Lezen

Rafeltjes en fabeltjes (1)

                                   Blijdschap is een vloed. Van zonnetranen.       12h00 en ik was blij. Toen hij kwam binnengestapt. “Dag Ignace”, zei ik. De fameuze B3 werd weer op het tafeltje gekleefd. “Heb je goed geslapen?” vroeg ik en Ignace antwoordde : “Als brokken na een donderslag. De maan heeft me gelijmd.”   Alfred bakte voor Lotje eerst een curryworst speciaal en bracht ons daarna twee 7ups.   L R L E E P H I N A Z S Y G E D E E L D E W I N O P E N W A T E R M O Z E S   “We hebben er nog altijd achtendertig over”, zei ik tegen Ignace. “Suggesties?” vroeg Ignace. “Ik ben niet zeker of er maar één wapen is” opperde ik. “Wat voor wapen dan?” wilde Ignace weten.   “Een WIEL!” riep Lotje. “Wielen zijn verschrikkelijke moordwapens!"” Lotje speelde de curryworst binnen, ze trok haar geelgroene sokken op en zei : “Ik heb een droge keel. Ik ga elders vodka kopen.” Ignace schudde de kop, maar schreef toch op : WIEL   “En wat nog?” vroeg hij me. “Bij VERMASSEN dacht ik direct aan de Bende van Nijvel, maar we hebben geen B”, zei ik “En ook geen C voor Colruyt”, was de reactie van Ignace. “Doe dan DELHAIZE", was mijn voorspel en hij schreef op : DELHAIZE   “Eén ding begrijp ik niet”, zei Ignace, “waarom kozen ze altijd een supermarkt uit. Hoeveel mensen lopen daar rond, in een grote supermarkt misschien honderd, in een kleine twintig. Waarom ze geen doel kozen dat echt symbool stond voor links, of een groter doel, een luchthaven bijvoorbeeld. Er moet ook een link zijn met die supermarkten.” Ignace klonk overtuigd.   “Welke link dan?” vroeg ik. “Denk na!” zei Ignace. “Wat wordt in een supermarkt verkocht dat gelinkt kan worden aan een criminele organisatie?” Ik trok ogen als een struisvogel en kon niet antwoorden. “Vlees!” zei De Reus. “Jij had toch Aujezsky opgezocht, niet? Las je toen niet dat de mens er weinig last van krijgt, als hij vlees besmet met de varkenspest eet?” “Klopt!” en ik stelde voor in die richting verder te zoeken… “Dan moet inhet anagram toch iets staan dat te maken heeft met die vleesmaffia.” “Proberen we KAREL VAN NOPPEN?” stelde ik voor. “We hebben geen K en ook geen V meer”, zei Ignace en hij schreef op, in het rood : NOPPEN. “En wat doen we met die OPEN WATER MOZES?” vroeg Ignace. “Aan RODE ZEE dacht ik, GOD misschien.” “Beide tegelijk kan niet. Bij NOPPEN gebruikten we de voorlaatste O. Er is er nog maar één over.” “Dan doen we enkel ZEE”, stelde ik voor en Ignace schreef op : ZEE   Met een zwarte stift vulde De Reus van frituur De Bosbrand het rijtje met woorden waarvan we dachten dat ze tot de oplossing behoorden, verder aan :   V E R M A S S E N     J E Z U S    W A P E N     J E U K P E S T    M E S T    W I E L  D E L H A I Z E    N O P P E N     Z E E   Wat we nog overhielden was :   R S Y G E E L D W A T E R M O S   “Geel water mos”, zei ik. “Die volgorde is toevallig”, sprak Ignace. “Betekent vast niets.” “Ignace, de naam van een spilfiguur moet nu toch stilaan zichtbaar worden.” “Misschien,” zei hij. "Kijk hier, in het anagram stond WANT ZUS SVEN MARS... zus van Vermassen?” “Het kan de zus van eender wie zijn,” sprak Ignace. “We laten het voorlopig zo.”   ‘Geel water mos’, herhaalde mijn hoofd en Lieve Lotje kwam het frietkot binnen, met in de linkerhand een fles Belvedere-vodka. Haar haren hingen als gouden dweilrafeltjes over haar schouders. Er vielen heilzaam veel druppels, meer dan een regenputje slikken kan.       eerste bladzijde van "Rafeltjes en fabeltjes' (deel 5 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

De Merel

De zwarte merel fluit zijn lied op de tak van een dikke beukenboom. De zwarte merel hoopt dat er een vrouwtje op af komt. Maar hoe hard hij ook zijn best doet met fluiten, het maakt niet uit. Er komt geen vrouwtje naar zijn zangtalent luisteren. Alle andere vogels in het bos zijn al een nest aan het bouwen. Nog enkele dagen en de vrouwtjes leggen een ei dat ze dan samen, om de beurt uitbroeden. Merel wil het nog één keer proberen. Hij haalt heel diep adem en begint uit volle borst te zingen. -'Stop! Stop!' Roept opeens iemand naast merel. In de stam van de dikke boom naast merel is een holletje waaruit het rossig kopje van een eekhoorn tevoorschijn komt.   -'Stop eens met dat kattengejank. Dat hoor ik nu al bijna de hele dag. Nu ben ik het beu.' -'Fluit ik niet mooi misschien?' Vraagt de merel. -'Merels als wij zijn de beste zangvogels van heel het bos en ver daarbuiten,' probeert hij de eekhoorn uit te leggen. Eekhoorn zet zich naast merel op de tak en biedt hem een verse eikel aan. Merel schud zijn kopje: -'Neen, dank je. Ik hou meer van zaadjes of een sappige worm.' Eekhoorn haalt zijn neusje op en knabbelt aan de harde vrucht. -'Zing ik dan zo slecht?' Vraagt merel nogmaals en begint ongevraagd te fluiten. Eekhoorn slaat zijn beide pootjes tegen zijn oren en brult: -'Stop ermee merel! Het verwondert mij niet dat er geen vrouwtje op afkomt. Waar heb jij zo slecht leren zingen?' -'Bij de rand van het bos staat een klein huisje. In de dikke eik ernaast ben ik geboren. Steeds hoorde ik daar viool spelen. Toen ik wat later leerde vliegen zag ik door het raam van het huisje dat een klein meisje leerde viool spelen. Samen met haar heb ik muzieknoten geleerd en fluit ik nu de mooiste melodiën.'   Eekhoorn begint te lachen. -'Mooiste melodiën? Je fluit als een kraai met keelpijn! Van dat meisje met viool, dat wil ik wel eens zien en horen', zegt hij. Merel vliegt voorop terwijl de eekhoorn van tak tot tak en van boom tot boom springt tot aan de rand van het bos. Het kleine huis heeft een rieten dak en door de schoorsteen komt de geur van vers gebakken brood onze twee vrienden tegemoet. Het moet er warm en knus zijn. Merel en eekhoorn zetten zich op een tak dicht bij het open raam. Net op tijd want langs het bospad komt een jong meisje naar het huisje gestapt. -'Dat is ze.' Fluistert merel. -'Maar, wat is ze gegroeid! Ik herken haar haast niet meer.' Het meisje gaat het huisje binnen en opeens wordt het doodstil in het bos. Alsof elk dier de adem inhoud. Zelfs de wind is gaan liggen. Allemaal weten ze wat er nu gaat komen. Vanuit het open raam komt de klank van een viool naar buiten. Zo mooi. Dit is niet wat merel gehoord heeft toen hij klein was. De muziek die hij nu hoort is warm en zacht. Een stuk van een groot wereldberoemde componist wordt bespeeld op de viool. Al snel opent merel zijn bekje, haalt diep adem en begint de melodie mee te fluiten. Eekhoorn wil weer zijn oortjes afschermen, maar deze keer kijkt hij vol bewondering op naar merel. Samen met het meisje horen de dieren een hemelse muziek. Het lijkt alsof het bos mooier wordt. De zon schijnt door de takken van de bomen en geeft meer warmte. Bloemen steken hun kopje in de hoogte alsof ze nu beter kunnen horen. Dieren koppeltjes leggen hun hoofdje verliefd tegen elkaar aan. Merel kan gewoon niet meer stoppen met fluiten. Meteen komt een vrouwtjesmerel naast hem zitten. Zo'n mooi geluid heeft zij nog nooit gehoord.   Een paar maanden later zitten merel en eekhoorn terug op de tak van de dikke eik bij het boshuisje. De bladeren van de bomen in het bos beginnen stilaan geel en rood te kleuren. De herfst staat voor de deur. Het raam van het huisje staat op een kier en gespannen wachten onze twee vrienden op de klanken van de viool. Merel is zenuwachtig. Meermaals kijkt hij achterom of tuurt hij in de lucht. -'Verwacht je soms iemand?' Vraagt eekhoorn. Plots zien ze allebei een vrouwtjes merel met drie jongen achter haar aan op hun toekomen. Ze zetten zich alle drie naast pappa merel. Hij kijkt trots naar zijn drie jongens die net hebben leren vliegen. Verliefd kijkt hij naar zijn vrouwtje. Dan wordt het ijzig stil in het bos. Elk dier voelt wat er staat te gebeuren. Voor het raam verschijnt een jong meisje, dat ondertussen een jonge dame is geworden, met haar viool. Ze plaatst het instrument onder haar kin en met de strijkstok raakt ze enkele snaren aan. Het is prachtig en tevens ontroerend om te zien hoe zo'n jonge vrouw met zoveel talent en overgave voor heel het bos staat muziek te spelen. Samen met zijn gezin en zijn beste vriend eekhoorn wil merel naar het concert luisteren. Zo leren zijn jongens muzieknoten en kunnen ze heel mooi fluiten als ze wat ouder zijn.

Luc Verschooten
5 0

Wimpie in Wonderland (slot van deel 4)

                 Niets gaat trager. Dan het sterven. Van een levendige pijn.       Ze leek nijdig maar was mild, het Poolse meisje van zestien. Neen, van haar zoveelste kippenschnitzel wilde ik geen stuk.   Ignace lag thuis knock-out en Alfred, hij mocht fier zijn op zijn oeuvre, zijn verhaaltje klonk me in de oren als een vliegtuig zonder roest.   Lieve Lotje uit het dorpje Leba aan de Poolse kust was naast me komen zitten. Vier van onze oren hadden geluisterd naar Alfred die voorlas uit zijn tekstjes op dat onbevlekte frietpapier.   “Gelukkig. Het is kalm vandaag!” zei Alfred, want het was weer zo’n dag die een gans volk hypnotiseren kan. Alle schermpjes aan voor een man of elf. De knop in het hoofd staat bij de meesten dan op vaderland zonder fabeltjeskrant, en dan lijkt het alsof dat echt kan bestaan een natie, alsof ik me echt ergens anders moet voelen als ik één stap over een krijtlijn zet die iemand ooit getekend heeft, ergens tussen Eede en Strobrugge.   ‘Mijn god, wat ben ik blij dat ik dít landje hier gevonden heb, die paar vierkante meter, binnenin een frietkot, waar geen vlag hangt en geen geur van onderscheid tussen de kleuren van een kop of wimpel’, dacht ik bij mezelf.   “En hoe eindigt het met Wimpie?”, vroeg Lieve Lotje. “Ik weet het nog niet?” zei Alfred. “Veel gaat snel voor velen, traag de tijd voor anderen en tragisch is het ook voor blinden. Enkel zij die ogen sluiten, schijfjes bloedworst op de lenzen kleven, denken zo, dat het echt kan, om weg te kijken.”   “En hoe verging het Wimpies hond en kat? Vertel het, mily gnom!” wilden Lotjes ogen.   “Wat ik weet...” en Alfred vertelde, dat alles groeit, omhoog, opzij, opzij, zelfs in een poppenstoet groeien reuzen met de tijd, want nat papier-mâché het zwelt, hun kop wordt dikker en dikker en met de tijd barst alles.   Wimpies hondje stierf al na een jaar of twee. Meneer Wittebolle zei : zo gaat dat, man. En ook de kat, helaas, die leeft niet meer. Een baan is soms te breed, een wiel te snel en Wimpie nam een schop. Dat rood moet van de weg, zei mamalief.   Er zijn nu putten overal, ook in die tuin, met kruisjes, scheefgezakt.       Alfred zweeg, vouwde zijn frietpapieren dicht en legde ze onder een veel te grote pot met zure uitjes.   Hij sneed wat hartjes uit patatten en we aten samen, met ons drie. We dachten aan Ignace terwijl een voetbal rolde, ergens op het gras.       derde en laatste bladzijde van 'Wimpie in Wonderland' (deel 4 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
18 0

Wimpie in Wonderland (2)

                                  My dear dodo. Wake me up. Before you go-go.       Er gebeurde niets. Alfred zei : “Hier zijn je kroketjes. Ik wist dat je ze ging vragen. Ze lagen al in een mandje.” “Te bronzeren. Dank je”, zei ik en hij las verder over Wimpie, “dat het al gauw krioelde rondom Wimpie, van de beestjes en de animale wonderen.   Als ik begin vanuit de grond, dan zijn het zachte mollen, visjes in een regendruppel, gouden, zwarte exemplaren, rare evers, roze kevers in een pantser van plastiek. Je weet niet wat je ziet, noch wat een mens onthouden kan, diep in dat gat van de vergane tijd kropen er wormen, darmenloze kleine wezens keken door hun bolle ogen naar de lucht waarin ze vlogen, vogels slank en breed, sneller dan een pijl, die ene trager dan een slak. Hij valt. Denk ik. Die reiger heeft te lange poten want het water is niet diep. Ik loop er zomaar door. De kikkers ze geloven niet dat ik niet zwemmen kan. Neen want straks. Dan leer ik het, van een gewone dikkop die zijn staart schenkt aan een lam dat zo graag kwispelt.   Ik wil een hond die naast een kat wil slapen en ze kwamen, afgelopen, remden net voor ik ze vangen ging, mijn armen stonden open om te vliegen. Molshopen zijn bruine duinen, wist je niet dat er in deze gaten pijltjes zijn getekend, in de wand gekrast zijn de symbolen, heel eenvoudig, door een kind als ik is dat in één twee drie ontcijferd en ik weet het waar ze wonen, al mijn dromen schuilen in een nest diep in de grond.   Ik streel mijn hond, ik aai mijn kat, omdat mijn handen niets vergeten, weten waar waar het kriebelt bij die beestjes, als ze sterven wordt het stil, soms veel te stil, maak ik een kruisje met twee stengels van een plant die vond dat al dat groen te zwaar geworden was.         pagina twee van 'Wimpie in Wonderland' (deel 4 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Wimpie in Wonderland (1)

                        Elk jaar wordt het maart. Is er taart met februarilijkjes.     De tijd staat niet stil. Soms wil hij vooruit en op een dag, dan valt hij een diepe put. 'Unten im Loch der Zeit' is er een tunnel, die alles kan terugvoeren. Afvalwater, verdwaalde regendruppels, lange seconden en malle uren.   “Dit voorspelt narigheid”, merkte ik op. “Hou je snavel, grijze kinkelkraai”, zei Alfred op dezelfde verteltoon waarmee hij begonnen was.   Wimpie is het. Vaak verstrooid. Heeft wel duizend schrammen van het vallen, probeert het en soms lukt het, kan hij zich vasthouden aan de lianen van vergeten braamstruiken.   Roodsel. Dat is er genoeg in huis en hij wordt vaker dan je denkt een indiaan. Het bruin komt van de zon, het rood, dat is gewoon ontsmetting uit een flesje met pipetje. Het is mercurochroom en hij loopt, blijft het proberen, op de klinkers van de paden.   Wegeltjes kronkelen ertussen, tuintjes zijn het van die keuterboertjes en hij kent de kleuren. Wimpie weet het. Rechtsaf bij de roodpaarse kolen, links bij die groenrode stengels van rabarber, rechtdoor bij het wuivend loof van wortelen, twee keer links, zo rond de bonenstaken en dan altijd maar, nog verder, nog, tot aan tomaten rood als bloed en in de verte rijdt het, als een monster op ijzeren wielen, een treinding op een berm waarachter ze verdwijnt. Die zon. Ze doet het elke dag.   En je weet hoe dat gaat. Er wordt een tuinbadje gekocht, een fototoestel, de slang is voor het water en ijsjes druipen over bovenlichamen van kinderen, mijn god, ik wil het, werd het maar weer zomer, zo’n zelfde oude zomer als weleer.   Dan komt het. Het wordt maart. Hazen graven nieuwe holen, dieven van de winter nieuwe gangen voor het koude zilverwerk en Wimpie groeit. Je ziet het. Alle foto’s worden groter, lenzen, messen scherper. Wimpie snijdt zijn eigen brood en vingers bloeden zelden langer dan één zielige minuut.   Er zijn vaders en er zijn moeders. Je hebt er die dingen kopen, je hebt er die onzin verkopen, je hebt er die beesten verzamelen, een kuikentje voor Wimpie, gansje wit voor moeder en de papa wilde altijd al een echte bok met horens lang, krullend haar tot op de grond.     “Geen frietjes vandaag”, onderrbak ik. “Doe mij vandaag liever van die ronde kroketjes. Zijn er nog?” “Hou toch je kop”, zei Alfred. “Ik ben aan het voorlezen.” “Voor straks, een partijtje croquet spelen, op dat lapje daar, in dat verloren gras.”   Hij kwam naar me toe en ik dacht : nu gaat het gebeuren. Eindelijk. Word ik de nek omgewrongen. Door een getuige van de onschuld.         eerste bladzijde van 'Wimpie in Wonderland' (deel 4 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Uit te lezen vlees (slot van deel 3)

                       Als het regent. Wassen zelfs de slakken zich. In onschuld.       Intussen had ik een iets groter schriftje, een B5, waarin ik honderden woorden opschreef, alle met letters uit die resterende zesenzestig letters.   Ik schonk me thuis een gordon scotch in (later nog een paar). Ze kwamen van bij de Colruyt, vijf euro vierennegentig cent voor zes flesjes. Na vier flesjes en vierhonderd worden gaf ik er de brui aan en kroop in mijn nest   Morgen. Eerst het vaste wandeltochtje langs slakken en kruipplanten, een kleintje met mayonaise bestellen, ook een 7up en dan zie ik wel. Wat we nog uit die letterreeks kunnen peuteren.   Mijn ogen waren lam van de letters en wilden zo snel mogelijk slapen.     En omdat de zon het wilde, werd het weer licht. Ik stond op, zette de lege Gordon Scotch-flesjes in de wachtende bak van plastiek, at een boterham met muizenstront en kleedde me aan. Ik had me overslapen en het was al kwart na elf. Het is een half uur stappen naar de frituur van Ali F.!   Ik was er om vier voor twaalf, trok het deurtje open en groette Alfred. Hij beet op een balpen, schreef even later iets op een vel frietpapier en legde de stilo weg. Hij bracht me alvast mijn 7up.   “Ik wist niet dat je schrijver was”, vroeg ik hem en hij grinnikte. “Verhaaltjes.” Meer zei hij niet. Het werd twaalf uur. Twee na twaalf. Twaalf na twaalf.   “Hij komt niet elke dag”, zei Afred, “soms heeft Ignace het lastig.” “Waarmee?” vroeg ik. “Hoe zal ik het zeggen…. Soms flipt hij.” “Wordt hij dan gevaarlijk?” Toen ik het gezegd had, voelde ik het al.   “Hahaha… gevaarlijk! Dan wil hij alleen maar in de grond kruipen. Hij heeft me het ooit eens verteld. Dat hij zichzelf dan een spuit geeft, knock-out gaat en een dag of twee niet uit zijn bed komt.” Ali schepte mijn portie frieten, draaide wat aan de knop van één van de kuipen en liet een mandje zakken.   “En dat schrijven van je, Alfred… wat schrijf jij dan?” vroeg ik. “Curieuzeneuze-en-vragesterretjes” was zijn antwoord en hij lachte weeral. “Horror? Porno?” Ik daagde hem wat uit en hij zei : “In ieder geval geen kinderkutverhaaltjes.” “Gij zwanzer”, reageerde ik en toen ik mijn bakje frieten van op zijn kleine koeltoog nam, griste ik het vel frietpapier mee waarop hij geschreven had.   “Ze zijn goed gebakken. Zo heb ik ze graag”, zei ik, “en Wimpie? Wat bestelt hij normaal?” “Gij smeerlapje”, riep hij toen hij zijn geschrijf onder mijn bakje frieten zag liggen. “Wimpie is de zuiverste ziel van de ganse zuivelwereld”, zei Alfred. “Is zijn vader dan melkboer”, vroeg ik. “Wimpie heeft geen vader”, en Alfred zweeg.   Ik ging niet verder in op ‘Wimpie’ en vroeg enkel nog hoe het schrijven vlotte.   “Als inktslakken die verdwalen bij motregen. Nog beter als het begint te gieten. Dan valt er al na een kwartier niets meer te lezen.”   Dat waren de woorden die hij sprak terwijl hij vleesblokjes, ajuin en paprika (alles zat op een stevig stokje) voorzichtig in een mandje legde. Het was voor een mankende man.     derde en laaste bladzijde van 'Uitgelezen vlees' (deel 3 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Uit te lezen vlees (2)

's Anderendaags zaten wij daar weer, in frituur De Bosbrand. Ik kwam altijd uit het zuiden toegestapt en Ignace uit het noorden.   Ik zorgde ervoor dat ik er altijd om vijf voor twaalf was en Ignace moest ergens onderweg zijn stappen tellen en de snelheid aanpassen want hij kwam altijd precies om twaalf uur door de deur.   We plakten de fameuze B3 met plakband vast aan het tafeltje en staarden eerst samen naar de zesenzestig letters.   “En?’ vroeg Ignace. “Iets gevonden gisterenavond?” “Eén instinker, één ziekte en een moordwapen”, antwoordde ik. “Welwel… en dat is al?” Ik trok een dwaze kop en ging twee 7ups bestellen. Alfred zei dat het de laatste waren, dat we daarna frieten moesten drinken.   “Wat gaan we dan eerst schrappen?” zei Ignace. “Wat je zei, toen we die ‘die hete dieetmest uit Gdansk’ ontcijferd hadden… dat ze niet van Mars kwamen. Dus Sven Mars is niet van Mars en Vermassen ook niet.” “Dus SVEN MARS wordt VERMASSEN”, stelde ik voor. “Oké, als we die extra E elders halen, kan het.” zei Ignace. “Dat is dan toch al iets. Wat nog?” vroeg hij. “Dat het moordwapen een mes was, en dat hebben we afgeleid uit ‘dieetmest’.”   WAPEN – MEST, schreef Ignace op.   “En AUJEZSKY heb ik opgezocht… de ziekte van AUJEZSKY is de VARKENSJEUKPEST.” “Dan hebben we een probleem”, zei Ignace, “er is maar één K” “Ook andere dieren kunnen het krijgen, heb ik gelezen.” “Dan schrijf ik op JEUKPEST” en Ignace nam een rode stift. “En die jeukpest wordt allicht ook verspreid via de mest… dan moet MEST zeker in de oplossing staan!” besliste Ignace. “JEZUS heb ik ook gevonden”, zei ik, “want GEDEELDE WIJN staat er”   Alfred schoot in de lach : “Eindelijk bekeerd!” en tegen hij het Poolse meisje (ze bleef maar terugkomen) zei hij : “Neen, mijn schat, inlegkruisjes verkoop ik niet”, waarna ze een kippenschnitzel bestelde. “Ik dacht dat je vegetarisch was”, zei Alfred tegen het popje met de witrode kousen. “Ty naiwnie gnom” zei ze, “en rol hem eerst goed plat, die lap vlees, zoals we dat in Polen doen.” Alfred had geen deegrol noch hamer en gebruikte dan maar zijn vuisten om dat lompje vlees in paneer op een vleespannenkoek te doen lijken. “Goed zo?” vroeg hij en het Poolse Lotje knikte.   Intussen had Ignace een zwarte stift genomen en begon een nieuwe rij woorden, onder die van het anagram.   V E R M A S S E N   J E Z U S  W A P E N    J E U K P E S T    M E S T    Diezelfde letters schrapte hij in de oorspronkelijke letterrij en we hielden over :   L R L E E P H I N A Z S Y G E D E E L D E W I N O P E N W A T E R M O Z E S   Ik haalde mijn TI-30G boven en berekende hoeveel mogelijkheden er nog overbleven. “Nog achtendertig letters te gaan en faculteit achtendertig is ...euh... meer dan een septiljoen”, zei ik. “Toch al iets minder dan die vijfhonderdvierenveertig quindeciljoen”, en Ignace gaf me een schouderklopje.   “En hoeveel frieten willen de Einstein Brothers vandaag?” vroeg Alfred. “Ook zoveel?”   “Frietpaviljoen is geen getal”, zei Ignace.       pagina twee van 'Uit te lezen vlees' (deel 3 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
19 0

Uit te lezen vlees (1)

  L E E P P E E R L E E P H I N T M E S A U J E Z S K Y G E D E E L D E W I J N O P E N W A T E R M O Z E S W A N T Z U S S V E N M A R S   Ignace ging niet eens zitten op zijn vaste stek, hij bleef recht staan aan ‘zijn’ tafeltje en nam uit zijn zak van plastiek een groter blad dan we van hem gewoon waren. Een B3! Het blad bedekte bijna het ganse tafelblad. “Zesenzestig!”, zei hij, “een anagram van zesenzestig letters. Gekregen, van Wimpie.” “Wimpie Wankie Wimpel Wanker Pamper Pilipili”, Alfred begon een liedje te zingen waar de beste rijmelaar een puntje aan kan zuigen en Ignace riep dat hij zijn muil moest houden.   Ik kwam naast Ignace, aan zijn tafeltje staan. Op dat vel papier stond een ganse rij letters. Ik telde ze. “What the fuck”, zei ik, “zesenzestig….” en ik schreef in mijn schriftje : 66!, waarbij die ‘!’ geen uitroepteken is maar staat voor 'faculteit'. Faculteit zesenzestig, het aantal combinaties met zesenzestig letters. “Hoeveel mogelijkheden zijn er dan?” vroeg ik aan Ignace. Hij wees met zijn vinger. Het stond in de linker onderhoek van het grote blad :   66! = 544344939077443064003729240247842752644293064388798874532860126869671081148416000000000000000    “Maak je geen zorgen,” zei Ignace, “ik weet dat het meer is dan een vijf met daar achter tweeënnegentig nullen, meer dus dan vijfhonderd quindeciljoen.” Alfred begon te neuriën, nam een glas, blaasde er wat kabouterdamp op en begon het glas een glansje te geven. “En jij wilt dat anagram oplossen? Uit die qui… quindeciljoen mogelijkheden de juiste vissen?” vroeg ik aan De Reus. Hij knikte. "Hoe dan? Een algoritme gekoppeld aan een woordenboek, aan een namenregister en weet ik wat nog veel?” Ignace bestelde twee 7ups. Hij die anders altijd fanta dronk, ging eens een 7up proberen en een anagram met zesenzestig letters oplossen!   Hij zei, na een paar minuten  : “Luister... ten eerste, het zijn er geen vijghonderd quindeciljoen, omdat sommige letters meerdere keren voorkomen… en denk je echt dat we een computer nodig hebben? Hoe wou je dan automatisch gaan zoeken in naam-, plaats- en ik weet niet welke andere registers?” sprak Ignace. “Google even bellen”, grapte Alfred en hij maakte een teken naar me. Met het puntje van zijn rechter wijsvinger tikte hij tegen zijn rechterslaap. “Allez… zeg het hem dan”, zei Ali me. “Wat?” vroeg ik, “...dat-ie zot is?”   Ignace lachte en beaamde het : “Ja, ik ben niet goed wijs, maar maak je geen zorgen… er zitten veel verwijzingen in de anagrammen die Wimpie maakte, grappen ook, en instinkertjes. “Wimpie? Wie is Wimpie?”, vroeg ik met luidere stem dan gewoonlijk. “Wimpie... Wimpie woont nu in Zuienkerke”, zei Ignace.   “Een waterrat en wonderboy was hij, Wimpie. In de zomer zwom hij liefst in een zwembadje vol lettertjesspaghetti” riep Alfred die patatten aan het schillen was.   Ik las de letters nog een keertje, woorden waren het, maar wist begot niet waar te beginnen en zei : “Ignace, dat lukt nooit. Al mogen het er minder zijn dan die vijfhonderd quindeciljoen, het zijn er zeker nog meer dan een deciljoen!” “Mag zijn,” was zijn antwoord, “maar wees gerust. Je brein is tot veel in staat, meer dan je denkt. Je hersenen maken ook gebruik van je onderbewustzijn. Een computer kent geen dingen als spontane associaties, onlogisch lijkende links of instinkertjes die je eerst op het verkeerde been lijken te zetten en tegelijk een lichtje doen branden in een andere gang.”   “Schrijf de reeks over, probeer het thuis.” “Ik weet het niet”, zei ik en dacht bij mezelf : had ik maar niet zo snel ‘einde’ geschreven onder mijn Zeebrugs verhaaltje met containers, straatlopers en vuilbakmiserie.   Ik wilde schrijven. Niet puzzelen.      66!  L E E P   P E E R   L E E P   H I N T   M E S   A U J E Z S K Y   G E D E E L D E   W I J N  O P E N   W A T E R   M O Z E S   W A N T   Z U S   S V E N   M A R S       bladzijde één van 'Uit te lezen vlees' (deel 3 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Geluk van ander licht (slot van deel 2)

                                        Wat echt telt. Is wat de specht vertelt.       Een spleetje moet er zijn, tussen de deksels en de wanden. Voor wat lucht. Het licht, dat deert me minder want de nacht is zwart als zakken voor de as. En er zal niet gevochten worden deze nacht! Twankie Wankel is alleen. Geen wezens zullen hun deel komen opeisen, van de resten, van wat u en ik niet kopen wilden, omdat de keus zo groot was, breed was als de eindeloze geulen die men graaft voor slachtoffers van honger, armoede en uitputting.   De landen liggen er verlaten bij. De zon heeft al zijn tol geëist, het leven des te meer. Er ligt genoeg op deze bodem. Twankie Wankel wil en zal voor haar, voor Twinkeltje iets meenemen. Zij houdt van rauw, verslindt soms als het moet de vezels van een taaie dag die maar niet sterven wil.   Zo is geschiedt, zijn hart was klaar, het scheuren stond niet ingepland. Nu is zij dood en Twankie Wankie weet het nog niet. Beterschap is voor een zieke met verkoudheid. Liefde is helaas een kanker die niet helen zal, hij snijdt alvast een stukje hier, een plakje daar. Geen ster, geen sterveling, geen ooievaar met lege bek die het verwacht, dat zij zo snel, het duurt hooguit een dag of twee, vooral alle levensjeuk haar lijf verlaat, en zij, daar in een hoekje, op een deken zonder kleur, haar laatste blik te slapen legt.   Einde.       Ik had het beloofd aan Ignace, dat hij het lezen mocht, als het klaar was. Wachten is voor mist op heldere zon en ‘s anderendaags was ik er al weer, in frituur De Bosbrand. Alles stond op stelten. Alfred toch, al de rest niet, want hij is echt klein. Als een kabouterboom met twee te lange stammen die benen voorstelden, liep hij daar rond. Dat die spinnenwebben weg moesten, dat heldere ramen beter zicht geven op de baan, op die knappe deernen die -hij hoopte het- friet noch curryworsten vreesden.   “Die hoogste webben”, vroeg hij, “doe jij die, gij lummeltje van vijf voor twaalf?” Uit een hoek plukte ik een nachtje spinnenijver. Ik wierp de spin met kruis en al de straat op. Gelukkig is het voetpad er breed en ik zag hem komen in de verte, Ignace, hij wuifde.   Enthousiaster dan ik hem ooit gezien had, kwam hij het frietkot binnen, haalde een dubbelgevouwen B4 uit zijn zak van plastiek en zwaaide ermee door de lucht.   “Hier! De sleute!” zei hij. “Eindelijk zal ik precies weten hoe Twinkeltje stierf."         vierde en laatste pagina van 'Geluk van ander licht' (deel 2 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Bloemetjesfauteuils

Ik heb nooit helemaal geweten hoe het kwam dat mijn grootvader zijn tenen verloren was. Op de plaats waar zijn voet had moeten overgaan in vijf aparte delen, flapte de neus van de kous naar beneden zoals de mouwen van een te warm gestreken overhemd. Als hij stapte, schoven zijn schoenen ongemakkelijk heen en weer. Ik heb hem eens gezegd dat hij beter een kleine maat kocht.   Het is niet zo dat hij ermee geboren was. Dat gebeurt, dat de menselijke ontwikkeling soms lichaamsdelen vergeet, maar op foto’s van de gidsen zag ik hem op een omgevallen boom, een blonde jongen met een glimlach, een coltrui en een beige broek, en in elke sandaal een voet met vijf bemodderde tenen.   Als volwassene werkte hij in de mijn, dus ik geloof dat ik wel eens gedacht zal hebben dat er een rotsblok op zijn voet gevallen was. En dat zijn makkers hem dan in een schacht naar boven sleurden tot er licht kwam en ze teneergeslagen achter zijn rug gebaarden: hopeloos.   Nee, schudde mijn grootvader* op het voorstel van de kleinere schoen, dan zou hij kinderlaarzen moeten dragen. Zijn trots was hij nooit verloren. Ik paste mijn voeten naast de zijne om na te gaan hoe hard ze van grootte verschilden. Dat was de eerste keer dat ik besefte dat tenen een aanzienlijk deel van je voet innemen.   *Hij was daar heel goed in, in nee schudden. Hij deed het langzaam omdat de spieren van zijn nek moeilijk van de ene naar de andere kant rekten. Een nee-schudding kon daardoor soms twee minuten duren, en dan was het wel duidelijk dat hij niet akkoord was.   De tweede keer dat ik dat besefte, was in het vijfde leerjaar, toen ik van een springkasteel viel, vier voetwortelbeentjes brak en zes weken een loopgips kreeg.   Ik kan me niet herinneren dat mijn grootvaders gebrek aan tenen echt een onderwerp was. Het was er gewoon, zoals de bloemen op de fauteuils waarin we naar Te land, Ter zee en In de Lucht keken, of de stukken appelvlaai waar niemand ooit nog plaats voor had.   Ik heb de voeten van mijn grootvader nooit zonder kousen gezien. Als hij pantoffels nodig had om naar de badkamer te schuifelen, moest ik die met gesloten ogen aangeven. Het was een belofte dat ik de littekens mocht zien als ik twaalf werd, maar toen was hij al dood en ik heb lang spijt gevoeld dat ik nooit stiekem heb gekeken.

Kristien Spooren
0 0

In Schotland

Toen ik in de paasvakantie alleen op reis ging en aankwam in Schotland, wandelde ik door het grootste treinstation van Glasgow. Midden in de centrale hal stond een grote, houten balk met aan vier kanten dezelfde analoge klok. Als de secondenaald de twaalf raakte, versprong de lange wijzer een minuut, alsof het leven altijd op hetzelfde ritme wegtikt. Aan de voet liepen de mensen de tijd voorbij.   Veertig minuten van Glasgow lag Hamilton park. Ik zag er een eekhoorn, schapen, bruine runderen en een oude vrouw met blauwe oogschaduw die dansjes deed omdat ze nog nooit een toerist had ontmoet. Rond de middag klom ik in een eikenboom met dikke knoesten om rozijnenboterhammen te eten en er was niemand die zag hoe gelukkig ik was.   De volgende dag zat ik op de bus naar Loch Lomond, een meer dat geboren was tussen de vlaktes en de hooglanden waardoor niemand echt zeker wist waar het thuis hoorde. Ik had horen zeggen dat de avonden hier het mooist waren. Het water rimpelde op het oppervlak en weerspiegelde de zon die langzaam verdween, alsof ze in de verte werd ingeslikt.   Onderweg naar het meer passeerde de bus langs Levendale, een dorp dat zo hard heuvelde dat het leek of we in een achtbaan zaten. Onder de bibliotheek was een autoparking. Er stond een bord van de gemeente met een schuifbalk en twee vakjes, vrij en vol. Het was nog niet digitaal en ik vroeg me af of er dan iemand was die bij de laatste auto naar dat bord loopt om het balkje te verschuiven.   Op maandag haastte een man zich naar het werk. Hij droeg een zwart kostuum, een grijze stropdas, geklede schoenen en een hoed die aan de rechterkant een beetje deukte omdat hij tegen het raam in slaap gevallen was. Terwijl hij bedrukt door de straten beende, dronk hij geen koffie, maar caprisone met een rietje.   In Dundee dronk ik thee met een vrouw uit Japan. Op straat vond ik een stuk van zes centiemen. Dat hebben de Schotten ooit uitgevonden om kleine meisjes geluk te wensen. Je kreeg dan zo’n munt met het geboortejaar van je moeder op. Het is lang geleden dat ze mijn talisman werd.   De tweede week stapte ik het begin van de West Highland Way. Dat is een hele lange weg die start in Milngavie, een stadje dat op een sprookje lijkt omdat er nog lantaarnpalen zijn en de mensen zich schuifelend van de ene naar de andere plaats bewegen. Toen ik op de terugweg een stuk van de kaart wilde snijden, klom ik door een modderpoel over een hek met horizontale stangen. Het was stil in het landschap. Vanachter een heuvel naderde een kudde wilde hooglanders. Ze kwamen loeiend dichterbij, tot een van hen het geluid van mijn hartslag hoorde en we elkaar voorzichtig in de ogen keken. Er had nog nooit een koe aan mijn voeten gegrazen.   Op het einde van de reis hielp ik zwangere schapen bevallen. Een tweeling stierf, een lam lag weerloos op een heuveltop. Het was koud die nacht. De zon viel neer, de lucht kleurde marineblauw met witte sterren. In mijn armen klonk het oorverdovend gemis van een jong verstoten door haar moeder. Het rilde, bijna in morsecode, alsof het alleen maar kon zeggen: sommige dingen gaan niet goed. Zomaar, zonder dat je er iets uit kan leren.

Kristien Spooren
21 0

Geluk van ander licht (3)

                Stil papier houdt zich graag schuil. Liefst in de vorm van warm karton.       Dagen schoven voorbij als plateautjes aan de kassa bij een Lunch Garden, wolken met herinneringen aan een ijslamtaart en bakjes friet verkocht Alfred met mate. Het was rustig, daar in zijn frituur, ik kwam er graag en die Ignace Somers was zo gek nog niet. Op 28 december van het jaar 2016 liet ik hem zelfs mijn recentste A7-boekje lezen.   “Ik weet het niet”, merkte hij op, “...of het een goed idee is om de personages in je Zeebruggeverhaaltje namen te geven van echt bestaande wezens.” “Twinkeltje komt er nog niet in voor”, zei ik, “enkel een Twankie Wankel.” Ignace schudde het hoofd, beet zich op de lip en zei : “Het ligt zeer gevoelig. Twinkeltje was mij dierbaar, Twankie Wankel als een thuis voor eenzaamheid, een echte vriend.”   “Twankie Wankel? Die moordenaar?”, vroeg ik. “Antoine was zo schuldig aan de moord op Twinkeltje als Lee Harvey Oswald aan het doodschieten van JFK en James Owalds’ Prayer for the Dead zal ik nooit lezen, bidden evenmin, niet voor Twinkeltje, noch voor jou of Twankie, maar ik ben het zo zeker als de zonsopgang van morgen : Antoine doet geen vlieg kwaad.” “Deed”, corrigeerde ik hem. “...en mocht je het in je hoofd halen een romance, welke dan ook te verzinnen, weeg je woorden dan goed, want ik zal het lezen en niet mals zijn als je toon me niet bevalt”, zei Ignace nog.   Die dag heb ik niets meer bijgekrabbeld in mijn boekje, toch niet toen ik daar zat, bij Alfred en Ignace. Ik ben iets vroeger dan normaal vertrokken en was van plan, om thuis Liesbeth List wakker te schudden, op een eerlijke manier.     Onderweg kom ik Twinkeltje tegen. Ik vraag haar of ze niet dood is, en ze lacht : “Meisjes zoals ik, zoals Wilhelmina Lippens zijn er duizenden. Misschien met een andere naam, net zoals sterren met verschillende korstjes op een schaafwondje.” Haar stem klinkt lief en zacht, maar ze ziet er niet uit, in die tenu van grijze lucht en gescheurde najaarswolken. Ze draagt een gehavende broek, haar blik is ijzig, als vastberaden vorst die naar niemands pijpen dansen zal, die alle bekertjes met tranen, glazen met vergeten bier tot barsten dwingen wil.   “Heb je een plaatsje voor de nacht?”, zo vraag ik haar. “De nacht parkeert zich waar hij wil. Een jonge man moet weten wat hij vragen kan aan schaduwen met pijn en diepvriesoren.” Ze slaat een steegje in, ik loop rechtdoor, verder in de richting van een straatlantaarn die zoveel a’s nooit leggen kan al is het bord zo leeg als blanco letters.   Ik kom thuis, schik wat woorden voor een nieuwe liefde. Aan een einde denk ik niet. Dat laat oik ver aan mijn boekje, aan het zwart, de inktslakken, ze kruipen al, ik zie het niet, het glinsteren van weggekropen sporen. Ergens slaapt hij al, maar moeilijk, Twankie Wankel heeft zich al gehuld, in laagjes warm karton.       derde pagina van 'Geluk van ander licht' (deel 2 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Geluk van ander licht (2)

Positief ingesteld als ik doorgaans ben bestelde ik ook vandaag weer een 7up met daarbij een kleintje met mayonaise. “Voilà zie”, zei Alfred toen mijn bestelling klaar was en hij gaf me er een gratis potje toversaus bij. “Of voor de kindjes”, voegde hij er aan toe. Ik zei dat ik geen kinderen had, alleen een moeder (ook een achtergelaten vader) en ik legde alvast mijn A7-boekje klaar op ‘mijn’ tafeltje. Al vier bezoekjes had ik inmiddels gebracht aan Ali’s friettempeltje en telkens had die ene stoel mij kunnen strikken.   “Vandaag een rijmpje voor vadertjesdag?” vroeg Ignace. “Liever niet”, zei ik, “ik tob over een verhaaltje met gesukkel in Zeebrugge, iets met containers, junk yards, schroothopen langs een kanaal, roestrode lucht en mauve wolken”       Twankie ben ik, loop maar wat te dolen en mijn loden voeten wegen zwaarder dan de poten van een havenkraan. Er is honger, lang niet meer naar liefde, heel gewoon wat restjes, ergens vinden, winkels hebben altijd achterpoortjes, weet je. Ben je blind, doofstom en ongevoelig, God wat scheelt het, ruiken kan ik, waar ik zoeken moet.   Brood van gisteren, het was eergisteren het brood van morgen en ik proef ervan. Ik scheur het open, pakje hesp, ontdaan van vet en botten, varkensvel. Het smaakt gelukkig, echt naar geen beleg van oorlogssteden, zelfs niet eens naar rottigheid en de kartonnen dozen liggen hier vanboven. Dat is fijn want niets, geen vet noch bruine saus, is uitgelopen uit een barst, de potjes zijn, ik zie het, één voor één nog ongedeerd.   Ik leef en dat, het blijft nog even zo, allicht ook weer tot morgen, goed is het, als de containers waterdicht zijn, deksels hebben, koude sterrenhemels buiten houden. Twankie Wankie hoeft geen deken met te witte vlekken, morgenvroeg moet ik er uit, dan komt hij weer, die vrachtwagen die alles moeiteloos verslindt alsof de nieuwe dag een reus is met een walvismaag.       Ik klapte mijn mini-boekje toe. De 7up was kouder dan dag. Het werd twaalf uur. Geen koekoek sprong tevoorschijn uit een rijk met messing raderen en buiten stond een glascontainer.   “Zijn ze daar nu weer!”, sprak Ignace. “Wie?” want Alfred wil het weten. “Die mannen van Standard”, zei de Ignace De Langeflap.   Ik keek nu ook door het raam van plexi. Ik zag het Poolse meisje, flessen werpen, lege potjes saus. “‘t Was voor bij de alfabetspaghetti”, lachte Ignace die het altijd beter weet en het was Alfred die zich weer liet gaan, een schunnigheid verzon : “Ik ziet het. Aan haar licht gewrongen stap. Dat ze ook vandaag weer kruiswoordraadsels uit haar kutje bloedt.”       pagina twee van 'Geluk van ander licht' (deel 2 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0

Geluk van ander licht (1)

                           Er zijn geen gebeurtenissen. Niets dat loszit. Valt zomaar.       “Fake news!” zie Ignace luidop. Hij zat er weer, op zijn vaste plaats, aan het tafeltje, links van de koeltoog en het was Alfreds transistorradiootje dat nieuwe feiten was beginnen uitkramen. Een radiostem had het over die nieuwe teelt, over dat organisme, dat het midden hield tussen planten en dieren, dat ontwikkeld was door de firma Sanomonto, die het catalogeerde als een omniglotoïde.   Planten kon men het niet noemen, omdat ze zich konden verplaatsen en daarbij sloot men de groep van de kruipplanten volledig uit. Ook dieren kon men het niet noemen. De omniglotoïdes beschikten dan wel over een primitief spijsverteringsstelsel en (slechts) één zintuig, dat van de reuk, hun weefsels waren voor het grootste deel plantaardig. Van een echt ‘wezen’ kon men moeilijk spreken. Ze voedden zich via hun vele tentakels, die eruit zagen als langgerekte kleine tongen. Met die tentakels konden ze zich voor lange tijd vastzetten in de bodem en de minuscule uiteindes konden voedingsstoffen opnemen uit de bodem. Wortels waren dat niet want ze verslonden ook de aarde waarop ze groeiden, waardoor er rond het organisme soms kleine verzakkingen ontstonden. Ze hadden ook een soort van strontgaatje, waaruit de verwerkte grond kwam. Hun eenvoudige spijsverteringsstelsel werkte echter niet met zuren en ook niet met bacteriën. Het was een gif dat voor de afbraak zorgde. Zelf waren ze vanzelfsprekend bestand tegen dat venijn, maar helaas niet de andere levensvormen die zich rondom de omniglotoïdes bevonden. Vele insecten, strontvliegen en kevers hadden aanvankelijk niet door dat de uitwerpselen van de omniglotoïdes giftig waren en stierven in groten getale. Of dit echt een probleem was? Sanomonto vond van niet. Het vergemakkelijkte de teelt, er hoefde niet gespoten, noch gewied te worden en het volstond om de omniglotoïdes (die gecommercialiseerd werden onder de naam Omigot) te koken om het gif onschadelijk te maken voor de mens. Je stak een portie Omigot in een snelkookpot, je voegde er wat suiker aan toe, en klaar was kees. ‘Buiten het bereik van kinderen houden’, stond op de pakjes Omigot. Gezinnen met kinderen kochten voor de veiligheid voorgekookte of reeds bereide Omigit en chef koks hadden enkel lovende commentaren. Ze spraken van ‘de truffelkaviaar van de 21ste eeuw’.   In het radioprogramma werd de vraag gesteld of in gekookte Omigot daadwerkelijk geen enkel gif meer aanwezig was. Een knappe bol kwam aan het woord en verkondigde dat hij vele tests uitgevoerd had met de omniglotoïdes van Sanomonto. Alle resultaten waren positief, in de zin dat na het koken geen enkele substantie meer aangetroffen werd in het gewas dat ook maar enigszins toxisch zou kunnen zijn en een chef-kok wist te vertellen dat Sanomonto al aan een tweede variante werkte, een Omigot 2.0 die tijdens het koken duidelijker verkleurde. Hij zei dat de kleur-na-koken nog moest gekozen worden en dat een panel van sterrenchefs inspraak ging krijgen. De kleur van een ingrediënt was immers uiterst belangrijk bij de presentatie ervan.   “Een gerecht met omniglotoïde kan het best op een vijfkantig bord geserveerd worden”, zei de presentator, “gezien de moderniteit van Omigot”, hetgeen de chef-kok beaamde met de woorden :  “Ja, zo doen we dat het best.”   “En nu is het tijd voor een plaatje”, zei de afgelikte radiostem en er weerklonk een liedje over een donker straateinde.   “Geen onaardig nummertje van Percy Sledge was dit”, besloot de stem, terwijl Percy’s laatste woorden ‘They gonna find us love someday’ uitstierven. Het leek alsof ze gesmoord werden in die miezerregen. Kleine druppels twinkelden op de golfplaten van het frietkotdak.       eerste bladzijde van 'Geluk van ander licht' (deel 2 van mijn e-boekje 'Twankie Wankel Twinkeltje')

Bernd Vanderbilt
0 0