mijn dromen over net zo’n leven, met een grote vriendenkring, avontuurlijke reizen, veel cultuur, zwoele avonden vol discussie en galmende lachsalvo’s, een eigen, bloeiende zaak en de allure van een vrijgevochten, onafhankelijke vrouw. Niets daarvan heb ik weten te realiseren. Ik hoor een auto dichtslaan op de oprit. Mijn man is er. Hij vraagt me wat ik aan het doen ben. Wat ik gedaan heb vandaag. Ik mompel iets terug terwijl ik de tuin in loop en naar de beek staar, daar waar het water een verdiepinkje valt en in een ijltempo wegstroomt.   Herfst 1985   Ik sta in de beek naast het kasteel. Het water gutst bijna mijn laarzen in. Ik doe voorzichtig, wandel behoedzaam met een dikke steen en twee takken van de oever naar het midden. We bouwen een dam. Bik’s idee. Het is zaterdagochtend, Ardennen-weekend. Morgen is mijn verjaardag. Deze keer heeft mama een groot kasteel gehuurd, midden in een bos. Elk jaar heb ik het heerlijke gevoel dat ze dat hele weekend speciaal voor mij organiseert. Dit jaar zijn we zelfs met twintig! De Putten en de Valkenborghs zijn ook mee. Mijn handen zijn rood en bevroren, maar dat geeft niet, want ik hou van het geluid van het stromende water. Het voelt aan alsof we iets groots aan het doen zijn, iets belangrijks, iets onomkeerbaars. Ik ben vastberaden zo lang te bouwen tot het perfect is. Ka, Tom en Erik helpen  mee. Niemand speelt baas. Bik legt wel uit hoe een dam precies werkt, maar dat is niet hetzelfde. Erik, dat is een baasspeler. Normaal zegt hij heel de tijd wat mijn grote zus moet doen. Alsof hij de baas over haar is. Erik is een stomme, egoïstische prut-etter, net als zijn vader, Jos. Ik weet niet wat Ka in hem heeft gezien. Met zijn bleke jeans en zijn lelijke loopschoenen altijd. En hij stinkt.   De anderen druppelen het kasteel uit, met laarzen en jas aan. “Bineke.” papa roept van aan de deur, “Kom, we gaan vertrekken.” Hij wacht tot ik bij hem ben. De anderen zijn groter en sneller, en zijn al met de rest mee vertrokken. Papa en ik zetten de pas erin. Ik zoek een stok om te schrapen. Hij moet groot genoeg zijn om op te leunen, stevig, maar niet te dik want dan krijg ik hem nooit geschraapt. Papa geeft me zijn zakmes. Bovenaan maak ik een scherpe punt. Om als wandelstok te dienen én om vissen te kunnen vangen in de dam straks. We hebben de rest ingehaald. Sara, Alwin en ik lopen op de hoge zijkant van de weg, een beetje in het bos, parallel met de groten. Het bos ruikt nat. Ik trap op de bladeren. Een beetje vochtig. Ze blijven aan mijn laarzen plakken. Ik mik met mijn stap op takken die onder de bladeren liggen. Ik hoop dat ze daardoor knappen. De wandeling duurt lang. Mijn benen worden moe. “Is het nog ver? Nu hebben we toch al heel ver gestapt, papa?” “Toch nog een eindje.” Ik trek een vies gezicht.  “Papa, ik kan echt niet meer.” “Allez komaan, Bine” zegt papa half lachend, half kordaat. Ik weet wat ik nu moet doen. Ik blijf staan. Papa loopt verder. Ik zet me op mijn hurken en kijk naar mijn laarzen. Mokkend. Ik probeer zonder mijn hoofd op te richten, te kijken of papa nog doorloopt of al gestopt is. Hij is gestopt en kijkt naar mij. “Kom nu, Binneke” Hij lacht, de lacht van een medestander. Nu nog even volhouden. Wanneer ik er zeker van ben dat hij me op zijn schouders zal tillen, loop ik naar hem. Nu geraak ik thuis zonder te stappen, ik zal van schouder op schouder worden overgeheveld tot we er zijn.   Na het avondeten wandelen we naar het dorp. Het is al donker. Iemand maakt een wolvengeluid. Ik mag met de groten mee. Zonder volwassenen. Ik zit op de schouders van Bik en we zingen. De straat helt naar beneden, ze is nat en de verlichting doet het asfalt oplichten. We hebben één zaklamp mee. Ik voel me groot. In de verte horen we de bomen fluisteren.   Ik lig moe in de zetel en staar naar het vuur. Mama, Jos, en twee Valkies kaarten. Ze spelen kleurenwies. Ik kruip op mama’s schoot. Ze zegt me wat troef is. Ik probeer te onthouden welke kaarten er in de stapeltjes van de anderen liggen. Papa en Annick lezen in de zetel. De anderen spelen boven op de overloop. Er knalt een kastanje kapot. De vuurspetters vliegen de living in, maar niemand kijkt op. Ik mag ze uit het vuur halen, heel voorzichtig. Mijn gezicht wordt gloeiendheet. De geur van gepofte kastanjes is bijna zo goed als die van nat bos. Mama en Tom winnen. Mama wint altijd. Zij is de slimste van iedereen. Ik loop de gang in. Het is er koud. Mijn zussen zijn boven, samen met de andere kinderen. Ze maken een kamp met de matrassen. “Ik verhuis mijn matras naar jullie” hoor ik Anso zeggen. “Ik slaap niet meer in de kamer van mama. Ze maakt de hele tijd walgelijke geluiden met Jos. Ik doe alsof ik slaap maar ik hoor het toch”. Ik begrijp niet wat ze bedoelt, maar er is nog plaats op de overloop als we straks alle matrassen een beetje opschuiven.   Iedereen komt naar boven nu, om te slapen. Zelfs de volwassenen. We zijn lang mogen opblijven. Ik ga naar de kamer van mama en papa voor een kus. Papa ligt al in bed. Naast hem ligt Annick. Ik haat dit. Zal ik doen alsof er niets aan de hand is, of durf ik iets te zeggen? “Waarom lig jij niet bij mama?” “Mama ligt in de andere kamer” lacht hij. “Heb jij zo niet koud? Waar is je pyjama?” Papa mompelt iets. Ik ga naar de gang en kruip op de matras, met mijn gezicht naar de muur. Het ruikt muf in het kasteel. De muur is klam en er brokkelt wat wit stof af. Morgen vieren we mijn verjaardag.   Zomer 1993   De vogels fluiten al vroeg. Ik ben het niet gewoon door de natuur gewekt te worden. Voorbijrijdende auto’s, ja, maar die snorren mee op het ritme van je ademhaling. Deze vogels zijn zo invasief, prikken je slaap kapot, dwingend. Mama heeft haar droomhuis gevonden. Eindelijk. Weg van de praktijk, zodat ze ’s avonds de deur achter zich dicht kan trekken en er een fysieke afstand is tussen haar en het werk. En ineens een Tabula Rasa van dat intens verstrengelde verleden. Open ruimte. Vrijheid. Anonimiteit. Ik ben kwaad. Ik mis ons prachtige rijhuis. Nu lig ik in een spuuglelijk, vrijstaand huis met een Oostenrijks soortig dak en een afbeelding van een eend boven de voordeur. Wel met een grote tuin maar afgelegen. Ik geraak nergens meer. Niet op café, en niet op fuiven. Voor de school hoeft het niet meer. Ik zit op internaat sinds vorig jaar. Zelf gekozen. Om Frans te leren. En omdat ik toch altijd alleen thuis ben tijdens de week. Ka zit op kot in Gent en Anso in Brussel. Mama en papa werken tot laat. Voor de weekends is dit huis echt niet praktisch. Op 10 kilometer van alles. Nu moet ik met de bus of met Herman. Gelukkig heb ik Herman. Mama liet me eerste keuze voor de kamer. Ik slaap als enige beneden. Een kamer met blauwe natuursteen. Kil, lelijk maar mét open haard. Heel het huis is lelijk. Vol gelegd met alle mogelijke soorten tegels, afschuwelijk gecombineerd. Alsof de tegelfabrikant die hier vroeger woonde al de overschotjes heeft gebruikt. Deze keer heb ik niet begrepen wat mama erin zag. Maar zij ziet het dus, hoe het zal worden en wat ze ervan kan maken. Het is koud en klam in deze kamer. Ze ligt aan het Oosten en is als een extra legoblokje op het huis geplakt, een uitstulping, een aanhangsel. Met een klein terras. Er zit een vochtplek boven de haard en de muur boven mijn bed is een soort van ingemaakte legplankenkast waarmee ik niets kan. Herman heeft er op de achterkant van een immens stuk behangpapier in zijn sierlijk handschrift een gedicht over nachtbrakers overheen geplakt. Ook dat is esthetisch niet wat het moet zijn. Maar het is wel een mooi gedicht. Vandaag staat mijn taak Frans op het programma. We moeten tussen een hele reeks poëziebundels van Franse surrealisten eentje kiezen en daar iets ‘vernieuwends’ mee doen. Ik wil een dansvoorstelling maken, met de gedichten van Paul Eluard. Ik versta zijn teksten niet altijd. Versta bijna niets eigenlijk. Maar twee gedichten wel en die vind ik top. Vandaag ga ik door heel de bundel, om alles te ontcijferen en er de lijn die ik in mijn hoofd heb, uit te halen. Straks komt ‘Antwerpen’ op bezoek. Mama heeft Tony en Thierry genodigd. Tony kan me helpen met het Frans, hij is tweetalig opgevoed en koketteert genoeg met zijn talenkennis. Ik wil tekst, muziek, dans en decor gebruiken. Zie het zo voor me. Sowieso de Gnossienne van Satie. En dan twee dansers en drie actes: liefde, twijfel, verval. Ik ben opgetogen over mijn idee. En vanavond, wanneer het af is, komt mijn lief.   Ik zie Charlie de oprit opwandelen. Hij heeft zijn gitaar in de hand. Zijn stijve, lange haren in een paardenstaart, zodat zijn brede nek zichtbaar is. Dat liften van hem vind ik geweldig cool. Op slag verliefd was ik, toen ik hem voor het eerst zag. Een rebel, een eigenwijze superstar. Leek zich van niemand iets aan te trekken. Hij was van een andere stad, en ik wist niets over hem. Behalve dat hij er echt goed uitzag. Mijn vrienden zegden dat hij een nietsnut was. School skipte. Niets voor mij dus. Ik wist het niet, had nog nooit met hem gepraat. Toch had ik hem uitgenodigd voor een fuif, via een briefje dat Herman hem had bezorgd. En hij was wonderwel gekomen. In het laat. Ik had al te veel gedronken. Zonder een woord te wisselen waren we beginnen kussen. En kort daarop moest ik overgeven. Mijn vrienden vonden het een schande. Dat ik met een vreemde kuste. En in zo’n staat. “Sabine, wat doe je nu!”, half verontwaardigd, half bezorgd. Het was dus wat bizar begonnen maar nu waren we smoorverliefd. Charlie kon fantastisch zingen. Hij deed wat hij wilde, was brutaal en onbezorgd – maar voor zijn ouders een zorgenkind dat niet wilde studeren. Ik vond hem geweldig, wild, origineel. En naar mij luisterde hij wel. Ik zou hem wel op het rechte pad brengen. En daarmee het benepen en kortzichtig idee over zijn ‘andere achtergrond’ van mama en papa voor eens en altijd tenietdoen. Gelukkig waren ze van het principe van het ‘open huis’: laat al die lieven maar binnen komen, maar ook en vooral omdat we dan weten wie ze zijn, dan hoeft het niet in het geniep en dan is het ook des te rapper gedaan.   Ik loop naar buiten en we kussen lang. Ik voel dat hij me een briefje in de hand stopt. Leuk, we geven elkaar vaak kleine briefjes of spulletjes, lieve cadeautjes.   “Ik heb iets laten zetten wat je niet leuk zal vinden. Maar het is onomkeerbaar en ik heb er goed over nagedacht. Het staat op mijn schouder zodat ik het niet de hele tijd hoef te zien, wanneer ik het dan beu ben, is dat precies een goede plek. Het is klein en met een mooie vorm. Hopelijk ben je niet boos. Ik hou van je Charlie.”   Ik kijk hem aan, vol ongeloof. “Mag ik het zien?” Hij opent zijn hemd en toont zijn schouder. Ik zie een klein mannetje, zwart, asymmetrisch, grafisch, ik herken het meteen. Het ventje van Einstürzende Neubauten. Ik kan er niet omheen, het is een goede keuze. Stoer én kwetsbaar. Maar ik voel ook boosheid. Onmacht. Een tattoo gaat nooit meer weg, het is dom. Ik hoor de echo van mama en papa in me gonzen. Ik vervloek mezelf.     Zomer 2016   Ik had nooit kunnen denken dat een mens zo moe kan zijn. Ik slaap uren aan een stuk in de speelkamer naast de keuken. Mama kookt er, de kinderen knutselen aan de keukentafel, ze lopen binnen en buiten, roepen, lachen, maar ik hoor niets. Ik ben doodop. Mama heeft de plek zo ingericht voor deze zomer dat ik dicht bij alles bij ben en toch kan rusten. ‘s Namiddag gaat het beter. Dan lig ik aan het zwembad en lees of teken, met m’n benen opgetrokken, altijd geplooid. Mijn buik trekt te veel om gewoon plat te liggen. Ik probeer opa te tekenen. Een tekening in eenvoudige zwarte lijnen. Het moet nog veel beter. Ik vind de vorm van zijn voorhoofd niet, terwijl dat net sprekend is. Mama zegt er niet veel over wanneer ze de tekeningen ziet, behalve ‘wie is dat?’. Ik weet dat ze vindt dat ik mijn tijd daarmee verdoe, dat ik vele talenten heb waar tekenen niet bij hoort. Ze is onvermoeibaar, host van de ene activiteit in de andere. Ze maakt milkshake en speelt gezelschapsspellen met de kinderen. Ze draagt handdoeken aan om een kamp te maken in de tuin. Ze zoekt in kookboeken naar lekkere, nieuwe recepten en vraagt me wat ik ervan vind. Ze zwemt met de jongens. Ik zie dat mijn jongste moe is. Hij wrijft in z’n ogen. Mama zegt dat hij een rustje moet gaan doen. “Ik ben niet moe” probeert hij, maar zijn stem draagt de capitulatie in zich. Hij weet dat hij moet gaan rusten. Hierover is bij zijn mimi geen onderhandelingsmarge. Hij is afgedroogd, heeft geplast en komt de speelkamer in. Hij zoekt iets om naast zijn bedje te leggen. Een verbindingselement, zodat hij nog een deel van de wakkere wereld heel dichtbij heeft en het gevoel dat hij niet alles moet missen van wat er beneden in zijn afwezigheid gebeurt. Maar mimi is kordaat. Hij moet de tijd nu niet proberen te rekken. Dit is uitstelgedrag. Grote mensen zijn de baas. Jij bent klein. Er moet nu en onmiddellijk geluisterd worden. Dat hoor ik allemaal in de manier waarop ze plots, luid en streng zijn naam roept. Hij verschiet en springt op van dit onverwacht salvo, alsof hij betrapt is. Ik weet wat mijn kind nu voelt. Hoe zijn hart een klop maakt in zijn keel, geschrokken, onbegrepen, bang. Hij neemt haar hand, buigt zijn hoofd en begint onhoorbaar te wenen. Zijn gezicht verkrampt, zijn mond groot open zodat hij genoeg lucht kan happen om die dikke, pijnlijke bal onrecht in zijn buik weg te krijgen.  Een moment is het onnatuurlijk stil, eentje die duidelijk maakt hoe klein en machteloos en onbegrepen hij zich voelt dat – zelfs al heeft hij zich flink bij het rustje neergelegd – hem die kleine, eigen beslissing toch wordt ontnomen. Zijn hoofd wordt rood en dan volgt een luide, diepe, hartverscheurende ween. Mijn hart scheurt, maar ik zeg niets. Mama is nu de baas. Mama is hier de baas. Zij doet alles en ze zorgt met hart en ziel voor ons. Hoe kan ik hier dan iets op zeggen? Ze kan dat niet verstaan, vindt integendeel dat ik teveel toegeef waardoor mijn kinderen ‘onhandelbaar’ zullen worden. Het is haar betrachting, haar hoop dat dat nog kan gekeerd worden, door wel duidelijk te zijn, kordaat en consequent.

Sabine Steels
0 0

Een nacht om nooit te vergeten

Daar stond ik dan. Midden in het bos. Het was donker, en koud. De wind huilde door de takken, ik zag geen hand voor ogen. Mijn enige houvast: een touw, gespannen tussen de bomen die ik probeerde te ontwijken. Stapje voor stapje kwam ik vooruit, voorzichtig de grond voor me aftastend met mijn voeten. Zou ik hier ooit nog uitkomen?   Ik had het aan mezelf te wijten. Het was slecht weer, thuis was het lekker warm en knus, naast mijn vrouw op de bank. Ik had thuis kunnen blijven. Maar nee, ik moest zo nodig op pad. Je bent schrijver, of je bent het niet. Een wandeling in het bos, in het donker, wie verzint er zoiets?   Een lichte paniek maakte zich van mij meester. Het besef midden in het bos te staan drong nu echt tot me door. Zou ik in mijn eentje de weg terug nog wel kunnen vinden? Even er van uitgaande dat ik überhaupt uit dit duistere deel van het bos zou kunnen ontsnappen?   Een touw, een dun levenslijntje, was mijn enige houvast. Ik hoefde alleen maar het touw te volgen om de weg terug te vinden, zeiden ze tegen me, alvorens me het bos in te sturen. Het was aardedonker, totale duisternis heerste. Als ik het touw los zou laten, was ik reddeloos verloren.   Ineens drong het beeld van een gapende afgrond zich op, brandde zich op mijn netvlies. Wat als bij de volgende stap plots de grond onder mijn voeten verdween? Wat als ik mijn evenwicht verloor? Zou het touw me nog kunnen redden?   Nog voorzichtiger zette ik mijn voeten neer, aftastend of ik wel ondergrond kon bespeuren. Krampachtig hield ik me aan het touw vast, mijn knokkels trokken wit weg. Het zweet brak me uit, ondanks de kou.   Ik zag de krantenkoppen al voor me: ‘Man gevonden in bos’. ’Mysterieuze verdwijning eindelijk opgelost’. ‘Hij lag op enkele meters van het pad’. Ik ben het ultieme product van mijn tijd, niet meer in staat de weg te vinden zonder TomTom of Google Maps.   Even dacht ik wolvengehuil te horen. Vast het product van mijn overijverige fantasie!   Verder gaat het, stap voor stap en hand over hand. Even dreigt er weer paniek, als ik het touw even kwijt ben. Ah, het touw maakt een hoek van 90 graden. Juist ja.   Weer op weg, zigzaggend door het bos. Mijn ogen begonnen te wennen aan het donker, ik kon vage vormen herkennen. Bomen en struiken verworden al gauw tot enge monsters, het kraken van de takken maakt een onheilspellend geluid. Toch is het op de een of andere manier geruststellend, ik kan in elk geval weer iets zien.   Ik hoorde stemmen! Nee, niet in mijn hoofd. Het waren andere stemmen, van andere mensen. Het was de groep waarmee ik het bos ingegaan was, die mij ook weer terug zou leiden naar de bewoonde wereld. Ik was gered!   Het was een nacht om nooit te vergeten.   Website: www.eigen-wijs-heden.nlE-mail: info@eigen-wijs-heden.nl  

EigenWijzer
0 0

In de prille lentezon - Achter de boeken - Bovenop het stapelbed - Marieke - opdracht 4

In de prille lentezon   Ze hadden hem samen tot in kamer 159 gebracht, zijn valies helpen uitladen, tandenborstel in het bekertje gezet en afscheid genomen. Op terugweg had zij de kinderen bij vriendjes afgezet, om hen de nodige afleiding en zichzelf wat rust te gunnen. De stilte overvalt haar als ze weer thuiskomt, omhult haar als een deken en smoort haar onrust. Geen kinderstemmen, geen radio, geen geroep of gehuil. Hoe lang was dat geleden? Ze voelt de vermoeidheid door heel haar lijf tot in haar hoofd kruipen, loopt meteen door naar de slaapkamer. Ze zet de dubbele terrasdeuren wijd open om licht en lucht overvloedig binnen te laten stromen, trekt de lakens van het bed en gooit die in de wasmand. Met een oude keukenhanddoek veegt ze het mosgroen laagje van de ligzetel op het dakterras. Ze legt zich languit in de prille lentezon en sluit de ogen.   Het suist in haar oren, de beelden van de vorige dagen flitsen aan haar voorbij. Het gewicht van de afgelopen periode drukt haar op de zetel neer. Het was een slopende aanloop naar de moeilijkste beslissing uit haar leven geweest. Het kraken van die bittere noot. Ooit was ze vastberaden geweest om haar kinderen niet aan te doen wat ze zelf in haar jeugd had ondervonden. Maar ze kon niet meer anders, wist dat het moest gebeuren. Ze zou het op haar manier doen. De spanning heeft zich vastgezet in haar lichaam. Als ze voorzichtig rondjes draait met haar schouders, trekken de spieren stram tot waar haar nek haar schedel raakt. Haar schouderbladen kraken. Zodra de zon haar huid zachtjes warm likt, voelt ze het gewicht langzaam van zich afglijden. Ze ademt diep in en laat de lucht voorzichtig langs haar lippen stromen. Alsof ze nog niet helemaal durft uit te ademen. Een behoedzame glimlach verschijnt op haar gezicht. Straks zal ze voor het eerst sinds vele nachten terug in haar eigen bed slapen. Van alle scenario’s die er lagen, lijkt het best denkbare zich nu te ontplooien. Al die nachten kamperen in de living heeft dan toch iets opgebracht. Als er een voor en een na was, dan is die na nu begonnen.   Die ochtend -tien dagen geleden- hoorde ze voetjes van de kinderkamer trippelen naar hun bed aan de andere kant van de gang. Daarna de paniek in zijn stem terwijl hij terugliep naar hun stapelbed en zijn zus wekte: ‘Mama is er niet!’. Haar geruststellende woorden: ‘Misschien is ze beneden, ik hoorde hen gisterenavond nog’. Gehaast maar voorzichtig zette hij zijn blote voeten op de koude trap. Hij kon niet wachten tot hij beneden was, boog zich voorover en tuurde tussen de metalen treden door, de living in. Zo keken moeder en zoon elkaar in de ogen. Opgelucht liep hij de trap af, sloeg zijn armen om haar heen en kroop mee in de slaapzak. Op een geïmproviseerd bed van twee grote kussens had ze een bijna slapeloze nacht doorgebracht. Ook zijn zus was snel beneden en schoof zo goed en zo kwaad als het ging mee bij hen aan op de kussens. Met haar twee kinderen in de armen, dicht tegen zich aan, deed ze haar best uit te leggen wat er te gebeuren stond.   Haar tienjarig meisje had het al voelen aankomen. Ze had er ook al met haar moeder over gesproken. Bij haar zoontje drong het bericht die ochtend voor het eerst duidelijk door. Een zucht, die meer op opluchting leek dan op verdriet, ontsnapte hem. Alsof hij toen ineens begreep wat hij al zo lang aanvoelde maar geen woorden kon geven. Alsof dit de reden was voor de onverklaarbare woedeaanvallen waar hij soms last van had, de spanning die hij voelde trillen in huis maar niet kon duiden. ‘We zijn al met zo veel kinderen van gescheiden ouders in de klas.’ Hij telde luidop, kwam aan tien vingers. ‘We zouden een praatgroepje hierover moeten hebben! Dan kunnen we horen hoe de anderen het doen.’ En zo werd de kiem gelegd van het groepje met een tiental tweedeklassers die samen ervaringen zouden delen over twee huizen, bezoekregelingen, ruzies en wisselmomenten.   De dagen die volgden zwalpte hun vader als een wrak in huis rond. Zij hield het roer in handen en ging op zoek naar oplossingen. Want zo kon dit niet blijven duren. Ze ging met de kinderen op stap en zag de bloesemknoppen klaarstaan om open te barsten. Ze keek rond naar huurhuizen, al wist ze dat het geen haalbare kaart zou zijn om een dubbel huishouden met enkel haar loon te onderhouden. Ze vond een leuk plekje via Airbnb aan het speelplein voor de school. Dat zou korte termijn soelaas kunnen bieden. En toch wilde ze haar kinderen niet uit hun vertrouwde huis wegrukken en kon ze hen in deze toestand niet alleen bij hem laten. Voor de middag kwam hij niet uit zijn bed, de rest van de dag hing hij als luie Wanja tegen de verwarming aan, snikkend, smorend, snotterend met af en toe luide uithalen van verdriet.   Dit wierp haar terug naar haar eigen kindertijd, waar ze de tranen van haar moeder niet had kunnen stelpen, waar ze dat immens verdriet meevoelde maar geen woorden kreeg om erover te spreken. Toen besloot ze als negenjarig meisje dat haar dat nooit zou overkomen, dat ze zich nooit zo afhankelijk van een man zou maken. Nu zag ze met lede ogen toe, dat door haar toedoen haar kinderen met een immens verdrietige vader werden geconfronteerd. Met dit verschil: zij zoeken elke dag weer samen naar de juiste woorden om te benoemen, begrijpen, om de dingen een plek te geven.     Die avond, toen ze al vijf dagen op de kussens sliep, had ze de kinderen in bed gelegd en zich uit huis aan een goed gesprek met een vriendin gelaafd. Ze geneerde zich voor de onverwachte zweetaanvallen die haar deze dagen parten speelden. Dan liep haar gezicht en hals helemaal rood aan en voelde ze de natte kringen in haar t-shirt groeien. Een onbekende ervaring die op café erg vervelend kon zijn, ze voelde zich dan bekeken. De vrouwen hadden zich afgevraagd of het een hormonaal- of stressgebonden fenomeen was. Een medisch onderzoek zou onnodig blijken, later zou ze dit effect telkens weer ervaren bij een piekmoment met grote spanning. Zodra die piek overwonnen was, verdwenen ook de 'vapeurs'.   Terug thuis verdween ze in de badkamer, gepoetst en opgefrist trok ze een vers gewassen pyama aan en kroop in de living haar slaapzak. Hij knielde neer en zette zich naast haar tijdelijk nest, hij smeekte om weer naar boven in het bed te komen. Wat moest hij doen om haar weer voor zich te winnen? Die vraag kwam veel te laat. Hij strekte zijn hand naar haar uit om een haarlok uit haar gezicht te vegen. Maar zij weerde dit gebaar af. ‘Laat je helpen’ was het enige wat ze op dat moment nog aan hem kon meegeven. En dat zou hij doen. Hij besprak het met zijn psychiater en samen waren ze er snel uit. Vanaf dan is de bal aan het rollen gegaan. Hij kon enkele dagen later terecht in de PAAZ, bij hun kinderen beter gekend als ‘de spoed voor mensen die ziek zijn in hun kop’. ‘Ik laat me opnemen, maar geef me dan nog een kans’ zei hij vlak voor zijn vertrek. ‘Ik kan niets beloven’ was haar oprechte antwoord, meer dan dat kon ze op toen niet zeggen. Ze moest nog leren voelen wat er kon en wat niet meer.   Daarnet hebben ze hem in het ziekenhuis afgezet. Zij laat de zorg over aan professionelen. Voor even is er een oplossing, dat geeft ademruimte. Ze blokt de onoverkomelijke gedachte nog af, dat hij snel de weekends vrij zal krijgen en weer voor de deur zal staan. Hoe zullen ze dan leven in datzelfde huis? Even is zij, voor het eerst sinds heel erg lang, alleen in huis. Haar thuis waar ze de laatste jaren van wegliep, vluchtend in werk en engagement. Nu geniet ze, bekomt ze, ademt ze weer. Straks legt ze verse lakens en slaapt verfrist in haar eigen bed. Alleen.      Achter de boeken   Het is bijna vakantie. De laatste loodjes wegen zwaar voor haar moeder. Zoals elk jaar. Er werd door de school weer gretig gebruik gemaakt van haar talenten om te tekenen én om geen neen te kunnen zeggen. In het Steineronderwijs is het de traditie om rapporten voor elke leerling persoonlijk te maken. Zonder punten maar in woord en beeld. Wat natuurlijk een bijzonder geschenk is voor elk kind en diens ouders, maar een gigantische berg werk voor de leerkrachten. Zo’n dag is het voor het meisje, helemaal aan de staart van haar eerste schooljaar in het middelbaar onderwijs. Ze trekt zich niet veel aan van de drukte. Want zij heeft weer een mooie buit in de bibliotheek verzameld, ze kan zich in zeven onbekende werelden onderdompelen. Sinds ze met de lidkaart van haar vader de volwassenafdeling literatuur mag verkennen, is er een nieuw universum bereikbaar. Op de jeugdafdeling en in de huisbibliotheek heeft ze nog weinig nieuws te ontdekken.   Ze worden vandaag mee op sleeptouw genomen, zij en haar broertje, naar een bel-etagewoning in een andere wijk van de stad. Daar waar die populaire leerkracht wiskunde woont met zijn kinderen. Als ze toekomen worden ze hartelijk door hem onthaald. Haar kinderen krijgen een kus op de wang, bij de mond van hun moeder blijft hij iets langer hangen. Hij nodigt hen naar boven uit, ze mogen meteen aanschuiven aan de grote tafel bij het gezin. De bezoekster port haar kinderen aan om iedereen beleefd te groeten. Licht blozend geeft het meisje de drie grote zonen en dochter een klam handje en slaat dan snel de ogen neer. Een dampende ovenschotel wordt geserveerd, pasta met vegetarische groentesaus. Sinds hij weduwnaar is, kookt een dame uit de buurt voor hem en zijn kinderen. De jongens klagen over het eten, het lijkt wel een traditie waar hun vader standaard wederwoord op geeft. Maar de honger overtroeft hun kieskeurigheid en al snel wordt elk restje uit de schotel geschraapt. Ook de borden worden vakkundig leeggemaakt. Hier en daar helpt een tong om elke verspilling te vermijden. Gelukkig komt er nog een dessert: een grote kom vanillepudding sluit de maaltijd af. Dan verdwijnen de jongeren naar hun kamers of naar de straat en wordt het even stil in de woonkamer.  Zodra de tafel is afgeruimd, wordt die helemaal ingepalmd voor de eindsprint. Ze ligt bedekt met papieren. Er wordt geschreven, getekend, geteld, geordend, lijsten gecheckt. Want morgen worden de getuigschriften uitgedeeld. Het meisje nestelt zich in een zetel in de hoek en vertrekt naar een kleurrijke magische wereld in Latijns-Amerika. Haar broertje volgt een van de grote jongens die een elektrisch treinspoor voor hem bovenhaalt.   Meegezogen in liefdesverhalen ten tijde van cholera, lijkt het meisje niet door te hebben wat er zich vlak voor haar neus afspeelt. Haar moeder straalt weer, lacht, geniet. Ze laat zich welwillend charmeren. Wat een contrast met de jaren van verdriet die zij achter zich heeft. En de jaren van zoeken naar de juiste man. Er zijn meerdere kandidaten gepasseerd maar door moeder en kinderen niet goed genoeg bevonden. Nu voelen ze alle drie dat het deze keer anders is. De kinderen zullen het hun moeder dan ook gunnen en deze man welwillend een plaats in hun leven geven. Drieëndertig jaar later volgt het volwassen meisje haar mankende zoontje de trap op. Halverwege draait hij zich om en verklaart plechtig: ‘Eigenlijk hebben wij twee stiefbroers en een stiefzus’. Er klinkt een soort van trots in zijn stem. ‘We hebben ze nog nooit ontmoet. Ook hun moeder kennen we nog niet’. Hij is bereid hen te aanvaarden, al weten die kinderen nog niet eens van zijn bestaan af. Hij geeft de nieuwe liefde van zijn papa alle kansen. ‘Maar mama, dat is toch niet zoals in de sprookjes hé? Want grootvake is toch lief!’   De jongste zoon des huizes staat klaar om uit te gaan. Hij ziet er blits uit met een fluogele trui, een nektapijt en een potloodrandje onder zijn ogen. De examens zijn achter de rug, leerlingen vrij. De leraars werken naarstig maar goed gezind verder. Op de achtergrond speelt de radio een vioolconcerto. Een heruitzending van de onderbroken Koningin Elisabethwedstrijd, waar een maand eerder het geweld op de Heizel de aandacht van de muziek had afgeleid. Het meisje leest, haar broertje speelt aan haar voeten met de treinen. Het wordt laat en de berg getuigschriften is nog maar half gevorderd. Dit zal nachtwerk worden. Het meisje mag logeren in het grote bed bij haar nieuwe zus. De enige zus in een wereld vol broers. Op haar kamer legt het meisje haar boek even aan de kant en bladert in de Flair. Zo maakt ze kennis met lectuur over mode, verliefdheid en make-up. De volwassen zussen zijn de laatste jaren terug naar elkaar toe gegroeid, ondanks of dankzij de fysieke afstand. Hoe verschillend hun verhaal ook was, in hun werk en leven overlapt hier en daar een hoofdstuk. Via skype ontmoeten ze elkaar en spreken over het zijden draadje waaraan de liefde die haar tot Israël bracht nu hangt. Ook over verdriet en dat aan je kinderen durven tonen, over zoeken in je biografie en patronen willen doorbreken. Een concrete herinnering aan die dag toen hun ouders hen samenbrachten, heeft de oudste zus niet meer. Wel weet ze nog van het gevoel van opluchting, dat zij niet meer bezorgd over hun vader moest zijn en zelf haar eigen leven onder vrienden mocht opnemen.   De dag die volgt is de afronding, het zal de laatste dag zijn voor beide ouders in dezelfde school. Hun werkplekken zullen scheiden, maar diezelfde zomervakantie gaan ze op zoek gaan naar een nieuwe woning. Want noch zijn bel-etage noch haar rijwoning volstaan voor het nieuwe gezin met zes kinderen en twee volwassenen. Die herfst, vlak voor de veertiende verjaardag van het lezende meisje, verhuizen ze naar de boerderij te midden van de velden. Ver weg van de stad, pendelen naar school en vriendinnen, maar met een bessentuin, kamers voor ieder kind en katten die jaarlijks nestjes bouwen.      Bovenop het stapelbed   Een knappe verschijning staat vrijdagnamiddag te wachten aan de schoolpoort. Het is een grote man met brede schouders, zijn vriendelijke gezicht omringd met getrimde baard en snor. Toch straalt hij weinig zelfvertrouwen uit. Hij voelt de boze blikken in zijn rug prikken, hoort gefluister achter zijn schouder. Hij verlangt ernaar zijn kinderen weer te zien, maar wil tegelijkertijd het liefst ter plekke de grond inzakken. De poort opent en de ouders stromen naar de speelplaats door. Het schoolgebouw is een statige herenwoning met een grote tuin, waar achterin twee barakken als kleuterklassen dienstdoen. Als de deur van de klas op een kier wordt gezet, herkent hij meteen de licht hese roep van zijn zoon. Ongeduldig staat die te trappelen om de speelplaats op te rennen. Maar de juffrouw maant hem tot kalmte en schudt rustig elk kind een voor een de hand ten afscheid. Zodra hij buitenkomt stormt de kleuter op zijn vader af, die pakt hem op en gooit hem in de lucht, de jongen krijst van opwinding als zijn vader hem weer opvangt. Als hij landt, loopt hij de speelplaats weer op om met zijn vriendjes in een boom te klimmen. De kleuterjuf passeert, kijkt de vader met een verwijtende blik aan en loopt hem voorbij zonder groeten.   Opgewonden stemmen klinken intussen uit het grote gebouw waar de schooldag nu ook eindigt voor de vierde klas. Druppelsgewijs komen jongens en meisjes de brede trap afgelopen. Een meisje in een blauwwit gestreepte salopette kijkt geconcentreerd naar haar voeten terwijl ze op één been, trede per trede naar beneden springt. Als ze haar vader in het vizier krijgt, vergeet ze het spel, gaan haar ogen stralen en breekt een glimlach haar gezicht open. Ze loopt op hem toe, hij heft haar op en wang aan wang houden ze elkaar stevig vast. Even lijken zij in een zeepbel te leven, lichtjes weg te zweven van de wereld rondom hen. Een vriendinnetje roept haar naam, ze draait haar hoofd en de blonde staartjes zwiepen langs zijn baard. De bel spat uiteen, ze staat weer op de speelplaats en gaat snel haar broertje halen. Met aan elke hand een van zijn kinderen loopt de man de schoolpoort uit, ogen volgen hen. Hij moet het jongentje stevig vasthouden om te voorkomen dat die in zijn enthousiasme de straat oploopt. Het meisje hinkelt tussen de lijnen van de stoeptegels door, vastberaden om deze vaardigheid onder de knie te krijgen, zoals bij elk nieuw spel dat op de speelplaats zijn intrede doet.   Aangekomen in de korte onbekende straat haalt de vader een blinkende sleutel boven. Het slot van de afgebladderde voordeur klemt. De kinderen volgen hun hem in de donkere gang. Drie brievenbussen klepperen nog na als ze de trap opgaan. Zodra de deur van het appartement op de eerste verdieping opengaat, worden ze overweldigd door het licht dat uit de voorkamer binnenvalt. De zon staat daar pal op het hoekraam, even zijn ze verblind. Witgeschilderde muren en vloeren. Een blankhouten tafel en vier stoelen. De scherpe geur van terpentijn. Aan de andere kant van die kamer staat een ezel. Een morsig schilderspalet op een kruk zorgt voor de enige kleuren in het vertrek. Verder niets, zelfs geen gordijnen, de overburen kunnen zo binnenkijken. Vanuit het raam zien ze uit op de grote hartvormige bladeren van een plataan. Daaronder beweegt het voortdurend op de Leien. Ze zullen die ramen nooit openen uit afkeer voor het lawaai en de walmen van het drukke autoverkeer.   Als vieruurtje krijgen ze een koffiekoek van de bakker die op de benedenverdieping van dit huis is gevestigd. Een koek met chocoladedakje, gevuld met pudding. Ze drinken een glas veel te zoet, goudgeel appelsap. Dan vraagt de vader hen om hem te volgen. Het enige kamertje dat niet aan de drukke Leien grenst zal hun slaapkamer worden. De kinderen helpen om een vers pakket van Ikea open te scheuren. Ze houden de rode metalen spaken recht, terwijl hun vader met schroeven en sleutels in de weer is. Twee lattenbodems worden boven elkaar in het frame gehangen, matrassen uit hun plastieken cover gehaald, lakens, kussens en slopen opgeschud en gedrapeerd. ‘Ik wil boven’ roept het jongentje enthousiast, nog voor de ladder stevig staat gemonteerd, is hij er al op gekropen. ‘Neen ikke!’ zegt zijn zus. Ze bekvechten over wie waar zal slapen. ‘Ssst, geen geruzie, jullie kunnen om beurt doen’ sust hun vader. ‘En dan in haar vuile lakens moeten slapen?’ Het broertje knijpt zijn neus tussen duim en wijsvinger en maakt er een grappige grimas bij. Zijn zus trekt haar schouders op, accepteert haar lot en legt zich neer op het onderste bed. ‘Slaapwel’ zegt ze, op klaarlichte dag en met kleren aan draait ze zich op haar zijkant. Vanop het bed boven haar klinkt dezelfde boodschap in echo. Ze testen hun eigen plek uit een kakelvers bouwpakket. Alles ruikt nog naar nieuw. Het zal elke vrijdagavond hun vaste plekje worden. Toch zal het hier altijd een beetje logeren blijven. Met een luide geeuw strekt het negenjarige meisje haar armen. ‘Ik heb zo wa-wa-waaanzinnig gedroomd’ zingt ze uit volle borst. ‘Ik werd door ka-ka-ka- kadoo’s overstroomd’ valt haar broertje in. Hij klautert de ladder af en ze gaan samen kijken naar hun vader die intussen achter de pannen staat. De geur van gebakken vlees lokt hen naar de keuken. Ondanks het grote raam in die sjofele ruimte, komt er zelfs op de meest zonnige dag amper licht binnen. De muur van het buurhuis ligt op nog geen twee meter van het venster, als ze door de schacht naar boven kijken zien ze met moeite een stukje blauwe lucht. Op het koertje een verdieping lager horen ze geritsel, ze zien in een flitst een rattestaart tussen de stapels dozen verdwijnen.   Zeventien jaar later zal diezelfde vader opnieuw van scratch beginnen. Weer in een lege lichte woning waar druppelsgewijs nieuwe spullen en meubilair worden binnengedragen, zonder iets van vertrouwde stukken. Deze keer met zicht op de Schelde. Zijn dochter zal alles herbeleven. Ze woont intussen al enkele jaren op zichzelf maar maakt zich zorgen over haar jongste halfbroertje, op dat moment negen jaar. Daar nog eens twintig jaar bijgeteld zal die dochter erop toezien dat het tweede huis van haar eigen kinderen met vertrouwde spullen ingericht kan worden.      

Marieke Genard
0 0

Opdracht 5 Elisabeth Leysen

Ze wrijft het water van de ruit en kijkt naar de tuin. Het is al donker, maar ze kan de sneeuwman nog zien. Het is koud in de kleine keuken. Ze hangt de natte doeken dan maar in de woonkamer, op een droogrek, naast de kachel. Zo is er nauwelijks nog plaats voor de kerstboom, maar het kan niet anders. Elisabeth zit in het winkeltje dat ze kreeg met Sinterklaas. Avonden en avonden heeft Marcel gezaagd, gelijmd en geverfd om het houten winkeltje op tijd klaar te krijgen. “Moeke, wil jij iets komen kopen?” “Daar heeft moeke nu geen tijd voor. Moeke heeft nog veel werk voor school.” Ze waren blij met de extra uren die ze kreeg op het lyceum, maar nu lijkt het wel alsof ze nooit nog de tijd vindt om te spelen met Elisabeth. “Mag ik moeke helpen met de kerstboom?” “Straks, Elisabeth, nu nog niet. Vake moet nog een voet maken voor de kerstboom. Je kunt misschien al een stalletje tekenen in jouw boekje? Met Jozef en Maria en het kleine kindje Jezus, in een kribbetje.” “En een os”, zegt Elisabeth, “er moet ook een os bij”. Zondag is het kerstavond. Dit is hun eerste kerst alleen in dit oude huis. Toen ze trouwden, mochten ze bij moeder in een kamer van het huis wonen. Moeder is in de zomer verhuisd, ze woont nu bij Lucien, die woont toch maar alleen. Moeder wil graag iedere ochtend naar de mis en Lucien woont rechtover een kerk, dat is veel makkelijker.   Marcel had beloofd dat hij voor het donker terug zou zijn en haar zou helpen met de kerstboom, hij zou een houten voet maken voor de kerstboom, maar hij is er nog altijd niet. Hij wil het nieuwe huis zo gauw mogelijk af hebben en is daar elk vrij moment mee bezig. Het is toch veel te koud nu om aan het nieuwe huis te werken? Ze hoopt dat hij voorzichtig is.

Elisabeth Leysen
0 0

AANVRAAG TOT LETTERBOUWKUNDIGE VERGUNNING (Verzameld werk zonder veel leestekens)

    ik schrijf met mijn voeten schraap met mijn tenen tussen de groeven van de straat mijn onderbenen spartelen aan mijn knieën klontert het beton tot mijn enkels in de mortel iedere figuur die ik voortbracht was vrij toen werd het een versteende afdruk van mijn kindertijd   alsof je gisteren nog de postbode betrapte masturberen in de struiken je herinnerde je nog helder de figuren uit je kindertijd   er was het plakbord   MEDE MOGELIJK GEMAAKT DOOR HAAT EN AFGUNST VLIEGEN WIE VLIEGEN KAN JE HEBT MIJN PASPOP ONTHOOFD IK HANG IN DE LIANEN VAN DIT APENLAND DE POSTBODE MASTURBEERDE IN DE STRUIKEN WIE HEEFT OOIT DE LEESTEKENS HET ZWIJGEN OPGELEGD?   er was een poëet   de optimist klopte, eens zijn glas halfleeg, aan bij de pessimist fluit op een fles!   Inleiding tot Ruben “Lodewijk de Oneindige” Van de Woestyne Variaties op Universiteit Universiteit-stamkroeg stamkroeg-stamkroeg-Universiteit stamkroeg-stamkroeg-stamkroeg onderwijsactiviteit-stamkroeg-stamkroeg ouderlijk huis-stamkroeg-stamkroeg stamkroeg-stamkroeg-Universiteit Variaties op onderwijsactiviteit Geen onderwijsactiviteit Variaties op ouderlijk huis Grootouderlijk huis   hij verzamelde zijn werk tot hij de moed vond een uitgever aan te spreken een oordeel van een beoordelaar oordeelt over de uitvoering van alle onderdelen van de vaardigheid gegeven door de beschrijving van de vaardigheid door ze af te meten aan haar oordeel   Ruben Van de Woestyne (1993) uit Waregem begint met dichten op de leeftijd van 12 als een ultieme poging om macht uit te oefenen op de taal die hij zo liefheeft Al snel komt hij tot de vaststelling dat dichten zelf een even twijfelachtige bezigheid is In het zoeken van bevestiging klimt hij na een tijd het podium op, een neiging die zich al snel ontwikkelt tot een nood   in een spiegelhuis dichtte hij zijn ode aan de meetkunde   er was de nachtelijke wereld   universum, zoals alles weegt en alles valt … dansen is als meerijden op de achterbank voorovervallen met een gordel aan ik dans in de mortel mijn armen wapperen als een drenkeling op een stuurloze vloertegel   het lijkt wel of iedere feestvierder een hoofdtelefoon draagt melodie vlecht een touw om de essentie van mijn lied daar werpt een muze mij een laatste reddingsboei een ongestemde piano drijft verder over zee harmonie heeft een ontologische functie, een wiskundige en een epistemologische speel nog eens van bij het begin de kindse onschuld op je speelgoedinstrument einde weekeinde-poëzie “de dag is de thema-avond van de nacht” citaat van een monotone monoloog “open aanhalingstekens op maandag … sluit aanhalingstekens op zondag.” volwassen-zijn eindigt wanneer het begint niet in de selectie opgenomen: voetbalpoëzie   er was de vergeten wielrenner   op een onbepaalde dag na datum was ik nog steeds in de wedstrijd idolen zijn talenten, gevallen en ooit uit de ziekenwagen op te staan liggen ze nog steeds in het dal van hun laatste beklimming elegantie is de schoonheid van hoogmoed   er was de wielervrouw   dappere jongen ik heb genoeg van ruiken aan je overjas omdat je er niet meer bent “slaapzacht” tot aan het ontbijt wanneer we opnieuw mensen zijn   je gelooft in de dood en God is een idioot   er was de leegte in je bed   dans in luchtledigheid universum, naakt en wit leeg maar niet oneindig niet eindig evenmin ik dek je in mijn overjas, dan ben je niet zo blind   er was de gedachte aan haar   je bent mij zonder de wereld ik zag je naam op de afwezigheidslijst slaap tegen de ochtend aan in dagen die tijd ontgaan   ik houd van beloften van mensen die onophoudelijk afscheid nemen omdat ze willen dat je blijft   er was de zoveelste metafoor om een schrijffout te verbloemen en je mag je zusje niet plagen want zij is te jong om te beginnen “mag ik nog een snoepje?” “maak je niet dik!” omdat wij van je houden, en je papa ook … liegen is zwartrijden op de trein als je wordt betrapt betaal je voor iedereen die ooit gelogen heeft de conducteur kwam echter nooit   ik lijd aan feminisme liefde is als een hoofdtelefoon het doet pas echt goed als het wat pijn doet emancipatie hangt los om mijn heupen je legt je lip te slapen in de vouwen van je tanden kleed me in je avondzoen   er was een eenzaam man   een eenzaam man heeft niets aan poëzie maar denk je dat poëzie iets kan met een eenzaam man? men wordt volwassen als men je ontwijkt, niet meer aankijkt   en er waren de leestekens   wie heeft ooit de leestekens het zwijgen opgelegd?     “Dag.” (een open inleiding tot opening van een inleiding tot inleidende opening)* “Hoe gaat het?” (een opening van de inleiding tot een inleidende opening van) “Goed, en met jou?” (een inleiding tot de inleidende opening van)   Zwijgen   Ik laat mijn onachtzaamheid achteloos vallen.   *Mensen vinden het soms noodzakelijk om bij het openen van een gesprek nog eens expliciet te vermelden dat het het openen van een gesprek betreft, dus om het gesprek te openen, een opmerking over het openen van een gesprek, zoals de opmerking dat mensen het soms noodzakelijk vinden om bij het openen van een gesprek nog eens expliciet te vermelden dat het het openen van een gesprek betreft

Robijn Bodijn
35 0

Opdracht 4 - Kristien

    Hoe het allemaal juist is gegaan, weet ze niet meer. Ze weet wel nog dat ze soms vleugels kreeg. Brede, krachtige vleugels. Dan vloog ze weg. Heel even. Heel hoog. Genoot ze van de uitgestrekte lappen grond, van de blokken die figuren vormden, van de stippen die over de kronkelende lijnen bewogen, van de wind rond haar lijf. Boven wist ze niet wie ze was. Ze vloog. Ze was vrij. Tot plots de zon te warm werd en ze, als door een donderslag, weer op de grond terecht kwam en weer zichzelf werd. Ze krabbelde recht en begon te stappen. Kilometers en nog eens kilometers. Stap voor stap sloeg de automatische piloot aan en wist ze wanneer ze stop had moeten zeggen, wanneer ze had moeten doorgaan en wanneer ze had geleefd. Helemaal echt. Telkens opnieuw.     __________________________________________________________________________________   ‘Een vogel zingt niet omdat hij een antwoord heeft. Hij zingt omdat hij een lied heeft.’ Maya Angelou    Een groot meisje stapt op de dijk. De lucht kleur rozig, blauwig grijs. Onder haar wijde vest verstopt ze haar lichaam en houdt ze haar hart strak. Ze stapt arm in arm met een vrouw. De moeder. Naast hen stapt een man. De vader. Ze luistert gedeisd naast de moeder, knikt en antwoordt kort. De vader geeft nu en dan een opmerking. Het grote meisje knikt nog meer. Het wandelen gaat traag. Te traag. Het meisje stopt plots, opent de rits van de vest, glimlacht naar de moeder en vader, draait zich om en rent over het strand naar het water. De haren van het meisje wapperen in de wind. De vest fladdert mee. Ze rent en rent. De ganse wereld zit op haar hielen. Grote en kleine mensen. Dikke en dunne. De vader en de moeder. De lucht waait hard en het zand snijdt diep. Ze rent verder. De zee houdt haar echter tegen. Ze stopt, staart naar de horizon en haalt diep adem. Standvastig staat ze daar. Opgenomen in vrije rust. Omgeven door gezichtsvolle verhalen. Een traan op haar wang verklapt haar hart. Pablo. Op vakantie in het buitenland had ze de arme kleine jongen elke dag eten kunnen geven ondanks het protest van de moeder en de vader. Sofie. Op school luisterde ze naar de verscheurende verhalen van haar vriendin en beloofde zichzelf deze niet verder te vertellen. De nacht ervoor had ze een boek over Gupta in het verre Buitenland gelezen. De letters hadden beelden gevormd. De beelden waren levens geworden, levens met oren en ogen, met kinderen en zorgen, met honger en dorst. De moeder had de kamer van het grote meisje binnen gedrongen en het boek afgepakt. Het meisje was met rode ogen ingeslapen.   De golfslag maakt het meisje wakker. Ze begint met de armen cirkels in de lucht te tekenen, springt op en neer en loopt parallel met de zeelijn verder. Richting ondergaande zon. Een witte Kleenex die ze uit haar zak haalt om haar neus te kuisen, valt op het zand en waait weg. Het meisje rent de zakdoek achterna. Ze bukt zich. Op dat moment neemt de wind de zakdoek terug mee. Ze glimlacht, speelt hond en rent het papiertje achterna.   De moeder en de vader zwaaien naar haar. Ze zwaait terug. Uitgewaaid loopt ze naar hen terug. Arm in arm stappen ze verder. Zonder woorden.   Thuisgekomen, nestelt het meisje zich in haar kamer, gaat achter de bureau zitten en legt 13 schelpen in wit, grijs, dof blauw en beige op de witte Kleenex naast zich neer. Ze neemt het dagboek en buigt zich diep.  'Een kind op afstand braaf braaf gemaakt door een omgeving een omgeving van knikken en aanvaarden   Een kind op afstand wild wild gemaakt door vragen vragen van waarom en twijfels   Een kind op afstand wijs wijs gemaakt door zwijgen zwijgen van stilte en feiten   Mama je slikt dagelijks zoveel pillen, 5 's morgens, 4 's middags en 4 's avonds. Jouw lichaam is op. Verdorie toch. Je maakt je druk over mijn kledij, over de boeken die ik lees en over mijn gewicht. Verdorie toch. Wat kan ik voor jou doen? Hoe kan ik er voor jou zijn? Mijn hart vult zich met wat het ziet. Ik ben wie ik ben. Of dat probeer ik toch. Waarom kan ik mijn wereld niet met jou delen?’   Ze klapt haar dagboek dicht, stapt naar beneden en gaat naast de moeder in de zetel zitten. Ze kijken elkaar aan, praten over het weer, overlopen het medicatieschema van de dag, eten samen warme appelcake en glimlachen. Na een tijdje buigt het meisje zich naar de moeder toe, verwijdert het fuchsia aquagroene hoofdsjaaltje van de moeder, neemt een dagcrème en smeert het droge haarloze hoofd van de moeder in. Zacht en broos. De moeder sluit haar ogen. Het meisje ook.   __________________________________________________________________________________   fluo roze blauw ieder moment ontvouwen andere kleuren   In enkele dagen is het groot meisje jong volwassen geworden. De moeder van het meisje zou het op deze manier niet gewenst hebben. De winter is op komst. Ooit zou het meisje ervan dromen om voor een groot publiek te spreken. Vandaag krijgt ze die kans. Buiten ligt een wit sereen laagje sneeuw die de geluiden dempt. Binnen in de grote witte ruimte met haar hoge plafond, bruine stoelen en doffe wierookgeur wachten donker geklede toehoorders. In grote getallen. Van ver gekomen. Ze bewegen wat onrustig op hun stoelen en kuchen nu en dan om hun droge keel te ontlasten. De jong volwassene stapt naar voor. Het liefst zou ze nu op het strand lopen. Vrij van het weten dat ze een stukje meer alleen verder moet. Vrij van het verdriet van nooit meer. In haar hand draagt ze de tekst dat ze vijf dagen geleden schreef. Ze zat toen naast het bed van de moeder. De lakens waren kraak wit gesteven. De ontsmettingsgeur overheerste de boeketten rozen en de korven met fruit. De moeder ademde zwaar in en uit en liet haar handen opgeblazen door het vocht van de baxters rusten op haar buik. Het meisje met een lichaam die sprekend leek op de jongere generatie van het doorgelegen lichaam van de moeder liet haar hart spreken.   ‘Hier ziet ik dan, wachtend op het moment dat je me weer zal aansporen ik weet wel hoe het zou moeten jij was immers mijn bloedverwante mijn mama, mijn vriendin, mijn voorbeeld   Jij, die altijd zo goed kon luisteren Jij, die zelf op zwakke momenten, niemand wou lastig vallen Jij, die de bloemekes hun stengeltjes schuin afsneed, opdat ze toch wat langer zouden bloeien Jij, die als een kind zag, een knipoogje, een vriendelijk woord gaf   ´T ja : woorden schieten me vaak te kort maar de essentie blijft gemakkelijk uit te drukken: jij   Vergeet nooit: jouw glimlach laat bij iedereen een vlammetje na Dank je. Je dochter'   De jong volwassene kijkt naar het publiek. Enkele gezichten glimlachen naar haar. Ze zoekt de ruimte af. Hier en daar zit een bekende. De ganse ruimte is gevuld. Van overal kwamen ze voor haar moeder. De moeder is vandaag een beevee. Ze hoopt dat de man die beweert haar lief te hebben, de ruimte zal opkleuren en haar straks zal ondersteunen. Maanden hadden ze uren gepraat en weken hadden ze samen opgetrokken ondanks het afwijzende oog van de moeder en de vader. De gekleurde man wou zich settelen in het Noorden. De jong volwassene was hiervoor een mogelijke kandidaat. De jong volwassene had genoten van de gesprekken met een werelds accent. Haar lichaam had ze echter voor zichzelf weten te houden. Nu weet ze dat dit de juiste beslissing was. Alle gezichten voor haar zijn winters bleek.   Ze kucht, kijkt naar de kist voor haar en overtuigd draagt ze de tekst op aan haar moeder. Het ganse gebeuren lijkt een groot toneelstuk. Voor haar leeft de moeder verder. In haar verhalen. In haar glimlach. In haar kijk naar de wereld. Zakdoeken worden bovengehaald. Ingetogen verlaat ze het podium. Ze neemt terug plaats tussen haar vader en broer. Ze voelt hun warmte.   __________________________________________________________________________________    ‘de hele wereld is een schouwtoneel en alle mensen zijn maar acteurs.’ William Shakespeare   De jong volwassene herneemt haar studies. Ze concentreert zich, neemt deel aan de studentenactiviteiten en speelt moeder in het WE. De wereld blijft haar lokken. Ze wil datgene ontdekken waarvoor haar moeder haar wilde beschermen. Ze weet nog niet dat het een tocht zal worden vol uitdagingen, ontmoetingen, vraagtekens en van moeder-zijn . Voor haar eindwerk vertrekt ze voor de eerste keer naar het andere continent. Afrika. De vader brengt de jong volwassene in een donker blauw kostuum en lichtblauw gestreept hemd naar de luchthaven. Hij vertelt haar over zijn business trips. En over de gevaren alsof hij er zelf bij was. Ze knikt, glimlacht en belooft hem dat alles goed komt. Ze omhelzen elkaar. De studente neemt haar valies en stapt de douane door. Aan de andere kant van de wereld zou ze opgewacht worden door een dame van haar land.   Na een lange vlucht komt ze aan. Het douane personeel kijkt de blanke studente indringend aan en vraagt wat ze voor hen meebrengt. Ze kijkt hen verward aan, glimlacht en stapt verder naar buiten. In de zwarte massa gedrukt tegen een hoge metalen omheining ziet ze een blanke dame staan. De enigste. Snel stapt de studente naar de blanke dame. Ze geven elkaar een stevige handdruk. De blanke dame, Thérèse, neemt de valies over. Samen met drie zwarte dames stappen ze naar een lichtgrijze auto. Therese, een dame van rond de 60 jaar, neemt het stuur en ze rijden weg van de luchthaven. De zwoele kleverige warmte, de overheersende chaos, de krakkemikkige wagens en de petroleumlichten in de kraampjes langs de straten maken de studente stil. De wagen ontwijkt diepe putten, slaat de drukke hoofdstraat af, rijdt door kleine stegen en komt tot stilstand voor een klein geel gebouw te midden van een grote verzorgde tuin. Een blanke en zwarte vrouw verwelkomen haar.   De volgende ochtend om 5 uur komt een zwarte man de studente ophalen. Ze stappen langs de spoorweg en vele kleine steegjes. Doorheen de buitenwijken. Zwarte schimmen lopen snel langs haar voorbij met of zonder gewicht op het hoofd of verkopen brood, nootjes of bananen gehurkt naast de weg. De drift om te overleven drijft hen voort. Een drift om eten voor de dag te vinden. Evenals geld voor water en houtskool. De studente beweegt met hen onopvallend mee. In het donker met een doek rond haar hoofd en losse kleren is ze onzichtbaar. Voor even. Na een uur komen ze aan het sojamelk bedrijf. Hier zal de studente informatie voor haar eindwerk moeten verzamelen. Thérèse en de drie dames van de dag ervoor zijn al druk bezig de sojabonen te wassen en de machines klaar te maken. De studente draait mee. Na de middag gaan ze de sojamelk aan een zeer lage prijs verkopen in de sloppenwijken. Erna stapt ze met de zwarte man terug naar het klooster. Het avondeten gebeurt in de grote zaal beneden. De blanke en zwarte moeder overste praten kort tegen de studente, maar praten niet met elkaar en bedienen elkaar niet. IJzig stil. De student propt zich uit verveling vol met soep, hoofdgerecht en dessert en snelt zich naar haar kamer. De vier muren brengen haar echter geen rust. Ze neemt haar dagboek en gaat op bed zitten. ‘Vorige week kon ik nog gaan wandelen waar ik wou. Nu is mijn wandelgebied beperkt tot een kleine tuin. Opgesloten als een beest in de dierentuin. Eergisteren droomde ik nog van Afrika. Nu ben ik en zit tussen vier muren. Met twee ramen zo hoog dat ik niet kan buiten kijken. Vandaag zag ik weer die vele mensen stappen. Blijkbaar kilometers en kilometers. Bij ons kan je de bus nemen. Is er plaats voorzien voor oude mensen, een kinderkoets en gehandicapten. Alles netjes geregeld. Hier worden de mensen als beesten, oo zij zijn ook al beesten, gepropt in taxi-minibussen. Zelf dat vervoermiddel kunnen de meeste niet betalen. Soeur Colette, een dikke zwarte non die gezellig lijkt, en Soeur Marie Louise, een witte, magere non die op alles een opmerking geeft, willen beiden de klok slaan en brengen me ook niet dichter bij Afrika.’ Buiten op straat speelt muziek opgewekt luid. Roepen kinderen naar elkaar alsof er een grote voetbalmatch gespeeld wordt. De studente mag niet naar buiten. Enkel onder begeleiding. En niet s ‘avonds. De poorten van het klooster zijn al lang op slot alsof ze elk moment een aanval verwachten.   De volgende maanden herhaalt dit dagritme de werkweek van de blanke studente. Ze komt de laatste nieuwtjes op een luchtige wijze te weten, de prijsstijgingen, de sluiting van benzinestations, de knagende honger en de uitzichtloosheid van de huidige regering. Ze stelt vragen, glimlacht , leert de lokale taal en observeert. Ze wordt vertrouwd met het leven in de grootstad en past de lokale gewoontes toe die voor haar haalbaar zijn. Eten met de handen. Zich wassen in een plastieken bassin. Gaan slapen kort na zonsondergang.   Het is vrijdag. Thérèse nodigt de studente uit om voor het WE bij haar thuis te komen. De ogen van de studente stralen. Ze rijden de stad uit. Naar de universiteitscampus. De nacht valt met een snelheid zoals het gordijn in de schouwburg na een toneelvoorstelling. Op de campus staan vele grote gebouwen. Wat een glorie. Voor een donkergrijze poort stopt Thérèse en claxonneert. Een jong meisje opent de poort. De studente stapt uit. Een groep zingende en dansende kinderen verwelkomt haar. De studente kleurt rood en stapt met aan elke hand een kind het huis binnen. Het grote huis van Thérèse. 35 jaar geleden kwam Thérèse, als bioloog, samen met haar man en hun vier kinderen, aan om les te geven aan de universiteit. Geconfronteerd door de moeilijkheden van vele studenten, openden ze hun huis voor enkele alleenstaande moederstudenten. Door de jaren heen, kwamen er meer bewoners bij, waaronder ook wees- en straatkinderen. Het geloof in God hield hen recht. De volgende ochtend wandelen drie moederstudenten met de blanke studente over de campus en plaatsen haar in het spotlicht. De campus is verlaten. Kapotte vensters. Afgeschilferde gele verf op de groenvochtige gebouwen. Vergane glorie. Na een mensvol weekend wordt de studente terug aan het steriele klooster afgezet. De kilte overvalt en ze trekt zich terug in haar kamer. ‘Wat een wereld. Op straat is de situatie gespannen. Ik verdiep me niet in de politiek want het is veel te complex. Ik ben maar een simpele student. De professoren en leerkrachten worden al maanden niet betaald door de overheid en staken nu. De universiteit is voor onbeperkt tijd dicht. Sommige studenten waren bijna afgestudeerd, bijna klaar om eindelijk geld te verdienen. Nu wachten ze gelaten. Hoe zou je zelf zijn? Normaal slapen de studenten met vijf of zes in klamme eenpersoonskamers. Hun aula’s zijn muffig en te klein voor de vele studenten. Rechtstaand moeten ze les volgen en alles noteren want syllabi zijn te duur. Vier studenten vroegen me om een beurs te regelen zodat ze in het Noorden een toekomst kunnen uitbouwen.’ Ze zucht, sluit haar dagboek, gaat op het bed liggen en staart naar de ventilator aan het plafond. Net de schroeven van een helikopter. De elektriciteit valt uit. De muziek buiten en de helikopter ook. Twee vliegen rond haar hoofd trekken zich er niets van aan.   __________________________________________________________________________________    de zwarte vogel pikt met zijn bek op het dicht bevroren water   Elk weekend gaat de blanke studente naar het huis van Thérèse. Ook deze keer. Buiten op straat rommelt het. De studente wordt aangemaand naar binnen te gaan. Vanuit de stoel op het donkere terras staat ze recht. Ze wuift naar de drie zwarte studenten die in het maanlicht de wacht houden over het grote, verduisterde huis en gaat op de tast naar binnen. Haar ogen wennen aan het donker. Alle kamers liggen vol met matrassen, kleren, boeken en mensen. Ze doet haar sandalen uit en legt zich op een matras op de grond in de gang. Naast haar liggen een baby, een moeder en studenten. Ze slaat een doek om zich heen en valt in slaap. Ze schrikt wakker en gooit het beest dat over haar gezicht kruipt weg. De lange kakkerlak vliegt weg en zet zich vast op de muur naast haar. Ze slaapt niet meer in. De stilte buiten wordt nu en dan verbroken door een kreet of een knal. Op de tast zoekt ze haar zaklamp. Ze zet zich recht en neemt het dagboek uit haar rugzak. ‘Ik ben zo ongerust. Buiten wordt er geschoten. Militairen hebben belangrijke plaatsen ingenomen. Ik zou graag papa en Steven verwittigen maar de telefoon is al drie dagen afgesneden. Straks plunderen ze misschien ons huis en zullen ze mij en al deze lieve onschuldige mensen afslachten. Wat zal papa zonder zijn dochter doen en Steven zonder zijn zus? Nee ik wil leven. Ik wil het overleven. Die militairen voelen zich nu de koning te rijk. Maar voor hoelang?’. Het wordt licht. De studente staat op, plaatst de matras achter een deur en groet de huisgenoten die wakker zijn. Het dagritme hervat zicht. Kinderen lopen overal rond. Buiten werken enkele studenten in de moestuin. De blanke studente moet binnenblijven. Onrustwekkende berichten sijpelen binnen. De militairen zijn op 200 meter van het huis aan het plunderen. De studenten verstoppen hun diploma’s in een put in de tuin en nodigen de blanke studente uit hetzelfde te doen. De blanke studente geeft hen haar pasport en fototoestel. Thérèse organiseert het middagmaal. De blanke studente volgt haar en helpt de studenten met het snijden van de maniokbladeren uit de tuin. Het gebeuren in de stad is het middelpunt van de conversaties. Allen lachen ze met het voorval dat een man de etalage van een schoenwinkel leeggehaald en thuis ontdekte dat hij alleen schoenen voor de linkervoet meebracht. Het middagmaal is klaar. Thérèse brengt een kom rijst en groenten naar het terras. Twaalf kinderen zitten met een plastieken bord voor zich. Ze volgen met volle ogen de kom. Thérèse schept op. In slilte slokken ze hun bord leeg.   De spanning in huis stijgt. Op elke hoek van het huis houden de bewoners scherp de wacht. Plots wordt aan de poort gebeld. Iedereen in huis is alert. Zijn het de militairen? Misschien een buur in nood? Een studente schuift voorzichtig het uitkijkluifel van de poort open. Een zwarte man in zwart kostuum en witte das staat voor de poort, maant haar aan de poort te openen en de blanke vrouw snel te roepen. Thérèse komt tussen beiden, verstaat de man en roept haar landgenoot. Een zwarte wagen rijdt de oprit op. De blanke studente moet mee. Er is geen tijd om deftig afscheid te nemen. Met tranen in de ogen omarmt ze vlug enkele kinderen en Thérèse en neemt haar pasport, fototoestel en rugzak van een jonge moeder aan. De blanke studente stapt traag in de wagen en zwaait van achter de geblindeerde vensters naar het luchtledige. Niemand kan haar zien. De poort wordt vlug dicht gedaan. Ze staart naar het voorbijglijdende straatbeeld. De straat is leeg. Mensen zijn binnen gebleven voor de veiligheid. Alles is geplunderd, overal glasscherven, in brand gestoken benzinestations en autowrakken. Alles is vernield door mensenhanden. Alsof een troep mieren een krekel aanviel en enkel het skelet overliet. Zelfbediening voor de sterksten. Ze komen aan op de ambassade van het land van de studente. De bewaker herkent de nummerplaat. De poort gaat open en de bewaker commandeert hen met zijn mitrailleur snel binnen te komen. De wagen rijdt binnen. De studente is veilig. Haar collega’s en vrienden buiten niet. Zij moet vluchten. Thérèse mag blijven. In de ambassade loopt het vol blanken. Na een uur krijgen ze zalm, kaviaar, hesp, kaas en brood voorgeschoteld. Er wordt gegeten. De studente eet niet. Ze kan niet. Zij in het huis van Thérèse ook niet. De kinderen eten er maïsmeel met water, zonder melk, zonder suiker, zonder vlees. Bedden zijn geïnstalleerd in de gangen en kamers. Er wordt geslapen. De studente schrijft afscheidsbrieven voor de mensen bij Thérèse en neemt haar dagboek. 'Overal Ogen Monden Gewoonten   En toch, de jouwe zijn anders.   Het zijn de jouwe' Ze sluit haar ogen en is bij het leven van Thérèse.                                         

Kristien Vliegen
0 0

Legt hij zijn koning neer. Opdracht vijf. Hendrik

Opdracht vijf meervoudig personaal perspectief voor “de bureaulamp gaat uit” Legt hij zijn koning neer? September 1970 De kinderen zijn weer naar de school. Vanuit zijn zetel, ziet hij door het venster de laatste weg fietsen. Zijn vrouw ruimt de tafel af. De stilte in huis geeft ruimte aan het rumoer van binnen. Hij legt zijn krant neer. “Weet gij al iets van onze Hendrik, Annie. De eerste zittijd is al lang voorbij en we hebben nog niets gehoord. Hij zal dus wel gebuisd zijn. Ik heb het altijd gezegd. Door met die Marleen te verkeren, verprutst hij zijn studies. En gij als moeder hebt daar niets aan gedaan.” “Ja, geef mij maar de schuld. Gij hebt hem buiten gezet.” Een alpha mannetje verwacht onderdanigheid, maar ze bijt van zich af. Het gaat om haar kind. Een klein jaar voordien Frans ligt te woelen in bed. Zijn oudste zoon was tot nu toe min of meer een voorbeeld voor het gezin. Hij was vroeger altijd fier op hem geweest, tenminste tegenover anderen. Hij vermeed om dit rechtstreeks aan zijn zoon te tonen. Hij heeft hem altijd kort gehouden door heel weinig zakgeld te geven. Een goed gareel en een goede breidel laten het paard in de pas lopen. Maar hij ontsnapt hem de laatste tijd. De oorzaak is duidelijk. Hij draait zich weer om. “Ik had het nooit mogen toestaan dat hij naar die danscursus ging. Toen heb ik de teugels gevierd en dit is het resultaat. We moeten de moed hebben om onze plicht te doen.” De gedachten klieven door zijn brein. Ze ploegen de grond om waarop een plan zal groeien. “Ik moet dringend ingrijpen.” Op het einde van elke voor wordt de ploeg omgedraaid en keert terug voor een nieuwe voor. Bij elke voor groeit zijn plan. Hij draait hij zich om en trekt aan de dekens. Zijn zuster was hem komen opzoeken. Waar bemoeit ze zich mee. “Frans ge moet uw oudere kinderen wat meer vrijheid geven. Ze zitten al aan de universiteit. Dat zijn geen kinderen meer.” Zijn vrouw was natuurlijk mee op die kar gesprongen. Vrijheid. Vrijheid. Het is besmettelijk in deze tijd. Hij heeft zijn zuster nochtans goed op haar plaats gezet. “De jeugd van tegenwoordig wordt veel te los opgevoed. Wacht maar hoe het met uw kinderen afloopt, ze zijn nog jong.” Hij grijnst als hij haar reactie ziet “ja, ge hebt gelijk, ze zijn nog jonger en ik weet ook niet hoe ze zich zullen ontwikkelen.” Hij voelt zich alleen staan. Alsof niemand nog durft streng te zijn in deze tijd. “Morgen spreek ik er haar over aan. We moeten optreden voor zijn goed. En als ze niet mee doet, doe ik het alleen.” Hij schopt de dekens los. Ze hinderen hem. Hij draait zich een zoveelste keer om. Zijn vrouw ligt bloot en probeert stilletjes wat deken terug te winnen. ’s Anderendaags. “Wilt ge meewerken om onze Hendrik terug op het goede spoor te brengen? Zijt ge akkoord om op te treden in het belang van ons hele gezin? Ge weet toch dat uw vader niets meer te zeggen had aan zijn jongste kinderen? Dat weet ge toch nog? Dat moeten we voorkomen.” “Weet ge, ik zal hem schrijven en vragen dat hij met u spreekt en zeggen dat hij niet zo koppig moet zijn. Maar gij moet dan ook wat inschikkelijk zijn, Frans.” “Ja, neem hem maar weer in bescherming. Ouders moeten aan één zeel trekken en dat doet ge niet.” Hij ziet haar de brief schrijven. “Ge moet niet te veel rond de pot draaien, hé.” Ze schrijft:“ Je moet er met je vader over spreken, jongen, ik hou dit niet meer vol. Ik krijg altijd de schuld. Ik moet met je vader verder leven en ik heb altijd geprobeerd om de kerk in het midden te houden.” “Schrijf er maar in dat hij naar zijn ouders moet luisteren, dat is het vierde gebod van God.” Ze nam haar blad en ging in de voorste plaats zitten. “En wees niet te koppig, je vader is al koppig genoeg en twee koppen tegeneen…” Ze scheurt haar blad en begint opnieuw. De zaterdag erop. Hij zit als naar gewoonte in zijn zetel en rust met zijn voeten op de kachel. Zijn zoon komt binnen en zijn vrouw verlaat de woonkamer. Waarom gaat ze nu buiten? Hendrik zet zich op een stoel achter de tafel en begint:” Va, ik heb verkering met Marleen. Ge kent haar vader. Hij zat ook in Lokeren.” Hij zet zich recht in zijn zetel. Goed geprobeerd zoon, maar denkt gij nu echt dat ik een onnozelaar ben. Daar trap ik niet in. “Natuurlijk ken ik hem. Maar ik ben daar niet mee akkoord.” Kort en krachtig weert hij die bal af. “Gij moet nog veel te lang studeren en het is mijn plicht ervoor te zorgen dat ge daar in slaagt.” Geen afleidingsmanoeuvres, recht op doel af. Het is geen theater waar veel tralala wordt verkocht. Maar zijn zoon is niet meer die gewillige marionet. Hij probeert zelf aan de touwen te trekken. Hij probeert zichzelf op te richten tegenover zijn vader. “Er zijn toch veel studenten die een lief hebben en goede punten behalen. Guy heeft ook een lief.” Wat een blunder. Als schaker heeft hij een goed strategisch inzicht en hij beseft dadelijk de zwakte van de zet die zijn zoon net deed. Hij schaatst zo door zijn verdediging. “Uw vriend is het beste bewijs. Hij was vroeger altijd de eerste van uw klas en was twee jaar geleden gebuisd. Neem het van uw vader aan jongen, ik heb meer levenswijsheid dan uw vrienden. Er zijn drie grote gevaren voor een jongeman: de sigaretten, de drank en de vrouwen. En als ge een goed diploma hebt hangt er aan elke vinger een vrouw die u wil.” Hij heeft de regie goed in handen en hoopt met deze zet het eindspel in te zetten. “Ik geef u twee keuzes: of ge maakt het uit of ge trouwt zo snel mogelijk.” De druk op de koning wordt groot. “Want dan ben ik van mijn verantwoordelijkheid over u ontheven.” Zijn tanden knarsen over elkaar. Klaar om toe te bijten. Hij merkt dat zijn zoon wankelt. Legt hij zijn koning neer? Als teken van overgave? Daar moest ik hem krijgen. Hij ziet echter zijn mond weer open gaan. Welke zet komt er nog? “Dat begrijp ik niet goed dat we mogen trouwen, va.” Is dit terugplooien of zit er een nieuw aanvalsplan achter? Hij werkt zijn eigen plan verder af en laat zich er niet door afleiden. “Ge hebt gehoord wat ik heb gezegd en als ge daar niet mee akkoord gaat, onttrekt ge u aan mijn gezag en sta ik niet langer voor u in. Dan kunt ge uw studies zelf betalen.” Hoe sterk zijn positie ook is, hij voelt tegelijk dat hier het einde van zijn vaderschap sluimert. Zal hij vroeg of laat de partij verliezen? Is het te vermijden dat zonen in opstand komen tegen hun vaders? Wordt het drama uit de Griekse mythologie hier weer opgevoerd? Kronos heeft zijn vader Uranus ontmand en werd zelf door zijn zoon Zeus gedood. Vaders die machteloos worden gemaakt door hun zonen. Hij schudt zijn hoofd. En terwijl hij opstaat, komt zijn zoon met nog een laatste zet. “Ik kan daar niet mee akkoord gaan, va, ik hoop dat er nog iets anders mogelijk is.” Waar haalt hij dat lef? Hij heeft hem zelf leren schaken natuurlijk. En Zeus kon zijn vader maar onttronen omdat zijn moeder hem in bescherming nam. Hij voelt de dreiging van een remise, van gelijkspel en legt het spel stil. Zijn zoon weet wat erop het spel staat. Op een dag belt er een priester:”meneer,ik ben een vroegere leraar van Hendrik, mag ik eens komen spreken over de situatie?” Het wordt een schaakpartij met een reeks klassieke openingszetten over de hedendaagse jeugd. Het geeft veel kansen in de verdere ontwikkeling van het spel, voor beide partijen. Na een uur of twee schudden ze elkaar met een brede glimlach de hand. Zijn zoon mag zijn lief één keer per maand zien, na de mis van de bond van het Heilig Hart. Een eervol gelijkspel. Hij ligt ontspannen in zijn zetel en leest met volle aandacht zijn krant. Hij heeft de touwtjes weer strak in handen, en dit keer met de steun van een priester. Hij staat niet meer alleen. Hij glundert als hij het aan zijn vrouw meedeelt. Iedereen is opgelucht. Ook zijn zoon. Een maand later Al enkele weken stijgt de koorts. De vader voelt dat zijn zoon ontsnapt. Hij vertrekt op zondagavond steeds vroeger naar Leuven. Zijn broer voert hem dan naar het station. Hij vermoedt dat ze een dubbel spel spelen. Op een zekere dag besluit hij om hem zelf naar het station te voeren. Hij parkeert de auto en wacht tot Hendrik het station is binnengegaan. Dan stapt hij ook uit en verbergt zich tussen de uurtabellen. Vanuit zijn ooghoeken ziet hij plots zijn zoon verschijnen en zich snel terugtrekken. Hij weet genoeg. Hij gaat er korte metten mee maken. Hem verbannen. De rotte appel uit de mand verwijderen. Het zieke orgaan wegsnijden om de rest van het gezin te redden. De zaterdag erop. “Ge hebt u niet aan onze afspraken gehouden. Ge zijt ongehoorzaam en zondigt tegen het vierde gebod. Als oudste zoudt gij het voorbeeld moeten zijn voor uw broers en zusters. Daarom is het mijn plicht om op te treden. Ik wil u hier niet meer in mijn huis zien als ik morgen na de mis thuis kom.” Hij staat op en gaat naar bed. Het was een amputatie met één krachtige houw. Zachte heelmeesters maken immers stinkende wonden. Toch geraakt hij niet in slaap. Zijn vrouw zit nog beneden met hun zoon en enkele van zijn zussen. Hij voelt zich weer alleen staan. Maar joeg God de ongehoorzame Adam en Eva ook niet uit het paradijs? Met een vlammend zwaard? Enkele dagen later komt er een brief van zijn verbannen zoon. Jezus zou gezegd hebben: “wie zijn vader en moeder niet haat, kan mijn volgeling niet zijn.” Wat een onzin. Waar heeft hij dat weer gehaald. Vader, moeder zult gij eren. Het vierde gebod kent hij niet meer. Als hij denkt dat ik hier van onder de indruk ben. Allemaal om zichzelf goed te praten. Hij grijpt zelf naar de pen. “Als ge uw plaats in het gezin weer inneemt onder mijn vaderlijk gezag, zal ik u met open armen ontvangen, als een zoon die verloren was en is teruggekeerd, zoals in de parabel van de Verloren Zoon.”

Hendrik Van Moorter
7 1

De slak die haar huis niet uit wilde komen (Deel I)

Niet zo ver van de tuinbank, onder het dichte struikgewas, stond er een slakkenhuis. Zo een mooie bruinbeigeachtige. Het slakkenhuis prikkelde eenieders nieuwsgierigheid maar wie er ook kwam aankloppen, Slak kwam nooit uit haar huis. De enige die haar ooit had gezien was Regenworm. Nu ja, zien is dan weer veel gezegd. Regenworm is namelijk zo goed als blind. Eigenlijk had hij haar, heel toevallig, betrapt. Het was tijdens die ene warme zomer, toen er na een lange droogte, eindelijk malse regen uit de wolken viel. Genietend van de regendruppels op zijn kale hoofd, had Regenworm "Eindelijk" gezucht. Hij schrok zich rot wanneer een mooie zachte stem antwoordde "Ja, eindelijk". Toen hij besefte waar hij was en wie er naast hem zat, was Slak alweer in haar huisje verdwenen. Het feit dat Regenworm de enige was die Slak ooit had gesproken maakte van hem een VM, een "Veelbevraagd Medebewoner". Regenworm liet zich die aandacht wel bevallen. En wanneer het hem dan toch allemaal teveel werd, trok hij zich terug in zijn lange donkere gang. Die ochtend bij het ontbijt, voelde Regenworm dat er bovengronds heel wat gaande was.  "Wat een drukte daarboven" knorde hij een beetje ontdaan. Hij bedacht zich dat een worm nu ook nooit eens rustig kan genieten van een sappig rot lindeblad.  "Oy, wormpie! ...ormpie ...mpie" echode er plots door zijn gang. "Kom je effe naar boven?! ".  Regenworm zuchtte verveeld  "Daar heb je hen weer". Het was de familie Vuurwants. Een wel héél vervelende familie, of beter, een vervelende bende want wat waren ze toch altijd met veel. Volhardend ook. Ze geven nooit op, gaan door tot ze hun zin krijgen en ze hebben ook zo’n ontzettende lijfgeur. Maar Regenworm wist uit ervaring dat er hem niets anders te doen stond dan naar boven te kruipen. En dat deed hij dan ook, zij het met héél veel tegenzin

Henri
0 0

December 1959 (Engelse en Amerikaanse sigaretten) opdracht 5 Jan loogman

De meisjes hebben de sigaretten weer keurig neergezet, ziet hij als hij rechtop gaat zitten. Hij hoorde ze wel bezig, kleine vlugge geluiden in de kamer om zich heen, terwijl hij in de luie stoel zat te soezen. Johan hoorde hij ook, dat klonk anders, aarzelend als de pakjes sigaretten werden opgescheurd. Die jongen weet jongens- en meisjeszaken niet van elkaar te onderscheiden. Hij deed het nog eens verkeerd ook, zette de Engelse- en de Amerikaanse sigaretten gewoon door elkaar heen. Hij hoorde tenminste hoe er even gepraat werd, zachtjes natuurlijk, ze willen hem niet wakker maken. Geertje corrigeerde hem. Maar het resultaat is mooi, ziet hij  nu, alles staat netjes op tafel. Laat de gasten maar komen, ook al zijn het de brave broers en zussen van Mies. Het kan natuurlijk zijn dat Johan dat verlegene van die kant heeft, ze zijn daar allemaal zo ingehouden. Later op de avond zit het hele huis vol en inderdaad, er is veel geroezemoes, praten kunnen ze wel, die schoonfamilie van hem, maar het is bedaard, rustig. Soms wordt hij er kregelig van. Gelukkig komt zijn broer naast hem zitten, al is Piet zelf ook graag beschaafd, een heer. Nou, je bent niet meer dan een melkboer, zou hij willen zeggen. Maar hij doet het niet, Piet is wezen kijken, van de week, op een doordeweekse avond met de bus uit Amsterdam gekomen om de voorstelling te zien. “Je maakte er weer iets moois van, Toon,” zegt hij nu. Dat is Piet, altijd complimenteus. “Ach, het was maar een klein rolletje,” zegt hij. Een caféhouder heeft hij al zo dikwijls gespeeld. Je bent geschminkt, je krijgt een obersjasje aan, je jongleert met wat glazen achter een bar, en af en toe zeg je wat. Zijn stem is nooit het probleem, hoewel dat mens van het krantje juist vindt dat hij te hard praat. Hoe kun je op het toneel te hard spreken? De mensen op de achterste rij moeten je ook kunnen verstaan! “Wil je een borreltje, Piet?” vraagt hij en hij zwaait al naar Geertje: “Een jonkie voor je oom,” zegt hij. “Vlug, een beetje.” Eigenlijk wil hij het niet over het toneel hebben. Het is een mooi stuk, “Waar de ster bleef stille staan”, maar hij had maar een kleine rol. Hij had het stuk gekozen vanwege de rol die er voor een kind in zit. Het kindje Jezus ligt in de kribbe, en later heeft het even tekst. Hij had meteen aan Johan gedacht, toen hij het las. Zo groot is hij niet, hij had heus wel in de kribbe kunnen liggen en zijn debuut kunnen maken. Maar de jongen wilde niet. “Hij is nog maar acht jaar, laat die jongen toch,” had Mies gezegd. Heeft verdorie zijn neef in de kribbe gelegen, die is even oud. Reken maar dat zijn zwager daarmee pronkt op het dorp. Hij is van zichzelf toch al een praatjesmaker. Hij legt het op de repetities niet echt aan met dat mens van Spanjaard, maar zit haar wel te voeren, zodat ze voortdurend in de schijnwerpers staat. Die man van haar wil ook bij de club, nou, misschien kan hij als butler een keer meespelen, voor iets anders is hij niet geschikt. “Die Spanjaard is gewoon een lulhannes,” zegt hij tegen zijn broer. “Hij komt toch bij jou uit de buurt? Nou sinds vorig jaar wonen ze hier in de Spechtstraat. Ik zie hem elke dag op zijn fietsie naar de stad gaan. Die man heeft bij dat wijf van hem niets te vertellen.” Hij weet wel dat zijn broer niet van zulke praatjes houdt, Piet houdt het graag netjes. Nou, hijzelf ook, maar om de waarheid draait hij niet heen. Vorige week kwam Johan thuis van voetbaltraining. Was hij helemaal opgetogen over wat hij geleerd had. Links aannemen, rechts schieten, had die plurk van een Spanjaard hem voetballes gegeven. Heeft die kerel soms vroeger in het eerste van Pancratius gespeeld? Nee toch. Nou, hij mooi wel. En niks links aannemen, rechts schieten. Gewoon in één keer op het doel knallen, dat was zijn tactiek. Heeft hij ook aan Johan gezegd. Je moet er niet omheen draaien, gewoon er tegen aan. Zo doet Billy Wright het ook, de aanvoerder van het Engelse elftal. Ineens ziet hij zijn zoon door de kamer lopen. Is het al bedtijd?  Johan heeft moeite tussen de stoelen en tafels door te komen, overal zitten mensen die niet opzij gaan voor zo’n kleine jongen. Hij doet ook zo vreselijk voorzichtig, duwt geen mens eens flink opzij, probeert zich nog kleiner te maken dan hij al is. Die jongen moet eens voor zichzelf op durven komen. Hij kan echt wel wat, hij moet alleen durven. Hij moet gewoon eens opgepord worden. Nu is Johan vlakbij hem. “Kom eens hier, Billy,” zegt hij en hij trekt zijn zoon op zijn schoot. “Vertel je ooms en tantes eens wat je van de week geleerd hebt van Dick Spanjaard?”  Stilte, natuurlijk, hij had het kunnen weten, die doet weer geen mond open. En kijk eens naar Wim. Hij is nog wel Mies haar lievelingsbroer. Die zit verdorie naar Johan te knipogen. Wat zullen we nou beleven?  “Kom op, jongen, “ zegt hij, “laat je eens horen. Vertel dan maar over de geschiedenisles op school, wanneer was de Slag bij Nieuwpoort?” Praten zal hij, al moet hij het uit hem persen. “Nou, doe je mond eens open. Je hebt toch een tong? Of niet soms?” Hij hoort de stilte in de kamer, reken maar dat Mies naar hem zit te kijken. En wat dan nog, hij is de vader, hij probeert die jongen gewoon aan het praten te krijgen.  Met een snelle beweging schiet Johan tussen zijn handen vandaan. Hij probeert hem te grijpen, gooit een glas om. “Ik ga naar bed,” hoort hij. Kijk hoe hij wegvlucht. Hij schreeuwt, hij ziet Wim en de anderen wel kijken, Piet ook, zijn broer, maar hij houdt het niet tegen. “Wees toch snotverdomme niet zo verlegen,” schreeuwt hij. Te laat, Johan is al de kamer uit. Rie schuift haar stoel weer voor de deur die naar de trap leidt. Nee, hij gaat heus niet achter hem aan. Mies wel, ze buigt zich naar haar zus en die laat haar er langs. Mies gaat de boel natuurlijk sussen. Zo gaat het hier altijd.  

Jan Loogman
0 0

The birds

De nacht had haar illustere gewaad van mij afgetrokken en een zekere onrust sloeg toe in mijn maag. De ochtenden zouden wel eens schrikwekkender kunnen zijn dan de vanzelfsprekende nachten. Ieder creatuur; lelijker dan elk baarlijk bedenksel dan ook, kon wel eens wegvluchten voor het meest onheilspellende wezen dat de rand van het ochtendgloren afschuimt. Het besef van een vermoedelijke mogelijkheid doet mijn maag krampen en mijn geest op het lemma spitsen. Ik sta op noodgedwongen. De dreiging sluimert in mijn verhakkelde denken. Tussen dromen en wakker zijn, tussen de dood en het ondode zijn. Ik moet deze gedachten van me afwerpen en stap de keuken uit en de dageraad van de tuin in. Een verfrissende sigaret onder het nieuwgeboren blauwe uitspansel. Ik inhaleer snel, te snel en de overdaad aan keelschrapende walm dempt de moordput van mijn twijfel. 'Ik heb vast een nachtmerrie gehad!' overtuig ik mezelf. En alsof de ruiter van mijn hersenen weer eens kruistochtzuchtig wordt, slaat de aanblik van de woelende wolken me van onder mijn eigen voeten. In een mum van tijd wordt het luchtruim gevuld met snel van vorm veranderende donderwolken. De hele ruimte wordt opgezweept door een nooit geziene energie, terwijl er geen enkel geluid te horen is. 'Dit is het eind van de wereld!' en de basten van het halfdode berkenbos, aan de rand van het grasperk, stralen met een witheid die ik nooit eerder gezien heb. Het ongeloof boort zich een weg door mijn slapen, terwijl de uiterlijke werkelijkheid zich nog nooit zo helder aan mijn visuele cortex gemanifesteerd heeft. 'Het komt eraan!' Ik wankel achterwaarts tot tegen de keukendeur en blijf verstijfd van angst tegen het glas leunen. De wind stoot enorme zwarte kraaien uit de wolken en algauw is het panorama vervuld van dreigende zwarte stippen. Dan het moment dat aanvoelt alsof de aarde haar eigen binnenste verloochent als een monster; 'BROEMMM' , een knal buiten elke proportie van het kenbare en de hoogste van de dode berken zet het op een krijsen, met een muil die zich uit zijn eigen stam scheurt. Het gillen is oorverdovend en misselijkmakend tegelijkertijd. Ik moet mijn buik omspannen met al de kracht die mijn handen in zich hebben; mijn eigen ingewanden willen aan me ontsnappen, recht de weerzinwekkende gil van de berk in. Plots de ijzingwekkende stilte, die al wat voorafging in het niets doet zinken. De stilte heeft het ontzagwekkende van God en de duivel en al wat is in zich. Alle beweging in de lucht valt stil en elke vogel valt pijlsnel naar beneden met absurde slingerbewegingen. De berk splijt zijn stam in nog lelijker openingen en zuigt elke vogel recht zijn droge takken in. De boom slikt gulzig en de spastische trillingen trekken door iedere vezel van zijn gruwelijke zijn. De lucht vervult zich met dermate afschuwelijke slurp- en smakgeluiden, dat mijn gehoorhangen zich vullen met trommelvlies etende spiraalwormen. De pijn blaast me van mijn sokken en ik val in zwijm. Enkele ogenblikken later kom ik weer bij en alles lijkt weer normaal te zijn. Ik vergewis me van het helse schrikbeeld van voorheen; geen pijn in de oren, geen pijn in mijn buik en ik krabbel weer recht. Wankel maar ongelooflijk opgelucht dat de wormen weg zijn, maar het tafereel voor mij uit, baart nog meer gedrochten...   ...wordt vervolgd...    

Manuel Van den Fonteyne
5 0

OPDRACHT 4: TAMARA LENAERTS - grote mensen spelletje

Haar hoofdje leunt tegen de muur. Haar voeten schuifelen nu eens over de stenen vloer, kruipen dan weer naar de onderste trede, bedekt met beige tapis-plein. De ruw geworden boord van haar vaal geel dekentje laat zich haar frunniken wel gevallen. Van onder de deur maakt een streep licht de gang nog donkerder. Enkel haar nachtjapon breekt de duisternis, als was ze een van de trap gevallen spookje.   Ze staat recht, zet drie stappen en grijpt de klink. Gesprekken komen haar gedempt tegemoet. Net op het moment dat haar kleine hand kracht zet, klinken er gilletjes gevolgd door gefluit en dan gelach. Ze weifelt, draait zich om, stapt terug naar de trap. Het dekentje sleept achter haar aan. Ze gaat zitten en wacht. Ze maakt zich sloffen van geel. Haar vinger volgt het patroon van het behangpapier. Opnieuw en opnieuw. En dan gaat ze toch terug naar de deur.   Ze buigt zich voorover en kijkt door het sleutelgat. Ze kan de fruitmand zien die op de eettafel staat en een stukje van de leuning van de stoel met iets grijs bedekt. Ze tuit haar lippen rond het slot. ‘Mama’ fluistert ze. ‘Mama’ zegt ze wat luider. ‘Mama’ galmt het nu door de gang. De gezelligheid valt stil. Ze hoort gestommel. Vijf seconden later gaat de deur open: een walm van rook en volle licht komen haar tegemoet. Ze knippert met haar ogen en deinst wat achteruit, haar dekentje verwordt tot voorschoot in haar handen.   Langs de vrouw heen ziet ze een uit de hand gelopen hinkelspel van kledingstukken op de vloer. De pijpen van een jeans met riem raken slordig en binnenstebuiten de mouwen van een stoer hemd. Een lichtblauw bloesje vormt een hoopje met wat rokken lijken te zijn. Her en der liggen sokken geschikt te wezen als stapstenen. Van over de leuning van de stoel doen een grijze vest en dito broek hard hun best het lonken van een fleurig topje te negeren en keurigheid uit te stralen. Tevergeefs. De salontafel bezwijkt onder flessen rode wijn en Johny Walker, halfvolle, beduimelde glazen van het schoon servies en overvolle asbakken. Servietten met sporen van lipstick en lege zakken chips vangen druppend kaarsvet op. Pakjes groene Michel en Dunhill houden koeken heren, harten dames en klaveren boeren recht.   Ze stapt naar voor, wandelt de living in. De vrouw aan de deur achterlatend. Haar entrée doet de lichamen in het salon verstarren. Drie paar ogen kijken haar en haar vale voorschoot wijd aan. Twee mannen en nog een vrouw herschikken zich verschrikt. Benen zetten zich naast elkaar, kruisen zich netjes. Handen vouwen zich in de eigen schoot. Zwarte kanten lingerie frommelt zich gejaagd bijeen op de zetels. En grote witte onderbroeken proberen zich snel voor haar te verbergen achter hakken en onder glanzende mannenschoenen. Alsof de schoolbel is gegaan, beginnen de blote lijven theekransje te spelen. Ze maken de glazen tot porseleinen kopjes, het kaartspel tot zondagmiddag-vertier, de gilletjes gevolgd door gefluit tot koetjes en kalfjes. Het meisje verstart. Bekijkt het tafereel met wijd open ogen. Klemt zich vast aan haar stukje stof.   Met zachte dwang duwt de naakte vrouw haar terug, door deur, naar de donkere trap. Ze neemt het vodje met afgesleten lint uit haar handjes en drapeert het als een jasje over haar nachtjapon. ‘Wat doen jullie, mama? Wat zijn papa en jij aan het doen?’ ‘Een spelletje voor grote mensen. Ga maar snel terug slapen.’   Intussen is ze al vele jaren grote mens. Het gele deken met zachte boord ligt in frennen op de bodem van een kast. Het spelletje heeft ze nog nooit gespeeld.

tamaralenaerts
0 0