Lezen

Opdracht 6 Elisabeth Leysen

scène 1   Je fotografeert te snel, zei de leerkracht op de academie. Je fotografeert te snel en je maakt te veel foto’s. Je moet eerst kijken, goed kijken. Je gaat ergens op een bank zitten en je kijkt. Pas na een uur of twee mag je fotograferen. Meer kijken en minder fotograferen, dat werd de volgende opdracht. Ze maakte een afspraak met haar model. Hij was al vier jaar haar model. Vier jaar geleden had hij aangeboden om haar model te zijn. Hij had toch niets beters te doen, zei hij. Enkele keren per jaar boekte ze de studio op de academie voor een fotoshoot met hem. De studiosessies hadden altijd hooguit drie kwartier geduurd. Nu had ze drie uur van zijn tijd gevraagd. Ze zou hem thuis oppikken, ze zouden de tram nemen naar de stad en daar zouden ze ontbijten. Pas dan zou ze haar fototoestel bovenhalen. Dat was de oefening, had ze hem uitgelegd, want ook voor hem was het nieuw. Het zou een oefening worden in niet fotograferen. Of pas na een tijd fotograferen.   Ze voelt een vreemd soort opwinding. Deze keer hebben ze niet afgesproken in de academie. Deze keer geen opstelling met studioflitsen en statieven. Ze belt bij hem aan en ze gaan naar de stad. Ze gaan nooit met z’n tweeën naar de stad. Hij is eigenlijk meer een vriend van haar man. Ze ontbijten in een plek op de Steenhouwersvest. Hier is alles bio, ambachtelijk en vers. Ze stelt vragen en luistert, als bij een interview. Ze kijkt naar de man rechtover haar. Hij is geen model meer, maar een man met een verhaal. Hij heeft politieke en sociale wetenschappen gestudeerd, heeft stage gelopen op een kabinet en maakt nu carrière als lobbyist. Hij leert Russische ondernemers hoe ze in Europa een voet aan de grond kunnen krijgen. Ze kent hem al zo lang, maar ziet hem nu voor het eerst echt. Ze is blij dat ze haar nieuwe jurk heeft aangetrokken. Ze voelt zich mooi in die jurk. En ze ziet hoe hij geniet van de aandacht.   Ze betaalt en ze wandelen langs de kleine straatjes en pleinen van de oude stad. Dan zijn ze plots op een groot plein. Hij poseert voor de plek waar hij ‘s nachts vaak hamburgers at, vlakbij de kathedraal, toen hij nog studeerde. De betovering dreigt te verbreken, hier is de wereld te veel de wereld, ze voelt dat ze meer afzondering wil. Ze lopen door een steegje met kasseien, de huisjes hebben ramen met luikjes en glas-in-lood. Het steegje lijkt op te houden maar dan zien ze, onder een Christusbeeld, toch nog een doorgang naar een kleine overdekte binnenplaats. Dit zijn plekken waar ze van houdt. Historische plekken met weinig licht. Het model wacht op instructies, leunt wat tegen de muur en kijkt naar haar. Ze geeft geen instructies, ze zegt helemaal niets meer en begint te fotograferen. Een groepje Japanse toeristen hebben de doorgang onder het Christusbeeld ook gevonden en mompelen een soort verontschuldiging, maar zij ziet alleen nog de man voor haar camera. De man poseert niet meer, wil niet meer weten wat van hem verwacht wordt. Hij kijkt alleen nog. Hij vraagt of het goed is dat hij zijn handen in zijn zakken houdt. Ze gebaart dat het prima is en denkt er niet verder over na. Pas als ze weer thuis is en de foto’s bekijkt, beseft ze hoe intens dit ook voor hem is geweest.   Ze begint een dagboek. Dit kan ze aan niemand vertellen. Dit mag ze aan niemand vertellen. De volgende dag doet ze haar verhaal toch, op de academie, in een gesprek alleen met de leerkracht. De leerkracht lijkt niet echt verrast. Dit is wie jij bent, Elisabeth. Voor jou is alles intens en persoonlijk. Jouw beelden zijn altijd biografisch. Jij wil niet gewoon een technisch goed gemaakt portret hebben. Jij wil het verhaal vertellen van de persoon voor de camera. Dat kan alleen als er echt sprake is van een ontmoeting.   Ze rouwt. Ze schrikt van de pijn die ze voelt. Dit is de haast fysieke pijn van het verlies. Ze schrikt van de aantrekkingskracht die uitgaat van het model. Ze wil dit begrijpen, ze wil doorgronden waar die aantrekkingskracht vandaan komt en zoekt naar vakliteratuur over de relatie tussen de kunstenaar en zijn model. Ze vindt antwoorden in de psychoanalyse, in een tekst van Zizek over het sublieme in de films van David Lynch. Het model als subliem object. De kunstenaar kijkt naar het model en voelt daarbij de kracht van zijn eigen verlangens. Dit is het soort fotograaf dat ze wil zijn. Dit is het soort intensiteit dat ze zoekt. Ze wil portretten maken omdat dat de meest intense vorm van aandacht is. De pijn, de rauwe pijn van het verlies, die neemt ze er dan wel bij.     scène 2   Er groeit mos tussen de kasseien naast het huis. Dikke stukken mos. Ze herinnert zich hoe haar moeder vroeger op haar knieën onkruid van tussen de kasseien schraapte. Zeker zestig vierkante meter kasseien, naast het huis. Het had ook met een product gekund. Product in een spuitbus, sproeien, even wachten en klaar. Dat moet de buurman zeker gedacht hebben, toen hij met zijn fiets voorbij reed en haar moeder op de knieën zag zitten. De buurman had product en spuitbus klaar, maar hij zweeg, want hij wist dat het toch geen zin had. Haar ouders waren tegen producten.   Haar vader zit voor het raam in de keuken. Vier maanden na de dood van haar moeder kreeg haar vader een zwaar herseninfarct. Precies op vaderdag. Ze hadden nog samen pannenkoeken gegeten en toen zij en haar zus alweer weg waren, kreeg hij het infarct. Ze hebben hem pas de volgende dag gevonden. De dokters hadden voorspeld dat hij nooit meer naar huis zou kunnen, maar na vier maanden revalideren mocht hij weer naar huis. Sindsdien zit hij voor het raam in de keuken en slaapt. Eerst dachten ze nog dat ze hem moesten aanmoedigen om te bewegen, dingen te doen, maar daar werd haar vader heel ongelukkig van. Alsof hij een luierik was. Als je veel slaapt, dan is dat omdat jouw lichaam dat nodig heeft, had de neurologe vriendelijk gezegd en dat was het einde van de aanmoedigingen. Als haar vader niet slaapt, kijkt hij naar de tuin. Ze vermoedt dat hij het wel erg vindt, van het mos, maar hij zegt dat het hem niet kan schelen.   Ze steekt een filmrolletje in de camera. Haar vader kijkt toe. Het is zijn camera. Meer dan vijftig jaar geleden had hij de camera gekocht. Haar hele kindertijd is vastgelegd met die camera. Zij en haar vader in de tuin van het oude huis. Haar vader had net een sneeuwman gemaakt. Verjaardagstaarten met kaarsjes en vergenoegde kindergezichtjes. De hond Alfie in het nieuwe hok. Haar kleine zusje doodsbang op de slee die veel te snel de berg afgleed. Zij en haar kleine broertje met de mutsen die haar moeder had gebreid. Het oudste kind is nu fotograaf geworden. De camera is wat zij en haar vader nu delen.   Er woont een haas in de tuin, zegt haar vader. Hij heeft waarschijnlijk zijn leger onder de berg takken in de boomgaard achterin de tuin.   Het is stil buiten. In de verte hoort ze de geluiden die ze al hoorde als kind. Het opgewekte zingen van de vinken. Grote landbouwmachines die nog heel veel willen doen voor het donker wordt. De slaapvlucht van de kauwen. Ze heeft niet alleen foto’s, maar ook al enkele filmpjes gemaakt. Er is niet zo heel veel te zien op de filmpjes, je ziet alleen wat takken bewegen in de wind, maar je hoort de geluiden. In de filmpjes gaat niets weg en blijft alles zoals het was.

Elisabeth Leysen
7 0

Opdracht 6 - 2 scènes - Veerle Schaltin

Scène 1   Mo drukt zich dichter tegen haar aan. Hij legt zijn donkere hand op haar bleke. ‘Il y a du cognac dans ma tente,’ fluistert hij in haar oor. Zij schuift wat van hem weg op de skai bank, wrikt haar hand los en pakt het glas Pisang van het tafeltje. ‘Ik vind de Pisang oké.’ Ze zuigt extra hard aan het rietje. Haar ogen speuren de rokerige ruimte af. Overal staan of zitten groepjes mensen. Ze lachen, praten, flirten, dansen. Zij zijn de enigen die daar maar met twee zitten. Waarom is An niet gewoon meegekomen? Deze hele vakantie al boycot ze alles waar Farahilde zin in heeft. Ze zijn hier samen met Jos en Myriam als au pair-meisjes voor hun kinderen. Maar er is genoeg vrije tijd om leuke dingen te doen. Alleen heeft An geen zin in leuke dingen. Het klikt niet tussen haar en Jos en daardoor verpest ze de hele reis. Farahilde krijgt haar amper haar tent uit. Alleen naar het strand gaan lukt zo nu en dan. Daar leerden ze Mo kennen. Die had eerst alleen oog voor An. Toen hij haar vroeg iets te gaan drinken, hapte An tot Farahildes verwondering toe. Eerder deze avond hadden ze samen een terrasje gedaan niet zover van hun kampeerplaats. Na een paar glazen wijn had Mo voorgesteld te gaan dansen. An was abrupt rechtgestaan. ‘Je suis fatiguée.’ ‘Mais non!’ lachte Mo, ‘Het is te vroeg om moe te zijn. Tu veux dancer!’ Maar ze was niet te vermurwen. Farahilde wilde wel eens iets anders zien dan het kinderzwembad, de speeltuin, het lapje gras voor hun tent en steeds datzelfde stuk strand. Maar alleen met Mo… De discotheek was twintig kilometer verderop. ‘Ik breng je wel terug,’ verzekerde Mo haar.  Terwijl An naar de camping wandelde, was Farahilde zijn auto ingestapt. Hij buigt zich weer naar haar toe. ‘C’est du bon cognac!’ ‘Gaan we dansen?’ Ze staat recht, strijkt haar rok glad en strekt haar arm naar hem uit. Hij drukt zijn sigaret uit in de asbak, staat ook op, maar negeert haar hand. Ze loopt naar de dansvloer. Hij beent naar de uitgang. Als ze voelt dat hij haar niet volgt, draait ze zich om en ziet hem nog net naar buiten stappen. ‘Mo,’ vormen haar lippen en dan valt alles een seconde stil. Eén seconde maar, want meteen lijkt het alsof iets haar opwindt en beweegt ze zich als een Duracell-konijn richting dansvloer. Papa Chico you’re the sun… Het opwindkonijn zet houterige passen. Haar lichaam vindt het juiste ritme niet. Ze keert terug naar het tafeltje, pakt de Pisang en giet hem in een teug naar binnen. Dan laat ze zich op de bank zakken, maar veert haast meteen weer recht. Ze loopt naar de bar. ‘Pisang Ambon, s’il-vous-plaît.’ Met het nieuwe glas in haar handen leunt ze tegen de toog.  Haar blik dwaalt naar de ingang. Telkens als de deur opengaat, hoopt ze dat er een zwarte binnenkomt.  Maar Mo laat zich niet meer zien. Ze kijkt almaar vaker naar de dansvloer waar vrolijke mensen swingen. Als ze hier met een vriendin was, zou ze nogal uit de bol gaan.  …seems like yesterday not far away, this is where I long to be… la Isla Bonita… Zacht lipt ze met Madonna mee. Voorzichtig bewegen ook haar heupen. Je bent hier nu, zegt ze tegen zichzelf, amuseer je! Een blonde jongen bestelt vlak naast haar tien pinten. Als hij met het grootste deel ervan naar zijn vrienden stapt, botst hij met zijn ellenboog tegen haar borst. ‘Excusez-moi!’ Zijn grote blauwe kijkers schitteren. Als hij terugkomt om de rest op te halen, vraagt hij: ‘Tu es toute seule içi?’ ‘Oui… Depuis quinze minutes…’ ‘Raconte.’ ‘Dat is een te lang verhaal,’ wimpelt ze hem af. Hij troont haar mee naar zijn kameraden. ‘Je vous propose…’ ‘Farahilde.’ ‘Farrahilde,’ herhaalt hij met een ‘r’ die ze nog nooit zo schattig heeft horen rollen. Daartegenover komt de ‘r’ van Patrice, zijn naam, maar zuinigjes uit haar mond. De vrienden schuiven wat op en zo kan ze half op Patrices schoot net mee op de bank. De jongens drinken de ene pint na de andere. Zij houdt het bij haar Pisang. Ze lacht uitbundig om hun grappen, al begrijpt ze ze maar half. Als ze op de klanken van Bon Jovi opspringt, volgen Patrice en de anderen haar naar de dansvloer. Ze hotsen van hier naar ginder, zwaaien met hun armen in de lucht. Take my hand and we’ll make it, I swear. Oooohhh… livin’ on a prayer… Bij de bamba kiest Patrice haar zoveel mogelijk uit. Hij moet snel zijn, want zijn fameuze vrienden proberen haar van hem af te snoepen. Eerst zoenen ze nog op de wang, dan drukken ze hun lippen zacht opeen. Tijdens de slow die erop volgt glippen hun tongen elkaars mond binnen. Ze zetten zich weer op de bank, zij helemaal op zijn schoot nu. Patrices vrienden laten hen met rust. De discotheek loopt langzaam leeg. Ook de vrienden zoeken een voor een hun slaapzak op. Ze vertelt Patrice nu toch hoe ze hier alleen is terechtgekomen. ‘Waar logeer je eigenlijk?’ ‘Op een camping in Lacanau-Océan.’ Zijn ogen worden nog groter als hij hoort hoe ver weg dat is. Hij streelt haar haren. ‘Ik zorg wel dat je er geraakt.’ Ze gaan naar buiten. Hij vraagt haar bij de uitgang te wachten. Net als ze denkt dat hij haar ook laat stikken, rijdt hij een 2PK’tje met open dak voor. ‘Sorry, ik moest onderhandelen met Maxime, dit is zijn auto.’ Patrice heeft geen idee waar Lacanau ligt. Zij wijst de weg waarlangs ze denkt dat ze met Mo is gekomen. Hij loopt langs de kust. Bij een duinbosje vertraagt de auto. ‘Is het goed als we hier even stoppen?’ Ze knikt. Patrice parkeert de wagen zoveel mogelijk achter de bomen. Zodra de motor stil ligt, verdwijnt zijn hand onder haar bloes en de hare in zijn broek. Als hij na een poos een condoom tevoorschijn haalt, wringt ze zich los uit zijn armen. Hij is verrast. ‘Toch niet zo vlug,’ stamelt ze, ‘Ik heb het nog nooit gedaan…’ Zijn ogen worden iets doffer. Hij steekt het condoom weer weg. Op hun rug liggen ze naast elkaar in de wagen. Alleen de haartjes op hun handen raken elkaar nog. Ontelbare sterren zijn getuige van hun ongemakkelijk liggen en zwijgen. Als het te fris wordt, rolt Patrice het dak dicht en rijden ze verder. Farahilde merkt haast meteen een wegwijzer naar de camping op. Blijkbaar waren ze de hele tijd al vlak in de buurt. De Renault draait de parking op. Hun lippen zoeken elkaar weer. ‘Vind je de weg terug in het donker wel? Anders,’ Farahilde aarzelt. ‘…kan je blijven slapen.’ ‘Vindt je vriendin dat goed?’ ‘Ze moet wel. Het is allemaal haar schuld.’ Ze verheft haar stem. Samen wandelen ze naar de tent. Als Farahilde het zeildoek openritst, schrikt An wakker. ‘Weet je wel hoe laat het is?’ ‘Weet je wel dat Mo me zomaar heeft achtergelaten? Wees blij dat je me nog levend ziet.’ Ze wijst naar Patrice. ‘Hij blijft hier slapen.’ An springt overeind. Voor ze iets kan zeggen sleept Farahilde haar luchtmatras naar de voortent. ‘Er is niet veel plaats,’ gebaart ze naar Patrice. Hij glimlacht. Met hun kleren aan vallen ze te dicht bij elkaar in slaap.     Scène 2   Een ijzingwekkende gil weergalmt door hun nog bijna lege huis als Farahilde de kreeft in het kokendhete water onderdompelt. Meteen daarop rinkelt de telefoon. ‘Alles oké?’ vraagt Walter als hij haar schorre stem hoort. ‘Ik heb net een moord gepleegd, verder alles oké!’ ‘De kreeft?’ is Walter meteen mee. ‘Het beest hield zich koest, maar ik denk dat de buren mij konden horen. Ik maak nooit nog kreeft!’ ‘Als het maar lekker is,’ lacht Walter, ‘Ik zal over een uur thuis zijn.’ Farahilde werkt de kreeftensla af. Daarna trekt ze zich terug in de badkamer onder een wolk schuim. Toen ze het huurcontract van hun rijtjeswoning opzegden, hadden ze over het hoofd gezien dat ze de vloerverwarming in hun nieuwe huis pas een maand nadat de tegels gelegd werden, mochten opstarten. Overmorgen is het zover. Ondertussen wonen ze in de keuken waar ze het met bijzetkacheltjes warm proberen te krijgen. Maar de thermometer wijst amper zestien graden aan. Gelukkig kunnen ze af en toe naar de badkamer vluchten. Een extra radiator verspreidt daar wel een zalige warmte. Ze wrijft zich met een zachte handdoek droog. Haar huid gloeit. Dan smeert ze haar hele lijf in met lichaamsmelk en brengt ze make-up aan. Ze kiest haar frivoolste lingerie uit, trekt er een strakke jeans over en wel drie truien. Een bloemensjaaltje en grote parelmoeren oorbellen zorgen voor de finishing touch. Ze voelt zich een eskimo in feestkledij, maar ze mag gezien worden. Uit een kartonnen doos diept ze hun trouwservies op en schikt het op de keukentafel. Naar de wijnglazen moet ze wat langer zoeken. Ze werkt de tafel af met papieren servetten vol harten en een zee van theelichtjes. Als ze het laatste kaarsje aansteekt, zwaait de achterdeur open en staat haar liefste daar met een grote bos rode rozen. Hij kust haar in haar nek.  ‘Fijne Valentijn!’ Terwijl hij snel een douche neemt, en zijn maatpak wisselt voor een warme fleece, legt ze de laatste hand aan de aperitiefhapjes. Walter zet Vaya con Dios op en ontkurkt de champagne. Farahilde tovert het ene exquise gerecht na het andere op tafel. ‘Dat verdient hier een Michelinster,’ paait Walter haar. ‘Als je niet naar de vuile afwas op het aanrecht kijkt,’ wuift ze het compliment weg. Naarmate er meer wijn vloeit, vergeten ze de kilte in huis, en kunnen de kale witte muren, de vele dozen die nog moeten uitgepakt worden en al wat ze nog moeten afwerken hen niet meer deren. Als Farahilde de ‘flensjes  Cupido’ opdient en ze er de laatste fles voor vanavond bij kraken, kruipen ze dichter bij elkaar. Even later verdwijnen ze naar boven. Onder de dikke dons pellen ze langzaam hun vele lagen kleren af. Eerst knuffelen ze kalmpjes. Algauw wordt hun bed een vulkanisch landschap met wel erg veel geothermische activiteit. Uiteindelijk dommelen ze in mekaars armen in.      

veerle schaltin
0 1

Nieuwsgierigheid, ontdekkingsgeest, potentieel.

                                                                                                                    Gent, 6 april   Hallo briefschrijver,   Het is vrijdag hier. Toegegeven, het is ondertussen al lang geen vrijdag meer. Mijn brief is ontstaan op vrijdag. Op welke dag hij eindigt, dat blijft voorlopig ook voor mij nog een raadsel. Karaktereigenschap één die je van me zal ontdekken: uitstelgedrag.   Terug naar vrijdag. Het is iets na 10 uur in de ochtend. Ik sip van mijn koffie uit de Bialetti in mijn terracotta roze keuken en waan me in zuiderse, Italiaanse oorden. Alsof het kleur op de muren hunkerde naar de zonnestralen en nu pas volledig tot zijn recht komt. Enkel het al maanden lange vertrouwde geluid van het blazen van de verwarming valt te horen. Je geeft de prille zon nog een artificieel duwtje in de rug. Wat zelfvertrouwen, na een lange periode van rust. De motor na wat woelig gesputter weer op gang trekken. In ruil, geeft de warmte op jouw rug wat ochtendmoed terug.   In je eentje zit je aan de keukentafel. De radio staat uit. De anders zo aanwezige stoet auto’s is ver weg. Het bellen van de voorbijdenderende tram blijft uit. De stilte van de ochtend, de stilte van het voorjaar, de stilte voor de zomerse overdaad. Alles is nog mogelijk. Vandaag zal de Belgische kranten wel ingaan als ‘de eerste lentedag van het jaar’. Dat staat al weken op iedereen zijn agenda aangeduid. Journalisten hadden het artikel al tijden in kladversie klaarstaan. Copy paste uit hun archief. Verlangend naar zon en warmte omcirkelden we deze dag allemaal. Alleen de datum was ons allen nog ongekend. Wat de opluchting en het plezier om vandaag alleen maar vergroot.   De wereld lijkt vandaag daarom net iets mooier te zijn voor iedereen. Dat bleek al op mijn ochtendlijke fietstocht langs de Coupure. Wat anders een dagelijkse, noodzakelijke verplaatsing is, was deze ochtend een deugd. Te trappen in het zonlicht. Vogels te horen fluiten. Joggers de moed te zien ontdekken om die extra kilometer te lopen. Pendelaars ditmaal te zien lachen om de reis en niet te fronsen om de verplichte tocht. Je vroege inkopen bij de buurtwinkel geven je het gevoel op reis te zijn. Plots lijkt boodschappen doen bij “de Turkse winkel”, een concept die trouwens zomaar elke bevolkingsgroep met Oosterse origine veralgemeent, je ontdekkingsgeest meer te voeden dan je maag. Zonlicht transformeert anders plots in exotisch. Net voor je je huis bereikt, vormt de man met de koptelefoon het hoogtepunt van dit schouwspel. Luidkeels kweelt hij mee op de tonen van zijn favoriete muziek. Zijn handen slaan de maat, alsof het zijn beste drumspel ooit is.   Je kan het je perfect inbeelden, toch? Tuurlijk. Omdat je het al eens las, of zag op groot scherm, of heel af en toe is het je zelf al overkomen. En geloof me, ik wachtte ook op de soundtrack die de scène volledig af zou maken. Het zijn het soort momenten die je enkel dacht te vinden in tampon reclames. Met filters en actrices en heel wat testpogingen.     Maar alcohol zal weer vloeien vanavond. Barbecue roosters opgeblonken. Plannen gesmeed. Liefdes verklaard. Het is het grootste cliché én tegelijkertijd de grootste geruststelling die er is. Dat alles altijd terugkeert. Na eb, de vloed. Na stilte, de storm. Na korte dagen, lange dagen. Na verval, het begin.   Nieuwsgierigheid, ontdekkingsgeest, potentieel. Dat laatste is puur plagiaat. Haruki Murakami pende het al jaren geleden neer in Mannen zonder vrouw. Carpe Diem, in een literair jasje. Daarom niet minder cliché. Enkel meer geloofwaardigheid, omdat het uit een bekende schrijver komt. Een Japanse dan nog. Dan moet het zeker kloppen.   We zijn 10 april ondertussen. Dinsdag. Drie lentedagen van vuile grasvoeten, parkhangen en gelukzalig laat in bed kruipen hebben dit schrijven onderbroken. Zoals het hoort. Ik heb me gewenteld in het cliché en daar heel hard van genoten. De zomer maakt ons zachter. Voor onszelf, voor elkaar, voor onze zorgen, voor onze prioriteiten.   Carpe fucking diem. Wit blad. Potentieel. En heel wat hoop.   Nieuwsgierige groeten, Heleen

Heleen De Grande
5 0

Onder de torens - Tussen de dekens - opdracht 6 - Marieke

Onder de torens - 1988 Zodra de deuren met een zucht openschuiven, valt de massa als een reeks dominosteentjes op het perron uiteen. Het meisje met het koffertje wacht haar beurt af en kijkt met grote ogen naar de stroom ongeduldige pendelaars voor ze zelf uitstapt.   Sinds ze zich in Gare du Nord door de roltrap naar beneden had laten voeren, was ze overspoeld door het ondergrondse leven in de wereldstad. Ondanks de drukte had ze in het toestel een zitplekje kunnen bemachtigen. Van hieruit kon ze haar medepassagiers stuk voor stuk ongegeneerd observeren. Het parfum van de twee kleurrijk geklede jongedames die vlak boven haar hoofd druk de laatste nieuwtjes uit de buurt uitwisselden in een mengelmoes van Frans en een onbekende Afrikaanse taal, prikte in haar neus. Tot de clochard was opgestapt. Hij had met zijn walm van wekenlang ongewassen kleren, zurige goedkope wijn en sigarettenpeuken de massa doen wijken. Ondanks het plaatsgebrek had iedereen rondom hem het rechtstaand reizen verkozen boven zijn odeur, waardoor hij snel een stoeltje te pakken kreeg en zelfs een driedubbele plek kon innemen. Het meisje keek verwonderd naar hem en stelde zich de baardige man voor, terwijl hij onder het gewelf van een brug op een stuk karton deze koude nacht had proberen slapen. Dat laatste blijkbaar zonder veel succes, want nog voor de metro weer vertrokken was, viel zijn kin op zijn borst en ontsnapte een rochelend gesnurkt tussen zijn lippen.   Het koffertje snijdt in haar handpalm terwijl ze door de betegelde gangen de pijltjes naar Île de la cité volgt. Als ze de vrolijke tonen van een Russisch volksliedje hoort, wijkt ze van haar route af en volgt de klanken tot bij een groepje muzikanten. Een glimlach tovert rond haar lippen als de accordeonist haar in de ogen kijkt en een wervelende solo neerzet. Ze gaat op zoek naar enkele Franse francs om in de openstaande vioolkist te werpen. Haar mond valt open van verbazing als de oma van het gezelschap haar krachtige stem verheft. Met haar voet tikt ze het ritme mee en laat de drukte langs zich heenglijden.   Bovengronds struint ze rustig langs de historische gebouwen. Met geheven hoofd kijkt ze naar de versierde gevels en dakranden. Het scheelt geen haar of ze botst tegen een gids die met opgestoken paraplu een groepje Japanners meetroont. Op het plein, onder de torens van de Nôtre Dame vindt ze een leeg bankje. Ze nestelt zich daar, kijkt op haar horloge en haalt opgelucht adem als ze ziet dat ze nog een zee van tijd voor zich heeft, vooraleer ze in Gare de Lyon de trein naar haar vriendin in het zuiden moet halen.   Met een dubbele klik opent ze de slotjes van haar koffer, ze tilt het kartonnen deksel op dat met imitatieriet is bekleed. Ze rommelt tussen haar kleren en boeken en haalt een flesje water boven, samen met een reep van drie lagen krokante sesamkoekjes. Het wolkendek breekt open, eerst toont zich een blauwe vlek tussen het grijs, dan komt de zon over de oplichtende randen kijken. Het meisje trekt haar jas goed dicht, zet haar kraag op tegen de wind, sluit de ogen en laat de zon haar wangen strelen.   Het gekrijs van meeuwen, die vechten om de restjes aan het kraampje met “Crêpes de Bretagne”, rukt haar uit haar gemijmer. Het geluid doet haar denken aan haar klasgenoten, samengetroept voor de spiegel in de toiletten van een donkere fuifzaal waar net een knappe jongen is verschenen. Haar vriendinnen die bekvechten over wie het initiatief mag nemen om hem aan te spreken, terwijl ze de staat van hun make-up keuren. Vriendinnen voor wie deze stad gelijk staat aan catwalks en de nieuwste modetrends.   Ze kijkt omhoog en doet haar best om zo veel mogelijk details van de waterspuwers op de gevel van de kathedraal te zien. Ze gaat op zoek naar de verhalen achter de beelden maar moet toegeven dat haar kennis van de Bijbelse mythologie onvoldoende is. Haar vader had haar bij het afscheid nog op het hart gedrukt om zeker de kleurrijke glasramen van binnenuit de gaan bezien. Van haar moeder had ze de raad gekregen om vooral goed op haar portefeuille te letten. En zich warm genoeg te kleden. Maar ze gaat niet naar binnen, voorlopig zit ze daar goed, het zestienjarig meisje met haar koffertje. Ze zucht tevreden en denkt: ‘Dit is vrijheid!’   Tussen de dekens                                                                                                  1997   Het is nooit haar favoriete periode van het jaar geweest, die dagen tussen Kerst en Nieuw. Het ijzige, grijze winterweer doet er nog een schep bovenop. Het is zo koud dat haar slaapkamer tijdelijk onbewoonbaar is en ze met matras en al naar haar living is verhuisd. Ze had het ontstaan van de ijsbloemen op het slaapkamerraam aandachtig bestudeerd. Om te voorkomen dat de leiding zou dichtvriezen moet ze een paar keer per dag de wc doorspoelen, ze dekt de bril af met een doek zodat haar billen niet blijven plakken aan het ijs. Omringd door donsdekens, kussens en met een warmwaterkruik aan haar voeten, brengt ze de dag lezend, rokend en piekerend door.   Is het de vertering van kerstdiners die ze bij beide kanten van haar familie weer voorbeeldig had doorstaan? Is het de leemte tussen familie, werk en de vrienden waarmee ze oudjaar zal vieren? De feestdis bij haar tante aan vaderskant was dit jaar zonder noemenswaardige incidenten gepasseerd. Een stoel en stiefmoeder minder weliswaar. Daardoor zeker wat gênante scènes bespaard, maar verder de traditionele ingrediënten van kalkoen en Bob Dylan, van kerststronk -die oma essentieel vond maar niemand lekker - tot heftige discussies over maatschappelijke thema’s onder semi-gelijkgestemden door de wijn in positie gebracht. Ondanks de opluchting die hij verwoord had, was haar vader dit feest aan de stille kant. Het viel haar op dat de frons op zijn voorhoofd sinds zijn vlucht naar het lege appartement met zicht op de Schelde niet verdwenen was. Ook zij maakte zich zorgen. Vooral over haar negenjarig halfbroertje. Gelukkig had zijn moeder toegestaan dat hij er op het familiefeest bij mocht zijn. Zijn andere halfbroer, intussen haar ex-stiefbroer, ontbrak. Hij zou pas jaren later weer aansluiten bij de kerstfeesten. ‘Hoe is het thuis?’ had ze het jongentje gevraagd toen hij op haar schoot was gekropen. ‘Niet leuk, ik moet mama altijd helpen’, hij trommelt met zijn vingers op de rand van de zetel. ‘Wat moet je dan doen? De afwas?’ ze aait hem over zijn haar en probeert zijn blik te vangen. ‘Ze ligt dan in bad en roept me uit mijn bed.’ ‘Waarom?’ ‘Ik moet haar handtas voor haar opendoen en met twee briefjes van honderd frank naar de nachtwinkel’ hij prutst aan een losse draad aan zijn trui. ‘Wat moet je dan gaan kopen?’ ‘Sigaretten en zo’n klein flesje whisky,’ Hij kijkt zijn grote zus amper aan, maar vertrouwt haar meer toe dan hij aan hun vader vertelt. ‘Die man mag dat helemaal niet aan een kind meegeven!’ ‘Maar hij weet dat het voor mama is.’ Ze voelt zich hulpeloos als ze aan dit gesprek terugdenkt. Ze kent de wegen niet om haar broertje te helpen. Haar eerdere poging om zijn moeder tot enige reden aan te manen was abrupt afgebroken toen die de telefoon op de haak had gegooid. Meer dan er voor hem zijn en naar hem luisteren kan ze niet bieden. Ze duwt zich rechtop, stapt uit haar bed, zet een pot kruidenthee en vergewist zich er voor de zoveelste keer van, dat de gaskachel wel degelijk op de maximumstand staat. Haar boek, waar de Groenlandse wetenschapster een hele reeks verschillende woorden voor sneeuw kent, zorgt ook niet voor de nodige warmte. In navolging van het personage dat op de besneeuwde dakrand staat te roken, neemt zij haar pakje tabak en rolt een dun sigaretje. Ze leegt de volle asbak, spoelt hem uit en niest bij de geur van natte as.   Zachtjes laat ze haar vingers glijden over het appelblauwzeegroene sjaaltje dat ze vorige week heeft cadeau gekregen. Te mooi om te dragen. Ze wilt het zorgvuldig bewaren. Tweemaal per week had ze in het hotel de Chinese vrouw, die door haar hoogtechnologisch bedrijf tijdelijk naar België was gehaald, Engelse les gegeven. Een mooie bijverdienste, naast haar eerste inhoudelijk volwaardige maar wel deeltijdse job. Extra centjes die ze zou sparen voor een nieuwe reis. Samen hadden ze kortverhalen van Roald Dahl gelezen. Uit de bespreking waren boeiende gesprekken ontsproten. Het Engels van de Chinese bleek van hoog niveau, het was haar verlegenheid die een rem op haar taalgebruik zette. ‘Dank je voor de lessen en de vriendschap’ zei de vrouw bij de laatste les toen ze het doosje met de zijden sjaal overhandigde. ‘Wat mooi! Hoe lang blijf je hier nog?’ ‘Ik vlieg terug op Oudejaarsavond. Ik moet maar tot Kerstmis werken. Heb je nog tips? Wat moet ik hier nog zeker zien?’ ‘Weet je? Ik kom je een dagje uithalen en toon je de stad. Of we maken een uitstapje naar Gent en Brugge!’ ‘Fijn.’ Had ze gezegd en zo hadden ze afscheid genomen met het vooruitzicht op een weerzien.   Maar ze komt er niet toe die belofte waar te maken. Verder dan de bakker achter de hoek is ze deze dagen nog niet geraakt. Met de hoorn in de hand had ze meer dan eens klaar gestaan om een vriendin te bellen. Maar ze heeft uiteindelijk geen enkele van die telefoonnummers ingetikt. Haar huisgenote, die een verdieping lager woont, heeft zichtbaar afstand genomen sinds ze doorheeft dat zij niet altijd die ondernemende en positief ingestelde vrouw is, waarmee ze tot voor kort goed bevriend was en samen avontuurlijke reizen mee ondernam.   De enige stem die ze die dag hoort, is die van de radiopresentator. En haar eigen hoestbuien. De saliethee kleurt felgeel. Ze zet de theepot op de kachel en warmt haar vingers aan haar kop. Ze kruipt weer onder de dekens om opnieuw in haar boek te verdrinken, gefascineerd als ze is door de zoektocht van haar hoofdpersoon naar identiteit en zin in het leven. Het sjaaltje heeft ze voor een keer om haar hals gedrapeerd.

Marieke Genard
2 0

opdracht 6/scene 1 en nu ook scene 2 / sabine steels

Scene 1 We eten stokbrook. Ik gebruik mijn eigen mes, een prachtig gevormde Gwalarn die met het klein blauw-groene touwtje van altijd vasthangt aan mijn vareuse. Eerst een stevige klot zouten boter en dan een laagje abrikozenconfituur. Er bestaat geen beter ontbijt. Het wakke brood, de frisheid van de scherpe botersmaak en het zoete, zachte van de confituur. Ik spoel na met oploskoffie en sluit de ogen. De zon is al warm op mijn hals en rechterkaak. De boten naast ons ontwaken. Ik luister naar de stalen koorden die tegen de masten klapperen. Ik geniet nog even van mijn blote benen en voeten in de zon en maak me dan klaar voor vertrek. Het wordt stilaan laagtij, het water stroomt de engte uit richting zee en we profiteren daarvan om zonder veel moeite weg te komen. De vaargeul is al redelijk ondiep, de rotsen steken hier en daar boven het water uit. Ludovic navigeert. Hij is heel goed. Hij ziet eruit als een jonge, joodse intellectueel met bruin krullend haar en een uitgesproken grote neus. Ik vind hem knap. Hij heeft iets onoverwinnelijks, staat relax in het leven. Ik neem het roer. Daar ben ik goed in. Vooral als de zee wild is en de golven haar in een groot alfabet van v’s omtoveren, wil je mij aan dat roer hebben. Dan dans ik met de boot en geef hem de ruimte die hij opeist om de golf af te glijden. Maar omgekeerd trek ik stevig bij als de voorsteven de golf inklieft en erover moet. Op het eind komen we precies uit waar het moet. Maar nu is het rustig varen. De zee is kalm. Het water klotst tegen de boeg. We varen een hele dag en tegen vijf uur leggen we ons voor anker ter hoogte van Ploumanac. Je kan er met deze stroming onmogelijk binnenvaren. De ketting van het anker staat strak gespannen. Het zal niet makkelijk zijn om straks foutloos te vertrekken. We wachten op het juiste tijdstip, wanneer laag-en hoogtij elkaar afwisselen en er minder weerstand is van het water. Anders smakken we tegen de rotsen. Het is een riskant manoeuver waarbij communicatie alles is. Ludovic neemt deze keer het roer. Marjan doet de fok. Ik zal het anker lichten, zo trekken dat de boot er net boven ligt en dan, wanneer het loskomt van de bodem, brullen naar Marjan dat ze de fok moet hijsen want anders zijn we de speelbal van de stroming. De ketting is glibberig, koud en pijnlijk in mijn handen. Hij schuurt en bovendien zit ik in een ongemakkelijke houding. Mijn reddingsvest maakt bewegen lastig. Het anker komt los en ik brul. Marjan hijst de fok en ik merk dat ik op haar touw sta. Het zeil flappert en snokt dan en ik til me kapot aan die onhandige ijzeren reus. De adrenaline raast door me heen. Ik sukkel met m’n laarzen, probeer grip te krijgen tegen de lage rand van de boot, zodat ik me kan afduwen om naar achter te leunen en dat anker binnen kan trekken. Het moet vooraan in de boeg door het valluik. Ik maak me klein zodat de wind haar werk kan doen in die fok. Dat gaat moeilijk met die laarzen en zwemvest, maar Marjan en Ludovic doen uitstekend werk. Het anker ligt op zijn plaats. De ketting gooi ik er achter aan, mijn pink zit er even tussengedraaid en er gaat wat vel af. Pijn. Schudden met de hand. Ik doe het luik dicht en kruip gehurkt naar achteren. We varen Ploumanac binnen. Ploumanac, Perros-Guirec, Trébeurden, Loquivy. De woorden smaken als stoere zeebonken in mijn mond. Het is een wereld die ik vooral ken vanuit de boot, een kustlijn met merkpunten, watertorens, rotsen die in lijn moeten liggen met de kerktoren zodat we koers kunnen houden, en ‘s avonds een haventje, het weerbericht aangeplakt aan de cabine van de havenmeester en – niet onbelangrijk - een douche. Ik monster de omgeving. Ploumanac heeft een vuurtoren met ‘quatre éclats tous les dix secondes’. De omgeving is ruw en schraal. De elementen hebben hier een filter op de kleuren gezet, zoals fel licht alles verbleekt: het groen van het helmgras is vooral zilver, het blauw van de loopbrug is vaal en er lijkt een laagje korrelig zand over te hangen. Ik krab in mijn haar. Het plakt op mijn voorhoofd door de spetters zee, de brandende zon en de resten zonnecreme. De zon heeft mijn haardos uitgedroogd en ik kan het nu precies breken. Wanneer ik mijn ogen groot open doe en de wenkbrauwen naar boven gooi, trekt m’n hele voorhoofd. Het gloeit en allicht heeft het de kleur van een babykreeft. God weet hoe ik eruit zie. Ik voel dat mijn haar alle kanten op staat. Door de wind en de vochtige lucht is het beginnen te kroezelen en heb ik net een heiligenkroontje van friezelhaar. Mijn hoofdhuid jeukt en ik voel korstjes. Ik kan er niet afblijven en krab ze van mijn hoofd los. Het is zaak ze uit mijn haar te trekken zonder ze te verliezen. Daarvoor moet ik het korstje heel stevig met m’n nagels beethouden en het als een klein kind dat van een glijbaan roetsjt goed begeleiden tot aan een haarpunt. Het verlangen naar die douche is onhoudbaar. En nadien een broek aantrekken die nog niet vuil is, misschien de donkerblauwe met onderaan elastieken en grote zakken op de heupen. Een frisse T-shirt en daarover mijn dierbare Glazik, rozig en afgekleurd door de zon. Ludovic komt naar boven met drie frisse pinten. Marjan volgt met nootjes en verse worst.   Scene 2: Zij heeft Gene en Tine uitgenodigd, en natuurlijk schuiven George, Ben en Maren aan. En de kinderen. Wanneer ze Limme op de binnenkoer de kaarsen ziet plaatsen, stopt ze met sla wassen en blijft ze voor het grote, open raam staan. Hij ziet er goed uit, haar oudste kind, zo groot en zo lenig. Zijn broek is te kort geworden, merkt ze nu. Als hij nu toch maar wat meer zou willen vertellen over wat er in hem omgaat, denkt ze bezorgd, maar ze wordt uit die gedachte gerukt door Kasper Jan die met veel zwier de binnenplaats oprijdt en net voor zijn broer zijn fiets stevig doet slippen. Hij laat z’n fiets met een smak vallen en springt op de rug van zijn oudere broer. “Kasper jan, heb je die eetbare bloemen gevonden?” onderbreekt ze hun gedol. “Jip” roept hij terug en komt naar haar toe gelopen. Dat kind doet haar denken aan een frisse, volle boerenaardappel, vers van het veld. Hij is ookgroot maar veel steviger, geblokter dan zijn broer, enthousiast, wild en onbekommerd. Hij doet niet liever dan met zijn handen in de aarde wroeten, zich vuil maken, de spieren gebruiken. Samen met hem stroomt er een heerlijk koele lucht binnen in de grote, oude leefkeuken. “Ik heb ook bessen geplukt, mama. Ik dacht: ‘die zullen haar sla extra pimpen’, en zodus, tada: besjes.” Hij opent zijn hand, toont zijn trofee en buigt zich naar haar toe, plakt een zoen op haar voorhoofd. “Gaan jullie vanavond spelen?” “We gaan wat jammenals je dat bedoelt, mama. We hebben niets voorbereid maar we doen wel wat. Liever geen drums, dacht ik, toch?”, dat laatste woord rekt hij en laat hij naar boven lopen. Hij doet dat expres en laat intussen zijn wenkbrauwen op en neer dansen. “liever geen drums, zoon” “Wie komen er?” “The Ususal Suspects: Gene en Tine, George, Ben en Maren, want het is haarboek. “Mmmm….., Guitige, Gulle Maren…. Mogen Karel en Toni ook mee aanschuiven, ze komen straks langs?” “Natuurlijk, maar dan moet je de tafel veranderen. Ik had voor negen gedekt. Vraag aan Limme of hij ook nog iemand verwacht.” “Neen, ik verwacht niemand”, lacht Willem Frederik die de deur openzwaait en op zijn moeder afstapt. Hij knuffelt haar en fluistert in haar oor: “de kaarsen: check”. “Zullen we vanavond de Ballade doen, Kaps?” Willem Frederik staat in het midden van de keuken, met de rug naar de piano, kin omhoog en de schouders naar achteren geklapt. Luid en zeer formeel declameert hij, zijn armen maken grote gebaren: “Frères humains, qui après nous vivez,N'ayez les cœurs contre nous endurcis,Car, si pitié de nous pauvres avez” waarna hij abrupt stopt en naar de sla op tafel staart. “Die salade is prachtig, mama, die paarse bloemen erin. Kan je die opeten?” Willem Frederik houdt van mooie dingen, heeft een oog om kleuren te combineren, maar van praktische zaken kent hij niets.  “Het zijn viooltjes, natuurlijk zijn ze eetbaar, spast” antwoordt zijn broer schertsend maar liefdevol en tikt hem in het voorbijgaan op zijn krullenbol. Willem Fredrik gaat hem achterna en knijpt hem in de lende.  “Flink hoor, dikzak, flink, flink, flink”. “Vergeet die tafel niet, Kasper Jan”, roept ze hen achterna, maar ze zijn al in de living verdwenen.  Het huis is ruw, robuust maar gezellig. De zetels in de living lijken al een heel leven mee te gaan. Ze staan wat schots en scheef op de blauwe steen. De grote open haard doet heel het huis ruiken naar verkoold hout. Alle deuren staan hele dagen open, alsof iedereen op elk moment mag binnenwaaien: vrienden, katten, hommels, een verloren rups. Om op de binnenkoer te komen moet je eerst een poort door, volledig overwoekerd door klimop, en een pad langs. Wat dieper ligt de oude molen, met rechts het woonhuis, en dwars daarop de ‘werkplaats’.  De uitgever kan er via de achterkeuken rechtstreeks binnen, maar dat doet ze nooit. Ze gaat naar haar werk via de binnenkoer. Dat zullen ze vanavond ook doen, voor het eten. Met z’n allen naar de overkant, waar Marens eerste boek ligt. Ze was meteen verkocht toen ze het werk van de jonge vrouw voor het eerst zag. Ruwe, zelfzekeren lijnen, geblokte composities, nonchalante, ingekleurde vlakken en gedurfde kleurencombinaties. Preciesde beeldtaal die nodig was voor het verhaal dat al een tijdje op haar bureau lag. Twee landheren die elkaar naar het leven staan maar tegelijkertijd niets zijn zonder elkaar. Ze wilde er een avant-gardistische toets in en had samen met Maren de werken van Léger, Picasso en Gontscharova overlopen. Vooral wat ze in het theater hadden gedaan, de decors en kostuumontwerpen. Maren had er aanvankelijk moeite mee, maar ze bleef vragen stellen en zoeken naar hoe zij haar eigen beeldtaal trouw kon blijven en toch kon bereiken wat de uitgever in gedachten had. Ze was zelf met de oplossing gekomen door het accent te verleggen naar het circus, geïnspireerd door wat Léger daar eerder mee had gedaan. Het sloot beter aan bij het verhaal, voelde ze, verbeelde in letterlijke zin het groteske in de relatie van de twee landheren, en toen ze toonde wat ze ervan had gemaakt, wist de uitgever dat haar intuïtie haar niet in de steek had gelaten. Ben zou ook trots zijn op het resultaat. Zoals steeds had hij ook nu het perfecte papier gezocht, en een formaat en typografie dat het groteske een extra dimensie gaf en ja, het was een parel geworden. Ze zou er mee naar Frankrijk, Engeland en Duitsland gaan. Het zou internationaal landen, daar was ze zeker van, en die euforie wilde ze vanavond in hun samenzijn voelen. Tot laat in de nacht samen eten en muziek maken, met de ramen van de keuken groot open. Geen kat die hen in de ruime omgeving kon horen.  

Sabine Steels
0 0

opdracht zes. Hendrik

  Het lied van Oem. Hendrik loopt langs zijn boekenkast. Of liever zijn boekenkasten. De boeken trekken een spoor door zijn leven. Op sommige ligt stof. Alleen op de wereld. Bijbelatlas voor kinderen. Sprookjes van Grimm. Hij slentert langs die lang vervlogen kinderlijke paden. Op zoek naar…ja, naar wat? Een schab met enkele boeken van Marleen. Een glimlach. Maar hij loopt verder en komt op het pad van de sjamaan. Dik bezaaid met boeken, vol beelden van de sjamaan. Wat bezielt de sjamaan? Het blijft een goede vraag. Maar plots struikelt hij over essai sur la transe. Dit is wel het eerste, denkt hij luidop. Tijdens zijn opleiding psychiatrie heeft hij hierin een andere kijk ontdekt op wat we hier in de moderne geneeskunde psychiatrische ziektebeelden noemen. Je ontdekt nieuwe dingen door verloren te lopen en te struikelen. Wat hier als psychisch ziek wordt bestempeld, wordt in Afrika en in andere traditionele gemeenschappen als de roeping van een nieuwe sjamaan gezien. Och. Carlos Castaneda. Een hele reeks. Wat heeft hij die verslonden. Zijn hart slaat een paar slagen sneller. Hij kan de verleiding niet weerstaan om enkele titels te lezen. Tales of power. De blik van de adelaar. The fire from within. En die psychedelische beelden op de omslagen! Onder een grote regenboog, één oog in het gerimpeld gelaat van een man dat door je lijkt heen te zien, omgeven door wolken en bloemen. Echt Salvador Dalí waardig. Hij maakt zich los. Hij voelt opnieuw in de opwinding van zijn lijf hoe aantrekkelijk deze weg is geweest en nog lijkt te zijn. Het verast hem. Maar hij is definitief andere wegen ingeslagen. Hij steekt Castaneda terug op zijn plaats en schuift verder in de geschiedenis. De tijd van rondvliegen in de parapsychologie. Jammer dat ik niet in elk boek de datum heb geschreven wanneer ik het heb gekocht, denkt de autobiograaf anno 2017. Tenhaeff. Hendrik Van Praag. Professoren parapsychologie aan de universiteit van Utrecht. Hans Bender prof in Duitsland. Hij zocht een wetenschappelijk verantwoorde manier om hiermee bezig te zijn om te voorkomen van te gaan zweven in het luchtledige. Hij schudt het grijze hoofd. Sommige mensen leken over uitzonderlijke gaven te beschikken. Ene Croiset hielp door zijn helderziendheid onopgehelderde moordzaken oplossen. Hij kon voorspellen op welke stoel iemand zou gaan zitten. Alles onder strikt wetenschappelijk toezicht van een professor. Later bleek het enorme manipulatie. Was de prof verblind door zijn wetenschappelijke ambities? Maar zijn we dat niet allemaal? Poltergeisten. Nog zo iets. Hij doet het boek toe. Hier voelt hij niet langer de aantrekkingskracht van. Na het overgaan van Marleen was dat anders. Er leefde een onuitroeibaar geloof in hem dat als het mogelijk was om met geesten van overledenen te communiceren, hij dat zeker met Marleen zou kunnen. Daar stond hun liefde garant voor. Dat was zijn ambitie. Hij draait zich om en ziet zijn sjamanentrom staan. Hij glimlacht. Als hij op zijn kussen zit en begint te trommen en te zingen, vliegt hij door ruimte en tijd naar de voordeur van zijn leermeester. Hij belt aan. Het is een onopvallend huis in de rij. De deur gaat open en een vriendelijke vrouw heet hem welkom. Hij is verwacht. Achter haar verschijnt de man die hij een paar maand geleden heeft ontmoet. Een jonge zestiger. Lange grijze haren en een lange baard. Een paars, loshangend hemd en een wijde linnen pofbroek, gebroken wit. Een gezicht dat hij niet goed kan lezen. “Volg me maar en kom mee naar boven, naar de tempel.” Het klinkt als de kerkklok van zijn dorp. Een gewijde stilte in het kraken van de trap. Hij volgt hem op de smalle, steile trap. Door duisternis naar schemering. De tempel. Overal beelden en muziekinstrumenten. Trommen, rammelaars, sitars, triangels, gongs. De sjamaan wijst hem een kussentje waar hij mag gaan zitten. De leermeester zet zich tegenover hem, in kleermakerszit, achter een reeks klankschalen waar hij op begint te tokkelen. Wat ik kom doen? Vraagt hij. De trillingen van de schalen zegenen de ruimte zoals vroeger de rondvliegende stralen wijwater van de kwast van de pastoor de kerk zuiverden. “Tijdens een studiereis in Malawi was ik te gast in het genezersdorp van Mluala. Daar ben ik als psychiater geïnteresseerd geraakt in de helende kracht van de trom.” Hij bromt goedkeurend:” Dat heb ik hier nog niet in mijn tempel gehad, ne psychiater.” Hij neemt zijn trom. Een grote, platte trom met langs één kant een dierenvel beschilderd met allerlei symbolen. In het centrum van de trom staat een bruin rood hart. Het is tegelijk de kop en het lijf van een vogel wiens kleurrijke vleugels de hoogte ingaan. Op de rug van die hartvogel, een witte vredesduif, een blauwe maansikkel en een grote gele zon. De hartvogel staat met stevige poten in groene grond en op een hertenkop met een enorm gewei waarvan de vingers hoog de lucht ingaan. Hij klopt een vrij snel, eentonig ritme en zingt met een lang gerekte éé-klank. Het gaat op en neer, trager en sneller. Éééé. Soms klinkt iets van het gregoriaanse kyrie mee. Op zijn kussen laat hij alles over zich komen en wacht af. Zijn ogen gaan dicht. Hij is terug in Malawi. Een jaar geleden. Hij zit op een stoel samen met zijn collega in de grootste hut van het dorp. Ze zijn de enige blanken. De enige mensen die een stoel krijgen. In de hoek links van hen staan de drummers die er lustig op los trommen. Mluala gaat langs de zieken die in de half duistere hut verspreid op de grond zitten. Vlakbij de trommelaars is een soort dansvloer. Een paar vrouwen dansen. Op blote voeten. Verrukkelijk hoe Afrikaanse vrouwen wiegen met de heupen. Hun kleurige kleren draaien rond. Ze dragen belletjes rond hun middel en rond de enkels en polsen. Ze genieten er duidelijk van om die te doen rinkelen. Ze schudden met hun billen, stampen met hun voeten en draaien met hun armen door de lucht. Er wordt een man binnengebracht. Hij is ontmaskerd als heks in een conflict tussen buren en zal nu worden bevrijd. Hij draagt een bruine broek waarvan de pijpen tot op de knieën zijn opgestroopt. Een wit hemd. De vrouwen binden gewichten rond zijn middel. Hij krijgt ook belletjes om. Zijn gezicht is gespannen. Zware groeven in zijn zwarte huid. Zweetdruppels. Is er angst in zijn ogen te zien? Zijn dans begint erg houterig. De drummers versnellen hun ritme. Hij danst steeds sneller. De vrouwen wisselen elkaar af maar hij moet voort dansen. Plots wordt er geroepen. “Trek zijn broek af.” Een schok door mijn lijf. Na een kwartier, zet hij zijn trom naast zich neer en begint terug op de klankschalen te tokkelen. “Ik ben een scha maan en mijn artiestennaam is Shiva-Dji,” zegt hij met enige zelfspot. “En welke vragen hebt ge voor mij als psychiater?” Een lichte twinkeling in zijn ogen. “In de psychiatrie zegt men dat emoties moeten verwoord worden, is het niet? Wel in het sjamanisme zegt men dat emoties moeten verklankt worden, dat is veel ouder dan het gebruik van woorden. Daarom werkt het veel sterker.” “Kwam ik in een soort trance en wat is het verschil met hypnose?” vraagt Hendrik. “Hypnose dringt zich op aan de patiënt. Hier gebeurt het vanzelf. In de ruimte tussen de klanken klinkt de waarheid.” Dan stopt Shiva-Dji hem een trom in de hand en hij zingt met hem mee. Een jaar later wijdt hij hem in. Hij stopt een rituele schedel in zijn handen en vraagt wat hij voelt. Hij betast het ding maar er komt geen leven in. Tot de sjamaan begint te trommen en te zingen. Hij komt in het oude Egypte terecht. In een boom zit een gebochelde man die de voorbijgangers gadeslaat. “Dat is uw beschermgeest. Hij zal u begeleiden op uw sjamanistische reizen. Door veel te zingen zult ge een eigen lied ontwikkelen, helemaal anders dan het mijne.” “Ge kunt ook zielen van overledenen helpen om los te komen van hun aardse banden.” “Wat moet ik me daar bij voorstellen?” “Het zal zich op uw weg voordoen, en ge zult weten wat ge moet doen.” Een laatste waarschuwing.“Als een sjamaan wordt ingewijd, grijpen er in zijn leven soms grote veranderingen plaats. Ik zeg u dat zodat ge niet verrast zult zijn.” Dat zou hij twee weken later ondervinden. Tien jaar later. Maar laat we nu eerst tien jaar verder reizen. De vader van Hendrik is net gestorven. Hij is de voorbije nacht in zijn ouderlijk huis blijven slapen, zodat moeder niet alleen is. Vader ligt opgebaard in de voorste kamer. “Mag ik wat trommen en zingen bij va?” vraagt hij voorzichtig. “Natuurlijk, jongen, doe maar, het is je vader.” Hij zet zich aan de linker kant van het bed. De stilte is volkomen wit. Hij neemt zijn trom. Hij is door Shiva-Dji beschilderd met dezelfde motieven als de zijne. Met zijn linkerhand houdt hij de trom vast en met zijn rechter beroert hij zacht het strak gespannen vel. Trage, ritmische cirkels imiteren het ruisen van de zee. Een meeuw die meedrijft op de golven van het water. Tot hij zijn trommelstok neemt. Met een matige kracht, beaufort vier laat hij het hertenvel trillen. De meeuw vliegt op en duikt in de diepte. De witte stilte wordt doorbroken. De golven volgen elkaar op. Ze kleuren de hele ruimte. Zijn lied wordt het lied van OEM, een lang gerekt OE oe OE oe MMM. OE oe OE M M M. De beaufort gaat op en neer. Moeder komt erbij zitten. Rechts van haar man. Het verhaal van oem duikt verder de geschiedenis in, dieper in de emotionele zee. “Het is mooi, zing maar verder als je wil.” De broers en zussen komen binnen en zetten zich rond het bed. Over een half uur komt de begrafenisondernemer. Het hele gezin is volledig. Samen met hun moeder zijn de negen kinderen verzameld rond het dode lichaam. De lucht ademt hun geschiedenis. De ruimte tussen de klanken zuigt de emoties uit hun ingewanden. Gesnotter. Gebalde vuisten. Ontspannen. OE oe OE oe M M M. OE oe Oe oe M M M. Een beeld duikt op en vader verschijnt. Hij gaat zwijgend een berg op. Het is een zonnige dag. Er is weinig begroeiing in het dorre landschap. De weg wordt rotsachtig en kronkelt omhoog. Hij nadert de top en draait zich om. Hij wuift. Hij komt op de kim. Een laatste keer keert hij zich om. ”Ga maar verder vader, ga maar.” Hij daalt af naar waar we hem niet meer kunnen volgen. Het lied van oem gaat verder. De begrafenisondernemer belt aan. Het zingen en trommen gaat door. Tot op de straat. De begrafenisauto rijdt weg. Buren komen kijken. De trom gaat naar binnen. Hij klinkt zachter. Bij het lege bed wordt de trommelstok vervangen door de hand die ritmisch over het hertenvel glijdt. Het geluid van de aanrollende golven van de zee, het geluid van de wind. De wind gaat liggen. De stilte neemt nu alle ruimte. De leegte. Het Niets. Niemand die iets zegt. In   de   leegte   tussen   de   klanken,   weerklinkt   de     waarheid. “Heeft iemand zin in een tas koffie?” brengt hen allen terug van de lege bergtop. Ze omhelzen elkaar. Zonder woorden worden spanningen vergeten. Ze waren altijd een gezin waar veel gezongen werd.   Dear Father 12 maart 2017 Een berichtje uit van Bram, hun zoon uit Trondheim. “Dochter geboren. Alles OK 4,300 kg Skype straks.” Ze kussen elkaar. “Proficiat, Lieveke.” Ze hadden zelf graag nog een dochter gehad. Nu hebben ze een kleindochter. Zaterdag 7 mei 1977 Comme un enfant aux yeux de lumière qui voit passer au loin les oiseaux…vois comme le monde est beau... “ ‘t Is precies of het over ons ging hé.” Ze lagen lui lekker te luisteren naar het eurovisie songfestival. Elke dag kon hun kind geboren worden. Zijn ziel cirkelt nog als een vogel rond hun huis, en zoekt naar het gepaste moment om in te dalen. Twee dagen later. “Ik verlies een beetje bloed, liefke,” roept ze van op het toilet. “Oké, ik bel eerst de dokter en dan zijn we weg.” De valies staat klaar. Als een vooruitziende zorgzame vrouw heeft ze alles netjes voorbereid, voor zichzelf en voor de baby. “Al twee cm opening.” De huisarts heeft haar vingers diep in de vagina van Lieve en tast de voortgang van de arbeid af. Ze hebben haar gekozen omdat ze op een kind- en moedervriendelijke manier een bevalling begeleidt. Lieve mag zo lang als het kan in een gewoon bed liggen in plaats van in de ongemakkelijke gynaecologische stoel. Het licht is gedempt, zoals in het zeewater van de baarmoeder. De muziek is van Neil Diamond uit de film Jonathan Livingston Seagull. Lonely looking sky laten ze zich zachtjes zweven als een meeuw, die haar eigen eenzame weg zoekt. Ze willen hun zoon welkom heten in een lieflijke wereld. Lieve en hij hebben geoefend om te ontspannen. Om de arbeid te laten gebeuren door de wijsheid van haar natuur. Lieve moet op de eerste plaats zo weinig mogelijk doen. Gewoon ontspannen en de baarmoeder doet al het voorbereidende werk. Negen maand zweefde hun baby in een onderwaterwereld met gedempte geluiden en schemerlicht. In een eindeloze tijd. Ze hebben geleerd om naar de weeën op een positieve manier te kijken. Bondgenoten. Korte krachtige golven die door de baarmoeder trekken. Ze moeten door de beschermende dijk van de baarmoederhals breken en de baarmoedermond open maken. De monding van een stroom die de weg naar zee opent. Het gebeurt vanzelf. Lieve hoeft niets te doen, enkel de neiging om mee te persen moet ze tegengaan om pas op het einde tijdens de echte uitdrijving mee te duwen. En zich nu over te leveren aan de krachtige stoten en ze welkom te heten. Tussendoor ontspannen om voorbereid te zijn op de volgende golf. En ze hebben alle tijd. Ze wandelen in die tussentijden op het strand langs de zee. Ze is een kind van de zee. “Hoor de meeuwen schreeuwen tussen het bruisen van de zee, liefke. Zie de schittering van de zon op de weidse zee. Voel het warme zand onder je voeten schuiven. Zie de golfjes wit aanspoelen op het strand. ” Zijn woorden ondersteunen samen met de muziek haar verbeelding. Lost on a painted sky where the clouds are hung for the poet’s eye you may find him if you may find him. Nog even en ze vinden hem in hun armen. En daar is een volgende wee. Een windstoot die de golven opjaagt, die de boot van de geboorte voortdrijven. Straks brengt die hun zoon mee, die zijn eerste grote reis maakt. Ze zullen hem Bram heten naar Abraham, de aartsvader die zijn vader en familie verliet om zijn eigen weg te gaan, de weg die diep in hemzelf lag verborgen, de weg die zijn God hem zou tonen. Is het omwille van zijn eigen losmaken van zijn dominante vader dat hij Abraham als model voor de menswording van hun zoon heeft gekozen? Jonathan de zeemeeuw vindt zijn roeping buiten de groep. Als in het zenverhaal van “De os en zijn hoeder”, keert de man nadat hij zichzelf gevonden heeft terug in de gemeenschap waar hij zijn rol opneemt. Sing as a song in search of a voice that is silent and the one God will make for your way. “Ik kan het hoofdje al voelen,” zegt de dokter. Lieve straalt. Wat doet ze het goed. Ze knijpt in zijn hand. Het helpt. Het leidt de neiging om zich op te spannen af naar hun handen. Hoe het hen verbindt! En rustig ademen. De luchtstroom laten gaan, in en uit. En dan weer laten drijven op de lucht, in de vrijheid van de zeemeeuw. De dokter duikt weer bij Lieve naar binnen. “Hij zit klaar. Hij wil naar buiten. Je mag naar de gynaecologische stoel.” Een stoot van vreugde. there on a distant shore by the wings of dreams through an open door you may know him if you may. “Nu mag je mee persen bij de volgende wee.” De weeën komen sneller. Hand in hand werken ze met hen mee. Hand in hand lopen we weer op het strand. De tijd van de wee is een heel andere dan de tijd van de zee. “Het is een grote kerel. Zijn schouders zitten wat dwars.” “Wat wil je met onze familie,” fluistert hij. Ze glimlacht terwijl een volgende wee zich opdringt. “Ik zal wat extra moeten helpen,” besluit de dokter. Ze vertrouwen zich aan haar toe. Ze neemt een verlostang en brengt ze deskundig om zijn hoofd om wat extra te kunnen trekken. Hij concentreert zich op Lieve. Hij is niet de assistent van de dokter, maar van Lieve. Ze knijpen in elkaars hand. Ze duwt als een wee de arbeid probeert af te werken. En de dokter trekt en stuurt zodat de schouders zich in de beste houding draaien. En dan weer even alles loslaten. Lichaam en geest vrij laten in het niets doen, niets dat hoeft. Een kusje en een glimlach. Samen zweven op de vleugels van hun dromen op het strand. “Ik denk dat hij er bij de volgende wee zal zijn,” moedigt de dokter hen aan. “Zijn schouders liggen goed” en floep daar is hij. DAAR IS HIJ. BRAM. De dokter legt hem op de borst van Lieve. Ze streelt hem. Hij streelt haar. Tranen. Kusjes. Te veel voor woorden. And we dance to a whispered voice overheard by the soul undertook by the heart and you may know it if you may know it. Bram weent niet. Hij kreeg geen slag op zijn billen. De dokter kietelt hem over zijn buik en daar komt een eerste kreet als teken van zijn zelfstandigheid. Wat later zijn eerste glimlach. Oh God. Wat een wonder. De dokter geeft hen alle tijd. Bram knippert met zijn oogjes. Je zou van minder knipperen na zo een doortocht. Hij mag nog wat aan de navelstreng hangen langs waar hij gedurende vele maanden alles heeft gekregen op zijn reis doorheen miljoenen jaren. Van eitje tot kikkervisje. Van reptiel tot zoogdier. Van primaat tot premature mens. Een mens met een eigen roepnaam: Bram. Waarheen? While the sand would become the stone which begat the spark turned to living bone Holy Holy Sanctus Sanctus De navelstreng wordt afgebonden. Bram wordt nu gewassen, gewogen en gemeten. 4,250 kg. 51 cm. “Proficiat, Lieve. Proficiat, Hendrik. Het is een stevige, gezonde kerel, jullie zoon.” Dat hij is afgekoppeld lijkt hem niet te deren. Be as a page that aches for a word Gloria dear father. We dream. Een uur later. Lieve rust uit van al de inspanningen. Hij rijdt naar huis en gaat de familie verwittigen. Zijn vader en moeder, de ouders van Lieve, de ouders van Marleen. In de veilige ruimte van zijn R4 breken alle emotionele dammen. Elk van de ouders roept een nieuwe golf van emoties op. Golven die elkaar versterken. Hij houdt ze niet langer tegen. Ze krijgen de vrije loop. Hij kijkt op en door de mist ziet hij zijn Marleen, zijn Eurydice. “Je wilde zo graag een kind van mij. Mijn kind is ook een beetje van jouw.”

Hendrik Van Moorter
15 0

Decemberlucht

De lucht kleurt al donker wanneer ik die avond mijn huis verlaat.Ik trek de voordeur achter me dicht en wandel naar de bar waar ik met mijn twee broers en zus heb afgesproken. Op de hoek van de straat waar ik moet zijn, hou ik even halt. Ik neem mijn pakje sigaretten uit mijn broekzak en neem er één uit. Verdorie, het is de laatste. Ik steek de sigaret op en blaas kleine wolkjes in de koude decemberlucht.Door het raam van de bar zie ik ze zitten. John en Eléonore naast elkaar met elk een kop koffie voor zich. Ze praten met Jacques, de barman. De man staat hier al jaren achter de toog. Al zeker sinds we deze jaarlijkse traditie startten, dat moet nu zo ongeveer vijfentwintig jaar geleden zijn.Stephen zit niet bij hen. Hij zit wat verder aan de bar met zijn rug naar mij toe, afwezig in een tijdschrift de bladeren. Ik neem een laatste trek. Daarna gooi ik de peuk argeloos met duim en wijsvinger de nacht in. Ik steek de straat over en ga de bar binnen. ‘Je bent laat,’ zegt Stephen zonder op te kijken van het tijdschrift.‘Ja sorry, het is druk op de zaak en ik moest de kinderen nog te slapen leggen’ zeg ik terwijl ik hem een schouderklopje geef.‘Geen probleem hoor Dennis, let maar niet op hem,’ zegt Eléonore. Ik begroet haar met een kus en geef ook John een schouderklop.‘Whisky?’ vraagt barman Jacques al met een glas in zijn hand.‘Neen Jacques, voor mij geen alcohol op een weekavond. Doe mij ook maar gewoon een kop koffie,’ zeg ik en neem plaats op de kruk naast John. Stephen tikt met zijn nagels tegen de asbak op het ritme van de grote klok die boven de bar hangt.‘Hier zitten we weer,’ zeg ik.‘Inderdaad,’ zegt Eléonore terwijl ze langzaam in haar drankje roert. ‘Hier zitten we weer, alweer een jaar verder.’‘Eén koffie voor meneer!’ Jacques zet de kop voor me neer en begint daarna zijn koffieapparaat schoon te maken.John kijkt in het rond en zucht. ‘Er komt hier steeds minder volk. Toen we hier vorig jaar zaten, was het hier ook al niet bepaald druk.’‘Het zal vast door het slechte weer zijn,’ zegt Eléonore. Ze schuifelt ongemakkelijk heen en weer op haar kruk.‘Ja het is ineens erg koud de laatste dagen,’ beaam ik. ‘Volgens mij was het vorig jaar niet zo koud toen we hier zaten.’Eléonore schud met haar hoofd. ‘Toch wel hoor, ik had ik toen ook een dikke winterjas aan we toen we hier de vorige keer afspraken. Je weet wel, die bontjas in nerts die ik van mama heb geërfd.’John en ik knikken. Stephen zucht diep en slaat geërgerd een pagina van zijn tijdschrift om.‘Gisteren was het zelfs zo koud dat ik de kinderen twee truien moest aantrekken,’ gaat Eléonore verder. ‘Dat is toch niet normaal meer? Volgende week zou het gaan sneeuwen. Daar heb ik echt een grondige hekel aan.’‘Menen jullie dit nu?’ Stephen slaat met zijn vlakke hand op de bar. Hij kijkt ons met wijde ogen aan. ‘Gaan jullie nu echt over het weer praten?’‘Stephen…’ begint Eléonore.‘Neen Noor, ik wil dat dit stopt. Ik kan het niet meer verdragen dat er door iedereen wordt gedaan alsof er niets gebeurd is.’ Stephen’s stem beeft alsof hij elk moment de boel kort en klein zou kunnen slaan.‘Rustig Stephen,’ sist John . ‘Wat wil je dan dat we doen? Wil je dat we hier allemaal zitten huilen? Dat lost toch ook niets op man.’‘Ik kan er gewoon niet tegen dat iedereen, de hele familie, ons lijkt te mijden. Ze willen er gewoon niet over praten. Neen, geef hen maar hun rustig leven waar vooral niets in vraag wordt gesteld. Niemand vraagt ons hoe wij ons voelen. Niemand vraagt ons of we het wel redden. Als jullie nu ook al beginnen te doen alsof pa hier moment kan komen binnengewandeld, dan hoeft dit hele circus voor mij niet meer.’‘Dat doen we toch niet. Het is gewoon moeilijk om over te praten,’ zegt Eléonore zacht. ‘Dennis zeg jij ook eens wat.’Ik slik. ‘We hebben allemaal even tijd nodig Stephen. Niemand kan vatten wat er is gebeurd en iedereen gaat daar op een andere manier mee om.’‘Bullshit!’ snauwt Stephen. ‘Ik kan niet leven met al die raadsels. Waarom we bijvoorbeeld elk jaar opnieuw de tweede donderdag van december naar deze bar moesten komen van pa. Waarom mama nooit mee wilde. Ik wil praten en snappen waarom er is gebeurd wat er is gebeurd. Ik had gehoopt dat jullie aan mijn kant zouden staan, maar als jullie er zo over denken, dan bekijken jullie het maar.’ Hij grist zijn jas van de stoel, gooit wat kleingeld voor zijn koffie op de toog en stormt de bar uit.Geschrokken bijven we met zijn drieën achter.‘Waarom doet hij nu zo? We zitten toch allemaal in hetzelfde schuitje? Niemand weet het fijne van wat er zich in het verleden heeft afgespeeld in de familie?’ Eléonore begint zachtjes te huilen.‘Rustig nou Noor.’ John wrijft haar over de rug. ‘Trek het je niet aan. Natuurlijk weet niemand dat, hé Dennis?’‘Neen inderdaad,’ mompel ik.‘Wat had die ineens?’ vraagt Jacques die alles van aan de andere kant van de toog heeft zien gebeuren. Hij neemt Stephens kleingeld van de toog en kijkt me dan lang en onderzoekend aan.‘Geen idee. Slechte dag misschien?’ glimlach ik vaag en richt mijn blik snel op mijn kop koffie.‘Ja, zo’n dingen gebeuren wel eens.’ zegt Jacques en verdwijnt naar de ruimte achter de toog.Eléonore snuit haar neus. ‘Stephen heeft wel een punt. Ik zit ook nog steeds met veel vragen. Soms lig ik er ‘s nachts uren over te piekeren. Ze laten me niet los.’‘Noor toch, soms blijft het verleden beter in het verleden. Misschien is het wel goed dat we niet alles weten, het zou onze mooie herinneringen aan pa alleen maar schade toe brengen.’ John neemt Eléonore’s hand vast en knijpt er even in.‘Ik wil naar huis,’ zegt Eléonore snikkend. Ze staat op en trekt haar jas aan.‘Ik loop wel even met je mee, ik moet toch dezelfde kant uit,’ zegt John.‘Ik blijf nog even zitten,’ zeg ik ‘mijn kop koffie is nog niet leeg.’‘Vind je dat niet erg?’ vraagt John terwijl hij zijn portefeuille bovenhaalt.‘Neen hoor. Ik heb het tijdschrift dat Stephen achterliet hier nog. Maak je maar geen zorgen over mij. Laat trouwens maar zitten, ik betaal de drankjes wel.’Eléonore en John verlaten de bar. Ik blader in het tijdschrift en drink rustig mijn kop leeg. In mijn hoofd blijven Stephens woorden malen. Hij heeft gelijk. Het is inderdaad vreemd dat we elk jaar op de tweede donderdag van december hier naartoe kwamen en dat onze moeder nooit mee wilde. Het is ook vreemd dat er in onze familie nooit over vaders jeugd wordt gesproken. Langzaam giet ik de laatste slok koffie naar binnen. Ik geef een teken aan Jacques die ondertussen met wat andere bargasten aan het praten is dat ik wil betalen. Hij knikt en loopt naar zijn kassa.‘Tien Euro tachtig, alsjeblief’ zegt hij wanneer hij bij mij staat.‘Nou, jij bent er ook niet goedkoper op geworden,’ lach ik terwijl ik hem een briefje van twintig toeschuif.‘Het is voor iedereen crisis, ik moet ook zien te overleven,’ antwoord hij kort en loopt weer naar de kassa voor het wisselgeld.Ik trek ondertussen mijn jas aan en kijk even naar buiten. Het is licht gaan regenen.Jacques legt het wisselgeld en het bonnetje op de toog. ‘Alsjeblief, fijne avond nog en alvast prettige feesten.’‘Tot een volgende Jacques.’ Ik graai het bonnetje en het kleingeld van de toog en vertrek. Wanneer ik thuiskom, zit mijn vrouw op de bank televisie te kijken.‘Was het gezellig?’ vraagt ze als ik de woonkamer binnenkom.‘Viel wel mee. Stephen deed wat moeilijk,’ antwoord ik en plof naast haar op de bank neer.‘Ach, geef hem wat tijd. Hij heeft het vast erg moeilijk om alles wat er het voorbije jaar gebeurd is te verwerken.’ Ze streelt mijn arm en nestelt zich tegen me aan.‘Hm, dat kan wel,’ mompel ik.‘Ik ga slapen denk ik, Catherine, ik ben echt kapot.’ Ik sta op en maak aanstalte om naar de badkamer te gaan.‘Oh schat, heb jij misschien nog wat kleingeld?’ vraagt mijn vrouw nog net voor ik de woonkamer verlaat. ‘De kinderen gaan morgen naar de Kerstmarkt met school en ik wil ze graag wat zakgeld meegeven.’‘Natuurlijk liefje.’ Ik vis het wisselgeld en het bonnetje van vanavond in de bar uit mijn broekzak en leg het op de salontafel.Catherine neemt het bonnetje dat Jacques me gaf en ontvouwt het. ‘Wat is dit Dennis?’ vraagt ze verbaasd. ‘Er staat wat opgeschreven.’ Mijn vrouw geeft het bonnetje aan mij.‘Meer info over je vader, morgen 19u30, Steenstraat 13. Zeker komen. Groeten, Jacques.’‘Wel heb je ooit…Jacques…’ zucht ik. ‘Decemberlucht’ haalde de top tien in de Ward Ruyslinck Prijs voor Kortverhalen 2018

Ans DB
10 0

tweede brief

Dear John,                                                                                      8 april Terwijl ik in de 46 jaar die we van elkaar gescheiden zijn veel té weinig aan je heb gedacht ,probeer ik dat goed te maken met deze correspondentie . Ik nam indertijd niet echt afscheid van en je verdween  soms zelfs helemaal uit mijn gedachten. Onvergeeflijk is dat , vind ik nu en nog meer onbegrijpelijk. Pas sinds enige tijd ben ik je ook bewust gaan missen en denk vaak aan mijn kindertijd. Hoe je het gazon van onze stadstuin geduldig afreed met een handmaaier , vaak met ontbloot bovenlijf en zwetend als een paard. De schildpadden in de herfst in een bakje met droog gras zette voor hun winterslaap en ik  ruik soms nog de geur van een rode Belga sigaret. Ik rookte in het geheim met je mee. Kom je morgen ook naar je moeder? Myriam    Beste John,                                                                 9 april Ik weet niet wie het meest verbaasd was bij onze ontmoeting gisteren? Veel  emotie kon ik niet bespeuren  bij jou. Zelf was ik geschokt door het feit dat ik nu  meer dan 10 jaar ouder ben dan jij. Toen ik je vroeg waarom je nog rookte , antwoorde je: “je kan maar één keer doodgaan!” Ik liet je foto’s zien op mijn gsm van  Annelies , Maarten, Karel , Eva , Benny , Kris , Jeroen , Bart en Evelien. Je leek overdonderd en verdween zelf in mijn beeldscherm. Ik was je weer kwijt, maar ook weer niet. Myriam   Lieve John,                                                                   11 april Je ging met me mee naar mijn huis. Je zei dat ik beter auto reed dan mijn moeder . “Mjn zoon lijkt op jou “ merkte ik  op  , “ Vooral van karakter” . Dat vond je raar. Je was je zelf niet bewust van je zorgeloze aard en beschermende vleugels. Of herinner ik me dat verkeerd? Misschien was je wel egoïstisch en radicaal . Zeker is dat je hield van de geneugten des levens. Dat je daarin te kort werd gedaan , kon ik veel later pas begrijpen , omdat ik ook een beetje naar je aard. De twee buitenlandse vakanties die we deelden , hebben een onvergetelijke indruk op me gemaakt.  Verliefd dansen op het toenertijd ondeugende : “Je t’aime , moi non plus!”  Dat liedje doet me nog steeds smelten.  De drang om te rijmen heb ik van mijn moeder geërfd .   Hier het resultaat.   Onze vaders , die heen zij gegaan. Klinken wij op hun naam, Met een glas bubbels of wijn, Dat ze nog lang zonder ons mogen zijn.    Benieuwde groetenallemaal, Myriam

Myriam
0 0

Opdracht 6. Twee nieuwe scènes over alter ego. Haddie Geerts

    Ik ben het vierde kind van mijn ouders in vijf jaar tijd. Na mijn geboorte adviseerde de dokter om het bij vier kinderen te houden. Er kwamen nog drie kinderen na.   Als ik twee jaar ben is er geen plaats op de schoot van mijn moeder. Mijn jongste broertje is pas geboren. Hij ligt aan de borst. Na dat zesde kind is mijn moeder uitgeput. Mijn andere broertje dat elf maanden jonger is dan ik, begint net wat schommelend te lopen. Mijn moeder is geen Shiva met vier armen. Ik vind troost op het schommelpaardje waar ik zelf op en af kan kruipen en waar ik mezelf in slaap schommel. Ik heb niemand nodig voor troost en veiligheid.   Ik ben 16 jaar. Ik ben verliefd op een jongen die een paar straten verder woont.  Als ik van school kom loopt hij vaak met een paar vrienden voor mij uit naar huis. Als ze blijven staan vertraag ik mijn pas zodat ik ze niet voorbij moet steken. Soms steek ik de straat over. Ik kijk hem nooit aan. Ik ken zijn naam niet en doe geen enkele moeite om hem te achterhalen. Ik spreek met niemand over deze verliefdheid en niemand merkt wat aan mij. Twee maanden zomervakantie doen het gevoel langzaam slijten totdat het op een dag helemaal weg is. De opluchting. Ik hoop dat dit gevoel me nooit meer in de greep krijgt. Het brengt enkel onrust, angst, schaamte en pijn.   Ik ben 17 jaar. Ik ben verwonderd dat Hugo verliefd op me is. Hij wordt mijn eerste vriendje. Hij kiest dat, niet ik. Dat is veiliger. Ik hou me op de vlakte. Ik ben de perfecte kopie van mijn moeder, ik blijf onopvallend op de achtergrond. Als iemand me in die achtergrond opmerkt, ben ik verwonderd en onwennig.   Als iemand me op dat moment zou vertellen dat ik me op een dag vanuit die achtergrond op de voorgrond zal werken en voor een groep zal staan, zou ik vol ongeloof het hoofd schudden. Op dat moment ben ik nog lichtjaren verwijderd van deze toekomst.     Dertig jaar later sta ik in het ondertussen vertrouwde opleidingslokaal van de bank in de Kreupelenstraat in Brussel. Twaalf deelnemers heb ik deze keer. Zoals gewoonlijk zijn er meer vrouwen dan mannen die ingeschreven hebben op de opleiding sociale vaardigheden. Vaak zijn het de mensen in de kantoren. De druk op de mensen in de bank is groot. Een tweedaagse is te kort maar ik geef ze zoveel mogelijk praktische bagage mee. Al de vaardigheden, en de nodige hulpmiddelen, die ik zelf moeizaam verwierf, verwerk ik er in. ‘Dat kan ik met mijn puberzoon ook gebruiken’ zegt een vrouw opgelucht als we het territoriummodel bespreken en oefenen met de principes van geweldloze communicatie.   Ik kijk naar de naamkaartjes. Rita. Haar gezicht komt me bekend voor. Ze lacht me vriendelijk toe. In de pauze komt ze naar me toe. ‘Ken je me niet meer?’ vraagt ze. Rita Liekens. We volgden twintig jaar geleden samen een bijscholingscursus. Ze is wat ouder geworden, maar ze heeft nog altijd hetzelfde vriendelijke gezicht. We lunchen samen. ‘Ik ben verbijsterd’, zegt ze ‘Waar is het verlegen meisje van 20 jaar geleden gebleven? Je sprak niet’, herinnert ze zich. ‘Hoe ben je zo ver gekomen?’ vraagt ze oprecht verwonderd. Het is een lang verhaal. Zelfs met twee lunchpauzes hebben we niet genoeg. Ze verzorgt nog steeds liefdevol haar man die na een ongeval in een rolstoel belandde.   Na elke opleiding moet elke deelnemer een evaluatieformulier invullen en op verschillende items punten geven. Ze geeft overal tienen met een uitroepteken. ‘Ik kan het nog steeds niet geloven’, zegt ze bij het afscheid, ‘Je doet dit fantastisch, maar ik had het nooit kunnen denken. Het is onvoorstelbaar. Blijf dit vooral doen!’ Ze omhelst me krachtig.           Vakantie in Zuid-Engeland Het is zachtjes beginnen regenen. We kwamen aan met regen. We vertrekken opnieuw met regen. Daar tussen liggen, als een oase, veertien zonnige dagen.   Mike zwaait ons uit. We blijven elkaar aankijken tot hij een wazige vlek geworden is. We zullen elkaar nooit meer terugzien. Hij weet het niet, en ik begrijp ook niet hoe hij het gedaan heeft, maar hij heeft bewerkstelligd waar ik zelf niet toe in staat was. Hij heeft me bevrijd van de demonen die mijn leven tot een hel maakten.   Nooit was ik er meer aan toe om even weg te zijn uit de vertrouwde omgeving.   ‘Away from everything’ staat er in de aankondiging van het vakantiehuisje dat we, in het begin van de zomer, met het hele gezin huren. ‘Everything’ is de man die mijn leven binnengedrongen is.    ‘Let it please be him, oh dear God, it must be him, it must be him, or I shall die’ zingt Vikki Carr gepassioneerd en ik met haar, terwijl ik tegelijk bid en smeek om me te verlossen van deze gesel, van de onweerstaanbare drang om bij deze man te zijn, door hem bemind te worden. Mijn verstand weet dat het een verloren zaak is. Ik wil mijn veilige haven niet in gevaar brengen voor een man die enkel wil spelen, een man die ik even begeerlijk als weerzinwekkend vind. Het verlangen drijft me naar buiten, uit de schulp waar ik me al jaren veilig schuil houd. De afkeer, de schaamte en de angst dringen me telkens terug, maar ik vind geen rust meer in mijn schuilplaats.   Ik neem een vriendin in vertrouwen maar ik vertel niet over de pijn van het dwangmatig verlangen en de diepe schaamte over de weerzin. Het bevestigt het gevoel dat er iets mis met me is, net zoals er iets mis was met mijn vader. Ik mobiliseer al mijn redelijk verstand en besluit telkens weer om ermee te stoppen. Het lukt niet. Ik ga dood als ik hem niet zie.   Een vakantie in Engeland zal me een rustpauze geven en de nodige afstand om terug wat op krachten te komen.     Mijn man slaapt, ook tijdens deze vakantie, zoals gewoonlijk tot de middag. Hij is onwetend van de uitzichtloze strijd die ik dagelijks eenzaam voer tegen de monsterlijke verliefdheid waar ik me diep over schaam. Mijn man heeft geen idee dat ik me soms voel alsof ik langzaam aan het sterven ben, dat ik voortdurend een krop in de keel heb die het slikken moeilijk maakt. Hij merkt niet dat ik kilo na kilo verlies, net zoals mijn moeder het ook niet merkte in dat eerste jaar na de dood van mijn vader. In het eerste jaar van het Lyceum. In het eerste jaar in Gent. I am a master in disguise.   Mike werkt in Londen maar woont op zijn landgoed in Zuid Engeland waar wij deze zonnige zomer een paar kamers huren, die hij de flat noemt. Hij houdt van het buitenleven, van zijn honden, van het leven in zijn vijver. Mike is net veertig jaar geworden. Hij kan niet geloven dat hij al zo oud is. Hij zegt het vrolijk. Elke ochtend maakt hij thee met melk en suiker en praten we in zijn keuken over het leven. Mijn man slaapt. De kinderen spelen in de tuin en met de honden en ik zit bij Mike in de keuken met de opengeslagen deuren. Doorheen de dagen kom ik stilaan terug tot leven. Ik bind een roze strik in mijn haar. De zon schijnt. We lachen. De laatste dag blijf ik achter om de flat schoon te maken voor ons vertrek. In plaats daarvan bedrijven we de liefde. De eerste en de laatste keer. “My darling”, zegt hij ‘I don’t want to be rough but we have to dress up’.   Ik moet terug naar mijn leven. Ik ben voorlopig genezen. Deze keer heeft Mike me bevrijd van de demonen. De volgende keer zal ik het zelf moeten doen.  

Haddie
0 0

Opdracht 1

Beste onbekende, Het voordeel om te wonen in een doodlopende straat speelt nu in mijn nadeel. Een drukke stad laat zich beter beschrijven dan een oase van rust. Toch hebben we bewust gekozen om ons hier te settelen. Er moeten dan wel wat objectieve parameters de revue zijn gepasseerd.   De eerste voorjaarszon bundelt haar krachten. Ik trek wat blaadjes munt, pers een halve limoen en meng dit met “Earl Grey” thee. Voorzichtig nip ik aan het nog iets te warme vocht. Door mijn keukenraam zie ik hoe de zon reflecteert op de witte gevel aan de overkant van de straat. Ik rep me naar buiten. Het felle licht maakt dat ik niets zie op mijn laptopscherm. Het wordt een moeilijke keuze, werken in de schaduw of genieten van de zonnewamte. Een vogel fluit ritmisch en schel. Een andere antwoordt met meer elan, wisselend van toonhoogte. Aan de lange uithaal en het crescendo, denk ik dat het een kanarie is. Stilte is niet gelijk aan geluidloos. In de verte hoor ik de brommende motor van een vliegtuig. Dichterbij probeert de buurman zijn grasmachine aan de praat te krijgen. Na enkel uithalen, schiet het in gang. Als snel pruttelt de motor en dooft uit met een rauwe zucht. Een citroenvlinder fladdert voorbij en landt midden op de kleverige stamper van de eerste lelies, die onze tuin omboorden.   Samen met mijn man Wim en onze huisdieren James, Mozes, Luna en Beau woon ik in het lieftallige dorp Melsele, gekend om de beste aardbeien. Elk jaar brengt een delegatie van het Melseelse Aardbeicomité en het Beverse Gemeentebestuur een korf primeuraardbeien naar het koninklijk paleis. Deze traditie dateert al van de jaren zestig. De aardbeien waren dit keer extra groot omdat het gaat om een totaal nieuwe soort; het ‘Sonsation’-ras. De koning nam ze niet zelf in ontvangst. Dat doet hij maar om de vijf jaar. Waag het niet om te zeggen dat deze van Hoogstraten beter zijn.Het lokaal patriotisme viert een hoogdag.   Deze aardbeisoort ziet er zo verleidelijk uit als een vrouw die te knap is om te benaderen. Wilde fantasieën passeren de revue, maar mijn innerlijke ik fluistert me in dat ik moet afhaken. Dit is geen spek voor mijn bek, mompel ik binnensmonds. Het is als een verleidingsspel. Je wil wel, maar jeprobeert de extase nog even uitstellen. De liefde is uitnodigend, het model uitdagend. Zal ik me overleveren aan verleidingsspel met de angst om gekwetst te worden ? De goesting is te groot, ik hap toe … Slechts één beet. Ik ben verkocht. Het zoete vocht sijpelt over mijn vuurrode lippen. De wortels van mijn man liggen in het Antwerpse Hoboken, gelegen aan de Schelde in een deels industriële en deels polderrijke omgeving. Ik hou van de synergie van haven en toerisme. Bij industrie wordt vooral gedacht aan milieuvervuiling, aantasting van het landschap en het wegpesten van de dorpsbewoners. Kijk maar naar het polderdorp Doel. Ik probeer me niet te laten meeslepen in deze negatieve spiraal. De wereld is in evolutie. Negativisme kan je omkeren in positivisme. Samen met James, onze Franse Bulldog, gaan we graag wandelen in het “Klein Rietveld’. Dit is een natuurcompensatiegebied, dat is ontstaan als tegemoetkoming voor het verlies van kostbare natuur voor de uitbouw van de Waaslandhaven. De houten wandelpaden doorkruisen het water. Twee zwanen pletsen met hun zwarte zwemvliezen aan wal. Door hun specifieke gang helt hun lichaam afwisselend van links naar rechts. Het is genoeg geweest. Voldaan keren we terug naar huis. Zoals altijd is James nu te moe, lees te lui, om in de auto te springen. Ik sla mijn armen om zijn voorpoten en achterste en til hem de auto in. Als ik het slot omdraai verschijnt de melding “controleer koelvloeistof”. Ik zucht diep. Het is uiteraard belangrijk dat mijn auto volledig in orde is om veilig te kunnen rijden, maar hoe je het draait of keert, de kostprijs is meestal hoger dan verwacht. Een belletje van de receptionist is niet tevermijden :‘Goede morgen mevrouw Adriaenssens.’‘Voor u ook’, zeg ik.‘We hebben uw wagen nagekeken. De druk in uw banden is laag en de profielen zijn uitgesleten. Zo verliest u uw grip op de weg, zeker als het regent. U zal er toch eens aan moeten denken om …’‘mijn banden te laten vervangen zeker’, zeg ik bitsig.‘Inderdaad’, repliceert hij.‘Ok, ik bespreek het met mijn man en bel je nog terug’.Het is of die werklui gouden handen hebben. Op de vorige factuur zag ik dat ze voor één werkuur zestig euro zonder BTW aanrekenen. Daar zal dan hun koffie en hun toiletbezoek inbegrepen zijn! De rest van de dag blijf ik snibbig en in mezelf gekeerd.Die avond stop ik na het werk nog even in de plaatselijke supermarkt. In het weekend hebben we familie uitgenodigd. Met een aantal koppels kopiëren wij de “Komen Eten Formule”. Dromerig sta ik aan de vleestoog. Tinten van baby roze tot bloedrood, met hier en daar een verlept groen van peterselie vullen de etalage.‘Dag mevrouw, kan ik u helpen ?’Ik richt mijn hoofd op en zie een gezicht dat ik me nog vaag herinner, maar niet kan thuis brengen.‘Ingrid, Ingrid, dat ben jij toch ?’Ik scan elke millimeter van zijn gezicht. In zijn gulle glimlach ligt de openbaring.‘Geert ?’ pers ik hoopvol uit.‘Ja’, antwoordt hij lang gerekt.Het is nu alsof twintig jaar in tien minuten moet worden gepropt.Standaardvragen schieten van de éne naar de andere.Beleefd sluiten we ons gesprek af. Als ik ooit nog eens een lekker sappig stuk vlees nodig heb, dan weet ik waar ik deze beenhouwer kan vinden.

Elise Legrande
0 0