Lezen

Werkplek

Kwaad stormde ze mijn kantoor binnen dat mijn kantoor niet is. Mijn niet-mijn-kantoor is een ruimte die ingericht werd voor collega’s die in alle rust willen werken. Niet dat je er veel rust krijgt, mensen lopen binnen en buiten, de geluiden van de publieke ruimte ernaast stromen binnen bij vloed, trekken even weg bij eb en vervolgens, bij vloed, stormen mensen kwaad binnen met de melding, niet de vraag, de melding: ‘ik dacht dat er ging geholpen worden.’  Helpen wilde ik zeker, had de loper bij mij gelegd, klaar om telefoons te beantwoorden zodat mijn collega in alle stilte en rust in haar eigen kantoor zou kunnen werken, waar er effectief stilte en rust heerst en niemand binnen en buiten loopt, want de deur daar is nooit geopend. Echter bleek ik de verkeerde loper bij mij in mijn onrustig kantoor te hebben gelegd en kwam er geen enkele telefoon bij mij in mijn kantoor dat niet van mij is terecht. ‘Sorry,’ zei ik, ‘sorry’ en ging het juiste toestel halen. Mijn hart klopte onrustig en ik weet niet of dat kwam door de kwade melding of door het opgejaagd zoeken naar een toestel dat het mijne niet, maar wel mijn verantwoordelijkheid was op deze zonnige, maar koude namiddag. Vol schuldgevoel ging ik door met werken aan een tekst dat niets met mijn werk te maken heeft en alles met mijn werk te maken heeft. Een tekst over mijn werk en over al wat daar, dus hier, gebeurt. Alle gebeurtenissen zijn werkelijk een verhaal waardig. Nuja, waardig, wanneer zijn gebeurtenissen een verhaal waard? Uiteindelijk is niets en alles een verhaal waard, het hangt er steeds van af hoe je het al dan niet waardevolle verhaal verwoordt en het komt er uiteindelijk wellicht gewoon op neer om gebeurtenissen te verwoorden op een manier dat het verhaal, ook al zonder inhoud, een verhaal waardig wordt. Misschien zijn alle verhalen zonder inhoud, zijn alle verhalen met inhoud en is de inhoud en de toegekende waarde afhankelijk van de persoon die er een bepaalde waarde aan toekent, niet? Ik weet het niet, ik vraag de ‘niet’, niet om bevestiging te krijgen, maar om af te toetsen wat jij er van vindt. Wat vind jij er van? Ik vraag altijd wat jij er van vindt, maar wat vind ik er van? Dat weet ik niet en die vraag stelde ik niet aan jou, maar aan mij. Antwoorden heb ik niet, nooit, maar ik blijf zoeken, niet om te vinden, maar om te zoeken en in dat zoeken vind ik waar ik naar zoek.  Een tweetal jaar geleden kwam ik terecht op deze werkplek die een plek is waar wel degelijk gewerkt wordt, al denken mensen vaak dat dit geen werkplek is, maar een plek waar zaken kunnen opgeëist worden, waar werknemers geen mensen zijn, maar werknemers en de werknemers geen werknemers zijn maar robots die moeten kunnen blijven lachen om steeds dezelfde grappen die elke minuut verteld worden door steeds een andere klant. Een plek waar collega’s enkel collega’s zijn als zij de collega zijn en de collega een ondergeschikte en een  mens zijn voor zichzelf wanneer iemand eens iets meer vraagt en werknemer zijn wanneer het gevraagde valt onder het strikt afgebakende pakket aan taken waar niemand iets van afweet. Een plek waar collega’s kwaad binnenstormen in ruimtes die ingericht werden om in alle rust en stilte te kunnen werken om te melden dat er toch geholpen zou worden, dat was toch de afspraak? En geholpen wordt er zeker, eenzijdig, dat wel, maar geholpen wordt er zeker. Een tweetal jaar geleden kwam ik hier terecht en sindsdien heb ik mijn ogen uitgekeken naar hoe mensen omgaan met mensen en hoewel het hier vooral werken is met mensen ben ik steeds minder graag onder mensen omdat mensen, welja, mensen zijn. En ik ook, dat is het ergste. Ik heb kleine kantjes van mezelf gezien, opgemerkt, genegeerd, met het schaamrood op de wangen onder ogen gekomen en kleine kantjes van anderen gezien, opgemerkt, tegen ingegaan en met het schaamrood op de wangen beseft dat ik bij hen hoor, bij deze mensensoort waar elk lid er van een vreemde is en op de vlucht is voor zichzelf. Er zit geen lijn in het verhaal over deze werkplek en toch een duidelijke lijn. Alles verliep tot nu toe in één rechte lijn, zoals de tijd in één rechte lijn doorloopt en tegelijk kruisen gebeurtenissen elkaar, overlappen ze elkaar, gaan ze in elkaar over, kruisen ze elkaar opnieuw, kronkelen langs elkaar, is het één grote warboel en ontwar een warboel maar eens na twee jaar. Ach, wat is twee jaar. Het is eerder dat ik geen zin heb om te ontwarren, de warboel is de warboel en zou niet zijn wat het was mocht ik het ontwarren. Ik ben een ongelooflijk ongeduldig persoon en heb ook het geduld niet om een genuanceerd, duidelijk, rechtlijnig verhaal te vertellen. Dat ben ik niet, dat kan ik niet, misschien kan ik het wel, maar dat ben ik niet en hoe ongelooflijk moeilijk is het om te zijn wie je niet bent en toch ben ik zo vaak wie ik niet ben, maar wie mensen willen en verwachten dat ik ben. Nee, geen specifieke mensen, eerder dè mens. Nee, dat is ook geen waar, niet dè mens want dè mens is los van verwachtingen en maatschappelijke constructies. Dè mens zit enkel vast aan dè mens, niet aan wat dè mens en de mensen construeerden en schiepen. Ik maak een warboel van de warboel en knoop er nog wat meer touwen doorheen.  Wilde ik hier dan een verhaal van maken en verdwaal ik in een doolhof van woorden, zinnen, gedachten, dus laat ook maar. Later misschien. Misschien. 

Lorin Clercq
0 0

Van 'petty crime' naar radicalisering. Zaventem Maalbeek.

https://www.2dehands.be/q/verf+ed+cannabis/ ********************************************************************** de link tussen het repressieve drugsbeleid, de sociale dynamiek in wijken als Molenbeek en de radicalisering die leidde tot de aanslagen Tien jaar na de aanslagen is er nog nooit een onderzoek gebeurt: waarom enkele bruine Brusselse ketten zich bekeerde tot de moordpartijen. Het is mijn overtuiging dat: had men tientallen jaren geleden cannabis gelegaliseerd die bruine ketten wel stoned, arbeidsloos, in de zetel haden gelegen maar zich niet tot die moordpartijen overgegaan waren. Waarom gaan ze niet voetballen? Omdat er geen plaats, voetbalvelden zijn. Waarom gaat niemand het zwembad in? Omdat er in Brussel geen enkel zwembad is. De politiek is. TREK UW PLAN. Ik heb het van ver gevolg. Toen de toenmalig P.S. burgemeester van Sint-Jans-Molenbeek zeer tolerant was bij het gebruik en verkoop van cannabis was er geen haar op het hoofd van die ketten om moordenaars te worden.Maar hij werd opgevolgd door een zeer intolerantie opvolger die met de nodige terreur het gebruik van cannabis vernietigde. Het begon in Nederland waar men de cannabis kopers vanuit België vooral Brussel beu was. Na een tijdje was er opeens geen takje cannabis in Brussel meer te vinden. De bruine ketten werden nuchter en zeer kwaad. Toen legden ze hun oor te luisteren bij extreme personen die hen opdagen om hun agressie bot te vieren op een agressieve cultuur die vooral op alcohol dreef. Toen gingen ze naar Syrië en daar kregen ze verder onderricht in terreur.  Het is verschrikkelijk dat de toenmalige politiekers o.a. Louis Tobback jaren gejaagd heeft op vooral arme, bruin, en alternatievelingen die cannabis prefererde voor alcohol en nu sinds hij geen macht meer geeft cannabis wil legaliseren. "De politie werd erdoor opgeslorpt en de gevangenissen raakten overvol. Terwijl miljarden illegaal de grens overgingen, spon het corrupte grootkapitaal garen bij het optreden van Louis Tobback." Alcohol fabriek die miljoenen aan de Leuvense stadskist doneert. IEDERE DAG bereiken ons 300 kreten om hulp vanwege fysiek geweld, intra familiaal geweld, een topje van de ijsberg,  meestal aangewakkerd door alcohol.  P.S. Onderzoekers zoals de Franse socioloog Olivier Roy en de Belgische expert Rik Coolsaet hebben beschreven hoe een deel van de daders een verleden had in de kleine criminaliteit (waaronder drugshandel). Wanneer die vertrouwde sociale structuren en inkomstenbronnen onder druk kwamen te staan door repressie, ontstond er een vacuüm dat door extremistische ronselaars werd opgevuld. De overstap van een "zondig" leven (drugs/criminaliteit) naar een "zuiver" strijdersbestaan in Syrië bood hen een vorm van (valse) verlossing en een uitlaatklep voor hun frustratie tegenover de samenleving.  De veranderende visie van figuren als Louis Tobback weerspiegelt de bredere maatschappelijke verschuiving. Wat decennia geleden taboe was (cannabislegalisatie), wordt nu door voortschrijdend inzicht door steeds meer beleidsmakers gesteund, vaak om de zwarte markt uit handen van criminelen te halen.  De overgang van het tijdperk-Moureaux (vaak bekritiseerd om een gedoogbeleid) naar een strengere aanpak onder latere besturen is inderdaad een veelbesproken kantelpunt in de lokale geschiedenis van de gemeente. **************************** FOTO GALLERY verf ed ed+altaar+de+culturen/ Rond 1995 heb ik dat werk gemaakt. Ik noem het "altaar der culturen." Links ziet men een tv, onze gemeenschappelijke identiteit valt van het - silicium - glas - zand.De gemeenschappelijke informatiebronnen zijn verdwenen.De wijzen van vroeger opgevolgd door radio en uiteindelijk als laatste de tv die een ongeveer gemeenschappelijke boodschap uitdragen, ons collectief geheugen, is niet meer.De informatie is versplinterd.Rechts ziet men een gietijzeren kandelaar daar in een mensenhoofd in papier. Stukken teksten. Krantenpapier "De encyclopedische mens".Gietijzer = nationalistenKandelaar = religieIn het midden staat de hedendaagse mens. Opgesloten. "de encyclopedische mens".Dit deel is gemaakt van een reclame voor lippenstift.Regeneratie KosmetikIn de dubbele wand gaan luchtbellen in het water de hoogte in.In die dubbel - transparantie - plexiglas zit diezelfde "encyclopedische mens".Het geheel staat op dunne platen, glas = chips = zand = silicium.Het geheel steunt op een gietijzeren pilaar = industriële cultuur.De gietijzeren plaat staat op de grond = landbouwcultuur.HET ALTAAR DER CULTUREN. Ik woonde toen in de Aalmoezenierstraat in Antwerpen. De jaren 90 tig. http://www.anamorfose.be/verf/misc-images/verf-t-i-r-e

verf ed: Contemporary interdisciplinair ArtTIST, nen tjolder, nen prutser. BIO.
108 0

De wet van drie, zes en negen

 Mijn vriend heeft een perfecte pelouse. Maar echt. Perfect. Geen spriet durft scheef te staan. Ge houdt uw adem in als ge er voorbij loopt. Het gras ligt zo strak dat ge het gevoel hebt dat het ’s nachts nog rechtgetrokken wordt. Het is een voortuin. Dat is belangrijk, want een voortuin is niet van u alleen. Een voortuin is een statement. Een zachtgroene mededeling aan de straat. Het bepaalt de norm.  En elke vrijdag — élke vrijdag — staat hij daar. Alsof zijn leven ervan afhangt. Alsof er een jury komt. Alsof ergens iemand met een clipboard notities maakt. Hij maait. Hij strooit. Hij kijkt. Hij stapt achteruit en dan weer vooruit. Hij buigt zich. Hij recht zich. Hij knikt soms. Naar niemand. Hij kan zorgen voor iets dat eigenlijk nooit af is. Hij blijft geloven dat perfectie bestaat.  “Drie, zes en negen,” zegt hij dan. Alsof het over iets eenvoudigs gaat. Alsof iedereen dat weet. "Drie, zes en negen maanden om uw gazon te bemesten. In maart en september ook kalk. En in die negende maand maakt ge alles klaar voor de winter." Hij zegt dat met een vanzelfsprekendheid waar ik licht ongemakkelijk van word. Maart. Ge begint. Ge strooit. Ge hoopt. Ge denkt: dit wordt schoon. Juni. Ge onderhoudt. Ge kijkt of het pakt. Of het groeit. Of ge het onder controle hebt. Spoiler: dat hebt ge niet. En dan september. Ge strooit opnieuw. Kalk. Zorg. Nog één keer alles geven. Niet om het mooier te maken — maar om het te laten overleven wat komt. Want daarna wordt het koud. Daarna groeit er niks meer. Daarna is het gewoon… wachten. Ik moest daar dus aan denken. Aan die drie, zes en negen. En aan hoe wij mensen elkaar liefhebben. Want wij doen dat ook zo, denk ik. In het begin zaaien we. We geven alles. We willen dat het groeit, dat het schoon is, dat het klopt. In het midden proberen we het gaande te houden. Water geven. Praten. Soms zwijgen. Doen alsof we weten waar we mee bezig zijn. En dan — ergens — komt er ook een september. Een moment waarop ge voelt: nu moet ik zorgen dat dit blijft. Niet dat het nog groter wordt, niet dat het nog beter wordt, maar dat het kan blijven bestaan. Dat het de winter overleeft. Misschien maken we een liefde ook klaar voor de winter. Na die negende. Niet met mest of kalk, maar met zachtheid. Met aanvaarding. Met minder eisen. Niet meer alles willen veranderen. Niet meer alles willen laten groeien. Maar gewoon zeggen: blijf maar, het is goed zo.  Mijn vriend staat in zijn voortuin. Recht. Zeker. Met zijn perfecte pelouse. Voor de straat. Voor de blikken. Voor iets dat misschien buiten hem ligt. En ik? Ik sta ernaast. Met vuile handen. Met vragen. Met iets dat lijkt op liefde. En het lichte besef dat ge sommige dingen perfect kunt onderhouden voor de buitenwereld, maar dat ge ze pas echt leert kennen wanneer niemand kijkt, het stil wordt, en de winter begint.

Katrien Daniels
82 4

Eddy de slimme kip

1. "Jij bent de domste kip aller tijden",  zei Boer Balthazar vaak tegen Eddy. Als je vaak hetzelfde hoort, denk je soms dat het waar is. Niemand hoort graag dat hij dom is.  Maar het klopt niet, want kippen zijn slimme dieren. Wist je dat?  Uitspraken zoals ‘kieken zonder kop’ of ‘dom kieken’ slaan nergens op. We kunnen je alvast één reden geven waarom Eddy zeker geen domkop was. Eddy begreep heel wat woorden in mensentaal. Wat? Wist je niet dat kippen woorden kunnen begrijpen? Echt wel. Ze kunnen zelfs spreken. 2. Als je al een woord aan het gekakel of het getok van kippen zou moeten geven, dan is het ‘kips’. Pas op, dat is geen ‘haans’, want dat is de taal van de hanen. En het is helemaal anders dan het ‘konijns’. Daar moet je al goede oren voor hebben, want ze spreken heel stilletjes. Daarom zijn ze uitgerust met een goed stel oorflappen. Net zoals de hazen. Maar die taal is weer anders.  Het komt eenvoudigweg hier op neer: in het dierenrijk heeft elk dier een andere taal. Net zoals de mensen heel wat verschillende talen hebben.  3. Telkens als boer Balthazar van zijn werk in de hoofdstad thuiskwam, want hij was geen voltijdse boer, trok hij meteen zijn werkpak uit om andere kleren aan te doen.  En telkens voerde hij hetzelfde gesprek met zijn spiegel. “Spiegeltje spiegeltje aan de wand, wie is…”  Nee nee, wees gerust, boer Baltazar ging niet dat beroemde zinnetje uit het sprookje over Sneeuwwitje en de Zeven Dwergen zeggen. Al scheelde het niet veel. Kijk maar wat hij had aangetrokken. Het was geen werkbroek, maar een koerskostuum. Een rennerspak.  4. “Spiegeltje spiegeltje aan de wand, wie is de beste wielrenner van het land?”, zei hij telkens voor de spiegel. Vroeger wilde hij altijd wielrenner worden, maar na een val in een plaatselijke kermiskoers durfde hij met zijn fiets niet meer te racen op de straat. Net voor de aankomst van de wedstrijd staken een tiental kippen en een haan de straat over en Balthazar kon ze niet ontwijken. Hij tuimelde op de grond en hield er heel wat breuken aan over. De kippen en de haan waren ongedeerd. Ook al nam hij het de kippen niet persoonlijk kwalijk – hij kende ze tenslotte niet en de boer had het poortje laten openstaan – toch bleven die overstekende kippen altijd ergens in zijn achterhoofd zitten. Het is dan ook bijzonder dat hij later zelf kippen ging houden. Maar hier dacht hij niet veel over na.  5. Waar hij wel over nadacht, toen hij de kippen kocht, was de namen van de kippen. Want die moesten allemaal de naam van een wielrenner hebben. Balthazar was nog altijd, ondanks die val, zot van de koers. De eigenschappen van de wielrenners naar wie hij ze had genoemd, zag je terug bij de kippen. Zo was Fons een heel bescheiden kip. Roger was een echt haantje de voorste. Wilfried was de snelste van alle kippen en durfde al eens een grap uithalen met de andere kippen. Fransesco was wereldkampioen eieren leggen en Joop liep altijd achter een andere kip aan. Meestal deed ze dat bij Eddy, die werd er soms wat zenuwachtig van. 6. Maar die originele namen was dan ook het enige goede dat hij had gedaan voor zijn kippen. Als hij in zijn wielertenue naar het kippenhok liep, hoorden de kippen hem al van ver afkomen met die koersschoenen. Tok, tok, tok, tok, tok. De kippen kenden het geluid als geen ander. Vooral omdat na het getok van zijn koersschoenen het trappen met diezelfde schoenen volgde. Hij trapte naar elke kip die voor zijn voeten liep. En de kippen wisten dat de blokjes onder de schoenen serieus pijn deden. Hij had nog nooit een kip geraakt, hoe hard hij ook zijn best deed. En dat maakte hem nog kwader. “Ik ben de baas”, riep hij dan. “Jullie moeten eieren leggen. Veel eieren.” “Jij bent de domste kip ter wereld”, zei boer Balthazar telkens tegen Eddy.  Maar Eddy wist beter. Hij was heus niet dom. De andere kippen bewonderden haar zelfs. Bovendien keek ze boer Balthazar altijd op een bijzondere manier aan. En Balthazar voelde dat.  7. Balthazar wist ook niet wat slimme mensen hadden ontdekt, want in de krant las hij alleen de uitslagen van de wielerwedstrijd. Zo had hij niet gelezen over de ontdekking dat kippen 24 verschillende toks of klanken hebben. Met die klanken maken ze zich verstaanbaar voor elkaar. Een haan is zelfs nog slimmer. Als hij een oogje heeft op een bepaalde kip, klinkt zijn kukeleku helemaal anders. Scherper ook. 8. Zo ging het elke dag. Als boer Balthazar niet aan het werk was in de hoofdstad, fietste hij in de keuken op de rollen en ging een paar keer per dag naar de kippen. En telkens riep hij naar de kippen. Van ‘domme kippen’ tot ‘jullie moeten veel eieren leggen’.  Maar op een dag gebeurde er iets dat afweek van het gebeuren van elke dag. Het was een zomerse zaterdagavond en Boer Balthazar keek in de keuken naar het tv-toestel op het aanrecht, terwijl hij op de rollen fietste. In het programma werd een boerin aan een boer gekoppeld. De boer moest een boerin kiezen uit een aantal kandidaten. Het was de laatste aflevering van het seizoen. Op het einde van de aflevering vertelde de presentator dat ze volgend seizoen de rollen zouden omdraaien. Een boerin ging dan op zoek naar een boer. En die boerin was Veroniek. “Hallo, ik ben Veroniek”, zei ze. “Ik ben op zoek naar een sportieve boer, die goed met dieren kan opschieten. Zelf heb ik heel wat kippen en ander pluimvee. Ben jij sportief? Zie je graag kippen? Misschien ben jij dan wel de boer waar ik naar op zoek ben.” 9. Balthazar was meteen verliefd. Hij was zo van slag dat hij plotsklaps stopte met fietsen. Maar op de rollen mag je niet zomaar stoppen. Elke wielrenner weet dat, want dan verlies je je evenwicht. Ook Balthazar wist dat, maar daar stond hij niet bij stil. Of juist wel. Toen hij stilstond tuimelde hij op de keukenvloer, net zo hard als tijdens de kermiskoers toen hij de kippen probeerde te ontwijken. Drie huizen verder hadden ze de ‘boenk’ gehoord. Gelukkig had hij nu niets gebroken. “Veroniek, ik hou van je”, zei Balthazar terwijl hij op de grond lag, maar op de tv was het programma al afgelopen en de weervrouw kwam in beeld.  10. De kippen hadden door de open keukendeur gehoord wat er zich in de keuken afspeelde en kwamen niet meer bij van het lachen.   “Ja kipjes”, zei hij. “Binnenkort woon ik hier niet meer alleen, maar samen met Veroniekske.”  Hierna begint hij plots te zingen. “Veroniekske, Veroniekske, jij bent echt mijn lievelingskiekske.” Hij zong het wel twintig keer na elkaar. De kippen maakten ondertussen zo een lawaai van het lachen dat de buren over de schutting keken om te zien wat er aan de hand was. Maar Balthazar begon meteen met het schrijven van een brief naar Veroniek. Dat hadden ze op het einde van het programma gezegd, als oproep aan mogelijke kandidaten. 11. Elke dag wachtte Balthazar de postbode op. Hij vertrok speciaal later naar zijn werk. “Is er een brief voor mij postbode?”, riep hij telkens naar de postbode, terwijl die nog een paar huizen verder stond. Maar het waren telkens betalingen. Balthazer keek uit naar het antwoord van Veroniek. Een keer was hij zelfs de postbode achterna gefietst, omdat Balthazar net te laat buiten was. De postbode had zelfs schrik van Baltahazar, omdat die maar bleef roepen. “Een brief, een brief, van mijn lief.” Balthazar kon de postbode niet inhalen, want die was ook een amateurwielrenner. Tot die ene dag, eind augustus. De postbode overhandigde Balthazar een brief. Hij had de hoop bijna opgegeven. Aan de envelop kon hij meteen zien dat de brief van Veroniek was. Ook omdat haar naam op de achterzijde stond. 12. Na de brief ging alles in een sneltreinvaart voor boer Balthazar. Hij had nog heel wat werk vooraleer de tv-ploeg bij hem kwam filmen.  Hij begon aan een grote schoonmaakbeurt, zowel het huis als het kippenhok. Hij kocht een nieuw kostuum en stond daarmee elke dag een paar keer voor de spiegel. En tenslotte oefende hij een recept om Veroniek aan te bieden als ze naar hem thuis kwam.   Bij de tv-kok had hij een interessant gerecht gezien. Een quiche met spinazie, prei en paprika. Het zag er geweldig lekker uit. Op tv dan toch. En terwijl hij poetste of aan koken was, zong hij het hetzelfde liedje: “Veroniekske, Veroniekske, jij bent echt mijn lievelingskiekske.” 13. De dag van de opnames begon perfect. Veroniek kwam samen met de regisseur en de camermensen aangereden en het was meteen een vrolijke boel. Veroniek was nog mooier dan Balthazar had gedacht. Ze had een bloemetjesjurk aan en daaronder droeg ze witte sneakers. Ze had bijna een punkkapsel. Helemaal anders dan op tv, toen ze nog lange blonde haren had. Maar dit was nog mooier. Zoiets mooi had Balthazar nog nooit gezien. “Ik geef jullie eerst een rondleiding”, zei Balthazar. “Dit zijn mijn kippen. Die daar is Eddy. En daarachter Joop. En dat is Wilfried, die is altijd het snelst als ik eten breng. De schavuit.” “Wat een bijzondere namen”, zei Veroniek. “Ja, het zijn allemaal namen van wielrenners”, zei Balthazar. “Wielrenners van vroeger. Omdat ik zelf nog heb gekoerst vond ik dat wel leuk. Op de een of andere manier passen hun namen bij de kippen.” 14. Net toen Balthazar en Veroniek zich aan tafel hadden gezet, en ze amper een eerste hap van de quiche hadden genomen, begonnen de kippen plots te kakelen. Allemaal tegelijk, zeer luid en in dezelfde toon. Ook Veroniek had het gehoord. “Zeg Balthazar, dit is voortreffelijke quiche”, zei ze. ”Dat heb je in je brief niet geschreven, dat je ook lekker kan koken.” “En wat kakelen je kippen toch mooi”, zei ze. “Precies allemaal in dezelfde maat. Zoiets mooi heb ik nog nooit gehoord. Het lijkt wel een liedje. Heb jij ze dat geleerd? Ik val van de ene verbazing in de andere.” Maar de kippen kakelden niet zomaar. Ze hadden iets voorbereid.  15. Balthazar herkende het meteen. Ze kakelden op de toon van het liedje dat hij de laatste tijd altijd zong. “Veroniekske, Veroniekske, jij ben mijn lievelingskiekske.” Hij kookte meteen van woede. Zijn hoofd was als een ballon die ontplofte. Alleen vlogen er gelukkig geen stukjes neus of oren in het rond. “Verdomde kippen, ik doe ze in de soep”, grommelde hij. Omdat hij nog op een stukje quiche aan het knauwen was, verstond Veroniek niet wat hij zei. Maar er vlogen wel stukjes prei en paprika uit zijn mond. “Pardon, excuseer me even”, zei Balthazar met een rood aangelopen hoofd. Dat verstond ze wel. 16. Hij bulderde als een woeste stier naar buiten en rende recht naar het kippenhok. Hij liep zelfs met zijn hoofd naar beneden, net zoals een stier dat doet als hij aanvalt. “Waar zitten jullie? Dekselse kippen”, riep hij. Hij zag geen enkele kip. Maar toch hoorde hij ze nog kakelen op de toon van het liedje. Eigenlijk had hij totaal geen reden om zo naar buiten te stormen, want Veroniek vond het prachtig. Zingende kippen. Wie had dat ooit gehoord? Balthazar moest wel een echte bijzondere boer zijn, dat hij hen dat had geleerd.  Haar hart klopte alsmaar sneller voor Balthazar. Maar daar dacht Balthazar niet over na. Want hij meende dat de kippen hem een hak probeerden te zetten.  Daar had hij gelijk in. En daar had Eddy ook op gerekend. Ze had een plannetje beraamd waarbij het etentje met Veroniek vast en zeker zou mislukken. Als wraak voor al die keren dat hij ‘domme kippen’ had geroepen en naar hen had getrapt met zijn koersschoenen. 17. Eddy stond samen met de andere kippen en de haan achter het kippenhok opgesteld. Net zoals de kippen in de kermiskoers, waar Balthazar jaren geleden over was gevallen met zijn koersfiets, kwamen ze plots tevoorschijn. Heel stilletjes, zonder te zingen. Ze vlogen vooruit. Zoals echte renners in de sprint van een koers. Eddy op kop, daar achter Joop, Wilfried en alle anderen. Ze liepen zo snel dat Balthazar ze niet had gezien. Ze kwamen uit het niets tevoorschijn en Balthazar nam een tuimel zoals je nog nooit een turner heb zien doen. Hij maakte wel drie salto’s. Maar zijn landing was niet zoals een turner. Hij zou er geen punten voor krijgen. Hij landde niet op zijn voeten, maar plat op zijn buik, volop in de kippenstront. De kippen hadden dat allemaal mooi bij elkaar gelegd. Dat was ook een heel werk geweest. “Eendracht maakt macht”, zei Eddy. “En een heleboel stront”, voegde Wilfried er nog aan toen, die altijd in was voor een grapje.  18. Zijn gezicht, het mooie pak, zijn schoenen, alles hing vol kippenstront. De kippen keken er even naar en verdwenen, terwijl ze opnieuw ‘Veroniekske, Veroniekske’ kakelden, terug in het kippenhoek. Je kan je wel voorstellen hoe Baltazar de keuken in kwam.  De geur was niet te harden.  Veroniek sloeg meteen haar handen voor haar haar mond en meteen snel naar haar neus. Wat een stank. De kippen waren buiten ondertussen opnieuw aan het zingen. Ze kakelden zo luid dat de buren opnieuw kwamen kijken. “Wat is er toch bij Balthazar aan de hand?”, zei de buurvrouw. “Het lijkt wel of de kippen zingen en er staat een tv-ploeg voor de deur.” 19. Balthazar had zich ondertussen wat gewassen en zette zich terug bij Veroniek aan tafel. De quiche was ondertussen koud geworden.  “Zal ik deze even voor jou opwarmen?”, vroeg Veronique. “Nee, laat maar”, antwoordde Balthazar. “Mijn honger is over.” “Maar dan moet je me wel even vertellen wat er daarnet is gebeurd”, zei Veronique. “Waarom werd je zo kwaad op de kippen, terwijl die toch fantastisch mooi kakelen. Het lijkt wel een liedje.” 20. En Balthazar begon te vertellen. Over zijn jongensdromen, dat hij altijd wielrenner had willen worden. Dat hij het niet onaardig deed bij de wedstrijden voor de jeugd, dat hij echt gebeten was door de wielersport, maar ook dat hij tijdens een kermiswedstrijd heel erg was gevallen, over de kippen die de straat overstaken en dat hij daarna niet meer op de weg durfde te fietsen.  Dat hij dan maar ambtenaar in de hoofdstad was geworden, maar dat hij nog altijd een passie voor wielrennen had. En dat hij thuis veel fietste op de rollen en naar de wedstrijden op televisie keek. En dat hij de kippen namen van wielrenners had gegeven. “Maar dat had ik je al verteld”, zei hij. 21. En daarna brak Balthazar. Niet in twee, zodat er twee Balthazars waren, maar hij brak van spijt en verdriet. Hij barste in tranen uit. Hij legde zijn hoofd op tafel en hij begon te snikken. De camera bleef ondertussen maar draaien, want ze wisten dat ze nu wel een heel bijzondere aflevering aan het opnemen waren. Maar dat was zonder Veroniek gerekend. Ze vroeg aan de regisseur om naar buiten te gaan. “Dit moeten jullie niet opnemen”, zei ze. De regisseur protesteerde nog. “Maar wacht eens even Veroniek”, zei hij. “Wij maken hier het programma, en ik vind dat we dit ook moeten opnemen. Dit staat zelfs in het contract.” “Contract of niet, zonder mij heb je helemaal geen programma”, zei Veroniek fel. “Het stopt hier. Ik roep wel als jullie terug binnen mogen.” 22. Daar zaten Veroniek en Balthazar. Hij had ondertussen zijn tranen afgeveegd en Veroniek had haar hand om zijn arm gelegd. “Ik vrees dat jouw val van vroeger in de kermiskoers toch iets meer teweeg heeft gebracht dan je zelf denkt”, zei ze. “Onbewust was je al die jaren heel erg kwaad op de kippen. Ook al denk je zelf misschien van niet. Omdat je de kippen van die kermiskoers niet meer ziet, verplaats je je woede op je eigen kippen. Misschien is het zelfs beter dat je geen kippen houdt. Want die beestjes kunnen er niets aan doen”, zei ze. “Misschien heb je wel gelijk”, zei Balthazar. “Misschien …” “Misschien moet jij eens een keer bij mij op bezoek komen”, zei ze. “En laat ons die hele tv-uitzending maar vergeten.” “Misschien is dat wel het beste”, zuchtte Balthazar. “Misschien moeten we dat doen.” 23. En zo gebeurde het. Veroniek stuurde de tv-ploeg naar huis. Er waren immers altijd reserveboeren die ze konden opbellen. Wat er allemaal was gebeurd, kon niet uitgezonden worden. De tv-zender wilde het juist wel uitzenden, want zoiets lokte veel kijkers. Maar voor Veroniek was het welletjes geweest. Balthazar was duidelijk nog gekwetst van het voorval met de kippen in de kermiskoers. Niet gekwetst aan zijn knieën of schouders, maar wel in zijn hoofd en aan zijn hart.  Diep vanbinnen was hij dat nooit vergeten en nam hij het de kippen kwalijk dat ze zijn koersambities hadden gedwarsboomd.  24. “Veroniekske, Veroniekske, jij bent mijn lievelingskiekske”, zong Veroniek in haar tuin. De kippen kakelden vrolijk mee op de melodie. Het waren trouwens heel wat kippen die het liedje kakelden. Wel een stuk of dertig. Ook Eddy, Joop, Roger, Wilfried en alle andere kippen van boer Balthazar scharrelden er rond. Ze waren niet langer bij Balthzar, want op een dag had hij ze meegenomen naar Veroniek. Na de mislukte tv-opnames waren ze elkaar blijven zien en een tijdje later werden ze de beste vrienden. Veroniek had aan het programma geen ‘vaste boer’ overgehouden.  Wel een goede vriendschap met Balthazar, waarmee ze alsmaar beter kon opschieten. Ze keek er telkens naar uit als hij had laten weten dat hij naar de boerderij van Veroniek kwam. Als Balthazar bij Veroniek met zijn rennersfiets achterom kwam gefietst, begonnen zijn kippen spontaan het liedje te kakelen. Ze waren hem niet vergeten. Veroniek wist dan dat Balthazar was gearriveerd en ze zong vrolijk mee. Balthazar had haar immers na een tijdje wel verteld over het liedje en Veroniek vond dat geweldig grappig. Als Balthazar de kippen het liedje hoorde zingen, moest hij zelf ook lachen. Het hele voorval met de kippen tijdens de opnames van het programma was hij zo goed al vergeten. Ook aan de val over de kippen tijdens de kermiskoers dacht hij nog maar zelden. Eddy, Wilfried en de andere kippen renden meteen naar het hek van het kippenren als ze hem zagen. Alsof ze hem wilden begroeten.  “Dag Eddy”, zei Balthazar dan. “Hoe gaat het met jou?” Einde

Rudi Lavreysen
0 1