Lezen

vervolg opdracht 8

            * * *     Later nodigt een collega-docent zich zelf uit bij haar thuis. Mag hij eens afkomen met een collega van hem, die fel geïnteresseerd is in wat de jongeren van vandaag bezig houdt. En jij bent zoveel met de studenten bezig, jij geniet hun vertrouwen, aan jou vertellen ze waar ze écht om geven. Wel ja, waarom niet? Als het hem kan helpen met zijn wetenschappelijk werk. Edouardo Carrasquilla. En Pablo, de vriend. Twee Cubanen. We praten. Bij mij thuis – niet in de sociale school. Hij stelt de vragen, zij antwoordt. Wie zijn volgens jou de studenten met de grootste leiderscapaciteit? Geen enkele bel gaat rinkelen. Naar volle waarheid antwoordt ze: met voorsprong German.  Dan noemt ze nog een stuk of zes andere namen.   Joris en zij, ze maken nog een grote reis door Zuid-Amerika. Hun laatste Zuid-Amerikaanse reis. Frida weet: ze wil hier nooit, nooit terugkomen. Haar hart breekt als ze er aan denkt dat ze dit alles zullen achterlaten. Dat wil ze nooit, nooit opnieuw meemaken… Ze krijgen een kaartje van German met nieuwjaarswensen. Begin maart varen ze terug naar Europa. Dat is een verhaal voor later. Wat hier in deze scène van belang is, wat Frida van zesentwintig niet, wat Frida van alle leeftijden nooit zal vergeten, wat ik in haar plaats nu voor het eerst vertel. Het is lente in België.  Ze zit in de tuin: de vogeltjes zingen, de zon schijnt. Uit het niets, zonder verwittiging, overvalt haar een diep verdriet. German is dood, loopt door haar gedachten.  Ze borstelt de gedachte, het gevoel opzij. Waanzin. Hoe komt ze daar nu op! Toch weer niet opnieuw… Ze is geschrokken, het gaat niet over.   Enkele maanden later krijgen ze bezoek uit Colombia. De directeur van de sociale hogeschool moet in Duitsland met een geldschieter praten over subsidies. Hij komt bij Joris en Frida op bezoek. Hij vertelt dat Carrasquilla werkte voor de C.I.A.. Dat ze hem ontmaskerd hebben. Hij was één van die fameuze Cubanen die naar de States zijn verhuisd als Fidel Castro aan de macht is gekomen. Die als spionnen zijn gaan werken. En dat German is neergeschoten. Hij was op de terugweg naar huis, na de cursus. Hij was met vrienden mee gaan betogen. De militaire politie heeft hem neergeschoten. Hij is dood.   Het gaat niet over. Het gaat nooit over.                                                                  * * *                 En er was geen pleister voor deze wonde er was ook geen tegenstand geen opstand Frida ging mee vanzelfsprekend. we moesten er op toezien dat onze bagage, onze twee kisten die we mee naar huis zouden nemen we moesten controleren dat ook dat nog niet hier zou achterblijven en we liepen rond in de mooiste havenstad aan een turkooizen zee en ze gingen naar huis in Europa ze bleven niet in Bocagrande, ze reisden niet verder naar de beroemde badplaats Santa Marta, ze wilde de Atlantische Oceaan niet zien en waar heeft Aureliano/ Arcadio Buendia het karkas gevonden van het schip waarmee… het was niet hier vrees ik, nee,  haar hart was al gebroken het  weigerde zich nog te hechten één keer gebroken is meer dan genoeg het moest zich nu concentreren op. Het verstond niet waarom ze terug gingen naar dat verre België. Het was Joris. Iets in het hoofd van Joris zegde dat het niet klopte met wat hij wilde, dat zijn beste laatstejaarsstudenten slag op keer vertrokken naar de States en dat ze enthousiaste brieven schreven naar doctor Joris dat ze vlot konden aansluiten in de lessen daar en dat is dank zij u en dat was dan wat ze de hersenvlucht noemden in studies over ontwikkelingslanden één van de grote factoren die de ontwikkeling belemmerden. En er was ook de opkomst van de computer, hij was er razend nieuwsgierig naar en daar was hier in Colombia op dit ogenblik geen nood aan. En dus besloot hij dat ze beter terug naar huis gingen en voor haar Frida was het niet vanzelfsprekend maar ze waren nu meer dan twee jaar getrouwd en iets in haar begon zich te roeren begon begon te zeggen dat nee het was niet iets in haar het was heel tastbaar bevoelbaar te zien er was Alfonso geweest de weesjongen de gamin het straatkind dat ze ontmoetten die eerste kerstdag dat ze in Colombia waren en ze had een beetje schrik dat op die feestdag opeens de heimwee die ze eigenlijk niet gevoeld had maar die ze zou moeten gevoeld hebben, toch, dat is niet meer dan normaal, dat die haar toch nog  haar zou hen zou overvallen. Ze wist toen nog niet dat ze werkelijk zo weinig heimwee zou hebben en ze zouden die dag met Leticia die vriendin sociale werkster naar een weeshuis gaan ze zouden snoep en geschenkjes meebrengen ze zouden het kerstfeest vieren met diegenen die arm als de herders geboren werd in een stal diegenen waarvoor ze eigenlijk naar hier waren gekomen make love no war en het was weer helemaal anders dan ze had gedacht  het waren geen lieve weeskindjes die met sterretjes in de ogen de geschenkjes dankbaar zouden aannemen en zij die ontroerd zou denken hoe juist het was geweest om naar hier te komen maar het waren astrante kinderen die eigenlijk bijna niets zegden hier en daar stond er eentje te wenen en een begeleidster van de groep trachtte hen te troosten maar wat kan je getroost worden als. Voilà. Voilà. Ja, ik zie het nu, laat het me zelf maar vertellen. Het waren allemaal jongens, geen meisjes en ze dansten ze dansten om te vergeten en ze dronken coca cola die hadden wij ook meegebracht en één van hen had blond haar en had een grote zonnebril opgezet hij viel zo ook al op want hij was blond van haar en dat zag je niet veel hier hij was de mono en hij kwam heel opvallend altijd weer naar ons zwaaien en lachen en een paar weken later was Leticia weer bij ons op bezoek en ze vroeg of we niemand kenden die voor een paar nachten één van de gamines van het weeshuis wou opvangen het was de mono, Alfonso, hij was niet meer komen opdagen in het weeshuis en nu had ze hem gevonden en als ze hem nu opnieuw liet gaan dan zou ze hem gegarandeerd nooit meer terugvinden dan was hij verloren en natuurlijk wist ze dat we zouden zeggen breng hem maar naar hier we hadden niet veel tijd nodig om dat onmiddellijk te beslissen en hij kwam en hij bleef maanden en maanden bij ons wonen hij ging opnieuw naar school hij had een studiejaar overgeslagen maar dat was voor hem geen probleem en op een dag zaten ze aan tafel hij zat aan het hoofdeinde en hij slaat de handen voor het gezicht en hij weent hij weent en ‘alle dagen bid ik tot god , vraag ik hem dat ik niet langer moet leven’ en natuurlijk bleef hij bij ons en hij bleef en hij bleef en toen besefte ik dat hij was als een kind van hen maar dat dit nog niet de tijd was voor hen ze hadden zelf nog geen kinderen ze nam de pil en dit kind was al negen of tien jaar en ze was zelf maar net vijfentwintig het klopte niet we moesten een thuis vinden voor Alfonso waar hij met kinderen van zijn leeftijd zou kunnen leven bij hen was hij plots het verwende enige kind. En we praatten met Leticia en we zochten en vonden een uitzonderlijke thuis: een gewoon huis in een gewone wijk in de stad niet arm niet rijk waar een Catalaan van de JOC vader was voor maximum twaalf kinderen en er was een plaats vrij en ja Alfonso zou bij hen passen en hij ging bij hen wonen en hij kwam elke week – denk ik toch – bij hen op bezoek en hij leerde zonder enige moeite hij haalde prachtige cijfers en toen werd de Catalaan dodelijk ziek hij moest zich laten verzorgen in Barcelona hij had een tumor n de hersenen hij stierf kort daarop en de gamines waren opnieuw wezen. En wat met Alfonso. Ondertussen hadden we don Antonio leren kennen, nee, niet die van de tugurios. Een Nederlander die al tientallen jaren hier woonde hij had hier fortuin gemaakt hij was getrouwd met een dame uit de Colombiaanse high society hij was rijk en godvruchtig hij had zelf geen kinderen deed gul aan liefdadigheid hij was een belangrijke weldoener van een melaatsendorp een eind buiten de hoofdstad er woonden hoofdzakelijk melaatsen maar er was ook een internaat voor jongens en als we accoord waren kon Alfonso daar verder studeren ja natuurlijk en natuurlijk ja we betalen de kosten en Alfonso ging en alle vakanties zat hij bij ons en van tijd tot tijd ging hij bij don Antonio en dona Esther op bezoek en toen gingen we terug naar huis. En wat. Hoe moeilijk. En mijn verstand maakte me wijs dat het zonde zou zijn Alfonso mee naar Europa te brengen opnieuw een fuga de los cerebros en ja, don Antonio , zou jij voor hem kunnen zorgen , wij zullen de kosten betalen en zo zou het gebeuren en wat een lafheid, wat een huichelarij van haar denk ik later. Maar langs de andere kant het lot is onvoorspelbaar. Natuurlijk leert Alfonso verder. Hij maakt zijn middelbare studies af maar hij moet er weer voor vechten want don Antonio is een weldoener en deze keer is het extra gemakkelijk wij betalen alles voor Alfonso en Alfonso dreigt toch nog verloren te lopen maar hij herpakt zich, en na zijn middelbare studies willen wij dat hij een tijdje gaat werken om zijn kost te verdienen totdat hij weet wat hij verder met zijn leven wil doen. En dan neemt don Antonio het van ons over ook financieel en hij overtuigt Alfonso om naar het seminarie te gaan en wij kennen hem dat wordt niks maar laat hem maar proberen en na zes maanden houdt Alfonso het voor bekeken in het seminarie. En nee, schrijft don Antonio, hij mag bij mij op het bedrijf komen werken en don Antonio wordt oud en misschien is hij ook eenzaam en hij krijgt hoe langer hoe meer belangstelling voor onze monito en die beslist dat hij graag geneeskunde zou studeren en don Antonio betaalt en Alfonso mag nu permanent bij hem thuis wonen en Alfonso is een schitterende student hij specialiseert zich nog een extra jaar in de States en dan het grote nieuws. Don Antonio en dona Esther zullen Alfonso adopteren…   Dat weet ze natuurlijk nog niet als ze daar bij het brede gele strand met een zwaar hart wacht op het schip dat hen terug naar Europa zal brengen ze kan nog niet weten en ze weet nog niet hoe ze zelf  ze wil wel voor hem zorgen maar ze wil eerst eigen kinderen maar mijn hart, denkt ze , mijn hart. Wat ik hier allemaal achter laat…       En ze scheept in. De Hamburg – Amerikalijn. Een Duitse maatschappij die hoofdzakelijk goederen vervoert. Maar op het schip is er aanpassing voor twaalf passagiers. Joris en Frida kijken er letterlijk op toe dat hun twee koffers aan boord van het schip worden gebracht.  Ze zullen rechtstreeks van Cartagena naar… Antwerpen varen, zonder stop. Rechtstreeks naar Antwerpen!  Ze zullen aan land gaan op de kade van MIJN stad, denkt Frida. Familie en vrienden zullen ons daar opwachten! Dat is een beetje troost, toch?               Gewoonlijk duurt het minstens drie weken om de Atlantische over te steken. Het zullen twaalf dagen worden, zo probleemloos verloopt de reis. Er is alleen nog dag en nacht, de tijd van de maaltijden, het dek van het schip – de matrozen installeren zelfs een klein zwembad – de eetplaats, de eigen kajuit. De oceaan en de lucht bepalen het decor. Blauwe lucht, turkooizen water. Golven met schitterende randen . In het begin achtervolgen ons nog de meeuwen. Dan worden het dolfijnen! dolfijnen! Walvissen, ook walvissen! Dios mios, wat een kolossen! En hun sierlijk ballet op het decor van water en lucht…Dan worden het water en de lucht minder blauw. Elke dag een beetje minder. De realiteit van de toekomst komt dichterbij. Het wordt koud. Gelukkig waren ze er op voorbereid: Frida trekt truien aan en een lange broek, geen minirokjes meer. Het zwembad wordt afgebroken. Het stormt. De passagiers blijven in hun kajuit. Frida niet: ze constateert dat ze zeebenen heeft! De tafel in de eetplaats wordt gedekt met natte tafelkleden: zo schuift het eetgerei niet van hot naar haar. Eén keer kapseist het schip zo erg, dat de soepterrine vlot over de rand schuift. De vrouw van de kapitein gaat bijna mee over stag, haar man houdt haar nog nipt overeind. We zijn het Nauw van Kales door. De kust van West Europa… Frida staat op het dek en ziet, voelt de kou die op haar afkomt. Het is Lente. 21 maart. Ze hadden zich er op verheugd. Alles is koud en grijs.                                                                * * *     ‘ Marc! Zit gij hier ook?’. ‘Ja zeker. En ze zullen hard moeten werken om mij hier buiten te krijgen…’. Marc blijft zitten, de billen vastgelijmd aan zijn bureaustoel. Hij doet geen moeite om op te staan, haar te verwelkomen. Dit kan niet waar zijn, denkt ze. Dit is een fata morgana. Hier: het Steunpunt Sociale Zekerheid, waar studies gepubliceerd worden in verband met de armoede in België. Marc een medestudent  in Leuven! En het was begin jaren zeventig, Andreas Baader, Gudrun Esslin, Ulrike Meinhof en Horst Mahler stampten in West-Duitsland de Rote Armee Fraktion uit de grond; in Italië richtten enkele studenten de Brigate Rosse op; in het Baskenland was de Eta actief; in Ierland vocht het IRA; in Palestina ageerde het Volksfront voor de bevrijding van Palestina; de kasseien in de straten van Parijs hadden nog altijd heimwee naar mei ‘68 met Daniel Cohn – Bendit, droegen de galm verder van wat Sartre, Derrida, Marcuse, Lacan,  luidop in hun aula’s doceerden; in de USA betoogden burgers hoe langer hoe heviger tegen de oorlog in Vietnam; in Tsjecho- Slovakije bloeide de Praagse lente. En hier, Marc, amper  zesentwintig, in de volle bloei van zijn jeugd: ze zullen hard moeten werken om mij hier buiten te krijgen…  Zuid Amerika overvalt haar. Het instituut waar zij werkte, het enthousiasme waarmee haar collega’s en zij het onrecht  aanklaagden, bestreden. En hier… Ze is perplex. Helaas, ze is terug in België. Ze woont in het Brusselse. Joris vond werk, niet in het Antwerpse zoals zij had verondersteld, maar in hartje Brussel. Wetenschappelijk onderzoek in verband met software van computers. Voor hem is het recht in de roos. Zij… Geen gezeur! Ze heeft er mee ingestemd om terug naar huis te gaan. Ze heeft er zelf voor gekozen! De familie is niet veraf. Maar niet bij de hand. Het is een koude lente: ze kan geen minirokjes dragen, ze bibbert op haar benen, zelfs met wollen panty’s aan. Zelf zou ze liever eerst werk maken van kinderen. Maar Joris was niet op zijn best, terug in Europa. Miste hij Colombia, besefte hij nu maar pas wat hij allemaal achtergelaten had? Hij is altijd moe, lacht zelden als hij met haar alleen is, bant alle romantiek. Hij is neerslachtig. Raar, want hij heeft toch die job waar hij naar verlangde. En ze wil die kinderen zo graag, ze… Geen gezeur. Ze gaat werken. In  een instituut voor sociale planning, in Brussel, in de Koningsstraat, een studie over kansarmoede. Het lijkt haar interessant.  Een prof, schrijft de inleiding, zet de studie in het juiste perspectief, coördineert. Een medewerker van het instituut , Marc dus maar toen wist ze de naam nog niet, schrijft het tweede deel. Zij zal het derde deel verzorgen. Ze neemt dus elke dag dezelfde bus en dezelfde metro om op haar werk te geraken. Ze komt uit Zuid-Amerika: ze zegt haar medereizigers opgewekt goeiedag. Ze staan elke dag op het zelfde uur met haar op dezelfde bus, dezelfde metro te wachten, toch? Na drie dagen komt een man op haar af, stopt haar vlug vlug zijn visitekaartje in de hand: als ze zin heeft om eens met hem op zijn appartement te komen praten?.... Ai, Zuid –Amerika…   Ze vindt haar draai niet in de academische wereld. Het is er zo formalistisch, gericht op zoveel publicaties in dat en dat tijdschrift en in zoveel tijd. Wedijver, por dios …  Jaloezie… Vandaag zit ze met de secretaresse van het instituut en een paar collega’s in het visrestaurant, juist om de hoek van het grote hotel waar een bla bla bla-seminarie plaats had. Het is een echte Brusselse zaak, je kan er nog in het Nederlands terecht. Eigenlijk is het geen restaurant, het is een open viskeuken in een viswinkel. De vis is er glimmend heldervers, ruikt delicaat, zoals het vis betaamt. Tenminste een goed einde van deze verloren dag, denkt ze. Dat seminarie! Het gelul! En de directeur van het instituut, haar baas,  die als een gedresseerde aap vooraan de ene nonsens na de andere staat te verkopen. Maar ja er moet geld gevonden worden voor het onderzoek en dan moet je al eens buigen om niet te barsten. De sukkelaar. Ze zou niet in zijn schoenen willen staan . En als je het haar zou vragen: ze vreest dat het enige gevolg van heel deze paljasserij zal zijn dat er nog meer formulieren moeten ingevuld worden om nog meer overbodige statistieken op te maken die dan toch weer verkeerd gebruikt of geïnterpreteerd zullen worden.  Ze wordt zenuwachtig: ze zit  hier al zeker twintig minuten te wachten op haar paling in het groen. Ze wil naar huis. Achter haar zit een vrouw met een vreselijk parfum – ze veronderstelt toch dat het een vrouw is – het verpest de geur van de visbereidingen uit  de open keuken. Het is hier niet op zijn plaats. Waarom kiest zo’n parvenue om hier te komen zitten in deze populaire viskeuken. Dat ze toch blijft op de avenue Louise of in de galerij aan de Naamse Poort! Waar blijft die verdomde paling nu! Wablief? nog een pintje?  Ja, doe maar. En hoe gaat het met je man vraagt de secretaresse en ze weet dat ze dat vraagt om eigenlijk geen antwoord te krijgen, dat de secretaresse hoopt dat zij, Frida zal zeggen dat het goed is, maar vertel eens: hoe zit dat me de jouwe?  Al dat gebrabbel, al dat geklets waar blijft nu toch die paling ! Achter haar bestelt een vrouw luid en met een opschepperig accent mosselen en  champagne daarbij. Mosselen met champagne! In het Nederlands nog wel, hier in Brussel! Dat is zeker dat stuk parfum. Straks krijgt ze haar mosselen-met -champagne nog eerder dan wij! Frida neemt de pint die voor haar staat. ‘Verdomd,’ zegt ze,  even luidop en boven het lawaai uit.  ‘Als ik dan met zoveel chi-chi champagne bestelde,  zou ik daar toch minstens oesters bij eten.’ Er wordt gegrinnikt aan de tafeltjes rondom en ze ziet de ogen van de secretaresse groot opengaan. Ze staart naar iets achter Frida’s rug en de andere collega’s kijken gegeneerd de andere kant op plots is het aan hun tafel zo stil als in een ongebruikte diepvrieskast en ze draait zich om om te zien wat er achter haar rug  gebeurt en kijkt recht in de ogen van de directeur van het Instituut. De vrouw die naast hem zit, zijn vrouw,  bekijkt Frida woest. ‘ Nou weet u’  zegt ze weer luid tot de dienster ‘ ik verdraag geen oesters...’                                                                * * *                 En wat zou je denken, Frida de Jonge, wat zou je denken . Natùùrlijk houden de Jezuïeten hun soldaten in het oog, natùùrlijk weten ze het van de grupos de professionales in Colombia, het succes van het onderricht  van Joris aan de universiteit en van haar populariteit, hoe gemakkelijk zij omgaat met de mensen. Natùùrlijk nemen ze contact op. Natùùrlijk kennen ze nog andere jonge mensen die zich verdiepen in  de bevrijdingstheologie, die gesprekspartners zoeken want wat er nu gebeurt in de wereld en hoe kunnen we opkomen tegen verdrukking en indoctrinatie door oude structuren zonder geweld te gebruiken en wat betekent het fenomeen van de priester-arbeiders, einde ’68 is de Jezuïet Egied Van Broeckhoven toch verongelukt in die staalfabriek, waarop steunde hij de keuze om daar te gaan werken en waarom woonde hij  in  een armenwijk  en hoe vermijden we dat onze eigen donkere kanten niet de bovenhand krijgen, hoe stellen we onszelf in vraag. En natuurlijk happen Joris en Frida toe als hongerige vissen in stromend water en ze draaien en wentelen en keren tot ze een plaats gevonden hebben waar ze willen waar ze kunnen blijven. Ze willen wonen in een basisgemeenschap. Het vraagt jaren tijd. Jaren van dialoog, discussie, ruzie, van vriendschap voor het leven van samen iets uit de grond stampen, van gortdroge, bijna theologische gesprekken waar Frida compleet gek van wordt, maar ze moet toegeven dat het een dynamiek op gang houdt waardoor ze gedwongen wordt op haar eigen manier te formuleren waar ze in haar leven voor kiest .       J.- Natuurlijk moet ge dan ergens de gebeurtenissen in ogenschouw nemen, en die volgens bepaalde criteria en inzichten en gegroeide keuzes bekijken. En beoordelen in functie van de beslissing die ge moet nemen. En dat is dan inderdaad, ja, dat kunt ge in zekere zin  theoretisch noemen, in die zin dat ge zegt, dat ge uw globaliteit daar stelt ter beoordeling en als voorwerp van en keuze. Dat vind ik een voorwaarde tot vrijheid. Andes neemt ge nooit een beslissing op basis van de gebeurtenissen die zich aan u opdringen. IK vind, als ge dat theorie noemt, dan kunt ge dat theorie noemen maar vind ik die theorie onontbeerlijk. Waar ik bij u mee akkoord gegaan ben, dat het beoordelen van de situatie en het kiezen,  een rol spelen en nieuwe gebeurtenissen moeten verwekken. Daar ben ik mee akkoord, ik denk dat ge dan niet een globale synthese zomaar voorgeschoteld krijgt, dat dat niet gaat. S.- Natuurlijk, het is ambetant hé, we zouden nu evengoed over mijn werk kunnen beginnen, dus… Wees gerust, ik maak me daar niet druk om, om te zeggen: we gaan nu eens uw situatie onder de loupe nemen. Maar ja, kom, het is er nu gekomen omwille van het niet opschieten van ons onderzoek, hé. Ha, we kunnen evengoed over mijn situatie beginnen, hé. Maar van buitenaf gezien zou ik zeggen: laten we stoppen met die vage terminologie van binnen en buiten en gaan we naar de concrete feiten om te kunnen vertrekken en dan te kijken wat we er kunnen uithalen. Wat ik van buiten zie is, dat je , aan de ene kant, bij je job beweerde dat je teveel in beslag genomen werd door die job om hier, binnen , te kunnen zijn. Dat heb je toch gezegd, denk ik. Langs de andere kant dat de situatie aan het verrotten was en dat er van die wetenschappelijke research niet veel meer van in huis zou komen.   Die wetenschappelijke research, dat is niet gelukt, dus , en dan hebben ze u en plaats aangeboden die interessant was, praktisch gezien in allerlei opzichten van allerlei nieuwe zaken, waar ge praktisch uw eigen baas kunt zijn om iets op te richten, misschien, een interessante werksituatie en heu, ik ben ik geloof, ja hoe moet ik het zeggen, ik kan moeilijk geloven dat in één , twee drie, gij daarin iets ontdekt hebt dat iets anders is dan een interessant werk zoals Frida vorige week zegde. Ik denk van niet, dat zal moeten blijken, ik kan me daarin vergissen , dan moet ge me maar eens uitleggen ik geloof niet, ik geloof dat ge moest werk hebben , dat er u een interessante job werd aangeboden en dat ge ja hebt gezegd omdat ge niet anders kunt. Punt. Dat dan nog reuze meegevallen is ook nog. Dat ge niet zomaar hop, plots daar vanuit een kritische situatie of wat dan ook in die zin, van een actie in de zin van decentralisatie… Daar geloof ik niet in… Die kwestie van de keuzemogelijkheid, dat vind ik een heel belangrijke zaak. Maar is dat noodzakelijk… is dat noodzakelijk voor mij buiten? J.- Voor u waarschijnlijk niet ,hé. S.- Ja maar dat betekent dat… Dat hangt er van af wat, dus. Hoe gaat ge voor u buiten definiëren? Ik bedoel: dat buiten alles is wat niet binnen onder ons is. En dat hoe we die buiten concreet beleven, dat dat opnieuw een keuze is. Ik denk dat, wat we hier concreet moeten aanpakken, de vraag is: hoe definiëren WIJ buiten. Dat is dan volgens mij geen theorie. ..  J.- Wat van belang is, is wat de relatie is tussen binnen en buiten. Het is zinloos om van buiten te spreken, zonder ook binnen er bij te betrekken. Het is de spanning tussen de twee die telt. En die spanning is voor mij de basis van creativiteit. Ja maar ik stel voor dat we niet meer spreken over binnen en buiten. Ergens lijken me dat volledig onbruikbare termen, totaal vaag. Van binnen en buiten weten we niets…                  Absurd. Hilarisch, zulke soort gesprekken. Maar het dwingt Frida  wel om na te denken. Om zelf te zeggen hoe ze het ziet zitten. Om… het op te schrijven…. Om te schrijven…   ‘Wat verwacht ik van het leven in een gemeenschap? Als ik hier blijf wonen, is het omdat ik denk dat zulke kernen van wonen nodig zijn. Om een stimulans te zijn voor elkaar in het creëren van een alternatieve cultuur: instellingen, gedragspatronen (familie, politiek, onderwijs, godsdienst, ontspanning. Kinderen. Ik zie mijn kinderen hier glunderend tussenlopen. Kinderen. ). Om leed en ellende uit de wereld te helpen. Om liefde te stellen in plaats van haat. Om het begrijpen van anderen te stimuleren, in plaats van hen te  veroordelen. Om mezelf te leren begrijpen en aanvaarden . Om het te leren, hoe elke mens gebaat is bij het zoeken naar oplossingen waarmee iedereen gediend is. Om een stimulans te zijn voor elkaar in verantwoordelijkheid t.o.v. het leven. Om vreugde te vermenigvuldigen. Om humor en koppigheid en moed aan te kweken, zelfhumor ook, in plaats van agressiviteit. Om door anderen gekend te worden en zo ook door mezelf (wat jullie zo mooi noemen: broederlijke correctie. Mag daar iets zusterlijks bij?). Intense menselijke verhoudingen met de totaal andere mens… Een alternatieve maatschappij op microniveau.’   Het loopt. Niet altijd gemakkelijk: één koppel breekt er mee, na negen maanden. Pijnlijk. Verdrietig. Onbarmhartig. Zoals een echtscheiding, waarschijnlijk. De andere twee koppels – S en M, met hun drie kinderen, en Frida en Joris, blijven bij elkaar. Hebben plaats en tijd voor elkaar én voor anderen. Ze vangen mensen op die ten einde raad zijn. Die uit de gevangenis moeten gehouden worden. Die depressief zijn, waar ze bij de treinsporen naar op zoek gaan als ze om twee uur ’s nachts nog niet thuis zijn. Die pas uit een instelling komen, die met dementie geconfronteerd worden en ’s nachts opeens in je slaapkamer verschijnen, die aanvallen krijgen van epilepsie, die verbannen werden uit het land waar ze werkten omdat ze zich verzetten tegen de dictator, die…     En ze hebben plezier. Zoals op hun eerste kerstfeest samen.  Frida heeft een consommé gemaakt, een heldere bouillon: Bocuse! Drie dagen is ze er mee bezig. De consommé is perfect. Ze heeft gekookt, ze kan dus zonder zorgen mee een aperitiefje drinken met de anderen: S zal de consommé in elegante kommetjes opdienen. Ze praten, lachen. Plots een doodse stilte in de keuken. Schoorvoetend komt S tevoorschijn. ‘Frida,’ zegt hij bedrukt. ‘Ik was op zoek naar jouw consommé, zag de grote pot staan, dacht: er zit nog een heleboel  water in van gekookte aardappelen of zo. Ik heb de pot leeggegoten. Toen rook ik hoe héérlijk dat geurde…’ Frida bekijkt hem,  ogen wijd open. Dan begint ze te lachen. De anderen nemen het over. Frida hikt: ‘Zo helemaal jij, S. Zo helemaal jij.  Jij zou die professor uit de stripverhalen van Jommeke kunnen zijn. S…Hoe bestààt het. Niemand gelooft me als ik dit vertel…’                                                              * * *   Ik, de verteller, ik krijg altijd zo’n leuke ideeën die ik zou willen uitproberen. Zoals nu: ik zou graag een koor opstellen, naar het voorbeeld van de Griekse tragedies. Met aan de ene kant de drie mannen, (o.a.de twee Jezuieten) die met ingewikkeld vocabularium het engagement benadrukken. Die declameren over geweld en haat en moed en opoffering en liefde  . Langs de andere kant drie vrouwen (waaronder haar moeder en haar meter), die bidden en hopen dat eindelijk, eindelijk een vrouw in hun rangen  zich emancipeert . En toch eindigen met: ‘Nederigheid, kind. Liefde. Verzoening. En als Joris dat echt wil… Als je met hem trouwt, moet je mee… ‘   Maar ik heb de tijd niet meer, het aantal bladzijden die mij zijn toegewezen, zijn bijna volgeschreven. De historie van vijf jaar samenleven kan ik nooit op een paar bladzijden uit de doeken doen.  Hoe dat nu zit met vrijen, met seks. Bloot lopen door de wei in de jaren zestig, zeventig… En wat met dat gemeenschappelijk bezit. Hoe Joris zijn weg maakt in het opbouwen van alternatieve organisatiestructuren. Ik kan het niet meer hebben  over wat er met Frida daarbuiten gebeurt. Wat ik fantaseer dat had kunnen gebeuren. Zoals een vriendschap met E, die mee een studentenrevolte organiseert  tegen het toekennen van een eredoctoraat aan een Zuid-Afrikaanse prof,   medestander van het apartheidssysteem. De staking, de betogingen, de manifestaties houden maandenlang aan. Hij organiseert mee, moedigt aan, overlegt , en zo voort en zo verder… Maar ik heb geen tijd, geen plaats meer (wees gerust: de studenten hebben gewonnen: er komt geen eredoctoraat! En dat verhaal, dat wil ik later vertellen!).   En toch. ik moet het nog wel hebben over de Appeltuin, de eerste Freinetschool in Vlaanderen. Want dat is ook een rechtstreeks gevolg van ons samenwonen met S en M,  ons samen zoeken. Het belang van opvoeding. Frida! Frida! Het is jouw beurt weer, komaan! .                                                  * * *   Eerste vergadering: er was een groep Portugezen in Leuven, op de vlucht voor of verbannen door dictator Salazar. Ze organiseerden een oproep om te starten met een alternatieve kleuterschool. De eerste vergadering waren er vijftien? twintig? mensen. De tweede vergadering waren er nog een zevental? een tiental? De derde vergadering stond ik daar. Met Riet. Wij tweeën alleen.   ‘Wat doen we?’ vroeg Riet. Ze had er geen moed meer op: ze had al eerdere experimenten meegemaakt, er waren toch al een paar alternatieven in Leuven, ze gaf dit weinig kans op slagen. ‘We doen het.’ zegde ik. Ik had het belang van opvoeding leren begrijpen in Zuid-Amerika: Pablo Freire. En ik was enthousiast over de methode die wij in onze gemeenschap hadden gevonden om met kinderen om te gaan: Summerhill. Dus organiseerde ik een volgende bijeenkomst. Er kwamen weer meer mensen. En meer en meer. Zo is het gestart.   Weet je, de moeilijkheid is dat er zo weinig tijd is om na te denken en te kiezen: er zijn zoveel beelden, zovele woorden, er is zoveel gebeurd. Na nog een paar vergaderingen, zijn we gestart met de  Heiberg-groep. Dat is de kleine groep mensen die begonnen zijn, die de idee hebben laten sudderen en marineren, die ‘het’ hebben uitgeprobeerd, die aanvoelden dat er wat kon groeien met deze groep, die het risico hebben genomen, die er hun energie wilden in steken, die vonden dat kinderen die energie in het lang en het breed waard waren. We, dat waren Roos en Jo, Riet en Leo, Magda en Frans, Rita en Piet, Hedwig, Marie Roos en Laurent, S. en M. en ik. Ik had zelf geen kinderen – de jongste van S en M speelde hier wel met plezier.   Toen werd de Heiberg-groep de Appeltuin: we zitten in Leuven, ik word een soort vaste kracht, tussen al die moeders en vaders die ateliers inrichten en pedagogen die mee begeleiden.  Roos kookt met  enthousiaste kleuters. Lieve werkt met  textiel, leert de kinderen kijken, passen, voelen, durven iets in elkaar zetten. Rozemarie geeft een  weefatelier. Riet en ik, we  zingen en dansen met de kinderen, Riet brengt trommelstokken mee naar het muziekatelier. De andere Roos evolueert in het schildersatelier. Hubert brengt op een wit paard sinterklaas naar de Appeltuin . En iedere week bedenken ouders hoe je de ideeën die we hebben over manieren van leren, in de praktijk kunnen omzetten. Want dit is vooral de tijd van zoeken. We wisten sommige dingen wel tamelijk zeker. Het emancipatorisch werken, bijvoorbeeld. We wisten dat we de kinderen zoveel mogelijk zelfstandig wilden laten beslissen. En dat we een structuur nodig hadden om dat ook in het schoolse leren waar te maken. Maar de structuur die paste bij onze ideeën, die hadden we nog niet gevonden. We gingen actief kennismaken met andere opvoedingsprojecten.   Anderhalf jaar later had Jo de Freinet-methode ontdekt, zit de Appeltuin op de boerderij in Egenhoven en zijn er vaste krachten die de Freinet-methode kennen.  Het is de grote tijd van bouwen: structuren opbouwen, fundamenten graven. Ook materieel: de ruimte van het boerderijtje was te klein, we waren toen toch al met om en rond de negentig kinderen, denk ik. Als het niet meer was… We trokken onze plan: we zetten een bouwkeet bij. Eén? Twee? Dus: werkweekenden in de vakanties, waar iedereen een beurtrol had en  schilderde, metselde, kuiste, organiseerde, timmerde, opruimde... We moesten toen de Appeltuin nog met eigen bijdragen  rechthouden: er was in die jaren een scholenstop.  En dan de druk bijgewoonde algemene en andere vergaderingen, boven op de zolder. Het aantal kinderen bleef groeien. Er waren drukke discussies, bijvoorbeeld over onze ervaring dat een groep kinderen van zeven, van? twaalf? meer dan voldoende was om nog fatsoenlijk het groepsproces te kunnen begeleiden. We voerden de beslissingen ook uit! ... En die eerste schoolinspectie die we toen kregen. De positieve beoordeling! Eindelijk werden we gesubsidieerd! En het geniale schoolrapport dat er kwam.   En de formele organisatie van de Appeltuin, de structuren die toen uitgezet zijn…  En dat we alles, alles zelf moesten kuisen? En  geduveld dat er  werd als iemand zijn  kuisbeurt was vergeten of als het kuisen maar met de losse hand was gebeurd…    Alles moesten we zelf doen. We hebben het gedaan. Voor de kinderen,  voor een bepaalde manier van leren, van opvoeden, voor velen ook van de maatschappij bekijken. Bijna nooit was er iemand ziek, er waren kinderen die ook  in het verlof graag naar school wilden...  En dan, de grote proef op de som:  de eerste appeltuindertjes die  naar het middelbaar onderwijs zijn gegaan. Het lukte! Het was, ook in dat opzicht, oké.    En plots zaten we dan terug in Leuven, het gebouw met de glas-in-loodramen  in de Weldadigheidsstraat.   De laatste jaren van ik als vrijwilliger in de Appeltuin waren voor mij: oogsten wat er gezaaid was in de vorige jaren. Het was geweldig. De creativiteit bij iedereen, ouders, vaste krachten. En vooral de kinderen: het was om stil van te worden soms. Het is teveel om op te noemen. Ik beperk mij tot één persoonlijke ervaring:  Het indianen-project.   Een  groepje kinderen wou leren over de indianen.  Ik had met Joris toch  tweeënhalf jaar in Zuid-Amerika gewoond, de kinderen vroegen me of ik mee het project wou begeleiden.  Ik herinner me het bezoek aan het Museum in het Jubelpark in Brussel. Het gemak waarmee de kinderen vragenlijstjes opstelden, telefonisch afspraken maakten met de verantwoordelijken van het museum, waarmee ze vrijwilligers zochten om mee naar Brussel te rijden: ik stond er van te kijken. Ook al was ik al van in het begin bij  de Appeltuin.    Er werden verslagen gemaakt, teksten geschreven, er werd getekend, geschilderd; Simone naaide met de deelnemers aan het project  drie indrukwekkende tippies: we konden er zelf inzitten. Er werd gediscussieerd, nagedacht, er werd gemeten, als ik het goed voorheb werden er patronen gemaakt, de tippies werden versierd.  Maanden nadien stonden ze nog in de grote hal. Met lege tonnetjes van waspoeder  werden prachtige totempalen gebouwd. Ik bracht spullen mee van indianen uit Peru, Ecuador en Colombia en vertelde over hun grote culturen, hun rijkdom- ook letterlijk; over de uitbuiting van de indianen, al van begin ; over hun sociale verdrukking, ook nu nog; over de straatkinderen waar ik zelf mee in contact was geweest. We deden opzoekingen over de indianen van Noord- en Midden-Amerika.  Hedwig organiseerde een dansnamiddag, waar de kinderen heel fysiek gewaar werden wat het wilde zeggen: dat de indianen werden opgejaagd, dat hun land werd afgepakt , dat ze in reservaten moesten gaan wonen. Het kan zijn dat er nog andere dingen bij te pas kwamen.     En dan later de voorstelling, voor de hele school. Het totale project duurde enkele weken. Schitterend.    Ik weet het wel: er zijn in de Appeltuin ook conflicten geweest. Ook voor de kinderen zelf is het niet altijd een paradijs op wolkjes geweest: de school in weerbaarheid, in omgaan met jezelf en met anderen, in leren je eigen project in handen te nemen, is niet mals. Maar nu, zovele jaren later, nu ik weet wat ik weet en zie hoe enthousiast jonge ouders met hun kinderen blijven komen, blijf ik erbij: de Appeltuin is één van de meest zinvolle projecten van mijn leven.       * * *   Frida wordt stil. Want ook dat andere project.  Vertel!                                                                            * * *                 Ik wil kinderen. Ik wil kinderen. We zitten in de tuin. Nog maar eens. Ver weg knettert een brommer de lucht tot flinters, naast mij kakelen eerbiedwaardige Mechelse Koekoeken en sourdine, een vliegtuig boort zich door de lichtgrijs benevelde blauwige lucht, er vliegen bromvliegen langs, er komt van alles langs alle kanten tevoorschijn, van heel heel lang verdreven vergeten ondergestopt, ik moet nog heel veel, het is niet goed genoeg zeggen stemmen die alleen nog nabestaan het is niet goed genoeg ik wil kinderen ik ben drieëndertig ik wil kinderen en Joris en ik we zijn tien jaar getrouwd en we hebben de bolwassing van het huwelijk door de tijd doorstaan ik wil kinderen en Zuid-Amerika is achter de rug en gemeenschappelijk bezit is uitstekend om na te denken over welke rol geld speelt in intieme relaties maar ook op wereldschaal hoe je ik wil kinderen hoe je het nodig hebt hoe het ingebakken zit in de structuren het militair-industriële complex ik wil kinderen en we komen in opstand we weten het we hebben het gezien we hebben het meegemaakt de tragedie van goed en kwaad en hoe diep ze geworteld zit  en de oorlog in Vietnam is al enkele jaren achter de rug maar de gevolgen en nu weer de moord op de Italiaanse premier Aldo Moro door de Brigate Rosse en alle ellende zullen ook wij niet uit de wereld kunnen helpen maar toch we dragen bij voor dit en we ondersteunen dat en ik wil kinderen en we weten het nu de prof heeft het bevestigd het zou niet moeilijk zijn om er zelf te krijgen en we vrijen graag en vrijen is heerlijk maar en moet ik nu van hem vragen ik wil kinderen  moet ik vragen dat hij omdat ik ik wil kinderen ik wil kinderen en dan weet ik het het moet gebeuren ik moet zeggen ik wil ik zeg het mijn lijf zegt het ik zeg het ik wil kinderen en dat dit voor mij een reden zou zijn om weg te gaan van u ik wil kinderen en weet je, Joris, sinds die jongen met die opgezwollen buik die dood lag onder de bloeiende mimosaboom, sinds het kind in een nest van gebroken wit, sinds de gamines, sinds Alfonso wilden we er altijd al minstens  één adopteren bij de vier andere die we zelf zouden maken maar dat ze van onszelf zijn heeft voor mij niet zoveel belang, denk maar aan Alfonso, denk maar aan de klein gasten van S en M we hebben liefde we hebben ervaring en het verlangen ik toch laat ons er adopteren misschien adopteren we er best dadelijk een paar jij bent toch ook en stuk van een tweeling ik wil kinderen.               Ik wil.   ‘Ze uitkiezen dat moet jij maar doen,’ had Joris gezegd.  ‘Ik zou niet weten hoe.’ Ik had er geen enkel probleem mee gevoeld.   En nu zijn we hier. Negen maanden later. Exact negen maanden. We zijn per taxi naar het weeshuis gekomen. Het weeshuis ligt in een volksbuurt in Delhi, India. Vlak voor de ingang staat een grote moerbeiboom. We lopen door een deur, lopen tussen twee witgekalkte muren naar de ruimte waar de kinderen verzorgd worden. Het zijn kleine kinderen, ze passen nog allemaal in een kinderbedje of in een box. Er staan er tientallen. Ik stap zonder gedachte, zonder gevoel, zonder paniek, leeg, tussen de bedjes en de boxen en de kinderen. En ik zie hem. Hij staat te dansen en te zingen in een kinderbox. Die hoort bij ons, die is bij ons thuis, weet ze. Het is gebeurd voor eeuwig.   En waarom ga ik nu verder, Joris en ik we hebben toch gevraagd dat we een tweeling konden adopteren de zusters hadden dat een goed idee gevonden en toch wandel ik  verder. Mijn god denk ik, zie die rijen en rijen bedjes met kleine babietjes, pasgeborenen nog haast, ze liggen dwars, met drieën in één bedje en op een opgeplooid doekje naast iedere  baby een flesje. Wie de weg naar het tuttertje vindt blijft leven, denk ik en plots zie ik dat ene boeleke, het is er eentje zoals haar zus voor ogen had toen ze het vertelde over de adoptie. ‘Breng een meisje mee,’ had ze gezegd. ‘ Ze wordt later als de Indische vrouwen, met die lange, zwarte vlecht en die bruine ogen, die prachtige lichtbruine huid, zoals Zuid-Europeanen.’ En daar lag ze. Pas geboren. Die haarbos! Die komische dichte haarbos rond een vertrokken gezichtje vol lijden. Een pakje mens. Zal ik je oppakken, zal ik je op mijn borst leggen… ‘Ze heet Nirmala,’ zegt een stem naast mij. ‘Ze is een maand oud nu. Ze was twee dagen oud toen ze hier bij ons kwam. Ze was te vondeling gelegd onder de moerbeiboom, hier vlakbij ons tehuis.’ Maar ik hou wat ik voel in toom . We hebben afgesproken dat het een tweeling wordt! Dus we gaan naar huis met in een blij hart dat jongetje daar. Veertien maanden oud.   De zusters moeten niet lang zoeken ze hebben weeshuizen over heel India. Er is een meisje in een weeshuis op een paar uur vliegen daarvandaan. Ze is geboren op dezelfde dag, hetzelfde uur als onze Radjesh, onze keizer der keizers. We nemen het vliegtuig en een paar uur later… Ai! ai! ai! Het tweelingmeisje mag niet langer geadopteerd worden: ze heeft kinderverlamming… En dadelijk weet ik: we gaan terug naar Delhi dan kunnen we dat busseltje mens in het weeshuis daar, het kindje dat ik in mijn armen wou nemen, dat kunnen we dan dadelijk bij ons nemen, samen met haar Radjesh-broer. ‘We hebben zo vele kinderen hier,’ zegt de vriendelijke zuster,. ‘Wandel rond, kies ééntje van bij ons. Dat meisje daar met haar verminkte lijfje, haar verbrande gezichtje? We hebben haar nog juist uit het vuur kunnen redden. Het was een meisje, de ouders zouden er later een bruidsschat voor moeten betalen als ze werd uitgehuwelijkt. En ze hadden al twee meisjes, een derde konden ze niet meer hebben en dus wierpen ze het in het vuur.’ Ik gruw, ik gruw er nog van, nu ik het vertel. Zoals ik gruwde, twee weken vroeger, toen ik samen met Joris Benares bezocht, waar de asse van de overledenen in de Ganges wordt gestrooid.  Het lichaam van een overleden man wordt op de brandstapel gelegd.  Het wordt verbrand. Zijn echtgenote moet zich in het vuur werpen. Ze moet met hem verdwijnen.  Nee, denk ik. Nee. Het zal moeilijk genoeg zijn, een adoptie. Dat weet ik. Ik heb me voorbereid. We vliegen terug naar Delhi, naar het jongetje en het meisje dat op ons, nee, waar ik op wacht. Naar Radjesh, de keizer van de keizers. En naar Nirmala, de zuivere, de onschuldige.   Ja, ik wil.

versta
21 0

Seks en zomeer. Ik wil.

Seks. Ja. Seks. Natuurlijk zou ik daar mee kunnen beginnen. Wat een bres er in die jaren zestig is geslagen in onze manier van elkaar bekijken, beluisteren, strelen, naar elkaar te verlangen, te vrijen. Hoe je vòòr die dijkbreuk bij overtreding van wat mocht niet mocht, je zonder slag of stoot werd buiten gebonjourd.   Zoals dat klasmaatje dat al een tijdje de binders van haar lichtblauwe geruite schort los liet hangen. Ze vond dit mooier, zeker? Wisten wij veel. Op een dag kwam ze niet meer naar school. Haar schriften en haar boeken werden weggehaald. Er werd van hogerhand geen commentaar gegeven. Van school veranderd, dachten we. Of was ze  verhuisd, woonde ze te ver om nog in `t stad te geraken? Later hoorden we het van elkaar: ze was in verwachting. Over en out. Ze bestond niet meer.   Als een lichte zomerregen begon de pil in het sociale weefsel door te dringen. Maar paus Paulus de zesde, de pillenpaus, proclameerde voor de hele wereld (dat het voor de hele wereld was: dat dacht hij, dat dachten wij toen ook nog): het condoom, de pil: verboden!   Op de proclamatie aan het einde van het schooljaar, zongen wij, leerlingen van het laatste jaar klassieke humaniora, in uniform, op het podium, gniffelend, dat we een jeugd van maagden wilden zijn. We dansten rock-‘n-rol.               Maar is dit de juiste weg? Moet ik het – nu al – moet ik het met jullie, voor jullie, al hebben over die seks-tant? Er is in de sixties en de seventies zoveel gebeurd. Belangrijker? Who knows. Maar vooral: het gaat hier niet over wat IK wil of wat JIJ graag zou weten. Het gaat over ZIJ. Hoe laveerde ZIJ door die jaren? Waarvoor liep ZIJ te hoop? Ik sluit de ogen en ik weet het weer. Duidelijker dan toen. De tijd geeft mij begrijpen, toont mij het hele schilderij: de jaren zestig, zeventig. En ZIJ. Toen.                                                              * * *   Toen registreerde ze sommige dingen en klasseerde ze zonder meer op de zolder van haar geheugen. Ze voelde dat het belangrijk was, ongewoon.  Ze plakte er geen naam op, zag niet waar het naartoe ging. Maar het was er. Het hing in de  lucht, lag te wachten in de platenbakken van de mediatheek –wat een uitvinding- thuis keek het je aan op het televisiescherm, of vanaf de nieuwe zetels in Scandinavisch design.  De Amerikanen stemden de jongste verkozen president ooit het Witte Huis binnen, ze briesten bij het zicht van Cuba, Fidel Castro, Che Guevara, kwamen massaal aangezet in Zuid-Vietnam. Er ging bij haar geen licht op.     De Congolezen dansten het triomfantelijk, jaren geleden al: ‘Indépendance, chachacha! Indépendance, chachacha!’. Er werd door de volwassenen met interesse over het fenomeen  gesproken. Maar zij was nog te jong, toen. Nu, aan de unief,  kwam ze het tegen in de boeken van Sartre, van Camus, Simone de Beauvoir. Het zwierf rond, het werkte. Het deed met haar zoals Vietnam deed met de USA. Het kwam haar leven binnen, verspreidde zich onderhuids, oncontroleerbaar, verstoorde waar ze mee bezig was, bepaalde op de duur naar welke fuiven ze ging, hoe ze zich kleedde, zich coiffeerde, waarover ze praatte, waar ze winkelde, welke vrienden ze zag.   En dan was er dat incident. Een bijeenkomst van studenten over de politiek van Noord Amerika in Zuidoost Azië. De Amerikaanse ambassadeur nam het woord. Iedereen luisterde, geïnteresseerd. En opeens, van tussen de studenten, was er de stem van een vrouw die luid een verhaal riep over napalm, ontbladering, bommentapijten. Twee forse mannen verschenen vanuit nergens. Ze tilden de vrouw op,  droegen haar buiten. Ze riep verder. 1966. Een vergadering in een studentenclub. Ze begon het zich te realiseren.   En er was de kwestie Leuven Vlaams. ‘Wàlen buìten! Wàlen Buìten!’. De stemmen van duizenden studenten botsten tegen de gevels van de statige gebouwen. De gevestigde machten gingen overstag: de boeken van de grote bibliotheek werden in twee gedeeld, de walen verhuisden naar Louvain - la Neuve! Met Bob Dylan en Boudewijn De Groot zongen we triomfantelijk :        Kom vaders en moeders, kom hier en hoor toe. Wij zijn jullie praatjes en wetten zo moe. Je zoons en je dochters die haten gezag, je moraal die verveelt ons al tijden. En vlieg op als de wereld van nu je niet mag, want er komen andere tijden.   De streep is getrokken, de vloek is gelegd op alles wat vals is en krom en onecht. Jullie mooie verleden was bloedig en laks. Wij zullen die fouten vermijden. En de man bovenaan is de laagste van straks, want er komen andere tijden.     Er werd gedacht, gediscussieerd, het broedde. Maar nergens schreeuwde het al op een muur: ‘DE VERBEELDING AAN DE MACHT’. Nog nergens was het mei ’68.                                                  * * *         Nee! NEE! En nog eens NEE! Mei 68! Ik voel het al komen. De oorlogen, wereldwijd, de flower powerbeweging, het anti-autoritaire denken: de Grote Principes van Deze Tijd. Ik wil het er hier niet over hebben.  Daar werden al zoveel woorden aan vuil gemaakt, soms ben ik het zat. Het gaat hier om een autobiografie! En trouwens, een overzicht over die oorlogen en zo, dat is fout: dat is een opsomming. En opsommingen kùnnen niet. Dat leest te moeilijk. En het is te abstract. Wablief, te ABSTRAKT? Een meisje, negen jaar oud, naakt,  schreeuwend, zonder vader, zonder moeder, dat vlucht uit haar dorp dat met napalm werd bestookt, bommen die een wijk in de stad van het ene moment op het andere in een hel veranderen, honderden doden. Te abstract? De campings in de Haute Provence, die in de zomer her en der enthousiast uit de grond schieten, waar mannen ongegeneerd hun edelste delen blootgeven, vrouwen op de place publique vrolijk hun kinderen de borst geven; die zorgvuldig hun schaamhaar, hun oksel-en hoofdhaar coifferen. Te abstract?               Nee, dus. Maar toch: dat is geen autobiografie. Mijn protagonist, mijn hoofdpersoon, ziet nog niet de grote lijnen, kan wat er gebeurt nog niet in abstracte woorden vatten. Ze kan het nog niet beseffen. Ze zit in het tweede jaar unief. Ze studeert graag. Ze heeft een warme thuis. Ze is gelukkig. Ze is naïef. Wat zeggen ze, die studenten op de achterste rij?   * * *.   Trouwens, wat zit dat meiske daar te doen? Welk meiske? Die por daar, op de tweede rij. Ja zeg, zeveraar! Er zijn maar twee rijen porren: de twee voorste. Ik vraag me af: zouden die nu nooit eens goesting hebben om mee hierboven bij ons, op de tweeëntwintigste rij te komen zitten? Dan hebben ze tenminste een overzicht. En wij interessante compagnie. Veel gezelliger, toch? Enfin. Wie bedoelt ge nu eigenlijk? Hewel, die por daar met dat bruin haar en die groengrijze ogen. Ah, die! Een toffe griet, hé man. De Soi zegt dat ze op Audrey Hepburn trekt. Dat zal de Soi wel zeggen over -en liever nog aan- de helft van alle porren hier in Leuven. Die meiskeszot! Zie ze in de weer zijn met haar cursus! Die wil er werk van maken, hé. Ze zou beter haar best doen om een lief aan de haak te slagen. Ze gaat nog altijd met niemand. En ons vader zegt, dat meiskes enkel en alleen naar de unief komen, om een goede partij te vinden… Wat zou ze studeren? Rechten? Psychologie? Weet ik veel. Maar als ge er zo curieus naar zijt, waarom vraagt ge het haar niet zelf? Schrik, manneke? Durft ons Kareltje niet? Onnozelaar. Nee, zeg. Maar ik heb gehoord dat ze zo serieus is. Ze gaat nooit op de lappen. En als ze al eens naar een thee dansant gaat, is het samen met die vriendinnen van haar: niet gemakkelijk om er u tussen te wringen. Nochtans, Kareltje, nochtans… ze zit op het eerste meisjeskot hier in Leuven zonder kotbaas of kotmadam! Negen porren, hun eigen baas! Als ge daar een voet in huis zoudt krijgen… Laat het uit, zeg! Véél te serieus voor mij! Als ze uit gaat, is het naar het theater of naar een concert. Of naar die mannen van de kleinkunst. Naar Louis Verbeek. Of die zanger, Miel Cools. Of Hugo Raspoet, … Ge weet toch dat Hugo Raspoet verleden week ladderzat in de grote aula op het podium stond? De aula zat vol – uw vlam daar was er ook, ik heb ze gezien. Ge zoudt u voor minder een stuk in uw kraag drinken als ge moet staan zingen voor zo’n vijfhonderd man… Maar die Audrey Hepburn hé, die zit elke week in den Bellarmino. Dat is dat studentencentrum van de Jezuïeten. Ze gaat daar naar een vergadering, gesprekken over onderontwikkelde landen, allez, de missies. Hebben ze mij verteld. Ziet ge mij al zitten? ’t Is spijtig, het is een toffe griet, zo te zien. Maar ik ga ‘s avonds toch liever een pintje pakken in den Boule d’Or. …                                                              * * *               Daar gaat ze… En het is weer hetzelfde. Schrijven is tricky voor mij. Ik weet niet altijd klaar en duidelijk het onderscheid te maken tussen ik en zij. Schrijven neemt me mee naar schemerplaatsen in mezelf, naar gedachten, naar gevoelens, die er wellicht altijd al waren maar waar ik nog nooit zo scherp mee geconfronteerd ben geweest.   Maar laat ik hààr nu maar volgen. Laat ik hààr aan het woord. Dan kan ik mezelf even vergeten… Zo was ze dus.                                                                * * *            ‘Het is het licht - denkt ze - dit schemerlicht. Alles is erin verzopen.’  En ze stapt het lome weer in van eerste warme zomerdagen. Zalig, hoe ze zomaar, zonder jasje, zomaar, in haar jurk, met blote armen, met blote benen door de stad kan wandelen, denkend, voelend, bijna blindelings, bijna op de tast    Hoe ze vervuld is van waar ze daarjuist nog over praatten. Dat alle mensen gelijk zijn. Dat je zelf toch wéét dat je het beste voorhebt met de andere. Je buurman ook. Dat hij zou reageren als jij, tenminste, als hij voldoende vertrouwen had. Maar dat ons eeuwen en eeuwenlang werd aangeleerd en ingeprent dat een mens zelfzuchtig is, een wolf voor de medemens. En dat we dus wantrouwig zijn tegenover elkaar en agressief. Dat we niet beter weten.   Maar dat het anders zou worden. Zij, de jongeren van nu, zij zouden hier mee breken. Ze zouden anders gaan leven, radicaal. Zij zouden kiezen voor de liefde. Love and Peace. Geen saaie conventies, geen verstarde instituten zouden hun leven beheersen. Geen oorlog meer, geen legerdienst: burgerdienst. Of helpen in ontwikkelingslanden. Niet domineren.   Ze zouden houden van alle mensen, zonder onderscheid van rang of stand of kleur. Haar leek dat vanzelfsprekend. Houden van was bij haar ingesijpeld langs wat ze had gevoeld, langs wat ze had gezien, gehoord en meegemaakt, hoe de mensen rondom haar, en toen ze het in de boeken las, en toen ze merkte hoe iedereen er naar, en wat straal je zo vroegen haar vriendinnen maar ze wàs niet verliefd op Jules of Jef, ze was verliefd op leven. Zalig. Zoals vanavond.   Hoe ze hier stapt. Nooit nog zal ze zo gelukkig zijn – dat voelt ze en ook nu al het heimwee van later. Naar deze tijd dat ze is, vertroeteld, aangemoedigd, draagster van verwachtingen, die van zichzelf, die van anderen, nog niemand gefrustreerd - ook niet zichzelf - door de gemaakte keuzes. Alles is mogelijk. Ze is alles in allen. Nu.   Ze wandelt, ze stapt het ritme, ze stapt voorbijglijdende tijd, onaangedaan, als het tikken van een klok van vroeger, het druppelen van een lekke kraan, onbezorgd genoeg om houden van te laten overstromen, iedereen, alles mee te sleuren, te omvatten. Het ligt als dauw in haar ogen, ze absorbeert het, straalt het uit. En ze geniet. Van elke stap. Van het geroezemoes op de caféterrasjes. Van het gelach uit de open ramen van de studentenhuizen. Van de idee dat god liefde zou zijn en dat Alle Menschen Brüder werden.   Hij is de donkere vlek aan een raam op de tweede verdieping. Hij ligt buiten haar ritme, buiten de kadans van haar benen, buiten wat ze denkt en voelt. Buiten. Ze komt hier rond dit uur bijna elke avond voorbij de laatste tijd. Ze heeft een kamer in het studentenhome voor meisjes, twee straten verder. Hij is haar gevolgd.   Hij haat haar. Ze is vandaag begeerlijker dan alle andere avonden. Alles is anders deze avond. Het is het weer - denkt hij. Die ongewone warmte. En dat stuk ongeluk daar in zijn broek, dat niet kan wachten en hij ook niet. Hij weet niet hoe je het hier kan aanmaken, hij heeft al veel te lang gewacht. Hij weet niet hoe hij hier... hier in dit regenland, zo stijf en koud en grijs en ontoegankelijk.   De hete teef zie ze daar lopen met haar chique kleren en haar nonnengezicht zie ze draaien met haar kont ze vraagt erom ze daagt uit wil laten voelen nee ik heb geen koorts maar wijven van haar soort...   Alle Menschen werden Brüder... mensen positief benaderen. Ze hebben er al zo dikwijls over gediscuteerd. Ze ziet het gebeuren, zich verspreiden als stuifmeel in de lente, als een melodie die kabbelt, samenkomt met andere stemmen, ondersteboven wordt gekeerd, in harmonie terugkeert. Houden van.     En ze fêteert haar negentien jaar, ze stapt de straten door alsof ze op een catwalk loopt, vrijend, met alles, met iedereen, tot alles bereid voor iedereen gekruisigd dit moment, deze zomeravond, alsof het een intrede in Jeruzalem is, een wake in een hof van olijven, een vers uit een Hooglied: wie is zij die daar komt als het rijzend morgenlicht, heerlijk als de maan, schitterend als de zon, geducht als een leger in slagorde geschaard.   En dan weer die melodie, de cello’s die natrillen op de plaats waar zij haar voeten heeft gezet en die smeken om piëdad, om mededogen met de wereld, met iedereen met vergeef ons onze schulden en misschien zong de muziek voor niets misschien was het al te laat maar dan was het beter te laat met grootmoedigheid met vergeef ons onze schulden gelijk ook wij vergeven aan onze schuldenaren en dan kunnen we daarna opgaan misschien in de mist in de stralen van de avondzon in I had a dream in de muziek der sferen.   ‘Hoerenjong’ denkt hij. ‘Ik zal je hebben ik zal je leren ik zal je laten voelen hoe die van jouw soort deden toen we gevangen waren, hoe ze Marissa, hoe ik moest toezien hoe ze na elkaar op haar kropen hoe ze haar kut hebben opengereten en haar lippen stukgebeten. Ik zal je – vloekte hij - ik zal je...’ En toen Marissa bijna niet meer reageerde, toen hun plezier voorbij was, hadden ze haar doodgeschoten. Hij was gevlucht.  ‘Maar ze moest niet denken dat... Ik zal ze ... Ik zal ze...’   Geluk. Wat is geluk. Ze hoopt er op maar voelt dat het misschien anders is. Misschien is er geluk met ander soortelijk gewicht. Zwaarder. Moeilijk. Verdrietig soms. En ook hemelhoog. En stralend. Niet alleen moeder en kind. Ook zo’n melodie maar met boven-en ondertonen. Polyfonie. En dat het niet vergeefs zou zijn. Dat ze wou afzien – als het moest. Maar dat ze ook zou krijgen. Dat het Im Ganzen in evenwicht zou zijn. Dat de muziek zou blijven stromen, sotto voce soms, in mineur waarschijnlijk, maar altijd muziek. Altijd leven.   Ze is er nu bijna. Nog deze straat door. Het licht is gekanteld: het is donker. De straat is leeg. Het loopt niet gemakkelijk met hakken op de kasseien.  Bakstenen muren aan weerkanten van de straat. Aan de ene kant een meisjescollege, aan de andere kant een kloostertuin. Allebei eeuwenoud, binnen de eigen muren gevangen. Verlaten op dit uur. Ze ziet de schaduw niet die zich losmaakt uit het zwart van de muur, als nauwelijks een zuchtje wind waar zij nog juist daarvoor bewoog.    Het is nu echt donker. En fris. Ze rilt. Het loopt door haar hoofd wat haar doopmeter haar verleden zaterdag vroeg: ‘Heb je er al eens over nagedacht, Frida, wat je voor jezélf zou willen? Zonder al die sukkelaars die je zou willen helpen en die je zullen opeten? Je gaat toch niet naar ’t klooster gaan, zeker? Je wordt toch geen non? Nee. Gelukkig. Hewel, wie wil je dan zijn, binnen, pakweg, tien jaar?’. Zo was ze, die meter, ze nam geen blad voor de mond. Zeker niet als haar moeder er niet bij was. Ze heeft er over nagedacht de voorbije dagen, jawel. En het antwoord is: nee. Ze weet het niet. Zijzelf? Wat ze wil worden? Wie zal het zeggen? Wìl ze iets worden, gewoon, voor zichzelf? Verrek! Het was zo’n volmaakte dag. En nu loopt ze weer te  piekeren! Wat waren die prachtige verzen van Goethe weer? Über alle Gipfeln gibt’s Ruhe... denkt ze. En ook, met zoet verdriet, als bij liederen van Schubert, nocturnes van Chopin, dat haar vriendinnen nu bijna allemaal met een lief rondlopen en zij niet  en dat ze zo alleen is en zou ze ooit...  Ze is nu bij de stenen brug en de vervallen watermolen, een eenzame plek - bizar, zo in de stad. Het was hier altijd al buiten de muren, onbeschermd gebied, ook in de middeleeuwen. De straat splitst: rechts haar studentenhome, links brakke grond. Ze is midden op de brug. En spert de ogen open voelt weet paniek vingers die langs haar slapen fladderen als vleugels van een mot rond het licht van de lamp een hand die tast naar haar mond een arm die probeert haar vast te klemmen haar lijf reageert  ze glipt uit de armen rent de straat van het studentenhome in schreeuwt attention je crie tu sais weet  ziet de schaduw die de straat van de brakke grond in loopt.   Ze heeft dit nooit verteld, aan niemand.    * * *   Een week later, amper een week later staat ze op de hoek van de straat van het museum en het zonnige plein voor de bibliotheek.  Alles gaat zijn normale gang: wandelaars, fietsers, auto’s, duiven. Ze wacht. In de schone maand van mei, jochei! Ze wacht. Verrukt. Opgetogen. Ze wacht op HEM! Op de student waarvan ze deze morgen een brief heeft gekregen.  Ik heb je lief - had hij geschreven. Ik heb je lief met alle verwarring die daar normaal blijkt bij te passen. Verwarring waaruit ik alleen toch niet kan komen. Conclusie: jij zult er mij moeten uit helpen. Verontschuldig mij voor dit bevel: ik zie me tenslotte verplicht jou voor het dilemma te plaatsen waarvoor ik zelf sta.   De eenvoudigste manier om mij te bereiken, is te bellen naar het nummer 28 83 52. Jouw zwijgen is mij een teken, evenveel waard als je spreken.   Ze kende hem van de vergaderingen over ontwikkelingslanden, over het engagement van christenen in deze tijd. Ze vond hem toen, nee, ze dacht toen, nee, ze vond, nee, ze voelde zich, nee, ze dacht dat dàt een man was, ja, daar zou ze, hij was, hij had iets wat haar aantrok, nee, niet iets deftigs, iets voornaams, hij was iemand interessant, hij had een lage, zware stem die verstandige dingen zegde, hij maakte indruk maar hij was helemaal geen Streber, met zò iemand, op zò iemand zou ze verliefd kunnen worden. Het stak de kop op maar ze sabelde het dadelijk, genadeloos neer – haar moeder… Maar nu had hij die brief geschreven en ze was dadelijk  himmelhoch jaugzend  en ze hadden een afspraak gemaakt om dit uur en op deze plaats . En daar stond ze en de lucht is blauw en ik hou van jou en boordevol verwachting en hoezo hij was er niet hoezo hij is te laat iedereen kan wel eens te laat komen dat is toch geen ramp en de lucht is blauw en ik hou van jou en zie nu toch die duiven hoe gulzig en schrokkerig en de lucht is blauw en ghequetst ben ic van binnen en hij is al zoveel te laat en het zal toch geen grap en ghequetst ben ic van binnen ghequetst so lanc so meer en de lucht is blauw en schrokkerig en daar is Jos op de fiets, hij heeft zijn zwarte jezuïetentoga met fietsspelden vastgeklemd, hij komt zeker weer van één of andere vergadering over ontwikkelingslanden en      ‘Frida, alles goed?’ ‘Dag Jos. Ja, dank u. Ik sta hier te wachten op iemand. Maar hij is een beetje laat. Nu toch al een kwartier. En…’ ‘Frida, jij bent toch niet op Joris aan ’t wachten?’ ‘Jawel. Hoe…’ ‘Snel. Ik ga hem halen. Ik heb hem juist nog gesproken. Hij staat een straat verder te wachten. Ook op iemand. Op jou, dus. Ik ga hem verwittigen dat jij hier staat.’   Jos stapt op de fiets en crost weg. En zij wacht opnieuw verblijd en Ic en kan gerusten dach noch nachte en ze grinnikt ze lacht opgelucht en daar is Joris daar komt HIJ, ze lopen naar elkaar toe en gooien zich in elkaars armen en de voorbijgangers glimlachen en het licht omstrengelt hen als klimop de bomen en ze lachen hij verontschuldigt zich hij heeft zich van straatnaam vergist en ze plaagt hem hij hoeft zich niet te verontschuldigen maar nu heeft ze levenslang permissie om te laat te komen op afspraken met hem en zijn handen strelen haar haren en die blauwe ogen achter die donkere bril zijn zware lippen op de hare en ze zoenen en dat is ambrosia wat vloeit mij aan uw schedelveld is koelder maan en alle appels blozen…                                                         * * *     Er is het beeld van de twee bomen. Ze komen recht op mij af. Dan is er niets. Dan is er helder licht, ginder ver. Ik kom er langzaam dichterbij. Dan is er niets. Dan voel ik de warmte van de zon op mij. Dat is zo goed, dat doet zo’n deugd: thuis wil het maar niet zomeren. Dan is er niets. Dan zegt iemand naast mij - in het Frans? in het Nederlands? - dat ik stil moet blijven liggen, dat de ziekenwagen onderweg is. Dan weer niets. Dan vloekt iemand naast mij, boos: ‘Merde! Espèce de cochon! Il ne veut pas nous laisser passer!’. Ik lig in een ziekenwagen. De sirene loeit. Dan is er weer niets. Dan lig ik op een hoog brancard-bed, in een grijze kamer zonder ramen. Er brandt neonlicht. Ik lig in een kliniek, denk ik. Dan weer niets meer. Dan is Lieve, mijn oudere zus, bij mij. Ze is verpleegster. Ze vertelt dat de R4 waarin ik zat, in een ravijn is geslingerd. Twaalf meter diep, twintig meter verder. De twee jongere zussen,  hebben blauwe plekken en builen maar verder niets.  Jorismijnlief heeft een paar gebroken ribben. Dat doet pijn. Het vraagt zijn tijd om te genezen. Maar het is niets ernstigs. En er is iets met mijn nek, dat onderzoeken ze verder hier in de kliniek . Je ligt in de kliniek in Bordeaux, wist je dat niet? Dan weer niets – geen paniek of zo. Gewoon niets.    Tot ze – ik herinner me geen gezichten – tot ze me komen zeggen dat mijn nek oké is. Ik moet nu rechtstaan. Dat mag, dat moet, want er is niets met mijn nek. Hij is gezwollen, maar hij is oké. Ik wil rechtop gaan zitten. Ik schrik: mijn nek doet afschuwelijk pijn. Ik leg me weer neer, stuur weg wie me zou helpen. Hij/zij laat me begaan. En ik laat het  over aan mijn wijze lijf: eén been beweegt zich over de rand van het brancard-bed, bengelt naar beneden. Het andere been zet zich af, bekken, romp en hoofd leggen zich dwars op de brancard, het hele lichaam glijdt naar beneden. Om de pijn te vermijden, houden de handen het hoofd recht, op één lijn met de ruggengraat. De voeten raken de grond, de romp is nog gebogen want het hoofd ligt nog op het brancard-bed. Dan recht zich de romp, de handen tillen het hoofd op en zetten het zorgvuldig op zijn plaats op de wervelkolom.   Wat er hier gebeurt beleef ik verbaasd, bewonderend. Hoe kan je lichaam zoiets intuïtief doen? Het besef ervan wordt voor het leven opgeborgen. Maar nu duurt het niet. Ik wandel  naar de deur. Naar buiten. Daar wordt op me gewacht.                                                                  * * *   De avond daarvoor kampeerden we. We, dat waren mijn oudere broer Hugo, mijn oudere zus Lieve en vriend Leo. Ze reden vòòr ons in een goudkleurige BMW. Jorismijnlief, mijn jongere zussen Agnes en Rita en ik volgden in een bordeauxkleurig R4-tje. Het was de eerste keer dat we kampeerden, maar we deden het als de groten: we zetten twee tenten op, installeerden slaapzakken, kampeergerief, maakten een kampvuur om te koken. De tenten en zo lukten prima, het eten was slecht. Gewoon: slecht: het was het eten van de streek dat we in de boerderij van onze kampeerplaats kochten: conservenblikken andouilles: geprepareerde varkensdarmen, de specialiteit van de streek. Bordeauxwijn maakte alles vrolijk. Met veel gelach en geplaag waren we de volgende dag vertrokken naar de playas in het noorden van Spanje. Er was toen nog niet zoveel te doen over El Generalissimo Franco. Lieve, Leo en Hugo reden voorop. Joris zat bij ons achter het stuur. Er waren de perfect onderhouden Franse asfaltwegen tussen volwassen ronde heuvels en groene dalen, bossen en de boomgaarden , weiden met grazende, bezadigde koeien, schapen en lammeren, velden en velden zonnebloemen, blauwe lucht langs alle kanten. Agnes tokkelde op de gitaar, Joris stak een wagen voorbij. Dan even niets. Dan die twee bomen die op me afkwamen.  Agnes zat opeens met de gitaar in de armen in de wei beneden. Rita zag, voelde de auto over zich heen donderen. Joris is ook uit de wagen geslingerd – gelukkig: de wagen is schroot.    Later de treinreis, terug naar huis. Ik mag Joris niet aan ’t lachen maken: één van zijn gebroken ribben drukt venijnig op zijn lever, dat is erg pijnlijk. Vakantie in het ravijn gevallen: zo’n vijf verdiepingen diep. Alle vier uit de wagen geslingerd. Maar we zijn oké, ik ben oké, dat hebben ze in de kliniek in Bordeaux verzekerd. Ik mag met de trein naar huis. Luc en ik, we liggen in de trein in couchettes naast elkaar. Zijn hand wriemelt zich onder mijn deken, speelt met de tepels van mijn borsten. Zalig. Heerlijk. Ik lééf.                                                              * * *   Later thuis. Eindelijk is het ook bij ons zomer, we leven weer in de tuin. Ik werk aan mijn thesis en speel met neefjes en nichtjes: ‘Gendarm en Dief!’. Enkele gendarmen moeten een groep dieven oppakken: ze tikken ze aan en stoppen ze in het gevang . Wie dief wordt en wie gendarm, wordt door het toeval beslist: iemand van de neefjes en nichtjes  slaat enthousiast op mijn rug  terwijl hij vraagt: ‘Gendarm of dief?’.  Het is een buitenkansje voor de neefjes en de nichtjes: er zijn een paar kleppers bij met flink wat levensvreugde en ze kunnen niet alle dagen zo stevig doorkloppen op de rug van de tante. Op mijn rug. Op de rug van twaalf meter diep en twintig meter verder. Want alles is oké. De specialist in het ziekenhuis thuis heeft massages voorgeschreven en behandelingen met warme klei. Lieve is verpleegster op die afdeling, ze volgt me op. Alles is oké, alles gaat goed: het weer, het leven, de liefde, de ‘slachtoffers’, de nek. De verzekering: Joris treft geen schuld, hij deed zijn inhaalmanoeuvre perfect. Maar de wagen had een klapband, Joris had het gevoeld, wou stoppen langs de kant van de weg, daar lag een hoop grint, de R4 was geslipt en zodoende… Dus alles in orde! Ik ga voor de thesis in september! Alleen: mijn arm begint meer en meer pijn te doen als ik schrijf. En ik schrijf veel: de thesis! Na een paar weken  moet ik zelfs  stoppen met schrijven, gaan liggen en wachten tot de pijn over is. De specialist verstaat het niet , neemt opnieuw foto’s van mijn nek. De ligamenten van de ruggenwervels C4, C5 en C6 zijn gebroken. De ruggenwervels zijn al anderhalve millimeter verschoven. Nog een halve millimeter verder en de zenuwen in de wervelkolom zouden onherroepelijk beschadigd zijn: het hele onderste gedeelte van mijn lichaam zou verlamd zijn.   Donderdag wordt het geconstateerd. Zaterdag lig ik in de universitaire kliniek van Leuven.                                                                 * * *     Eigenlijk is het een draaispit op mensenmaat. Het is  gemonteerd op het karkas van een ziekenhuisbed. Aan hoofd - en voeteneinde twee metalen balkjes, rechtop, een kleine twee meter(?)hoog, acht à tien centimeter dik. Een stuk boven de bodem van het bed is er een opening in die balkjes. Daarin horizontaal, van de ene kant naar de andere, een discrete ronde staaf. Waarop een brancard. Daarop een kampeermatrasje, een  laken,  een hoofdkussen, een bovenlaken, een deken. En ik, de zijkanten van mijn schedel kaalgeschoren. Aan elke kant van het hoofd, in de tussenruimte tussen de twee harde schedellagen, hebben specialisten een soort koptelefoon aangebracht, waaraan een kabel, de dikte van een koord. Die kabel loopt naar een gootje in de top van het metalen balkje aan het hoofdeinde, passeert het gootje, hangt naar beneden, achter het ziekenbedkarkas. Aan die draad hangen gewichten. Elke dag een beetje zwaarder. Zo krijgen ze  de wervels van de ruggengraat weer strak in het gelid. Alleen als de ruggengraat kaarsrecht is, kunnen de losgeslagen wervels opnieuw vastgezet worden. En zal ik geen invalide worden, half verlamd, zoals mijn kamergenote, een vrouw van veertig? vijftig? jaar. Verlamd vanaf de romp. Niet meer gaan, niet meer  staan, tot daartoe, zegt ze. Elke dag drie keer eten. Natuurlijk. Maar daarna de vertering, de stoelgang… Ze moet het me niet vertellen. Ik beleef het elke dag mee. Een kalvarie….   De ruggengraat mag niet bewegen. Niet rechtzitten, dus. Ook niet een beetje. Om te eten. Te wassen. Te plassen. En zomeer. Het wassen, het plassen en zomeer is een gewone ziekenhuis affaire. Maar eten? Twee keer per dag wordt boven op de ene brancard een andere brancard stevig vast geriemd. En word ik omgedraaid. Een worst aan het draaispit op een tuinfeest…   Aan het hoofdeinde is er in de brancard een stuk stof uitgespaard. Het voorhoofd steunt op de brancard, het gezicht is vrij. Ik lig dus op de buik en kan door dat ‘raam’ eten en lezen. Dat is mijn redding: lezen. Tolstoï, Dostojewski, Stendahl, Camus, Flaubert, Daphne du Maurier, Boon, Elsschot. Familie en vrienden brengen zichzelf en de boeken mee. Ze maken afspraken, denk ik nu, wie wanneer aan mijn draaispit zal zitten.  En er is natuurlijk ook Jorismijn lief…       Mijn lief ,   “Nu je daar zo half kaal ligt,  nog half verdwaasd van de verdoving, is het alsof de liefde die je me gegeven hebt de laatste tijd, pas nu volledig tot me doordringt en mij overwint. Ik dronk gisteravond werkelijk vrede en vreugde uit je ogen en je lach. Het is alsof je machteloos liggen, je hulpeloos zijn, mij sterk maken en mij helpen te blokken en goed te zijn en rustig te blijven en mij werkelijk doen leven… Gisteren heb ik nog nagedacht over wat dat nu juist is, verliefd zijn. Iets vreemds is het niet, want dat betekent dat het nieuwe er van af zou gaan. Eigenlijk, verliefd zijn: het is iets anders. Iets dat je samen met allen en alles rond je verandert. Een bekering, zoiets als. Het is een prijsgeven van mezelf, een stuk willen worden van jou en jou als een stuk van mij aanvaarden.  En alle kale hoofden op de wereld veranderen daar niets aan… Frida, zonnekind, prinses… “                                                    * * *               Na drie weken tractie zijn de wervels die het ruggenmerg zouden kunnen beschadigen, terug op hun plaats geschoven . Een meevaller: de chirurgen hadden gedacht dat het zes weken zou duren. Maar deze patiënte is jong en soepel. Ze zouden nu stukjes uit het heupbeen kunnen snijden, via de nek tussen de wervels plaatsen en laten vastgroeien zodat de wervels niet meer kunnen wegglijden. Dat hebben ze al tien keer gedaan. De nekwervels zijn dan wel onbeweeglijk: patiënten kunnen het hoofd niet meer draaien, ze moeten het hele bovenlichaam gebruiken om naar links of naar rechts te kijken. Natuurlijk, dat is een minder kwaad: het gevaar voor verlamming is verdwenen. Maar. Ondertussen zijn er nieuwe stappen gezet in het onderzoek: als de wervels langs de voorkant zouden vastgezet worden, langs de hals dus,  zou de beweeglijkheid van de nek veel groter zijn. Goed, maar hoe geraak je via de hals bij de nekwervels: er is geen zichtbaarheid. Wel, dat hebben de chirurgen in theorie al uitgedokterd: er zouden doorlopend röntgenfoto’s genomen worden van de nekwervels en die zouden geprojecteerd worden op een televisiescherm. De chirurgen zouden dan opereren via het televisiescherm. Ze gaan dit bij mij voor het eerst ook echt doen, stellen ze voor. De operatie is een wereldprimeur. Ze wordt gefilmd.   Wat gebeurt.  Met succes. Nog eens drie weken later word ik uit het ziekenhuis ontslagen. Ik val als ik opnieuw wil lopen: als je zes weken je benen niet gebruikt, zijn het flanellen stokjes geworden.  Maar ik tors vol vertrouwen mijn nek, die van kin tot schouders  ondersteund wordt door een stevige plastic kraag. Beetje bij beetje mag ik hem losmaken en uitdoen. Een paar maanden later, in de lente, wordt een introductie op de wetenschappelijke film opgenomen. En vertel ik met een beweeglijke, slanke hals, hoe ik in een ravijn lag. ‘Dan voel ik de warmte van de zon op mij’ zeg ik. ‘Dat is zo goed, dat doet zo’n deugd: thuis wil het maar niet zomeren.’ ‘Cut!’ roept de regisseur.                                                                * * *     Ik, toen... Frida. En ja, dit is wat de mensen der letteren een keerpunt noemen, denk ik. Een  gedwongen wending in mijn leven.  Alles is druk, zo druk dat er geen verdere gedachte kon zijn over wat mijn andere leven had kunnen worden. Ik was er achter gekomen: ik wil journaliste worden, naar Eindhoven nog een jaar cursus volgen. Maar wat dan met Joris, met Zuid-Amerika. Misschien, misschien – maar haar gedachten werden zo erg dun als ze dit dacht, ze leken nog nauwelijks garendraadjes - maar. misschien. kunnen we trouwen, kan ik meegaan naar Zuid-Amerika; op een langere huwelijksreis. Dan kom ik terug, volg die opleiding, zien we elkaar van tijd tot tijd: het is toch maar voor één jaar… Ik sta te snotteren aan de afwasbak als ik dit vertel aan mijn moeder. Die is boos op Joris. ‘Waarom kan hij niet gewoon zijn militaire dienst doen, zoals je broers gedaan hebben. Maar nee. Als je trouwt, moet je met hem meegaan.’.  Ze is boos. Als je met hem trouwt. De gedachte is dood geboren. Een ander leven voorbij.                                                               * * *   Hoe naïef was je, Frida, hoe onschuldig, hoe onvoorbereid. Ondanks alle cursussen sociale leer van de kerk en sociologie en politieke en sociale filosofieën en ethiek van de pers aan de universiteit, boeken en schriften vol. Hoe je in het kokende bad van de verre wereld werd gegooid – hoe je jezelf er hebt ingesmeten – samen met dat lang stuk halve Jezuïet van je, waar je tot over je oren verliefd op was. Hoe je het dramatische ongeval met de wagen overleefde. Hoe je amper de tijd kreeg om te ademen voordat je, hals over kop, twee dagen nadat je was getrouwd, bent vertrokken naar Colombia, Zuid-Amerika: vierentwintig uur (?) met het vliegtuig onderweg naar dat passionerende, schokkende stuk van de wereld. Een jonge bruid. Je was nog niet eens bekomen van je gebroken nek…je mocht nog maar sinds een paar maanden zonder halsprothese  rondlopen… Tant pis. Ik heb beslist dat ik dit zou schrijven. Ik doe het. Ik beschrijf Frida, toen. Tenminste, ik zal het proberen…                                                                  * * *     Ginder is Frida een gringa. De meeste mensen denken in het begin dat ze uit de USA komt. Want ze is lang,  met grijsgroene ogen en bruin haar. ‘Gringa’ is hier niet onverdacht een eretitel. Ze legt dus altijd uit dat ze uit Europa komt. Uit België. België, waar ligt dat?  Ambèrres – probeert ze dan – Brusèlas. Maar dat slaat zelden aan. Ze moet er Frankrijk bijhalen, Parijs, Duitsland, de Noordzee, Engeland, Londen... Ah, zo! Europa! Bolivar! De onafhankelijkheid!.. Vanaf dan is ze geen gringa meer. Maar dona Frida. Of doctora. Of meer liefkozend: monita. Blondje: alles wat niet ravenzwart is. Het is een geliefd koosnaampje.   Ze heeft nagedacht  over wat ze gaat aantrekken. Jeans en laarzen. Want ze heeft schrik voor de vuiligheid, de modder, de mest, de vliegen, de luizen, de graatmagere  honden, de groezelige handen, de ziektes die in de tugurios krioelen.   Ze zal haar regenlaarzen aandoen en de beige hemdsbloes met lange mouwen, die tot bovenaan goed sluit.  Ze is er bijna zeker van dat ze met vlooien thuis zal komen. Geen luizen. Ze heeft nooit luizen. Ze doet haar ruana niet aan. De hare is van soepele wol: dat trekt teveel de vlooien en is moeilijk te wassen. Ze draagt een trui: deze maand regent het iedere dag driftig één, twee uur lang. Dan is de zon er terug. Maar even kan het koud zijn, op 2 700 meter hoogte:  het is hier winter deze maand.   Ze gaat  mee met Leticia, een vriendin. Leticia is ouder dan Frida – tenminste, dat denkt Frida toch. Ze komt uit een welstellende familie. Ze is sociale assistente bij de Bienestar Familial. ‘ ‘De senorita’ noemen de mensen haar. Ze werkt in deze miljoenenstad met de onderklasse van de allerarmsten: de twaalfduizend straatkinderen jonger dan tien jaar - de  gamines. Ze zijn weggelopen van huis, weggejaagd, het zijn weeskinderen, ze waren teveel, ze werden aan de deur gezet, weggeslagen, op een marktplein achtergelaten. Ze overleven en sterven op straat. Zoals bijna alle kleine mensen, draagt Leticia altijd een ruana van ongebleekte, stroeve wol. Zij is van hier.     Ze gaat op huisbezoek  bij een familie in de krottenwijken, die aan de rand van de stad tegen de geërodeerde bergwand uit de grond zijn geschoten. De twee oudste kinderen, de jongens, acht en zes jaar,  zijn gamines. De twee meisjes, ééntje van drie jaar en ééntje van acht maanden, hangen nog letterlijk aan hun  moeders’ rokken.  Leticia gaat praten met de man en de vrouw: de man heeft de vrouw weer afgeslagen. De vrouw heeft een gat in het hoofd. Haar jongens zijn het komen zeggen.    Ze gaat mee met de sociale assistente. Ze heeft schrik van armoede. Ze heeft schrik van de stank, haar maag draait er van om; ze heeft schrik van dieven; ze heeft schrik van graaiende handen op de bus, die in het ijle zweven, die aan geen lichaam schijnen toe te horen en portefeuilles stelen; ze heeft schrik van lange, gele nagels aan gekromde vingers, die te dicht bij haar polsen komen; ze heeft schrik van niet- zichtbare messen onder poncho’s en ruana’s; ze heeft schrik van veel volk samen; ze heeft schrik van wat mensen doen als ze wanhopig zijn. Maar anderhalf jaar nadat ze hier is aangekomen, wil ze meegaan.   Nu. Nu ze de taal een beetje kent, nu ze verstaat wat er gezegd wordt, nu ze heeft geleerd hoe mensen elkaar hier begroeten, nu ze soms al voelt wanneer ze kan praten en wanneer ze beter zwijgt, nu ze niet meer panikeert als er ratten over de weg lopen, nu ze het verhaal kent van dit land van orchideeën, van anjers, van kolibri’s, arenden, caymanes, papegaaien, van anaconda’s, van koeien, muilezels en paarden, van lulo’s, papayas, aguacates en mango’s, van granaatappelen, van chirimoyas en guayabas, van appelsienen, limoenen, pruimen, kersen en bananen; van jasmijn, mimosa, palmbomen, bouguinvilleas, van katoen- en koffieplantages;  van eindeloze,  gelige vlaktes in de hoge paramos, van de besneeuwde bergtoppen in de Sierra Nevada, van  de eeuwiggroene bergketens van de Andes, van witte stranden aan een  helderblauwe oceaan, van broeierige wouden, van okerkleurige rivieren, van smaragden, van goud, van irridium en olievelden,   nu ze zonder nadenken het verschil kan voelen tussen een cumbia, een san juan, tussen porro, paseito, merengue, gaita,  bambuco, chorope, patacore; nu ze ze ook al wat kan dansen; nu ze de sensuele verleiding kent van sierlijk geheven armen, lage schouders, wiegende heupen,  die iedere stramme westerling in het begin jaloers, gegeneerd weg doen kijken; nu ze ook de afgebeulde mensen verstaat, de geëngageerde doeners, denkers en artiesten, de familienamen weet van de herodiaanse grootgrondbezitters, machtig als despoten, nu ze ook daarin een onderscheid kan maken,   nu ze het weet van de vuiligheid, van het klagende geroep van bedelaars, van de stompjes armen en benen die plots onder haar neus worden geduwd, van het gebonk van lichamen van mensen die in doodse stilte vechten met elkaar; nu ze het weet van de knallen die ’s nachts door de bergen galmen dat het geen vuurwerk is, maar schoten van pistolen en geweren; nu ze het weet in welke bario’s en op welk uur van de dag  ze hoe met wie naar toe kan gaan; nu ze weet wat je moet doen opdat je hart niet zou breken als je ze ziet, de haveloze groepjes opdringerig bedelende kinderen; nu ze gewoon is geraakt aan politiemensen met mitraillettes in aanslag in het midden van de stad; nu ze de droefheid kan verdragen en de haat in de ogen van de mensen kan verstaan; nu ze er klaar voor is, nu wil ze mee. Ze wil het. Ze wil het weten. Ze wil het met eigen ogen zien.   Ze rijden met de bus de berg op zover het kan. Daarna stappen ze op platgetrapte grond, een smalle holle weg voor voetgangers, muilezels en stromend modderwater: se hace camino al andar – denkt ze grimmig.  Ze ziet geen vuiligheid. Ze ziet de grond, wat moet doorgaan voor de muren van de krotten, de golfplaten die bij de gelukkigen dienst doen als daken. Ze ziet niet veel beweging. Ze ziet wat haar vriendin een huis noemt: muren gemaakt van grote platgeslagen benzineblikken, van vermolmde planken, stukken karton en vele gaten, rond een vierkant van drie meter op drie aangestampte grond. Een aarden pot op een paar stenen voor een vuur dat zelden brandt. En overal grond en vuil en grauw. En de moeder.   De indianenvrouw heeft een groezelig vod rond het hoofd gebonden, als iemand met een zere tand in een oud stripverhaal. Ze staat daar niets te zeggen bijna zich te verontschuldigen dat ze bestaat ze staat. Bijna is ze een boom bijna bewegen haar lippen niet bijna vluchten de woorden weg nog voor de lucht  zich met lucht vermengen bijna beklagen zich tanden en tong dat er toch woorden worden gevormd en het verhaal toch wordt verteld van een man die geen werk heeft en geen eten voor zijn kinderen die doet wat alle mannen doen hier in de buurt om niet te zien hoe zwart die elke dag de vrouw de kinderen schopt en slaat als ze ‘honger’ durven denken die met de andere mannen zuipt die niet te spreken is hij kan niet spreken hij kan alleen willen vergeten.    En als ze ziet dat hij stomdronken is en wild en dat zijn ogen gloeien jammert ze vanuit verre tijden het onderdrukte klagen van haar onteerde volk triestig triestig het geluid van een gekwetste duif van een kat op zoek naar haar verdronken jongen van een afgeranselde hond van wind in een verlaten huis.  Het maakt hem razend dat zij hem ziet en weet hij kan niet spreken hij heeft geen macht hij rukt een plank los van de muur en slaat wat hij hoort tot stilte -   maar het gilt het gilt en er loopt bloed over de vrouw en ze heft de baby naar hem op en de baby krijst en hun kleine meisje staat voor de moeder ze houdt zich aan  haar rokken vast en hij gooit de plank met de bebloede nagels van zich af en hij zwalpt weg en het verhaal zwalpt weg het is beschaamd het is vernederd het is angstig het valt stil. Ze jankt nu voor zichzelf alleen. Ze wiegt de baby in haar armen. ‘Padresito’ noemt ze de man terwijl het bloed nog verder druppelt.   Ze scheurt een reep van een stuk stof en legt ze op de wonde, draait ze een paar keer rond haar hoofd. Ze zet zich doodmoe op het bed, leunt tegen de muur, de meisjes in haar rokken. ‘Arme mijn man – denkt ze - padresito’.  Hij is de vader van haar kinderen. Hij heeft het niet bedoeld – ze weet het. Ze weet het vuur dat hem verbrandt.  Maar alles voor haar ogen draait. Zijn het haar jongens die ze ziet? Misschien worden haar jongens anders misschien misschien worden ze thuisgebracht misschien worden ze niet vermoord worden ze niet in het gevang  gesmeten misschien worden ze niet verkracht misschien gaan ze niet aan de drugs want er is de senorita van de Bienestar Sociàl. Misschien gaan ze toch naar de school misschien kunnen ze later lezen en schrijven misschien kunnen ze iets anders doen dan elke dag de dood uitstellen elke dag razen van honger van schuld en van niets weten misschien geven zij  de familie later wel te eten...   Dan weet ze het niet meer. ‘ En nu vandaag bent u er , senorita,  met een gringa. Hoe weet u dat... ‘ Natuurlijk! ‘ Senorita,  waar zijn de jongens?’ vraagt ze.  Zij zijn het,  zij hebben het verhaal bij de buurjongens gevangen. Zij hebben het de weg gewezen tot bij de senorita en ze wil weten hoe het met de jongens is  ze zijn  toch niet ze hebben toch niet   Het kleine meisje is  overal. Ze is een spin: in iedere hoek, voor iedere spleet, voor alles wat een raam of deur zou kunnen zijn  hangt ze een spinneweb;  ze zweeft voor elk dreigend gevaar; ze staat de armen wijd gespreid om alles buiten te houden  te proberen dat het niet gebeurt dat de geesten binnenkomen dat de duivel danst als het vuur onder de ketel wordt aangestoken dat de wind krijst rond de muren van het huis dat de regen de grond onder hun voeten verandert in een modderpoel en alles dreigt weg te spoelen. Ze is een vlinder: ze spint een cocon rond hun huis zodat het niet kan breken.   Leticia zegt Ola, ola, dona Clemenza. Stil maar, rustig maar. Ik kom alleen maar kijken . Nee, nee, ik ken u wel. Hij heeft het niet slecht bedoeld, hij was bezopen. Ik zal niet naar de politie gaan. Of wel? Nee. Dat dacht ik. Ola, dona Clemenza, laat me uw hoofd bekijken. Doe die lap eens weg. De jongens? Ja, ze zijn het komen zeggen. Waar ze nu zijn? Ik weet het niet, ze willen nog niet bij ons wonen, dat weet u. Ze zeggen dat ze een thuis hebben: hier, bij u. Ze gaan nu elke morgen naar school. Ze stellen het eigenlijk wel. God geve dat ze geen lijm gaan snuiven. Niet wegtrekken, ik moet zien of die wonde erg diep is. Hebt u ze al uitgewassen? Por Dios, dona Clemenza, dat gaan we dan eerst doen. Ik heb iets speciaals meegebracht. Het gaat pijn doen, maar het moet. Zo. U mag niet ziek worden, dan zouden de kinderen niemand meer hebben. U moet sterk zijn. En waar is hun vader, don Antonio, ik wil met hem praten. Zeg hem dat hij eens bij ons langs komt, hij weet het wel: bij de Bienestar Familial, op de hoek van de vijfde straat met de Plaza Bolivar. Ik ben er elke morgen van de week.  De gringa ziet vooral de kleuren. Bruin. Grijs. Grauw. De vloer, de muren, de planken, het karton, de vodden op het bed in de hoek, de vrouw, het meisje van twee? drie? jaar: allen, alles bekleed met dezelfde huid, uit de grond genomen. Er zijn ook andere kleuren ziet ze nu.  De platgeslagen verroeste blikken, rood en wit, met blauwe drukletters bedrukt: GASOLINA, benzine. En soms ESSO. Of MOBIL. Het is alsof het huis bij elkaar wordt gehouden  door zeefdrukken van een popartist.  Van Andy Warhol, bijvoorbeeld: zijn reeks ‘Soepen’, tussen de kleur van slijk en wrakhout en de lucht.   Het riekt er naar een stal. Nee, ze ziet geen gat in de grond. Ze hebben waarschijnlijk buiten een latrine gegraven. Het is niet zoals op die trap in het gesloten trappenhuis waar ze één keer toevallig is beland, ook met Leticia, in een meer doenbare buurt, waar de mensenstront en het braaksel zomaar op de overloop lagen te stinken. Ze hoort vooral: dat weinige geluid, dat bijna niets, dat stomme. Ze hoort de onmacht, het te zwak zijn,  te gekwetst, te onderdrukt:  een elegie van kleinkinderen, kinderen, moeders, grootmoeders, overgrootmoeders, generaties aan elkaar geregen in een gevecht met ongelijke wapens in ellende, in honger, in zich schikken in het lot,   De gringa hoort het hoe de moeder voelt dat dit niet is zoals het moet, maar dat ze niet de woorden. het woord.  niet durft te denken, niet onrecht durft, kan denken,  dat ze gevangen is in angst, in slaag. De gringa hoort het verhaal dat siddert, beeft,  dat zich verbergt in de zeven lagen onderrokken van de indiaanse: ze verwarmen de lucht waarin de moeder leeft, ze nemen de geur aan van haar kinderen van melk van grond van mest van stenen van zweet van zaad van bloed; als de onderste rok weer de bovenste wordt, verschijnt het patroon, het enige wat telt: dat ze moet verder leven.   De gringa hoort hier niet. Ze is een indringer, een Peeping Tom, door niemand aangekeken, overal bespied, door iedereen geweten dat je beter van haar afblijft ze is met de senorita van de Bienestar Social ze spreekt de taal bij haar valt niets te rapen ze kent de trukken van de foor. Maar daar denkt ze niet meer aan. De schrik is weg. Want in de hoek waar het bed staat - gelukkig denkt ze ‘bed’ - op het bed,  midden tussen de vodden, tussen de kleur van aardappelen en grond is een nest gebroken wit   en daarin zit een kind. Het is een maand of zes en het is levend, gaaf, de bruine ogen glanzen. Het kijkt rond het zit alsof er niets aan de hand is; alsof niet vijfentachtig procent van de grond van haar land in handen is van tien procent van de bewoners (?); alsof er op de wereld geen klopjacht aan de gang is naar meer en meer en van mij alleen en pas op en we vreten het op we stoppen het in een versterkte kluis nog voor er iemand anders aan kan raken we speculeren ermee op de beurs; alsof er  daarvoor geen oorlogen worden gevoerd, geen mensen worden afgeslacht,  uitgezogen, in slavernij gedreven,  gemarteld, in geheime gevangenissen gestopt, levend in de oceaan worden gesmeten, neergeknald;   het kind zit en kijkt alsof ze is: vanzelfsprekend,  zoals de  neefjes en nichtjes van de gringa, de kinderen van de koningin, het petekind van  Inneke Peeters van op de radio, het nichtje van de president, het kleinkind van mevrouw Jansens van om de hoek; alsof ze even bekoorlijk zal zijn,  even vol  verhalen, met even veel te zeggen later. Het weet nog niet dat voor haar alleen het grauw wordt gereserveerd,  geen toekomst geen toekomst geen toekomst geen toekomst geen toekomst grauw geen toekomst geen toekomst geen toekomst geen toekomst niet niet niet niet niet.   Dat ze dievegge wordt, waarschijnlijk.  Waarschijnlijk zal ze, als ze zes is, met grauwe vodden rond haar lijfje, de haren stijf van vuiligheid, met blauwe wallen onder de ogen, waarschijnlijk zal ze, lenig als een kat, gaan hangen aan het open raam van de auto’s, die stoppen aan het rode licht; waarschijnlijk zal ze haar groezelige handje dreigend onder de neus van de bestuurder duwen en bedelen en terug spuwen en wegspringen als er naar haar wordt uitgehaald. Maar ze rekent er op, de uitgekookte helleveeg, dat de mensen haar iets zullen geven om van haar af te zijn: ze heeft de lagere school van wie in bittere armoe leven al doorlopen. De hogeschool is drugs en afpersing en moord en prostitutie. Dat komt later- dat denkt de gringa toch.   En de gringa kan haar niet oppakken en meenemen ver van dit grauwe krot haar hart is nog niet groot genoeg het moet op deze grote hoogte nog dieper leren pompen en ook het kan niet want ze kan niet alle kinderen en dit kind heeft nog een moeder met zeven rokken en een vader die naar huis komt en een zus en twee oudere broers. Misschien als die jongens er in slagen misschien heeft ze dan de Bienestar Familial of de Beneficencia  en kan ze leren. Ze heeft dus nog heel veel ze is niet uitgemergeld nu nog niet ze ligt nog niet roerloos met opgezwollen buik langs de kant van de weg onder een mimosaboom. Ze is springlevend en kijkt rond. En je zou wel willen dat ze gelukkig wordt maar je weet dat ze geen toekomst heeft ze is gebroken wit tussen zoveel grauw ze is onwetend tussen tekort aan woorden die onbekend wensen te blijven die niet willen bestaan ze heeft geen ze is opgeschreven ten   Als de gringa terug thuis is, stopt ze haar kleren onder water. Ze neemt een douche. Drie vlooien springen van haar weg, spoelen met het water de afloop in. Ze trekt nieuwe kleren aan. Ze zet zich neer. Ze weent. Het is avond. Het is zwart.    Toevallig leest ze kort daarna een artikel in een vroom blad. Er staat een reportage in van een pater. Ook hij ging op bezoek in een krottenwijk. Hij zag er een familie met een gezonde baby. Hij schrijft dat de baby een bloem is op een mesthoop.   De tranen springen haar van woede in de ogen. In haar verbeelding huilt en tiert ze tegen hem. Ze valt hem aan, ze wil hem slaan, altijd opnieuw als ze aan hem denkt. Mesthoop! Don Antonio, dona Clemenza, het dappere meisje, de gevluchte broers: een mesthoop! Ze gooit hem buiten. Ze zet geen voet meer in zijn kerk.     * * *     En aan zulke mensen mag ik les geven! denkt Frida.  Ze houdt zich een beetje op de achtergrond, ze kijkt rond, ze zal wat hier gebeurt vertellen aan Edward, een vriend van haar die nu ontwikkelingswerk doet in Zaire.  Zijn laatste brieven klinken zo pessimistisch. Dit zal hem opvrolijken. Ze ziet ze discuteren, wandelen, lachen, de dertig mannen en vrouwen, syndicalisten, studenten, mensen uit de arbeidersbeweging, jeugdwerkers, nonnen, pastoors. Haar studenten! Mensen die ervaring hebben in de sociale strijd. Zoveel moed, liefde, idealisme bij elkaar! Zij geeft hen een theoretische inleiding tot de politieke wetenschappen! Stel je voor! Een onnozele geit is ze, vergeleken met hen.  Ja, ze heeft het vereiste diploma. En ja, ze spreekt  een aardig mondje Spaans: taxichauffeurs vragen haar of ze uit Chile komt, of uit Argentinië. Maar wat betekent dat in vergelijking met… Maar ze hebben haar aanvaard. De Jezuïeten die dit instituut hebben opgestart, de mensen die er werken, de studenten. Misschien dat ze het voelen, hoe alles in haar in opstand komt  tegen hebzucht, machtswellust, onrecht. Dat ze oprecht is. Misschien heeft ze een voetje voor, juist omdat ze zo jong is, een vrouw, nog een meisje haast, amper zesentwintig, onervaren. En willen ze haar bijbrengen hoe deze wereld achter de schermen echt functioneert…    Als ze met haar alleen zijn, vertellen ze hun verhalen. Ze brengen ze mee uit Nicaragua, Mexico, Honduras, San Salvador, Santo Domingo, Venezuela, Bolivia, Paraguay, Argentinië, Peru, Ecuador, Colombia. Ze spreken over wat hen bezielt. Er leeft zoveel hoop in dit continent, op dit moment.  De prachtige dansmuziek, hun ritmes, de weemoedige liederen beginnen zich te verspreiden. ( ook hier: concrete namen ?) Gabriel Garcia Marquez schrijft zijn Honderd Jaren Eenzaamheid. Mario Vargas Lloza, Jose Maria Arguedas, Jorge Isaacs, Miguel Angel Asturias, Julio Cortazar, Jorge Luis Borges, Pablo Neruda: hun gedichten en boeken brengen Zuid-Amerika tot ver buiten de eigen grenzen.  En de droom van Salvador Allende, die volgend jaar de eerste democratisch verkozen socialistische president van Zuid-Amerika  kan worden… Ze heeft het hele continent, de mensen, hun manier van doen stevig in haar hart gesloten.   Ze probeert het te beschrijven in de brieven naar huis. Ze heeft nauwelijks heimwee – wel schrik, soms, en veel verdriet. Dan doet het deugd als ze er aan kan denken dat Joris geen militaire dienst wilde doen en dat zij mee was gegaan: make love, not war; aan de vele vrienden die ze hier hebben. En dat ze hier dat instituut gevonden heeft. Hoeveel ze hier leerde!   Ook op bijeenkomsten zoals deze. Ze zijn  een paar dagen op stap met de hele groep: studenten, secretaressen, schoonmaakster, docenten, directeur. Het huis (een pensionaat? een seminarie?) waar ze verblijven, ligt in clima café: een gordel in de bergen, zo’n 1500 meter hoog, met een klimaat als aan de Middellandse Zee, het hele jaar door. Hier worden koffiebonen gekweekt met het heerlijkste aroma, de open, warme lucht spant zijn verleidelijkste blauw over groene palmbomen, groene koffieplantages, oranje, gele, roze, rode, blauwe, paarse bloemen, over lustige beken, over vriendelijke wegen, over witte huizen en boerderijen  met grote terrassen.   Ze zitten op zo’n terras. Het is avond, hier de kleur van warme zomernacht. Prachtig toch, denkt ze, hoe dat hier gebeurt: wachten. Geen zenuwen, geen ongeduld. Hoe ze hier omgaan met de tijd. Tijd is niet de dwingeland van hun leven. Ze houden hem in toom, ze laten hem passeren, bepalen zelf wanneer hij gekomen is. Klopt dat niet met de tijd van de tegenspeler? Geen nood. Je kan zoveel doen in de tussentijd die wachten is, het leven is zo rijk. Je kan praten, bijvoorbeeld, kennismaken met de mensen in de buurt. Je kan een cafésito drinken, kijken wat er rondom zich afspeelt. Als het echt belangrijk is dat je iemand ontmoet, wacht je gewoon. Dat loont dan de moeite, toch? Het heeft geduurd voor ze dit begreep, voor ze dit kon denken, voor ze dit  kon uitleggen in de brieven naar vrienden en kennissen over de oceaan.   Ze ziet de Mexicaanse studente, Malva, in de weer met Pacho, de Venezolaan. Pacho heeft van tijd tot tijd een aanval: hij schreeuwt, krimpt in elkaar, houdt de armen afwerend voor zich uit, zijn ogen zijn verwilderd en hij ziet weer de militairen op hem afkomen die hem zullen martelen tot hij de namen zal geven van de makkers die mee de stakingen en betogingen hebben georganiseerd.  Een beetje verder staat German. Hij is één van de twee Argentijnen in deze cursus.  German eet soms nauwelijks, drinkt  dagenlang alleen maar botermelk. Hij heeft een maagzweer, al van toen hij als student scherp in de gaten werd gehouden door de geheime politie, omdat hij druk bijgewoonde vergaderingen organiseerde over het werk van Dom Helder Camara in Brazilië, of over  bisschop Romero in San Salvador, of over de Katholieke Universiteit van Leuven, in België, in Europa, waar vele Latijns- Amerikanen de ideeën gingen bestuderen die daar werden onderwezen over onderdrukking, over sociale rechtvaardigheid en de relatie met de boodschap van bevrijding in de bijbel.    Het is op die German, de gaucho, dat ze wachten. Hij zal deze avond een malamba dansen,  een traditionele gaucho-dans uit zijn geboortestreek. Hij staat nog te praten met de andere Argentijn. Die zal de bongodrum bespelen.  Ze omhelzen elkaar. German stapt naar het midden van de cirkel. De bongo zoekt zijn weg, vindt een droge,  krachtige slag. German heft de armen. En danst.    Frida ziet: dit is geen gewone dans van hier. Hier gaat het  niet om het plezier van het dansen, om het wiegen van heupen, het draaien van schouders, het bewegen van benen, armen,  handen, vingers zoals aangeleerd vanaf de tijd aan de moederborst. En soms, maar dat had ze nog niet dikwijls meegemaakt, de magie van twee lichamen die naar elkaar gezogen worden, waarvoor iedereen plaats maakt en die plots als enige nog dansen in het midden van de kring, door iedereen bewonderd of met afgunst bekeken.    Deze dans is anders.  German danst. Hij danst beelden in de hoofden van wie hier zit en eerst zijn het beelden van indianen die als slaven moeten werken voor de grootgrondbezitter, beelden van gamines, van een dona Clemenza een don Antonio in grauwe tugurios, ze ziet het kind in een nest gebroken wit ze voelt haar hart ze verstaat niet wat hier gebeurt ze is weer een vreemde ze kent dit niet ze is verward hier wordt toch alleen maar gedanst haar ogen zoeken German en ze ziet ze hoort hem bewegen niet als een balletdanser, daarvoor is hij te struis ze ziet zijn soepele, sterke lijf, zijn laarzen die de vloer betasten, de grond, de aarde, la tierra madre, die hem de kracht geeft om op te springen, als op en af een paard in volle galop;  om met de handen op de dijbenen en met het geroffel van de bongodrum het beeld te dansen van de gaucho:  de man die niet wil eten uit de hand van de despoot; hij danst dat het kàn, dat het bestaat dat de mens zijn trots behoudt dat je daarvoor een prijs betaalt zoals de gaucho hij is de eenzaat, hij is een vagebond, een paard is het enige wat hij echt bezit, de eeuwig groene grasvlakten van de pampas zijn zijn thuis maar het kan. German getuigt hij ìs de gaucho, vrij, nobel, genereus, een man van weinig woorden, trots, betrouwbaar, solidair. Hij vecht als hij wordt geprovoceerd. Hij trotseert. Hij is de leider nu hij danst, de armen krachtig gespreid, hij neemt iedereen mee, drukt iedereen aan het hart, hij roffelt met de hielen, de bongo volgt hém, hij bakent de ruimte af die hij nodig heeft, drukt er zijn stempel op, tekent haar, betekent haar: het kan!    De finale.  De knieval in de richting van de maan en de sterren. In de richting van waar de toekomst ligt. In de richting van waar de vrouwen zitten. In de richting van Frida.     En ’s nachts de serenade.  De krekels tsjirpen uitzinnig. Alles geurt. Onder haar slaapkamerraam, een gitaar. Een hoge tenorstem, zijn stem. Ze streelt het duister van de nacht, weemoedig. ‘Quando tu te habras ido, ya volveran las sombras...' ‘Als jij weg zult zijn, zullen de schaduwen opnieuw tevoorschijn komen...’ ‘We moeten het licht aansteken,’ fluistert haar kamergenote. ‘Doodstil blijven. En luisteren.’                                                              * * *               Ze verstaat het niet. Ze is verliefd. Op het prachtige land, wil ze denken. Op de mensen,  wil ze denken. Op German, weet ze. Ze verstaat het niet. Het zal toch niet, dat één romantische nacht haar zover krijgt dat… Het gaat wel over, rationaliseert ze. Zo snel als het gekomen is.   Het gaat niet over. Het gaat nooit over.                                                               * * *   vervolg zie bis    

versta
0 0

Seks en zo meer. Ik wil

                                                         Seks en zomeer.                               Ik wil.                                                                         vera staes.           Seks. Ja. Seks. Natuurlijk zou ik daar mee kunnen beginnen. Wat een bres er in die jaren zestig is geslagen in onze manier van elkaar bekijken, beluisteren, strelen, naar elkaar te verlangen, te vrijen. Hoe je vòòr die dijkbreuk bij overtreding van wat mocht niet mocht, je zonder slag of stoot werd buiten gebonjourd.   Zoals dat klasmaatje dat al een tijdje de binders van haar lichtblauwe geruite schort los liet hangen. Ze vond dit mooier, zeker? Wisten wij veel. Op een dag kwam ze niet meer naar school. Haar schriften en haar boeken werden weggehaald. Er werd van hogerhand geen commentaar gegeven. Van school veranderd, dachten we. Of was ze  verhuisd, woonde ze te ver om nog in `t stad te geraken? Later hoorden we het van elkaar: ze was in verwachting. Over en out. Ze bestond niet meer.   Als een lichte zomerregen begon de pil in het sociale weefsel door te dringen. Maar paus Paulus de zesde, de pillenpaus, proclameerde voor de hele wereld (dat het voor de hele wereld was: dat dacht hij, dat dachten wij toen ook nog): het condoom, de pil: verboden!   Op de proclamatie aan het einde van het schooljaar, zongen wij, leerlingen van het laatste jaar klassieke humaniora, in uniform, op het podium, gniffelend, dat we een jeugd van maagden wilden zijn. We dansten rock-‘n-rol.       Maar is dit de juiste weg? Moet ik het – nu al – moet ik het met jullie, voor jullie, al hebben over die seks-tant? Er is in de sixties en de seventies zoveel gebeurd. Belangrijker? Who knows. Maar vooral: het gaat hier niet over wat IK wil of wat JIJ graag zou weten. Het gaat over ZIJ. Hoe laveerde ZIJ door die jaren? Waarvoor liep ZIJ te hoop? Ik sluit de ogen en ik weet het weer. Duidelijker dan toen. De tijd geeft mij begrijpen, toont mij het hele schilderij: de jaren zestig, zeventig. En ZIJ. Toen.   * * *   Toen registreerde ze sommige dingen en klasseerde ze zonder meer op de zolder van haar geheugen. Ze voelde dat het belangrijk was, ongewoon. Ze plakte er geen naam op, zag niet waar het naartoe ging. Maar het was er. Het hing in de  lucht, lag te wachten in de platenbakken van de mediatheek –wat een uitvinding- thuis keek het je aan op het televisiescherm, of vanaf de nieuwe zetels in Scandinavisch design.  De Amerikanen stemden de jongste verkozen president ooit het Witte Huis binnen, ze briesten bij het zicht van Cuba, Fidel Castro, Che Guevara, kwamen massaal aangezet in Zuid-Vietnam. Er ging bij haar geen licht op.     De Congolezen dansten het triomfantelijk, jaren geleden al: ‘Indépendance, chachacha! Indépendance, chachacha!’. Er werd door de volwassenen met interesse over het fenomeen  gesproken. Maar zij was nog te jong, toen. Nu, aan de unief,  kwam ze het tegen in de boeken van Sartre, van Camus, Simone de Beauvoir. Het zwierf rond, het werkte. Het deed met haar zoals Vietnam deed met de USA. Het kwam haar leven binnen, verspreidde zich onderhuids, oncontroleerbaar, verstoorde waar ze mee bezig was, bepaalde op de duur naar welke fuiven ze ging, hoe ze zich kleedde, zich coiffeerde, waarover ze praatte, waar ze winkelde, welke vrienden ze zag.   En dan was er dat incident. Een bijeenkomst van studenten over de politiek van Noord Amerika in Zuidoost Azië. De Amerikaanse ambassadeur nam het woord. Iedereen luisterde, geïnteresseerd. En opeens, van tussen de studenten, was er de stem van een vrouw die luid een verhaal riep over napalm, ontbladering, bommentapijten. Twee forse mannen verschenen vanuit nergens. Ze tilden de vrouw op,  droegen haar buiten. Ze riep verder. 1966. Een vergadering in een studentenclub. Ze begon het zich te realiseren.   En er was de kwestie Leuven Vlaams. ‘Wàlen buìten! Wàlen Buìten!’. De stemmen van duizenden studenten botsten tegen de gevels van de statige gebouwen. De gevestigde machten gingen overstag: de boeken van de grote bibliotheek werden in twee gedeeld, de walen verhuisden naar Louvain - la Neuve! Met Bob Dylan en Boudewijn De Groot zongen we triomfantelijk :        Kom vaders en moeders, kom hier en hoor toe. Wij zijn jullie praatjes en wetten zo moe. Je zoons en je dochters die haten gezag, je moraal die verveelt ons al tijden. En vlieg op als de wereld van nu je niet mag, want er komen andere tijden.   De streep is getrokken, de vloek is gelegd op alles wat vals is en krom en onecht. Jullie mooie verleden was bloedig en laks. Wij zullen die fouten vermijden. En de man bovenaan is de laagste van straks, want er komen andere tijden.     Er werd gedacht, gediscussieerd, het broedde. Maar nergens schreeuwde het al op een muur: ‘DE VERBEELDING AAN DE MACHT’. Nog nergens was het mei ’68.   * * *         Nee! NEE! En nog eens NEE! Mei 68! Ik voel het al komen. De oorlogen, wereldwijd, de flower powerbeweging, het anti-autoritaire denken: de Grote Principes van Deze Tijd. Ik wil het er hier niet over hebben.  Daar werden al zoveel woorden aan vuil gemaakt, soms ben ik het zat. Het gaat hier om een autobiografie! En trouwens, een overzicht over die oorlogen en zo, dat is fout: dat is een opsomming. En opsommingen kùnnen niet. Dat leest te moeilijk. En het is te abstract. Wablief, te ABSTRAKT? Een meisje, negen jaar oud, naakt,  schreeuwend, zonder vader, zonder moeder, dat vlucht uit haar dorp dat met napalm werd bestookt, bommen die een wijk in de stad van het ene moment op het andere in een hel veranderen, honderden doden. Te abstract? De campings in de Haute Provence, die in de zomer her en der enthousiast uit de grond schieten, waar mannen ongegeneerd hun edelste delen blootgeven, vrouwen op de place publique vrolijk hun kinderen de borst geven; die zorgvuldig hun schaamhaar, hun oksel-en hoofdhaar coifferen. Te abstract?   Nee, dus. Maar toch: dat is geen autobiografie. Mijn protagonist, mijn hoofdpersoon, ziet nog niet de grote lijnen, kan wat er gebeurt nog niet in abstracte woorden vatten. Ze kan het nog niet beseffen. Ze zit in het tweede jaar unief. Ze studeert graag. Ze heeft een warme thuis. Ze is gelukkig. Ze is naïef. Wat zeggen ze, die studenten op de achterste rij?   * * *.   Trouwens, wat zit dat meiske daar te doen? Welk meiske? Die por daar, op de tweede rij. Ja zeg, zeveraar! Er zijn maar twee rijen porren: de twee voorste. Ik vraag me af: zouden die nu nooit eens goesting hebben om mee hierboven bij ons, op de tweeëntwintigste rij te komen zitten? Dan hebben ze tenminste een overzicht. En wij interessante compagnie. Veel gezelliger, toch? Enfin. Wie bedoelt ge nu eigenlijk? Hewel, die por daar met dat bruin haar en die groengrijze ogen. Ah, die! Een toffe griet, hé man. De Soi zegt dat ze op Audrey Hepburn trekt. Dat zal de Soi wel zeggen over -en liever nog aan-de helft van alle porren hier in Leuven. Die meiskeszot! Zie ze in de weer zijn met haar cursus! Die wil er werk van maken, hé. Ze zou beter haar best doen om een lief aan de haak te slagen. Ze gaat nog altijd met niemand. En ons vader zegt, dat meiskes enkel en alleen naar de unief komen, om een goede partij te vinden… Wat zou ze studeren? Rechten? Psychologie? Weet ik veel. Maar als ge er zo curieus naar zijt, waarom vraagt ge het haar niet zelf? Schrik, manneke? Durft ons Kareltje niet? Onnozelaar. Nee, zeg. Maar ik heb gehoord dat ze zo serieus is. Ze gaat nooit op de lappen. En als ze al eens naar een thee dansant gaat, is het samen met die vriendinnen van haar: niet gemakkelijk om er u tussen te wringen. Nochtans, Kareltje, nochtans… ze zit op het eerste meisjeskothier in Leuven zonder kotbaas of kotmadam! Negen porren, hun eigen baas! Als ge daar een voet in huis zoudt krijgen… Laat het uit, zeg! Véél te serieus voor mij! Als ze uit gaat, is het naar het theater of naar een concert. Of naar die mannen van de kleinkunst. Naar Louis Verbeek. Of die zanger, Miel Cools. Of Hugo Raspoet, … Ge weet toch dat Hugo Raspoet verleden week ladderzat in de grote aula op het podium stond? De aula zat vol – uw vlam daar was er ook, ik heb ze gezien. Ge zoudt u voor minder een stuk in uw kraag drinken als ge moet staan zingen voor zo’n vijfhonderd man… Maar die Audrey Hepburn hé, die zit elke week in den Bellarmino. Dat is dat studentencentrum van de Jezuïeten. Ze gaat daar naar een vergadering, gesprekken over onderontwikkelde landen, allez, de missies. Hebben ze mij verteld. Ziet ge mij al zitten? ’t Is spijtig, het is een toffe griet, zo te zien. Maar ik ga ‘s avonds toch liever een pintje pakken in den Boule d’Or. …   * * *    Daar gaat ze… En het is weer hetzelfde. Schrijven is tricky voor mij. Ik weet niet altijd klaar en duidelijk het onderscheid te maken tussen ik en zij. Schrijven neemt me mee naar schemerplaatsen in mezelf, naar gedachten, naar gevoelens, die er wellicht altijd al waren maar waar ik nog nooit zo scherp mee geconfronteerd ben geweest.  Maar laat ik hààr nu maar volgen. Laat ik hààr aan het woord. Dan kan ik mezelf even vergeten… Zo was ze dus.     * * *   ‘Het is het licht - denkt ze - dit schemerlicht. Alles is erin verzopen.’  En ze stapt het lome weer in van eerste warme zomerdagen. Zalig, hoe ze zomaar, zonder jasje, zomaar, in haar jurk, met blote armen, met blote benen door de stad kan wandelen, denkend, voelend, bijna blindelings, bijna op de tast    Hoe ze vervuld is van waar ze daarjuist nog over praatten. Dat alle mensen gelijk zijn. Dat je zelf toch wéét dat je het beste voorhebt met de andere. Je buurman ook. Dat hij zou reageren als jij, tenminste, als hij voldoende vertrouwen had. Maar dat ons eeuwen en eeuwenlang werd aangeleerd en ingeprent dat een mens zelfzuchtig is, een wolf voor de medemens. En dat we dus wantrouwig zijn tegenover elkaar en agressief. Dat we niet beter weten.   Maar dat het anders zou worden. Zij, de jongeren van nu, zij zouden hier mee breken. Ze zouden anders gaan leven, radicaal. Zij zouden kiezen voor de liefde. Love and Peace. Geen saaie conventies, geen verstarde instituten zouden hun leven beheersen. Geen oorlog meer, geen legerdienst: burgerdienst. Of helpen in ontwikkelingslanden. Niet domineren.   Ze zouden houden van alle mensen, zonder onderscheid van rang of stand of kleur. Haar leek dat vanzelfsprekend. Houden van was bij haar ingesijpeld langs wat ze had gevoeld, langs wat ze had gezien, gehoord en meegemaakt, hoe de mensen rondom haar, en toen ze het in de boeken las, en toen ze merkte hoe iedereen er naar, en wat straal je zo vroegen haar vriendinnen maar ze wàs niet verliefd op Jules of Jef, ze was verliefd op leven. Zalig. Zoals vanavond.   Hoe ze hier stapt. Nooit nog zal ze zo gelukkig zijn – dat voelt ze en ook nu al het heimwee van later. Naar deze tijd dat ze is, vertroeteld, aangemoedigd, draagster van verwachtingen, die van zichzelf, die van anderen, nog niemand gefrustreerd - ook niet zichzelf - door de gemaakte keuzes. Alles is mogelijk. Ze is alles in allen. Nu.   Ze wandelt, ze stapt het ritme, ze stapt voorbijglijdende tijd, onaangedaan, als het tikken van een klok van vroeger, het druppelen van een lekke kraan, onbezorgd genoeg om houden van te laten overstromen, iedereen, alles mee te sleuren, te omvatten. Het ligt als dauw in haar ogen, ze absorbeert het, straalt het uit. En ze geniet. Van elke stap. Van het geroezemoes op de caféterrasjes. Van het gelach uit de open ramen van de studentenhuizen. Van de idee dat god liefde zou zijn en dat Alle Menschen Brüder werden.   Hij is de donkere vlek aan een raam op de tweede verdieping. Hij ligt buiten haar ritme, buiten de kadans van haar benen, buiten wat ze denkt en voelt. Buiten. Ze komt hier rond dit uur bijna elke avond voorbij de laatste tijd. Ze heeft een kamer in het studentenhome voor meisjes, twee straten verder. Hij is haar gevolgd.   Hij haat haar. Ze is vandaag begeerlijker dan alle andere avonden. Alles is anders deze avond. Het is het weer - denkt hij. Die ongewone warmte. En dat stuk ongeluk daar in zijn broek, dat niet kan wachten en hij ook niet. Hij weet niet hoe je het hier kan aanmaken, hij heeft al veel te lang gewacht. Hij weet niet hoe hij hier... hier in dit regenland, zo stijf en koud en grijs en ontoegankelijk.   De hete teef zie ze daar lopen met haar chique kleren en haar nonnengezicht zie ze draaien met haar kont ze vraagt erom ze daagt uit wil laten voelen nee ik heb geen koorts maar wijven van haar soort...   Alle Menschen werden Brüder... mensen positief benaderen. Ze hebben er al zo dikwijls over gediscuteerd. Ze ziet het gebeuren, zich verspreiden als stuifmeel in de lente, als een melodie die kabbelt, samenkomt met andere stemmen, ondersteboven wordt gekeerd, in harmonie terugkeert. Houden van.     En ze fêteert haar negentien jaar, ze stapt de straten door alsof ze op een catwalk loopt, vrijend, met alles, met iedereen, tot alles bereid voor iedereen gekruisigd dit moment, deze zomeravond, alsof het een intrede in Jeruzalem is, een wake in een hof van olijven, een vers uit een Hooglied: wie is zij die daar komt als het rijzend morgenlicht, heerlijk als de maan, schitterend als de zon, geducht als een leger in slagorde geschaard.   En dan weer die melodie, de cello’s die natrillen op de plaats waar zij haar voeten heeft gezet en die smeken om piëdad, om mededogen met de wereld, met iedereen met vergeef ons onze schulden en misschien zong de muziek voor niets misschien was het al te laat maar dan was het beter te laat met grootmoedigheid met vergeef ons onze schulden gelijk ook wij vergeven aan onze schuldenaren en dan kunnen we daarna opgaan misschien in de mist in de stralen van de avondzon in I had a dream in de muziek der sferen.   ‘Hoerenjong’ denkt hij. ‘Ik zal je hebben ik zal je leren ik zal je laten voelen hoe die van jouw soort deden toen we gevangen waren, hoe ze Marissa, hoe ik moest toezien hoe ze na elkaar op haar kropen hoe ze haar kut hebben opengereten en haar lippen stukgebeten. Ik zal je – vloekte hij - ik zal je...’ En toen Marissa bijna niet meer reageerde, toen hun plezier voorbij was, hadden ze haar doodgeschoten. Hij was gevlucht.  ‘Maar ze moest niet denken dat... Ik zal ze ... Ik zal ze...’   Geluk. Wat is geluk. Ze hoopt er op maar voelt dat het misschien anders is. Misschien is er geluk met ander soortelijk gewicht. Zwaarder. Moeilijk. Verdrietig soms. En ook hemelhoog. En stralend. Niet alleen moeder en kind. Ook zo’n melodie maar met boven-en ondertonen. Polyfonie. En dat het niet vergeefs zou zijn. Dat ze wou afzien – als het moest. Maar dat ze ook zou krijgen. Dat het Im Ganzen in evenwicht zou zijn. Dat de muziek zou blijven stromen, sotto voce soms, in mineur waarschijnlijk, maar altijd muziek. Altijd leven.   Ze is er nu bijna. Nog deze straat door. Het licht is gekanteld: het is donker. De straat is leeg. Het loopt niet gemakkelijk met hakken op de kasseien.  Bakstenen muren aan weerkanten van de straat. Aan de ene kant een meisjescollege, aan de andere kant een kloostertuin. Allebei eeuwenoud, binnen de eigen muren gevangen. Verlaten op dit uur. Ze ziet de schaduw niet die zich losmaakt uit het zwart van de muur, als nauwelijks een zuchtje wind waar zij nog juist daarvoor bewoog.    Het is nu echt donker. En fris. Ze rilt. Het loopt door haar hoofd wat haar doopmeter haar verleden zaterdag vroeg: ‘Heb je er al eens over nagedacht, Frida, wat je voor jezélf zou willen? Zonder al die sukkelaars die je zou willen helpen en die je zullen opeten? Je gaat toch niet naar ’t klooster gaan, zeker? Je wordt toch geen non? Nee. Gelukkig. Hewel, wie wil je dan zijn, binnen, pakweg, tien jaar?’. Zo was ze, die meter, ze nam geen blad voor de mond. Zeker niet als haar moeder er niet bij was. Ze heeft er over nagedacht de voorbije dagen, jawel. En het antwoord is: nee. Ze weet het niet. Zijzelf? Wat ze wil worden? Wie zal het zeggen? Wìl ze iets worden, gewoon, voor zichzelf? Verrek! Het was zo’n volmaakte dag. En nu loopt ze weer te  piekeren! Wat waren die prachtige verzen van Goethe weer? Über alle Gipfeln gibt’s Ruhe... denkt ze. En ook, met zoet verdriet, als bij liederen van Schubert, nocturnes van Chopin, dat haar vriendinnen nu bijna allemaal met een lief rondlopen en zij niet  en dat ze zo alleen is en zou ze ooit...  Ze is nu bij de stenen brug en de vervallen watermolen, een eenzame plek - bizar, zo in de stad. Het was hier altijd al buiten de muren, onbeschermd gebied, ook in de middeleeuwen. De straat splitst: rechts haar studentenhome, links brakke grond. Ze is midden op de brug. En spert de ogen open voelt weet paniek vingers die langs haar slapen fladderen als vleugels van een mot rond het licht van de lamp een hand die tast naar haar mond een arm die probeert haar vast te klemmen haar lijf reageert  ze glipt uit de armen rent de straat van het studentenhome in schreeuwt attention je crie tu sais weet  ziet de schaduw die de straat van de brakke grond in loopt.   Ze heeft dit nooit verteld, aan niemand.    * * *   Een week later, amper een week later staat ze op de hoek van de straat van het museum en het zonnige plein voor de bibliotheek.  Alles gaat zijn normale gang: wandelaars, fietsers, auto’s, duiven. Ze wacht. In de schone maand van mei, jochei! Ze wacht. Verrukt. Opgetogen. Ze wacht op HEM! Op de student waarvan ze deze morgen een brief heeft gekregen.  Ik heb je lief- had hij geschreven. Ik heb je lief met alle verwarring die daar normaal blijkt bij te passen. Verwarring waaruit ik alleen toch niet kan komen. Conclusie: jij zult er mij moeten uit helpen. Verontschuldig mij voor dit bevel: ik zie me tenslotte verplicht jou voor het dilemma te plaatsen waarvoor ik zelf sta.   De eenvoudigste manier om mij te bereiken, is te bellen naar het nummer 28 83 52. Jouw zwijgen is mij een teken, evenveel waard als je spreken.   Ze kende hem van de vergaderingen over ontwikkelingslanden, over het engagement van christenen in deze tijd. Ze vond hem toen, nee, ze dacht toen, nee, ze vond, nee, ze voelde zich, nee, ze dacht dat dàt een man was, ja, daar zou ze, hij was, hij had iets wat haar aantrok, nee, niet iets deftigs, iets voornaams, hij was iemand interessant, hij had een lage, zware stem die verstandige dingen zegde, hij maakte indruk maar hij was helemaal geen Streber, met zò iemand, op zò iemand zou ze verliefd kunnen worden. Het stak de kop op maar ze sabelde het dadelijk, genadeloos neer – haar moeder… Maar nu had hij die brief geschreven en ze was dadelijk  himmelhoch jaugzend en ze hadden een afspraak gemaakt om dit uur en op deze plaats . En daar stond ze en de lucht is blauw en ik hou van jou en boordevol verwachting en hoezo hij was er niet hoezo hij is te laat iedereen kan wel eens te laat komen dat is toch geen ramp en de lucht is blauw en ik hou van jou en zie nu toch die duiven hoe gulzig en schrokkerig en de lucht is blauw en ghequetst ben ic van binnen en hij is al zoveel te laat en het zal toch geen grap en ghequetst ben ic van binnen ghequetst so lanc so meer en de lucht is blauw en schrokkerig en daar is Jos op de fiets, hij heeft zijn zwarte jezuïetentoga met fietsspelden vastgeklemd, hij komt zeker weer van één of andere vergadering over ontwikkelingslanden en      ‘Frida, alles goed?’ ‘Dag Jos. Ja, dank u. Ik sta hier te wachten op iemand. Maar hij is een beetje laat. Nu toch al een kwartier. En…’ ‘Frida, jij bent toch niet op Joris aan ’t wachten?’ ‘Jawel. Hoe…’ ‘Snel. Ik ga hem halen. Ik heb hem juist nog gesproken. Hij staat een straat verder te wachten. Ook op iemand. Op jou, dus. Ik ga hem verwittigen dat jij hier staat.’   Jos stapt op de fiets en crost weg. En zij wacht opnieuw verblijd en Ic en kan gerusten dach noch nachte en ze grinnikt ze lacht opgelucht en daar is Joris daar komt HIJ, ze lopen naar elkaar toe en gooien zich in elkaars armen en de voorbijgangers glimlachen en het licht omstrengelt hen als klimop de bomen en ze lachen hij verontschuldigt zich hij heeft zich van straatnaam vergist en ze plaagt hem hij hoeft zich niet te verontschuldigen maar nu heeft ze levenslang permissie om te laat te komen op afspraken met hem en zijn handen strelen haar haren en die blauwe ogen achter die donkere bril zijn zware lippen op de hare en ze zoenen en dat is ambrosia wat vloeit mij aan uw schedelveld is koelder maan en alle appels blozen…          * * *     Er is het beeld van de twee bomen. Ze komen recht op mij af. Dan is er niets. Dan is er helder licht, ginder ver. Ik kom er langzaam dichterbij. Dan is er niets. Dan voel ik de warmte van de zon op mij. Dat is zo goed, dat doet zo’n deugd: thuis wil het maar niet zomeren. Dan is er niets. Dan zegt iemand naast mij - in het Frans? in het Nederlands? - dat ik stil moet blijven liggen, dat de ziekenwagen onderweg is. Dan weer niets. Dan vloekt iemand naast mij, boos: ‘Merde! Espèce de cochon! Il ne veut pas nous laisser passer!’. Ik lig in een ziekenwagen. De sirene loeit. Dan is er weer niets. Dan lig ik op een hoog brancard-bed, in een grijze kamer zonder ramen. Er brandt neonlicht. Ik lig in een kliniek, denk ik. Dan weer niets meer. Dan is Lieve, mijn oudere zus, bij mij. Ze is verpleegster. Ze vertelt dat de R4 waarin ik zat, in een ravijn is geslingerd. Twaalf meter diep, twintig meter verder. De twee jongere zussen,  hebben blauwe plekken en builen maar verder niets. Jorismijnlief heeft een paar gebroken ribben. Dat doet pijn. Het vraagt zijn tijd om te genezen. Maar het is niets ernstigs. En er is iets met mijn nek, dat onderzoeken ze verder hier in de kliniek . Je ligt in de kliniek in Bordeaux, wist je dat niet? Dan weer niets – geen paniek of zo. Gewoon niets.    Tot ze – ik herinner me geen gezichten – tot ze me komen zeggen dat mijn nek oké is. Ik moet nu rechtstaan. Dat mag, dat moet, want er is niets met mijn nek. Hij is gezwollen, maar hij is oké. Ik wil rechtop gaan zitten. Ik schrik: mijn nek doet afschuwelijk pijn. Ik leg me weer neer, stuur weg wie me zou helpen. Hij/zij laat me begaan. En ik laat het over aan mijn wijze lijf: eén been beweegt zich over de rand van het brancard-bed, bengelt naar beneden. Het andere been zet zich af, bekken, romp en hoofd leggen zich dwars op de brancard, het hele lichaam glijdt naar beneden. Om de pijn te vermijden, houden de handen het hoofd recht, op één lijn met de ruggengraat. De voeten raken de grond, de romp is nog gebogen want het hoofd ligt nog op het brancard-bed. Dan recht zich de romp, de handen tillen het hoofd op en zetten het zorgvuldig op zijn plaats op de wervelkolom.   Wat er hier gebeurt beleef ik verbaasd, bewonderend. Hoe kan je lichaam zoiets intuïtief doen? Het besef ervan wordt voor het leven opgeborgen. Maar nu duurt het niet. Ik wandel  naar de deur. Naar buiten. Daar wordt op me gewacht.       * * *   De avond daarvoor kampeerden we. We, dat waren mijn oudere broer Hugo, mijn oudere zus Lieve en vriend Leo. Ze reden vòòr ons in een goudkleurige BMW. Jorismijnlief, mijn jongere zussen Agnes en Rita en ik volgden in een bordeauxkleurig R4-tje. Het was de eerste keer dat we kampeerden, maar we deden het als de groten: we zetten twee tenten op, installeerden slaapzakken, kampeergerief, maakten een kampvuur om te koken. De tenten en zo lukten prima, het eten was slecht. Gewoon: slecht: het was het eten van de streek dat we in de boerderij van onze kampeerplaats kochten: conservenblikken andouilles: geprepareerde varkensdarmen, de specialiteit van de streek. Bordeauxwijn maakte alles vrolijk. Met veel gelach en geplaag waren we de volgende dag vertrokken naar de playas in het noorden van Spanje. Er was toen nog niet zoveel te doen over El Generalissimo Franco. Lieve, Leo en Hugo reden voorop. Joris zat bij ons achter het stuur. Er waren de perfect onderhouden Franse asfaltwegen tussen volwassen ronde heuvels en groene dalen, bossen en de boomgaarden , weiden met grazende, bezadigde koeien, schapen en lammeren, velden en velden zonnebloemen, blauwe lucht langs alle kanten. Agnes tokkelde op de gitaar, Joris stak een wagen voorbij. Dan even niets. Dan die twee bomen die op me afkwamen. Agnes zat opeens met de gitaar in de armen in de wei beneden. Rita zag, voelde de auto over zich heen donderen. Joris is ook uit de wagen geslingerd – gelukkig: de wagen is schroot.    Later de treinreis, terug naar huis. Ik mag Joris niet aan ’t lachen maken: één van zijn gebroken ribben drukt venijnig op zijn lever, dat is erg pijnlijk. Vakantie in het ravijn gevallen: zo’n vijf verdiepingen diep. Alle vier uit de wagen geslingerd. Maar we zijn oké, ik ben oké, dat hebben ze in de kliniek in Bordeaux verzekerd. Ik mag met de trein naar huis. Luc en ik, we liggen in de trein in couchettes naast elkaar. Zijn hand wriemelt zich onder mijn deken, speelt met de tepels van mijn borsten. Zalig. Heerlijk. Ik lééf.   * * *   Later thuis. Eindelijk is het ook bij ons zomer, we leven weer in de tuin. Ik werk aan mijn thesis en speel met neefjes en nichtjes: ‘Gendarm en Dief!’. Enkele gendarmen moeten een groep dieven oppakken: ze tikken ze aan en stoppen ze in het gevang . Wie dief wordt en wie gendarm, wordt door het toeval beslist: iemand van de neefjes en nichtjes  slaat enthousiast op mijn rug  terwijl hij vraagt: ‘Gendarm of dief?’.  Het is een buitenkansje voor de neefjes en de nichtjes: er zijn een paar kleppers bij met flink wat levensvreugde en ze kunnen niet alle dagen zo stevig doorkloppen op de rug van de tante. Op mijn rug. Op de rug van twaalf meter diep en twintig meter verder. Want alles is oké. De specialist in het ziekenhuis thuis heeft massages voorgeschreven en behandelingen met warme klei. Lieve is verpleegster op die afdeling, ze volgt me op. Alles is oké, alles gaat goed: het weer, het leven, de liefde, de ‘slachtoffers’, de nek. De verzekering: Joris treft geen schuld, hij deed zijn inhaalmanoeuvre perfect. Maar de wagen had een klapband, Joris had het gevoeld, wou stoppen langs de kant van de weg, daar lag een hoop grint, de R4 was geslipt en zodoende… Dus alles in orde! Ik ga voor de thesis in september! Alleen: mijn arm begint meer en meer pijn te doen als ik schrijf. En ik schrijf veel: de thesis! Na een paar weken moet ik zelfs  stoppen met schrijven, gaan liggen en wachten tot de pijn over is. De specialist verstaat het niet , neemt opnieuw foto’s van mijn nek. De ligamenten van de ruggenwervels C4, C5 en C6 zijn gebroken. De ruggenwervels zijn al anderhalve millimeter verschoven. Nog een halve millimeter verder en de zenuwen in de wervelkolom zouden onherroepelijk beschadigd zijn: het hele onderste gedeelte van mijn lichaam zou verlamd zijn.   Donderdag wordt het geconstateerd. Zaterdag lig ik in de universitaire kliniek van Leuven.     * * *     Eigenlijk is het een draaispit op mensenmaat. Het is  gemonteerd op het karkas van een ziekenhuisbed. Aan hoofd - en voeteneinde twee metalen balkjes, rechtop, een kleine twee meter(?)hoog, acht à tien centimeter dik. Een stuk boven de bodem van het bed is er een opening in die balkjes. Daarin horizontaal, van de ene kant naar de andere, een discrete ronde staaf. Waarop een brancard. Daarop een kampeermatrasje, een  laken,  een hoofdkussen, een bovenlaken, een deken. En ik, de zijkanten van mijn schedel kaalgeschoren. Aan elke kant van het hoofd, in de tussenruimte tussen de twee harde schedellagen, hebben specialisten een soort koptelefoon aangebracht, waaraan een kabel, de dikte van een koord. Die kabel loopt naar een gootje in de top van het metalen balkje aan het hoofdeinde, passeert het gootje, hangt naar beneden, achter het ziekenbedkarkas. Aan die draad hangen gewichten. Elke dag een beetje zwaarder. Zo krijgen ze de wervels van de ruggengraat weer strak in het gelid. Alleen als de ruggengraat kaarsrecht is, kunnen de losgeslagen wervels opnieuw vastgezet worden. En zal ik geen invalide worden, half verlamd, zoals mijn kamergenote, een vrouw van veertig? vijftig? jaar. Verlamd vanaf de romp. Niet meer gaan, niet meer  staan, tot daartoe, zegt ze. Elke dag drie keer eten. Natuurlijk. Maar daarna de vertering, de stoelgang… Ze moet het me niet vertellen. Ik beleef het elke dag mee. Een kalvarie….   De ruggengraat mag niet bewegen. Niet rechtzitten, dus. Ook niet een beetje. Om te eten. Te wassen. Te plassen. En zomeer. Het wassen, het plassen en zomeer is een gewone ziekenhuis affaire. Maar eten? Twee keer per dag wordt boven op de ene brancard een andere brancard stevig vast geriemd. En word ik omgedraaid. Een worst aan het draaispit op een tuinfeest…   Aan het hoofdeinde is er in de brancard een stuk stof uitgespaard. Het voorhoofd steunt op de brancard, het gezicht is vrij. Ik lig dus op de buik en kan door dat ‘raam’ eten en lezen. Dat is mijn redding: lezen. Tolstoï, Dostojewski, Stendahl, Camus, Flaubert, Daphne du Maurier, Boon, Elsschot. Familie en vrienden brengen zichzelf en de boeken mee. Ze maken afspraken, denk ik nu, wie wanneer aan mijn draaispit zal zitten.  En er is natuurlijk ook Jorismijn lief…       Mijn lief ,   “Nu je daar zo half kaal ligt,  nog half verdwaasd van de verdoving, is het alsof de liefde die je me gegeven hebt de laatste tijd, pas nu volledig tot me doordringt en mij overwint. Ik dronk gisteravond werkelijk vrede en vreugde uit je ogen en je lach. Het is alsof je machteloos liggen, je hulpeloos zijn, mij sterk maken en mij helpen te blokken en goed te zijn en rustig te blijven en mij werkelijk doen leven… Gisteren heb ik nog nagedacht over wat dat nu juist is, verliefd zijn. Iets vreemds is het niet, want dat betekent dat het nieuwe er van af zou gaan. Eigenlijk, verliefd zijn: het is iets anders. Iets dat je samen met allen en alles rond je verandert. Een bekering, zoiets als. Het is een prijsgeven van mezelf, een stuk willen worden van jou en jou als een stuk van mij aanvaarden.  En alle kale hoofden op de wereld veranderen daar niets aan… Frida, zonnekind, prinses… “     * * *    Na drie weken tractie zijn de wervels die het ruggenmerg zouden kunnen beschadigen, terug op hun plaats geschoven . Een meevaller: de chirurgen hadden gedacht dat het zes weken zou duren. Maar deze patiënte is jong en soepel. Ze zouden nu stukjes uit het heupbeen kunnen snijden, via de nek tussen de wervels plaatsen en laten vastgroeien zodat de wervels niet meer kunnen wegglijden. Dat hebben ze al tien keer gedaan. De nekwervels zijn dan wel onbeweeglijk: patiënten kunnen het hoofd niet meer draaien, ze moeten het hele bovenlichaam gebruiken om naar links of naar rechts te kijken. Natuurlijk, dat is een minder kwaad: het gevaar voor verlamming is verdwenen. Maar. Ondertussen zijn er nieuwe stappen gezet in het onderzoek: als de wervels langs de voorkant zouden vastgezet worden, langs de hals dus,  zou de beweeglijkheid van de nek veel groter zijn. Goed, maar hoe geraak je via de hals bij de nekwervels: er is geen zichtbaarheid. Wel, dat hebben de chirurgen in theorie al uitgedokterd: er zouden doorlopend röntgenfoto’s genomen worden van de nekwervels en die zouden geprojecteerd worden op een televisiescherm. De chirurgen zouden dan opereren via het televisiescherm. Ze gaan dit bij mij voor het eerst ook echt doen, stellen ze voor. De operatie is een wereldprimeur. Ze wordt gefilmd.   Wat gebeurt. Met succes. Nog eens drie weken later word ik uit het ziekenhuis ontslagen. Ik val als ik opnieuw wil lopen: als je zes weken je benen niet gebruikt, zijn het flanellen stokjes geworden.  Maar ik tors vol vertrouwen mijn nek, die van kin tot schouders  ondersteund wordt door een stevige plastic kraag. Beetje bij beetje mag ik hem losmaken en uitdoen. Een paar maanden later, in de lente, wordt een introductie op de wetenschappelijke film opgenomen. En vertel ik met een beweeglijke, slanke hals, hoe ik in een ravijn lag. ‘Dan voel ik de warmte van de zon op mij’ zeg ik. ‘Dat is zo goed, dat doet zo’n deugd: thuis wil het maar niet zomeren.’ ‘Cut!’ roept de regisseur.     * * *     Ik, toen... Frida. En ja, dit is wat de mensen der letteren een keerpunt noemen, denk ik. Een  gedwongen wending in mijn leven.  Alles is druk, zo druk dat er geen verdere gedachte kon zijn over wat mijn andere leven had kunnen worden. Ik was er achter gekomen: ik wil journaliste worden, naar Eindhoven nog een jaar cursus volgen. Maar wat dan met Joris, met Zuid-Amerika. Misschien, misschien – maar haar gedachten werden zo erg dun als ze dit dacht, ze leken nog nauwelijks garendraadjes - maar. misschien. kunnen we trouwen, kan ik meegaan naar Zuid-Amerika; op een langere huwelijksreis. Dan kom ik terug, volg die opleiding, zien we elkaar van tijd tot tijd: het is toch maar voor één jaar… Ik sta te snotteren aan de afwasbak als ik dit vertel aan mijn moeder. Die is boos op Joris. ‘Waarom kan hij niet gewoon zijn militaire dienst doen, zoals je broers gedaan hebben. Maar nee. Als je trouwt, moet je met hem meegaan.’.  Ze is boos. Als je met hem trouwt. De gedachte is dood geboren. Een ander leven voorbij.    * * *   Hoe naïef was je, Frida, hoe onschuldig, hoe onvoorbereid. Ondanks alle cursussen sociale leer van de kerk en sociologie en politieke en sociale filosofieën en ethiek van de pers aan de universiteit, boeken en schriften vol. Hoe je in het kokende bad van de verre wereld werd gegooid – hoe je jezelf er hebt ingesmeten – samen met dat lang stuk halve Jezuïet van je, waar je tot over je oren verliefd op was. Hoe je het dramatische ongeval met de wagen overleefde. Hoe je amper de tijd kreeg om te ademen voordat je, hals over kop, twee dagen nadat je was getrouwd, bent vertrokken naar Colombia, Zuid-Amerika: vierentwintig uur (?) met het vliegtuig onderweg naar dat passionerende, schokkende stuk van de wereld. Een jonge bruid. Je was nog niet eens bekomen van je gebroken nek…je mocht nog maar sinds een paar maanden zonder halsprothese rondlopen… Tant pis. Ik heb beslist dat ik dit zou schrijven. Ik doe het. Ik beschrijf Frida, toen. Tenminste, ik zal het proberen…       * * *     Ginder is Frida een gringa. De meeste mensen denken in het begin dat ze uit de USA komt. Want ze is lang,  met grijsgroene ogen en bruin haar. ‘Gringa’ is hier niet onverdacht een eretitel. Ze legt dus altijd uit dat ze uit Europa komt. Uit België. België, waar ligt dat? Ambèrres – probeert ze dan – Brusèlas. Maar dat slaat zelden aan. Ze moet er Frankrijk bijhalen, Parijs, Duitsland, de Noordzee, Engeland, Londen... Ah, zo! Europa! Bolivar! De onafhankelijkheid!.. Vanaf dan is ze geen gringa meer. Maar dona Frida. Of doctora. Of meer liefkozend: monita. Blondje: alles wat niet ravenzwart is. Het is een geliefd koosnaampje.   Ze heeft nagedacht over wat ze gaat aantrekken. Jeans en laarzen. Want ze heeft schrik voor de vuiligheid, de modder, de mest, de vliegen, de luizen, de graatmagere  honden, de groezelige handen, de ziektes die in de tugurios krioelen.   Ze zal haar regenlaarzen aandoen en de beige hemdsbloes met lange mouwen, die tot bovenaan goed sluit.  Ze is er bijna zeker van dat ze met vlooien thuis zal komen. Geen luizen. Ze heeft nooit luizen. Ze doet haar ruana niet aan. De hare is van soepele wol: dat trekt teveel de vlooien en is moeilijk te wassen. Ze draagt een trui: deze maand regent het iedere dag driftig één, twee uur lang. Dan is de zon er terug. Maar even kan het koud zijn, op 2 700 meter hoogte:  het is hier winter deze maand.   Ze gaat  mee met Leticia, een vriendin. Leticia is ouder dan Frida – tenminste, dat denkt Frida toch. Ze komt uit een welstellende familie. Ze is sociale assistente bij de Bienestar Familial. ‘ ‘De senorita’ noemen de mensen haar. Ze werkt in deze miljoenenstad met de onderklasse van de allerarmsten: de twaalfduizend straatkinderen jonger dan tien jaar - de gamines. Ze zijn weggelopen van huis, weggejaagd, het zijn weeskinderen, ze waren teveel, ze werden aan de deur gezet, weggeslagen, op een marktplein achtergelaten. Ze overleven en sterven op straat. Zoals bijna alle kleine mensen, draagt Leticia altijd een ruana van ongebleekte, stroeve wol. Zij is van hier.     Ze gaat op huisbezoek  bij een familie in de krottenwijken, die aan de rand van de stad tegen de geërodeerde bergwand uit de grond zijn geschoten. De twee oudste kinderen, de jongens, acht en zes jaar,  zijn gamines. De twee meisjes, ééntje van drie jaar en ééntje van acht maanden, hangen nog letterlijk aan hun  moeders’ rokken.  Leticia gaat praten met de man en de vrouw: de man heeft de vrouw weer afgeslagen. De vrouw heeft een gat in het hoofd. Haar jongens zijn het komen zeggen.    Ze gaat mee met de sociale assistente. Ze heeft schrik van armoede. Ze heeft schrik van de stank, haar maag draait er van om; ze heeft schrik van dieven; ze heeft schrik van graaiende handen op de bus, die in het ijle zweven, die aan geen lichaam schijnen toe te horen en portefeuilles stelen; ze heeft schrik van lange, gele nagels aan gekromde vingers, die te dicht bij haar polsen komen; ze heeft schrik van niet- zichtbare messen onder poncho’s en ruana’s; ze heeft schrik van veel volk samen; ze heeft schrik van wat mensen doen als ze wanhopig zijn. Maar anderhalf jaar nadat ze hier is aangekomen, wil ze meegaan.   Nu. Nu ze de taal een beetje kent, nu ze verstaat wat er gezegd wordt, nu ze heeft geleerd hoe mensen elkaar hier begroeten, nu ze soms al voelt wanneer ze kan praten en wanneer ze beter zwijgt, nu ze niet meer panikeert als er ratten over de weg lopen, nu ze het verhaal kent van dit land van orchideeën, van anjers, van kolibri’s, arenden, caymanes, papegaaien, van anaconda’s, van koeien, muilezels en paarden, van lulo’s, papayas, aguacates en mango’s, van granaatappelen, van chirimoyas en guayabas, van appelsienen, limoenen, pruimen, kersen en bananen; van jasmijn, mimosa, palmbomen, bouguinvilleas, van katoen- en koffieplantages; van eindeloze,  gelige vlaktes in de hoge paramos, van de besneeuwde bergtoppen in de Sierra Nevada, van  de eeuwiggroene bergketens van de Andes, van witte stranden aan een helderblauwe oceaan, van broeierige wouden, van okerkleurige rivieren, van smaragden, van goud, van irridium en olievelden,   nu ze zonder nadenken het verschil kan voelen tussen een cumbia, een san juan, tussen porro, paseito, merengue, gaita,  bambuco, chorope, patacore; nu ze ze ook al wat kan dansen; nu ze de sensuele verleiding kent van sierlijk geheven armen, lage schouders, wiegende heupen,  die iedere stramme westerling in het begin jaloers, gegeneerd weg doen kijken; nu ze ook de afgebeulde mensen verstaat, de geëngageerde doeners, denkers en artiesten, de familienamen weet van de herodiaanse grootgrondbezitters, machtig als despoten, nu ze ook daarin een onderscheid kan maken,   nu ze het weet van de vuiligheid, van het klagende geroep van bedelaars, van de stompjes armen en benen die plots onder haar neus worden geduwd, van het gebonk van lichamen van mensen die in doodse stilte vechten met elkaar; nu ze het weet van de knallen die ’s nachts door de bergen galmen dat het geen vuurwerk is, maar schoten van pistolen en geweren; nu ze het weet in welke bario’s en op welk uur van de dag ze hoe met wie naar toe kan gaan; nu ze weet wat je moet doen opdat je hart niet zou breken als je ze ziet, de haveloze groepjes opdringerig bedelende kinderen; nu ze gewoon is geraakt aan politiemensen met mitraillettes in aanslag in het midden van de stad; nu ze de droefheid kan verdragen en de haat in de ogen van de mensen kan verstaan; nu ze er klaar voor is, nu wil ze mee. Ze wil het. Ze wil het weten. Ze wil het met eigen ogen zien.   Ze rijden met de bus de berg op zover het kan. Daarna stappen ze op platgetrapte grond, een smalle holle weg voor voetgangers, muilezels en stromend modderwater: se hace camino al andar – denkt ze grimmig.  Ze ziet geen vuiligheid. Ze ziet de grond, wat moet doorgaan voor de muren van de krotten, de golfplaten die bij de gelukkigen dienst doen als daken. Ze ziet niet veel beweging. Ze ziet wat haar vriendin een huis noemt: muren gemaakt van grote platgeslagen benzineblikken, van vermolmde planken, stukken karton en vele gaten, rond een vierkant van drie meter op drie aangestampte grond. Een aarden pot op een paar stenen voor een vuur dat zelden brandt. En overal grond en vuil en grauw. En de moeder.   De indianenvrouw heeft een groezelig vod rond het hoofd gebonden, als iemand met een zere tand in een oud stripverhaal. Ze staat daar niets te zeggen bijna zich te verontschuldigen dat ze bestaat ze staat. Bijna is ze een boom bijna bewegen haar lippen niet bijna vluchten de woorden weg nog voor de lucht zich met lucht vermengen bijna beklagen zich tanden en tong dat er toch woorden worden gevormd en het verhaal toch wordt verteld van een man die geen werk heeft en geen eten voor zijn kinderen die doet wat alle mannen doen hier in de buurt om niet te zien hoe zwart die elke dag de vrouw de kinderen schopt en slaat als ze ‘honger’ durven denken die met de andere mannen zuipt die niet te spreken is hij kan niet spreken hij kan alleen willen vergeten.    En als ze ziet dat hij stomdronken is en wild en dat zijn ogen gloeien jammert ze vanuit verre tijden het onderdrukte klagen van haar onteerde volk triestig triestig het geluid van een gekwetste duif van een kat op zoek naar haar verdronken jongen van een afgeranselde hond van wind in een verlaten huis.  Het maakt hem razend dat zij hem ziet en weet hij kan niet spreken hij heeft geen macht hij rukt een plank los van de muur en slaat wat hij hoort tot stilte -   maar het gilt het gilt en er loopt bloed over de vrouw en ze heft de baby naar hem op en de baby krijst en hun kleine meisje staat voor de moeder ze houdt zich aan  haar rokken vast en hij gooit de plank met de bebloede nagels van zich af en hij zwalpt weg en het verhaal zwalpt weg het is beschaamd het is vernederd het is angstig het valt stil. Ze jankt nu voor zichzelf alleen. Ze wiegt de baby in haar armen. ‘Padresito’ noemt ze de man terwijl het bloed nog verder druppelt.   Ze scheurt een reep van een stuk stof en legt ze op de wonde, draait ze een paar keer rond haar hoofd. Ze zet zich doodmoe op het bed, leunt tegen de muur, de meisjes in haar rokken. ‘Arme mijn man – denkt ze - padresito’.  Hij is de vader van haar kinderen. Hij heeft het niet bedoeld – ze weet het. Ze weet het vuur dat hem verbrandt.  Maar alles voor haar ogen draait. Zijn het haar jongens die ze ziet? Misschien worden haar jongens anders misschien misschien worden ze thuisgebracht misschien worden ze niet vermoord worden ze niet in het gevang  gesmeten misschien worden ze niet verkracht misschien gaan ze niet aan de drugs want er is de senorita van de Bienestar Sociàl. Misschien gaan ze toch naar de school misschien kunnen ze later lezen en schrijven misschien kunnen ze iets anders doen dan elke dag de dood uitstellen elke dag razen van honger van schuld en van niets weten misschien geven zij  de familie later wel te eten...   Dan weet ze het niet meer. ‘ En nu vandaag bent u er , senorita,  met een gringa. Hoe weet u dat... ‘ Natuurlijk! ‘ Senorita,  waar zijn de jongens?’ vraagt ze.  Zij zijn het,  zij hebben het verhaal bij de buurjongens gevangen. Zij hebben het de weg gewezen tot bij de senorita en ze wil weten hoe het met de jongens is ze zijn  toch niet ze hebben toch niet   Het kleinemeisje is  overal. Ze is een spin: in iedere hoek, voor iedere spleet, voor alles wat een raam of deur zou kunnen zijn  hangt ze een spinneweb;  ze zweeft voor elk dreigend gevaar; ze staat de armen wijd gespreid om alles buiten te houden  te proberen dat het niet gebeurt dat de geesten binnenkomen dat de duivel danst als het vuur onder de ketel wordt aangestoken dat de wind krijst rond de muren van het huis dat de regen de grond onder hun voeten verandert in een modderpoel en alles dreigt weg te spoelen. Ze is een vlinder: ze spint een cocon rond hun huis zodat het niet kan breken.   Leticiazegt Ola, ola, dona Clemenza. Stil maar, rustig maar. Ik kom alleen maar kijken . Nee, nee, ik ken u wel. Hij heeft het niet slecht bedoeld, hij was bezopen. Ik zal niet naar de politie gaan. Of wel? Nee. Dat dacht ik. Ola, dona Clemenza, laat me uw hoofd bekijken. Doe die lap eens weg. De jongens? Ja, ze zijn het komen zeggen. Waar ze nu zijn? Ik weet het niet, ze willen nog niet bij ons wonen, dat weet u. Ze zeggen dat ze een thuis hebben: hier, bij u. Ze gaan nu elke morgen naar school. Ze stellen het eigenlijk wel. God geve dat ze geen lijm gaan snuiven. Niet wegtrekken, ik moet zien of die wonde erg diep is. Hebt u ze al uitgewassen? Por Dios, dona Clemenza, dat gaan we dan eerst doen. Ik heb iets speciaals meegebracht. Het gaat pijn doen, maar het moet. Zo. U mag niet ziek worden, dan zouden de kinderen niemand meer hebben. U moet sterk zijn. En waar is hun vader, don Antonio, ik wil met hem praten. Zeg hem dat hij eens bij ons langs komt, hij weet het wel: bij de Bienestar Familial, op de hoek van de vijfde straat met de Plaza Bolivar. Ik ben er elke morgen van de week.  De gringa ziet vooralde kleuren. Bruin. Grijs. Grauw. De vloer, de muren, de planken, het karton, de vodden op het bed in de hoek, de vrouw, het meisje van twee? drie? jaar: allen, alles bekleed met dezelfde huid, uit de grond genomen. Er zijn ook andere kleuren ziet ze nu. De platgeslagen verroeste blikken, rood en wit, met blauwe drukletters bedrukt: GASOLINA, benzine. En soms ESSO. Of MOBIL. Het is alsof het huis bij elkaar wordt gehouden  door zeefdrukken van een popartist.  Van Andy Warhol, bijvoorbeeld: zijn reeks ‘Soepen’, tussen de kleur van slijk en wrakhout en de lucht.   Het riekt er naar een stal. Nee, ze ziet geen gat in de grond. Ze hebben waarschijnlijk buiten een latrine gegraven. Het is niet zoals op die trap in het gesloten trappenhuis waar ze één keer toevallig is beland, ook met Leticia, in een meer doenbare buurt, waar de mensenstront en het braaksel zomaar op de overloop lagen te stinken. Ze hoort vooral: dat weinige geluid, dat bijna niets, dat stomme. Ze hoort de onmacht, het te zwak zijn,  te gekwetst, te onderdrukt:  een elegie van kleinkinderen, kinderen, moeders, grootmoeders, overgrootmoeders, generaties aan elkaar geregen in een gevecht met ongelijke wapens in ellende, in honger, in zich schikken in het lot,   De gringa hoort het hoe de moeder voelt dat dit niet is zoals het moet, maar dat ze niet de woorden. het woord. niet durft te denken, niet onrecht durft, kan denken,  dat ze gevangen is in angst, in slaag. De gringa hoort het verhaal dat siddert, beeft,  dat zich verbergt in de zeven lagen onderrokken van de indiaanse: ze verwarmen de lucht waarin de moeder leeft, ze nemen de geur aan van haar kinderen van melk van grond van mest van stenen van zweet van zaad van bloed; als de onderste rok weer de bovenste wordt, verschijnt het patroon, het enige wat telt: dat ze moet verder leven.   De gringa hoort hier niet. Ze is een indringer, een Peeping Tom, door niemand aangekeken, overal bespied, door iedereen geweten dat je beter van haar afblijft ze is met de senorita van de Bienestar Social ze spreekt de taal bij haar valt niets te rapen ze kent de trukken van de foor. Maar daar denkt ze niet meer aan. De schrik is weg. Want in de hoek waar het bed staat - gelukkig denkt ze ‘bed’ - op het bed,  midden tussen de vodden, tussen de kleur van aardappelen en grond is een nest gebroken wit   en daarin zit een kind. Het is een maand of zes en het is levend, gaaf, de bruine ogen glanzen. Het kijkt rond het zit alsof er niets aan de hand is; alsof niet vijfentachtig procent van de grond van haar land in handen is van tien procent van de bewoners (?); alsof er op de wereld geen klopjacht aan de gang is naar meer en meer en van mij alleen en pas op en we vreten het op we stoppen het in een versterkte kluis nog voor er iemand anders aan kan raken we speculeren ermee op de beurs; alsof er  daarvoor geen oorlogen worden gevoerd, geen mensen worden afgeslacht, uitgezogen, in slavernij gedreven, gemarteld, in geheime gevangenissen gestopt, levend in de oceaan worden gesmeten, neergeknald;   het kind zit en kijkt alsof ze is: vanzelfsprekend,  zoals de  neefjes en nichtjes van de gringa, de kinderen van de koningin, het petekind van  Inneke Peeters van op de radio, het nichtje van de president, het kleinkind van mevrouw Jansens van om de hoek; alsof ze even bekoorlijk zal zijn,  even vol  verhalen, met even veel te zeggen later. Het weet nog niet dat voor haar alleen het grauw wordt gereserveerd,  geen toekomst geen toekomst geen toekomst geen toekomst geen toekomst grauw geen toekomst geen toekomst geen toekomst geen toekomst niet niet niet niet niet.   Dat ze dievegge wordt, waarschijnlijk.  Waarschijnlijk zal ze, als ze zes is, met grauwe vodden rond haar lijfje, de haren stijf van vuiligheid, met blauwe wallen onder de ogen, waarschijnlijk zal ze, lenig als een kat, gaan hangen aan het open raam van de auto’s, die stoppen aan het rode licht; waarschijnlijk zal ze haar groezelige handje dreigend onder de neus van de bestuurder duwen en bedelen en terug spuwen en wegspringen als er naar haar wordt uitgehaald. Maar ze rekent er op, de uitgekookte helleveeg, dat de mensen haar iets zullen geven om van haar af te zijn: ze heeft de lagere school van wie in bittere armoe leven al doorlopen. De hogeschool is drugs en afpersing en moord en prostitutie. Dat komt later- dat denkt de gringa toch.   En de gringa kan haar niet oppakken en meenemen ver van dit grauwe krot haar hart is nog niet groot genoeg het moet op deze grote hoogte nog dieper leren pompen en ook het kan niet want ze kan niet alle kinderen en dit kind heeft nog een moeder met zeven rokken en een vader die naar huis komt en een zus en twee oudere broers. Misschien als die jongens er in slagen misschien heeft ze dan de Bienestar Familial of de Beneficencia  en kan ze leren. Ze heeft dus nog heel veel ze is niet uitgemergeld nu nog niet ze ligt nog niet roerloos met opgezwollen buik langs de kant van de weg onder een mimosaboom. Ze is springlevend en kijkt rond. En je zou wel willen dat ze gelukkig wordt maar je weet dat ze geen toekomst heeft ze is gebroken wit tussen zoveel grauw ze is onwetend tussen tekort aan woorden die onbekend wensen te blijven die niet willen bestaan ze heeft geen ze is opgeschreven ten   Als de gringa terug thuis is, stopt ze haar kleren onder water. Ze neemt een douche. Drie vlooien springen van haar weg, spoelen met het water de afloop in. Ze trekt nieuwe kleren aan. Ze zet zich neer. Ze weent. Het is avond. Het is zwart.    Toevallig leest ze kort daarna een artikel in een vroom blad. Er staat een reportage in van een pater. Ook hij ging op bezoek in een krottenwijk. Hij zag er een familie met een gezonde baby. Hij schrijft dat de baby een bloem is op een mesthoop.   De tranen springen haar van woede in de ogen. In haar verbeelding huilt en tiert ze tegen hem. Ze valt hem aan, ze wil hem slaan, altijd opnieuw als ze aan hem denkt. Mesthoop! Don Antonio, dona Clemenza, het dappere meisje, de gevluchte broers: een mesthoop! Ze gooit hem buiten. Ze zet geen voet meer in zijn kerk.     * * *     En aan zulke mensen mag ik les geven! denkt Frida.  Ze houdt zich een beetje op de achtergrond, ze kijkt rond, ze zal wat hier gebeurt vertellen aan Edward, een vriend van haar die nu ontwikkelingswerk doet in Zaire.  Zijn laatste brieven klinken zo pessimistisch. Dit zal hem opvrolijken. Ze ziet ze discuteren, wandelen, lachen, de dertig mannen en vrouwen, syndicalisten, studenten, mensen uit de arbeidersbeweging, jeugdwerkers, nonnen, pastoors. Haar studenten! Mensen die ervaring hebben in de sociale strijd. Zoveel moed, liefde, idealisme bij elkaar! Zij geeft hen een theoretische inleiding tot de politieke wetenschappen! Stel je voor! Een onnozele geit is ze, vergeleken met hen.  Ja, ze heeft het vereiste diploma. En ja, ze spreekt  een aardig mondje Spaans: taxichauffeurs vragen haar of ze uit Chile komt, of uit Argentinië. Maar wat betekent dat in vergelijking met… Maar ze hebben haar aanvaard. De Jezuïeten die dit instituut hebben opgestart, de mensen die er werken, de studenten. Misschien dat ze het voelen, hoe alles in haar in opstand komt tegen hebzucht, machtswellust, onrecht. Dat ze oprecht is. Misschien heeft ze een voetje voor, juist omdat ze zo jong is, een vrouw, nog een meisje haast, amper zesentwintig, onervaren. En willen ze haar bijbrengen hoe deze wereld achter de schermen echt functioneert…    Als ze met haar alleen zijn, vertellen ze hun verhalen. Ze brengen ze mee uit Nicaragua, Mexico, Honduras, San Salvador, Santo Domingo, Venezuela, Bolivia, Paraguay, Argentinië, Peru, Ecuador, Colombia. Ze spreken over wat hen bezielt. Er leeft zoveel hoop in dit continent, op dit moment.  De prachtige dansmuziek, hun ritmes, de weemoedige liederen beginnen zich te verspreiden. ( ook hier: concrete namen ?) Gabriel Garcia Marquez schrijft zijn Honderd Jaren Eenzaamheid. Mario Vargas Lloza, Jose Maria Arguedas, Jorge Isaacs, Miguel Angel Asturias, Julio Cortazar, Jorge Luis Borges, Pablo Neruda: hun gedichten en boeken brengen Zuid-Amerika tot ver buiten de eigen grenzen.  En de droom van Salvador Allende, die volgend jaar de eerste democratisch verkozen socialistische president van Zuid-Amerika  kan worden… Ze heeft het hele continent, de mensen, hun manier van doen stevig in haar hart gesloten.   Ze probeert het te beschrijven in de brieven naar huis. Ze heeft nauwelijks heimwee – wel schrik, soms, en veel verdriet. Dan doet het deugd als ze er aan kan denken dat Joris geen militaire dienst wilde doen en dat zij mee was gegaan: make love, not war; aan de vele vrienden die ze hier hebben. En dat ze hier dat instituut gevonden heeft. Hoeveel ze hier leerde!   Ook op bijeenkomsten zoals deze. Ze zijn  een paar dagen op stap met de hele groep: studenten, secretaressen, schoonmaakster, docenten, directeur. Het huis (een pensionaat? een seminarie?) waar ze verblijven, ligt in clima café: een gordel in de bergen, zo’n 1500 meter hoog, met een klimaat als aan de Middellandse Zee, het hele jaar door. Hier worden koffiebonen gekweekt met het heerlijkste aroma, de open, warme lucht spant zijn verleidelijkste blauw over groene palmbomen, groene koffieplantages, oranje, gele, roze, rode, blauwe, paarse bloemen, over lustige beken, over vriendelijke wegen, over witte huizen en boerderijen  met grote terrassen.   Ze zitten op zo’n terras. Het is avond, hier de kleur van warme zomernacht. Prachtig toch, denkt ze, hoe dat hier gebeurt: wachten. Geen zenuwen, geen ongeduld. Hoe ze hier omgaan met de tijd. Tijd is niet de dwingeland van hun leven. Ze houden hem in toom, ze laten hem passeren, bepalen zelf wanneer hij gekomen is. Klopt dat niet met de tijd van de tegenspeler? Geen nood. Je kan zoveel doen in de tussentijd die wachten is, het leven is zo rijk. Je kan praten, bijvoorbeeld, kennismaken met de mensen in de buurt. Je kan een cafésito drinken, kijken wat er rondom zich afspeelt. Als het echt belangrijk is dat je iemand ontmoet, wacht je gewoon. Dat loont dan de moeite, toch? Het heeft geduurd voor ze dit begreep, voor ze dit kon denken, voor ze dit  kon uitleggen in de brieven naar vrienden en kennissen over de oceaan.   Ze ziet de Mexicaanse studente, Malva, in de weer met Pacho, de Venezolaan. Pacho heeft van tijd tot tijd een aanval: hij schreeuwt, krimpt in elkaar, houdt de armen afwerend voor zich uit, zijn ogen zijn verwilderd en hij ziet weer de militairen op hem afkomen die hem zullen martelen tot hij de namen zal geven van de makkers die mee de stakingen en betogingen hebben georganiseerd. Een beetje verder staat German. Hij is één van de twee Argentijnen in deze cursus.  German eet soms nauwelijks, drinkt  dagenlang alleen maar botermelk. Hij heeft een maagzweer, al van toen hij als student scherp in de gaten werd gehouden door de geheime politie, omdat hij druk bijgewoonde vergaderingen organiseerde over het werk van Dom Helder Camara in Brazilië, of over  bisschop Romero in San Salvador, of over de Katholieke Universiteit van Leuven, in België, in Europa, waar vele Latijns- Amerikanen de ideeën gingen bestuderen die daar werden onderwezen over onderdrukking, over sociale rechtvaardigheid en de relatie met de boodschap van bevrijding in de bijbel.    Het is op die German, de gaucho, dat ze wachten. Hij zal deze avond een malamba dansen,  een traditionele gaucho-dans uit zijn geboortestreek. Hij staat nog te praten met de andere Argentijn. Die zal de bongodrum bespelen.  Ze omhelzen elkaar. German stapt naar het midden van de cirkel. De bongo zoekt zijn weg, vindt een droge,  krachtige slag. German heft de armen. En danst.    Frida ziet: dit is geen gewone dans van hier. Hier gaat het  niet om het plezier van het dansen, om het wiegen van heupen, het draaien van schouders, het bewegen van benen, armen,  handen, vingers zoals aangeleerd vanaf de tijd aan de moederborst. En soms, maar dat had ze nog niet dikwijls meegemaakt, de magie van twee lichamen die naar elkaar gezogen worden, waarvoor iedereen plaats maakt en die plots als enige nog dansen in het midden van de kring, door iedereen bewonderd of met afgunst bekeken.    Deze dans is anders. German danst. Hij danst beelden in de hoofden van wie hier zit en eerst zijn het beelden van indianen die als slaven moeten werken voor de grootgrondbezitter, beelden van gamines, van een dona Clemenza een don Antonio in grauwe tugurios, ze ziet het kind in een nest gebroken wit ze voelt haar hart ze verstaat niet wat hier gebeurt ze is weer een vreemde ze kent dit niet ze is verward hier wordt toch alleen maar gedanst haar ogen zoeken German en ze ziet ze hoort hem bewegen niet als een balletdanser, daarvoor is hij te struis ze ziet zijn soepele, sterke lijf, zijn laarzen die de vloer betasten, de grond, de aarde, la tierra madre, die hem de kracht geeft om op te springen, als op en af een paard in volle galop; om met de handen op de dijbenen en met het geroffel van de bongodrum het beeld te dansen van de gaucho:  de man die niet wil eten uit de hand van de despoot; hij danst dat het kàn, dat het bestaat dat de mens zijn trots behoudt dat je daarvoor een prijs betaalt zoals de gaucho hij is de eenzaat, hij is een vagebond, een paard is het enige wat hij echt bezit, de eeuwig groene grasvlakten van de pampas zijn zijn thuis maar het kan. German getuigt hij ìs de gaucho, vrij, nobel, genereus, een man van weinig woorden, trots, betrouwbaar, solidair. Hij vecht als hij wordt geprovoceerd. Hij trotseert. Hij is de leider nu hij danst, de armen krachtig gespreid, hij neemt iedereen mee, drukt iedereen aan het hart, hij roffelt met de hielen, de bongo volgt hém, hij bakent de ruimte af die hij nodig heeft, drukt er zijn stempel op, tekent haar, betekent haar: het kan!    De finale.  De knieval in de richting van de maan en de sterren. In de richting van waar de toekomst ligt. In de richting van waar de vrouwen zitten. In de richting van Frida.     En ’s nachts de serenade.  De krekels tsjirpen uitzinnig. Alles geurt. Onder haar slaapkamerraam, een gitaar. Een hoge tenorstem, zijn stem. Ze streelt het duister van de nacht, weemoedig. ‘Quando tu te habras ido, ya volveran las sombras...' ‘Als jij weg zult zijn, zullen de schaduwen opnieuw tevoorschijn komen...’ ‘We moeten het licht aansteken,’ fluistert haar kamergenote. ‘Doodstil blijven. En luisteren.’   * * *   Ze verstaat het niet. Ze is verliefd. Op het prachtige land, wil ze denken. Op de mensen,  wil ze denken. Op German, weet ze. Ze verstaat het niet. Het zal toch niet, dat één romantische nacht haar zover krijgt dat… Het gaat wel over, rationaliseert ze. Zo snel als het gekomen is.   Het gaat niet over. Het gaat nooit over.    * * *     Later nodigt een collega-docent zich zelf uit bij haar thuis. Mag hij eens afkomen met een collega van hem, die fel geïnteresseerd is in wat de jongeren van vandaag bezig houdt. En jij bent zoveel met de studenten bezig, jij geniet hun vertrouwen, aan jou vertellen ze waar ze écht om geven. Wel ja, waarom niet? Als het hem kan helpen met zijn wetenschappelijk werk. Edouardo Carrasquilla. En Pablo, de vriend. Twee Cubanen. We praten. Bij mij thuis – niet in de sociale school. Hij stelt de vragen, zij antwoordt. Wie zijn volgens jou de studenten met de grootste leiderscapaciteit? Geen enkele bel gaat rinkelen. Naar volle waarheid antwoordt ze: met voorsprong German.  Dan noemt ze nog een stuk of zes andere namen.   Joris en zij, ze maken nog een grote reis door Zuid-Amerika. Hun laatste Zuid-Amerikaanse reis. Frida weet: ze wil hier nooit, nooit terugkomen. Haar hart breekt als ze er aan denkt dat ze dit alles zullen achterlaten. Dat wil ze nooit, nooit opnieuw meemaken… Ze krijgen een kaartje van German met nieuwjaarswensen. Begin maart varen ze terug naar Europa. Dat is een verhaal voor later. Wat hier in deze scène van belang is, wat Frida van zesentwintig niet, wat Frida van alle leeftijden nooit zal vergeten, wat ik in haar plaats nu voor het eerst vertel. Het is lente in België.  Ze zit in de tuin: de vogeltjes zingen, de zon schijnt. Uit het niets, zonder verwittiging, overvalt haar een diep verdriet. German is dood, loopt door haar gedachten. Ze borstelt de gedachte, het gevoel opzij. Waanzin. Hoe komt ze daar nu op! Toch weer niet opnieuw… Ze is geschrokken, het gaat niet over.   Enkele maanden later krijgen ze bezoek uit Colombia. De directeur van de sociale hogeschool moet in Duitsland met een geldschieter praten over subsidies. Hij komt bij Joris en Frida op bezoek. Hij vertelt dat Carrasquilla werkte voor de C.I.A.. Dat ze hem ontmaskerd hebben. Hij was één van die fameuze Cubanen die naar de States zijn verhuisd als Fidel Castro aan de macht is gekomen. Die als spionnen zijn gaan werken. En dat German is neergeschoten. Hij was op de terugweg naar huis, na de cursus. Hij was met vrienden mee gaan betogen. De militaire politie heeft hem neergeschoten. Hij is dood.   Het gaat niet over. Het gaat nooit over.       * * *     En er was geen pleister voor deze wonde er was

versta
60 0

opdracht 8 DEEL 2 - Sabine Steels

Diamonds on the Soles of her Shoes/Paul Simon- Sheaboter trekt bijtjes aan, merkt ze. Ze zoomen gedurig rond haar benen en scheren af en toe zacht langs haar nek. Telkens schrikt ze op en slaat het al lang vertrokken insect wild weg. De zon brandt van rechts op haar gezicht en eigenlijk is het kleed dat ze draagt te warm. Ze hoort alleen maar natuur, de bijen, het gekwetter van vogels en als grondtoon het kabbelen van de beek die net achter de haag een verdiepinkje daalt. Hemelser wordt het niet en toch is ze ongemakkelijk. Omdat ze iets zou moeten maar het niet aan het doen is. Geld verdienen? Iets produceren? Maar ze wil terugdenken aan het feest van mama.   De hele oprit staat vol wagens. Mama heeft ze allemaal weten te verzamelen, ook diegenen die niet meer met elkaar praten. Hoewel ze van alle genodigden het korst bij wonen, komen ze toch laat aan. Ze parkeren op straat. De schapen beginnen meteen en zoals altijd overdreven hard te blaten. De jongens lopen al door, achterom via de tuin naar de keuken, tot ze al het volk opmerken. Mama zou het aperitief op het ‘oosterterras’ geven. ‘Daar blijft de zon zo mooi lang hangen en dan hoeft al dat volk niet voor mijn keuken te staan’. Het is een gezellige boel, ze spot meteen Tony, klein maar nog steeds dik. Het feestvarken. Hij wordt 72. Een wit hemd, breed open aan de hals. Ze drinken bubbels. Linda brengt hapjes rond. Iedereen is er, hier en daar ook iemand die ze niet meteen kan plaatsen. Ze feliciteert eerst Tony, en werkt dan de ronde af waarin hij staat. De zon schijnt fel, maar verderop komen donkere wolken aanschuiven. De kinderen zeggen iedereen beleefd gedag en lopen dan recht naar de trampoline. Ze is trots op haar kinderen, het zijn toffe, zotte jongens, mooi, en heel verschillend. Het is goed dat ze niet wegkruipen achter haar rok maar iedereen gewoon dag zeggen. Zonder flauwekul, met vertrouwen. Mama heeft de ronde partytafels gezet, en een buffettafel voor de drank. Het doet goed deze mensen terug te zien. Altijd. Patrick kent bijna iedereen. Ze merkt dat hij ontspannen is, dat hij zijn best doet. Tony is nieuw voor hem en ze weet dat hij zo dadelijk prijs zal hebben. Ze krijgt een glas van papa. Hij speelt die rol voortreffelijk, die van gastheer onder regie van mama. ‘Paulus, nu dit, Paulus, nu dat’. Hij kijkt haar over zijn bril aan, een monkellach, zijn bovenlichaam helt overdreven naar achter en zijn knieën veren meer dan gewoonlijk, hetgeen hem iets energieks geeft. Ze ziet aan die houding dat hij er zin in heeft – de houding en het enthousiasme waarmee hij ieders glas bijschenkt– en natuurlijk de muziekkeuze. Paul Simon vandaag, Diamonds on the Soles of her Shoes, net dat tikkeltje te luid. Dat doet papa altijd bij feesten, de muziek te luid zetten. Ze vraagt zich telkens opnieuw af of het aan haar ligt dat ze de kakafonie van geluiden niet goed verdraagt of dat hij hardhorig wordt, of dat hij zijn zelfgekozen, dagelijkse isolement op een sociale happening als deze wil overcompenseren door alles tegoed te willen doen. Ze spot mama. Ze komt met een lege vaas vanuit het huis en is zoals altijd blij hen te zien. Heel even gaat haar ‘dirigentenknop’ af en knuffelt ze hen uitgebreid, tot ook dat voorbij is en ze ‘Lindaatje’ en ‘Paulus’ met een volgende opdracht belast. Linda brengt soepjes rond – een van vele amuse gueules-  in kleine aardenwerken bekertjes. Groene soep met een oranje bloemetje erin. Mama huurt die kommetjes niet, ze heeftze om dit soort feestjes te geven. Vijfentwintig of meer aardewerken kommetjes voor de soep en dezelfde aantallen aangepaste bordjes voor alle hapjes die volgen. Ze is vervuld van geluk wanneer ze een feest geeft, niet zozeer omdat ze alle vrienden dan terugziet - dat natuurlijk ook - maar vooral de acte zelf ze allemaal bij elkaar te brengen geeft haar een diepe voldoening. Daar de motor van te zijn, het te initiëren en te orkestreren, na te denken over de plaats van handeling (starten op het oosterterras, daarna onder de pergola en als uitwijkmogelijkheid de living), de kleuren van de servetten en de tafelkleden en dat doortrekken in de keuze van de bloemen, het uitzoeken van recepten, gewaagde combinaties maken, Linda een dag op voorhand inschakelen om de zetels te versleuren en de tafels al te dekken en dan -  de dag zelf -  alles vlot laten verlopen. Zijis maître d’orchestreen ze is de beste in haar vak. Ze ziet vanuit haar ooghoek dat het zover is. Tony heeft Patrick beet. Daar was geen ontkomen aan. Er is natuurlijk het gemeenschappelijk ‘Antwerpenaarschap’ en ook Tony is blijkbaar niet bestand tegen de zoete lokroep dat het bv-schap uitstraalt. Patrick weet dat ze Tony het archetype van de pedante Antwerpenaar vindt, daarvan heeft ze hem over de jaren heen al heel wat voorbeelden gegeven. Voor zover ze zich kan herinneren – haar hele bewuste leven– is Tony een moppentapper van het soort dat in feite niet geestig is – of dat vonden zij toch niet. Meestal waren het moppen in de trend van ‘Antwerpen dit en zus en zo, en de rest is parking’, en hoe de Limburgers daar als sloom en bijna achterlijk bij afsteken. Zij konden daar al heel snel alleen maar groen om lachen, niet zozeer omdat ze zelf in Limburg wonen en Tony wél om de haverklap bij hen op bezoek kwam, maar vooral de herhaling ervan verveelde hen. Bij elk bezoek werden diezelfde grollen opnieuw verteld, en zij begrepen daar de zin niet van. Tony is psychiater en nooit getrouwd. Hij is altijd écht alleengeweest en naarmate zijn grappen ook andere mensen begonnen te vervelen, werd hij hoe langer hoe minder genodigd. Deze keer heeft iedereen het opgebracht om voor hem samen te komen. Een aantal mensen die ze nog niet had gegroet, lopen richting pergola met servies in de handen. Annick, tante Nouch, Thierry, en Benny, die in feite in de weg loopt. Het zijn oude versies van hun jonge zelf. Goed geconserveerd. Kloek en blakend. Ze hebben zich allemaal mooi gemaakt voor het feest en ze ruiken lekker. Iedereen wordt ingeschakeld. Op aangeven van mama wordt in de tuin gedekt. Ze wil het erop wagen. De servetten liggen net en dan komt er een flinke zucht wind. Ze dansen over de tafel naar links, het gazon op. De lucht is donkergrijs. ‘Het gaat langs ons heen scheren, scheren maar niet raken.’ Samen met Benny monstert ze de lucht. Hij heeft een soort van piep in zijn stem, die elk moment lijkt te gaan breken. ‘Wij gaan gespaard blijven’. Maar dat is natuurlijk niet zo. Tante Nouch loopt achter de servetten aan. Het is een koddig zicht. Nu komen ook de kinderen erbij. Hun schoenen staan nog bij de trampoline. Ze rennen het gras op, de dansende servetten en tante Nouch achterna. Ze roept haar kinderen op te letten voor de ‘kippenkak’. Dat wordt zo stilaan een running gag in de familie, sinds papa kortgeleden geen vat meer had op de kippen die mama koopt en waarvan ze verwacht dat hij ze verzorgt. Het is begonnen bij de gigantische kippenren die ‘doorbraakplekken’ vertoonde waar papa niet tegenop gewassen bleek. Sindsdien laat hij de kippen de vrije loop en vermenigvuldigen ze zich aan een razend tempo. Ze hebben er nu vierendertig, waarvan zevenentwintig kuikens. Hij schijnt die chaos niet onprettig te vinden. Volgens haar doet het papa denken aan het bucolische samenleven zoals Epicurus dat placht te doen en zoals hij zelf zijn studententijd in Leuven doorbracht met de vrienden die hier vandaag verzameld zijn.  Een zoete herinnering aan vroeger, die hij nu op kleine schaal aan zijn kippen gunt. Maar ondertussen schijten ze wel de hele tuin onder. Of misschien is het een kleine daad van verzet van hem aan het adres van mama, die hem gedurig commandeert. Ze hoort een scherp en dwingend ‘Leen’ door de tuin galmen. Tante Nouche. Mama heeft een hekel aan die naam, maar ze berust in alle kuren van haar zus. ‘Leen’ komt aangesneld en er wordt overlegd of ze wel doorgaan met dekken. Er is veel wind en er zijn regendruppels gesignaleerd. Ze horen in de verte de fruitkanonnen afgaan die de wolken moeten verdrijven. Mama beslist dat het toch de living wordt. Geen probleem, daar was ze op voorzien. De hele ribambelle gaat terug naar binnen – kussens, servies, bloemstukjes -  behalve de loodzware, oerdegelijke tuinstoelen die zo net met man en macht werden aangesleurd, die mogen blijven staan. Ze zoekt haar man. Hij staat op het gazon bij Annick. Ze zijn blijkbaar druk verwikkeld in een gesprek want de druppels deren hen niet. Ze is nog altijd een mooie vrouw, de huid van haar gezicht na een heel leven nog steeds strakgespannen over de brede jukbeenderen als van het leer over een tamboerijn. Het is onbegrijpelijk dat in die textuur toch rimpeltjes aanwezig zijn, rond en om de ogen. Ze is altijd verzorgd maar zelden knap gekleed. Ook vandaag draagt ze een wat ouderwetse rok met losse plooien over haar brede heupen en in een appelblauwzeegroen dat niet flatteert. Annick is van opleiding archeologe en ze is gek op alles wat naar geschiedenis ruikt. Ze heeft Annick altijd gemogen. Ze is belezen, erudiet en geïnteresseerd zonder zich ooit op te dringen. Ze is nu de partner van Benny, al een hele poos eigenlijk.Benny heeft drie goedaardige hersentumoren achter de kiezen en is daardoor deels verlamd. Toch stapt hij nog, al is dat wankel en met een stok. Terwijl Patrick en Annick verder praten, kijkt zij vanop het gazon hoe hij het trapje van het terras naar hen wil nemen: het is één trapje in een smalle doorgang aan beide kanten begrensd door kniehoge buxus. Ze kijkt of hij zich zal mistellen en struikelen, want zijn voet sleept wat en is verdraaid. Maar het lukt natuurlijk. Hij heeft in zijn eigenaardige stap een eigen vaardigheid ontwikkeld die nu zijn ‘normaal’ is. Benny’s echte vrouw kon de pech niet aan en heeft hem verlaten. Misschien was hij onhandelbaar geworden? Of misschien was zijn karakter veranderd na zoveel operaties? Benny was nogal breedsprakerig vroeger, luidruchtig ook, met bulder lachen en zo. Door de operaties heeft hij zijn flamboyante, alomtegenwoordige zelf wat verloren. En Annick was allang niet meer de vriendin van haar vader. Ze weet er het fijne niet van waarom dat is afgesprongen. Het meest waarschijnlijke antwoord is allicht dat haar beide ouders hadden ingezien dat een ‘ménage à quâtre’ op de lange termijn minder vanzelfsprekend is dan de eerste, gloedrijke, vrije jaren deden vermoeden. Maar iets in haar zegt dat Annick er uiteindelijk een punt achter zette. Een sterke vrouw, weduwe van vier kinderen, die geen zin meer had en genoeg zelfrespect om niet voor altijd slechts een weliswaar felbegeerde, maar toch een ‘nevenvrouw’ te blijven. En dus dwong ze papa om een keuze te maken. Het is haar nog steeds een raadsel waarom papa niet gekozen heeft voor deze vrouw. Ze denkt dat hij tot lang daarna verteerd werd door liefdesverdriet en zijn hart toen een stukje is gescheurd.   Aan dat feest denkt ze, vol bewondering voor zoveel energie. Ze zijn in alle opzichten geslaagd, haar ouders. Behalve dan wat haarzelf betreft. Boordevol talent, veelbelovend en toch niet uit de startblokken gekomen. Wat durven ze vertellen over haar wanneer ze ergens op bezoek zijn en er wordt over de kinderen opgeschept? Ze blijf maar vasthangen in dat verleden, komt niet los van dat aardige nest. Haar dromen over net zo’n leven, met een grote vriendenkring, avontuurlijke reizen, veel cultuur, zwoele avonden vol discussie en galmende lachsalvo’s, een eigen, bloeiende zaak en de allure van een vrijgevochten, onafhankelijke vrouw. Niets daarvan heeft ze weten te realiseren. Ze hoort een auto dichtslaan op de oprit. Haar man is er. Hij vraagt haar wat ze aan het doen is. Wat ze gedaan heeft vandaag. Ze mompelt iets terug terwijl ze de tuin in loopt en naar de beek staart, daar waar het water een verdiepinkje valt en in een ijltempo wegstroomt.   Tompkin Square Park/Mumford and Sons- Ze is sinds gisteren in de rouw voor iemand die tien jaar geleden is gestorven. I am Heath Ledgeris heel heftig binnengekomen, de dood zelf, maar ook de kwetsbaarheid van het moederschap, de kwijtgespeelde jeugd, de verspilde talenten, de voorbije vriendschappen, de beloftes van die eerste liefde. Hoe je als een pijl zo de hoogte in kan schieten en zo nietsontziend prachtig kan knetteren, ze werd van haar sokken geblazen. De manier waarop hij zo onverdroten en bijna heldhaftig elk moment wil vastleggen, bevriezen, verdubbelen, vertienvoudigen, en tegelijkertijd zo veel aandacht en consideratie voor zijn vrienden hield, niet omhoogviel, wild bleef, zoals haar eerste lief, radicaal, voor zijn passie ging, geen aandacht voor de regels, zijn eigen pad volgen, mooi, om zachtjes te strelen, zo’n gezicht, bewust van zijn lichaam, dansend, aantrekkelijk, speels, eerlijk, geen doekjes, geen rol. Heel hard leven, niet stoppen, mensen meetrekken, aandacht vragen, ideeën hebben, ideeën uitvoeren, doen, niet twijfelen, springen, she was flabbergasted. Ze is gisteren op slag terug verliefd geworden op iemand die tien jaar geleden is gestorven. Iemand die ze altijd had willen zijn. Ze heeft haar ware ik gisteren ontmoet. Iemand zoals ze in haar eerste lief heeft ontmoet, en in haar beste vriend, en in diens beste vriend, en iemand zoals zij nooit meer zal worden wanneer ze nu rondom zich kijkt. Ze weent om een tijdperk dat voorbij is en het is hartverscheurend. Er is niemand over die het kan begrijpen.     2024   Zij heeft Gene en Tine uitgenodigd, en natuurlijk schuiven George, Ben en Maren aan. Patrick en de kinderen. Wanneer ze Limme op de binnenkoer de kaarsen ziet plaatsen, stopt ze met sla wassen en blijft ze voor het grote, open raam staan. Hij ziet er goed uit, haar oudste kind, zo groot en zo lenig. Zijn broek is te kort geworden, merkt ze nu. Als hij nu toch maar wat meer zou willen vertellen over wat er in hem omgaat, maar ze wordt uit die gedachte gerukt door Kasper Jan die met veel zwier de binnenplaats oprijdt en net voor zijn broer zijn fiets stevig doet slippen. Hij laat hem met een smak vallen en springt op de rug van zijn oudere broer. “Kasper jan, heb je die eetbare bloemen gevonden?” onderbreekt ze hun gedol. “Jip” roept hij terug en komt naar haar toe gelopen. Dat kind doet haar denken aan een frisse, volle boerenaardappel, vers van het veld. Hij is ook groot maar veel steviger, geblokter dan zijn broer, enthousiast, wild en onbekommerd. Hij doet niet liever dan met zijn handen in de aarde wroeten, zich vuil maken, de spieren gebruiken. Samen met hem stroomt er een heerlijk koele lucht binnen in de grote, oude leefkeuken. “Ik heb ook bessen geplukt, mama. Ik dacht: ‘die zullen haar sla extra pimpen’, en zodus, tada: besjes.” Hij opent zijn hand, toont zijn trofee en buigt zich naar haar toe, plakt een zoen op haar voorhoofd. “Gaan jullie vanavond spelen?” “We gaan wat jammenals je dat bedoelt, mama. We hebben niets voorbereid maar we doen wel wat. Liever geen drums, dacht ik, toch?”, dat laatste woord rekt hij en laat hij naar boven lopen. Hij doet dat expres en laat intussen zijn wenkbrauwen op en neer dansen. “liever geen drums, zoon” “Wie komen er?” “The Ususal Suspects: Gene en Tine, George, Ben en Maren, want het is haarboek. “Mmmm….., Guitige, Gulle Maren…. Mogen Karel en Toni ook mee aanschuiven, ze komen straks langs?” “Natuurlijk, maar dan moet je de tafel veranderen. Ik had voor negen gedekt. Vraag aan Limme of hij ook nog iemand verwacht.” “Neen, ik verwacht niemand”, lacht Willem Frederik die de deur openzwaait en op zijn moeder afstapt. Hij knuffelt haar en fluistert in haar oor: “de kaarsen: check”. “Zullen we vanavond de Ballade doen, Kaps?” Willem Frederik staat in het midden van de keuken, met de rug naar de piano, kin omhoog en de schouders naar achteren geklapt. Luid en zeer formeel declameert hij, zijn armen maken grote gebaren: “Frères humains, qui après nous vivez,N'ayez les cœurs contre nous endurcis,Car, si pitié de nous pauvres avez” waarna hij abrupt stopt en naar de sla op tafel staart. “Die salade is prachtig, mama, die paarse bloemen erin. Kan je die opeten?” Willem Frederik houdt van mooie dingen, heeft oog om kleuren te combineren, maar van praktische zaken kent hij niets.  “Het zijn viooltjes, natuurlijk zijn ze eetbaar, spast” antwoordt zijn broer schertsend maar liefdevol en tikt hem in het voorbijgaan op zijn woeste krullen. Willem Fredrik gaat hem achterna en knijpt hem in de lende.  “Flink hoor, dikzak, flink, flink, flink”. “Vergeet die tafel niet, Kasper Jan”, roept ze hen achterna, maar ze zijn al in de living verdwenen. Het huis is ruw, robuust maar gezellig. De zetels in de living lijken al een heel leven mee te gaan. Ze staan wat schots en scheef op de blauwe steen. De grote open haard doet heel het huis ruiken naar verkoold hout. Alle deuren staan hele dagen open, alsof iedereen op elk moment mag binnenwaaien: vrienden, katten, hommels, een verloren rups. Om op de binnenkoer te komen moet je eerst een poort door, volledig overwoekerd door klimop, en een pad langs. Wat dieper ligt de oude molen, met rechts het woonhuis, en dwars daarop het atelier. Ze kan er via de achterkeuken rechtstreeks binnen, maar dat doet ze nooit. Ze gaat naar haar werk via de binnenkoer. Dat zullen ze vanavond ook doen, voor het eten. Met z’n allen naar de overkant, waar Marens eerste boek ligt. Ze was meteen verkocht toen ze het werk van deze jonge vrouw voor het eerst zag. Ruwe, zelfzekeren lijnen, geblokte composities, nonchalante, ingekleurde vlakken en gedurfde kleurencombinaties. Het was een parel geworden. Het boek zou internationaal landen, daar was ze zeker van, en die euforie wilde ze vanavond in hun samenzijn voelen. Tot laat in de nacht samen eten en muziek maken, met de ramen van de keuken groot open. Geen kat die hen in de ruime omgeving kon horen.    

Sabine Steels
0 0

Als dan zonder vergelijking ...

    Als dan zonder vergelijking hersenkronkels, geen verhaal, pen en rustpunt zweet, arbeid en handen zonder daadkracht zijn   mijn belofte zonder haar bereidwilligheid teer maar zonder breekbaarheid drang, geen onderdrukking onderdrukking zonder overheersing een vinger zonder raakpunt blijft een raakpunt zonder grip en bovenal aanraking zonder tederheid, herkenbaar maar niet langer vertrouwd   wordt ruimte zonder invulling dit gesprek zonder weerga haar uitdrukking zonder enige uitdrukkelijkheid de bevraging van beantwoordbaarheid een probleem maar geen bevraagbaarheid een probleem zonder breder kader   dan is er ruzie zonder tegenstrijd voorwerp, geen onderwerp bewering, geen onduidelijkheid of betrouwbaarheid zonder bewering zelfs verzwijgen zonder leugen meer waarheid zonder daadwerkelijkheid dus afval zonder verbruik en een voorwerp zonder bruikbaarheid en wederom noodzakelijkheid   er treedt vervlakking zonder eentonigheid voldoening zonder bevrediging en verwijzing zonder beduidendheid als een bron zonder vermelding een voorteken zonder leesvermogen blijkt taal zonder spelling leren zonder herinneringsvermogen   dan is er eenzaamheid zonder afzondering vrijheid zonder wil gevangene maar geen onvrijwilligheid aanvaarding, echter geen berusting en teleurstelling zonder verwachting   vervolgens komt vooruitgang zonder vooruitstrevendheid inspanning zonder bedrijvigheid overgave en doelloosheid stuurkracht zonder leiderschap doel, geen aansturing ondergaan maar evenmin tegenstrijd en wederom daadkracht zonder bereidwilligheid nimmer bewerkstelliging zonder moeizaamheid gevaar in moedigheid   er treedt vervreemding zonder vertrouwdheid vermoeiing en slapeloosheid evenwicht zonder veerkracht ware overgave zonder strijd verscheurdheid maar geen razernij onvermijdelijk worden mogelijkheden zonder betrekking   in achteruitgang zonder terugval met schouders zonder draagkracht ijver, geen doorzettingsvermogen blijft streven zonder oogmerk maar ook vooruitzicht zonder achtergrond voorstelling, geen bevestiging dromen zonder verbeeldingskracht worden een leugen zonder bedrog de oorzaak wiens oorsprong achterwege blijft er was een zwaarte, geen aantrekkingskracht en zwaartekracht zonder aantrekking wortels steken boven de ondergrond   in een vlucht zonder vleugels een herstart zonder vertrekpunt als een afdruk zonder toets door een misdaad zonder toedracht wordt straffeloos zonder schuldbewustzijn een schaar zonder snee schaamteloos maar nog zonder vertoning   in een kromme zonder buigzaamheid een rechte zonder lijn snelweg zonder afrit trein zonder vertraging trek ik als een eigenaar zonder eigendom naar een braakland zonder erfgenaam een voorgevoel maar geen vooruitdenkendheid rijkdom zonder hebberigheid, erfenis zonder verdeeldheid en bovenal gierigheid zonder wrok vraatlust zonder overdaad armoezaaier zonder begeerte   zon zonder schittering, maan zonder weerkaatsing mijn koers wordt zonder vaart het roofdier zonder eetlust in een uitgestrektheid zonder landschap is er plaats maar geen beschikbaarheid wordt een vrucht zonder opbrengst een voorgevoel zonder vooruitdenkendheid is een waarzegger zonder helderziendheid ik krijg krampen, braakneigingen van een honger zonder maaltijd de inhoud ontbrak echter de diepgang en mijn taal het spraakvermogen   met een handboek zonder standaard, een maatstaf maar geen ijk word ik bijzonder zonder bijnaam genialiteit, geen inspiratie aspiratie maar geen genialiteit als een diplomaat zonder overleg maar ook een woordvoerder zonder inspraak een werkwoord zonder uitvoerbaarheid en bovenal waardering zonder verdienste wordt een overwinning zonder wedstrijd een oorlog zonder hart een koor dat zonder enige overeenstemming probeert te zingen   het lijkt meer op een schilderwerk zonder indruk maar dan een onweersschicht zonder weerslag maar de duisternis wordt achterdochtig en het wateroppervlak zonder weerspiegeling als een poolreiziger die zich vergrijpt aan het noorderlicht   een doelloze terugkeer naar een deur zonder slot naar een ingang zonder ontvankelijkheid, een afzonderingskamer   ik heb mijn verkreukeld papier en een steen zonder inkerving een schrift zonder gebondenheid vervolgens synoniem zonder synoniem, een vers zonder regel, een gedicht zonder schrijver, een optreden zonder toeschouwers en eer zonder erkenning maar een dichter zonder zelfbewustzijn blijft een strateeg zonder overzicht   goedgelovigheid zonder kinderlijkheid blijft een zoon zonder vader, een speelkoer zonder schoolbel   vergelijk het met een meerman zonder stemkracht die zonder zijn grote liefde, een schip zonder ankerpunt aan een strand met vergeten kinderen, in een rivier zonder oever valt verdriet zonder tranen  

Robijn Bodijn
20 0

Lente.

De lente heeft heeft haar wiel opnieuw uitgevonden en de wijk bloost er groen van. Bij degenen die een caravan hebben staat het vakantienest al dagen voor de deur om zomerklaar te worden gemaakt. Er wordt aan tuinen gewerkt, auto’s gestofzuigd en ook aan schilderbedrijven ontbreekt het niet aan arbeid.   In een van de vier vijvers op de singel is ook een hoentjespaar druk bezig geweest aan wat inmiddels een prachtig nest is geworden. Het is groter en ook hoger dan gewoonlijk omdat ze het op een betonnen buis hebben gebouwd die de vijvers met elkaar verbind.  Het vrouwtje broedt er al dagenlang op, terwijl het mannetje druk in de weer is met zijn voorbereidingen op het vaderschap. Wat dat precies is, is net zo onduidelijk als wat vele andere mannetjes dan doen. Hij komt aanzwemmen met nog meer takjes en riet om ze dan, aangekomen bij het nest, weer uit zijn bek te laten vallen. Want dat is al klaar immers. Gaat weer heen en doet zijn ding. Druk druk druk. Een ander mannetje staat met een verlengde gasbrander in zijn ene hand het onkruid tussen de tegels van zijn oprit weg te branden, de andere in zijn broekzak gestoken. Het verspreid een heerlijke geur die uitstekend zou mengen met de geur van de barbecues die zeker zullen volgen in de namiddag.    Het opvallende hoentjesnest heeft de afgelopen dagen nogal wat bekijks en fans gekregen. Gedurende het kwartier dat ik het tijdens mijn bezorging op de singel kan zien, staan er regelmatig mensen even naar te kijken. Wandelaars, fietsers, grootouders met hun kleinkind. En ook een ander soort fans. Een kat, twee eksters en een kraai. Alsof het de opening betreft van een nieuwe delicatessenwinkel, hebben ze hun bewegingswijze richting het nest gevonden. Ze krijsen, sissen en blazen naar elkaar  totdat er een volgorde lijkt afgesproken van wie er het eerste aan de beurt zal zijn. De kat zit op zijn vaste plek, geduldig met dichtgeknepen ogen, de eksters huppelen wat heen en weer en de kraai heeft ook zijn eigen nummertje getrokken. Het mannetjeshoen vermoedt ondertussen het een en ander en blijft dicht bij het nest onrustige zwembewegingen maken als de rovers op hun loerplek zitten. Van zijn duidelijk gearticuleerde sneergesniep  zijn ze niet onder de indruk. Maar zover is het nog niet.   Wat doet zo’n mannetjeshoen eigenlijk als de barbecues zijn gedoofd en alle kinderen al zijn gaan slapen.? Als hun ouders ook al hun laatste glas hebben geleegd en de tuindeur sluiten, de voordeur vergrendelen. De ramen blinderen met gordijn en luxaflexen. Rustig tegen het nest aandrijven of bezoekt hij de schijnwerper in het midden van de spiegel die zijn woonplaats is, om te mediteren misschien, als de maan erboven staat?   Droomt hij zich in de nacht door het gitzwarte verenpak van zijn vrouwtjeshoen heen naar onderen waar, in een nog donkerder bed, hun zeven steentjes der wijzen liggen? Voorbij de dunne kalklaag met dooier en vlies. Voorbij het vel met de eerste donsaanwas, voorbij het vlees van zijn vlees. Daar kloppen zeven pompjes. Zeven proteïne klokjes door elkaar. Een polyritmisch fluisteren dat vertelt van wat ooit was en weer zal zijn.  Tot een dag die vandaag zal worden genoemd. Zoals we allemaal in de spiegel leven die dat is.   Een warme dag weer vandaag. De ochtendkoelte is al ruimschoots verdreven nog voor het middag is. Ik heb meteen een pakje bezorgd op nr x aan de singel omdat ik weet dat men dan nog net thuis is. Je wilt je ei toch graag kwijt. En kijk, op het nest zit nog steeds het vrouwtjeshoen.  Maar dit is geen broeden meer. Ze wordt steeds met duwtjes op en neer bewogen. Als je goed kijkt, zie je af en toe bolletjes met een vurig bruin dons onder haar schoot tevoorschijn komen.    Als ik mij uiteindelijk naar de buitenste ring van de wijk begeef, zie ik net om de bocht twee meisjes aan komen fietsen. Ik schat ze in als  zesde klas eindexamen kandidaten en ze fietsen hand in hand. Als ik stop om mijn fiets tegen een muurtje neer te zetten net voordat ze mij gepasseerd zijn, verbreekt een van hen plots hun amicale verbinding. Met een korte, venijnige duw openbaart ze de leegte tussen hun fietsen en de straat. Het was er niet. Je zag het niet. Er viel iets kapot in de lucht. Haar argwanende blik treft me als een ei in het gezicht.   Klaar met de buitenste ring. Nu mag ik beginnen aan de singel. Nu kan ik weer even naar het hoendernest gaan kijken. Aan de overkant van de vlietvijver staan de meisjes op de hoek van een huis, in de schaduw. Nog op hun fietsen tegenover elkaar. Stuur aan stuur. Een hand rust op een schouder en een ander is vanuit het lange haar naar een wang afgegleden. Ik doe alsof mijn neus bloed. Heel hard. Een dubbele bloedneus. Ik heb een blauwe brief van de belastingdienst, een bekeuring en een rouwkaart nodig om het bloeden te stelpen, minstens. Met de brieven in mijn neus en een Libelle nog, eronder gehouden voor alles wat ernaast gaat, loop ik verder.  Ze staan precies op een rechte lijn met het hoendernest.  Verdorie.  Nu kijken naar het leven op het nest staat gelijk aan loeren naar wat de oude Grieken een eidyllion noemden. En hoezeer ik ook hou van de natuur, ik wil niet weer degene zijn die verantwoordelijk wordt gehouden, met eieren bekogeld, voor het schaamteloos blootleggen van een genoom zoals dit. Er is een licht ruisen en zacht kraken van verdroogd riet gevolgd door gesniep en geplons.  Orpheus keek ook om eens. Stom, maar moedig. Ik kijk ook om. Het vrouwtje is van het nest gekomen en roept de kuikens op haar in het water te volgen. Het mannetje zwemt er op een afstandje in kringen rond.   Er is een startschot afgegaan.  Het eerste kuiken buitelt met een koprol het water in. Het is meteen duidelijk dat zijn lichaampje het  koddige ei-geheugen kwijt is, want het zwemt direct naar moeders toe. Verkwikt en gedoopt. Plots wordt alles natuur.   Anderen hebben het startschot ook gehoord blijkbaar. Vanuit het niets, wat er natuurlijk altijd is, landen twee eksters op het nest en beginnen op de vurig bruine donsbolletjes in te pikken. Een ekster vliegt met buit van het nest op de wal om zich er geconcentreerd aan te fêteren. De plotselinge kat vanachter een boom troeft de nog piepende speelbal af. Neemt het in zijn bek en gaat heen naar zijn eigen toko. Een kat met een krijsende nepsnor.  Het mannetjeshoen fladdert en sneert zich een ongeluk in het water. Maar niets maakt dat de gegadigden zich daar iets van aantrekken. Het vrouwtje is met haar enig jong verderop in het riet vertrokken en is bezig aan iets wat later een noodnest blijkt te zijn. De ekster voegt zich weer bij zijn kompaan op het nest en samen hervatten ze hun duet van pik en piep.   Ook de meisjes zijn elkaar aangevlogen. Hun monden hebben zich gevonden en smaken een eigen nest, met gladde zachte snavels, in het donker op zoek naar een eindeloos samenzijn. Om het zoeken steeds weer. Het pikken van de eksters op de krijsende sappige kuikens dient als  audiospoor onder hun lieve lust. Omdat handen van gesloten ogen in een kus het licht zoeken over het lichaam van elkaar worden stuur en zadel losgelaten. Een van de fietsen klettert om rukt de de meisjes van elkaar. Maar onmiddellijk hebben ze zich weer gevonden. Terwijl de eksters blijven inpikken op de donsbolletjes die nu niet meer elke pik met een piep beantwoorden, is een grootouderpaar met kleinkind komen aanwandelen. ‘Doe wat Harold, doe wat!’ De vrouw heeft het hand in hand lopen met haar man losgelaten en loopt naar de vijver met de lunchende eksters toe. Het smaakt ze. Hun witte boorden zien er rood van. ‘Ha-rold... kijk nou!!’. Ze maakt zwaaibewegingen met haar armen richting nest om de rovers te verjagen.  Harold komt niet. Harold staat er als een zoutpilaar bij, met zijn kleinkind aan de hand. Te kijken. Te kijken naar dit alles. En daarboven de zon. De zon van alles en iedereen.                    

Stanley
22 0

opdracht 8 sabine steels

1980-1982   Cogli la prima mela/Angelo Branduardi - Mama draagt lange, donkerblauwe laarzen van glanzend leer, met een ritssluiting achteraan en een donkere houten hak. Een lange rok. Een grote handtas. Van Delvaux, zegt ze. Daarin steekt Saridon voor wanneer ze hoofdpijn heeft en een dikke agenda die niet meer dicht gaat van bruin slangenvel vol gekribbeld met afspraken en ideeën. Of ze draagt een lange broek en een sjaaltje om haar hoofd. Een dikke collier, ééntje van de honderden die in een dikke, onbedoelde knoop aan een haak naast haar bed hangen. En de ketting met de beweegbare, gouden vis. Zij maakt het gezellig voor wanneer mama uit haar praktijk komt. Kaarsjes aan, de tafel gedekt, de gordijnen dicht. De groene plaat van Angelo Branduardi met het ijsje erop. Ze doet kopstand in de zetel, benen tegen de muur, tot mama komt.   I won’t let you go/Agnetha Fältskog- Mama heeft een mooie auto. Klein en laag. Het is een sportauto, zegt mama. Hij is wit met een zwart dak in stof. Je kan het dak oprollen. Achteraan is niet veel plaats, maar genoeg voor haar om te liggen. Af en toe prutst ze met haar nagel op de lichtbruine, leren zetels. Ze maakt krasjes. Dan komen er kleine velletjes los. Ze is een beetje ziek en mama heeft een wollen, prikkerig deken met zwart en grijze strepen over haar gelegd. Dan vraagt mama of ze op schoot wil. Dat wil ze best. Ze neemt het dekentje mee en kruipt over de armsteun tussen de twee zetels naar mama’s schoot. Ze schakelen samen, mama’s hand ligt op haar hand. Ze rijden op een smal, zwierig weggetje. Aan weerskanten wuiven bomen boven de weg naar de lucht. Hier komt nooit iemand. De weg ligt er alleen voor hun. Mama draait het stuur van de ene naar de andere kant en ze slalommen over de weg. Daarna zet mama muziek op en draait ze aan het stuur op het ritme van de muziek. Het meisje lacht en ze blijven maar gaan.     1982-1991   With the kids in America/Kim Wilde - Ida zegt dat ze eens mee moet naar de hummeltjes. Zij vindt ‘hummeltjes’ een stom woord. Voor kleine, zoete kinderen. Mama zegt dat Ida bij de Hummeltjes werkt en dat je niet zo slim moet zijn om dag in dag uit baby poepjes te verversen. Papa was eerst met Ida, maar nu is papa met Annick en is Ida met Jos Drossin. Ze vindt het beter dat papa met Annick is dan met Ida. Ida wordt ook wel Brebis genoemd. Dat vindt ze een stomme naam. Ze begrijpt niet dat Ida die naam zelf mooi vindt. Ze zit met haar rug naar de spiegel tussen twee lavabo’s in de badkamer van Ida en Jos Put. Ida smeert haar gezicht in met een dikke laag Nivea. Ida en Jos Put wonen in een laag huis met veel bakstenen aan de binnenkant en een witte ronde kraan met aan het uiteinde een groen ringetje. Ida gaat haar verkleden. Ze heeft drie zonen, maar eigenlijk wil ze een dochter. Ze praat tegen haar alsof ze een klein, lief, schattig hummeltje is. Straks moeten alle kinderen naar het feest van hun papa’s werk. De man van Ida en haar papa werken op dezelfde plek. De kinderen mogen verkleed naar het feest. Ida wil van haar Pierrot maken. ‘O Claire de la lune, mon ami Pierrot, prête-moi ta plume pour t’écrire un mot.’ Wit gezichtje, zwart traantje, blinkende, wit kostuumpje met zwarte knoppen en een zwarte muts. Ze wil geen Pierrot zijn, ze is geen lief, klein dochtertje dat het fijn vindt om als een pop behandeld te worden. Ze is heel boos vanbinnen. Waarom verkleedt mama haar niet? Zoals vorige keer, toen was ze Pinokkio. Nu wil ze een tijger zijn. Jos Drossin en Ida zijn er vaak niet bij wanneer ze met z’n allen weggaan. Jos Drossin heeft een soort van ziekte waardoor hij niet meer goed ziet. Mama zegt dat het komt van te veel alcohol drinken. Hij heeft een bril met gele glazen. Haar grote zus Anso noemt dat gefumeerdeglazen en dat ze met die blinkende, goudkleurige rand net van de ziekenkas zijn. Dat klinkt niet goed. Jos Drossin heeft een snor en een kromme neus, gebogen in de tegenovergestelde richting van de neus van Ciske de Rat-krijg-toch-allemaal-de-klere. Ciske heeft een mooie wipneus. Jos Drossin rookt Bastos, zoals Nieke. Ze is een beetje bang voor hem. Hij heeft altijd een kostuumbroek aan met een plooi op de voorkant. De stof blinkt. En hij draagt gladde, donkere schoenen tot aan zijn enkels met een tiretteaan de zijkant. Ida moet altijd voor Jos Drossin zorgen, zegt ze. Waarschijnlijk is hij een soort van sukkel. Anso vertelde dat ze Ida en Jos Drossin voor de open haard heeft gezien. Ida zat op een stoel met een kort, wit wollen kleedje aan, zonder kousen. Anso kon alleen haar rug zien. Jos zat op zijn knieën. Ida maakte een raar geluid.. Anso is heel goed in fantaseren en in nadoen. Dat heeft ze toen gedaan en ze zei: ‘het was walgelijk’. Daarom vindt zij het nu ook heel vies. Ze denkt dat Jos Drossin toch niet zo’n sukkel is als hij zoiets toch nog kan. Elke keer als ze Ida nu ziet, moet ze denken aan dat rare geluid dat Anso nadeed.   Signalen/Herman Van Veen- Ze staat in de beek naast het kasteel. Het water gutst bijna haar laarzen in. Ze doet voorzichtig, wandelt langzaam met een dikke steen en twee takken van de oever naar het midden. Ze bouwen een dam. Bik’s idee. Het is Ardennen-weekend. Morgen is haar verjaardag. Deze keer heeft mama een groot kasteel gehuurd, midden in een bos. Elk jaar heeft ze het heerlijke gevoel dat mama dat hele weekend speciaal voor haar organiseert. Dit jaar zijn ze zelfs met twintig! De Putten en de Valkenborghs zijn ook mee. Haar handen zijn rood en bevroren, maar dat geeft niet, want ze houdt van het geluid van het stromende water. Het voelt aan alsof ze iets groots aan het doen zijn, iets belangrijk. Ze is vastberaden zo lang te bouwen tot het perfect is. Haar grote zus Ka en Tom en Erik helpen mee. Niemand speelt baas. Bik legt wel uit hoe een dam werkt, maar dat is niet hetzelfde. Erik, dat is een baasspeler. Normaal zegt hij heel de tijd wat haar grote zus moet doen. Alsof hij de baas over haar is. Erik is een stomme, egoïstische prut-etter, net als zijn vader, Jos Put. Ze weet niet wat Ka fijn of mooi vindt aan Erik. Met zijn bleke jeans en zijn lelijke loopschoenen altijd. En hij stinkt.   De anderen druppelen het kasteel uit, met laarzen en jas aan. “Bineke.” papa roept van aan de deur, “Kom, we gaan vertrekken.” Hij wacht tot ze bij hem is. De anderen zijn groter en sneller, en zijn al met de rest mee vertrokken. Samen met papa zet ze de pas erin. Ze zoekt een stok om te schrapen. Hij moet groot genoeg zijn om op te leunen, stevig, maar niet te dik want dan krijgt ze hem nooit geschraapt. Papa geeft haar zijn zakmes. Bovenaan maakt ze een scherpe punt. Om als wandelstok te dienen én om vissen te kunnen vangen in de dam straks. Ze hebben de rest ingehaald. Ze loopt samen met de twee andere kleinsten op de hoge zijkant van de weg, in het bos, parallel met de groten. Het bos ruikt nat. Ze trapt op de bladeren. Een beetje vochtig. Ze blijven aan haar laarzen plakken. Ze mikt met haar stap op takken die onder de bladeren liggen. Ze hoopt dat ze daardoor knappen. De wandeling duurt lang. Haar benen worden moe. “Is het nog ver? Nu hebben we toch al heel ver gestapt, papa?” “Toch nog een eindje.” Ze trekt een vies gezicht. “Papa, ik kan echt niet meer.” “Allez komaan, Bine” zegt papa half lachend, half kordaat. Ze weet wat ze nu moet doen. Ze blijft staan. Papa loopt verder. Ze zet zich op haar hurken en kijkt naar haar laarzen. Mokkend. Ze probeert zonder haar hoofd op te richten, te kijken of papa nog doorloopt of al gestopt is. Hij is gestopt en kijkt naar haar. “Kom nu, Binneke” Hij lacht, de lach van een medestander. Nu nog even volhouden. Wanneer ze er zeker van is dat hij haar op zijn schouders zal tillen, loopt ze naar hem. Nu geraakt ze thuis zonder te stappen, ze zal van schouder op schouder worden overgeheveld tot ze er zijn.   Na het avondeten wandelen ze naar het dorp. Het is al donker. Iemand maakt een wolvengeluid. Ze mag met de groten mee. Zonder volwassenen. Ze zit op de schouders van Bik en ze zingen. De natte straat helt naar beneden, de verlichting doet het asfalt oplichten. Ze hebben één zaklamp mee. Ze voelt zich groot. In de verte fluisteren de bomen.   Ze ligt moe in de zetel en staart naar het vuur. Mama, Jos Put, en twee Valkies kaarten. Ze spelen kleurenwies. Ze kruipt op mama’s schoot. Ze zegt haar wat troef is. Ze probeert te onthouden welke kaarten er in de stapeltjes van de anderen liggen. Papa en Annick lezen in de zetel. De anderen spelen boven op de overloop. Er knalt een kastanje kapot. De vuurspetters vliegen de living in, maar niemand kijkt op. Ze mag ze uit het vuur halen, heel voorzichtig. Haar gezicht wordt gloeiendheet. De geur van gepofte kastanjes is bijna zo goed als die van nat bos. Mama en Tom winnen. Mama wint altijd, ze is de slimste van iedereen. Ze loopt de gang in. Het is er koud. Haar zussen zijn boven, samen met de andere kinderen. Ze maken een kamp met de matrassen. “Ik verhuis mijn matras naar jullie” hoort ze Anso zeggen. “Ik slaap niet meer in de kamer van mama. Ze maakt de hele tijd walgelijke geluiden met Jos. Ik doe alsof ik slaap maar ik hoor het toch”. Ze begrijpt niet wat haar zus bedoelt, maar er is nog plaats op de overloop als ze straks alle matrassen een beetje opschuiven.   Ze springen op het bed van de grote mensen. Ze voelt haar haren in de lucht gaan en kriebels in haar buik. In de lucht spreidt ze haar benen en raakt haar tenen aan. Flokke Fiennoemt papa haar. Ze kan in één trek springen, op haar poep landen, terug omhoog veren en op haar knieën landen en zo altijd maar na elkaar, na elkaar, na elkaar. En dan kopke rol. Vanaf de kast achter het bed. Ze tuimelt in de lucht en landt op haar poep. En dan staat het bed opeens scheef. Net ervoor was er een doffe knal. Ze liggen met hun buik op de grond en zien dat een van de pootjes van het bed is verdwenen. Ze lopen de trap af. Beneden steekt er boven de eettafel een poot door het plafond. Er hangt wat hooi uit en op de tafel liggen stukjes witte verf. Dat is vervelend. Ze verwacht een rammeling of een straf maar er gebeurt niets. Alleen mogen ze niet meer springen.   Iedereen komt naar boven nu, om te slapen. Zelfs de volwassenen. Ze zijn lang mogen opblijven. Ze gaat naar de kamer van mama en papa voor een kus. Papa ligt al in bed. Naast hem ligt Annick. Ze haat dit. Zal ze doen alsof er niets aan de hand is, of durft ze iets te zeggen? “Waarom lig jij niet bij mama?” “Mama ligt in de andere kamer” lacht hij. “Heb jij zo niet koud? Waar is je pyjama?” Papa mompelt iets. Ze gaat naar de gang en kruipt op de matras, met haar gezicht naar de muur. Het ruikt muf in het kasteel. De muur is klam en er brokkelt wit stof af. Morgen vieren ze haar verjaardag.   Wild Boys/Duran Duran- Ze liggen boven op de overloop naar tv te kijken. Piet zit in de badkamer en Tom wil er ook in. Hij bonkt op de deur: “Laat me er nu in! Godverdomme Piet! Of ik klop uw bakkes verrot”. Op de achtergrond galmt de lievelingsgroep van Piet. Hij trekt de badkamerdeur open, er komt een walm van stoom naar buiten en er staat een schim in de deuropening. Tom duwt hem opzij maar Piet laat hem niet door. De walm is weg en Piet heeft een klein handdoekje om zijn middel. Er wordt geduwd, getrokken en gestampt. Roel stormt de overloop over. Hij wil ook onder de douche. Ze vechten en roepen. Tom wint en slaat de badkamerdeur hard dicht. Ze hoort nog het beste stuk van het lied - “Wild boys always – rakketakketaa rakketakketa -  sh – i – i – i – ne”- en dan slaat Piet zijn deur met een smak dicht. Ze kijken verder naar Return to Eden. Jochen zegt dat het op Dallas trekt. Van mama mogen zij niet naar Dallas kijken. Dat is rommel. Voor dommeriken.   Crockett’s Theme/Jan Hammer- Sinterklaas heeft bij haar thuis een podium gemaakt, op één nacht tijd. Een echt groot podium met spots en trekgordijnen en zwarte piet heeft er een voetstap op achtergelaten. Het is een goede verstopplek. Ze spelen nu verstoppertje. Iedereen is er. De Putten en de Valkies. Tom moet zoeken. Ze loopt naar het podium en bukt zich snel. Het is niet makkelijk met de houten poten eronder, het zijn niet echt poten maar houten kaders en dat doet zeer aan de schenen. Erik komt er ook bij. Ze moeten zich stilhouden want er loopt iemand op het podium. Misschien is het Tom. Erik steekt een hand in haar broek. Hij draait met zijn vinger. Ze beweegt niet. Hij stopt abrupt en kruipt onder het podium vandaan. Als ze niemand meer hoort, komt ze onder het podium vandaan en gaat ze naar de grote mensen. Ze zitten beneden te kaarten.   Agadoo/Black Lace- Met z’n zessen staan ze aan de startlijn, een streep op het gras die er niet is. Het plan is om de hele lengte van de tuin te doen, en wie het eerst bij de stallen is, wint. Ze staat te huppelen, springt links, rechts, links, rechts en kijkt naar de stallen. Naast haar staat Roel de driftkikker, die altijd wil winnen, en stampt en roept wanneer hij verliest. Ze is al jaren verliefd op Roel en Roel is al jaren verliefd op haar grote zus. Papa staat aan de zijkant om het startsein te geven. ‘Drie, twee, een, START’. Met haar dunne, gespierde benen schiet ze als een pijl uit een boog naar voren. Het is een mechaniekje dat in gang springt. Het gras flitst - woesj-  onder haar voeten voorbij, haar benen zijn een molentje dat onderaan het werk doet. Almaar sneller. Ze wil winnen. Ze zal winnen. Zelfs van Roel, bij zijn thuis! Ze voelt de overwinning al in haar borstkast. Hij is ouder en toch loopt zij sneller. Maar Roel denkt er anders over. Hij kookt vanbinnen. Geen vernedering, hij zal het niet laten gebeuren. Veel heeft hij niet nodig.  Een kleine tik, precies op het moment dat ze haar voet weer afzet. Ze voelt de stok in het molentje. Haar benen haperen maar haar bovenlichaam gaat nog volle vaart vooruit. Ze gooit haar armen voor zich en maakt een gigantische buiteling. Ze is een uitstekende turnster. Het doet geen pijn. Roel komt als eerst bij de stallen. Papa heeft alles gezien. Deze keer is papa echt haar papa. Hij geeft Roel ervanlangs. Dat hij niet tegen zijn verlies kan. Zo boos heeft ze Papa nog niet dikwijls gezien. Ze voelt zich trots.   Barbara Ann/The Beach Boys- Ze zitten allemaal op hun appartement. Mama en Jos Put koken. Ze hebben de hele dag op het strand gespeeld. Bik is er ook. Hij bouwde zandtunnels. Ze sprongen in de putten en kropen op hun knieën onder de tunnels. Mama maakte picknick met watermeloen. Nu spelen ze in de slaapkamer. Er zijn twee stapelbedden met tussenin een lange koord en twee kleine ronde nachttafeltjes die aan de muur zijn vast gemaakt. Je kan vanuit elk bed aan het koord trekken. Dan gaat het licht aan en uit. Elke avond is het gevecht over wie het laatst het licht mag uitdoen. Dat gaat zo maar door tot een volwassene komt zeggen dat het genoeg is. Ze slaapt liever in de bovenste bedden, en af en toe in het onderste bed aan de rechterkant. Dat heeft een klein in de muur ingebouwd nachtkastje. Om de beurten zingen ze een lied. “Ba-Ba-Ba ---- Ba-Ba-Be-rain!” Het is haar beurt en ze staat op de crèmekleurige trapladder en op het hoogtepunt van haar lied – “OOOO BABERAI-AI-AIN!” lost ze één hand, en zwiert haar hoofd erachteraan, om het lied kracht bij te zetten. Daarna turnen ze. De bovenste bedden zijn de gelijke leggers van een brug. Ze steunt met haar onderarmen op de rand van de bedden en laat haar benen gestrekt tegen elkaar naar voor en naar achteren zwieren. Wanneer ze genoeg snelheid heeft, gooit ze elk been over een rand van het bed, dan lost ze haar handen, valt naar achter en hangt ondersteboven, met enkel haar benen die zich om het bed klemmen. Ze ziet de foto’s aan de muur nu ondersteboven. Twee meisjes met lange haren in een lang paars kleedje plukken bloemen in een weide. De foto’s zijn wazig. Iemand doet de gordijnen dicht en ze spreken af om een alsof-dutje te doen. Ze ligt in het bovenste bed onder de dekens. Tom ligt naast haar. Ze voelt een hand in haar rode zwembroekje en een vinger die in haar lijf verdwijnt. Ze beweegt niet. Ze heeft het warm. De vinger beweegt. Mama roept dat ze de tafel moeten dekken. Tom trekt snel zijn hand weg en lacht sloom. Ze springt het bed uit. Wanneer de tafel is gedekt, spelen ze het spel met het balletje op het hellend vlak. Papa reikt 500 frank uit aan diegene die eerst tot bij de zestig geraakt. Ieder om beurt proberen ze. Dan komt Tom. Het lukt hem. Hij raakt tot zestig zonder te vallen. Papa zegt dat hij chirurgenhanden heeft.   Wij zijn twee vrienden/Dennie Christian- Ze zit in kousenbroek aan de bar lichtjes heen en weer te draaien. De bar is een op maat gemaakt meubel dat de benedenverdieping bij elkaar houdt. Het is wit en glad en loopt van aan de tuindeur in de kleine keuken over twee meter richting living, waar het een sierlijke bocht maakt en de muur van de living liefdevol omarmt.  Recht tegenover het lange gedeelte van de bar zit een deur in datzelfde witte, strakke materiaal. Door de enorme dimensie toont die deur het belang van de ruimte erachter: de praktijk van mama. Ze mogen altijd, bij het kleinste gemis, door die deur lopen en aan Lily zeggen dat ze mama willen zien. Dat heeft ze net gedaan. Nu zit ze aan de bar met een zwaar gevoel in haar buik. Ze wil dat het eindelijk stopt. Ze kan er niet meer tegen hoe Jos Put, wanneer ze met heel de troep bij zijn thuis zijn, speciaal voor mama liedjes opzet. Vooral dat “Ben ik te min” kan ze niet meer verdragen. Dat is een lied voor ‘socialisten’ had ze iemand horen zeggen. Nieke was ook voor de ‘socialisten’, dat weet ze van mama, van toen er ruzie was tussen mama en Nieke. Het was nooit ruzie bij haar thuis, en Nieke zorgt heel goed voor haar terwijl mama werkt. Ze zingen elke dag samen “wij zijn twee vriendjes tot de laatste snik rikketikketikketik”. Maar toen was er toch eens ruzie over dat Nieke meer geld wilde en mama vond van niet. En toen riep mama iets over socialisten. “Ben ik te min” was misschien voor socialisten, maar zeker ook voor verliefde sukkels die aandacht vragen. Jos Put heeft alleen oog voor ‘Sneeuw’, een naam die hij voor mama heeft uitgevonden en die wel mooi bij haar haar klinkt maar toch onnozel is vanwege Jos Put. Mama spreekt over hem altijd met ‘Tupje’. Dat kan ze helemaal niet uitstaan. Haar buik voelt als een diepe, donkere kamer die haar pijnlijk naar beneden zuigt. Maar mama komt seffens en zal dan eindelijk voelen wat zij voelt. En dan zal het gedaan zijn met Jos Put. Ze zal die dobberende bubbel in de buik van haar dochter begrijpen en eindelijk inzien hoe erg ze zich vergist heeft, het onderschat heeft en ze zal spijt hebben, haar dochter in de armen sluiten, en vergiffenis vragen. Wanneer ze haar binnenste zal zien. Maar de bubbel komt niet ter sprake. Mama komt een tas koffie drinken tussen twee patiënten door. Ze komt met haar witte schort, lange laarzen, mooie pony en haar vertrouwde geur van zoete zonnebrandolie, UVA lampen en medische latexhandschoenen gewoon een kusje halen bij haar ‘konijn’. “Natuurlijk gaan we met z’n allen its leuks doen dit weekend”. En de zaak is afgedaan. Ze blijft verweesd achter. Tegelijkertijd voelt ze een verbetenheid en vechtlust om in haar kousenbroek en met al haar lenigheid het gevecht met Jos Put aan te gaan en hem in één klap uit te schakelen, naar een andere wereld te katapulteren, waar niemand nog ooit komt en zij er nooit nog last van zulle hebben. Ze draait lichtjes heen en weer op de stoel en mama is vertrokken. Door de grote deur, naar de volgende patiënt. In haar knappe witte schort.   Respectable/Mel & Kim- De Putten huren voor het eerst een appartement boven Liliane. Onmiddellijk wordt Liliane‘het lekkerste ijs’ van Knokke. Maar het lekkerste ijs van Knokke is de Post, dat weet iedereen die Knokke een beetje van binnenuit kent. De Putten zijn er voor het eerst, dus weten zij veel. Dat probeert ze Erik Put duidelijk te maken, die lelijke, betweterige, egoïstische etter. Hij staat in de donkere gang van het huurappartement en hij weet het weer beter. Over Liliane en De Post. Hij weet het altijd beter, ook bij haar zus, die hij altijd belt om te vragen wat ze aanheeft. Wat denkt hij wel? Ze wordt opeens heel boos op Erik. Ze zoekt naar woorden om deze vijf jaar oudere debiel de mond te snoeren. Maar in plaats daarvan voelt ze haar been naar achteren trekken om dan met een geweldige zwaai een stamp in zijn ballen te mikken. Ze weet dat dat echt niet mag. Het voelt week en zacht aan, dus waarschijnlijk is het precies de goede plek geweest. Erik klapt dubbel. Ze heeft hem nog nooit zo horen janken. Hij zegt niets meer en ziet rood van woede, wat geen zicht is onder dat stroblonde haar.   When the Rain begins to fall/ Pia Zadore & Jermaine Jackson- Bijna helemaal aan het einde van de dijk, waar de appartementsgebouwen abrupt stoppen en de duinen beginnen, ligt een winkel die een bijzondere aantrekkingskracht op haar uitoefent. Hij ligt op een plein vlak achter de dijk. Het plein is niet echt een plein maar een inham van een ooit majestueus hotel dat niet op de dijklijn maar er vijftien meter achter is gebouwd. Het werpt twee armen naar de zee onder de vorm van zijvleugels. In de linkerarm ligt de winkel met de fascinerende naam Wishbone. Daarin weerklinkt voor haar het zeemansbestaan. Langgerekte mijmeringen en heldhaftige dromen over het beenharde leven van een zeiler-avonturier. Ze verkopen er zeil- en surfmateriaal maar haar interesse gaat uitsluitend naar de kast waarop in rijen boven elkaar, op kleine katrollen het mooiste touw ter wereld is opgerold in kleuren waartussen ze niet kan kiezen: felblauw met kleine roze streepjes, rood met gele streepjes, zwart met fluo groen. Dunne koorden en dikke touwen, allemaal glad, nog niet aangetast door het zout van de zee, of het geschuur tegen de katrollen waarin ze gedurig heen en weer zullen worden gesleurd om over stag te gaan of te gijpen. Daar niet zo ver vandaan hangen de messen. Werkmessen voor op de boot, niet vlijmscherp maar robuuste dingen, in een fluo gekleurd synthetisch jasje. Zij wil die met het fluo groene heft. Ze staart naar het oog aan het uiteinde van het heft, want daarin hoort zo’n touwtje, om het zakmes via het touw aan haar broek of ergens aan haar zeiljas vast te maken. Zodat het mes, tijdens een levensgevaarlijk maar koelbloedig uitgevoerd manoeuver op zee, waarbij het terug in de broekzak steken de fatale seconde zou betekenen die alles om zeep zou helpen - gewoon blijft bengelen aan dat kleine, maar levensreddende touwtje; Ze zou het op het einde, wanneer de rust was weergekeerd als een trouwe compagnon in haar hand sluiten zoals een goede vriend. Zelf heeft ze één keer gezeild. Op blote knieën zat ze in een wiebelende bak op een meer, en de combinatie van het water en het korrelige polyester was pijnlijk. Ze bleef voorovergebogen zitten om haar hoofd te beschermen tegen het klapperende zeil en de stang waarop het was vastgemaakt en waar ze geen controle over kreeg. De monitor, een oudere, blonde man, riep haar vanop de kant toe en maakte daarbij grote, en steeds wildere bewegingen met de armen, maar ze verstond hem niet en dook maar net op tijd opnieuw weg voor het onvoorspelbare zeil. Ze probeerde zich de windroos die hij even tevoren op het bord had getekend te herinneren, en hoe zich dat verhield tot dit bootje en wat er nu moest gebeuren. Maar in de Wishbone weet ze dat ze geroepen is om te zeilen, om een woeste, wilde zeilversie van Pipi Langkous en Kalle Blomkwist te worden. Ze koopt een rood touwtje met blauwe streepjes, een elleboog lang. Ze voelt er gedurig aan in haar broekzak. Ze voelt wat er nog niet hangt. Het mes, en dan een boot en dan de wilde zee.   You’re my heart, You’re my Soul/Modern Talking- Mama heeft een mooie, oude villa gehuurd in een van de kleine straatjes van het Zoute, zodat ze met z’n allen samen zitten. Niet meer tussen twee appartementen heen en weer hoeven te gaan. Het heeft een uitsprong met kleine, gele tegelraampjes waar ze met haar vriendinnetje Tina zit te kaarten. Ze spelen Vluggeren er is niemand die dit spel sneller kan spelen dan zij twee. Elke speler heeft een rij van vijf kaarten voor zich liggen, eronder ligt omgedraaid, onzichtbaar de rest. Om ter snelst moeten de kaarten op volgorde afgelegd worden, met één hand. Ze spelen een tijdje. Mama beslist dat ze met z’n allen naar de openluchtmis in het Dominicanenkerkje om de hoek gaan. Maar zij moeten niet mee. Ze mogen blijven en verder kaarten. Ze zijn elkaar in snelheid waard. Tina wint en dan zij weer. Voor ze het weten zijn de anderen terug. Mama komt als eerste binnen, gevolgd door Jos Put. Ze ziet meteen dat mama ontgoocheld is. Mama kijkt haar met een lege blik aan en laat haar schouders hangen. Ze weet niet wat ze verkeerd heeft gedaan. Dan hoort ze Jos: “Zie je wel, ze hebben helemaal niet opgeruimd.” Mama kijkt naar de tafel en dan naar ons: “Ik had tegen Tupje gezegd dat jullie zeker de ontbijttafel zouden hebben opgeruimd. Om ons te verrassen. Maar jullie hebben niets gedaan.” Het kind voelt een bal in haar buik. Waarom heeft die onnozele Jos nu gelijk gekregen, alsof hij haar beter kent dan haar eigen mama.  Ze wilt de tijd terugdraaien. Ze haat het dat ze haar mama heeft teleurgesteld ten aanzien van die onnozelaar. Ze helpen opruimen en turnen nadien in het driehoekige stuk tuin voor de villa. Handenstand en radslag.   Annabel/Hans De Booij -De kleinste Put loopt non-stop van de ene naar de andere kant door zijn huis. Op en af, op en af. Zijn armen in de lucht terwijl hij een ‘znnnznnnn’ geluid maakt. Het lijkt alsof hij naar het einde van de wereld wil vliegen. Ze hoort een jankend geluid van boven komen. Dan een brullende stem: ‘Het moet ermee gedaan zijn!’ Ze durft niet goed te gaan kijken. Het zijn maar zeven treden tot boven. De geluiden komen van aan het einde van de gang. Snel schiet ze de trap op en kijkt links de gang in. De strook haar die normaal over zijn kale hoofd heen geplakt ligt, hangt aan de zijkant te bengelen. Zijn bril staat scheef op zijn gezicht. Een wildeman. Het heeft iets onnatuurlijks. Jos Put gooit zijn zoon de lucht in alsof het een bal is. Erik schuurt af en toe tegen de witte bakstenen muur terwijl hij kermt. Jos rammelt zijn zoon af. Er is iets geknapt en nu is hij zijn kind aan het toetakelen. Ze vindt het een wonderlijke vertoning. Zoveel woede en zoveel elegantie tegelijkertijd, alsof het om een strandbal gaat. Erik tuimelt in de lucht, houdt zijn hoofd vast en roept, jankt, met overslaande stem: “nee, nee.”   That’s Amore/Dean Martin -Ze ligt aan de rechterkant van het bed, aan papa’s kant. Het buigt lekker diep door. Aan mama’s kant brandt het lampje nog. Af en toe wordt ze wakker omdat mama haar stem verheft. Mama ligt naast haar. Het is al donker buiten. Papa is weg voor zijn werk. Naar Afrika.  Mama maakt ruzie met Jos Put. Soms gooit ze de hoorn neer. Dan belt hij onmiddellijk terug. Mama roept normaal nooit. Ze is met papa getrouwd omdat hij niet roept. Opa riep vroeger dikwijls en dan was mama bang. Mama houdt niet van roepen en nu doet ze het zelf. Ze roept tegen Jos Put. Ook al is het tegen Jos Put, ze vindt het niet fijn dat mama zo tekeer gaat.   Ze zitten in Kreta, een Grieks restaurant op haar straat. Ze zijn er met z’n vijven naartoe gestapt. Niet met z’n allen, z’n veertienen. Het gebeurt niet vaak dat ze alleen op restaurant gaan. Als gezin. Hier krijgen de grote mensen Ouzo na het eten. ‘Van het huis’. Dat weet ze nog. Iedereen aan tafel heeft een begrafenisgezicht. Papa heeft gezegd dat hij bij Annick wil gaan wonen. Haar zussen wenen. Zij niet. Ze voelt niets. Ze kent die man niet. Hij is er nooit. Of hij zit te werken. Hij verpest het nooit voor haar. Of toch niet actief. Maar hij is ook nooit met haar bezig. Dus of hij nu blijft of niet, ze ziet daar niet zoveel verschil in. Wanneer de Ouzo op is, beslist hij om toch bij hen te blijven. Ze weet niet of het is omdat de anderen huilden, of omdat zij niet huilde.     1992 - 1999   Gnossiennes/Erik Satie- De vogels fluiten vroeg. Ze is het niet gewoon door de natuur gewekt te worden. Voorbijrijdende auto’s, dat wel, maar die snorren mee op het ritme van haar droom. Deze vogels zijn zo invasief, prikken haar slaap kapot, dwingend. Mama heeft haar droomhuis gevonden. Eindelijk. Weg van de praktijk, zodat ze ’s avonds de deur achter zich dicht kan trekken en er een fysieke afstand is tussen haar en het werk. Misschien ook een mentale afstand. Weg van de herinneringen aan die intense geschiedenis. Open ruimte. Vrijheid. Anonimiteit. Ze is kwaad. Ze mist het prachtige rijhuis. Nu ligt ze in een spuuglelijk, vrijstaand huis met een Oostenrijks soortig dak en een afbeelding van een eend boven de voordeur. Wel met een grote tuin, maar afgelegen. Ze geraakt nergens meer. Niet op café, en niet op fuiven. Voor de school hoeft het niet meer. Ze zit op internaat sinds vorig jaar. Zelf gekozen. Om Frans te leren. En omdat ze toch altijd alleen thuis was tijdens de week. Haar zussen op kot, mama en papa tot laat aan het werk. Voor de weekends is dit huis echt niet praktisch. Op tien kilometer van alles. Nu moet ze met de bus of met Herman. Gelukkig heeft ze Herman. Mama liet haar eerste keuze voor de kamer. Ze slaapt als enige beneden. Een kamer met blauwe natuursteen. Kil, lelijk maar mét open haard. Heel het huis is lelijk. Deze keer heeft ze niet begrepen wat mama erin ziet. Het is koud en klam in haar kamer. Die is als een legoblokje op het huis geplakt – een uitstulping. Wel met terras. ‘Dat is het Oosterterras, daar staat de zon zo mooi op ’s ochtends!’ Vandaag staat haar taak Frans op het programma. Ze moeten tussen een hele reeks poëziebundels van Franse surrealisten eentje kiezen en daar iets ‘vernieuwends’ mee doen. Ze wil een dansvoorstelling maken, met de gedichten van Paul Eluard. Ze verstaat zijn teksten niet altijd. Verstaat bijna niets eigenlijk. Maar twee gedichten wel en die vindt ze top. Vandaag gaat ze door heel de bundel, om alles te ontcijferen en er de lijn die ze in haar hoofd heeft, uit te halen. Straks komt ‘Antwerpen’ op bezoek. Mama heeft Tony en Thierry genodigd. Tony kan haar helpen met het Frans, hij is tweetalig opgevoed en koketteert genoeg met zijn talenkennis. Dan kan hij iets teruggeven in ruil voor de eindeloze stroom onnozele moppen die ze moeten aanhoren. Ze wil tekst, muziek, dans en decor gebruiken. Ziet het zo voor zich. Sowieso de Gnossiennes van Satie. En dan twee dansers en drie actes: liefde, twijfel, verval. Ze is opgetogen over haar idee. En vanavond, wanneer het af is, komt haar lief.   Ze ziet Charlie de oprit opwandelen. Hij heeft zijn gitaar in de hand. Zijn stijve, lange haren in een paardenstaart, zodat zijn brede nek zichtbaar is. Dat liften van hem vindt ze geweldig cool. Op slag verliefd was ze, toen ze hem voor het eerst zag. Een rebel, een eigenwijze superstar. Leek zich van niemand iets aan te trekken. Hij was van een andere stad, en ze wist niets over hem. Behalve dat hij er echt goed uitzag. Haar vrienden zegden dat hij een nietsnut was. School skipte. Niets voor haar dus. Ze wist het niet, had nog nooit met hem gepraat. Toch had ze hem uitgenodigd voor een fuif, via een briefje dat Herman hem had bezorgd. En hij was wonderwel gekomen. In het laat. Ze had al te veel gedronken. Zonder een woord te wisselen waren ze beginnen kussen. En kort daarop moest ze overgeven. Haar vrienden vonden het een schande. Dat ze met een vreemde kuste. En in zo’n staat. “Wat doe je nu!”,half verontwaardigd, half bezorgd. Het was wat bizar begonnen maar nu waren ze smoorverliefd. Charlie kon fantastisch zingen. Hij deed wat hij wilde, was brutaal en onbezorgd – maar voor zijn ouders een zorgenkind dat niet wilde studeren. Zij vond hem geweldig, wild, origineel. En naar haar luisterde hij wel. Zij zou hem wel op het rechte pad brengen. En daarmee het benepen en kortzichtig idee over zijn ‘andere achtergrond’ van mama en papa voor eens en altijd tenietdoen. Gelukkig waren ze van het principe van het ‘open huis’: “Laat die lieven maar binnen komen, dan weten we wie ze zijn, geen geniepig gedoe, dan is het ook des te rapper gedaan.”   Ze loopt naar buiten en ze kussen lang. Ze voelt dat hij haar een briefje in de hand stopt. Leuk. Ze geven elkaar vaak kleine briefjes of spulletjes, lieve cadeautjes.   “Ik heb iets laten zetten wat je niet leuk zal vinden. Maar het is onomkeerbaar en ik heb er goed over nagedacht. Het staat op mijn schouder zodat ik het niet de hele tijd hoef te zien, wanneer ik het dan beu ben, is dat precies de goede plek. Het is klein en met een mooie vorm. Hopelijk ben je niet boos. Ik hou van je Charlie.”   Ze kijkt hem aan, vol ongeloof. “Mag ik het zien?” Hij opent zijn hemd en toont zijn schouder. Ze ziet een klein mannetje, zwart, asymmetrisch, grafisch, ze herkent het meteen. Het ventje van Einstürzende Neubauten. Ze kan er niet omheen, het is een goede keuze. Stoer én kwetsbaar. Maar ze voelt ook boosheid. Onmacht. Een tattoo gaat nooit meer weg, het is dom. Ze hoort de echo van mama en papa in zich gonzen. Ze vervloekt zichzelf.   Au suivant/Jacques Brel- Heel nauwkeurig heeft ze de meubels uitgezocht die op haar kot zullen staan, maar het is natuurlijk ook een familieproject geworden waarbij mama haar halve hebben en houden aan haar wegschenkt en haar zus wordt ingeschakeld om gordijnen op maat te stikken, mét verduisteringsstof waarvan ze hopen dat ze ook geur en geluid zullen tegenhouden. Het kot ligt net boven de ‘Touareg’, de oudste pitazaak in de stad en op tien meter van de oude markt. Ondanks het servies dat mama haar zo royaal schonk, wil ze vooral de Mexicaanse borden en tassen gebruiken die zij en Herman voor dit eerste kot hebben uitgezocht. De bank en houten eettafel zijn assorti en een relict uit haar kindertijd waarvan ze geen afscheid kan nemen. Het bureau, met lederen bekleding, plaatst ze in de slaapkamer, zodat de living gevrijwaard blijft van serieuze zaken en volledig kan ingezet worden voor vrienden en vrije tijd; Ze ziet kaas- en wijnavonden voor zich, quizmomenten, geschaterlach tussen laaghangende rookwolken. Eindelijk kan ze ongegeneerd roken, zoveel ze zelf wil.   Via con me/Paolo Conte -Ze eten stokbrook. Ze gebruikt haar eigen mes, een prachtig gevormde Gwalarn die met het klein rood-blauwe touwtje van altijd vasthangt aan haar vareuse. Eerst een stevige klot zouten boter en dan een laagje abrikozenconfituur. Er bestaat geen beter ontbijt. Het wakke brood, de frisheid van de scherpe botersmaak en het zoete, zachte van de confituur. Ze spoelt na met oploskoffie en sluit de ogen. De zon is al warm op haar hals en rechterkaak. De boten naast haar ontwaken. Ze luistert naar de stalen koorden die tegen de masten klapperen. Ze geniet nog even van haar blote benen en voeten in de zon en maakt zich dan klaar voor vertrek. Het wordt stilaan laagtij, het water stroomt de engte uit richting zee en ze profiteren daarvan om zonder veel moeite weg te komen. De vaargeul is al redelijk ondiep, de rotsen steken hier en daar boven het water uit. Herman navigeert. Hij ziet eruit als een jonge, joodse intellectueel met bruin krullend haar en een uitgesproken grote neus. Hij heeft iets onoverwinnelijks, staat relax in het leven. Zij neemt het roer. Vooral als de zee wild is en de golven haar in een groot alfabet van v’s omtoveren, wil je dat zij aan het roer staat. Dan danst ze met de boot en geeft ze hem de ruimte die hij opeist om de golf af te glijden. Maar omgekeerd trekt ze stevig bij wanneer de voorsteven de golf inklieft en erover moet. Op het eind komen ze precies uit waar het moet. Maar nu is het rustig varen. De zee is kalm. Het water klotst tegen de boeg. Ze varen een hele dag en tegen vijf uur liggen ze voor anker ter hoogte van Ploumanac. Je kan er met deze stroming onmogelijk binnenvaren. De ketting van het anker staat strak gespannen. Het zal niet makkelijk zijn om straks foutloos te vertrekken. Ze wachten op het juiste tijdstip, wanneer laag- en hoogtij elkaar afwisselen en er minder weerstand is van het water. Anders smakken ze tegen de rotsen. Het is een riskant manoeuver. Herman neemt deze keer het roer. Lien doet de fok. Zij zal het anker lichten, zo trekken dat de boot er net boven ligt en dan, wanneer het loskomt van de bodem, brullen naar Lien dat ze de fok moet hijsen want anders zijn ze de speelbal van de stroming. De ketting is glibberig, koud en pijnlijk in haar handen. Hij schuurt en bovendien zit ze in een ongemakkelijke houding. Haar reddingsvest maakt bewegen lastig. Het anker komt los en ze brult. Lien hijst de fok en ze merkt dat ze op Liens touw staat. Het zeil flappert en snokt dan en ze tilt zich kapot aan die onhandige ijzeren reus. De adrenaline raast door haar heen. Ze sukkelt met haar laarzen, probeert grip te krijgen tegen de lage rand van de boot, zodat ze zich kan afduwen om naar achter te leunen en dat anker binnen kan trekken. Het moet vooraan in de boeg door het valluik. Ze maakt zich klein zodat de wind haar werk kan doen in die fok. Dat gaat moeilijk met die laarzen en zwemvest, maar Lien en Herman doen uitstekend werk. Het anker ligt op zijn plaats. De ketting gooit ze er achter aan, haar pink zit er even tussengedraaid en er gaat wat vel af. Pijn. Schudden met de hand. Ze doet het luik dicht en kruipt gehurkt naar achteren. Ze varen Ploumanac binnen. Ploumanac, Perros-Guirec, Trébeurden, Loquivy. De woorden smaken als stoere zeebonken in haar mond. Het is een wereld die ze vooral kent vanuit de boot, een kustlijn met merkpunten, watertorens, rotsen die in lijn moeten liggen met de kerktoren zodat ze koers kunnen houden, en ‘s avonds een haventje, het weerbericht aangeplakt aan de cabine van de havenmeester en – niet onbelangrijk - een douche. Ze monstert de omgeving. Ploumanac heeft een vuurtoren met ‘quatre éclats tous les dix secondes’. De omgeving is ruw en schraal. De elementen hebben hier een filter op de kleuren gezet, zoals fel licht alles verbleekt: het groen van het helmgras is vooral zilver, het blauw van de loopbrug is vaal en er lijkt een laagje korrelig zand over te hangen. Ze krabt in haar haar. Het plakt op haar voorhoofd door de spetters zee, de brandende zon en de resten zonnecrème. De zon heeft haar haardos uitgedroogd en ze kan het breken. Wanneer ze haar ogen groot open doet en de wenkbrauwen naar boven gooit, trekt haar hele voorhoofd. Het gloeit en allicht heeft het de kleur van een babykreeft. God weet hoe ze eruit ziet. Ze voelt dat haar haar alle kanten op staat. Door de wind en de vochtige lucht is het beginnen te kroezelen en heeft ze net een heiligenkroontje van friezelhaar. Haar hoofdhuid jeukt en ze voelt korstjes. Ze kan er niet afblijven en krabt ze van haar hoofd los. Het is zaak ze uit haar haar te trekken zonder ze te verliezen. Daarvoor moet ze het korstje heel stevig met haar nagels beethouden en het als een klein kind dat van een glijbaan roetsjt goed begeleiden tot aan een haarpunt. Het verlangen naar die douche is onhoudbaar. En nadien een broek aantrekken die nog niet vuil is, misschien de donkerblauwe met onderaan elastieken en grote zakken op de heupen. Een frisse T-shirt en daarover haar dierbare Glazik, rozig en afgekleurd door de zon. Herman komt naar boven met drie frisse pinten. Lien volgt met nootjes en verse worst.   Space Lord/ Monster Magnet- “Piet?” roept ze uit, verraste ongeloof in haar stem. Zij heeft hen al van ver in de gaten. Eerst het meisje, halflang asblond haar, een bruin, ontspannen gezicht, zelfverzekerde blik, en een donkerblauw kleedje, duur in al zijn eenvoud. Dan pas hem, in een witte T-shirt, jeans en dikke, bruine mefisto’s - veel te warm voor de tijd van het jaar - die hem ondanks hun plompheid toch allure geven. Zij zijn druk pratend vanuit Pieter De Somerhet binnenplein van het Pausover gewandeld.  Pausis zijn plek geweest, vijf jaar lang. TEW. Niet zo’n moeilijke studie. Een verlengde van de middelbare school volgens papa. Zijn thesis had hij over de kunstsector geschreven - schilderijen - op aangeven van zijn moeder Annick want zijn hart lag bij auto’s en voetbal. Ze stond met Lien aan de overzijde, op de drempel van het Hogeschoolplein met het Pauscollege. Het binnenplein lag er verlaten bij. De dag was nog jong en ondanks het seizoen – het was begin juli - hing er een aangename koelte in de lucht. De meeste studenten hadden Leuven al verlaten. Zij niet. Ze lummelden wat aan in de gelukzalige tussentijd die enkel het studentenleven kenmerkt. Het vacuüm van enkele dagen waarin de tijd geen tijd is en er, na de heroïsche examenprestatie, een gevoel van volledig zorgenloosheid hangt. Het plezierige niemandsland waarin alles kan en alles mag omdat het verdict nog niet is gevallen en er bij gebrek aan vonnis, niemand al voorwaarden kan opleggen. Nu was dat laatste voor hen een mindere zorg: ze haalden zonder al te grote inspanning jaar in jaar uit eerste zit en naarmate de jaren vorderden voegden zij daar telkens nog een graad aan toe. Het enige waar zij op dit moment mee bezig waren, was het zich overgeven aan de totale ontspanning, op een plek waar ze graag rondhingen. Het Paus was weliswaar mannelijk terrein, maar er hing ook een zware nostalgie in de lucht die een merkwaardige aantrekkingskracht op hen beide uitoefende, alsof het de geschiedenis zelf was die hen uitnodigde in haar vertrekken te vertoeven. Het Pausals de statige verpersoonlijking van waar de respectabele universiteitsinstelling al jarenlang voor stond: grandeur, eruditie, betrouwbaarheid, degelijkheid. Het college was al generaties lang ingenomen door veelbelovende zonen van de hogere sociale klasse en de vrije beroepers die goed verdienen en waar het metier van vader op zoon werd doorgegeven. Speelvogels die hun studies met schijnbaar gemak door walsten in het onwankelbaar geloof dat het succes van hun ouders mutatis mutandis op hen zou overvloeien. Piet bleef staan, keek op, en onderzocht haar gezicht. Het duurde lang vooraleer hij aarzelend ‘Bine?’ wist uit te brengen. Die naam had ze – behalve bij haar thuis – al in geen jaren meer door iemand horen uitspreken. Ze droeg sinds haar studententijd een geheel nieuwe bijnaam waarvan zij vond dat die robuuster was en daarom beter bij haar paste. Ze lachte. Hij ook, eerst een grote, enthousiaste lach en glinsters in de ogen, daarna dat stel ruwe handen voor zijn verbaasde mond: “Ik zou je nooit herkend hebben!”Bijna tien jaar was het geleden dat zij elkaar niet meer hadden gezien. Piet was veruit de sympathiekste geweest. Haar herinnering aan hem was zuiver – ongetroubleerd.   2015 – 2018   Old Pine/Ben Howard- Ze staan voor het appartement, klaar om naar het strand te vertrekken. Ze zoekt haar zonnebril, tast in haar buikzakje, zoekt dan in de rieten mand. ‘Mama, mijn soldaantje is uit’. ‘Wacht even, lieveling, mama is even bezig’. Hij staat op haar hoofd. Ze heeft de plooibare kar zo geladen dat ze Kappi er bovenop kan zetten. Limme moet zelf stappen en de schoppen dragen. Ze gaat terug naar binnen om het tentzeil te halen. Het is een estafette: lift open, kinderen eruit, tussen de liftdeur staan om spullen eruit te halen, af en toe op de ‘blijf open’ knop duwen, de kinderen zeggen dat ze in de gang moeten blijven, de voordeur van de trappenhal opendoen en er iets tegen zetten, de kar naar buiten rijden en de rest van de spullen er beter in zetten, de kinderen roepen dat ze mogen komen, de ene een schop geven en de andere op de plooikar zetten, het tentzeil gaan halen. Ze opent de voorste gesp van het sandaaltje en steekt zijn voetje er terug goed in. Dan vertrekken ze. De kar afgeladen vol. Een rieten zak met zwemgerief en in die zak een zak apart met ‘belangrijke spullen’, sleutels, gsm, bril, portefeuille, tutjes, dingen die ‘zandloos’ moeten blijven. Een lege plastic zak voor het afval dat nog komt. Een zak met lectuur, een zak met reservekledij en kaka-doekjes, emmers en soldaatjes, de houten hamer voor het tentzeil, twee plooistoeltjes, en dan nog een grote mand op wielen met het zeil, de parasol, en een winddraaiding zodat de kinderen de plek op het strand van ver herkennen. Als ze echt in vorm is neemt ze de boot ook mee. Maar vandaag is er te veel wind. Misschien komt Patrick vandaag. Hij was nog niet zeker. Hij vindt deze volksverhuis totaal belachelijk en zou nu al vies gezind zijn. Hij heeft het razend druk met transfers. Ze onderhandelen over een Turk, en een Griek, en een club uit Firenze wil hun Serviër – of ging dat over Milencovic (heet hij zo?) – of was dat die Serviër? Ze weet het niet meer precies. Nochtans boeit het haar wel wanneer hij erover vertelt. Maar ze kan op die jongens geen gezicht plakken en dan haspelt ze alle verhalen door elkaar, alsof het haar maar matig interesseert. Ze vindt het beter dat hij niet komt als hij toch continu moet bellen. Want anders heeft ze verwachtingen: dat hij met de kinderen speelt, enthousiast is, voorstellen doet voor activiteiten, de gewone dingen die zij altijd doet. Het zou betekenen dat de peer in twee is gehakt en ze allebei ook wat kunnen lezen en een ‘teamgevoel’ hebben. They are in this together. Meestal leest hij heel de dag die verdomde strontkranten. Of zit hij op de i-phone. Ze irriteert zich vanaf seconde drie. Ze probeert dan te doen of hij er niet is, want als hij er niet is gaat het prima. Dan is ze ingesteld op alles zelf doen en hoeft ze met niemand rekening te houden. Het is een prima dag.   De golven maken een diep basgeluid; Ze volgen elkaar in een flux tempo op. Het kleine, gespierde lichaam springt over de kleinste golfjes, keert zich om en begint opnieuw. Sinds Kappi gerustgesteld is dat er geen wolvende zee uitrollen, gaan alle remmen los. Hij roept over zijn schouder: ‘is er een boord aan de zee?’ ‘Hoe bedoel je?’ vraagt ze hem. ‘of een trap, mama, zoals een zwembad?’ Ze lacht. Hij neemt nu een aanloop en rent de zee in. Hij duikt, hoofd onderwater, onder de voor hem reusachtige golf. Even is hij onzichtbaar, een halve seconde voelt ze zich ongemakkelijk, tot hij terug boven komt. Hij spettert wat op de branding. Limme’s gezicht straalt in de zon. Wanneer een echt grote golf bijna breekt, springt hij en draait een halve slag in de lucht. De golf kletst tegen zijn rug en hij krijgt enkel een gulp water over zijn haren. Het is een trucje dat ze hem leerde. Want als ze de golven uit het oog verliezen, het gevaar niet in het gezicht kijken, worden ze verrast langs achter en dan is het water slikken. ‘Mag ik nu tot aan jouw tepeltjes in de zee?’ Hij bedoelt dat hij heel diep wil gaan. Hij kijkt haar vragend aan en dan merkt ze dat er iets verandert in zijn blik. Hij kijkt nu pas voor het eerst goed naar haar.  ‘Jij hebt je pyjama nog aan’ lacht hij verbaasd. ‘Mama, heb jij je pyjama nog aan? Ja, hè. Juist hè?’ Ze draagt een Italiaans, linnen kleedje tot net boven de knie, met, nu beseft ze het, hetzelfde fijne blauwwitte streepje als de pyjama die ze vanochtend droeg. Hij heeft helemaal gelijk. Ze schateren het uit. Ze dacht dat ze mooi en verzorgd was, zoals een echte mama die alles onder controle heeft, hoort te zijn, en tegelijkertijd een tikkeltje excentriek, met haar hoge hoed, haar ongecompliceerde, donkerbruin lederen geknoopte sandalen en haar Italiaanse jurk maar hij vraagt doodleuk: ‘ben je nog in pyjama, mama?’ Ze hebben er genoeg van. Voor ze naar de handdoeken spurten, planten ze hun voet daar waar de golf een laatste likje aan het strand gaf. Ze duwen hard, de plek rond hun voet wordt wit, alsof het zand in allerijl opdroogt, zoals met een vinger op een verbrande arm. Ze eten een ijsje en spelen Gooipakmet de bal. Bij pipi graven ze een kuil op het strand en kaka doen ze in de emmer. Ze zien kakbruin. Op weg naar het appartement neemt ze Kappi op haar schouders.   Supercalifragilisticexpialidocious/Dick Van Dyke & Julie Andrews- Ze doen een ritje op de rollercoaster. Ze zitten in het achterste karretje en na de eerste klim daveren ze naar beneden. Ze voelt een gekke wrong in haar buik. Limme roept dat dit het leukste is wat er bestaat. Hij voelt het in zijn piemeltje. Meteen erna schuiven ze opnieuw aan. Er is plaats helemaal voorin en helemaal achterin. Hij kiest helemaal voorin. De slak trekt zich vooruit en klimt. Maar nu blijft hij ook traag gaan in de afdaling, totdat de staart ook helemaal aan de top is. Dan pas versnellen ze. Er is geen effect in de buik of in het piemeltje. Ze stappen uit. Patrick loopt vlak voor haar. ‘Het is veel leuker achteraan want dan gaat het sneller. Dat voel je veel meer in je buik.’ Hij corrigeert haar: ‘Dat klopt niet. Het gaat niet sneller. Natuurlijk gaat het niet sneller achteraan dan vooraan, want anders zou vanachter van voor voorsteken.’ Ze haat dit. Hij behandelt haar als een klein kind, als een stomme trut die zelfs te dom is om iets evident te snappen. ‘Maar dat is niet wat ik bedoel, ik bedoel dat je in het voorste karretje traag afdaalt omdat het ding dan nog remt en achteraan ga je met snelheid de helling af en dat is een goed gevoel.’ Maar hij blijft herhalen dat het niet juist is.  Ze voelt zich in een razend tempo duizend kilometers wegvliegen. Hij is nog een stip in de woestijn. De vakkundige verpester van hun kinderlijk plezier. De volgende twee uur bestaat hij niet meer voor haar.    Als je van beren leren kan/The Jungle Book- Ze had nooit kunnen denken dat een mens zo moe kan zijn. Ze slaapt uren aan een stuk in de speelkamer naast de keuken. Mama kookt er, de kinderen knutselen aan de keukentafel, ze lopen binnen en buiten, roepen, lachen, maar zij hoort niets. Ze is doodop. Mama heeft de plek zo ingericht voor deze zomer dat ze dicht bij ‘het gebeuren’ kan zijn en toch kan rusten. ‘s Namiddag gaat het beter. Dan ligt ze aan het zwembad en leest of tekent, met haar benen opgetrokken, altijd geplooid. Haar buik trekt te veel om gewoon plat te liggen. Ze probeert opa te tekenen. Een tekening in eenvoudige zwarte lijnen. Het moet nog veel beter. Ze vind de vorm van zijn voorhoofd niet, terwijl dat net sprekend is. Mama zegt er niet veel over wanneer ze de tekeningen ziet, behalve ‘wie is dat?’. Ze weet dat mama vindt dat ze haar tijd daarmee verdoet, dat ze vele talenten heeft waarvan tekenen er geen is. Mama is onvermoeibaar, host van de ene activiteit in de andere. Ze maakt milkshake en speelt gezelschapsspellen met de kinderen. Ze draagt handdoeken aan om een kamp te maken in de tuin. Ze zwemt met de jongens. Dan ziet ze dat het jongste kind moe is. Hij wrijft in z’n ogen. Mama zegt dat hij een rustje moet gaan doen. “Ik ben niet moe” probeert hij, maar zijn stem draagt de capitulatie in zich. Hij weet dat hij moet gaan rusten. Hierover is bij zijn mimi geen onderhandelingsmarge. Hij is afgedroogd, heeft geplast en komt de speelkamer in. Hij zoekt iets om naast zijn bedje te leggen. Een verbindingselement, zodat hij nog een deel van de wakkere wereld heel dichtbij heeft. Maar mimi is kordaat. Hij moet de tijd nu niet proberen te rekken. Dit is uitstelgedrag. Grote mensen zijn de baas. Jij bent klein. Er moet nu en onmiddellijk geluisterd worden.Dat hoort ze allemaal in de manier waarop ze plots, luid en streng zijn naam roept. Hij verschiet en springt op van dit onverwacht salvo, alsof hij betrapt is. Zij weet wat haar kind nu voelt. Hoe zijn hart een klop maakt in zijn keel, geschrokken, onbegrepen, bang. Hij neemt mimi’s hand, buigt zijn hoofd en begint onhoorbaar te wenen. Zijn gezicht verkrampt, zijn mond groot open zodat hij genoeg lucht kan happen om die dikke, pijnlijke bal onrecht in zijn buik weg te krijgen. Even is het onnatuurlijk stil, de korte seconden waarin zijn machteloosheid doorklinkt. Zijn hoofd wordt rood en dan volgt een luide, diepe, hartverscheurende ween. Haar hart scheurt, maar ze zegt niets. Mama is nu de baas. Mama is hier de baas.   Zeester met Koffie/Bart Peeters- ‘La première nuit, Il a dormi avec Claire. Après avec Roxane et la troisième nuit avec Georgette.’ Ze zit op de betonnen muur van het kwistax-pleintje en luistert met een half oor naar de bizarre conversatie. De kinderen denderen door elkaar heen. Alsof auto’s, fietsers, vrachtwagens en voetgangers allemaal op een hoop zijn gegooid en door elkaar sjezen dat het een lieve lust is. Maar hier botst er wonderwel niemand. De kinderen weten elkaar telkens op een haar na te ontwijken. Nooit kijken er twee tegelijkertijd naar beneden. Het toeval beslist dat telkens één kind het gevaar op tijd ziet en uitwijkt. Ze kijkt nu naar de vrouw van het telefoongesprek. Ze heeft varkensvoeten die in goudkleurige sandaaltjes zijn geplet. Haar stevige nagels zijn bedekt met een dikke laag roze nagellak. Haar voeten hebben, net als haar kuiten, een worteloranje kleur. Het zijn stevige, dikke kuiten die ze duidelijk graag toont. Het kleedje van dik stof sluit nauw over haar voluptueuze lichaam aan en kruipt in deze zittende houding iets te hoog op. Het is voetbalveldgroen. ‘Zijn uw kinderen hier ook?’ vraagt de vrouw wanneer haar telefoongesprek is beëindigd. Ze is wat dichterbij komen zitten. Zij wijst Limme en Kappie aan. De vrouw kijkt verwonderd. ‘Ze lijken helemaal niet op elkaar.’ ‘Neen?’ ‘Neen.’ Ze kijkt ze even na en draait zich dan naar haar toe. ‘En maar goed ook. Stelt u zich voor, zoals de Chinezen. Daar geraak je niet uit wijs.’ Ze glimlacht en groet de vrouw tot afscheid. Ze heeft een vrij tafeltje gespot op een terras en holt er naartoe. Ze wil graag in de zon zitten en even niet met de kinderen of met iemand anders bezig zijn. Rust in haar hoofd. Rust aan tafel seffens. Niet zoals gewoonlijk. Altijd dat babbelen. Ratelen eigenlijk. Ze kan er niet mee om. Tenen krullend irritant vindt ze het. Ze wil met haar kinderen praten, van gedachten wisselen. Geen circusapen kweken die iets kunnen nabrullen en kunstjes vertonen. Maar het is bijna altijd een opbod: feiten afvuren, rekenvragen stellen, moppen aanleren. ‘Hier liggen nog drie pistolets en vier sandwiches in de mand, allé Kappi, hoeveel is dat? Limme, jij moet zwijgen. Denk eens na, Kappi, tel maar.’ Om dan zelf alles stap voor stap voor te doen en uit te leggen. ‘En herhaal het nu eens, Kappi? Wat heeft papa je geleerd? En nu een mop over Jantje, maar ik kan die mop nog beter maken, en drink uw chocolademelk nu eens verder uit en stop met te wriemelen aan uw piemel en let op dat de confituur niet valt, zet ze verder op tafel, en steek niet zoveel in uw mond. En wat wil je vandaag doen? Een kasteel bouwen, een winkel met bloemen, …?’ ‘MAAR STOP DAAR NU TOCH EENS MEE!’, brult ze in haar hoofd. ‘We worden allemaal gek zo!’ Alsof een geslaagde vaderrol gelijk staat aan de ‘flauwe plezante’ uithangen. Dat of roepen. Boos worden voor niets. ‘Opgelet, pas op, ik zeg het nu niet meer, het is de laatste keer hè!’ en dat woordgebruik ook: ‘tuffen, meppen, fikken…’ en dan achteraf verwonderd zijn dat de kinderen dat zelf ook gebruiken. En voetbal natuurlijk. ‘Waar speelt Lukaku? Welke ploeg speelt in zwart wit? Rood, daar zijn we tegen, hè jongens!’Die voetbalgekte tussen vaders en zonen kan toch alleen maar een soort van leegte verhullen? Papa weet niet goed hoe hij met de kleine moet omgaan. Voetbal dan maar. Dat is veilig. En vanuit de andere kant: als ik papa’s aandacht wil, moet ik iets over voetbal zeggen, dan ziet hij me graag.Zoiets? Ze wordt er doodmoe van. Haar kinderen gaan het zo gewoon worden en continu zo’n aandacht willen, terwijl hij haar net dat verwijt. Dat zij ze te veel aandacht geeft. En waarom moeten die kinderen op hun vijfde en zevende in godsnaam zoveel weten? Het worden irritante etters op die manier, dat kan toch niet anders? Jongens die om de haverklap een mop willen vertellen die ze al zes keer eerder hebben verteld. Daar is niets schattigs aan. De mensen glimlachen uiteindelijk nog uit beleefdheid, en nog voor ze hun hoofd gedraaid hebben, zijn ze blij dat ze ervan af zijn, van die slopende etters. Ze mag er niets over zeggen want dat is ze een bekrompen elitaire trut. Of wijf. Of geit. Maar HET GAAT NIET OM HAAR!! Het gaat om hoe hij die kinderen in het leven zet en de verwachtingen die hij creëert! Er staan twee benen en een mooie lederen handtas voor haar tafeltje. Ze blijven ongewoon lang staan. Ze kijkt op en ziet het lachende gezicht van Katrien. ‘He Moppie, ik wist niet dat jullie ook aan zee zijn!?’ ‘Zo fijn om je te zien! Zet je bij! Ben je alleen?’ Maar dan ziet ze kleine Lili en Eduard aankomen. ‘Fijn dat jullie er zijn! Zullen we samen iets drinken?’ Eduard heeft een lange baard. Hij ziet er wat verwilderd uit. De jongens komen aan gestept en kijken enthousiast naar Lili. Ze cirkelen om haar heen. ‘Fijn, een meisje’ roept Kappi. Lili helpt hem meteen in zijn rolschaatsen. En ze zijn weg, naar het pleintje. De zon is heerlijk warm op het terras en hoewel het pas halftwaalf is, bestellen ze een wijntje. Ze weet van Katrien dat het sinds kort terug wat beter gaat met Eduard en daardoor ook met hen. Dat hij actiever in het leven staat en meubels maakt. Voor ze het weten is er een uur voorbij. Ze bestellen iets om te eten, en blijven tot diep in de namiddag op het terras hangen. Die uitputtende maalstroom van negatieve gedachten helemaal weg.   Komaan met dat lijf, beweeg met dat lijf/Raymond van het Groenewoud- Het is 13.23u wanneer ze vertrekt. Lekker koel onder de bomen. Ze voelt haar billen op en af gaan. En haar lies doet pijn. Frank had gelijk, vanaf je veertigste is het gedaan. Mama was ook veertig – ongeveer haar leeftijd nu. Zij tenniste, dubbel gemengd. Met papa en Jos en Annick. Het moet een bevrijding geweest zijn. Gewoon een lief nemen. In plaats van te klagen. Katrien over Edouard. Lien over Koen. Zij over Patrick en al zijn negativisme. Hij had verdomd gelijk over aanwervingen. ‘Onderzoek wat je stoort bij de beste kandidaat want de ergernis wordt sowieso groter na de aanwerving.’ Bij hen is het net zo. De dingen die haar in het begin al stoorden, irriteren haar nu mateloos. Wie doet dat nu? Je geparkeerde auto vijftig meter verder gaan halen omdat er een plaats voor de deur vrijkomt? Of elke dag uit het niets ineens stukken uit de krant luidop en heel snel voorlezen, zonder je ook maar één seconde af te vragen of dat de ander interesseert? Mama had het gewoon goed voor elkaar. Niemand wil dat gezinsleven opgeven, voor de kinderen niet en omdat het gras op een ander toch niet groener is. Maar alle vrouwen leiden een dubbelleven in hun hoofd. Ze snapt mama helemaal. Het beste van twee werelden. Gewoon openlijk aanhouden met een andere man, en hetzelfde gunnen aan je eigen man, en tegelijkertijd samen dat gezinsleven. Niets opgeven. Heerlijk moet het zijn geweest. Geen gevangenis, geen sleur, niet hoeven uitbreken. Hoedje af. Jammer voor de kinderen wel. Hoeveel heeft ze nu gelopen? Vijfendertig minuten. Mooi. Meer dan ze dacht.   Diamonds on the Soles of het Shoes/Paul Simon- Sheaboter trekt bijtjes aan, merkt ze. Ze zoomen gedurig rond haar benen en scheren af en toe zacht langs haar nek. Telkens schrikt ze op en slaat het al lang vertrokken insect wild weg. De zon brandt van rechts op haar gezicht en eigenlijk is het kleed dat ze draagt te warm. Ze hoort alleen maar natuur, de bijen, het gekwetter van vogels en als grondtoon het kabbelen van de beek die net achter de haag een verdiepinkje daalt. Hemelser wordt het niet en toch is ze ongemakkelijk. Omdat ze iets zou moeten maar het niet aan het doen is. Geld verdienen? Iets produceren? Maar ze wil terugdenken aan het feest van mama.   De hele oprit staat vol wagens. Mama heeft ze allemaal weten te verzamelen, ook diegenen die niet meer met elkaar praten. Hoewel ze van alle genodigden het korst bij wonen, komen ze toch laat aan. Ze parkeren op straat. De schapen beginnen meteen en zoals altijd overdreven hard te blaten. De jongens lopen al door, achterom via de tuin naar de keuken, tot ze al het volk opmerken. Mama zou het aperitief op het ‘oosterterras’ geven. ‘Daar blijft de zon zo mooi lang hangen en dan hoeft al dat volk niet voor mijn keuken te staan’. Het is een gezellige boel, ze spot meteen Tony, klein maar nog steeds dik. Het feestvarken. Hij wordt 72. Een wit hemd, breed open aan de hals. Ze drinken bubbels. Linda brengt hapjes rond. Iedereen is er, hier en daar ook iemand die ze niet meteen kan plaatsen. Ze feliciteert eerst Tony, en werkt dan de ronde af waarin hij staat. De zon schijnt fel, maar verderop komen donkere wolken aanschuiven. De kinderen zeggen iedereen beleefd gedag en lopen dan recht naar de trampoline. Ze is trots op haar kinderen, het zijn toffe, zotte jongens, mooi, en heel verschillend. Het is goed dat ze niet wegkruipen achter haar rok maar iedereen gewoon dag zeggen. Zonder flauwekul, met vertrouwen. Mama heeft de ronde partytafels gezet, en een buffettafel voor de drank. Het doet goed deze mensen terug te zien. Altijd. Patrick kent bijna iedereen. Ze merkt dat hij ontspannen is, dat hij zijn best doet. Tony is nieuw voor hem en ze weet dat hij zo dadelijk prijs zal hebben. Ze krijgt een glas van papa. Hij speelt die rol voortreffelijk, die van gastheer onder regie van mama. ‘Paulus, nu dit, Paulus, nu dat’. Hij kijkt haar over zijn bril aan, een monkellach, zijn bovenlichaam helt overdreven naar achter en zijn knieën veren meer dan gewoonlijk, hetgeen hem iets energieks geeft. Ze ziet aan die houding dat hij er zin in heeft – de houding en het enthousiasme waarmee hij ieders glas bijschenkt– en natuurlijk de muziekkeuze. Paul Simon vandaag, Diamonds on the Soles of her Shoes, net dat tikkeltje te luid. Dat doet papa altijd bij feesten, de muziek te luid zetten. Ze vraagt zich telkens opnieuw af of het aan haar ligt dat ze de kakafonie van geluiden niet goed verdraagt of dat hij hardhorig wordt, of dat hij zijn zelfgekozen, dagelijkse isolement op een sociale happening als deze wil overcompenseren door alles tegoed te willen doen. Ze spot mama. Ze komt met een lege vaas vanuit het huis en is zoals altijd blij hen te zien. Heel even gaat haar ‘dirigentenknop’ af en knuffelt ze hen uitgebreid, tot ook dat voorbij is en ze ‘Lindaatje’ en ‘Paulus’ met een volgende opdracht belast. Linda brengt soepjes rond – een van vele amuse gueules-  in kleine aardenwerken bekertjes. Groene soep met een oranje bloemetje erin. Mama huurt die kommetjes niet, ze heeftze om dit soort feestjes te geven. Vijfentwintig of meer aardewerken kommetjes voor de soep en dezelfde aantallen aangepaste bordjes voor alle hapjes die volgen. Ze is vervuld van geluk wanneer ze een feest geeft, niet zozeer o

Sabine Steels
0 0

Achteraf weet je alles op voorhand

Achteraf is het makkelijk om te beweren dat mijn 10 maanden alleen in een bus wonen een ponykamp waren. Met de intrigerende ontmoetingen, de adembenemende landschappen en zeeën van tijd vooraan in mijn herinneringen, zou ik nog wel eens de schaduwkanten durven vergeten.  De momenten van angst, van het verdrinken in mogelijkheden en het niet kunnen beslissen. De ochtenden waarbij ik verschrikt wakker werd door geklop op mijn raam. De avonden waarbij mijn rustige slaapplekje veranderde in het lokale drugspleintje. De nachten dat ik zo hevig verlangde naar gezelschap, anders dan het mijne.Achteraf is het makkelijk om te zeggen dat het een goed plan was.  Behalve dan dat er weinig sprake was van een plan.  Zelfs het idee dat er was bij gebrek aan het hebben van een plan, viel in het water toen de boyfriend zichzelf uit het script schreef.  Het oorspronkelijke scenario:  tijdens een sabatjaar samen de kust afreizen  van het Franse Les Landes tot de Portugese Vicentine Coast.  Hij zou surfen. Ik zou schrijven.  Samen zouden we van het simpele leven smullen.  Smullend levend in een oude Mercedesbus.  Met een ritme zo traag dat we niet anders konden dan beseffen hoe verslaafd we zijn aan de speed of life.  Boyfriend en surfplank bleven thuis. Lang leve light travel.Achteraf is het makkelijk om te zeggen dat je veel minder nodig hebt dan je denkt.  Toen was het vooral gigantisch moeilijk selecteren.  Wat moet, mag en kàn er mee in mijn nieuwe thuis, slechts 8 vierkante meter groot.  Welke boeken neem ik mee, hoeveel potten en tassen, handdoeken en bedovertrekken heb ik nodig om comfortabel te leven? Less is more. Terwijl mijn duizenden spullen zich redelijk gewillig lieten reduceren tot enkele honderden, kreeg ik iets gigantisch in de plaats. Tijd en vrijheid. Zoveel, dat ik er soms niet mee om kon. Teveel is nooit goed. Achteraf is het makkelijk om te zeggen dat ik veel geleerd heb.  Het voelde verwarrend en overweldigend. Midden in elk van de vele lessen die zich bleven herhalen. Zoveel keer totdat ik er toch een tikkeltje wijzer uitkwam.  Nu weet ik dat volledige vrijheid, niet per se gelukkiger maakt.  Dat je zelden geluk vindt in extremen.  Dat ‘flexibele structuur’ en ‘afgebakende vrijheid’  begrippen zijn die je mag koesteren.  Tijdens mijn reis, zo open als de lavendellandschappen in de Provence, bleken net structuur en stabiliteit een onvoorspelbaar belangrijke factor.Wie had dat gedacht?Ik niet.En zeker niet op voorhand.   

angelique
0 0

Opdracht 8 - Dingen die niet overgaan - Veerle Schaltin (deel 2)

h Haar eigen paar   Zodra ze de kamer binnenstapt, voelt ze dat Rebecca en zijzelf hier niet alleen zijn. De lucht is dens alsof een onzichtbare nevel de ruimte vult. ‘Ik heb je voorouders al uitgenodigd’, zegt Rebecca terwijl ze een kop thee inschenkt. Farahilde tuit haar lippen. Ze wil iets zeggen, maar de woorden stokken in haar keel. Haar hele leven al morrelt ze maar wat aan. Ze heeft het gevoel dat ze met een rem op leeft. Dat wil ze niet langer. Ze heeft al zoveel geprobeerd… Ze heeft al zoveel geleerd…, maar slaagt er niet in er echt iets mee te doen. Rebecca had haar aangeraden haar voorouders om hulp te vragen door erover te schrijven. Elke ochtend heeft ze trouw haar schrift genomen en drie pagina’s vol gepend. ‘Lieve voorouders, weten jullie waarom ik zo vastzit?...’ Ze begreep geen snars van de antwoorden die haar voorouders haar stuurden. Hopelijk kan Rebecca helpen om het duidelijk te maken. Ze neemt een slok van haar thee. ‘Je wil dus weten waarom je voortdurend remt,’ begint Rebecca. Farahilde wipt van haar ene been op haar andere. ‘Neem dan maar een kussen dat jezelf voorstelt uit de bak daar.’ Ze kiest een klein roze en legt het midden in de kamer. ‘Neem er ook een voor je rem.’ Nu pakt ze het grootste. Dat laat ze pal op het roze kussen vallen. Rebecca legt er nog een kussen bij. ‘Dit is je grootvader. Ik voel dat hij hiermee te maken heeft.’ ‘Kan best,’ knikt Farahilde, ‘Hij kwam ook in mijn schrijfsels voor.’ Terwijl Rebecca zich concentreert op de boodschappen die ze via de kussens doorkrijgt, zet Farahilde zich op een stoel aan de kant. Het is niet dat ze zich niet op haar gemak voelt bij de gestorven mensen in deze kamer, maar dat die zo meteen iets gaan onthullen, waarvan ze niet weet hoe groot het is, en welke invloed het op haar leven zal hebben, zorgt voor een spanning die kolkt in haar ingewanden. Ze neemt de thee van de tafel en klemt hem stevig in haar handen. Hij kan haar niet verwarmen. Eerst vertelt Rebecca wat ze bij elk kussen waarneemt. Ze blaast en zucht als ze de rem probeert op te tillen. ‘Ik voel veel weerstand, maar ik weet dat het niet jouw rem is. Hij is van je grootvader.’  Uiteindelijk lukt het haar toch hem van het roze kussen af te schuiven. Ze haalt er nog twee kussens bij. ‘Ik weet niet wie dit zijn, maar ze horen hier.’ ‘Misschien mijn nonkel en mijn vader.’ Rebecca schudt haar hoofd.  Na lange tijd fluistert ze: ‘Dit zijn soldaten. Het is oorlog.’ Ze vouwt haar handen op haar hart. ‘Er is iemand gedood.’ Farahilde weet dat haar grootvader in de eerste wereldoorlog heeft gevochten. Ze heeft zijn ‘Oorlogsgedenkenis’ gelezen. Daarin rept hij met geen woord over wat er zich tijdens de veldslagen heeft afgespeeld, maar het lijkt haar niet zo vreemd dat hij iemand zou hebben doodgeschoten. Dat gebeurt nu eenmaal tijdens een oorlog. Een stilte die als een obus ontploft, maakt duidelijk dat het niet zo eenvoudig is. Rebecca schuifelt van het ene kussen naar het andere en terug. Traag, tergend traag. Ze knijpt haar ogen tot spleetjes. Op het puntje van haar stoel volgt Farahilde al haar bewegingen. Zeg iets, denkt ze, zeg toch iets. Rebecca’s lippen bewegen even, maar er komt geen klank uit. Ze piert in het ijle. Plots heft ze haar arm op en houdt hem als een pistool tegen haar hoofd. Met grote ogen kijkt ze Farahilde aan.  ‘Het was niet op het slagveld. Ook geen moord. Het was een afrekening. Wie niet eerst schoot ging eraan. Hij heeft de trekker overgehaald.’ Farahilde schuift nog meer naar voor op haar stoel. De kamer wordt een vrieskist.   Het is druk op de baan als Farahilde naar huis rijdt. Slechts flarden van het radionieuws dringen tot haar door. Een agent is bij een aanslag op de Champs-Elysees omgekomen… Wat betekent zijn leven bij het leven dat haar eigen grootvader zomaar heeft afgeknald? Op een ander moment zou ze helemaal niet bij deze agent blijven stilstaan. De media kapt bijna dagelijks berichten over aanslagen met liefst zoveel mogelijk doden en gewonden als hete pek over de wereld uit. Het maakt haar immuun voor de brandwonden. De pek die zij deze middag over zich heeft gekregen, brandt wel, tot diep in haar ziel. Rebecca heeft verteld dat het tijdens een spel was gebeurd, een weddenschap. Een gezaghebber had haar grootvader en een kameraad allebei een pistool in de handen gedrukt. Hij dwong hen de revolver tegen elkaars slaap te houden. ‘Wie heeft hier lef?’ had hij gelachen, ‘Vooruit! Toon het!’ Haar grootvader had over zijn hele lijf getrild en geschoten. Hij smeet het pistool weg en stormde de abri uit recht naar de vuurlinie. Kogels floten er een nacht lang om zijn oren, maar geen enkele wilde hem raken. Toen hij de volgende morgen naar hun schuilplaats was teruggekeerd, was het lijk opgeruimd en had iedereen luidop gezwegen. Hij was opnieuw het slagveld opgelopen. Een vrachtwagenchauffeur toetert omdat Farahilde hem niet laat invoegen. Ze maakt zich zo klein mogelijk en remt. Zoals ze dat al haar hele leven heeft gedaan. Net zoals haar grootvader na die afrekening. Hij had zich onzichtbaar gemaakt en gezwegen. Zij heeft al die tijd in zijn schoenen gestaan. Nu is het moment gekomen om haar eigen paar aan te trekken. Ze drukt het gaspedaal stevig in.  

veerle schaltin
10 1