Lezen

Lul

Op de bus. Hij was net ontwaakt uit de sluimerige droomwereld waarin hij was meegezogen door een spannend boek. Hij was nog net bezig het boek terug in zijn lederen boekentas te steken toen hij het hoorde. Ding! Iemand wilde er aan de volgende halte af. Op zich geen probleem, ware het niet dat de volgende halte de eindhalte van deze lijn was en er dus totaal geen reden tot bellen was. De chauffeur zou hier in ieder geval stoppen en iedereen zou de bus moeten verlaten, of ze nu wilden of niet. Op dit moment kwam de oude sarcastische lul in hem naar boven en maakte de fnuikende opmerking: ‘pfff, gij pakt ook dikwijls de bus zeker!’. Hoewel deze stem enkel in zijn hoofd te horen was, schrok hij van zijn plotse aanwezigheid. Het was vooral de volkomen natuurlijkheid waarmee deze stem zich manifesteerde waarover hij verbaasd was. Het is het soort stem waarvan, moest iemand anders ze openlijk gebruiken, hij een gevoel van medelijden kreeg bij de gedachte dat de eigenaar van de stem wel diep ongelukkig moest zijn om zich zo druk te maken in zulke pietluttigheden. Hij wist altijd wel dat een dergelijke stem in hem aanwezig was. Hij ging ervan uit dat iedereen een dergelijke stem in zich had, sluimerend in het onderbewustzijn. Zo ging hij er ook van uit dat iedereen een grapjas, een bemiddelaar, een optimist, pessimist, oude vrijster, vaderfiguur en zelfs een psychopathische moordenaar in zijn psyche verborg. Het ging er uiteindelijk alleen maar om welk deel van je geest je de toestemming gaf om naar voren te komen en te groeien. Maar wanneer was sarcastische oude lul bij hem beginnen groeien? Wanneer had hij sarcastische oude lul naar voren laten komen? Terugdenkend aan hoe natuurlijk de stem zich had gemanifesteerd, moest hij toch al lang genoeg de kans hebben gehad om te groeien. Deze oude lul was geen amateur. Hij probeerde terug te denken wanneer hij deze stem de eerste keer had gehoord. Hij kon zich niet voorstellen dat hij de lul als kind al had toegelaten. Toch kon hij zich geen officiële première voor de geest halen. Was hij nog tiener, was hij al twintig geweest, was hij al vader? Plots kwam als één of andere guerrilla strijder een veel beklemmender gedachte bij hem op. …valt de lul nog te stoppen? Is dit de toekomst die ik tegemoet ga? Om de rest van mijn leven op alles met een afschuwelijk sarcastische gedachte op de proppen te komen. Zal ik zo iemand worden die deze gedachte uiteindelijk ook de kans geeft om te pas en te onpas uit mijn mond te komen? Alsof hij deze verschrikkelijke gedachte wou bevestigen en kracht bijzetten, sprak de verbitterde oude lul weer: “En dan gast!” Hij besloot zich hier niet meer druk over te maken. Druk maken was enkel voedsel voor de lul. Het zou wel een logische reactie zijn op een busreis. Leek iedereen op de bus immers niet sarcastisch en verbitterd? Het zou wel een simpel gevolg zijn van het feit dat er op zo’n bus immers enorm veel is om zo op te reageren. De Lijn is een goede kweekbodem voor sarcastische oude lullen. Het beste bewijs hiervoor zijn waarschijnlijk wel de chauffeurs! Deze laatste gedachten leken hem enigszins gerust te stellen. In werkelijkheid was het enkel de oude sarcastische lul die zich tevreden een beetje terugtrok. Tevreden over het vele voedsel dat hij met deze laatste gedachten had gekregen. Volgevreten en gelukzalig trok de lul zich terug in een sluimertoestand, met nog net genoeg tijd om  tevreden te denken: “..straks,..straks weer … met de bus naar huis toe.”

Rule
0 0

Cirkels

Ik zie gras dat groen schijnt, zon die wegglijdt, jasmijnbomen in bloei, licht dat naar het westen verschuift. Soms ook een duif die me negeert. Wanneer ik op het glas tik, vliegt ze weg. Andere vogels maken een omweg wanneer ze mijn tuintje naderen. Je zou je haast afvragen waarom ik aan dat verrekte raam ga staan als niemand mij een blik gunt. Ik heb mijn redenen. Zo controleer ik of de kippen nog leven. Sinds een jaar ben ik opgehouden met hen te voederen, maar ondanks hun uitgemergelde lijfjes strompelen ze hier nog steeds rond. Ik begrijp niet hoe ze het voor elkaar krijgen. Om voedsel te scharrelen, kunnen ze enkel in mijn tuintje van vier op vier terecht. Daarom verdenk ik de buurvrouw van medeplichtigheid, die van het tweede raam op het vijfde verdiep. Mijn tuin is haar uitzicht, mijn kippen kent ze al lang. Ze durfde er vroeger al eens een babbeltje tegen te slaan. Zonder mijn toestemming. Dat was schrikken. Die schrille stem die plots op je gras tuimelt. Mijn kippen antwoordden haar nooit. Ik wil niet beweren dat ze dat arrogant bedoelden. Ik denk dat ze daar gewoon geen zin in hadden, in die nasale klanken. Niet dat ik die mening met mijn kippen deelde. Ik liet hen betijen omdat ik hield van hun smeuïge eitjes. Tot ze op een late herfstdag in mijn vingers pikten omdat ik hen een vers gelegd ei probeerde te ontfutselen. Toen heb ik besloten hen uit te hongeren. Dat is nu een jaar geleden. Maar de krengen houden vol, bijna vederloos en tot bloedens toe. Ze geven niet op. De laatste weken fantaseer ik wel eens dat ik hen vanuit het raam bewerk met een pistool. Ik zou hen de laatste veren van hun billen schieten. En hen voor dood laten liggen. Het ontbindingsproces van een kip heb ik nog nooit van nabij gevolgd. Wel dat van een ander vogeltje, dat lang geleden tegen het raam was aangevlogen. Het lag dood op mijn terras. Ik heb het zien bevriezen en ontdooien. De veren en het vlees geleidelijk zien wegteren – die verdwenen zomaar zonder een spoor achter te laten. Het karkas is een tijdlang goed bewaard gebleven, maar dan…foetsie. Ik vermoed dat een of andere kater uit de buurt het meegesmokkeld heeft. Als speeltje. Het voelde vreemd aan, die lege plek op mijn terras. Ik was gehecht geraakt aan dat skelet. Ik miste het. Mijn kippen zou ik niet missen. Die snuisteren hier al lang genoeg rond. Helaas bezit ik geen pistool. Dus moet  ik berusten in hun aanwezigheid. Naar buiten gaan om me een wapen aan te schaffen, is geen optie. Dat lukt me nooit. Vroeger heb ik nog een aantal pogingen ondernomen, maar de mislukkingen stapelden zich op, tot ik besloot een grens te trekken aan de dorpel van mijn deur. Die steek ik nooit meer over. De wereld eindigt daar. Mijn levenswandel beperkt zich tot mijn slaapkamer, mijn keuken, mijn badkamer en mijn woonkamer. Daarom tuur ik vaak door het raam, soms zelfs een hele dag lang, zonder mij te verroeren. Elk wolkje zie ik voorbij drijven. Èlk wolkje. Er zijn ook dagen dat ik verplicht ben naar het egale blauw te staren. Niets saaier dan een heldere hemel voor mij. Lichtjes beangstigend ook, die uitgestrekte open ruimte. Wanneer er een vliegtuig of een vogel dat immense vlak doorklieft, voel ik me opgelucht, valt de spanning weg. Op andere momenten kan daar-buiten me ook ontzettend vervelen. Het gekrioel van blaadjes en grassprieten, het getjilp van onzichtbare mezen, de radio van de buren – en die van de andere buren – , het onbeweeglijke beton. Dan sluit ik de gordijnen. Ik weet dat mijn vis het niet kan verdragen wanneer ik dat doe, maar hij kan mij gestolen worden. Intellectuele gesprekken heb ik met hem nog nooit gevoerd en iedere twee weken moet ik zijn bokaal uitwassen want hij schijt alles onder. Op de momenten dat ik hem niet probeer af te richten, zwemt hij in cirkels. Lang geleden heb ik wel eens aan de wc-bril gestaan –  het gekriebel van zijn staart in mijn hand – maar toen beeldde ik me in dat hij langs ettelijke riolen in de open zee zou belanden. Een klein goudvisje met uitpuilende ogen in die massieve blok water. Het idee alleen al deed me sidderen. Daarom staat hij nog steeds op mijn tafel en zwemt hij dagelijks zijn rondjes. Zoals ik. Behalve op mijn vis ben ik tevens gesteld op mijn bananenplant en mijn orchidee, die altijd samen met mij door het raam turen. Het is hun vaste stek, links en rechts van mij. Ze leven op wanneer de zon door het raam naar binnen sluipt, kwijnen weg tijdens de wintervorst. In die duistere dagen bemest ik ze. Zoals ik mezelf bemest. Met koffie. Een extra kopje per dag. Dan staan we daar met z'n drieën, vrolijk in gesprek en met onze neus in dezelfde richting. Onze stelling is dat je daar-buiten pas ziet veranderen als je hem telkens vanuit dezelfde hoek onderzoekt. Dan merk je de allerkleinste details op, zaken die je anders over het hoofd ziet. Zoals een stukje gazon waar het gras een beetje sneller schiet. Een boom die bladeren huilt. Of een koppige bloemknop die weigert te bloeien. Die observaties geven me inzichten, van simpele ideeën tot complexe redeneringen. Ik hou ervan om gedachten en handelingen in wiskundige formules om te zetten. Ik ben een determinist, op alle vlakken. Strijden tegen biologische feiten, gevoelsmateries doorgronden of zich proberen aan te passen aan maatschappelijke conventies, is niet voor mij weggelegd. Geef mij maar het sublieme van de ratio. Pure ratio. Denken over het denken. Bijvoorbeeld: je begint bij een eenvoudige gedachte als ‘die boom lijkt elk moment te gaan omvallen’, waarna een hele reeks gedachten volgt, zoals ‘die gaat toch niet op mijn dak belanden?’, ‘dan moet ik een nieuw dak laten leggen’, ‘dan zal ik naar buiten moeten’, ‘dan zal ik doldraaien’, ‘dan bezwijm ik’, ‘dan kom ik in het ziekenhuis terecht’, ‘dan eindig ik terug in mijn huis zonder nieuw dak’. Zulke kettingen van gedachten probeer ik in wetmatigheden uit te drukken. Ik ben ervan overtuigd dat die bestaan. Alleen vergt dat tijd, veel tijd. Gelukkig heb ik voorraadkasten vol met tijd. Ik heb zelfs zoveel tijd, dat ik er gierig op word. Soms wil ik geen seconde delen. Soms wil ik dat alles en iedereen verdwijnt uit mijn tijd. Dan begin ik in alle talen te foeteren op allerhande internetfora in een poging het world wide web te doen leeglopen, wat meestal eindigt met een e-mail van de moderator van desbetreffend forum om mij te melden dat ik van desbetreffend forum werd verwijderd. Daarom moet ik mijn tijd in energie omzetten. Daarom groeide ijsberen, een ontzettend tijdrovende handeling, in mijn huis uit tot een beslommering. Ik moet nog ijsberen, denk ik dan. Of, ik heb nog niet geijsbeerd vandaag. Die gedachte springt nog voor het middagmaal in mijn hoofd. Meestal nadat ik al enkele uren door het raam heb staan turen. Het ijsberen verloopt steeds langs hetzelfde uitgestippelde traject. Ik vermoed dat ik onbewust een wiskundig patroon volg, maar niemand heeft me dat kunnen bevestigen. Nochtans heb ik het in bovenaanzicht nagetekend en op verscheidene internetfora geplaatst: van het raam naar de eettafel, waar ik twee keer rond wandel, vervolgens naar de keuken, tweemaal rond de keukentafel en vandaar de gang door tot in de badkamer, waar ik mijn spiegelbeeld groet, vervolgens naar de slaapkamer, waar ik vier keer rond het bed loop en dan in één ruk terug naar het raam. Die ijsbeerroute herhaal ik tien keer. Ik heb geen reacties gekregen op de internetfora. Of toch wel, eentje. Dat ik eens bij een dokter moest langsgaan. Die begreep er duidelijk niets van. IJsberen smeert de tijd. Als ik nadien opnieuw aan het raam ga staan, bekijk ik daar-buiten met andere ogen. Minder somber. De kleuren van de planten en struiken bekoren me meer en het gelach van de kinderen op het plein vòòr de sociale huisvesting, dat zich niet in mijn gezichtsveld bevindt, irriteert me minder. Daarom ijsbeer ik. Vorig jaar wilde ik er zelfs een boek aan wijden, 'De Deugd van het IJsberen', maar daar moest ik voor gaan zitten. Dat ging dus niet door. Als ik ga zitten, bevangt mij het gevoel te wachten op de tijd van anderen. En die is te weids voor mij. Te uitgestrekt. Mijn tijd is beperkt in ruimte. Alles wat ik doe, speelt zich in dezelfde kamer af. Ik bevond mij daar gisteren, eergisteren, de week ervoor, drie jaar geleden. Elke herinnering is verbonden met hetzelfde decor. Elke seconde kleeft eraan vast. Voor mij tikt de tijd niet. Ze ligt uitgespreid over mijn huis. Dan nog liever uren door het raam turen. Naar de kippen die geen eieren meer leggen. Te weinig eiwitten, denk ik. Eieren zijn intussen overbodig in mijn dieet. Met mijn 28 lentes tracht ik nu te overleven op macrobiotisch voedsel. Alles afwegen in porties. Uitrekenen. Mijn boodschappen worden aan huis geleverd. De betaling gaat maandelijks van mijn ouders hun rekening. Net als mijn huur trouwens. Toch zie ik hen nooit. Ze willen niet meer op bezoek komen en ik ga nooit bij hen langs. Ze bevinden zich achter de grens van mijn voordeur. En die steek ik nooit over. Zelfs voor hen niet. Zelfs niet als een van hen zou sterven. Dat ze hen maar in mijn tuin komen begraven. Vier op vier, dat is net groot genoeg voor twee lijken. Maak er maar een kerkhof van. Dat heeft nog iets statig, zo’n gotisch stenen kruisbeeld in het midden van het gazon. Misschien komt er dan eens een duif op zitten en wordt daar-buiten nog een beetje levendiger.   In de namiddag spendeer ik altijd enkele uren aan mijn pc. Daar-binnen kan ik zijn wie ik wil. Dan meet ik mij een persoonlijkheid aan die daar-buiten leeft. Natuurlijk heeft die maskerade ook zijn nadelen. Zo werd ik eens verliefd via het internet. Slapeloze nachten. Eetloze buien. Turen, turen, turen, alsof mijn hele leven ervan afhing. Nooit heb ik zo lang voor mijn raam gestaan als toen. Uren. Ik zag de zon opkomen, ondergaan, opkomen, ondergaan. Uitputtend. Hij had zich net als ik ingeschreven op het forum van de NASA. We raakten aan de praat door onze belangstelling voor zwarte gaten. Ik vertelde hem dat ik lang geleden zelf in een zwart gat was beland en me sindsdien op een plek bevond waar de massa eindeloos dicht op elkaar gepakt zit. Vier maal vier op vier maal vier. Hij antwoordde met een lachende emoticon. Hij hield van absurde humor, schreef hij eronder. Ik antwoordde hem dat ik van het platteland hield. Dat is geen echte leugen. Ik kijk graag naar prentjes van velden vol zonnebloemen, een uitgestrekt strand, de aderen gevuld met rimpelend zeewater, een plein met oudjes. Zo zijn we dan een tijdje doorgegaan. Op het einde van ons gesprek bleek ik een dertigjarige kunstenares te zijn, die zwarte gaten op landschappen schilderde, die dagelijks tien kilometer liep en pas gescheiden was van een maffioso. Kinderloos. Hij werkte op Wall Street, handelde in aandelen en had twee puberende dochters. We spraken af om de volgende dag verder te chatten. Ik grinnikte. Sloot af en ging voor het raam staan. De kippen nog springlevend. Tokkend. Verheugd om mijn gezicht. Toen voederde ik hen nog. De dag nadien logde ik opnieuw in op het forum. Zijn naam verscheen op het scherm. Eronder een lachende emoticon. Hij was blij dat ik het meende, schreef hij. Ik lachte terug. Vervolgens begon hij me vragen te stellen over de stad waarin ik woonde. Was dat een hel. Ik opende terstond een nieuw tabblad om zo snel mogelijk de juiste antwoorden te vinden. De stadskern is mij geheel onbekend, zelfs mijn straat ken ik amper. Maar ik wist mijn antwoorden zo te formuleren dat het leek alsof ik er dagelijks rond kuierde. “That’s a really nice place. I often go there in the spring to see the flowers blossoming.” Dat werkte echt bevrijdend. Een halfuur later geloofde ik die onzin zelf. Alsof ik haar was. De kunstenares. Geen schim die de waarheid moest verbergen. Daarna mocht ik hem vragen stellen. Ik kon niet echt iets bedenken, aangezien daar-buiten mij nooit als zodanig heeft geboeid. Dus vroeg ik of hij een foto bezat. Van zichzelf. Volgde het blozende emoticon en een resem verontschuldigingen. Dat hij geen Adonis was. Uiteindelijk stuurde hij toch een foto naar mijn mailbox. Ik moest die maar bekijken als we hadden afgesloten, schreef hij. Ik stemde in. En opende meteen mijn mailbox. Op dat moment gebeurde het. Zoals alles mij overvalt. Plots. Onaangekondigd. Een rilling door mijn ruggenmerg. Mijn maag in staat van beleg. Mooi was niet het woord, maar die uitdrukking. De zachtheid. Panda, roze zeep, stro, zonnebloemen, pompelmoes. Het meest nog leek hij op een spookdiertje. Die immens grote ogen, die schattige snoet. Aangrijpend. Ik slikte mijn ontzetting in en keerde terug naar het forum. Het blozende emoticon. En een vraagteken. Ik schreef dat ik een belangrijk telefoontje had. Hij toonde begrip. We zouden later nog contact opnemen. Zijn naam verdween van het scherm. Ik zuchtte. Ik was verliefd. Bevangen door de tragische twijfel om mijn kippen te slachten. De weken daarop hebben we elke dag met elkaar gechat. Hij van heel ver weg. Over de grens van mijn deur. Over de grens van Europa. Over een diepe zee heen. Dat hield ons niet tegen. De nakende ontmoeting wel. Ik had er nooit op aangespoord, maar hij vroeg het me vlakaf. Geen tijd om excuses te bedenken. Hij: Shouldn’t we meet? Hij: I’m sorry, I didn’t want to push you. Ik: My chicken have pink feathers. Was dat een leugen. Mijn kippen hebben helemaal geen roze veren. Ik voelde me gewoon verward. Betrok er dan maar die twee misbaksels bij. Hij stuurde me een vraagteken. Ik verdronk erin. Ik: They’re very rare, my chicken. I bought them from a one-eyed man who was raised by wolves. He used to catch chicken with his mouth. He looked very dangerous. Cloudy. He couldn’t talk. He howled the whole time. Scary noises. He wanted to rape me after I had bought the chicken. I killed him. De doodsteek. Ik heb nog een week voor mijn scherm gestaan. Vroeger, voor ik in dit huis woonde, heb ik vele liefjes versleten. Ik kon dat niet helpen. Meestal bevielen mannen me niet meer na enkele maanden. Dan liever een vis, die rondjes zwemt. Hij klaagt niet. Hij is blij als ik hem te eten geef. Mijn allereerste lief was dol op hem, meer dan op mij. Dat heb je natuurlijk met autisten. Ons meest romantische moment beleefden we toen we vier uur lang door de bokaal naar elkaar hadden zitten staren. Hij aan de ene zijde. Ik aan de andere. Zijn verwrongen, troebele gezicht, gespikkeld door drijvende stront. Zijn ogen achter glas, een eufemisme. Het was schrikken toen ik zijn ware gelaat terugzag. Zonder water. Zonder goud. Symmetrisch en zonder plooien. We hebben het nog een maand volgehouden, maar ik denk dat hij vooral moeite had om mijn vis achter te laten. Tegenwoordig houd ik me aan het less-is-more principe. Geen mannen. Geen mensen. Enkel hier-binnen en daar-buiten. Er is slechts één moment waarop die twee in elkaar verstrikt geraken, een soort Time-lapse, waarin de tijd van anderen die van mij doorboort. Een steeds terugkerend fenomeen dat ik met veel afgrijzen moet verduren. Zoals gisteren. Ik hoorde het helemaal in de verte gebeuren, ergens aan mijn voordeur. Toch nam ik alles haarscherp op. De lichte bries die enkele seconden voordien door de hal woei, het oorverdovend ijzig klepperen van metaal. Het schuiven van scharnieren. Vervolgens een korte, doffe plof en het ruisend glijden over de betegelde vloer. Ik stond stokstijf. Catatonisch gefobieerd. Dan lijkt het alsof ik ronddool in mijn eigen verstijfde lichaam, tegen de binnenkant van mijn huid aanschuur. Ik moest me ogenblikkelijk herpakken. Zoals ik iedere keer moet doen. Diep in- en uitademen, het brein verluchten, de soepelheid hervinden. Enkele minuten later kreeg ik mezelf in beweging en sloop naar de indringer. In het midden van de hal zag ik hem liggen. Eenzaam maar opvallend. Ik raapte hem behoedzaam op en droeg hem naar de woonkamer. Daar haalde ik mijn bronskleurige briefopener tevoorschijn en scheurde hem in één ruk open. Het papier glansde als satijn, maar voelde korrelig aan, alsof minuscule stukjes hart van de gevelde boom erin verweven zaten. Op het papier stond bovenaan mijn naam, in blauwe inkt. Elegante letters, zoals ik vroeger had geleerd. De sierlijke krullen trokken zo hard mijn aandacht dat ik vergat te lezen. Ik ging zitten – voor het eerst sinds geruime tijd – en legde de brief volledig opengevouwen voor mij op tafel. Er was een lat gebruikt, een potlood om lijntjes te trekken. Het geheel oogde fraai. Niet spontaan, maar afgemeten.  Geen inktvlekje te bespeuren. De schrijver had er duidelijk veel zorg aan besteed. Ik wilde de brief graag lezen, maar iets hield me tegen. De hitte straalde tussen mijn ruggenwervels. Rillingen over mijn rug. Ik nam hem mee naar het raam en legde hem ertegen. Glaspapier. Onleesbare woorden. De inkt vloeide in het zonlicht samen met mijn tuin en de brief kreeg een andere gestalte. Hij danste over het raam, glijdend, als een schaatser op het ijs. Gedrenkt in licht. Ik zag de letters gewiegd worden. Terstond had ik geen zin meer om de brief te lezen en wilde ik mij in de krullen van die letters nestelen. Zelf gewiegd worden. Ik haalde het papier van het raam en wandelde ermee naar de keuken. Leunend tegen de tafel, las ik de woorden, onafgebroken, naast elkaar. “Beste Shania,” “Hierbij willen wij u uitnodigen” Hup, ogenblikkelijk de vuilbak in. En doen alsof er niets gebeurd is.

Dorian
7 0

Ik? Ik ben het licht.

De wereld is duister, donkerder dan ooit. Mensen vermoorden elkaar. Zij kennen het licht niet. De duisternis heeft hun harten. Niemand kan er van ontsnappen. Alleen.... Alleen ik. Ik ben het licht en het is mijn taak om dat terug aan de mensen te geven. Ze moeten leren vriendelijk zijn, beleeft, vrijgevig en het belangrijkste: ze moeten liefde leren. Ik ben gestuurd als een normaal meisje op deze wereld. Ik kende mezelf niet toen ik op deze wereld kwam. Wat mijn missie is. Tot op de dag van vandaag wist ik niet waarom dat ik anders was dan de andere. Nu ik weet wat me te doen staat. En dat zal niet makkelijk zijn.  Mensen zijn tegenwoordig egoïstisch. Ze kunnen alleen maar denken aan het geld dat ze nodig hebben voor dat ding, dat ooohzoo veel kost. Mensen denken aan dure reizen die ze maken en daar alleen maar liggen aan het zwembad voor hèt bruine lichaamskleur. Wel voor mij , het boeit me niet. Ik ben blij met mijn blekere huidskleur. Het staat perfect met mijn lichtgrijze ogen en mijn platina gekleurde haren.  Mijn leven was redelijk normaal voor dat ik wist wat ik hier op deze wereld doe. Ik ging naar school, kende verliefdheid, al was ik de enigste, was op zoek naar mezelf zoals elke tiener/jongere.  Normaal toch? Wel dat veranderde waneer ik Lucien leerde kennen vandaag. Hmm.., laten we zeggen terug zien want toen ik hem een hand gaf, kreeg ik beelden in mijn hoofd. Beelden over wie ik echt ben. Op dat moment begon mijn echte leven echt.

lauraloveniers
0 0

Zwijgen

‘Zwijgen!’ brulde hij in haar gezicht. ‘Zwijgen, godverdomme!’ herhaalde hij, omdat het gewenste effect uitbleef. Ze bleef jammeren, zoals een vrouw jammerde als ze haar lot somber in ziet. Uit pure frustratie haalde hij naar haar uit met zijn wapen. De kolf raakte haar vol in het gezicht, waardoor het gejammer alleen maar erger werd. Om niet nog meer zelfbeheersing te verliezen, nam hij enige afstand van haar in de hoop dat het gejammer minder hinderlijk voor hem werd. Waarom hadden ze hem geen oordopjes geadviseerd bij deze hondenjob? Hij wist niet eens wat deze vrouw misdaan had of moest hij juist afvragen wat haar man uitgespookt had. Hij kon zich niet voorstellen dat zij problemen had opgelopen met de verkeerde mannen, met zijn opdrachtgevers. En blijkbaar gaf haar man zo weinig om zijn vrouw, dat hij haar liet zitten. Zat hij misschien ergens te wachten op haar dood, zodat hij haar kon begraven? Hij kon dat zich moeilijk voorstellen, omdat de vrouw in zijn ogen er toch best aantrekkelijk uit zag. Tenminste, als je de opgelopen verwondingen weg dacht. Gefrustreerd ijsbeerde hij door de ruimte heen. Waarom hoorde hij al dagen niets van zijn opdrachtgevers? Ze lieten hem toch niet gewoon zitten met die vrouw? In zijn ogen kon ze prima alleen achter blijven in deze loods. Het lag op een verlaten plek en het was goed af te sluiten, als ze al los kwam natuurlijk. Hij had een paar dagen terug geen risico’s genomen en haar enkels en polsen stevig vastgebonden met touw. Om het smekende ‘laat mij gaan’ te bestrijden, had hij haar mond afgeplakt met tape. Erg veel was hij er niet op vooruit gegaan, aangezien hij er gejammer voor terug had gekregen. Hij bedacht ineens dat een shot nicotine hem wel eens rustiger kon maken, of juist niet, maar dat risico nam hij er nu maar even bij. Veel erger kon het toch niet worden, omdat hij nu al het gevoel had dat hij zichzelf nauwelijks kon beheersen. Hij deed de deur van de loods van het slot en ging naar buiten om zijn sigaret op te steken. Urenlang had iemand op deze actie zitten wachten. Nog voordat hij besefte dat hij niet alleen was, boorde een kogel een weg door zijn schedel. Met een plof viel hij op de grond, waar al snel het leven uit hem verdween. De onbekende belager haastte zich naar binnen, naar de vrouw die inmiddels niet meer jammerde, maar uit pure angst ineengedoken zat te beven. ‘Liefste,’ zei de onbekende om haar aandacht te vragen. ‘Liefste, het is voorbij.’ Twee angstige ogen keken hem aan. Hij streelde zachtjes door haar haren en verloste haar dan van de touwen. ‘Hij zal je niets meer doen. Het is voorbij.’ Haar ogen zochten een bevestiging en met een voorzichtig glimlachje knikte hij. ‘We gaan naar huis.’ Het is hij, die nu voor altijd zal zwijgen.

Elvje
0 0

Schat

‘Mama!’ riep haar zoontje. Ze keek vertederd naar hem, terwijl ze haar handen aan een beker koffie probeerde op te warmen. Het was dan wel maart, maar het was nog altijd ijzig koud. Terwijl ze zelf van een welverdiende pauze genoot, ging haar zoontje onvermoeibaar verder. Ze twijfelde er niet aan dat hij vannacht weer als een prins ging kunnen slapen. ‘Mama!’ hoorde ze opnieuw, omdat ze niet direct opgesprongen was. ‘Mama, een schat!’ klonk het opgewonden. Geprikkeld door zijn woorden, had ze haar beker koffie op de buitentafel gezet en was ze naar hem toegegaan. Vol verbazing keek ze naar het gat dat door haar Bram gegraven was. Er was wel degelijk een stuk hout te zien, maar het was natuurlijk nog de vraag of er meer was dan alleen een verdwaalde plank. Aangestoken door het enthousiasme van haar zoontje hielp ze met graven. Wie weet wat ze zouden vinden! Na een halfuur intensief graven, hadden ze toch een kist van een behoorlijke omvang bloot gelegd. Aanvankelijk had ze niet in een schat geloofd, maar inmiddels was ze toch wel behoorlijk nieuwsgierig naar de inhoud er van. Even was er een lugubere gedachten door haar hoofd gegaan, maar de kist had gelukkig niet de juiste formaten. Misschien had ze wel teveel Amerikaanse misdaadseries gekeken? Nadat ze een breekijzer uit de schuur had gehaald, begon ze de deksel los te wrikken. De planken waren alleen niet van plan om zich zo snel gewonnen te geven. Terwijl ze even langs haar voorhoofd wreef om beginnende zweetdruppeltjes te bestrijden, zag ze hoe haar zoontje opgewonden langs de kuil heen en weer stuiterde. Wat hem betrof, kon het niet snel genoeg gaan. Hij wilde zijn schat zo snel mogelijk in zijn handen nemen. Vrijwel gelijktijdig met het breken van de houten deksel slaakte ze een luide gil. Uit een reflex nam ze Bram vast en ze drukte zijn gezicht tegen zich aan, in de hoop dat hij de inhoud van de kist niet zou zien. Haar lugubere gedachten bleken juist te zijn. Een skelet, er lag gewoon een lijk in haar tuin begraven! Het idee alleen al maakte haar ontzettend misselijk. Wie deed nu zoiets? Ze moest de politie bellen! Ze had binnen op de politie zitten wachten en voor ze het wist liepen er allerlei mannen en vrouwen haar huis in en uit. Gewone politiemannen, recherche, justitie en dan had je nog die mannen in de witte stofjassen. De verklaring van de politie was vrij eenvoudig geweest: ze hadden altijd geweten dat de vorige bewoner iets te maken had met de verdwijning van de buurvrouw, maar ze hadden het alleen nooit kunnen bewijzen. Geen schat voor hen, maar een levenslange nachtmerrie.

Elvje
0 0

Verloren

‘Nee!’ schreeuwde ze vanuit het diepst van haar ziel. Ze voelde hoe hij zijn laatste adem uitblies en hoe de kracht uit zijn hand verdween, die ze urenlang trouw had vastgehouden. Geen seconde was ze nog van zijn zijde geweken. Hij mocht niet weggaan. Hij mocht niet uit haar leven verdwijnen. Wat was ze zonder hem? Helemaal niets, zo voelde dat. De machine liet een vervelende pieptoon horen. Een bevestiging van het einde van hun maandenlange strijd. Een oneerlijke strijd. Een strijd die ze hoe dan ook ooit zouden verliezen. De tranen kwamen, terwijl ze naar het gezicht van haar vechter keek. Al die maanden had hij zich heel moedig en sterk gehouden. Ondanks dat hij wist dat hij ging verliezen, had hij weerstand geboden tot de laatste seconde. Zo was hij. Daar was de onvermijdelijke verleden tijd. Vanaf nu was hij een onderdeel van het verleden. Een stuk leven dat was en niet meer zal zijn. Hij kwam nooit meer terug. Vanaf nu moest ze alleen verder door het leven, zonder zijn beschermende armen om haar heen. Ze waren slechts vier maanden getrouwd toen ze het onuitspreekbare woord als diagnose te horen kregen. Ze voelde een hand op haar schouder en het kostte haar moeite om haar blik van hem los te maken. Een verpleegkundige deed haar best om een gepaste blik op te zetten, een blik die ze op deze afdeling natuurlijk veel vaker moest gebruiken. Hier wonnen of verloren de mensen hun strijd. Een groter contrast was niet mogelijk. Het monotone gepiep hield op en zijn ogen werden voorzichtig gesloten. De eindeloze blik verhuld. Respectvol werd hij losgekoppeld van de machines die de tekenen van leven geregistreerd hadden en die hem hadden geholpen bij de genadeslag. De hulp was minimaal geweest, dat was zijn enige wens. Hij wilde geen ondraaglijke pijnen doorstaan en op een waardige manier verliezen. Hem kregen ze niet klein, zo had hij altijd in elkaar gestoken. ‘Kom,’ werd er uitnodigend gezegd. Ze wist niet hoelang ze nog bij hem had gezeten, maar nu was het blijkbaar tijd om te gaan. Het echte afscheid nemen. Vanaf hier moest ze hem echt laten gaan. Ze stond op, maar ze voelde hoe haar knieën moeite hadden met haar gewicht. Ze ging niet zonder hem kunnen. Ze hield zielsveel van hem. Een zachte hand begeleidde haar subtiel de kamer uit. Weg van hem. Een onzichtbare lijn met hem die verbroken werd. Ze kon dit niet. Het was alsof een stuk van haar hart vernietigd werd. ‘Nee!’ schreeuwde ze. ‘Nee!’ Het klonk hartverscheurend. Ze stortte op haar knieën neer en gaf zich over aan de onophoudelijke stroom van tranen. Zo sterk als hem was ze niet.

Elvje
0 0

Brussel - beurs en spoed

Het verschil tussen een knipmes en een usb-stick is moeilijk te zien als het tegen de keel van Rutger wordt gedrukt. Ik had geprobeerd zijn rug te strelen, zijn hals te masseren, hem dicht tegen me aan te trekken, maar waarschijnlijk waren het net die bewegingen die hem nog zelfdestructiever maakten. We zaten op de trappen van de beursschouwburg in Brussel. Een jongeman komt om een vuurtje vragen. De twee mannen keuvelen genoegzaam, het klassieke gesprek: ‘Where are you from?’ ‘Ireland. And you?’ ‘Rotterdam, but I’m living in Brussels now.’ Ik geniet van de eerste zomeravond, luister naar het gebrom en geruis van het verkeer op de Anspachlaan. Een kleurspektakel van rode en witte lichten van de auto’s, straatlantaarns, neon-reclames, informatieborden die met rode led-lichten vertellen dat het nog achttien graden is, half elf. ‘Can I have some cigarettes from you? My wallet has been stolen today.’ ‘Oh shit man.’ ‘I am here to visit my sister. She lives in Brussels. But now my wallet has been stolen.’ Ik ben ook pas naar Brussel verhuisd. Het is me nog niet overkomen, gelukkig. Mijn hand ligt op de rug van Rutger. Dat mag, ik heb het hem gevraagd. Hij heeft problemen met fysiek contact en soms bevriest hij als ik hem aanraak. Dus ik had het beleefd gevraagd, of het goed was dat ik mijn arm om zijn schouders sloeg. ‘Dat mag’, had hij om zichzelf te overtuigen gezegd. Ik kijk naar de jongen die naast Rutger zit. Hij heeft een kaptrui, bruin-blonde haren, een baardje. De mannen roken samen een sigaret.  ‘I am going to kill five Moroccans.’ ‘Why are you saying this? Do you think you are better than them? We’re all the same. I am Dutch, you are Irish.’ ‘I am Polish.’ ‘But you told me you are Irish. Anyway, we should love each other, not kill each other.’ ‘But they stole my wallet. I’m going to kill them.’ ‘How are you going to do that? Do you have a gun.’ ‘Yes.’ ‘Show me your gun.’ ‘I  have a gun.’ ‘Show it. I don’t believe you have a gun. Did you kill somebody?’ ‘Yes.’ ‘How much money do I have to give you so that you kill me?’ ‘I won’t kill you. Your wife will kill you.’ Ik grijp Rutger vast, doe alsof ik hem wurg, vraag me af of dit nog een normaal gesprek is. Ik heb schrik. Ik drink van mijn Leffe. Ik probeer me op de zomeravond te concentreren. Belgisch bier en Brussels straatverkeer. Mannen hebben andere gesprekken dan vrouwen, ’t is bluffen dat ze doen, denk ik. ‘How much do I have to give you for killing me? Thousand euro?’ ‘I will kill you if you want.’ ‘I don’t believe you. Why are you saying this non-sense.’ ‘You don’t know me.’ ‘How much money?’ De tijd kan soms ophouden te bestaan. Ik zie beelden en denk gedachten maar ik weet niet in welke volgorde. De man haalt iets uit zijn broek. Ik denk: als hij een geweer boven haalt schiet hij ons allebei dood. Ik denk: als ik blijf zitten en hij schiet Rutger dood, schiet hij mij ook dood, en ik kan de politie niet meer bellen als Rutger dood naast mij ligt en ik een pistool tegen mijn hoofd krijg. Ik zie een politiecombi staan aan de overkant van de straat. Ik denk: als ik rechtdoor loop recht naar die combi gaat die man begrijpen dat ik naar de politie ga en mij doodschieten. Ik kijk opzij en zie dat de jongen iets tegen Rutger zijn keel drukt. Rutger vraagt: ‘What is this?’ Ik denk: wat is het? Ik denk: als hij Rutger doodt, doodt hij mij ook als ik blijf zitten. Ik moet dus weg. Ik moet kijken van op afstand en dan 112 bellen, of naar de combi rennen, of andere mensen vragen te helpen. Ik moet weg om Rutger te redden en mijzelf te redden. Ik denk: ik moet dit niet met Rutger overleggen want dat neemt te veel tijd in beslag en misschien krijgen we ruzie. Misschien vindt hij me flauw en vindt hij dat ik overdrijf en dat ik naïef ben en te bang. Ik sta recht en ik wandel weg. Voor ik tijd krijg om omte kijken, ik ben bijna de trappen van de beurs af, hoor ik Rutgers stem: ‘Ik krijg een mes tegen mijn keel gedrukt en jij wandelt weg. Mooi is dat.’ Ik denk: het was dus geen usb-stick. Ik denk: we moeten hier zo snel mogelijk weg. Misschien komt de kerel achter ons aan gerend. Misschien heeft hij alsnog zijn geweer boven gehaald en richt hij het nu op ons. ‘Kom, kom’, zeg ik. Rutger volgt en ratelt over jeugdtrauma’s van vrienden en broertjes die hem alleen bij een bende achterlieten en hoe hij een voet in zijn gezicht getrapt kreeg, ik probeer hem uit te leggen dat ik hem niet in de steek liet, maar naar de beste manier zocht om ons allebei te redden, kwestie van onze levens niet te beëindigen bloedend op de trappen van de beurs, op een mooie zomeravond in Brussel.   We gaan café na café binnen. We proberen het uit te praten. Hij vertelt dat hij dood wil. Dat enkel omdat hij zijn broertjes en ouders beloofd heeft te blijven leven, hij zichzelf niet vermoordt. Ik zeg dat ik het gevoel heb dat hij iets probeert te beschermen in zichzelf, en dat dat betekent dat hij nog wel wil leven. Wie zichzelf doodt, heeft niets meer om te beschermen. Hij luistert en concludeert rationeel dat ik allicht gelijk heb, dat als hij zegt dat hij niet wil sterven omwille van het verdriet dat hij zijn familie en zijn vrienden aan zou doen, dat dat waarschijnlijk betekent dat hij zelf ook niet dood wil. In nog een ander café vertelt hij hoe geil hij van me wordt. Dat hij, en dat mag ik in mijn zak steken, nadat we eergisteren die scène samen speelden, zich uren heeft liggen aftrekken, terwijl hij aan mij dacht, enkel en alleen aan mij, dat hij fantaseerde hoe hij me nam op de regietafel. ‘Ik masturbeer ook veel terwijl ik aan jou denk’, zeg ik. Dat wil ik dan eigenlijk helemaal niet, maar ik kan enkel klaarkomen als ik mijzelf toch toesta om aan Rutger te denken. Of nog sterker, op het moment dat ik klaarkom zie ik zijn gezicht voor me. Maar hij wil geen relatie met me. ‘Je kan me niet hébben.’ Ik denk: liefde gaat toch niet over het hebben van elkaar? Maar het is wel zo dat ik, als ik met hem vrij, de dag daarna kapot ga van jaloezie als hij met iemand anders vrijt. Dan vrij ik liever niet met hem. ‘Ik wil je heel graag vingeren.’ Dat mag wel, denk ik. We gaan naar het toilet van de Archipel. Hij vingert me, ik trek hem af, maar het roept te veel lust op. Ik wil hem pijpen, maar denk aan soa’s en de cijfers die hij me net heeft gegeven. Hij heeft een stuk of zeventig bedpartners gehad en vrijt vijfentwintig procent van de tijd onveilig. Ik denk aan de operatie voor genitale wratten die een vriendin van me morgen moet ondergaan. Derdegraadsbrandwonden in je kut. We besluiten dat we willen vrijen met elkaar, maar niet zonder condoom. Hij gaat boven een condoom halen. Ik wacht op hem in de wc’s. Ik krijg tijd om rond me te kijken. Er ligt een plas water op de vloer. Modder eerder. Ik zoek een plek om mijn laptop te zetten. Die heb ik meegenomen van boven, want vorige week is de laptop van Rutger in ditzelfde café gestolen, terwijl hij in een zwarte jurk zijn tekst aan het repeteren was. Hij heeft daarna twee stoelen kapot getrapt en vreesde dat hij het café niet meer binnen mocht. Ik kijk of het andere toilet properder is, dat is niet het geval. Ik zet mijn laptop op een smal richeltje. Ik wil mijn schoenen beginnen losknopen, want vorige keer dat we vrijden op een toilet in een café verliep dat zeer onhandig omdat ik mijn schoenen niet uitkreeg, en dus ook mijn legging niet, en dus mijn benen niet deftig gespreid over de pot kreeg wat voor zeer ongemakkelijke neukposities zorgde en ronduit slechte seks. ‘Ze willen niet dat we vrijen in hun wc,’ zegt Rutger. We friemelen nog wat verder met zijn vingers in mijn vagina en mijn handen rond zijn lul, maar het is al bij al zeer onbevredigend en ik denk: we hebben allebei überhaupt al veel te veel gedronken om nog tot hitsige seks in staat te zijn. We gaan weer aan het tafeltje zitten en concluderen dat het leuk is geweest. Een beetje puberaal, maar leuk.     *     We moeten samen naar de spoed, Rutger en ik, met onze collega Jamil. Hij kwam wit van de angst het lokaal binnengestrompeld, en dat is heel wat voor een zwarte jongen: ‘Ik heb bloed gepist.’ Vervolgens heeft hij zijn wandelstok naar de andere kant van het lokaal gesmeten met zo’n kracht dat er een neonlamp brak. De wandelstok zelf heeft hij daarna op zijn knieën in stukken gebroken. Splinters in zijn handen en op de vloer. Ik ben nog halfdronken en geil van vorige nacht, de archipel is nog maar een paar uur geleden gesloten, en ik probeer niet te denken: mama Leen en papa Rutger gaan met hun zoon Jamil naar de spoed. De vorige keer dat ik op de spoed kwam, omdat mijn nek gekraakt was na een mislukte kopstand, vroeg mijn toenmalig lief of we gingen samenwonen. In de taxi naar de spoed maakt Jamil zijn testament. Zijn geld mag naar de derdewereldlanden. Hij wil begraven worden. In Senegal waarschijnlijk, dat wil hij zelf niet absoluut, maar zijn vader heeft dat zo geregeld. Die betaalt nu al elke maand voor een familiegraf in hun geboorteland. In de wachtkamer kijken we naar de koers. De jongens proberen me uit te leggen wat er zo fascinerend is aan wielrennen. Ze kunnen er dagen naar kijken, zeggen ze. Een klein Marokkaans meisje komt flemen bij Rutger. Hij voert een mimespel op voor haar. Ze vindt het erg leuk. ‘Easy crowd,’ grapt die grote blonde Hollander naar ons. We bespreken de afschuwelijke belichting in de wachtkamer. Witte neons, geen daglicht. Jamil analyseert de andere wachtenden. Een oud koppel waarvan ik pas na een half uur besef dat het niet om twee vrouwen, maar een man en vrouw gaat. De man zit uitgeleefd in een rolstoel. ‘Zou die man ooit blij zijn?’ vraagt Jamil me. Zijn vrouw, frivool, geel vel, rood halssnoer, strijkt met haar hand door zijn grijze haren, kijkt af en toe geamuseerd naar ons, jeugd. Ik vraag me af of ze kinderen hebben. Rutger speelt ‘Kiekeboe!’ met de Marokkaanse kleuter. De moeder grijpt de vrije tijd aan om haar nagels te vijlen. ‘Een belangrijk deel van moeder zijn, is op de spoed zitten.’ grap ik tegen Jamil. ‘Zeker als je zo’n zoon zou krijgen als ik.’ antwoordt hij mij en aan Rutger zegt hij: ‘Je zou een goeie papa zijn. Wanneer begin je eraan? En jij Leen, wanneer word jij zwanger?’ Rutger legt uit dat hij geen vader wil worden. ‘En maar dokken voor dat kind zeker.’ Hij heeft een studieschuld van veertig duizend euro en amper geld om zijn eten te betalen. Hij overleeft op gestolen fruit en groenten uit de Aldi. De enige reden waarom hij niet al zijn hele lichaam onder getatoeëerd heeft, is omdat hij er het geld niet voor heeft. Hij is niet de vader van mijn kinderen, maar ik zou het fijn vinden als hij minder geil was. Jamil mag eindelijk bij de dokter. Intussen komt er een meisje binnengetrippeld. Een kleine wesp. Achttien is ze. Ze studeert letterkunde, maar wil liever filosofie doen. Ze is aan de antidepressiva, want ze heeft al eens een depressie gehad en in dat zwarte, bodemloze gat, wil ze niet nog eens vallen. Haar relatie tot Jamil is onduidelijk, maar Jamil heeft ons verteld dat hij op rijke, Westerse meisjes valt. Rutger is verliefd op alle vrouwen. Ik vraag me af wat ik met die mensen op de spoed zit te doen, in dat vermoeiende neonlicht terwijl het buiten lente is. We mogen een wachtkamer opschuiven. Het meisje en Rutger wisselen informatie en ervaringen met antidepressiva uit. Rutger kan niet duidelijker aan mij maken dat hij meent wat hij altijd tegen me zegt. Hij flirt zo met het meisje dat ik hem er bijna van verdenk dat het enkel is om mij te kwetsen. Maar ik vrees dat dat nog een te positieve interpretatie mijnentwege is. Rutger houdt van de hele wereld in de hoop dat de hele wereld van hem houdt. Ik ga eten en drinken zoeken en bij de uitgang van de spoed loop ik Liesbeth tegen het lijf, een jeugdvriendin van mij die nu als gynaecologe in het AZ van Jette werkt. ‘Ik moet nu weg met de MUG,’ zegt ze, ‘Nu. Nu.’ Een uur later zie ik haar voorbij komen achter een bed met een hoogzwangere vrouw met bloed tussen haar benen. ’s Avonds op mijn voicemail hoor ik dat ze me niet meer gevonden heeft, dat ze eerst nog een keizersnee en twee bevallingen heeft moeten doen. Het meisje waar Rutger mee flirt en Jamil, allicht, ik kan het me niet anders voorstellen, mee vrijt, maakt schilderijen met haar maandstondenbloed. Ze ligt in de clinch met haar vader omdat die op blonde vrouwen met blauwe ogen valt die hem er steeds weer inluizen. Dit vertelt ze ons later, als ik bij Rutger op de schoot zit op de achterbank van een auto, kotsmisselijk door de brute rijstijl van Jamil: ‘Die vrouw heeft gezegd dat ze zwanger is van mijn vader en dat hij dus wel met haar moet trouwen nu. Dat bleek helemaal niet waar te zijn, ze wil hem enkel voor het geld.’ Ik vraag me af waarom wij twee ons zo laten doen door Rutger en Jamil, die zo openlijk iedereen afwijzen en toch iedere week nieuw vlees in hun bed krijgen. Hun respect voor vrouwen is zero. Als ik hen uitleg waar wij vrouwen graag over praten, lachen ze mij uit, terwijl dat meisje naast me helemaal opfleurt: ‘Ja, ik heb dat artikel ook gelezen in de Flair! Zíj vraagt hem ten huwelijk!’ ‘En hij zegt ja.’ Ons zelfbeeld is te laag, denk ik, we durven ons niet outen als vrouw. We zijn onbewust zo angstvallig op zoek naar een man, dat we denken dat om een man te versieren, we moeten zijn zoals hij. Maar dat ben ik niet. Ik wil voor mensen zorgen. Ik wil iedereen op zijn gemak stellen. Ik wil lief en teder voor iemand zijn en ik kan pas van seks genieten als ik zielsveel van die man houd. Als ik me kan voorstellen dat hij de vader van mijn kinderen is. Na uren op de spoed bleek dat de dokters niet konden vinden wat mis was met Jamil. Alles lijkt in orde. We gaan naar Aalst, met z’n vieren, versuft en verweesd, om naar de première van zijn dansvoorstelling te gaan kijken. Hij heeft ons verzekerd dat hij zelf niet mee danst, gezien zijn gezondheidstoestand. Ik zit naast Rutger in de zaal en we kijken elkaar razend kwaad aan als we zien hoe Jamil een danseresje de lucht in heft. Zes uur samen op de spoed zitten breekt voor mij iedere professionele afstand die ik tot deze jongen probeer te bewaren. De volgende dag confronteer ik hem: ‘Je had gezegd dat je niet zou dansen. Je kan de trap niet eens oplopen. Wij dachten gisterenmiddag nog dat je dood zou gaan, en ’s avonds hef je een volwassen vrouw boven je hoofd.’ Hij roept dat ik mij niet met zijn medische toestand te bemoeien heb en tilt intussen een tafel op die hij met zoveel kracht terug neerzet, dat het tafelblad barst. Ik loop het gebouw uit, helemaal overstuur. In de Delaunoystraat moet ik stoppen aan een raamkozijn omdat ik zo hard aan het hyperventileren ben dat ik niet meer verder kan wandelen. Ik denk terug aan de bossen in Polen waar ik weg vluchtte toen mijn lief het gedaan maakte. Daar kon ik hyperventileren en zingen en brullen zonder me voor anderen te schamen. Ik heb ontzettende steken in mijn borst. Zie je wel, denk ik, die verkrampte ribspieren waarvoor ik bij een kinesist in behandeling ben, zijn psychosomatisch. Ik denk aan wat een schrijfster me ooit zei: ‘Jij bent enkel bang voor jezelf.’ Die gedachte kalmeert me. Ik kan verder wandelen. Ik eindig in het Gieterijpark in Molenbeek, waar een Marokkaans meisje verschrikt naar me kijkt. Ik ben te ver van de wereld om er aandacht aan te kunnen besteden. Ik merk dat ik op mijn vuisten bijt. Wat verder probeert een Ethiopische vrouw - ik weet helemaal niet of ze Ehtiopisch is, maar ze is zwart en heeft een hoofddoek en Afrikaanse gewaden – die vrouw dus, ze is nog jong, probeert een jongetje met kromme benen te laten lopen. Hij slaagt er telkens in drie pasjes te zetten en botst dan lachend tegen haar schoot. Ik kijk ernaar en denk: dat kan ik. Lief zijn, mensen aanmoedigen, en al zie ik dat ze kromme benen hebben, hen toch blijven stimuleren om te lopen. Maar zes uur op de spoed zitten in angstige afwachting wat het zal zijn: toch geen spataderbreuk? Toch niet de onmiddellijke dood? En dan de volgende ochtend te horen krijgen dat ik me niet met zijn zaken te bemoeien heb… En daarna via via te horen dat hij mij een typisch zwakke Westerse emotionele vrouw vind… En dan denken: dus werkelijk de enige reden waarom jij met Westerse vrouwen vrijt is hun geld? You are a fucking whore. Want eerder, bij mij thuis aan de keukentafel, heeft hij al bekend dat hij nog nooit plezier heeft gehad aan seks. Op de spoed, bij die dokter, heeft hij een nieuwe ontdekking gedaan. De dokter zei hem: ‘Ik moet even in uw aars zijn.’ Hij slaat zijn benen over elkaar, tilt zijn pols op: ‘Geen probleem.’ Dan denkt hij: ‘Fuck Jamil, look at yourself, why are you sitting like this? En wat heb je aan?’ Strakke, modieuze, oranje broek, design blauwe sweater. De dokter moet een rectaal touché doen. Jamil voelt de vinger in zijn aars en denkt: ‘Fuck I like this, it’s not bad.’ En dan komt de ultieme verrassing, het is niet enkel rechttoe rechtaan de vinger in de aars, maar ook met draaien, driehonderd zestig graden. Vol genot vertelt Jamil ons dit verhaal, met aansluitend de homoproblematiek in Afrika. ‘In Senegal you’re killed if you’re gay.’ Zijn eigen moeder, die verpleegster is en in haar vaderland enkel zieke homo’s heeft gezien, denkt dat homoseksualiteit een geestesziekte is. Ik weet niet waarom ik dit opschrijf. Die jongens lijden hun eigen leven en ik wil hun waarheden niet kennen. En ik moet geen schrik hebben van mijzelf. En dringend uit de kast komen. Als hetero vrouw. Met alle sentimentele en emotionele gevolgen vandien. En niet meer denken dat ik alle mannen kan redden. Een hetero man zoeken die graag zijn tijd doorbrengt met hetero vrouwen. En hun zorg en liefde aanvaardt.    

Leen De Graeve
0 0

LUXEMBURG

Luxemburg vond het allemaal prima. Alle dagen haver vreten, vliegen op zijn oren, en van tijd een zelfverklaarde maar nogal uit de kluiten gewassen amazone die het betamelijk vond om hem bij wijze van vertier als transportmiddel te gebruiken. Allemaal prima, niets aan de hand, hem ging je niet horen zagen. Maar waar Luxemburg wel grandioos het schijt van kreeg, was hoe de liefde bijwijlen werd afgebeeld in populaire cultuur. “Komaan”, zei hij, “het is toch duidelijk dat een volwassen relatie gebaseerd is op het sluiten van compromissen. Ik wil gerust alle dagen haver vreten, niets aan de hand, maar je moet mij niet komen vertellen dat het gemeenschappelijk belang ooit ondergeschikt kan zijn aan de persoonlijke verlangens van één van de individuen binnen een relatie.” “Tot op zekere hoogte kan ik je wel volgen”, antwoordde één van de anderen, “maar je kunt toch ook het belang van een doorgedreven individualisme niet ontkennen. De meest pragmatische opstelling is die van de permanente dialoog tussen twee persoonlijkheden, waarbij de identiteiten deelfactoren zijn van een groter geheel, zonder echter hun respectieve aflijning te verliezen. Deze insteek lijkt mij constructiever dan het nastreven van de ultieme, en in die zin romantische, symbiose tussen twee personaliteiten waarbij de afzonderlijke constituenten als het ware worden opgeheven en plaats maken voor een nieuwe identiteit dewelke in stand moet worden gehouden door een constante interne wisselwerking.” “Idioot, volgens mij ken je een te grote waarde toe aan de zogeheten chemie die het resultaat kan zijn van de discrepantie in temperament en signatuur van twee individuen. De doorsnede in het venndiagram van wederzijdse verwachtingen is een boksring en geen smeltkroes, en is als dusdanig meer gebaat bij arbitrage dan bij aanvuring.” “Dan onderschat je volgens mij de zelfregulerende kracht van de mutuele positieve ingesteldheid en de … zeg, sta jij nu te schijten?” “Welja, euh, daar lijkt het toch op hé.” “Nou, ik dacht… we waren toch aan het babbelen.. dan is dat toch wat raar om zo gewoon.. da’s precies zo…” “Wat?” “Welja, de mensen noemen ons altijd edele dieren en dan sta jij hier zowat te beren in het midden van een goed gesprek.” “Komaan, dat was geen goed gesprek. Onze meningen lagen mijlenver uiteen, en het zag er niet naar uit dat we kortelings tot een vergelijk zouden komen.” “Dan nog moeten we toch op een beschaafde manier kunnen discussiëren?” “Dat deden we toch?” “Maar je kunt toch niet zomaar beginnen kakken dan?” “Welcome to the real world, motherfucker.”

Proza(c)
0 0

Het volle pond

“Schat… Schat.”- “Hmmm?”“Schat, slaap je?”- “Hmpf… Ik geloof van niet. Wat is er misschien?”“Daarnet, tijdens het nieuwjaarsetentje bij Truus en Andy. We waren aan het praten over onze intimiteitsbeleving. Je zei dat je daar 100% tevreden over was. Ik maak me zorgen.”- “Hoe bedoel je, da’s toch net goed?”“Mja, maar ik weet nog dat we het daar vorig jaar op het etentje ook over hadden. Toen zei je nog dat je 200% tevreden was. Dat is een halvering van de voldoening die ik je kan schenken. Kan ik je dan echt totaal niet langer behagen?”- “Maar moppie, ik zei toch dat ik er 100% gelukkig mee ben?”“Mja, ok. Maar dat is toch maar een halvering tegenover vorig jaar.”- “Misschien had ik de vorige keer dan ook gewoon 100% moeten zeggen.”“Dus heb je vorig jaar overdreven, of zelfs gelogen?”- “Maar moppie…”“Jij bent me een fraaie hoor. Gewoon boudweg de waarheid geweld aan doen in de wetenschap dat je mij daarmee mijn fysieke integriteit op de helling zet. Als mijn uitgezakte lijf je niet langer kan bekoren…”- “Komaan, moppie, je bent 32.”“… zeg het dan gewoon, ik ben een redelijke vrouw. Maar wentel je niet in een web van leugens, verdoken homo die je bent.”- “Maar schat, ik ben 100% hetero!”“Zie je wel, ik wist het. Je geeft het nu al zelf toe, gore nicht die je bent. Ik had het kunnen weten. Deze hele relatie is blijkbaar gebaseerd op leugens en halve waarheden.”-”Moppie, overdrijf je nu niet wat?”“Jij moet spreken, emotioneel-theatrale diva die je bent.” Stukske dramaqueen van mijn voeten, dacht hij. Mocht ze niet zo goed zijn in bed, ik was al lang weg.

Proza(c)
0 0

Ervanonder

Felix was nog maar nauwelijks de deur uit, of het feestgewoel barstte al stevig los. Niet dat Felix onpopulair was of zo, het was gewoon beter om te wachten tot hij weg was.
Het hele gezelschap begon uitbundig feest te vieren, en iedereen maakte fun voor twee. Enkel Reginald stond wat onwennig in een hoekje te kijken naar het hele gebeuren. Hij ontsnapte daarbij aan eenieders oog, behalve dat van Sandra.
“Waarom dans je niet lekker mee, Reginald? Iedereen maakt zoveel plezier!”
-“Goh neu neu,” antwoordde Reginald, “ik heb nog wat last van een blessure aan mijn heup en …”
“Ach kom nou, flauwerd, het zal tof zijn.”
-“Maar ik denk dat ik echt beter oplet met m’n heup en …”
Sandra nam hem bij de pootjes en trok hem zachtjes richting dansvloer.
“Nee, Sandra, echt, ik moet trouwens eerst effe naar het toilet” stribbelde Reginald semi-nukkig tegen.
“Komaan Reginald… Waarom dans je toch niet gewoon lekker met ons mee?”
“OMDAT IK NIET WIL DANSEN, OK? Daar, het is eruit. Nu tevreden, trut?”
“Maar Reginald…”
“Elke keer als die rotte kat wordt buitengelaten zijn wij verondersteld te dansen als idioten. Ik heb niets tegen wat fun, maar onze soort moet beseffen dat net dàt pavloviaans conformisme ervoor zorgt dat we nog altijd overal proefdieren zijn, en het ons blijven onderwerpen aan clichématige preoccupaties net het soort gedrag is dat stereotiep behaviorisme nog meer in de hand werkt.” Reginald was in een zodanige colère geschoten dat hij de wereld rond zich carrément was vergeten. Hij had dan ook niet in de gaten dat het hele feest was beëindigd door het uiteenstuiven van al zijn vrienden. Toen het Reginald begon te dagen wat er gaande was, was het al te laat. Sandra’s betraande ogen waren het laatste wat hij zag. Oprechte spijt dat hij haar nooit zijn liefde had verklaard, het voorlaatste dat hij voelde. En dan die pijn.

Proza(c)
0 0

Arme Mensen

Adelbertje liet zijn lievelingspaard zadelen en vertrok op pad naar de arme mensen.“Hoi, arme mensen!” Adelbertje had besloten dat een luchtige informele toon de beste manier was om met de arme mensen om te gaan. Dat gingen ze vast wel op prijs stellen.“Goeiemiddag, Adelbertje,” spraken de arme mensen. Adelbertje voelde aan zijn ellebogen dat er enige weerspannigheid huisde in de zielen van het volk. Hij haalde echter zijn geldbuidel boven en sprak hen nogmaals toe, in alle sociale onversaagdheid.“Hé arme mensen, kijk eens wat ik hier heb: centjes! Ik geef eenieder genoeg geld om een nieuwe stoof te kopen, wat zeg je me daar van.”De arme mensen keken eens naar elkaar, en Adelbertje stelde bij enkelen van hen een opwaartse beweging van de wenkbrauwen vast. Hij kon geen touw vastknopen aan het gebrek aan geestdrift bij de arme mensen, maar de vragende blik in zijn ogen werd beantwoord door Jeffrey, hun voerman.“Nou euh, ik vrees dat we allemaal al een stoof hebben die prima is. Enkel die van Lucien begint de laatste tijd wat te stinken maar we hebben afgesproken om er zondag na de mis eens naar te kijken.”“Welja, maar komaan, een nieuwe stoof en al. Dat zou toch de max zijn!”“Goh ja, het is heel vriendelijk maar het hoeft toch niet per se hoor. De enige die er beter van zou worden is de stovenmarchand, maar die heeft niet per se geld nodig want hij heeft zelf ook al een stoof.” De stovenmarchand knikte instemmend, bijna gelaten. Zijn kwartaal was net afgesloten en hij mocht er niet aan denken dat hij nog negentien nieuwe stoven zou mogen gaan inschrijven.Adelbertje verstond er werkelijk niets meer van. Die ondankbare honden slaan hier zomaar een nagelnieuwe stoof in de wind. Hij reed beteuterd terug naar huis. De hoefijzers van zijn ros klonken schel toen hij de ophaalbrug overreed. “Luidruchtig klotepaard,’ dacht hij.

Proza(c)
0 0