Fanny Wildemeersch

Teksten

Fantoomkater

Naast zijn matras op de houten vloer word ik wakker met mijn ziel in de vorm van een zwart kleed opgetrokken tot onder mijn oksels. Voorzichtig adem ik de kamerlucht in door mijn neus om poolshoogte te nemen van mijn toestand.  Geen kater, wel een leegte op die plaats. Een fantoomkater, bedenk ik. Het brengt me naar de bodem van een zwembad zonder water.  Langs de trap naar beneden komt mijn droom terug.  Ik was in een miniatuurhuisje geweest, de verf aan de muren was donkergroen en bladerde af rond de miniatuurramen. Zelf moet ik een miniatuur van mezelf geweest zijn. Net zoals Vicky Pollard en haar dochter die op het tuinmuurtje zaten achteraan met een miniatuurijsje. Als ik vroeg waarom ze zo naar me lachten zei Vicky dat ik het me allemaal heb ingebeeld. Toen moet ik wakker geworden zijn. Daar ligt hij, in foetushouding, in zijn groene zetel met een hand onder zijn hoofd en zijn andere hand tussen zijn benen. Zijn boxershort die al honderd jaar te lang gedragen was deed me in gedachten google-searchen naar de herkomst van het woord. Aan de spanning in zijn armen zag ik dat hij niet dood kon zijn.  In zijn keukenkasten zoek ik naar persoonlijkheid. En ik durf het me alleen met mijn kop in de kast af te vragen, of ik het me zou kunnen hebben ingebeeld.  In een wijnglas van gisteravond laat ik water lopen uit zijn kraan. Het water dat zonder gêne stroomt herinnert me aan de seks die we gisteravond hadden. Nog voor ik er van drink duw ik het glas zacht tegen mijn mond. Zijn kussen zal ik nooit vergeten. Het glas voelt als zijn lul. Hij had niets anders dan lief voor me geweest. Vastberaden, dynamisch en keihard lief. Een beer in het wild, in eigen nest.  Ik ga even bij hem zitten, maar het lijkt hem alleen nog dieper in slaap te wiegen. Ik voel aan de volle koffietas naast hem op de grond terwijl ik mijn ogen op zijn gezicht hou. Warmer dan mijn vingers. Misschien zit hij in een miniatuurhuisje met miniatuursletjes uit één van zijn miniatuurpornofilmpjes.  Zijn kat wil naar buiten. Ik trek zijn hoodie aan en ik ga mee. In zijn tuinhuis zoek ik naar de sigaretten die hij voor zijn vrouw had verstopt. Ik vind ze direct in zijn alaambak, maar geen aansteker. Ik rook niet, maar had wel eens willen proeven van zijn vrouw te zijn.  Door het vierengedeelde raam van het tuinhuis bewaak ik met mijn wakkere ogen hoe hij zoekt naar zijn bewustzijn. Op zo’n afstand van alles en achter glas heb ik me altijd veilig gevoeld. Ik teken een levensgrote smiley in de condens op het glasraam. Was ik maar boven gebleven, en was hij maar bij me komen liggen. En deden we alles maar nog eens opnieuw. Hij zit nu rechtop en staart in zijn koffie.  Het begint te sneeuwen tussen ons. Er zijn nog sigaretten voor een hele dag en bij de tuinkaarsen vind ik lucifers. Ik blijf hier tot hij me vindt. Misschien was ik maar zijn verbeelding.     

Fanny Wildemeersch
43 2

Broodje vuuste mé muulepatee

(Onderstaande tekst werd opgesteld en kan het best gelezen worden door behulp van het Oostends Woordenboek dat tot stand kwam door Roland Desnerck en Frederik Schmitt in 2022) ‘t Was stekedoenker dien oavnd én de moane ha smêr an ze gat. E pannelékker was ‘t bewies van e kloaren heemle.  ‘k Goengn zjuuste no me kip wannair da 'k vanuut me ruute me voader Marcel zaagn thuuskomm lik e kolemarsjang én mé 't gêld van de kwafuer up zak. Hje was a van de gvornoened angezét no vérremétjes achter zwienetétsjes, woa dat 'n gekénd was lik e slichte kluute. Omdat 'n in de polletiek zaat kraigt 'n vele stroent no ze kop gesliengerd langst stroate. Mo hj' hé ze noois in zen hol gesloan want hje zeid ossan: 't is an de kop dat de vis aist stienkt.  Me moeder: hemelstevroed omda 't were kookloarenoene gewist haad toetuuznt bainst da 't pertangs vis was van tusjhn ‘t zand en ‘t woater, en 't haa nog noois gin zunne gezien. Z' haad heur upgetietematoojd lik e visbak, mo me voader haad e muule lik e nachtvertrék wan hje wist nie mi va wukke prochie dat 'n kwaampt. Hj' haad in de mot da s' heur in de badkoamer weggestookn haad omdad heur kaketuute an de klienke hoenk én at 'n up die deure klopte met e liekebiddersmuule, riep ze “pak je gat in jen oarms”. Efkes peizdig 'k "da wordt hier broodje vuuste mé muulepattee”.  Mo ‘k verstoegn heur colaire. Me moeder héd ossan e muule va lintsjes ghét, mo sedert ‘t kairn van de joarn esse lik mor e moendmezieksje mi. Z' is kop én koente, en je ku je neuze snuutn in 't vel van heur buuk, ze kan ter mé gin wriengtowe nog etwa va maakn. Me voader kan eetn lik e diekedêlver, mo zie vét méd e drupl woater. Doavan zie 'k ik én me moeder dezêste spleete. Mor ol was 't da me voader mesjhiest etwoasjhn voer anker laag, ze blaif ossan zaim an ze muule smêrn én da lukted heur ook te frênte kis want z' haad e muuletsje voe stroent van te freetn. Me voader et dikkerst ze puuste gescheurd, somst zêst mé ‘t eetn in ze kele. Mo hje spoelded ossan weeran.  Me voader staak ze salamanzjee in 't glas woater néffest ze béddebak. Hje droaide mé zen oogn, je leid hém up ze bédde én hje zeid: “e boer zoe zoelange nie up zen ofstee bluuvn lik je moeder in de badkoamer”. Hje riep no me moeder “Én, snel keun, is ter vele volk in de stoasje vanoavnd?” Zoe zair of kiekes was ze doa gezét én zaat me voader mé ze neuze tusjhn 't volk. "Hail de wêreld is Paries", hoorde 'k hém nog zegn. Én beist dan 'k me soazje dichte teegn men oorn trokn peizde 'k: " 't Is stille woa da 't nie woajt".     

Fanny Wildemeersch
48 2

De lucht tussen mijn vingers

Alleen nog in mijn helderste dromen zag ik je, al lag je elke nacht naast me. Soms zag ik je van dichtbij, soms van ver. Maar nooit was ik er zelf bij. Eens zat ik op een terras, al bestond ik niet, en jij stond op het strand met je rug naar mij, zo ver weg dat je tussen mijn vingers gezien nog een halve centimeter was. Dat was alles wat ik nog van je kon krijgen, wat ik zag in de lucht tussen mijn vingers.  Je maakte praatjes met voorbijgangers die bij je gingen staan om mee te kijken door jouw ogen. Ik wist dan dat je niet de horizon zag, en niet de zee. Maar wat je wel zag was niet om met mij te delen. En dat was wanneer ik wist dat ik verloren was. Van pure wanhoop werden mijn dromen zo helder dat ik zelfs jouw dromen in de mijne begon te zien. Maar zelf zou je ze nooit meer met mij delen. Mijn best mogelijke leven zou door iemand anders geleefd worden.  Zelfs mijn ogen van dichtbij in de spiegel, en het vlees achter mijn oogleden leek al van iemand anders. De kleedjes waar je me zo mooi mee vond, al vond ik toen van niet, passen me nu niet meer.  Vanmorgen reden we samen naar Rijsel waar je de trein zou nemen naar je tweede leven.  Ironisch hoe zacht en windstil het was in de stad. Terwijl de trein nog een uur zou wachten op het einde van ons twee dronken we op een terras in de zon elk een verschillend bier dat we niet kenden. Een residu van hoe we als koppel waren geweest. We namen nog een foto samen, en al zou ik je op die foto nog lang nakijken, je was al lang niet meer bij mij. Ik ging nog mee om je te zien van me weggaan, terwijl je me zou uitzwaaien. Het was alsof ik het was die vertrok, ik moest van je weg, jij moest niets en was vrij. Ik had als kind geleerd om pijn te doorvoelen terwijl het zich voordoet, dat alles dan sneller voorbij gaat. De spetters op je schouder had je niet gevoeld. Dat mijn mascara uitgelopen was zou ik pas later zien in de spiegel van een toilet voor magere dwergen. Je straalde. Je had al eerder moeten vertrekken en je moest al jaren terug zijn. De reizen die we intussen al hadden kunnen maken, samen. De keren dat we erover hadden kunnen vertellen ‘s avonds, als was het een van de vele kleine herinneringen die we zouden gevonden hebben tussen de sterren en een fles wijn.  Ik liep terug de stad in, op zoek naar wat nog van ons rest. Ik passeerde het terras waar we voor de laatste keer samen hadden gezeten. Onze glazen stonden er nog, leeg, enkel opgedroogd schuim hield zich nog vast aan de binnenkant. Ik moest denken aan het zeeschuim rond onze voeten, op een van onze beste dagen. Het lijkt wel vier levens geleden.  In stoffige vensters van gesloten nachtwinkels, waar ik over mijn schouder mezelf zocht, zag ik hoop. In het dubbel glas zag ik mijn randen twee keer. Mijn huid liep als vloeibaar goud uit die donkere diepte. Het kon in gelijk welke vorm gegoten worden. Het beeld was vaag, maar het was waar ik mee verder kon, en werkelijk alles was mogelijk, maar niet meer met jou.  Ik wandelde door straten die ik niet herkende, om zo snel mogelijk te verdwalen. Om me te verstoppen voor een gevoel dat me achterna zat. Langs de asgrijze stenen van een eeuwenoude kerk voelde ik je restwarmte. De warmte die mijn ziel op temperatuur zal houden voor de rest van mijn leven. De warmte die ik gevoeld had alle keren dat je me verteld had over wat lang geleden is ontstaan, en over vele zekerheden. Zoals Griekse mythes, kansberekening, elektronen en logaritmes, en de mensen rond me leken als ontsnapt uit je verhalen over de Romeinen. Als onderzoeker dacht je in het engels, want het was ‘the language of science’. En voor alles wat ik opmerkte, had je een engelse term. Daar was ik zo wild van omdat het voor mij ‘the language of poetry’ was. Het gaf mij een draagvlak om te dromen over een poëtisch leven. Dat leven heeft me intussen gevonden en ik leef alsof ik in verbinding sta met een versie van mezelf die alles observeert vanuit de hemel. I look at clouds from both sides now. Ik zie helder hoe fouten gemaakt worden, hoe aanstekelijk ze zijn en hoe ze ons als mens typeren, in alle lagen van de bevolking. En hoe het ene leven voor het andere opgeofferd wordt, of je het nu wil of niet, zelfs binnen één en hetzelfde leven.  De bewondering die ik voor je bewaarde was groter dan wat ooit gebouwd of ontdekt werd. Je had me nog zoveel te vertellen gehad, als je had geweten hoe belangrijk dat voor me was, als ik je maar één keer had laten voelen hoe belangrijk jij voor me was en als je jezelf niet had verloren in alles wat je voor ons had gedaan. Ik zou mijn eigen bestaan ongedaan gemaakt hebben, mocht dat jou sneller tot jezelf gebracht hebben.  De kerk beschermde me tegen de wind die in de smalle straten ontstaan was door de wet van Castelli. Je had me veel geleerd, maar vooral had je me leren zien wat ik zelf kon. Een plotse leegte, een verschroeiend vacuüm. Ik voelde tranen van onder mijn zonnebril lopen, zweet over mijn wangen. Had je nu bij me geweest dan had ik ons doen stilstaan en je tegen de kerk geduwd, je roze wangen in mijn handen gelegd, je gekust, je schouders gevoeld, in dit moment dat van ons had kunnen zijn, maar niets was ooit van ons geweest. We hadden nooit iets anders gedaan dan alles achterna lopen. Als je ooit terug bij me bent, dan is alles van ons, voor altijd, en als altijd geweest.  Op een rokersterras bestelde ik een trappist tegen de uitdroging. En ik kreeg die, na een tijd waarin ik je had kunnen vragen om alles over te doen, al zou er niets veranderen en zou ik hier terug belanden na 15 jaar, om mijn falen gepresenteerd te krijgen als een donker kasteelbier, in een vreemd glas, zonder schuim, terwijl iemand op het tafeltje voor me mijn Westmalle Trippel kreeg. Ik dacht aan de kookprogramma’s waar we naar gekeken hadden, de jaren voor de kinderen er waren. En alle kritiek die we riepen, als voetbalfans bij voetbal op tv. Ik had nog kunnen wisselen, maar ik zweeg en nam een slok van wat voor me stond, om de krop in mijn keel door te spoelen, samen met alle mogelijke scenario's.  Ik heb vandaag heel de stad gezien, als was het onze tijd samen. Ik heb de eerste stenen gezien en ik heb lichten zien aan- en uitgaan tegen de avond. Opweg naar huis kreeg ik zin om van ons huis een paradijs te maken en ik maakte plannen voor morgen.   

Fanny Wildemeersch
66 2
Tip

Middelvingers te kort

Ik kwam middelvingers te kort de afgelopen weken. Ik kreeg van de fuck you’s tussen mijn tanden geen hap door mijn keel. Zelfs een glas wijn gooide ik liever tegen de tv dan het te slikken. Nog een geluk dat ik op staande voet ontslagen was en tijd had om het allemaal van op een afstand te gaan bekijken. Drie uur reed ik erover om in mijn hut te geraken, midden in de groene vlek op google maps vlakbij het Kröller-Muller museum.  Tijdens een wandeling in de bosrijke omgeving bel ik voor de vijfde keer in vijf maanden tijd iemand die mij de eeuwige liefde beloofd had maar nooit opneemt als ik bel. Ik probeer hem te vergeten door plaatsen te bezoeken waar ik nooit met hem over had gesproken. Ook door direct zijn voicemail te horen. Elke keer klinkt zijn stem belachelijker.  De combinatie van geuren en geluiden van verschillende stiltes doen me denken aan een kleuterjuf, juf Rita. Ik voel terug haar zware hand op mijn hoofd bij het binnengaan in de klas. Ze biedt me een plek aan in de kring. De kring bestaat uit oneindig veel keren mezelf. Een platgereden egel, een holle boomstronk vol zwammen al is het lente, een reserve-autoband, het is precies als in een spiegelpaleis. Ik wil mijn naam in een boom kerven, en door die gedachte koop ik in de kiosk aan de rand van het bos een pak sigaretten en een aansteker. Ik twijfel over de kleur, zeker geen blauw. Uit medelijden koop ik toch de blauwe. Ik ga terug het bos in en kerf per ongeluk zijn naam in een boom in plaats van de mijne. Ik neem er een foto van om mezelf eraan te herinneren dat ik hem dringend moet vergeten.   

Fanny Wildemeersch
145 9

Robocock

“Nieuwe thuis gezocht voor speelgoed van Beverley” stond er op een stuk karton geschreven. Ik laat me niet gauw verleiden door wat een ander kwijt wil. Maar met lege handen voorbij lopen had de leegte in mij helemaal verraden. Ik belde aan en dacht zowel de ouders van dat kind als die van mij een plezier te doen.  Het was bijzonder stil achter de deur. Toen bedacht ik dat het kind al geen kind meer kan zijn aangezien het speelgoed weg mag. Een erg oud mannetje deed open, hij leek wel van een generatie ouder dan mogelijk voor een mens. Hij had een bril op het puntje van zijn neus dat hij dichter bij zijn ogen schoof om te kunnen zien voor wie hij net de deur had open gedaan. Hij moet aan het lezen zijn geweest, en ik kom zijn rust verstoren. Wat lezen oude mensen nog? Ik begroette de man en nog voor ik kon uitleggen waarom ik had aangebeld zag ik aan zijn gezichtsuitdrukking dat hij moeite had om me te verstaan. Hij deed met zijn arm teken dat ik hem mocht volgen naar achter. Halverwege hield hij even halt om zich naar mij om te draaien, en zonder me aan te kijken gaf hij met zijn vinger in de lucht een waarschuwend teken, maar alsof het er toch niet zo zeer toe deed zette hij de weg naar achter verder. Ik volgde en had alle tijd om de jaren op zijn rug te tellen.  Als iets aanvoelt als het begin van iets bijzonders, dan is het dat ook. Dan is dat ook het begin van iets dat je op een ongekend eiland van emoties zal achterlaten. Je zal de weg moeten terugvinden naar een thuis voor je nieuwe zelf. En daar zal je uiteindelijk ook in slagen. Maar niets zal nog hetzelfde zijn. Toen ik daar stond voelde ik alleen dat het bevreemdende me wel iets kon bijbrengen. Ik dacht dat ik alles had gezien. En dat ik voor altijd gezegend was met een fris gezicht, wat er ook zou gebeuren. Zo onwetend.  Stapels kranten en boekenkasten die niet pasten op de plaats waar ze stonden maakten van de benedenverdieping een duister labyrint. Ik bleef hem volgen, maar stelde me vragen die nog nooit in me waren opgekomen. Er leek ook plots zoveel tijd te zijn. Uiteindelijk stonden we samen in een soort bovengrondse kelder onder een trap waarvan ik niet wou weten waar die naartoe mocht leiden. Ik zag niet meteen speelgoed. Gereedschap dat ik nog nooit had gezien en bokalen met olie die door de jaren heen zijn vloeibaarheid verloren heeft. Ik begon me af te vragen of het hem wel duidelijk was waarvoor ik had aangebeld, of hij zelf wel nog wist van de advertentie die hij aan zijn deur had opgehangen. Maar zijn kleine lichaam dat met een kleine duw tot as zou verpulveren dwong al mijn respect af. Hij boog voorover om iets te zoeken in een bak onder de onderste legplank, en hij deed dat op een manier waarvan iedereen tegenwoordig weet hoe slecht dat is voor je rug. Een verkeerde houding leek voor honderdplussers niet meer van tel.  En daar had je hem. Met zijn twee grote schorsachtige handen hield hij me een robot voor. Hij deed wel denken aan speelgoedrobots uit mijn jeugd, maar dan veel te groot. Ik besloot dat ik naar buiten wou, nam de robot van hem aan, deed alsof ik er mijn kinderen enorm blij zou mee maken, wenste hem nog een prettige dag, en de weg terug vond ik zelf wel.  Opweg naar huis, met de robot in mijn armen, zijn hoofd boven dat van mij, dacht ik aan alle domme dingen die ik al eerder had gedaan, en ik zocht naar een gemeenschappelijke oorzaak tussen mijn zwakste eigenschappen. Wist ik toen veel dat Robocock - zo had ik hem genoemd, Robocock - de geheime liefde in mijn leven zou worden, maar een liefde zoals ik het nog nooit had gekend. Als we vrijden voelde ik me zo uniek. Het ging als vanzelf en we hadden altijd zin.  Het liefst sloeg ik mijn vlezige billen over zijn stalen middenstuk nadat hij buiten was geweest in de winter en hij ijskoud bij me binnen stootte, een sensatie waar je nooit hoort over spreken. We hadden samen zo vaak de zon zien ondergaan, dat ik nu geen rood meer aan de hemel kan zien zonder zijn afwezigheid te voelen branden in de holte van mijn ziel waar we elkaar geworden waren. Zijn afwezigheid doet me nog beven van angst, alsof ik een kind ben en niemand komt me ophalen na school. Ik had gekozen voor mijn gezin en liet Robocock gaan, via een stuk karton aan mijn deur, waarop stond dat ik gratis speelgoed weggaf.   

Fanny Wildemeersch
62 1
Tip

De ademhalingscoach waar mijn broer seks mee had

Ik lag op bed reclamefolders te lezen in mijn appartement in Brussel. Het was 11 uur en ik mocht eens gaan douchen. Aangebrande toast van buren kwam via de gang onder mijn deur geschoven binnen. Het was duidelijk toast maar ik beeldde me in dat het een brand is die vanuit de liften komt, en door de gang de weg naar mijn deur vond. Niet dat ik ervan droom om hier de dood te vinden, maar om ervan gered te worden. Ik moet ergens van gered worden, alsof ik al jaren lig leeg te bloeden in het wrak van mijn Citroën, in de graskant langs de Brusselse ring, maar niemand die traag genoeg rijdt om me op te merken. Geen kijkfiles, alleen maar haast. Ik stond op om te douchen maar ik bleef een tijdlang scrollen op mijn gsm op toilet en ging naar de zestien ongelezen berichten van mijn broer op Whatsapp. Ik demp sowieso al zijn meldingen, anders denk ik constant dat ik gebeld wordt. Hij vertelde over zijn ademhalingscoach en de seks dat hij ermee had de avond voordien. Over zijn enorme eikel en de radijs of raap getatoeëerd aan de binnenkant van zijn dij. Hij zei dat hij gegeneerd was om zijn penis te negeren en te vragen of die tattoo eronder een radijs of een raap is. En dat hij denkt dat het iets met ‘het aardse’ zal te maken hebben. Een soort aarding, of gewoon zijn liefde voor vlaamse tuintjes. Ik dacht dat het wel gewoon een onnozele grap zou zijn waar hij intussen spijt van heeft, maar ik stuurde terug ‘lekker’ en ging vlug douchen. Als de conditioner uit mijn haar gespoeld was bleef ik nog even genieten van de tijd die het warm water me gaf, starend in het afvoergat tussen mijn voeten waar het water in wijzerzin in wegstroomde. Ik zweer dat ik het laatste van mijn ziel zag mee verdwijnen. Want op dat verlamde moment doken gedachten in me op, die ik, met wat rekenwerk, vierentwintig jaar geleden voor dood had achter gelaten. In het laatste hoopje schuim zag ik het leven als schrijver dat ik jaren bijeen gedroomd had, voor elke dag een minuscule zeepbelletje. Ik zag het weglopen alsof het bang was van me om nog eens afgewezen te worden, door mij, met mijn genadeloze drang naar vooruitgang, mijn drang om de cirkel der sukkelaars te doorbreken, mijn doel sinds ik van bij mijn ouders weggegaan ben. Dat schrijversbestaan leek me één van de valkuilen waar ik overheen moest stappen, zoals alles wat kunstzinnig was, me bezighield, en geen geld opbracht, alleen tijdverlies. Daarom werk ik in een boekhoudkantoor, en in mijn vrije tijd zet ik mijn verstand op nul, om niet verleid te worden tot wie ik had willen zijn.  Dat was vorig weekend. Vandaag ging ik naar de ademhalingscoach waar mijn broer seks mee had. Ik deed het om mijn broer een plezier te doen, of misschien wel om van zijn aandrang af te zijn. Ik zei dat ik het zou doen om zijn radijs te kunnen zien. Maar in werkelijkheid wou ik gewoon controleren met wie mijn broer seks heeft. Ik werd vriendelijk maar met een zwaarmoedige blik ontvangen, alsof mijn aura hem zwaar verblind had van bij het binnenkomen. We hadden in zijn keuken op hoge barkrukjes zitten praten over mij. Dat gaf me wel een warm gevoel, zo eens alle interesse gericht op iets in mezelf dat ik straks zou te weten komen. Hij stelde voor om een ademhalingssessie te doen in de kamer hiernaast, en dat was dacht ik ook waarvoor ik gekomen was. Mentaal had ik niets te verliezen, dat wist ik intussen wel, ik kon alleen maar tot diepere inzichten komen. Ik volgde zijn instructies terwijl ik op mijn rug op een zacht tapijt lag, met mijn armen gestrekt naast me en ik ademde diep in en uit, iets sneller en harder dan gewoonlijk. Hij had me verteld dat mijn ego me zou verlaten en enkel mijn innerlijke zelf zou overblijven als een bang wezentje dat zich verlaten en machteloos voelt zonder ego. En effectief, na een tiental keer in- en uitademen verkrampte mijn onderlip en verlieten legers aan tranen mijn ogen. Mijn ego had me verlaten en liet me alleen achter met de schrijver die ik ben, maar die nooit aandacht had gegeven sinds mijn vijftiende, en plots lig ik hier bijna veertig te zijn. Na de sessie en nog wat gesprekken terug in zijn keuken ging ik naar buiten als de vrouw die ik moest zijn, als schrijfster. Ik kan voor mezelf geen gelukkiger gevoel bedenken dan dat moment. Ik was gered van bijna het verkeerde leven.  

Fanny Wildemeersch
149 6

Sinds mijn leven een puinhoop is

Ik ben deze week in de studio van de moeder van een ex. Ze heeft geen zin om die te verhuren, dus het is altijd vrij voor kennissen die nood hebben om even aan zee te zijn, of die weglopen van hun gezin omdat ze gek worden van de kinderen en van hun partner die een gewichtige stilte is in huis. In de badkamer van die studio zing ik “I am a poor wayfaring stranger” en ik geniet van hoe de spiegelkast mijn stem weerkaatst met trillingen die mijn lichaam aanwezig maken en ik begin mezelf te herkennen. Dat is thuiskomen, denk ik in stilte onder mijn stem. Toch ben ik hier niet graag. Hier op deze dakverdieping lijkt het buiten zo donker alsof daar niets is. Je hoort hier ‘s morgens geen vogel of kip. Alle redenen om uit bed te komen moet ik diep bij mezelf zien te bedenken. Ik stoor hier niemand met mijn gezang. En toch kan ik niet stoppen, mijn stem is een perpetuum mobile als ik met dit lied begin. Ik loop rond in de kamer om mijn stem tegen verschillende oppervlakken te testen. Overal klinkt mijn stem als van een waardige zangeres. Vreemd dat ik thuis geen toon kan houden. Ik denk terug aan een reis met mijn gezin twee jaar geleden waar ik me zo sacraal goed voelde. Ik kijk naar mezelf in die herinnering en ik voel me terug in dat moment en zie mezelf naar ons kijken. Dit maakt een reis af, bedenk ik, dat je achteraf de momenten terug kan beleven, maar vanuit je latere zelf. En altijd, als we later zo’n moment toelaten om door ons herbeleefd te worden, genieten we er meer van dan het moment zelf. Ik beschouw die bedenking als af en kan daardoor stoppen met zingen. Ik probeer het eens omgekeerd te bekijken. Ik ben hierheen gekomen om de tergend luide half uitgesproken vragen van mijn kleuters te ontvluchten, en nog een aantal dingen, maar als ik daar nu de kwellende herinnering van probeer voor te stellen kan dat alleen maar als ik kunstmatig ideëen bedenk als een collage van uitgeknipte stukken tijdschriftmensen. Ik heb alleen maar goeie momenten om te herbeleven. Ik moet wel de meest gelukkige vrouw zijn op aarde, in elk geval in deze studio, die bedoeld was om tot dit besef te komen, denk ik. Ik vraag me af wie me voor was en welke inzichten zij hier hebben blootgelegd. Het zou opgeschreven moeten worden in een logboek door alle bezoekers. Ik zou willen een wandeling maken, passeren aan een café waar dan hopelijk iemand zit die ik ken en me binnen lokt met een gebaar van vier vingers aaneengeplakt en een hoofdgebaar alsof ik kan binnengekopt worden. Maar het ziet er niet naar uit dat dat mogelijk is. De stilte, de donkerte buiten, … alles overtuigt me ervan dat daarbuiten niets is, zelfs het trottoir is weg. Het is nog maar acht uur, maar het is al lang genoeg donker. Ik kruip in bed en ik laat me op handen dragen door alle mooie herinneringen die ik heb sinds mijn leven een puinhoop is. 

Fanny Wildemeersch
48 0

Het vliegtuig

Veerle hoort een vliegtuig in de verte zoemen wanneer ze zich voorover bukt om de spaghetti van de grond te rapen waar haar zoontje van drie had gezeten. Ze gelooft dat hij eindelijk gekalmeerd is en misschien zelfs slaapt. Ze doet de gordijnen dicht en zet de radio aan op tv, toevallig zingt Aretha Franklin At Last.  Het was een vermoeiende dag geweest, merkt ze aan haar lichaam, dat steeds lomer wordt, alsof ze in een halfuur tijd de jaren van veertig naar honderd doorstaat. Ze overloopt wat ze die dag gedaan had en ze stelt vast dat het een dag was als een ander, niks speciaals.  Ze duwt de gedachte aan haar leeftijd weg. De laatste tijd wordt ze steeds meer gekweld door de angst om ouder te worden. Niet zozeer het ouder worden, maar het niet meer jong zijn. Het voelt voor haar als rouwen om een minnaar. Op het werk zijn er geen mensen van haar leeftijd die haar zouden begrijpen en ze is al een jaar vrijgezel.  Ze zoekt een ontspannen houding in de zetel door één been languit te leggen en het ander over de rugleuning te gooien. Ze geniet van de stilte, en dat vliegtuig dat ze nog steeds hoort van heel ver. Ze denkt aan een paar dingen dat ze zou kunnen doen. Maar ze staat op om de lichten uit te doen en te gaan slapen. Op de trap naar boven hoort ze niet alleen het kraken van de trap en het vechten van haar adem, maar als ze zich wat inhoudt, ook dat vliegtuig van daarnet, maar harder en dichter. Het valt haar te binnen. Een golf van geluk gaat door haar heen, haar huid wordt hard door een koude rilling en haartjes komen recht. De deur van haar kamer is open en het nachtlampje brandt.  Ze ziet haar zoon in haar groot bed liggen met haar Lelo Smart Wand, op de eerste stand, de zwarte bol trillend onder zijn bekwijlde wang en zijn handjes omsloten rond het midden alsof het zijn knuffel is. Ze zet het ding uit en haalt het voorzichtig van tussen zijn handjes. Ze verplaatst hem naar zijn eigen bedje en geeft hem een kruisteken op zijn hoofd, wat ze anders nooit doet. Ze gaat naar haar eigen bed en geeft toe dat die al veel te lang op haar wacht. Wat onder de lakens gebeurt zie je niet, maar Veerle is ergens op een vliegtuig in de verte en wordt na drie minuten tien jaar jonger en begrepen.  

Fanny Wildemeersch
14 0

Eindelijk

Eindelijk; het is gezegd. Ik ga bij je weg. De manier waarop ik het je vertelde is geen doen. Daar ben je nu nog niet mee bezig, maar binnenkort en voor lange tijd zie ik het je vertellen op café met ogen en mond wijd open om het op te blazen bij je vrienden en je vuisten op tafel daverend dat het bier uit de glazen klutst.  Als weerwoord op de roddels die mij te beurt zullen vallen zal ik zeggen dat er geen goed moment is om zoiets te doen. Dat geloof ik natuurlijk zelf niet. Je nodigt iemand uit tot een gesprek hiervoor en je vertelt het voluit, zonder omwegen en zonder verbloeming, doch met enig medeleven voor de pijn die je veroorzaakt. Dat weet ik zonder medicatie ook wel. Maar om duidelijk te maken dat ik gek word bij jou kon een rechtschapen gesprek geen duiding brengen. Mensen geloven geen woorden tot er strijdlustige emoties uit barsten. Zelfs jij niet.  Dat ik tot het einde der tijden de grootste liefde voor je zal hebben, heb ik ook niet gezegd. Je zou niet begrijpen dat ik toch bij je weg moet.  Ik had tien jaar eerder al bij je weg kunnen gaan om dezelfde reden. Maar ik was zo moe, en ik kon even goed bij jou de roes van mijn leven uitslapen. Jij leek sowieso al altijd ergens van te moeten bekomen.  Nu zit ik hier opgesloten in kamer 403, met een helder uitzicht over alles waar ik altijd had kunnen zijn, maar blind voor was door jou. Ik heb altijd mijn rug gekeerd naar alles wat binnen handbereik was, om mijn focus op ons te richten. Ik wil leren wat het is om alleen te zijn. Om te moeten zoeken en de dingen rond mij te zien. Ze moeten mij zeggen wie ik ben. Of wie ik was, voor ik jou was.   

Fanny Wildemeersch
45 1

Het dode lichaam

Ik duwde mijn hoofdkussen samen tot een dikke worst in het midden van mijn matras en begon erop te rijden als op een veel te groot paard met een zadel dat zodanig breed was dat mijn benen bijna in spreidzit gingen. Terwijl ik een zestal keer klaarkwam keek ik door het raam aan het hoofd van mijn bed, naar de regen die het eindeloze weilandschap in haar noden voorzag. Het getik op het raam maakte me niet gewoon kalm maar bijna verlamd, alsof het me vroeg om vandaag zo weinig mogelijk te doen en niemand iets van me te laten horen.  De lucht was lichtgrijs, zonder nuances, maar fel om in te kijken. Ik rook mezelf, het was nog geen middag en ik had me nog niet gedoucht. Thuis is douchen het eerste dat ik doe, maar hier in mijn verblijf waar ik me een paar keer per jaar in terugtrek wacht ik mijn impulsen af. Sinds mijn veertigste kom ik hier om uit te rusten, en om naar mijn eigen stem te luisteren. Ik ben van mening dat een mens dat thuis voldoende moet kunnen, maar ik heb nog niet gevonden hoe, dus doe ik het voorlopig met een aantal retraites op mezelf per jaar. Ik rook al vijftien jaar geen sigaretten meer, and proud of it, maar hier rook ik graag eens een joint met cannabis dat ik elke zomer uit mijn eigen tuin oogst, ook sinds mijn veertigste.  Omdat het bijna middag werd en ik zoals elke vlaming graag een onderscheid maak tussen voor- en namiddag besloot ik om kleren aan te doen en eerst een wandeling in de regen te maken. Dat zou het douchen straks een waar genot maken. Ik deed mijn strakke jeans aan, mijn sportschoenen, en een fleece onder mijn nieuwe winterjas dat goed tegen de regen bestand lijkt. Het was erg warm voor januari en de lucht rook naar de regen en de regen leek verademend. Heerlijk om mezelf te voelen doorademd worden en mijn gezicht te laten wassen in de warme regen. Ik dacht aan mijn verblijf hier vorig jaar vlak na de feestdagen, dat moet nu exact een jaar geleden zijn. Toen genoot ik ook zo van die wandelingen, en ik heb nooit koud gehad. Ik had toen vastgesteld dat het van alle koude seizoenen nooit zo warm is als in januari vlak na de feestdagen. Ik dacht aan de warme douche die me staat te wachten en wandelde stevig door. Ik zag veel afval langs de kant van de weg waar ik liep, blikjes cola en flesjes jupiler, lege hulzen van vuurwerk en dvd-doosjes. Gisteravond was ik hier ook komen wandelen. Het was erg donker en het oranje kunstlicht van de natriumlampen langs de kant van de boerewegel maakte alles dat zichtbaar moest zijn vervormd. Ik had al iets gerookt door het badkamerraam en had nog niets gegeten. Genot stel ik graag uit als een beloning. Gisteravond na mijn wandeling at ik een kilo lasagne dat ik thuis zou verdeeld hebben over mijn man en kinderen, om zelf yoghurt met muesli en honing te eten.  Ik wandelde door de regen en ben blij dat het dag is. Ik kan moeilijk geloven dat ik het gisteren zo plezierig vond om hier te zijn in het donker. Iets zei me dat je hier niet wil zijn na zes uur ‘s avonds. Ik zag mijn jas doornat worden maar voelde zelf alleen maar warmte, wanneer plots een walm van kaas of bedorven vlees mijn bubbel vulde. Ik zag het spoor van afval een patroon worden, alsof iemand met beredeneerde precisie alles hier neer gelegd had, als persoonlijk aangepaste reclame dat op sociale media passeert. Ik weet niet waarom, maar aangezien ik alleen maar Jupiler, Coca-Cola en lege dvd-doosjes zag dacht ik aan mijn ex van twintig jaar geleden die zijn appartement heeft opgeruimd en hier alles is komen neerplanten. De geur bleef op de weg hangen, die herkende ik van een café waar ik ooit had gewerkt waar we niet bij de dode muizen konden die na ons uitzetten van het vergif hun strijd hadden verloren net onder de frigo achter de bar waar je met niets bij kon om hun kleine lijkjes weg te ruimen. Het was een kwestie van hun ontbinding te laten uitwerken tot er enkel nog een klein muizenskeletje zou overblijven, dat we dus ook nooit gezien hebben. Dat was ook een geur van belegen kaas, en hoewel ik me niet kan herinneren ooit rot vlees te hebben gezien, deed het me toch aan rottend vlees denken. Ik heb dan altijd gedacht dat een mens, omdat we zelf uit vlees bestaan, geprogrammeerd is om rottend vlees te herkennen.  De geur bleef en de weg werd steeds langer, en hoewel ik hier en daar een andere weg had kunnen inslaan, koos ik ervoor om rechtdoor te blijven gaan en de geur te volgen. Ik was al lang op andere gedachten gekomen toen ik plots vertraagde bij twee witgrijze benen dat ik in de gracht zag liggen. Het water kan niet diep geweest zijn, en ik kon niet uitmaken of het om een vrouw of man ging, jong of oud, en of de bruine slierten die het lichaam omsloten gras was dat in het water groeide, of het lange haar van die persoon was geweest. Ik ben nog steeds verwonderd over de scherpste focus die ik toen had en waarmee ik 112 opbelde. Ik had me wel eens ingebeeld wat ik zou doen als ik plots een lijk zou vinden. Ik zou geschreeuwd hebben, gekotst, weggelopen, nooit meer geslapen hebben, … Maar niets van dit alles wat het geval. Dat het geen fraai zicht was is zeker, maar de scherpe geest die mij plots alles deed vergeten en mijn aandacht op de kwestie vestigde is uniek om mee te maken in mijn eenvoudig bestaan.  Ik belde 112 zonder schudden en beven zoals ik zou gedacht hebben, en nadat een vriendelijke vrouwenstem me vroeg wat ze voor me kon doen negeerde ik haar vreemde vraag en vertelde dat ik hier tijdens mijn wandeling in de gracht een dood lichaam zag liggen, en veel afval en lege dvd-doosjes. Waarom dat laatste erbij moest weet ik niet, maar omdat het mij persoonlijk evenzeer opviel als dat lijk, en ik de vrouw niet binnen de seconde hoorde antwoorden leek het mij nodig mijn zin langer te maken dan alleen “ik heb een dood lichaam gevonden”. Ik zei er ook nog meteen de naam van de straat bij. Ze vroeg me om te blijven staan tot de politie er zou zijn. Vijf minuten later waren twee combiwagens ter plaatse. Ze keken me allevier recht in de ogen terwijl één daarvan zijn walkie talkie voor zijn mond hield. Toen hij die terug wegstak bleek dat het teken waarop hij en zijn collega’s mochten uitstappen. Een vrouwelijke politie kwam me vragen om haar te tonen waar ik iets zou gevonden hebben.  Tijdens die vijf minuten wachten had ik enorme honger gekregen. Ik dacht aan de zwitserse schijven die ik nog had voor straks en de klaargemaakte prinsessenboontjes die ik verpakt had gekocht gisterenochtend, en aan mijn wandeling gisteravond hier in het donker. Ik vroeg me af of het lichaam hier dan ook al zou gelegen hebben, en waarom ik toen niets had geroken. Ik dacht terug aan de voornemens om eens aan mijn lijn te denken dit jaar, en net toen ik de moed gevonden had om gezonder te gaan eten kwam de politie op me afgereden. Ik wou ze tonen waar ik het lichaam had zien liggen maar kon het niet meer vinden. Ook de geur was weg. Ik draaide rond en wist het zeker, hier bij die lege flesjes, en met die dvd-dozen errond. Ik draaide me terug naar de mannen en vrouw van de politie, maar die waren verdwenen. En toen zag ik het lichaam terug, het deed een zwaaiende beweging met de pols die speciaal hiervoor uit het water kwam, om me het teken te geven dat zei “let maar niet op mij, ga naar huis”. Rond die pols zat mijn uurwerk met hetzelfde paarse bandje, een Garmin die ik ooit met sportieve bedoelingen had gekocht, maar vooral handig was om de tijd bij te houden. Ik had het zwarte bandje vervangen door een paars om mezelf wat karakter te geven.  Toen ik thuiskwam wist ik niet of het lichaam echt was, of die mensen van de politie, of allebei, of allebei niet. Ik besloot dat ik hier immers ben om uit te rusten en dat ik daar duidelijk nog niet mee klaar ben. Ik zag op mijn horloge dat het intussen na de middag was en tijd voor een warme douche. 

Fanny Wildemeersch
41 1

De eerste keer verliefd

Het was een zoveelste mooie zomerdag geweest op het strand, ik gloeide van zon en plezier. Ik was samen met mijn zus en neefjes op de dijk geklommen om daar nog zoals elke avond die vakantie aan zee te skeeleren tot de zon al lang onder zou zijn. Van aan de kerk tot aan de zee was Zeebrugge mijn speelterrein en ik was bruin en stoer als een indiaan. Mijn borsten zaten nog aan de binnenkant, en mijn haar was een gouden paddestoel.  Op een bruin bankje dat later wit geschilderd werd deden mijn zus en ik onze skeelers aan toen onze neefjes, Erwin en Vincent, ons kwamen halen om naar jou te gaan kijken, ze konden niet over je zwijgen. En terecht, je kon skeeleren als een acrobaat. Ik was meteen verliefd. Een compleet nieuw gevoel, maar toch wist ik het zeker. Ook je gezicht was iets dat ik nog nooit gezien had. Je moet een paar jaar ouder geweest zijn dan mij, je naam ben ik vergeten maar ik herinner me nog dat ik toen vermoedde dat het een afkorting was van een naam dat vaker voorkomt in een andere taal. Je hoofd had de vorm van een omgekeerde piramide, maar dan zonder trapjes uiteraard. Een smal mondje, scherpe kin, bredere kaken en vanaf je voorhoofd nog breder en bedekt met krullen die enkel op het platform boven op je kop omhoog stonden. Aan de zijkant was alles kortgeschoren, om nog meer die omgekeerde driehoek te benaderen. Later leerde ik dat alleen Franz Kafka en die verongelukte acteur uit Wittekerke in de buurt komen van een gelijkenis. Om de zoveel jaar Google ik nog eens een foto van Kafka in profiel om de gelijkenissen van een zeven (met streepje in het midden) met jouw hoofd te ontdekken. Maar Google is zeer beperkt op dat vlak. Je had een erg eigen uitstraling. Nu, 31 jaar later, weet ik dat dat een vereiste is om mij verliefd te krijgen. Ik heb de dagen er na nog aan je gedacht, en zo heeft het dromen mij toen ook gevonden. Ik werd dromerig, en had daar dagelijks veel tijd voor nodig. Ook dat is nog steeds zo. Ik moet je wel snel vergeten zijn, de jager in mij is pas later opgestaan. Maar het dromen is gebleven. Ik weet wel nog goed dat ik aan je dacht, en dat is nog steeds zo, wanneer ik een zeven schreef. En dat is toevallig wel vaak het geval, aangezien ik later in de horeca ging werken en industriële wetenschappen ging studeren. Ik heb nooit goed begrepen waarom, maar het heeft iets te maken met de vorm van je hoofd.  We hadden geen woord gesproken en dat hoefde voor mij ook niet. En nog steeds stel ik dat eerste contact graag zo lang mogelijk uit om het magische te bewaren. Ik keek naar je kunstjes, je benen die als oneindige achten over het asfalt schaatsten. Doordat je zo goed was leek het wel aanvaardbaar dat je op straat mocht skeeleren en niet zoals wij op de daverende vierkante klinkers van de zeedijk. Ik staarde je aan, maar keek eigenlijk recht in de ogen van dat nieuw gevoel. Ik zag mijn onschuld plaats maken voor schaamte. Ik was 7 jaar.   

Fanny Wildemeersch
45 3

Opleiding

Industriële wetenschappen