Lezen

FAF Kitona (2)

                               You knew enough — to tell Lieutenant Saavik                                                 that how we face death                                  is at least as important as how we face life.     Er zijn geen vaste dagen, maar vandaag ben ik geen luitenant en ik luister niet naar de naam Saavik. Als “Shoot to kill” klinkt, dan ben ik Kolonel Nithelet, dan sta ik op een landingsbaan in Ndjili en fluister ik, tussen de tanden, want het is geen officieel bevel.   Ik kan me inleven als een kameleon in zijn kleuren en daarom ken ik de volle betekenis van die drie woorden. Als je muiters beschiet die optrekken in de richting van Belgische troepen of landgenoten, zorg dan dat ze niet kunnen wegvluchten, anders verspreid het nieuws van onze aanval zich als een lopend vuurtje en staat binnen de kortste keren gans Neder-Congo in de fik.   Mijn grootvader Jim herinnert het zich maar al te goed. De para’s hadden het luchthavengebouw van Ndjili in handen gekregen en samen met Baudoin vloog hij patrouille in de omgeving, Baudoin in de H-35 en Jim in de H-23. Een camion met zwarte muiters reed in de richting van het vliegveld en als deze scene zich voordoet, zwijgen we allebei. We horen de mitrailleurs van de beide Harvards, maar ze missen doel en de vijand kan vluchten.   We landen en inspecteren onze toestellen. Dan is het altijd enkele seconden wachten. Grootvader kruipt in zijn schelp en ik word de razende Brigadier Generaal Gheysen die ons vuren hoorde. Schreeuwen doe ik niet, maar ik leg de nodige colère in mijn stem en zeg : “Espèces de couillons, vous allez mettre le Bas-Congo en feu et flammes.”   Die nachten slaapt Jim niet goed, niet de nacht 13 juli 1960 en ook niet deze nacht, die van 4 december 2004. We dromen allebei, maar mijn grootvader zweet daarbij aanzienlijk meer, en Bartje, die denkt het te weten waarvan ik droom : luitenant Saavik ontmoet haar. Eindelijk. Het is een buitenaardse wezen en heeft twee benen, drie schroeven.      

Bernd Vanderbilt
0 0

FAF Kitona (1)

Als er ergens een rode draad loopt, dan is hij meer dan vijftig meter lang, blauw als een veld met baby-ogen en met wat geluk keert de rust terug, komt er een einde aan de zoveelste oorlog.   Het is pas When The Saints Go Marchin’ In dat er echt te veel stof aan de naald hangt en ik blazen moet. Ik dep daarna de zweetdruppels die op zijn voorhoofd staan en ik vraag of hij recht wilt zitten, of ik water inschenken mag, maar hij reageert niet en het zal pas tien minuten later zijn, bij I Want To Walk You Home, dat hij zijn hoofd naar links beweegt, de ogen opent, dat hij een hand op mijn onderarm legt en uitputting een zucht vindt.   Fats Domino is geen piloot van een T-6A en weegt, voor hij een noot speelt, niet eerst af welk geschut hij zal inzetten, mitrailleurs met kaliber punt driehonderdendrie, één of meerdere van de zes rockets of de general purpose bommen. Zijn vingertoppen glijden over de onschuldige toetsen. Tonen komen uit zijn hart gestroomd, noten met een drive vol vrolijkheid. Zijn muziek heelt, probeert het tenminste. Ik ken vele frases uit het hoofd en dan bedoel ik die van mijn grootvader, Jim Kilroy. Zegt hij : “Diving sixty degrees, standing on the rudder pedals, pointing the nose on the target and...”, dan vul ik altijd aan met : “Shoot to kill!”   Nochtans heeft hij geen van deze woorden zelf uitgesproken, toen in 1960. De technische uitleg betrof het gebruik van de raketten en kwam uit de mond van Etienne, een ancien van de Tweede Wereldoorlog. De kortere citaten laat hij meestal aan mij over en soms gebruik ik zelfs afkortingen, zeg ik enkel “S-T-K!”. We hebben een taal ontwikkeld die enkel wij twee volledig begrijpen. “Yes! S-T-K!” herhaalt hij en als ik op een dwaze dinsdag zeg dat het niet staat voor Steve Kirsch of Satellite Tool Kit, dan glimlacht hij voorzichtig, dan verwijt hij mij geen gebrek aan respect. Hij sluit de ogen en probeert in te slapen.   De lakens waarin hij ligt zijn lichtgrijs omdat er weinig licht is in de kamer. Ik weet dat ze het proberen, om wit te zijn, maar de rode draad is dus blauw! Zoals het hoort. Hij loopt door twee levens, die van mijn grootvader, Jim en van mijzelf, Jonathan Van Hyfte. Door het het leven van mijn vader, Franky Van Hyfte, loopt de draad niet. Dat was niet zo en dat kan nu ook niet meer. Mijn moeder Marie-Rose Kilroy kent de draad wel maar hij loopt over haar buik. Ze weet hoe de garens voelen, maar kent niet de vele frases, noch de vele details van alle nare dromen, want mama slaapt in een kamer boven de living. Ik daarentegen slaap in grootvaders kamer, in onze kamer, een voutekamer boven een kruipkelder.   Zelf zal ik nooit alleen slapen, en piloot worden, dat wil ik niet, maar ik weet hoe het voelt, om een vliegend doelwit te zijn, om na de landing het aantal gaten in de romp te tellen. Ik weet precies hoe veel er zijn en ik ken zelfs het geluid dat het aluminium maakt als ik met de onderkant van de linkervuist onze Harvard T-6A een klopje geef, uit dank. Hij heeft ons teruggebracht en we leven nog.        

Bernd Vanderbilt
0 0

Herfstweer

Herfstweer   Elk jaar op 11november doen wij onze KLJ reünie. Iedereen kijkt hier naar uit, de dagen worden afgevinkt en de drang om elkaar weer te zien groter en groter. Wij (oud-leiding van Molenbeek-Wersbeek) zijn met een 14 tal mensen. Allemaal mensen uit hetzelfde kleine plattelandsdorpje. We hebben destijds een jeugd gehad waarvan er velen van dromen. Spel, plezier, sport, fietsen, we hebben er allen ten volle van genoten. Zomervakantie was Kamptijd. De voorbereidingen als leiding waren al een bonte-avond op zich: fantasieën en spelen uitdokteren, dorpen gaan verkennen voor het dorpsspel en mensen inhuren voor nachtspelen. De verkleedkoffer werd meegenomen, boerenbroeken tot maat 56 en trouwjurken van onze ouders, pyjama’s in zuivere flanel en nachtkleden van overgrootouders in fijngeweven bio katoen,  vintage modellen van getallonteerde (vrouwenschoenen met steile hakken) schoenen, alles ging mee , 10 dagen lang feesten tot we niet meer konden. Als je ons in groep zou zien zijn we zo al een geweldige klucht op zich. De meeste onder ons hebben een zijlijn in hun haar met bles naar rechts maar dan is er een uitzondering met bles naar links. Onze leeftijd varieert tussen de 51-61 jaar maar rimpels zijn niet aan ons besteed. Dankzij onze zeer gezonde levenswijze van natuurvoeding eten en natuurproducten smeren, geen poriën vullen met bruintinten en niet roken zien wij er dus gewoonweg geweldig uit. Vandaar dat onze reünie steeds start met een prachtige groepsfoto om up to date te blijven en daarna doen we meestal een wandelingetje van een 20 tal km door bossen. Buiten wat gehijg van hellingen voelen we ons top: onze gewrichten kraken zelfs niet meer na zulke prestatie, geen rugklachten, niks. Halverwege houden we een tussenstop om kleurrijke blaren bij elkaar te zoeken en staan we steeds versteld van het prachtige kleurenpallet. Dit jaar een 20tal verschillende kleuren gaande van vuilgeel tot wijnrood. Daarna wordt er getoast met dikke volwaardige erwtensoep uit grootmoederstijd, voor een verder gezond- en gelukkig leven voor ieder van ons en voor de ganse  gemeenschap. Thuisgekomen scheuren onze magen en proppen we ons vol aan zelfgemaakte dikke gistpannenkoeken van bio meel. Alle natuursuikers staan rijk gevuld op de tafel, agave siropen , een gamma van bio honingsoorten enz. Ondertussen hebben we allerlei verhalen bovengehaald en lagen we meerdere keren strike van het lachen. Er werd per ongeluk hete koffie op iemand gemorst en er werd appelstamppot gemaakt van eerlijk gevonden appelen. Bovendien likt iemand het  ferket(=vork) af van  iemand anders . In de bos stond iemand  zijn haar zo stroef en dik  dat het een broeinest was voor overvliegende valken. Je moet je het als lezer voorstellen. Neem de blijde boodschap hier uit en geniet van elke dag lieve lezers. Soms is het dik balen maar probeer dagelijks een leuke gedachte naar boven te halen of een leuk tekstje te lezen!!!   Chrissy

CHRISSY
0 0

Zwart gat weg geknikkerd (fantastisch verhaal) (*)

 Al volgt hij tegenwoordig het nieuws meestal online, toch heeft hij het abonnement op zijn geprefereerde papieren dagblad nog niet opgezegd. Op zijn werktafel ligt naast hem de opengevouwen ochtendeditie van de krant van vandaag en hij leest terloops:   ‘Met behulp van de Amerikaanse röntgentelescoop Chandra is een superzwaar zwart gat ontdekt dat met hoge snelheid uit het centrum van een sterrenstelsel werd weggeslingerd…….’   Zijn gedachten dwalen af. Hij heeft niet de pretentie zichzelf een heuse schrijver, laat staan journalist te noemen, maar hij houdt ervan zijn mening te geven en te verkondigen door ze aan het papier of aan het computerscherm toe te vertrouwen. Zo nu en dan reageert hij wel eens op artikels van anderen en hij is er reeds in geslaagd zijn teksten te laten publiceren op een recent opgerichte online nieuwssite. Die bijdragen worden af en toe op twitter en facebook geshared en bovendien geliked of soms van commentaar voorzien.   Bij het schrijven valt hij niet over genres.  Zowel poëzie, proza, autobiografische stukjes, ja zelfs kinder- en jeugdliteratuur liggen hem. Na een vijftigtal bijdragen aan een populair schrijversplatform, waartoe zelfs liedteksten en een heus scenario voor een kortfilm behoren en niettegenstaande een serie artikels en columns op de inmiddels bekend geraakte nieuwssite,  breekt hem vandaag het angstzweet uit. Sinds vanmorgen krijgt hij immers geen letter meer op papier gezet, noch op het scherm. Het water staat hem tot aan de lippen. Zal hij nog ooit iets kunnen schrijven of is dit dan het beruchte  writers’block?   Hij heeft er al veel over gelezen, dit plotse onvermogen om tot schrijven te komen. Over de conflicterende gevoelens, het precies weten wat je zelf weet maar niet weten wat je lezers weten. Beseffen hoe iets moet klinken bij het inlossen van de verwachtingen van zijn lezers, maar niet over alle feiten beschikken. Zijn notieboekje puilt nochtans letterlijk uit van allerlei gebeurtenissen en van alternatieve woorden en zinnen.   Altijd en overal streeft hij perfectionisme na alvorens tevreden te zijn met zijn pennenvruchten. Uit alle mogelijke bronnen put hij inspiratie.  Het zien van een foto kan volstaan om hem aan het werk te zetten. Termen als 'freewriting' en 'brainstorming' zijn hem niet onbekend. Maar welke technieken en hulpmiddelen hij ook aanwendt, vandaag lukt het hem niet! De ganse dag blijft hij tobben.  Hij komt zelfs niet tot eten toe, enkel de drank brengt even soelaas. Uitgeput, sluit hij tegen valavond wanhopig zijn laptop en doet ten einde raad hetzelfde met zijn notitieboekje. Dan stapt hij totaal terneergeslagen naar buiten.   Er is geen mens te bespeuren.  De straten zijn onheilspellend leeg en er heerst een beklemmende stilte. Compleet verward kijkt hij om zich heen en dààr ziet hij het.  Iets verderop  ontwaart hij een donkerte. Stap voor stap waagt hij zich voorzichtig dichterbij en staat aan de grond genageld als hij merkt wat het is. De obscure vlek is niets anders dan een gat, een enorm zwart gat. Snel keert hij op zijn passen terug. Een hevig aanzwellend geluid achter hem doet hem opschrikken.  Nog net kan hij wegspringen voor de enorme vrachtwagen met laadbak en takel die hem rakelings voorbij raast.   Op zijn beurt kan de onbezonnen chauffeur even verder nog amper het gat ontwijken. Plotsklaps merkt hij tot zijn stomme verbazing hoe de vrachtwagen abrupt afremt en met knarsende remmen tot stilstand komt.  Hij hoort het kraken van de versnellingsbak en ziet hoe het gevaarte achteruit rijdt tot pal aan de rand van de put. Uit de cabine van het monstertuig springen twee duistere gedaanten en stellen de takel in werking.  Zij laden warempel het gat op de laadbak. Even later stuiven ze ervan door met hun bizarre vracht.   Op de een of andere manier lucht dit voorval hem op.  Stel je voor dat hij in het zwarte gat was gevallen! Iets minder bedrukt keert hij mijmerend huiswaarts.   De dag nadien leest hij in de krant over het ongeval in zijn buurt: een abnormaal zware vrachtwagen met laadbak en takel is in een gat gereden. Twee niet identificeerbare individuen werden levenloos teruggevonden in de stuurcabine. Eerst bedenkt hij dat het wel eens om dezelfde vrachtwagen kan gaan die hij gisteren heeft  voorbij zien stormen en die hem bijna van de weg maaide.     Daarna beseft hij dat alleen hij zag hoe het gat werd getakeld en meegenomen. Dan bedenkt hij dat de twee figuren met hun roekeloze rijden hoogst waarschijnlijk hun lading verloren en toen ze dit merkten bij het bruusk achteruitrijden in het gat terecht zijn gekomen.   Hij zoekt en vindt de gazet van gisteren die van zijn werktafel op de grond is gevallen en leest, iets meer geboeid, er het krantenbericht op na over Chandra, de Amerikaanse supertelescoop.  Aansluitend opent hij zijn laptop en zoekt online in alle andere kranten van de dag naar de berichtgeving over het fameuze verkeersongeval. Slechts een viertal bladen brengen er in het lokale nieuws een zeer kort verslag over. In geen van de artikels wordt enig verband gelegd met het zwarte gat dat uit de ruimte werd weg geknikkerd, maar hij weet wel beter.    Het voorval op zich, ook al gaat het om een ongeluk, stemt hem niet echt treurig want hij stelt opgelucht vast dat zijn angst voor het writers’ block volledig verdwenen is. Prompt zet hij zich aan het werk. Op internet vindt hij zowaar een afbeelding van een zwart gat. Amper een half uur later stuurt hij tekst en foto naar het onvolprezen schrijversplatform en nog dezelfde dag volgt een beklijvende column op de gretig gelezen online nieuwssite.  Onderaan plaatst hij zijn emailadres.   Twee dagen later vindt hij een bericht in zijn mailbox.  Hij twijfelt om het te openen.  Dit is geen bekend mailadres en toch werd het niet tegengehouden door zijn performante antivirusprogramma. Het adres van de afzender luidt :  forbidlongid.deephole@brunswick.hr . Een zoekopdracht met het adres geeft geen resultaat. Zijn nieuwsgierigheid haalt de bovenhand.  Hij opent de mail en leest: ‘Budite hrabri otvoriti privitak’ Hij kopieert de tekst en geeft hem in als vertaalopdracht.   Het blijkt een zin te zijn in het Kroatisch die betekent : 'Wees moedig en open de bijlage'.   Er staan te veel belangrijke zaken op zijn computer, dus besluit hij te wachten.  Hij start een programma dat zijn volledige harde schijf op een externe schijf kopieert.  Dat kan even duren.   Frisse lucht heeft hij nodig en dus gaat hij naar buiten.  Alsof hij van op afstand geleid wordt stapt hij naar de plaats waar hij eerder het gat zag.  Er is niets meer te bespeuren.  Of toch?  Het is amper zichtbaar maar het is net of er een dun zwartgeblakerd spoor loopt  dat een cirkel beschrijft, de omtrek van het gat? Dan bedenkt hij dat er in de berichtgeving van het ongeluk totaal geen vragen waren gerezen bij het feit dat er plots een groot gat was ontstaan.  Hij moet uitvissen waar het precies gebeurde en ter plekke gaan.    Terug voor zijn computer wil hij eerst de geheimzinnige bijlage bekijken.  De reservekopij van al zijn gegevens is inmiddels klaar. Zonder  dralen opent hij de bewuste mail en drukt op de bijlage. Meteen is een blauw scherm zichtbaar dat meldt : 'U heeft opdracht gegeven om alle gegevens van uw computer te verwijderen – druk op de startknop om verder te gaan – druk op de stopknop om uw mening te herzien'. Niettegenstaande zijn reservekopie drukt hij toch op de stopknop.  Nu kleurt het scherm rood en meldt:  'Gelukkig was u wijs genoeg om uw ondoordachte beslissing ongedaan te maken.  Weest gerust. Er is niets gewist maar wij hebben nu wel even de controle van uw computer overgenomen.  U hoort nog van ons. Tot later!'   Dan verdwijnt het rode scherm en lijkt zijn computer normaal te functioneren.  Zijn mailprogramma staat nog open en zonder dat hij zelf iets doet, ziet hij hoe in zijn in-box de laatste mail met de bijlage oplicht en verdwijnt.   Hij wil meteen aan de slag gaan en een aantal opzoekingen doen maar bedenkt zich net op tijd.  Indien zijn computer gehackt is, kan hij hem beter voorlopig niet meer gebruiken.  Hij neemt zijn reservekopie en stapt resoluut naar de stadsbibliotheek waar gelukkig een computer vrij is. In het emailadres levert de naam Brunswick  als enig noemenswaardig resultaat de bedrijfsnaam op van een wereldwijd adviesbedrijf gespecializeerd in communicatie en crisissituaties.  De landcode .hr  is wel degelijk die van Hrvatska of Kroatië.     Wanneer hij op de zoekmachine Kroatie intikt stuit hij op een artikel van enkele jaren geleden onder de titel: 'In Kroatie breekt men zich het hoofd over 28 perfect gevormde circkels die voor de kust verschenen' Uit het artikel blijkt dat de cirkels een diameter van 50 meter hebben en zich op 300 meter van elkaar bevinden.  Na ernstig onderzoek kan men nog steeds  geen logische verklaring vinden voor deze cirkels.  Er gaan steeds meer stemmen op die beweren dat het niet alleen aardbewoners zijn die genieten van de mooie Kroatische kusten. Dit laatste zinnetje doet hem twijfelen.  Dit ruikt verdacht veel naar een promotiecampagne voor de inderdaad prachtige kusten van Kroatie.  Wil men hiermee toeristen lokken?  De foto die bij het artikel staat toont een prachtig wit strand en een groot aantal cirkels die net onder het azuurblauwe water zichtbaar zijn.  Hij blijft nuchter en bedenkt dat tegenwoordig met fotoshopping veel mogelijk is.    Dan merkt hij dat het artikel één van de vele is die verschenen op een nieuwssite over  Ufowaarnemingen.  Dus toch?   Bij zijn terugkeer in zijn flat merkt hij dat er een nieuw bericht is toegekomen. Het bericht is opgesteld in een vreemde taal maar na elke zin staat er een vertaling.  Het is een gebrekkige vertaling die waarschijnlijk door een computerprogramma werd uitgevoerd.   Hij leest: 'Na doorzoeking van uw computer wij hebben niet gevonden informatie dat is gevaarlijk voor ons.  Wij denken wij kunnen vertrouwen u. Wij willen te ontmoeten u.  Kom naar  de Grote Park deze nacht om 23:00. Zien u.'   Hij was van plan zijn computer volledig te herinstalleren, maar laat dit voorlopig zo. Op een stadsplannetje zoekt hij waar het Grote Park precies gelegen is.  Hij kent het van naam maar herinnert zich niet er ooit geweest te zijn.  Met een lijnbus in de buurt kan hij er op een kwartiertje geraken maar hij besluit er een fikse wandeling van te maken.  Om 22:00 u sluit hij de deur van zijn flat en gaat op stap.    Reeds om 22:46 staat hij aan de ingang van het park. Slechts hier en daar merkt hij een late jogger en iemand die de hond uitlaat.  Verder ligt het park er verlaten bij.  Hij weet niet waar hij juist naar toe moet en stapt over een aardeweg in de richting van een grote kiosk.   Plots duiken van achter een bosje twee gedaanten op.  Ze dragen lange donkere overjassen en hebben een zwarte kap over het hoofd.  In het donker kan hij geen gezichten onderscheiden. De twee nemen hem ieder bij een arm en leiden hem verder in de richting van de kiosk.  „Volgen“, zegt een van de gedaanten.  Het klinkt als een computerstem.   Voor de kiosk is een groot grasplein.  Hij kijkt rond om te zien of er nog andere personen in het park zijn maar alles lijkt verlaten. Alleen op de wandelwegen en aan de trap van de kiosk is er verlichting.  Hij ziet dan ook amper dat ze bij een groot zwart gat in het grasveld  zijn aanbeland. De drie stappen tot aan de rand van het gat en zien dat een smalle trap naar beneden leidt.  „Na u“, zegt de computerstem en de beide gedaanten strekken respektievelijk de linker- en rechterarm uitnodigend naar voren.   Langzaam daalt hij de treden af en telkens hij een stap zet licht de volgende trede op.  Hij kijkt achterom  en merkt dat ook de twee gedaanten  de trap afkomen. Net als hij met het hoofd volledig onder de rand van het gat verdwijnt kijkt hij nog even op naar de kiosk en vraagt zich af of hij wel de juiste beslissing genomen heeft. Wat hij niet heeft gemerkt is dat een man die zijn zwarte pittbull uitlaat, verscholen achter de kiosk het  hele toneel  heeft gadegeslagen.  Het dier draagt een muilkorf en kan dus niet blaffen.  De man verlaat langzaam zijn schuilplaats  om te zien waar de drie gedaantes verdwenen zijn.   Dan is het of een tweede kiosk als een wervelende vuurbol uit de grond opstijgt en met razende vaart de ruimte invliegt en uit het zicht verdwijnt.   De man kijkt verbouwereerd naar zijn hond maar het beest blijft totaal onbewogen. Is dit een droom?  De man besluit hierover te zwijgen. De kans is groot dat ze hem anders weer interneren zoals die vorige keer toen hij overal had rond gebazuind dat hij een grote vrachtwagen achterwaarts in een enorm zwart gat had zien rijden.   (*) : terug na herwerkte versie voor deelname aan wedstrijd kortverhalen  

Vic de Bourg
29 1

Te vroeg op vrijdagavond.

Het is vrijdagavond. De fel rode cijfers van de wekker verraden de tijd. Het is 21:17u en ik lig al in bed. Misschien is het te vroeg om me al aan de nacht over te geven? Ik zit er niet mee. De zachte regen tikt ritmisch tegen het dakraam. Ik word er rustig van. De laatste tijd ben ik dikwijls alleen. Alleen en stil op mezelf. Soms ben ik dan ver weg en lijk ik diep in gedachten verzonken en dat is soms wel zo. Meestal ben ik op die momenten druk aan de slag met iets of iemand wat mijn aandacht heeft opgeëist. Met de voorbije week bijvoorbeeld, die weer bol stond van gebeurtenissen waar ik jullie een mening over verschuldigd ben. Dan begin ik te analyseren. Met beschouwen en over-analyseren om dan meestal te eindigen met over-reageren. Maar even dikwijls gebeurt er gewoon helemaal niets. Ik oog dan eenzaam of misschien triest dat is maar schijn. Ik heb dan gewoon geen zin in mensen. Geen goesting om te praten of om aan een sociale norm te voldoen. Ik wil dan geen meningen aan mijn hoofd. Zeker geen gedoe. Op zulke momenten sluit ik me helemaal af en maak ik bewust geen tijd voor nieuws of voor jouw gedachtenwereld. Niet dat je mij niet interesseert of dat jouw dingen me niet bezighouden. Integendeel, het kost me gewoon wat veel moeite of energie om jouw geest er bij te nemen. Om hem te ordenen zodat ik hem begrijp of gepast kan reageren. Ik tracht meestal te achterhalen wat je precies bedoelt. Hoe je het voelt en waarom je het zegt. Of wat je van verlangt zonder het te vragen. Voor juiste interactie of voor een juiste repliek, moet ik je opvattingen eerst verwerken om ze goed te begrijpen. Dat kost wat tijd. Wellicht meer tijd dan dat er geduld kan voor geoefend worden. Een te snelle conclusie dat jouw verhaal me niet boeit is voorbarig en misplaatst. Dat snelle besluit brengt me van mijn stuk. Hoewel het hier van boven razendsnel gaat en ik het probleem klaar en duidelijk zie. Hoewel oplossingen dikwijls in duidelijke beelden voorbij flitsen, kost het me toch meer moeite om dat antwoord juist te formuleren zodat jij ook voelt hoe ik het bedoel. En dan lukt het soms gewoon echt niet. Om erger te voorkomen las ik op zulke momenten een time-out in en neem ik wat afstand. Ik maak dan wat plaats in mijn hoofd zodat volgende druppels mijn emmer niet doen overlopen. Voldoende niets doen werkt! En als ik dan genoeg niets gedaan heb, heb ik hard genoeg gewerkt om straks een beetje tijd over te hebben om iets anders te kunnen doen.

jan pultau
0 0

De wraak van het kleine (slot van deel 6)

          Niets brandt beter. Dan frietkoten. De leegte van de hemel. Goden in de hel.       Ik feliciteerde Alfred, met zijn culinaire creativiteit. De groentenburger was groener dan het vel achter mijn oren en dat wil iets zeggen.   Ik feliciteerde hem ook met zijn frietkot, dankte hem voor zijn vriendschap, voor de openheid die hij getoond had, toen hij voorgelezen had uit zijn ‘Wimpie in Wonderland’.   Ik stond op het punt om ook Igance te bedanken, maar zo ver kwam het niet. Een witte sleurbak kwam het grint voor het frietkot opgevlamd, trok de handrem en parkeerde zich tussen twee slakken.   “Wat krijgen we nu?” riep Alfred en we haastten ons naar buiten. Ze stapte uit, zonder rijbewijs, zomers gekleed (ook al was het februari) en stak twee handen in de lucht, maakte tekens van victorie en blijdschap.   “Wat een coole kar, Lotje”, zei ik, “waar heb je die gekocht?”   Het was oldtimer, een witte Golf GTI en ze gooide drie spuitbussen, één in de richting van Ignace, één naar mij en een kleiner model in de richting van Alfred.   “Ik wil een rode streep in het midden. Het moet een Poolse tweekleur worden”, riep ze en haalde plakband uit de koffer.   Wij zijn brave jongens en gehoorzamen. Na een half uur was het klusje geklaard en ze vloekte : “Cholera! Dat is niet rood! Dat is oranje!”   Ik probeerde haar te kalmeren en te troosten : “Dat komt vast door dat rare licht van de zon vandaag. Ze straalt beige, als mayonaise. Of het is die gele glans van de laffe mensheid.”   “Foert”, zei ze en we gingen samen het frietkot binnen.   “Dit is de laatste dag”, sprak Alfred weinige ogenblikken later. “De tragiek van deze plek leefde al in de naam van mijn friterie,” en we hieven blikjes. We aten de laatste groetenburgers op en verscheurden één en ander.   “Wat ik nog wilde weten, Ignace”, vroeg ik, “als die Florimond Wittebolle de nonkel is van Wimpie en Roeland Wittebolle jouw neef… dan ben jij ook de neef van Wimpie?”   Ignace knikte en zei : “Ik moet ervandoor” en hij knipoogte naar Lieve Lotje die hem aan de arm trok, hem meezoog in haar witoranje GTI. Ze startte de motor en weg waren ze.   “Allicht naar een Delhaize”, zei Alfred. “Zeg, Alfred”, ik wilde het weten, “is het goed afgelopen met Wimpie?” “Wim is groot geworden, ligt minder wakker dan Ignace, jij of ik... al dreigde het twee jaar geleden verkeerd te lopen.”   “Hoezo?” vroeg ik. “Als hij op een dag erachter kwam dat Walter Remysen in Zeebrugge een appartement had… Hij stond daar. Op een vrijdag in januari. Aan die voordeur. Met een mes in de hand.”   “En toen?”   “Ignace kwam net op tijd, nam het mes uit zijn hand en zei : ‘Ik weet het, Wim, het was niet zomaar een hond, niet zomaar een kat, maar ga alsjeblieft naar huis’, en Wim keerde terug op zijn stappen.”   “En die nonkel Wittebolle?” vroeg ik. “Die leeft ook nog”, zei Alfred. “Over het lot van Florimond beslist enkel Roeland.”   Ik zweeg en hielp. We goten jerrycans leeg. Benzine. Staken het frietkot in de fik. We stonden nog even te kijken, Alfred en ik.   Ignace… die was zijn stiften vergeten, maar ze gingen niet op in die vlammen. Ze zaten in mijn plastiek zak en ik was al onderweg, naar het zuiden.   En Alfred frietkabouter, hij lag daar goed, in diezelfde plastiek zak. Hij sliep. Op een zacht inlegkruisje.                                       met dank aan Lotje voor het inlegkruisje                    ook een grote merci aan Bartje voor de vele illustraties           laatste bladzijde van  'De wraak van het kleine' (zesde en laatste deel van mijn e-boekje 'Twankie Twankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
54 0

Kater (de kracht van de wenkbrauw)

mijn hersenstam verkaterd pretpark verdraaide molen, dat dronken kind met suikerspin   rolschaatsen schoorvoetend achteruit   vertel me terug naar je dromen keer me wederom, dit porseleinen mensje in een poppenhuis   jouw knutselwerk je prutste maar wat modderde aan verdronken fonteintje slurpende soep   ik was één der verzamelschelpen je deed er nog een schepje bovenop   driemaster op afstandsbediening ankert   in de branding schittert het licht parelmoeren bedrading van verdwaasde zonnevlokken er gaat niets boven je ogen die olievelden in het hart van een orkaan   ik word een zeiler van je fronzen wenkbrauwen als zeewierstruikjes borstelen dit geboetseerde schuitje dat botervlootje waar mens zich in kruimeldeeg verzandt   er zijn overlevenden op dit schuurpapieren land ze drijven in het maagzuur slikken zich een verschot in de ruggengraat dansende aderen drank tot het hen het strot verknijpt   tenen worden straten een verzicht dat voor haardvuur neervlijt   er schokt iets in mijn handen het is kleur en het krijst het sterft en vergrijst donst van schimmelkoorts   overal slingeren slierten droom als lamsvlees krult het om een verroeste werkelijkheid ik wil terugwijzen maar mijn gevingerte verstrikt tot frituursnack   er woedt wat zoals lever in brijzels uitgekraterd braakt over mijn verse spijkerbroek   je wenkbrauwen teren welig op deze hersenstam   ik had er geen zier om gegeven tot je vergat hoe prachtig het wel was

Robijn Bodijn
9 0

De wraak van het kleine (2)

                     Ik slaap nergens graag. Niet in een smulbox. Niet in een kooi.       Alfred bracht me een smulbox. “Heb ik niet besteld”, zei ik hem. Mijn stem klonk allicht nog wat geërgerd. Ik had zo veel uren gestoken in het oplossen van dat enorme anagram, en nu… nu leek het een mengeling van halve waarheden en verzinsels.   “Van het huis”, zei Afred en ik deed het doosje open. “Een nieuwigheidje van me. Eigen preparaat. Een groentenburger. Proef tenminste.” “Ook bedankt voor het potje zure uitjes”, antwoordde ik.   “Denk je nog steeds dat er veel rammelt aan het anagram?” vroeg Ignace. “Eerlijk, Ignace, ik weet niet wat ik moet denken.”   “Feit is wel dat Walter Remysen op 9 januari 2015 een kogel door de kop kreeg. Officieel was het zelfmoord. Maar daar geloof ik niets van.” zei Ignace. “Wat denk je dan dat er gebeurd is?” wilde ik weten. “Men vreesde een lek… hij was uiterst labiel geworden. Daarom… voor de zekerheid… een eeuwig zwijgen.” beweerde Ignace. “Wat zou hij dan lekken?” vroeg ik. “De grootste dofpotoperatie van de twintigste eeuw,” zei Ignace. “Voor de dioxinecrisis zag veel het daglicht nooit.”   “Ik kreeg een eerste vermoeden,” zo ging hij verder, “toen mijn neef, Roeland Wittebolle, vertelde, dat zijn vader, die Florimond, die noodslachter uit Dudzele, maanden lang, elke nacht weg was, met zijn Magirus, dat hij hoorde, hoe het werk verdeeld werd, over de telefoon. Duizenden varkens met de ziekte van Aujezski moesten zo snel als mogelijk verwerkt worden. Ze werden ‘s nachts door mannen als Florimond opghaald.”   “’Noodslachters’ is een groot woord”, zei Ignace. “Het waren zelfstandigen met een vrachtwagen, een stok, wat touwen en een mes. De zieke beesten voerden ze naar kleine slachthuizen, zoals die van Van Hoornweder in Sijsele. Daar werden ze dezelfde nacht in worst gedraaid, in koteletten, in filets gesneden.”   “En mensen werden er niet ziek van”, merkte ik op. Ignace knikte en legde verder uit : “Dat herhaalde zich. Enkele weken was het iets rustiger, zei mijn neef Roeland, en toen begon het weer, nacht na nacht. Enkel varkens.”   Ik proefde van de groenteburger.   Tegen Ignace zei ik nat twee happen : “Alleen een hond stierf er aan, aan die varkensjeukpest, zo nu en dan, en als men in de supermarkt of bij een slager zijn beklag ging doen, dan trok men de schouders op, zei men allicht : Het kan van overal komen.”   “Er moeten wel supermarkten geweest zijn die hun leverancier daarover aanspraken”, vermoedde Ignace en zei dat de hoeveelheid besmet vlees die in omloop was, gigantisch moet geweest zijn, “Jaarlijks worden meer dan tien miljoen varkens geslacht in België. Eén procent daarvan zijn er al honderdduizend, of zesduizend ton.”   “En in die jaren was het allicht meer dan één procent” was mijn commentaar.   Ignace knikte en ik vroeg naar het anagram : “Wat met die Delhaize, Noppen en Vermassen?”   Hij antwoordde : “Die Vermassen was allicht slechts een verwijzing.” “Naar wat?” vroeg ik. “Naar de Bende van Nijvel natuurlijk” en Ignace legde verder uit dat die ‘Bende van Nijvel’ een fabeltje was. “Voor dergelijke misdrijven, waarvan de ware toedracht in de doofpot gestopt werd, moest toch iet of wat van uitleg verzonnen worden.”   “Een soort van bliksemafleider?” vroeg ik. Ignace nam een zuur uitje uit mijn potje en hij knikte : “Winkelketens die al te mondig dreigden te worden, werden gewaarschuwd, of denk je het toevallig was, dat alle aanslagen in supermarkten gebeurden, of op hun parking.”   “En die echte Reus,” wilde ik weten, “die van Aalst?” “Die was één van de hanglangers van Remysen.” “En Karel Van Noppen?” vroeg ik door. “Die werd vermoord omdat hij voor zijn schoonbroer, die Walter Remysen, altijd een oogje dichtkneep, als controleur. Maar bij vetmesters die niet tot de clan Remysen behoorden, deed hij dat niet zo gemakkelijk en werd toen omgelegd.”   Ignace nam een tweede uitje.       pagina twee van "De wraak van het kleine' (zesde en laatste deel van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

De wraak van het kleine (1)

                       Mensen zijn zwijnen. Varkens dieren. En Wimpie een jongen.     “Dan staat jouw blog vol met fake news!” zei ik tegen Ignace. Boos werd hij niet, hij glimlachte en antwoordde : “Ik schreef een dierenfabel, maar dan omgekeerd en gebaseerd op waargebeurde feiten.”   Hij nam nog een slok van zijn fanta en ging verder : “Het vleeswarenwinkeltje was een afvalcontainer bij de Fish Bone in Zeebrugge. Naast Noordzeekreeft met noedels serveerden ze daar Vlaamse klassiekers, zoals koteletjes met gekookte patatten en bloemkool in bechamelsaus. Als Wimpie zijn kat en hond niet vond, dan wist hij wel waar ze uithingen.”   En dat was rond die afvalcontainer van restaurant de Fish Bone. Twankie Wankel, de kater met twee achter- en één voorpoot, sprong erin, graaide er wat graten en botten uit en ze aten daar, kat en hond samen, van de restjes.   Later, op een doemdag, lag Twinkeltje daar, op de mat bij de De Wandelaeres. Ze had koorts, krabde zich het lijf haast stuk en nonkel Wittebolle, Florimond, noodslachter van beroep, de Beul van Dudzele, kwam langs, zei tegen vader De Wandelaere dat het duidelijk was. Varkensjeukpest! Hij nam een mes en sneed zonder pardon de hond de keel over.   “Dat spaart een rekening van de veearts”, zei nonkel Wittebolle en Wimpie liep weg.   Toen Florimond het huis van de De Wandelaeres, in de Noordhinderstraat te Zeebrugge verliet wond Twankie Wankel zich nog rond de rechterlaars van Florimond. Nonkel Wittebolle gaf het beestje een schop en het vloog op de straatstenen. Een Mercedes 300S kon niet op tijd remmen… Ook voor Twankie Wankel was het die dag ‘over en uit’.   Dat Wimpie niet dom was, dat wist men op school. Hij las in een bibliotheek alles over varkensjeukpest, vond de varkensbotten bij de container, wist hoe laat het was en hij wachtte. Zo vaak als hij kon hing hij daar rond, in de buurt van het restaurant, tot op een dag… Het was een witte vrachtwagen met rode letters. Vlees kwam de chauffeur leveren. Geen vis. Dat maakte het opschrift op de Scania meer dan duidelijk en toen vroeg hij het aan de chauffeur :   “Kan ik bij U ook koteletten kopen voor mijn mama?” De man in het wit wreef hem door de haren en sprak : “Mijn jongen, in één bak zitten er honderd. Dat is allicht wat te veel. Het vlees van Walter is niet voor Jan met de pet.”   “Ze heeft een restaurant!” Wimpie bleef aandringen. De chauffeur gaf hem een visitekaartje en zei : “Dan moet je mama Walter bellen.”   ‘Walter Remysen’, stond op het visitekaartje, daaronder ‘vlees van de beste varkens’, ook nog een adres en een telefoonnummer.   Wimpies onderzoek was nu compleet. Hij kende ze nu allebei. Florimond Wittebolle en Walter Remysen. De moordenaars van zijn Twankie Wankel, van zijn Twinkeltje.       eerste pagina van 'De wraak van het kleine' (zesde en laatste deel van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Rafeltjes en fabeltjes (slot van deel 5)

           Wees op je hoede. Frietkotslak. De gang is lang en droog. Zo sprak de haas.       Er was veel dat niet klopte. Geen specht op de bast van een zilverberk. Geen hamer op het aambeeld van een ijzervogel en evenmin het anagram, het rammelde.   Want de wapens klopten niet. Walter Remysen kreeg een kogel door de linkerslaap. Dat is een feit. Een mes? Een wiel? Elke brave ziel kon zien dat er iets scheef zat, dat het rechte pad niet naar de waarheid leidde. Bovendien, wat de moord op Twinkeltje betrof, was ik geen sikkepit wijzer geworden en waarom Twankie Wankel niet meer leefde, dat wist ik alsnog evenmin.   Ik dronk een Pale Ale, peuterde kruimels uit de plooien van de zetelstof, probeerde in te slapen, maar het lukte niet. Er waren nog drie flesjes nodig om mijn hoofd te doen verlangen naar een sober bed.     Te lang slapen doet de troost op kerkhoven. Het was elf uur en ik stond op. Poetste mijn tanden en twee schoenen. Ik vertrok weer richting noord. Het pad was nauwer dan voordien, te klam de lucht.   “Het klopt niet, Ignace!” waren mijn woorden toen hij binnenkwam. “Een mes? Een wiel? Daarmee werd Walter niet vermoord! Er zat een gat in zijn kop! Van een kogel!”   Ignace reageerde niet, bestelde geen 7up meer, vroeg een fanta en ook Alfred keek me aan alsof ik een schaatsenrijder was die de dikte van het ijs niet vertrouwde.   “Alles klopt”, zei Ignace, “alleen ben je er nog niet. Je vergeet te veel de kleinigheden. Heb je alle mieren op je pad geteld? Heb je geluisterd naar de adem van de kikkers in het winterbos?”   Ik schudde het hoofd. Ignace bestelde een 7up voor me, trok een stoel aan zijn tafeltje achteruit. Hij zei : “Zet je neer, jongen uit het blinde zuiden.”   Ik zat daar, mijn handen plat op de tafel, de vingers gespreid als poten van spinnen die zich strekken in een web dat niemand ziet. Ignace klopte met zijn linkerhand op de rug van mijn rechterhand en zei :   “Twankie Wankie was een kater, had drie poten. Twinkeltje, dat was een hond. Ik noem het maar een meisjeshond, omdat ‘teefje’ anders klinkt.” “Van wie?” vroeg ik. “Van Wimpie”, zei Alfred die bij het tafeltje was komen staan. “Het waren de ouders van Wimpie, van Wim De Wandelaere. Zij waren het die wel eens een grapje maakten toen ze de hond en de kater niet op hun matje zagen liggen. Dan vroeg Wimpies vader : ‘Waar hangt hij nu weer uit, onze Antoine De Wandelaere?’ Mama Lippens voegde er dan altijd met een glimlach aan toen : ‘en waar loopt zij nu rond, onze Wilhelmina Lippens?’, waarmee ze Twankie Wankel en Twinkeltje bedoelden.”   “Een hond en een kat?” en ik trok ogen als een vuurvlieg die verrast werd door een zon. “Een hond en een kat”, herhaalde Alfred die naar zijn kuipjes liep. Twee kaaskroketjes werden bruin.   “En de kat heeft de hond vermoord met een mes en een wiel?” vroeg ik vol ongeloof.   Ignace schudde het hoofd en nam een slok van zijn fanta.       derde en laatste bladzijde van 'Rafeltjes en fabeltjes' (deel 5 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Rafeltjes en fabeltjes (2)

                                     Groen mos lijkt geel. Voor gouden vogels.                                Gouden kanaries lijken groen. Voor gele parkieten.       “En?” vroeg Ignace ‘s anderendaags om twee na twaalf. Ik glunderde. De dader was komen bovendrijven, had een schotwonde, maar was het zelfmoord? “Die Y hielp me meer dan ik aanvankelijk verwachtte”, zei ik.   “Wie is het?” vroeg Alfred, die vleesblokjes op een stokje stak.   Fier als een gouden pauw sprak ik ; “Die ZUS is de zus van Karel Van Noppen... en ik zag het op Google Street View. Ze woont in een villa met naast de deurbel, bij die poort, dat naambord 'Familie REMYSEN' en dan hield ik nog over : G L D W A T E R O. Gold en Water zijn geen voornamen. GOD ook niet, maar WALTER wel!”     Thuis, ik had een Mort Subite uitgeschonken in een helder glas en gelezen had ik. Veel. Op het internet. Dat Walter Remysen de schoonbroer van Karel Van Noppen was. Dat die Walter een notoir crimineel en vetmester was, of beter : geweest, want hij stierf in de nacht van vrijdag 9 januari 2015, in zijn appartement te Zeebrugge.     “Ik denk dat de spilfiguur Walter Remysen is,” zei ik tegen Ignace. “Hij pleegde zelfmoord, twee jaar geleden.”   “Ja, en duidelijke sporen van inbraak of ander geweld waren er niet geweest. Hij lag daar, in zijn zetel met een gat in de linkerslaap”, sprak Ignace die het onderste lijntje woorden volledig maakte :    V E R M A S S E N    J E Z U S   W A P E N    J E U K P E S T    M E S T    W I E L   D E L H A I Z E    N O P P E N     Z E E     W A L T E R    R E M Y S E N     G O D   “Die ZEE verwijst naar Zeebrugge en die GOD staat voor spilfiguur!” verduidelijkte Ignace.   “En Vermassen denkt dat hij een Messias is. Mest verspreidde de jeukpest… maar dat wiel... dat begrijp ik niet.” zei ik.   “De betekenis van dat wiel begrijpt je onderbewustzijn wel”, zei Ignace en Alfred knikte.   Lieve Lotje kwam binnen, met een schat van een muts op haar hoofd en in haar Poolse armpjes droeg ze een kattenjong.   “Weggelopen!” zei ze. “Allicht voor een hond.”       tweede pagina van 'Rafeltjes en fabeltjes' (deel 5 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
38 0

Rafeltjes en fabeltjes (1)

                                   Blijdschap is een vloed. Van zonnetranen.       12h00 en ik was blij. Toen hij kwam binnengestapt. “Dag Ignace”, zei ik. De fameuze B3 werd weer op het tafeltje gekleefd. “Heb je goed geslapen?” vroeg ik en Ignace antwoordde : “Als brokken na een donderslag. De maan heeft me gelijmd.”   Alfred bakte voor Lotje eerst een curryworst speciaal en bracht ons daarna twee 7ups.   L R L E E P H I N A Z S Y G E D E E L D E W I N O P E N W A T E R M O Z E S   “We hebben er nog altijd achtendertig over”, zei ik tegen Ignace. “Suggesties?” vroeg Ignace. “Ik ben niet zeker of er maar één wapen is” opperde ik. “Wat voor wapen dan?” wilde Ignace weten.   “Een WIEL!” riep Lotje. “Wielen zijn verschrikkelijke moordwapens!"” Lotje speelde de curryworst binnen, ze trok haar geelgroene sokken op en zei : “Ik heb een droge keel. Ik ga elders vodka kopen.” Ignace schudde de kop, maar schreef toch op : WIEL   “En wat nog?” vroeg hij me. “Bij VERMASSEN dacht ik direct aan de Bende van Nijvel, maar we hebben geen B”, zei ik “En ook geen C voor Colruyt”, was de reactie van Ignace. “Doe dan DELHAIZE", was mijn voorspel en hij schreef op : DELHAIZE   “Eén ding begrijp ik niet”, zei Ignace, “waarom kozen ze altijd een supermarkt uit. Hoeveel mensen lopen daar rond, in een grote supermarkt misschien honderd, in een kleine twintig. Waarom ze geen doel kozen dat echt symbool stond voor links, of een groter doel, een luchthaven bijvoorbeeld. Er moet ook een link zijn met die supermarkten.” Ignace klonk overtuigd.   “Welke link dan?” vroeg ik. “Denk na!” zei Ignace. “Wat wordt in een supermarkt verkocht dat gelinkt kan worden aan een criminele organisatie?” Ik trok ogen als een struisvogel en kon niet antwoorden. “Vlees!” zei De Reus. “Jij had toch Aujezsky opgezocht, niet? Las je toen niet dat de mens er weinig last van krijgt, als hij vlees besmet met de varkenspest eet?” “Klopt!” en ik stelde voor in die richting verder te zoeken… “Dan moet inhet anagram toch iets staan dat te maken heeft met die vleesmaffia.” “Proberen we KAREL VAN NOPPEN?” stelde ik voor. “We hebben geen K en ook geen V meer”, zei Ignace en hij schreef op, in het rood : NOPPEN. “En wat doen we met die OPEN WATER MOZES?” vroeg Ignace. “Aan RODE ZEE dacht ik, GOD misschien.” “Beide tegelijk kan niet. Bij NOPPEN gebruikten we de voorlaatste O. Er is er nog maar één over.” “Dan doen we enkel ZEE”, stelde ik voor en Ignace schreef op : ZEE   Met een zwarte stift vulde De Reus van frituur De Bosbrand het rijtje met woorden waarvan we dachten dat ze tot de oplossing behoorden, verder aan :   V E R M A S S E N     J E Z U S    W A P E N     J E U K P E S T    M E S T    W I E L  D E L H A I Z E    N O P P E N     Z E E   Wat we nog overhielden was :   R S Y G E E L D W A T E R M O S   “Geel water mos”, zei ik. “Die volgorde is toevallig”, sprak Ignace. “Betekent vast niets.” “Ignace, de naam van een spilfiguur moet nu toch stilaan zichtbaar worden.” “Misschien,” zei hij. "Kijk hier, in het anagram stond WANT ZUS SVEN MARS... zus van Vermassen?” “Het kan de zus van eender wie zijn,” sprak Ignace. “We laten het voorlopig zo.”   ‘Geel water mos’, herhaalde mijn hoofd en Lieve Lotje kwam het frietkot binnen, met in de linkerhand een fles Belvedere-vodka. Haar haren hingen als gouden dweilrafeltjes over haar schouders. Er vielen heilzaam veel druppels, meer dan een regenputje slikken kan.       eerste bladzijde van "Rafeltjes en fabeltjes' (deel 5 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0