Lezen

Fietsvakantie, door Jan Loogman (opdracht 1)

voorbeeldtekst: Philip Snijder, Zondagsgeld, pp. 86 - 99   Hard en scherp prikt het helmgras in zijn kuiten. Het zand kleeft aan zijn armen. Ze zouden beter kunnen opstaan en doorfietsen, maar hoe kan hij Jacques onderbreken, die naast hem zit en aan één stuk door praat? Dat ze straks bij zijn oom en tante zullen aankomen en dat hij de nichtjes zal ontmoeten. Leuke meisjes die bovendien bijna van hun eigen leeftijd zijn. Kon hij zijn oren maar sluiten voor die stem. Ook Jacques heeft nog steeds niet de baard in zijn keel. Of gewoon opstaan, Jacques bleef zitten en merkte niets, terwijl hij opstond en wegfietste, terug naar huis. Het is verdomme zomervakantie, met de school dacht hij niets te maken te hebben. Gisteren kwam mama hem roepen dat er telefoon voor hem was. “Ene Jacques van Leeuwen,” zei ze en ze gaf hem de hoorn. Hij hoorde de hoge stem aan de andere kant van de lijn en stelde zich voor hoe Jacques naar buiten keek, naar de auto’s die voorbijreden in de Vrolikstraat. Jacques had hem een tijdje geleden weer gevraagd wat voor werk zijn vader deed. Na zijn antwoord (“veeboer’) had hij langs zijn lange, rechte neus omlaag gekeken. Had hij papa al eens met zijn stinkende wagen vol etensresten en schillen door de Vrolikstraat zien rijden? Dacht hij daarom dat hij hem thuis kon opbellen en voorstellen samen op fietsvakantie te gaan? Het woord stoorde hem. Tot drie keer toe moest hij Jacques vragen wat hij zei. Fietsvakantie. “Ik kom vanmiddag naar je toe, “ hoorde hij Jacques zeggen, “dan maken we een plan en kunnen we morgen vertrekken.” Hij had de hoorn op de haak willen gooien, de verbinding verbreken. Het was niet mogelijk dat Jacques bij hen thuis zou komen, natuurlijk zouden ze in de huiskamer gaan zitten, een atlas op tafel om de route te bekijken, en dan zou papa thuis komen, stinkend naar zweet – hij herinnerde zich hoe hij als kleine jongen bij zijn vader op schoot was gesprongen, zijn vader liet hem paardje rijden en hij rook de geur die vanuit zijn oksels opsteeg, een dierlijke geur. Toen zat hij nog niet op het lyceum in de stad, alles was in orde geweest, niemand vroeg naar het beroep van zijn vader, iedereen kende hun gezin. Dat was meer dan drie jaar geleden. Stel je voor dat papa in zijn schillenpak, vette vlekken op de mouwen en de broek, op Jacques zou afstappen en hem de hand zou schudden, luid sprekend, en Jacques zou zijn lange, rechte neus in een kronkel laten schieten, om zijn weerzin te laten merken. Waarom zei hij niet dat hij helemaal geen tijd had, dat hij uit logeren ging of dat hij moest werken? Het enige wat hij heeft weten te zeggen was dat hij vandaag geen tijd had, maar wat een leuk idee, een fietsvakantie, had hij gezegd. Stippel jij de route maar uit, we treffen elkaar morgen wel, op de Spaarndammerdijk. Vanochtend stond Jacques daar al te wachten. Ze zijn in één keer naar de duinen gereden, steil omhoog bij Kraantje Lek en na de afdaling het helmgras in. “Tijd voor een eerste pauze,” heeft Jacques geroepen. Nu praat hij, hij legt de route uit, vertelt over zijn familie waar ze zullen logeren. Zijn wangen worden rood van opwinding. De duinen kent hij. Hij kwam er als kleine jongen al. Papa reed op zondag de vrachtwagen voor, resten van vuil en vet nog in de laadbak. Zijn zussen kwamen met sop en borstels naar buiten en begonnen te boenen. Binnen smeerde mama de boterhammen die ze in de grote trommels opstapelde. Hij en zijn broers zochten in de kelder tussen de wasteil en het afvoerputje naar de bal. Als iedereen klaar was, kwam tante Cor. Ze droeg een hoed, “vorig jaar gekocht aan de Rivièra “, een zonnebril, een strak truitje met een vest eroverheen en een ruim vallende rok. Terwijl papa en mama in de cabine stapten en de reiswieg met de baby tussen zich in plaatsen, dirigeerde Tante Cor hem en zijn broers en zussen de laadbak op, waar ze gingen zitten, hun rug tegen de cabine, stijf op elkaar. Zijn oudste zus moest aan de ene buitenkant van de rij gaan zitten en tenslotte klom Tante Cor zelf de laadbak in en wrong zich aan de andere buitenkant tussen de rij en de opstaande rand van de bak. Ze zaten zo dicht op elkaar dat niemand kon bewegen. “Zo zitten we safe,” zei Tante Cor, “maar denk eraan: als je politie ziet, moet je duiken.” Dan vertrokken ze, door de polder, dwars door Haarlem en bij Bloemendaal de Zeeweg op. In Zandvoort liepen ze door de duinen naar het strand. Ze bleven op het pad. Alleen als de bal weg rolde, stapte een van hen het helmgras in. Al sinds de eerste klas van het lyceum zoekt Jacques toenadering tot hem. Hij woont in Oost, in de Vrolikstraat, zijn vader heeft er een melkzaak. De straat is vanaf zijn eigen dorp helemaal aan de andere kant van de stad en toch kent hij hem wel. Soms moet hij zijn vader helpen met schillen ophalen en op die dagen verlangt hij vanaf de eerste minuut naar het einde van de dag. Dat ze op de terugweg naar huis zijn, dat hij heeft geholpen, met de juten zak op zijn rug heeft gelopen zonder dat iemand hem heeft gezien, iemand die hem kent. In de ochtenden ligt hun wijk in het hart van de oude stad. In de Nieuwmarktbuurt en op de Zeedijk komen de eerste mensen de straat op. Ze mopperen want ze zijn Amsterdammers. De vrouwen strijken hem over zijn haar. “Wat een lekkere knul. Is die van jou, schillenboer?” roepen ze. Hij glipt weg, onder hun handen vandaan, de juten zak op zijn rug. “Links de hoek om, nummer 36, tweehoog,” roept zijn vader hem na. “Gebruik je loper.” Even later staat hij op een donkere trap. Met de loper de deur openen, dat gaat hem tegenwoordig goed af, maar waar vindt hij hier de lichtknopjes? Hij struikelt naar tweehoog en tast op het portaal in het rond. Zijn vingers grijpen in natte derrie, zijn hand schrikt terug en zoekt opnieuw het licht. Zijn wijsvinger raakt een knopje en voor zich ziet hij de bak met groentenafval, een rest gekookte spinazie ligt bovenop. Voorzichtig veegt hij zijn vuile vingers af aan de juten zak. Hij probeert zijn kleren schoon te houden. ’s Middags, in Oost, is de wijk veel overzichtelijker. Lange straten en iedereen is klant. Met de loper opent hij deur na deur en wandelt de ruime trappen op naar een-, twee- en driehoog. De bakjes staan klaar op de portalen, goed zichtbaar in het licht dat door de trapvensters valt. Het laatste deel van de Vrolikstraat hoort niet bij de wijk. Daar komt een andere schillenboer. In dat deel woont Jacques. Als zij met de wagen de straat uitrijden, zijn vader en hij naast elkaar in de cabine, passeren ze de melkzaak. Misschien staat Jacques in de winkel. “Wat doet jouw vader?” heeft Jacques hem herhaaldelijk gevraagd. Eerst heeft hij geen antwoord gegeven. Het advies van zijn oudere zus om ‘veeboer’ te zeggen, voelde als een doorzichtige leugen. Van één koe kun je niet leven. Tenslotte is hij gezwicht voor de aanhoudende vraag. Nu zit hij met Jacques tussen het helmgras. De hoge stem tettert in zijn oren. Gisteren rond deze tijd zat hij op zolder, het was er warm. Hij was door het nauwe raampje naar buiten geklommen, het dak op. Daar had hij gezeten, de zon scheen, er was bijna geen wind, niemand wist dat hij hier zat, niemand kon hem zien. Hij had voorover kunnen buigen, naar beneden vallen, zijn hoofd op de harde stenen van het plaatsje achter hun huis. Misschien vonden ze hem pas uren later, hij was al doodgebloed.  

Jan Loogman
0 0

't Liep tegen het nieuwe jaar (*)

Het is 11 november. De  telefoon rinkelt. “Met  Johan.” “Johan Smits?”, vraagt een basstem:  “U spreekt met  Harry, zoon van Paul Bolden.” “Harry? Dat is meer dan een kwarteeuw geleden . Hoe oud ben je nu?” “Juist dertig geworden.” “Precies, jij was pas drie toen je laatst met jouw mama hier was. “   Toen zijn ouders net waren gescheiden, was  Laura voor de Kerstdagen met haar zoontje in België.  Nadat zij naar Canada verhuisden, verwaterde het contact met Paul snel. Laura bleef naar goede gewoonte nog lang kaartjes sturen met Nieuwjaar.   “Ik vond jouw naam in een oud telefoonboekje  van mijn vader. Hij wordt volgende maand zestig en ik wil hem verrassen met een feestje waarop ik zijn vroegere studievrienden uitnodig.“   Paul en ik hadden in de woelige jaren zestig  samen op de universiteit gezeten.  Na één jaar veranderden wij beiden van studierichting en kwam ik in een andere stad terecht, maar wij bleven elkaar opzoeken  tot zijn terugkeer naar zijn geboorteland.   “Op dat feestje wil ik niet ontbreken”, zeg ik: “wanneer moet ik mijn ticket bestellen, Harry?” “Neen, wij komen naar België en het feestje gaat door op 27 december  in de buurt van Antwerpen.  Mag ik jouw mailadres, dan stuur ik je de details.”   “Mijn derde Kerstdinertje op rij dit jaar”, zeg ik tegen Harry wanneer  ik hem omhels bij de ingang van het feestzaaltje.  De vrienden ken ik niet, want zij stammen uit de tijd dat Paul andere studies aanvatte, maar zijn broer is er en een zoon van zijn zus is uit Canada overgekomen.   Er wordt teken gedaan dat Paul er aan komt.  De verrassing is totaal. Hij dacht met familieleden  uit België  Kerst te vieren en begroet iedereen uitbundig.    Het wordt een oergezellige avond.  Haast iedereen is terug huiswaarts gekeerd en ik  zit met Paul en Harry wat na te praten.   Dertig jaar is lang om bij te praten en als Paul het over de scheiding en andere treurige zaken heeft wordt er een traantje weggepinkt,  maar ook de gelukkige momenten komen aan bod.  Straks wordt hij opa.  De vader in spé naast hem glundert.   Paul blijft honderduit praten, Harry en ik komen haast niet aan bod.  “Je hoort dat mijn vader rechten heeft gestudeerd”, schertst Harry. “Tabernacle”, repliceert Paul in zijn Canadian French. “Pa, besef je dat je heel de tijd in het Québécois aan het praten bent tegen  Johan?”, vraagt Harry. Paul kijk mij aan: “Heb jij mij verstaan, Johan?” Al zijn mij woorden ontgaan,  antwoord ik: “Zeker, Paul, ik heb haast alles verstaan en wat ik niet verstond heb ik begrepen.”   Dan glimlacht Paul naar zijn zoon: “Tu vois, mon fils c’est  ça la vraie amitié.  Wij hebben mekaar zolang niet meer gezien of gehoord maar vanaf het eerste woord dat wij vandaag wisselden leek het of wij het gesprek  van jaren terug weer opnamen.”   Wanneer wij opstappen sluit Harry zijn pa en mij in de armen en zegt: “Happy New Year, blood brothers.”   (*) opdracht: schrijf een kortverhaal met maximaal 500 woorden  

Vic de Bourg
26 0

Engel in memoriam

In een vorige column, nog niet zo lang geleden, schreef ik over de aanschaf van een ‘hondje’. Een pientere reu, met een speels karakter en een groot hart. Het totaal pakket: 45 kg. We gaven hem de naam Sunshine. Ons zonnetje. Een heel sociaal dier die door iedereen in ons dorp geliefd werd. Een lokale beroemdheid want mij kende ze enkel als het baasje van Sunshine. Een witte golden retriever die zich geregeld zwart maakte in de plaatselijke dreef. Toen we daarna naar huis gingen leek hij op een verwaarloosde straathond met een lach tot achter zijn oren. Het was zo een komiek zicht dat de toevallige passanten hardop begonnen te lachen en me veel succes wensten om hem terug wit te krijgen. Het was niet erg. Hij was een hond die pret had gehad. Die zijn energie kwijt kon en hiervoor zeer dankbaar was. In ons plaatselijk restaurant konden we rustig en uitgebreid eten zonder dat hij werd opgemerkt. Als we het restaurant verlieten verbaasde hij menig eter dat ze de grote hond niet hadden gezien of gehoord. Hij lag steeds onder de tafel een dutje te doen tot we klaar waren. Dan stapte dat grote beest fier als een pauw met ons mee. Hij kon een rauw ei in zijn mond nemen en netjes in iemands handen leggen zonder dat het brak. Nieuwsgierig als hij was bracht hij zelfs eens een egel mee. Hij had de stekels van het beestje tussen zijn tanden genomen zonder zijn lippen te gebruiken. Hij was gek op water en eten. Liet je per ongeluk al eens iets vallen dan haastte hij zich om het op te pikken en aan te geven en… kreeg telkens een koekje. Kwam ik met de wasmand boven nam hij steels een sok weg - die ik zogenaamd had laten vallen - van de stapel, om een koekje af te bietsen. Eén enkele keer had hij een konijn gevangen en kwam er linea recta mee naar mij. Hij gaf zijn prooi af, dat moest beloond worden! Toch kon ik het onbegrip in zijn ogen lezen toen hij enkel een koekje kreeg. Het was alsof ze wilden zeggen: ‘Meen je dat nou? Ik vang een groot konijn en krijg een pietluttig koekje!’ Vanaf dat moment nam hij zijn prooien in zijn bek mee naar thuis en gaf ze dan pas af. Voor een… koekje. Maar heel zijn lichaamstaal verraadde hoe fier hij was. Een slimme gehoorzame hond uit de duizend. We waren zielsverwanten. De keren dat ik voor een operatie naar het ziekenhuis moest en enkele dagen weg bleef maakte hem overstuur. We waren steeds samen indien mogelijk. We kamperen en wie zat er als eerste in het koffer van onze break? Sunshine, even gelukkig als wij om nieuwe dingen te leren kennen. In Frankrijk gingen we meestal naar een familiecamping met een groot meer, waar hij zo dikwijls als het kon in zwom als een vis. Zoveel mooie herinneringen, ik kan me niet eens herinneren dat hij ooit agressief was. Begin dit jaar heb ik hem laten inslapen. Dat groot hart werd hem fataal. Voor dat hij enige ongemakken kreeg heb ik hem laten gaan. Ik had zo graag hem langer gehad, maar hem laten lijden? Oh nee! Die bewuste dag was ik mee op zijn matras gaan liggen met mijn armen om hem heen. Soms wilde ik hem niet teveel belasten met mijn arm en legde hem opzij. En telkens duwde hij zijn hoofd terug onder die bewuste arm. Heel de dag, tussen mijn armen, lagen we samen te wachten op de dierenarts. Het veto was onverbiddelijk: zijn hart was op. Hem langer in leven houden zou resulteren in het uitvallen van de vitale organen. Dat wilde ik niet. Hij had een goed, gezond leven gehad, vol plezier. Toen de dierenarts het spuitje om in te slapen gaf was hij al dood. ‘Kom jongen,’ had ik gezegd, we gaan slapen. Dit was het teken waarop hij gewacht had. Hij stierf heel rustig in mijn armen en met hem stierf ik zelf ook… van verdriet. We kunnen en willen niet vergeten: mijn engel Sunshine.

Fanny Vercammen
0 0

Juffrouw D

‘Vijf maal zeven.’ ‘Vijfendertig.’ Stap vooruit. ‘Drie maal acht.’ ‘Vierentwintig.’ Stap vooruit. ‘Negen maal zes.’ ‘Vierenvijftig.’ Vooraan op de tree dreunt de stem de tafels. Elk juist antwoord brengt me dichterbij. Getal per getal schuif ik het smalle gangetje tussen de banken door naar voor. Mijn verstand staat op scherp. Nog voor de stem helemaal uitgesproken is, dreun ik op mijn beurt de uitkomst. De zittende klasgenoten vervagen. Ik zie alleen maar cijfers in kadans. En Sofie die in een  parallel gangetje vijf tafels achter mij aan komt. ‘Dat haalt ze nooit meer in.’ denk ik. Zijn stem hoor ik niet. Niet eens. Met een mengeling van trots en gène kies ik voor de vierde dag op rij als eerste. Het mooiste prentje uit de blikken doos is voor mij. Ik draai me om en loop terug naar mijn bank. Tegen de muur aan de start, staat hij. Nog steeds. Ik zie hem onhandig aarzelen, wachtend op het bevel van de stem. Ook voor de vierde dag op rij. Mijn prentje verbleekt. De glinsters zijn aan mijn vingers blijven plakken.   Ik zie hem verstijven terwijl ze zijn boekentas meepakt naar voor. Zijn te lange en te magere lijf probeert een houding te vinden onder de waterval van vlammende woorden. ‘Ik zal je leren wat orde is.’ zegt de stem. De bijhorende handen risten zijn tas open en draaien die om. In slow motion zie ik van hoog boven de tree pennen zonder dop, nog maar half gekafte boeken, proppen beschreven papier en een gebruikte zakdoek op de grond vallen. Snijdend overklinkt ze het gekletter. ‘Kom maar oprapen. En snel.’ De bel gaat. Ik word geacht samen met de anderen in een grote bocht om de jongen heen naar buiten te lopen. Zolang hij daar op zijn knieën met zijn grote handen zijn spullen bijeen gaart, weigeren mijn benen echter dienst.   Vijfendertig jaar later. Ik sta te praten op een receptie. Een bevriende ondernemer viert de publicatie van zijn eerste boek. Mijn blik dwaalt af naar een man die met hoofd en schouders boven iedereen anders uitsteekt. Ik val stil. De grijze haren, de rimpels en de extra kilo’s doen niet ter zake. Hij is onmiskenbaar mijn klasgenoot van toen. Nooit meer gezien na dat helse jaar bij juffrouw D. Ik loop recht op hem af, ik móet weten hoe een leven vorm krijgt, na zo’n start. Informaticus is hij geworden. Heeft een bedrijf opgericht en met succes verkocht. Zijn tweede onderneming blijkt opnieuw een schot in de roos. De ondernemer met het boek is een vriend van hem. Met trillende stem vertel ik over de boekentas. Hij kijkt me vol verbazing aan. ‘Pesterijen?’ zegt hij. ‘Weet ik niks meer van. Niks dan goeie herinneringen aan juffrouw D.’ Hij glimlacht. Het lijkt oprecht. De tafels laat ik maar achterwege.     De regels gelden niet. Ariel Levy. Pagina 145          

tamaralenaerts
0 0

Ode Aan De Ochtend

Het is half zes wanneer de meest vreselijke klanken door de slaapzaal galmen. Weet je wat erger is dan het geluid van een aflopende wekker? Tien aflopende wekkers. Allemaal verschillende. Met een extra portie gesnurk.Dit is de moeilijkste test die mijn ochtendhumeur al ooit heeft moeten doorstaan.Ik draai me om en probeer met mijn kussen de herrie te dempen. Tevergeefs. Rugzakken worden dicht geritst, flessen nog snel gevuld met water. De schaduw van mijn onderbuurman verdwijnt van de muur. Het bed is leeg en verlangt alweer naar zijn volgende pelgrim.‘Ik haat de ochtend,’ denk ik wanneer ik uit het stapelbed klauter. Het water is ijskoud. Mijn slaapogen kijken me nogal kwaad aan in de spiegel en zijn het duidelijk niet eens met de keuzes die ik maak. Ik weet eigenlijk niet of ik het wel eens ben met die keuzes.Nu ja, terugkruipen is geen optie.Mijn kleren liggen klaar op het uiteinde van mijn bed. Dat wil zeggen: de minst stinkende T-shirt en broek die ik nog heb. Het greintje modelgevoel in mij treurt. Fluo gemixt met camouflageprint.A match made in heaven.De rest van mijn spullen prop ik zorgvuldig in mijn rugzak. Mijn toekomstige zelf moet dat probleem met die verloren sok maar oplossen.En dan veters toeknopen en op mijn tippen door de slaapzaal. Ik wil niemand tot last zijn en het goede voorbeeld tonen aan mijn medemens. Tot ik alle lege bedden zie en besef dat ik de laatste ben.De deur valt met veel kabaal achter me dicht. En dan stap ik eindelijk naar buiten. Laat ik de verse lucht in mijn longen stromen en voel ik mijn ogen opengaan. De ochtendnevel kleurt goud. De zon weet duidelijk hoe ze haar intrede moet maken. Ik wil foto’s nemen maar ze doen het beeld alleen maar onrecht aan.Niemand ziet wat ik nu zie.Het geheim van de ochtendmens. — Het is tien uur in de voormiddag. Het bed is warm. Een cocon van flanel en kersenpitkussens waar ik voor geen geld van de wereld wil uitkomen.De wekker gaat voor de zevende keer af.Ik druk voor de zevende keer op de snooze-knop.Beneden hoor ik rumoer. Een radio die speelt, mijn moeder die al aan het koken is. Mijn zus komt de krakende trap op en klopt op de deur. ‘Ga je opstaan?’ vraagt ze. Ik antwoord met een soort onverstaanbaar gegrom en hoor haar terug naar beneden gaan. Nu kan ik het ontwaken niet lang meer uitstellen.Ik trek het laken voorzichtig naar de kant en voel de kilte over me heen vloeien. Buiten is het grijs. Alsof zelfs de hemel me terug naar bed wil sturen. Ik kijk naar de klok.‘In Spanje had ik al tien kilometer gelopen rond dit uur,’ denk ik.Daar waren regendruppels dauw. De koude een troost.En ik voel hoeveel ik verlang naar die morgenschemering.Het begin.Maar vooral naar een geheim,dat mij, jammer genoeg, ontging.

Woordenwandelaar
18 2

3...2...1

DRIE SITUATIES Soms schrik ik van mezelf. Zo kortzichtig. En dan weet ik niet van waar het komt. Ik weet dat het zo niet hoort te zijn en toch is het er dan, een slecht gevoel, een draai in mijn maag, of een steek in mijn hart. De laatste weken maakte ik zo drie situaties mee, waarvan ik dacht ‘Huh??? Wat doet dat gevoel hier?’. Dat gevoel kwam in ieder geval verder van een gedachte. Sinds vanmorgen heb ik het door. De link is gelegd. En het helingswerk is gestart. Ik laat dit los. Ik zal je vertellen waarom.   situatie 1: Bram gaat op zaterdag fietsen en had geen uur gezegd dat hij thuis zou zijn. Ik had tegen mezelf gezegd dat hij er tegen 18 uur wel zou zijn. Toen dat niet het geval was, ging mijn lijf wild tekeer. Ik voelde me onrustig, ik werd super ongerust en mijn humeur zakte naar beneden. Ik geraakte er niet uit. Ik wist dat ik met mijn eigen gedachten dit gevoel veroorzaakte, maar loslaten kon ik het niet. Niet meteen. En er was NIKS aan de hand. Want om half zeven was hij er, veilig en wel en hij had super genoten van zijn fietstocht! Dit deed ik mezelf aan. Gatver!   situatie 2: Bram en Nette zitten in de zetel gezellig naar een film te kijken en ik voel een steekje. Weer denk ik: ‘What the hell???? Waaaaaarom voel ik dit???’. Ik merk dat ik ergens OOK bij in de zetel wil zitten bij hen in plaats van was te plooien). Ik voel me zelfs een tikje jaloers. What the... ‘Ben je daarvoor zo oud geworden?’, zeg ik tegen mezelf. Ik zeg er niks over thuis, want schaam me zelfs een beetje voor mijn gevoel.   situatie 3: Bram gaat uit eten met zijn collega’s. Zo fijn dat ze dat kunnen. En toch. Wanneer hij dit vertelt aan mij, voel ik weer iets in mijn lijf. Weer een soort van weerstand. Kan ècht niet, denk ik bij mezelf. Dit moet je oplossen! Na deze drie situaties waarbij ik denk ‘Sarah, waar ben je in godsnaam mee bezig? Wat doe je jezelf aan?’, krijg ik plots een INZICHT. Ik was gisteren nog de ho’oponopono-techniek aan het toepassen op een oude overtuiging die ik had, toen ik plots inzag dat het allemaal gaat om overtuigingen van TEKORT! Dat ik nog vaak leef vanuit tekortheidsgedachten in plaats van vanuit overvloedsgedachten. En dat ik dus tekort creëer(de!) in plaats van overvloed. En me dus slecht ging voelen en nog meer tekort aantrok hierdoor en blablablaaa.   Bij de drie situaties gaat het telkens over een tekort dat IK ervaar. NIET omdat de ander iets doet wat niet past of niet hoort, of whatever, maar wèl om wat het bij MIJ oproept! IK ZIT MET TEKORTEN! En ik maak daar onmiddellijk ZAT van, want ik laat dat meeeeega los - en ik bèn dat ook zat! Tekort aan tijd, tekort aan liefde, tekort aan vrijheid. Dat zijn de drie tekorten die daar DANKZIJ Bram aan mij gespiegeld werden. En die ik nu inzie. En die ik nu al aan ‘t helen ben. Want weet je, er is helemaal geen tekort aan liefde, vrijheid, tijd of eender wat in de wereld, in het Universum. Er is juist overvloed!!! Van alles!!! Maar al die tekorten heb ik mezelf wijsgemaakt de voorbije 40 jaar. En daar stap ik nu van weg. Tekort is niets meer voor mij. Tekort is een woord dat ik schrap uit mijn woordenboek. Vanaf nu hoor/lees ik een ‘piiiieeeeep’ wanneer dat woordje uitgesproken of geschreven wordt.   TWEE GETALLEN Onmiddellijk nadat ik dit inzicht kreeg in de auto op weg naar ‘t werk (daar gebeurt a hell of a great deal of work, daar in m’n auto!), kom ik een nummerplaat tegen met ‘t getal ‘999’ wat staat voor: Ga aan de slag, lichtwerker! De wereld heeft je goddelijke levenswerk nu nodig. Wijd je volledig, zonder treuzelen of aarzelen aan je heilige taak. Ik denk: ‘OK! The message is clear! Ik moet dus verder blijven helen en oude dingen loslaten zodat ik volledig afgestemd mijn taak kan doen hier, namelijk: die boodschap van leven vanuit je hart en de positieve kracht van je gedachten gebruiken leren aan kinderen. Volgende auto die ik tegenkwam had de nummerplaat ‘NULL’. ‘Nou ja’, denk ik dan, ‘KAN het nog duidelijker zijn?’. De nul houdt verband met gebed of meditatie en de allesomvattende Goddelijke Bron. God praat met je. Nadat ik dus een half uur tegen mezelf aan ‘t praten was geweest in de auto, volop aan ‘t afstemmen, helemaal aan ‘t geloven en vertrouwen op al wat ik leerde de voorbije maanden, kreeg ik deze mooie boodschap (van God hihihi). Made my day! (daar had ik OOK op afgestemd, dat het een mooie, waardevolle dag zou worden).   EEN IN-ZICHT Het is niet altijd allemaal fun en heppie heppie joy joy als je bezig bent met spiritueel groeiwerk. Je moet botsen, om dingen tegen te komen die je niet meer dienen die je dan in liefde kan helen en loslaten. Maar als je dat wéét, dat is het zoveel makkelijker om te doen. Dan zie je het sneller en weet je dat het zo hoort. Dan voel je je nog steeds Creator in plaats van slachtoffer. Want je creëert deze situaties om ze te kunnen helen. En het dient allemaal je Hoogste Goed. En dan hèb je een inzicht. Dan zie je plots hoe het in elkaar zit. En dan beslis je daar ter plekke dat dat het verleden was. En dat je toekomst nu al begonnen is. En je gelooft, vertrouwt, dat elke sprong die je maakt, die je waagt, diep gedragen wordt door Liefde. Door de volle overgave aan al wat komt. Wat is het leven toch PRACHTIG!

Saartje
0 0

Waarom staat er 140 000 euro op mijn rekening?

140 000 euro op mijn rekening. Dat beeld ik mezelf elke dag in. En ik VOEL hoe het zou zijn als ik ze zou hebben. En wat ik er allemaal mee zou doen. Investeren in mezelf, ons huis, sparen voor later en de kids, leuke reizen ondernemen en last but not least geven aan goede doelen. Voorlopig blijft het nog bij dat bedrag min een paar nulletjes. Hier komt verandering in! Ik weet het, ik voel en geloof het en ik leg je uit waarom. Ken je dat gevoel, dat er telkens wanneer jij je rekening opent, een knoop in je maag zit, of een vervelende kriebel, omdat je eigenlijk niet wilt weten hoeveel erop staat? En dat het dan ook dreigt tegen te vallen? Die hoeveelheid geld waarover je beschikt? Dat er heel veel cijfers op je rekening staan, maar dat daar overal een ‘min’ voorstaat wat betekent dat het er af is gegaan in plaats van erbij gekomen? Soms moet je zelfs echt zoeken naar een ‘plusgetal’. Yep. Ik ben dat beu. Al lang trouwens. Ik vond het echt niet leuk meer dat ik telkens ik eens durfde te piepen, dat het dan altijd tegenstak. Dat het dan altijd ‘te weinig’ was naar mijn zin. En dat ik bij mezelf de overtuiging gekweekt had dat elke aankoop die ik deed, hoe klein ook, gewikt en gewogen moest worden. Alles behalve moeiteloos dus. Ik heb mezelf dan ook een ‘handshake’ gegeven en gezworen dat ik daar verandering in zou brengen. Ik geloof en vertrouw in de Universele Wet van aantrekkingskracht. Ik geloof dus helemaal en ècht voor de volle 100% procent dat ik mijn eigen leven vorm geef. Kort door de bocht, want daar gaat het vandaag over, bepaal ik dus ook helemaal zèlf wat er (wel of niet) op mijn rekening staat. Tot voor kort geloofde ik dat er altijd maar een beetje zou opstaan, wat ook was uiteraard (in die richting was ik er al zeker van dat de wet werkt: wat ik denk wordt waarheid). Maar ik geloof dus NU dat ik ook kan creëren dat er een overvloed aan geld op mijn rekening staat! Wat ik op mijn rekening wil, dat is voor mij klaar en duidelijk. HOE het erop zal komen te staan: voorlopig zeg ik daarop: Joost mag het weten. MAAR!!! Ik ben er zeker van dat de Wet ook in deze richting werkt en dat dit dus vanaf nu mijn waarheid is. Ik visualiseer mij daarom dus DAGELIJKS dat er een overvloed aan geld op mijn rekening staat. Dat ik altijd meer dan genoeg zal hebben. Wèg met de oude overtuiging (die al dateert in mijn familie van grootvaderstijd) dat we nooit tekort zullen komen maar ook nooit veel zullen hebben. Ik heb dat altijd geloofd, maar nu niet meer. Ik vind dat ik het méér dan waard ben om een financieel moeiteloos leven te leiden. Om zonder zorgen door het leven te gaan. Om in vrijheid mooie kledij te kunnen kopen en mooie gordijnen voor de kids hun kamers. En daarom geloof ik, vertrouw ik, dag na dag, dat alles loopt zoals gepland en dat ik mooie stappen aan het zetten ben naar God-weet-waar. Ik kan enkel de volgende stap zetten die zich aandient, de uitkomst is voor mij niet zichtbaar, maar zo hoort het. En dat ik door dit te doen mijn financiële vrijheid creëer. Wat ik hieraan zeker nog wens toe te voegen is het volgende. Ik HOU met hart en ziel van wat ik doe. Van deze teksten schrijven, van lezen, van verhalen verzinnen met de titel ‘Het bos van Dachtiketnie’ (wat ik gisterenavond als groot wonder zomaar uit mijn vingers toverde, ik voel me zo vervuld en heerlijk gelukkig dat ik dit heb mogen schrijven, het verschijnt nog en dan kan je ‘t lezen), van aan kinderen (voorlopig de mijne) leren hoe ze hun gedachten op een positieve manier kunnen gebruiken en hoe ze naar hun hart kunnen luisteren. En als… als ik hiermee geen sikkepit zou gaan verdienen, dan is het nog goed. Het gaat me in deze niet om het geld. Het gaat me om wat ik te doen heb. En dat is deze boodschapjes delen. Het verspreiden vind ik belangrijk, omdat ik voel in elke cel, dat ik dit te doen heb. Er geld mee verdienen is een leuke ‘bijkomstigheid’, laten we het zo zeggen. Maar buiten dit, vind ik wèl dat ik (en iedere andere mens hier op aarde trouwens hè), het zoooo waard ben om puur vanuit zichzelf gelukkig te zijn (en dat bèn ik, nu al, zonder voorlopig die 140 000 op mijn rekening en die gordijnen aan de muur) en om in overvloed (op alle vlakken van het leven) te leven. Voel ik me anders wanneer ik me een leven voorstel met die 140 000? Nee. Ik voel me krak hetzelfde als nu. Even gelukkig eigenlijk. Alleen heb ik dan gewoon meer geld. En zo hoort het. Mijn doel is dit. Hier en nu. Elke letter die ik typ. En dat geld mag. Dat maakt het gewoon wat makkelijker om mijn missie te leven. Dan kan ik investeren in mezelf en mijn boodschappen (niet die van de Colruyt, maar mijn schrijfsels natuurlijk). Ik geef èn ontvang met liefde. And So Be It.

Saartje
0 0

Fleur en het lichtje

Pagina 1 Helemaal niet zo lang geleden was er eens een lichtje. Het lichtje heeft geen naam, geen ogen of oren en zelfs geen neus om te ruiken. Het bestaat gewoon en het blinkt prachtig aan de sterrenhemel. Het is omringd door honderden, miljoenen, zelfs triljoenen andere witte lichtjes. Het is daar een heel gezellige boel.  Pagina 2 Weet jij trouwens dat niet alle lichtjes even groot zijn? Je hebt kleine, gemiddelde tot hele grote joekels van witte lichten. Ze zouden je verblinden wanneer je er lang naar zou staren.  Pagina 3 De kleine lichtjes, die zijn dan wel klein, maar ook heel bijzonder. Wanneer zo’n lichtje er klaar voor is, dan maakt het een mooie, magische reis. Met een duidelijk plan. Om te groeien, zó groot, om zelf een stralend groot licht te worden. Pagina 4 Vandaag is de dag dat ons lichtje helemaal klaar is om de grote stap te wagen.  Het vertrekt naar de aarde. Oh wat is dat spannend! Nog even kijkt het boven zich. Het ziet het schitterende licht en voelt de liefde stralen. De warmte neemt het kleine witte lichtje met zich mee. 'Dit kan ik wel aan, stoere rakker dat ik ben' zegt het vol trots tegen zichzelf en weg is ‘ie. Pagina 5 Het lichtje nestelt zich in het hart van een kindje dat nog niet geboren is. Het is een plek die lekker warm aanvoelt, veilig en geborgen. Het lichtje geniet. Al heel snel maakt het een nieuwe stap op zijn reis. Het wordt geboren. Pagina 6 Whoops, wat is me dat even schrikken! Dit licht is niet het licht van boven, het voelt helemaal anders. Het lichtje schrikt van de harde geluiden die voor de eerste keer zijn oortjes bereiken. Ja, nu zijn er ogen om te zien, een neusje om te ruiken, handjes om te grijpen en voetjes om te stappen.  Pagina 7 Het lichtje kiest om zich te nestelen in het hart van een meisje dat van haar mama en papa de naam Fleur krijgt. Pagina 8 Samen met Fleur, warm in haar hartje, zet het lichtje dapper zijn reis voort. Ze werken heerlijk samen. Fleur voelt de liefde van de mensen rondom haar. Ze groeit stilaan op, leert kruipen en stappen, praten en zingen. Fleur geniet van het leven.  Pagina 9 De kleine Fleur praat vaak in gedachten met het lichtje. Hierdoor weet ze perfect waar ze vandaan komt, wie ze is en wat ze hier op deze wereld komt doen. Ze voelt zich helemaal OK.  Pagina 10 Maar Fleur wordt groter. Het wordt drukker in haar leventje en stilaan vergeet ze met haar lichtje te praten. Pagina 11 Ze leert gevoelens als jaloezie, verdriet, boosheid en onzekerheid kennen. Ze gelooft stilaan dat geluk afhangt van hoe anderen met haar omgaan, hoe anderen tegen haar praten en of anderen haar graag zien. Pagina 12 Haar hoofd maakt haar blaasjes wijs. Haar hoofd vertelt zoveel verhaaltjes die niet waar zijn dat ze er droevig van wordt. Pagina 13 En dan vergeet ze. Dat ze zelf zó krachtig is. Dat ze door naar haar hart te luisteren en leuke gedachten in haar hoofd te stoppen, zo gelukkig kan zijn! Pagina 14 Het lichtje vergeet nooit. Het probeert zo hard te stralen en op het huisje van Fleur te kloppen. “Fleur, doe je deurtje terug open…”, fluistert het, “je bent niet alleen, we zijn hier samen èn je bent helemaal perfect”. Maar Fleur hoort het niet meer. Pagina 15 Fleur wordt nog groter. Binnenin voelt ze soms een wringend gevoel. Waar komt dat toch vandaan? Ze begint zichzelf vragen te stellen. Waar is ze nu weer goed in, waar gaat haar hart sneller van slaan? Pagina 16 Haar hoofd tolt, ze blijft maar denken en een antwoord zoeken op al haar vragen. In haar hoofd vindt ze het antwoord niet. Pagina 17 “Stop” zegt ze op een dag tegen haar ratelende hoofd. “Stop, het is genoeg”. Pagina 18 Ze stapt de deur van haar huis uit en komt aan in het bos waar ze als kind zo graag kwam. Wat is het hier stil. Pagina 19 Ze gaat zitten en luistert naar het fluiten van de vogels. Ze ruikt het bos. Ze voelt zich helemaal goed hier. En wat is het hier stil. Pagina 20 En plots hoort ze het weer: een heel licht gefluister. “Hoor ik dit wel goed? Wat is dat? Ben ik niet alleen?” Pagina 21 Ze doet haar ogen dicht en maakt het nog stiller. Het gefluister wordt helderder. Pagina 22 “Zo, eindelijk krijg je het stil zodat je me opnieuw kan horen”, zegt het lichtje met een klein lachje. Pagina 23 Fleur hoort nu duidelijk de stem die klinkt vanuit haar hart. Ze wordt helemaal warm vanbinnen. Tranen van ontroering en geluk stromen over haar gezicht. Pagina 24 Op dat moment, beslist Fleur om het licht in zichzelf altijd te laten branden. Haar hart wijst haar de weg en haar hoofd helpt haar hierbij. Wat een prachtige samenwerking tussen deze twee! Pagina 25 En het lichtje? Het is zo gegroeid dat het straalt als een grote zon in het hart van Fleur. Zijn stralen reiken uit naar al de mensen over de hele wereld . Iedereen geniet mee van de vreugde, geluk, blijheid,  liefde en vrede die zij samen uitstralen.   Samen maken ze de wereld zoveel mooier.

Saartje
0 0

Het bos van Dachtiketnie

HET BOS VAN DACHTIKETNIE   In het bos van Dachtiketnie wonen mier, spin, specht en eekhoorn met zijn allen samen. Maar er is iets vreemds aan de hand in het bos. Je weet wel, dat mieren hopen bouwen, spinnen webben maken, spechten gaten timmeren en eekhoorns eikels verzamelen. Mier echter, die krijgt geen zandkorrel meer versleept. Het is net alsof haar smalle rugje en haar dunne pootjes al hun kracht verloren hebben. Spin, die krijgt geen rechte draad meer gesponnen. Haar web lijkt eerder op een doolhof dan op een mooi blinkend spinnenweb. Het is net alsof haar kunstige draadtalenten allemaal verdwenen zijn. Specht, die kan alleen nog minigaatjes kloppen, zijn bekje zegt niet meer ‘rikketikketik’, zijn bonte kleuren zijn grijs en grauw, het is niet mooi om aan te zien. En eekhoorn, die vindt zelfs geen eikels meer! Is zijn zicht verslechtert? Of zijn alle eikels uit het bos verdwenen? Wat is er toch aan de hand met hen? Als ik het mij goed herinner, was het bos vroeger mooi, groen en gevuld met bonte dierengeluiden, kleurig en fleurig gebouwde nesten en gelukkige dieren. Maar vandaag… en zelfs gisteren ook al… is het stil in het bos, en ziet het er erg sip en donker uit. Zelfs de bomen weten niet meer wat er aan de hand is! Zij zijn bang om hun blaadjes te laten vallen, uit schrik dat ze in de lente niet meer zouden terug groeien! Dus ze houden ze angstvallig bij, waardoor er alleen nog maar dorre bruine bomen te vinden zijn in Dachtiketnie. De zon heeft geen zin meer om haar stralen te laten schijnen op het bos, het haalt volgens haar niets meer uit, want niets groeit er nog. Dit kan zo niet meer verder. En er is maar één iemand die raad weet. Welgedacht de kabouter. Welgedacht is de enige in het ganse bos die nog steeds gelukkig is. Hoe doet hij dat toch? Hoe blijft hij zo stralend rondlopen en met zijn kleine sterke handen het bos – of dat wat er nog van over is – verzorgen? Hoe houdt hij steeds die stralende glimlach op zijn lippen en loopt hij vrolijk fluitend op het mos? Hoe staat hij elke ochtend moeiteloos op om de bloemen en planten te gaan verzorgen? Voor de dieren en bomen is hij hun laatste hoop. Hij moet hen leren hoe hij dat doet. Zodat het bos zijn stralende groene glans weer terugkrijgt en de dieren hun kracht. Dus maken ze een afspraak met hem, aan de Grote Eik met de holle tak, vlak aan de waterbron. Er zijn wel 10 000 mieren, 578 spinnen, 122 eekhoorns en 12 spechten aanwezig. De Grote Eik spreidt met zijn laatste kracht zijn takken zodat iedereen een zitplaatje heeft. Kabouter Welgedacht is, net als alle 10 712 dieren, stipt op tijd aanwezig. Vol spanning en met ingehouden adem (of toch voor een tijdje) kijkt iedereen de wijze kabouter aan. Het is muisstil in het bos. Je hoort geen blaadje vallen en geen takje breken. En dan begint Kabouter Welgedacht met zijn verhaal. Lieve mieren. Jullie zijn vergeten. Doordat jullie vonden dat de spinnen sneller waren en de spechten grotere gaten konden maken, waren jullie vooral bezig met hen. Plots vonden jullie de draagkracht van jullie sterke rug en lenige armen niet meer zo bijzonder en stilletjes aan verloren jullie het geloof in jullie ware talent, namelijk prachtige mierenhopen bouwen, en als echte werkpaarden zeulen en sleuren met allerlei bosmateriaal. Als jullie terug geloven in jezelf, en terug weten waar jullie goed in zijn, dan kunnen jullie morgen zelfs al weer aan de slag. En ik ben er zeker van dat jullie terug super mega gelukkige mieren zullen zijn. Prachtige spinnen. Ook jullie zijn vergeten. Jullie keken zoveel naar de eekhoorns die moeiteloos door de takken van de bomen zwierden met een snelheid die jullie niet haalden, dat jullie vergaten wat een ongelooflijk perfecte spinnenwebben jullie kunnen maken. Niemand anders kan dit zo goed als jullie. Maar jullie vonden dit plots niet meer zo bijzonder. Jullie dachten dat jullie ook moesten kunnen zwieren, maar jullie hoeven enkel de beste webbenbouwers van het bos te zijn. Als jullie terug in jezelf geloven, en terug weten waar jullie de beste in zijn, dan kunnen jullie morgen ook alweer aan de slag. Stop met vergelijken met anderen en kijk naar waar jullie zèlf zo ongelooflijk goed in zijn. En jullie zullen terug gelukkige spinnen zijn en mooie webben maken. Krachtige eekhoorns. Jullie vonden de minuscuul opgebouwde hopen van jullie mierenvrienden zo fantastisch, en de samenwerking van hun ganse familie om die ene perfecte mierenhoop te bouwen, dat jullie je soms eenzaam voelden. Omdat jullie je nestje alleen moesten vullen met eikels. Jullie gaven op. Jullie voelden zich wat in de steek gelaten, terwijl heit nu eenmaal jullie taak is om alleen op pad te gaan en eikels te verzamelen! Jullie mogen gerust mee genieten van al het moois dat de mieren bouwen, maar je hoeft hier helemaal niet jaloers om te zijn. Jullie zijn zo krachtig, lenig en snel, dat jullie dit alleen kunnen! Als jullie terug in jezelf geloven, en terug weten waar jullie de beste in zijn, dan kunnen jullie morgen ook alweer aan de slag. Er liggen tonnen eikels in het bos, te wachten op jullie snelle vingers om ze te verzamelen voor de winter. Bonte gekleurde spechten. Jullie keken zo op naar de Grote Krachtige Eik waarin jullie je nest bouwden, dat jullie je erg klein gingen voelen. De eik die weer en wind doorstond, die zijn takken ter bescherming bood en jullie een veilige haven bood. De eik die aan wel honderd dieren een thuis kon geven, terwijl jullie voor slechts eentje een huisje bouwden. Hierdoor verloren jullie het geloof in jezelf. Jullie vonden dat wat jullie deden minderwaardig aan wat de Eik bood. Maar niets is minder waar(d). Iedereen hier in het bos heeft zijn eigenste taak èn zijn eigenste talent. En dat van jullie is schitteren met pracht en praal en het bos levendig houden met jullie geklop. En jullie bieden een warme thuis aan jullie eigen gezin. Als jullie terug in jezelf geloven, en terug weten waar jullie de beste in zijn, dan kunnen jullie morgen ook alweer aan de slag. De Grote Krachtige Eik had ook naar het verhaal van Welgedacht geluisterd. Stilaan begon hij te beseffen dat wat hij deed, namelijk zijn bladeren bijhouden, ook niet echt één van zijn talenten was. Dit was niet de reden dat hij in het bos stond. Hij moest zijn bladeren herfst na herfst laten vallen, zodat deze de grond zouden voeden en de nieuwe planten en dieren in de lente konden eten van de gevoede grond. Dit was de enige manier waarop het bos kon groeien. Waarop hij kon groeien. Waarop de planten en dieren konden groeien. Loslaten van het oude en plaats maken voor het nieuwe. Stilletjes aan begon iedereen te snappen wat Welgedacht zei. Als ze gewoon waren wie ze hoorden te zijn (en dat wisten ze, diep vanbinnen) en deden waar hun grootste talent lag, dan lag niets hen in de weg om gelukkig te zijn. Wanneer ze dicht bij zichzelf bleven in plaats van zich te vergelijken met anderen (je kan appelen en peren toch ook niet vergelijken???) Wanneer ze deden waar ze goed in waren en wat ze graag deden (in plaats van tegen hun zin iets uit te proberen dat eigenlijk niet echt bij hen paste, zoals Specht een keertje probeerde om zandkorrels te verplaatsen met zijn snavel, wat géén succes bleek te zijn!). Wanneer ze trots waren op zichzelf, en zichzelf graag zagen, nèt zoals ze waren, niet meer of niet minder. Wanneer ze geloofden en vertrouwden dat wat ze deden in het bos, ervoor zorgde dat het bos er op zijn allermooiste uitzag. En ze moesten er gewoon maar aan beginnen! Morgen al! Dan… zouden zij net als Welgedacht, weer gelukkig zijn. En wie zou er nu niet kiezen om gelukkig te zijn? De dieren juichten! Ze waren zo blij en opgetogen met deze boodschap en voelden zich enorm opgelucht. Met zijn alles beslisten ze om vanaf morgen weer aan de slag te gaan en de woorden van Welgedacht mee te nemen naar hun huisjes.   En zoals je al kan raden… zag het bos van Dachtiketnie er binnen de kortste keren weer blinkend en stralend groen uit, de zon scheen er haar mooiste stralen, hoorde je dagelijks het kloppen van de bonte specht, liep je als je niet uitkeek tegen zilvergrijze spinnenwebben aan, trippelden de eekhoorns vrolijk van tak tot tak en vond je als je wat beter keek magnifiek gebouwde mierenhopen met ijverig werkende mieren à volonté. En elk jaar in de herfst kwamen alle dieren samen aan de Grote Krachtige Eik, die trots zijn takken spreidde voor al zijn bezoekers, wachtend op de volgende groene knoppen die zouden groeien ergens in de lente. En met een grote DANKUWEL bedankten ze kabouter Welgedacht voor de meest wijze les uit hun leven, bedankten ze ook elkaar, voor de mooie samenwerking in het bos en bedankten ze zichzelf, gewoon omdat ze het waard waren. Gelukkig zijn. Ze wisten nu allemaal hoe het zat. In het bos van Dachtiketnie (wat trouwens een jaar later van naam veranderde en Dachtiketwel ging noemen).          

Saartje
0 0