Lezen

Hannelore en de hellehond (3)

  Op 13 september 1995, in de ochtend, belde Ivan met Hannelore. Ik vertik het om hem nog ‘nonkel Ivan’ te noemen en het gesprek ging over Cezaar. Ignace hield zijn linkeroor haast tegen het rechteroor van Hannelore. Enkel wat plastiek, een kleine luidspreker en draden zaten tussen hun hoofden in. Na het telefoontje zette Hannelore met diezelfde pot van op de vorige pagina thee. Ignace bracht me nog voor de thee getrokken had, volledig op de hoogte van de inhoud van het gesprek :   “Die hond van Micheline”, had Ivan gezegd, “kan jij daar wat mee? Enzo en Falco zitten nu beiden in de kleuterklas en er komt overdag geen oppas meer.” “Cezaar, bedoel je?”, had Hannelore gevraagd. “Ja, die Cezaar”, klonk het aan de andere kant. Hannelore had daarna gezwegen en Ivan was nog luider beginnen spreken : “Ben je daar nog? Is het goed?” Weer had Hannelore niet direct geantwoord, en pas na enkele seconden had ze gezegd : “Ik denk het wel.” “Oké, dan zie ik je vanavond, na zes uur. We hebben hier nog de ganse reutemeteut, een slaapmand, een deken, brokken, een leiband, kam en zelfs een zwemvest.” “Een zwemvest?” had Hannelore gezegd. “Ja, fluo-oranje”, was zijn antwoord. “Kan hij niet zwemmen?”, vroeg Hannelore. “Toch wel, maar Micheline nam hem soms mee naar Oostende. Ze zei dat hij nooit uit dat dok zou geraken mocht hij erin vallen en de kade is bij laag water wel zes meter hoog. Dat zou van akelig hoog duiken zijn en als ze het via één van die roestige ladders zou proberen, dan zou een tijdje duren om tot bij dat beest te geraken. Zo’n zwemvest zou zijn leven redden.” had Ivan gezegd en het gesprek afgesloten met : “Oké, tot vanavond dan.”   Ik dacht dat Ignace de helft van het gesprek verzonnen had. Ik kon mij niet voorstellen dat uit Ivans klep zulke volzinnen gekomen waren.   Dat ze, zij het niet met grote overtuiging, ingestemd had, klopte wel en Hannelore vroeg : “Ga je mee naar Middelkerke? Cezaar komt hier wonen.” Ik meegaan naar Middelkerke? “Liever niet”, antwoordde ik. “Dan zie je Enzo en Falco nog een keertje”, zei Hannelore. “Neen, echt niet”, zei ik, “ik ben niet zo in mijn haak vandaag.” “Dan niet."   Had ze gezegd dat een hond hier komt ‘wonen’? Normale dieren leven ergens, ze ‘wonen’ niet in een bos, een hol, of waar dan ook. “Ja,” zei Ignace, “als er één dier is dat ergens ‘woont’, dan is het dat beest in de kop van een man!”   Ik proefde van de thee. "Niet te straf?" vroeg Hannelore. "Een beetje wel", was mijn antwoord.       bladzijde drie van ‘Hannelore en de hellehond’ (deel 3 van mijn e-boekje  ‘Ricky Minnaerts Somertijd’)

Bernd Vanderbilt
0 0

Gesprekken tijdens het hard worden –DEEL DRIE

Gesprekken tijdens het hard worden –DEEL DRIE   Zij: “Ik wil overal van proeven. Nee- ik wil niet proeven. Ik wil overal van happen. Het leven is de grootste patisseriezaak die je je kunt voorstellen. Het aanbod is eeuwig en magisch. Ik wil elke plaats op de menukaart ontdekken.”   Ik: “Het leven is een patisseriezaak en dat baart mij zorgen. Er zit een massaproductie achter. Je wilt dan van alles proeven, maar je kent geen grens. Wanneer je slaapt wordt elke ervaring aangevuld, zodat je opnieuw en opnieuw kan proeven en je wilt dan te veel. Je proeft opnieuw. En steeds bestel je meer, tot je tong rauw is en je maag barst.”   Hij: “Ooit is mijn maag in gedachten gebarsten. Uit angst had ik mezelf geleerd niet meer te eten en ik voel nog steeds de gevolgen daarvan in mijn hart. De gevangenis die ik bouwde voor mezelf in mijn gedachten en waarin ik vast kwam te zitten. Mijn hoofd als een kompas voor de weg die ik ellenlang volgde. Toen ik aankwam realiseerde ik mij dat ik fout zat. Daar ben ik over de afgrond gegaan. Jaren later, realiseer ik mij dat ik niet fout was, maar dat het kompas in mijn hoofd de foute weg aangaf. Ik was het noorden kwijt en het oosten en het westen en het zuiden. Maar ik bleef een realist.”   Ik: “jij bent geen realist, jij bent een nihilist en je doet daar niets mee, het doet je allemaal niets. Je leeft in een wereld waar mensen enkel bestaan wanneer ze je raken. Jij deelt de gehele populatie op in fragmenten van je eigen ziel. Stop met bewegen. Je beweegt mij niet.”   Zij: “Laat mij dan tenminste binnenkomen.”   Hij: “Je denkt dat ik boos ben. Ik ben niet boos, maar bang. Ik sta te trillen en te rillen van het zweet op mijn voorhoofd. Als ik zou weten hoe de mens te controleren zou ik zeker zijn en gaan naar de bestemming van mijn leven, maar er zijn zoveel bulten in het landschap. Ik kan niet ver meer zien.”   Ik: “Zou je mijn hand willen vastnemen? Zou je mij in vertrouwen nemen? Ik –die zo fel is en van het leven een gele vlek maakt met wit licht en stralen en ik die dus oogverblind brandt. En jij, die zo zacht kan zijn, wanneer je even je masker laat vallen. Controle is zoals verdraagzaamheid, ik zou graag op een van de twee nog kunnen hopen. Je bent al wie je wilt zijn. Ik zeg het je nu. Degene die je wil zijn, huist al wat langer in je hoofd, maar je hebt hem ingemetseld. Laat hem vrijkomen. Laat hem breken en dan weer zacht worden. Dan zal het leven je in de ogen hebben gekeken. En je zal altijd priemende ogen in je rug voelen. Maar je draait je nooit meer om. Je rent tot de adem in je haarwortels zit en het blauw in je schenen.”

Camilla Peeters
0 0

Gesprekken tijdens het hard worden –DEEL TWEE

 Gesprekken tijdens het hard worden –DEEL TWEE   Hij: “Ik had niet gedacht dit gevoel ooit nog mee te maken. Toch staan we hier. Ik heb me niet voorbereid, ben een beetje oncomfortabel. Het spijt mij, maar de schok is nog steeds hetzelfde.”   Zij: “Bij elk uitgesproken woord hou je je buik vast, je wil toch niet breken? Je wil toch niet hard worden? Je wil toch niet dat je morgen wakker wordt en beseft dat je vastzit in een trilling, een harmonie en je kan enkel opnieuw rondgaan tot je niet meer weet waar het begin en het einde van de ronde zijn?”   Hij: “Ik denk niet dat ik dit nog lang volhou.”   Ik: “Je ziet er voller uit, maar ik weet dat je leegloopt. Daarom ben je jezelf in brand aan het steken.”   Hij: “Zo voelt het ook. Mijn longen branden en mijn darmen likken vuur tot in mijn maag en tot in mijn slokdarm. Ik heb echt pijn.”   Zij: “Je kijkt in de spiegel en ziet de barsten. Morgen val je neer.”   Ik: “Je bent net neergevallen door te spreken. Morgen sta je weer op en ga je terug naar waar je vandaan kwam. Je hebt die zoete, lege herinneringen. Je weet hoe je eruitzag. Zoek jezelf.”   Hij: “Ik wil mezelf vinden, maar ik herken slechts fragmenten. Ik ben een beeldopname, niet meer dan een zijde in een dimensie in een tijdlijn. Elke keer dat ik een stukje zelf zie, sla ik het stuk. Uit zelfverdediging, uit angst, uit rebellie. Mijn schuldgevoel blijft groeien.”

Camilla Peeters
0 0

Gesprekken tijdens het hard worden –DEEL EEN

Gesprekken tijdens het hard worden –DEEL EEN   Ik: “Mensen zijn kneedbaar. Wij zijn kneedbaar. Je kan uit deze vorm iets anders maken, je kan mijn vorm compleet vernietigen en er iets anders uit bouwen. Dus wanneer jij zegt dat mensen zouden moeten doen wat jij zegt, heb jij maar een klein beetje gelijk. Je kan mensen kneden, maar je kan niet voorspellen hoe de uiteindelijke vorm eruit zal zien. Je kan niet verhinderen dat we uit onszelf een bocht nemen. Onszelf kneden. Mensen kunnen zichzelf kneden en tegenspreken. Het spijt mij dat ik enkel doe wat je zegt in de tegenwoordige tijd. In de toekomst staat daar geen garantie op.”   Hij: “Laten we dan zwijgen. Laten we dan de hele rit geen woord meer zeggen. Ik wil je niet meer kneden, want ik ben degene die gekneed wordt. Jij buigt terug en springt weg en ontspringt mijn handen en knijpt mij en kneed mij. Ik wil niet gekneed worden.”   Ik: “Hij die niet gekneed wil worden, vlucht van zijn menselijke vorm. Hij zal uiteindelijk achterblijven als een logge blok. Zonder vorm, zonder mogelijkheid tot bewegen. Vast in vorm en trots. Hij accepteert de vooruitgang niet en blijft achter met een gedateerde moraal. Hij ziet niet dat hij achteruitgekropen is en kijkt met zijn rug naar de wereld. Hij zwijgt niet alleen, hij is blind.”   Zij: “Jullie staan daar jullie hoofd te breken, maar kneden niets! Kneed mij dan!”   Ik: “Door het pure luisteren ben jij al gekneed. Vanavond zal je merken waar je gekneed bent, morgen sta je op in een nieuw vel.”   Zij: “Een andere vorm in hetzelfde vel.”   Ik: “Je hebt zonet je vel afgeworpen als een masker. Weet je dan niet dat je je eigen zijnsgrond, je manier van bestaan hebt doorbroken door je te mengen in een gedachtegang die niet van jou is?”   Zij: “Is dat niet goed dan? Ik wil geen blok zijn. Ik wil nieuwe gangen te blijven vinden tot ik zo moeilijk gekneed ben dat niemand nog weet waar de vervorming, de knobbels begonnen zijn en wie begonnen is, wie de eerste bocht heeft gemaakt.”   Ik: “Een droom.”   Hij: “Een dans die slecht eindigt.”   Ik: “Omdat de constructie te complex wordt voor jou: je zit in de vorige dimensie. Jij ziet de beelden dansen voor je ogen. Maar ze dansen niet, ze stromen.”

Camilla Peeters
0 0

Hannelore en de hellehond (2)

  ‘Het kon mij niet schelen’ zou niet correct zijn, toch niet wat de duur van het vastbinden betrof. Het mocht zolang ik kon en meestal was het niet eens ik die besliste dat het genoeg was geweest. Tante Hannelore kwam me losmaken als zij vond dat ik iets moest eten en drinken. “Ik ben niet van plan je te voederen aan die paal”, zei ze.   Toen ik losgeknoopt was, keerde ik voor een deel terug naar deze wereld, toch de wereld in en rondom het huis van Hannelore. Aan de paal was ik weg. Ik sloot de ogen en een geestelijk voorstellingsvermogen vulde de donkere ruimte, al kon het ook best aangenaam zijn om alle dimensies tot een niets te reduceren en in een leegte te verblijven, hetgeen me niet lang lukte. Al snel verscheen er een poot van een kever, ontwierp mijn fantasie de meest bizarre vlinders en bevond ik me in een tuin die geen Eva kent.   “Drink je glas water leeg. Eet een boterham,” tante Hannelore zorgde voor me als een echte moeder en ze begreep toch enigszins hoe ik me beter, of beter ‘minder slecht’ kon voelen. Ik hielp haar ook. Voor mij was lang op de knieën zitten en onkruid wieden geen hels karwei. Ik hoefde geen matje onder de knieën en was voorzichtig met de kevers en de regenwormen.   Ignace stond vaak te kijken aan de rand van den hof en maakte vaak zijn favoriete gebaar, die gekrulde duim en wijsvinger met die opgeheven, middel-, ringvinger en pink. “Ja, alles oké, everything alright, you fool”, prevelde ik en tante Hannelore begon een liedje te neuriën, van Jesus Christ Superstar. Ze glimlachte, kende zelfs de tekst van het liedje en toen ze, na nog wat ‘lalala’ stopte, zei ze dat ik zo gek nog niet was.   Ik kon de rust en relativeringskracht die in haar leefden best wel op prijs stellen. Micheline kon de liefste geiser zijn. Tante Hannelore was uit het warmste ijs gesneden. Na het wieden gingen we thee drinken. Ik had voordien haast nooit thee gedronken, maar Hannelore maakte er een aangenaam ritueel van. Ze verfriste zich eerst de oksels, waste zich daarna de handen, schudde de druppels soms in mijn richting, trok zich het kleedje recht, wreef zich over de borsten, die beduidend groter waren dan die van Micheline, en zette een kan op het vuur.   Eenmaal het water kookte -het was een kan zonder fluit- nam ze de kan van het vuur en wachtte een minuut. "Zeventig graden is ideaal." Er zat een thermometer in haar linker wijsvinger. Daarna deed ze de thee erbij en we wachtten. Spraakzaam ben ik nooit geweest, dus ik keek maar wat, naar Hannelore, hoe ze de haren die dag gevlochten had en als ik te lang naar haar kopje keek, zei ze : “Ik vlecht enkel de haren.”   Dat klopte niet helemaal. Ze vlocht ook mijn koorden. De ondeugende vraag of haar onderste haartjes daarvoor te kort waren, kwam wel in me op, maar ik zweeg. Ik had mijn fantasie en tante Hannelore een warme theepot. Ze hief het deksels op, keek even, knikte en schonk twee kopjes in.       pagina twee van 'Hannelore en de hellehond' (deel 3 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd)

Bernd Vanderbilt
0 0

Hannelore en de hellehond (1)

  Sorry Enzo en Falco, dat ik niet naar de begrafenis van jullie moeder gekomen ben, dat ik niet meer met jullie naar het gestrand getrokken ben om schelpjes met een getande rand te zoeken. Papieren bloemen zoekt en verdient men beter zelf.   In Middelkerke of Oostende ben ik sindsdien nooit meer geweest. Ik kon het niet en thuis was ik ook minder en minder, enkel nog om te slapen. Als ik er kwam, gaf ik mijn moeder een zoen op de wang en kroop mijn nest in. Als ze nog snel vroeg waar ik gezeten had, dan zei ik : “In de zon.”     Op een avond -hij stonk weer naar de grootste smeerlapperij- heb ik mijn vader stevig bij de keel gegrepen. Ignace stond te juichen, maakt een beweging met een arm, hij zwaaide ermee en bewoog dan de pols, alsof ik mijn vader met een bijl de kop in moest slaan. Ik heb zijn strot niet lang genoeg dichtgeknepen, anders was mijn moeder eindelijk bevrijd. Gevolg was wel dat ik mocht afterten. Hij smeet mijn pick-up en stapel platen door de venster*.   Waar moest ik naar toe? En moeder heeft toen tante Hannelore gebeld. Die is afgekomen met haar Twingo. Ik heb mijn platen opgeraapt en het gebroken deksel van de pick-up smeet ik tegen de façade. Gelukkig was de mechaniek zelf niet kapot. Ik stak alles in de koffer van de Twingo en we zijn vertrokken naar Lapscheure. Ze had een zolderkamer voor me en “als je maar de muziek niet al te luid zet”, mocht ik van haar draaien wat ik wilde.   Lang heb ik het niet kunnen verbergen, mijn voorliefde voor shibari. Ik was minder mezelf als ik niet af en toe stevig vastgebonden werd en toen ze me op een dag vroeg wat er scheelde, heb ik het haar gevraagd : “Bind me af en toe eens stevig vast.” Ze keek er even van op, eerder omdat ze zo’n antwoord niet verwacht had, dan omdat ze het wat al te gek vond en nadat we het nodige materiaal gekocht hadden, deed ze het ook. ‘s Anderendaags stond er een paal in de zolderkamer en als ze vroeg of ze bepaalde koorden nog harder moest trekken, dan deed ze dat ook zoals het hoorde, hard genoeg. Ze had meer kracht in de armen dan tante Micheline.   Aanvankelijk had ik steeds mijn onderbroek aangehouden, maar ze was niet van den dwaze en vroeg na enkele dagen of “die laatste vod” niet af moest. Ik knikte en stond daarna steeds naakt aan de paal gebonden. Ik dacht vaak aan Micheline en een erectie kreeg ik niet. Hannelore bond mijn fluit vast alsof het een onnozel aanhangsel was en daar valt wat voor te zeggen.   Mijn ouders zag ik niet meer. Mijn moeder geraakte niet tot in Lapscheure en zelf vertikte ik het om me nog in Huize Trammelant te vertonen. Wie ik wel meer zag, was dus tante Hannelore. Elk dag zag ik haar, maar ook Ignace. Die liet mij niet gerust. Hij moet mij gevolgd zijn en had in de buurt een boomhut gebouwd, de zot.       *West-Vlaams : venster (de, v; meervoud: vensters) _________ pagina één van 'Hannelore en de hellehond' (deel 3 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
6 0

Hemelvluchten Dereyghere (slot van deel 2)

Of ik mij schuldig moest voelen? Feit is dat niets goed afliep en dat het thuis, in Huize Trammelant, ook niet beterde. Die vader van me had ze echt niet meer goed op een rijtje en mijn moeder vond de kracht niet om hem te verlaten. Ik wel. Ik was thuis niet veel meer te zien, ofwel hing ik rond in een park met woekerende planten, zat ik in de Music Mania te snuisteren tussen het psychedelische vinyl of stond boeken te verleggen in een winkeltje op de Markt.   Bartjes Belbus bestond toen nog niet. Hij stond daar nog niet te wachten, naast Jan en Pietje, zijn banden vol met paardenstront en dat is maar best ook, want ik moet hem niet. In zijn busje stinkt het naar ondiep moeras en een mengelmoes van narigheid : zelfgedraaide Vlaemsche eenheidsworst, stremsel voor burgerkaas en rottende vooroordelen. Doe nooit uit nieuwsgierigheid één van de tupperware potjes open die hij bij zich heeft en ben je een verdwaalde toerist die per ongeluk opstapte, spring er dan uit bij het eerste café (met wc).   Over springen gesproken, met Micheline is het niet goed afgelopen en dat heeft niets te maken met die shibari. Ze vonden haar -dat is niet moeilijk in een drukke badstad- op 13 september 1994, precies vijftig jaar na de executie van Noor Inayat Khan. Ze lag op haar buik, in de Jules van Den Heuvelenstraat, bovenop een witte mercedes, een 300S. Ze had een bloedrood kleedje aan en was gevallen, niet als een meisjesicarus, ook niet als een Herman Brood, want ik geloof niet dat ze zelf sprong. Een zon verlaat niet zomaar haar stelsel!   Feit is dat ze dood was. Hoor je me? Helemaal dood! Enzo en Falco stonden daar, als kleine sterren aan het firmament, ze keken naar beneden en Ivan nam nog een slok van zijn geuze, zei tegen de politie dat ze gestruikeld was, over die bak met lavendel.   Een autopsie volgde niet. Dus, ik weet het niet, of ik vader in spe was. Ik wist wel dat er een zon gestorven was, een ijstijd aangebroken.       elfde en laatste pagina van  'Hemelvluchten Dereyghere' (deel 2 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd)

Bernd Vanderbilt
0 0

Hemelvluchten Dereyghere (10)

  Bij tante Micheline had ik een minder gekwelde ik gevonden en we begrepen elkander. We hebben nooit geslachtsgemeenschap gehad in de enge zin van het woord. Haar poesje heb ik nooit rond mijn plasser gevoeld. Dat was van geen belang.   Op een maandag in augustus zaten we weer bij Marie-Claire. We hadden geen friet besteld en zeker geen zure uitjes, wel twee blikjes bier en daarna nog twee. Ik werd wat loslippig en vroeg Micheline rechtuit of Falco dan van Johnny was.   “Ben je zot?”, antwoordde ze. “Is hij dan van Neptunus?”, vroeg ik dwaas weg. “Eerder van een Cerberus”, en ze zweeg even. “Ik hou ontzettend veel van Enzo van Falco. Ik zal gans mijn leven voor ze zorgen als de zon voor de aarde, al heb ik er altijd van gedroomd een kind te krijgen van een man die echt van me houdt.”   Ik zweeg en toen onze blikjes leeg waren vertrokken we naar het winkeltje, naar het achterkantje, het bescheiden rijk van de onmacht. Zoals gewoonlijk bond Micheline me stevig vast aan de paal. Ze was daarbij ook inoxkabel gaan gebruiken die ik beter voelde. Mijn plasser bond ze die dag niet in. Ze kleedde zich uit, ging op de stoel zitten en speelde wat met haar kutje, wat niet haar gewoonte was.   Daarna kwam ze dichterbij en begon mijn fluit te verwennen. Toen ik klaarkwam ving ze het zaad op in een potje. Daarna ging ze op de grond zitten, op een handdoek met vlindermotief. Met een plastiek spuit, zoog ze het zaad uit het potje, trok de benen op en spreidde ze. De spuit stak ze in haar schede, zo diep ze kon en ze duwde de spuit leeg. Mijn zaad baande zich een weg, naar oorden waar het nooit eerder was geweest.   Ik voelde de onmacht sterker dan ooit tevoren. Micheline bleef een kwartiertje liggen en kwam toen dichterbij. Ze gaf me een kus op het voorhoofd en maakte me los. Ik ging op het aloude stoeltje zitten, liet mijn ellebogen steunen op de knieën, mijn hoofd in klamme handpalmen.   Micheline wreef me door de haren en sprak : “Als de zon voor de aarde”       bladzijde tien van 'Hemelvluchten Dereyghere' (deel 2 van 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
16 0

Hemelvluchten Dereyghere (9)

  Ik heb tante Micheline op tijd los gemaakt en elke maandag bonden we elkander degelijk vast, volgende regels van de kunst. Op een zekere maandag vond ze dat die onderbroek belachelijk stond en snokte hem naar beneden. ‘De stoel’ bleek ook niet helemaal mijn ding te zijn. Ik kon niet helemaal vastgebonden worden, mijn bovenbenen bleven te beweeglijk.   Bij de Werkhuizen Decloedt lieten we een paal op maat maken, met dezelfde lengte als de hoogte van de achterkamer. Aan elke uiteinde lasten ze bij Decloedt een vierkante plaat met vier gaten. Acht bouten verbonden de paal, vier de onderzijde met de vloer en vier de bovenkant met het plafond. Tante Micheline bond me steviger vast dan tevoren, rond mijn plasser reeg ze een dun koord, zodat ik in geen geval een erectie kon krijgen.   Op rustige dagen, zoals de meeste, sloot ze geregeld de winkeldeur, kleedde zich uit, ging voor me zitten en vroeg of het nog strakker moest. Meestal knikte ik. Ze kleedde zich, doorgaans na ongeveer een kwartier, weer aan en ging, ongeacht het weer, bij Georgette een ijsje kopen. Daarna keerde ze terug, knoopte me los, kleedde zichzelf weer uit, en toen was het mijn beurt om haar stevig in te snoeren. Zij hing het liefst en het vlindermes zat al die tijd in de rechter voorzak van mijn jeansbroek.     Het werd al gauw weer lente. Het was een pollenvolle dag en de deur van het winkeltje was niet op slot. Ik had al snel door dat er iets niet pluis was. In het achterkamertje heerste niet de stilte van gesmoorde onmacht. Er klonk het geluid van een beer die een zoete vlinder ging verslinden. Ik haalde het mes uit mijn rechter broekzak. Ik herkende hem. Het was de man met de oprit en zijn handelingen bevielen mij allesbehalve. Micheline probeerde hem van zich af te duwen, ik haalde het vlindermes boven, klikte het open en plantte het in zijn rug. Het duurde niet lang voor de beer bezweek en op de grond neerviel als een vlezig en bebloed ongedierte.   Micheline trok zich recht, sloot de winkeldeur en we hebben gewacht tot de duisternis viel. De opritman staken we in een grote vuilniszak, zo’n model voor wereldafval en toen de maan niet keek, hebben we hem naar buiten gesleurd, aan boord getrokken van de Oostende 82, de Antoine. We verborgen het lijk in de reddingssloep. Met een ketting en een cijferslot hebben we de sloep verzegeld.   De O.82 verging enkele dagen later voor de Kust van Calais. Er waren geen overlevenden.       pagina negen van 'Hemelvluchten Dereyghere' (deel 2 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd)

Bernd Vanderbilt
0 0

Hemelvluchten Dereyghere (8)

  Nog een goed kwartier heeft ze op die stoel gezeten. Ik gaf haar een glas water en zweeg. Ze kleedde zich weer aan, nam haar sacoche en zei : “Kom, we gaan iets eten. Die inventaris doe ik zelf wel, op een andere keer.”   We zaten binnen. Voor de frituur van Marie-Claire was een afdakje gemaakt dat rondom toegetimmerd was met witte planken. Stukken plexi zorgden voor wat daglicht. Op het kleine tafeltje stond één middelgrote pak en een potje zure uitjes. Als saus had ik Andalouse gekozen, Micheline wilde geen saus. Zij ging slechts wat frietjes van mij stelen, zei ze.   “Het is niet wat je denkt”, sprak ze en uit haar sacoche haalde ze een boekje : ‘Kinbaku, the Art of Rope Bondage, by Nawashi Murakawa.’ Ik nam het boekje en begon te bladeren. Een paar pagina’s verder vroeg ik : “En wie is Johnny?” “Johnny helpt mij bij de shibari.” zei ze. “Een Johnny die helpt?” en ik trok de wenkbrauwen op. “Johnny is die kerel van vrijdag, die magere, die wit koord kocht. Hij heeft suikerziekte. Toen ik deze morgen daar vijf minuten hing, zei hij : ‘Te weinig suiker. Ik ga een blikje cola kopen bij Georgette.’” “Georgette is gesloten op maandag”, zei ik. Micheline zweeg. Ik at een paar frieten, dopte ze in de andalousesaus en proefde van de uitjes.   “Ik kan het best zo uitleggen”, ging ze daarna verder, “als onmacht je kwelt, is het beter er een deugd van te maken.” “Onmacht”, zei ik. “Ja, Ricky, jij moet dat maar al te goed begrijpen” en ik dacht aan mijn vader en moeder. “Misschien is het ook iets voor jou?” voegde ze er nog aan toe. “Wat? Onmacht?” “Shibari.” Ik schudde het hoofd en keek haar daarna in de ogen.   Ze nam een paar slokken van mijn blikje fanta en vroeg : “Kom jij me maandag helpen bij de shibari? Met die Johnny loopt het ooit nog een keertje slecht af, als hij plots van zijn stokje draait.”   Op maandag zes januari was ik weer in het winkeltje aan de Baelskaai. Het licht bleef gedoofd en Micheline nam me bij de hand. Met de andere hand opende ze de deur van het achterkamertje en zette een stoel in het midden.   “Zit neer, mijn jongen. Je loog in dat frietkot, met je ogen. Ik zag wat je wilde.” Ze trok mijn shirt, jeansbroek en kousen uit. “Hou je onderbroek aan als je wilt”. Ik knikte. Daarna begon ze me vast te binden. Een koord van vlas ging eerste rond mijn hoofd, in mijn mond, maakte enkele omwentelingen rond mijn bovenlijf en de stoel. “Een keer of vijf”, zei ze, “niet meer. Dan kan ik het nog aanspannen.” Datzelfde herhaalde ze nog drie keer. Eén keer rond mijn buik en de leuning van de stoel en dan, met een fijner koord, bond ze mijn linker onderbeen vast aan de linker voorpoot van de stoel, mijn rechter snoerde ze op dezelfde manier. “Je fluit laat ik nog gespaard”, zei ze zonder echt te glimlachen, draaide zich om en ging naar het winkeltje.   Daarna kwam ze nog drie keer het achterkamertje binnen, om het half uur en vroeg telkens : “Nog strakker?” Ik knikte telkens. Ze zette een knie tegen de leuning en spande de koorden harder aan, waarbij de oude stoel aan zijn verbindingen twijfelde. Bij de derde keer trok ze een zwarte katoenen zak over mijn hoofd met slechts één kleine opening, voor mond en neus. Ze bleef toen, naar ik schat, een volledig uur weg.   Om twaalf uur ging de winkeldeur op slot. Ze maakte mij los en kleedde zich volledig uit. Hoe ik haar moest vastbinden en ophangen beschreef ze heel precies, stap voor stap. Helemaal op het einde gehoorzaamde ik niet. Ik trok mijn jeansbroek uit, daarna mijn onderbroek.   De onderbroek, die zette ik als muts op haar hoofd. Haar mond tapete ik dicht met grijze plakband, kroop weer in de jeansbroek, ging gehurkt voor haar zitten, keek haar nog eens diep in de ogen en zei : “Ik ga een blikje cola kopen bij Georgette.”       pagina acht van 'Hemelvluchten Dereyghere' (deel 2 van 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Hemelvluchten Dereyghere (7)

  Op maandag 30 december kocht ik niet nog een zak chips met pickles bij Georgette, ook niet met een andere smaak. Ik was op tijd bij de winkel, die op maandag normaal gesloten was. “Dan zal niemand ons storen”, had ze vrijdag nog tegen me gezegd toen ik het winkeltje verliet. Ik keek door de glasdeur maar zag geen licht en geen Micheline, voelde aan de klink en ging binnen. “Micheline!” riep ik met een stem die ik anders veel zuiniger en stiller gebruik, maar er kwam geen antwoord.   Achterin het winkeltje was nog een deur, waarop een affiche hing, iets van een optreden. Er stond een jonge vrouw op afgebeeld die de veena bespeelde. ‘6 januari, vanaf 20h00, in zaal De Caproen, 6 EUR in vvk, 8 EUR aan de kassa’. De deur met vrouw en veena stond op een kier. Met mijn rechterhand nam ik het vlindermes vast dat in mijn rechter broekzak stak en met mijn linkerhand opende ik de deur.   Ik aanschouwde Micheline in een positie die ik niet verwacht had. Ze zat strak vastgebonden in koorden en haar mond was dichtgesnoerd. Een strook witte stof stak tussen haar lippen en was op haar achterhoofd dichtgeknoopt. Haar handen waren op haar rug gebonden. Ze zag eruit als één lange vlecht. Rood koord van vijftien millimeter begon rond haar nek, maakte vele omwentelingen rond haar lichaam en eindigde in een paar knopen bij haar enkels. Ze hing daar. Vier touwen hielden haar in de lucht, één zat rond haar nek, één rond haar samengebonden handen, de andere twee rond de knieën en de enkels.   Snel maakte ik de knoop op haar achterhoofd los en trok de witte stof uit haar mond. “Laat me alsjeblieft zakken,” zei ze. Waar moest ik de koorden het eerst losmaken? Ze mocht niet met een smak neerkomen. Je kon met je kindertalent de ruimte breder maken en de hoogte reduceren zodat ze vanzelf veilig landde, hoor ik je denken. Ik had andere zorgen en na vijf seconden nadenken, na enkele voorzichtige handelingen, lag Micheline op de vloer in het achterkamertje. Het was een hele karwei om de vlecht volledig los te knopen. Na een kwartier kroop ze recht, ging op een stoel zitten, zette de ellebogen op haar knieën, en liet haar hoofd rusten op haar handpalmen.   Ze was volledig naakt. “Waar bleef Johnny, toch?” was het enige wat ze zei, toen ze daar zat. Ze zag er uitgeput en weerloos uit.       bladzijde zeven van 'Hemelvluchten Dereyghere' (deel 2 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Hemelvluchten Dereyghere (6)

  Nog welgeteld vier keer ben ik die zomer naar Middelkerke getrokken. Nog twee keer zag ik Eva op haar wolkenkrabber die mij niet meer wenkte en als ik op het terras ging zitten terwijl ze zonnebaadde, beperkte ik me tot de vraag of ik haar rug niet moest insmeren met crème solaire.   Dat mocht, ook op het strand, waar ze een gelukkige bikini droeg. Ze vroeg er zelfs naar : “Wrijf je mijn rug en schouders nog eens in?” en ging met stillere stem verder : ”maar zorg dat je hier geen stijve plasser krijgt.”   Het werd herfst, te fris op het strand en Micheline kwam eens per week naar Brugge, vaker dan ik naar Middelkerke ging. Ik kwam er zelden nog. Ze had een oppas gevonden die naast de deur woonde, een meisje van zestien, uit Georgië.   Het was midden december, koud, “koud genoeg om glühwein te maken”, zei mama en zette een pot op het vuur, goot er goedkope rode wijn in, kieperde er enkele stukken sinaasappelen bij, kneep in een citroen en voegde drie kruidnagels en een snuifje kaneel toe.   “Dat wordt lekker”, zei Micheline, die in de Noordzandstraat beige botjes was komen kopen en ze vroeg me of ik geen vakantiejob zocht, “in de kerstvakantie, de inventaris, in het winkeltje waar ik werk.” Ik zei dat het goed was en op vrijdag 27 december verwachtte ze me, in het winkeltje aan de Baelskaai, om negen uur.   Op het afgeproken uur was ik daar, zelfs iets te vroeg en wachtte voor de vitrine. In matte letters stond op het raam ‘Dereyghere’ en daaronder, in iets kleinere letters, ‘Zeebenodigdheden’. In de sobere etalage hing een duikerspak, een stuk visnet en op de vensterbank was zand gestrooid, lagen enkele grote schelpen, van Sint-Jacobs, denk ik. Twee waren felblauw geschilderd, drie paars.   “Je bent er al.” Micheline was naast me komen staan. “Heb ík geverfd,” zei ze, nam een sleutel uit haar sacoche. De sleutel hing aan een dobbertje en met haar knie duwde ze tegen het deurframe. “Anders lukt het niet.” Ze trok een gezicht als een gewichtheffer die een papieren bootje ging heffen, maar dan veel eleganter. Een glimlach deed uiteindelijk de deur open en ze leidde me de winkel binnen.   Touwen in alle kleuren, kettingen, vernikkeld en verzinkt, een rek met strakke surfpakken, bakjes met schootklemmen, sluitingen en ander roestvrijstalen spul, rollen kabels voor het want van yachten, et cetera.   Ze stak de tl-verlichting aan, zei dat we konden starten. ”Begin jij met de touwen,” en ze gaf me een blad met daarop alle diameters en kleuren. “Moet ik dan alles afrollen en meten?” vroeg ik. “Welnee, zotje, de omtrek van die grote haspels is tachtig centimeter en van de kleine vijfenveertig. Je schat het aantal omwentelingen dat er nog op zit en je vermenigvuldigt. Hier is een rekenmachientje.” Ik begon.   Rond half elf kwam er een eerste klant. Een man met een oprit, die een kunststof ketting zocht. “Met van die witte en rode schakels”, legde hij uit, “in plastiek, je weet wel.” “Sorry,” zei Micheline vriendelijk, “ik had je graag geholpen maar die hebben we niet. Misschien kan je het met een touwtje doen. We hebben er ook in fluogroen. Goed zichtbaar”, maar de man bedankte en ging weer weg.   Na de middag kwam nog een tweede man, in een naar mijn gedacht veel te strakke broek en die kocht zonder veel te aarzelen een ganse rol witte polyesterkoord van vijftien millimeter. Ik verminderde de hoeveelheid in de inventaris met honderd meter.   Dat was de enige klant die die dag iets kocht en tegen vijven hielden we er mee op, met de inventaris. Over de middag had ik wel de boterhammetjes gegeten die Micheline thuis met schouderham belegd had, maar ik kreeg al weer honger en nam afscheid.   “Kom je maandag terug,” vroeg ze, “die bakjes met het kleine gerief moeten nog geteld worden. Dat klaar je wel op een namiddag. Kom tegen één uur.” Ik zei dat het goed was, kreeg nog een kus op het voorhoofd, verliet het winkeltje en langs die kaai daar, met stapels grijze bakken, hopen netten en meeuwenkak stapte ik in de richting van de Spuikom.   Bij Georgette (de naam van het winkeltje vlak bij het tramkotje) kocht ik een zak chips met pickles.       pagina zes van 'Hemelvluchten Dereyghere' (deel 2 van mijn e-boekje 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Ik roep graag

Ik roep graag, het zal iets zijn dat zo eigen is aan mijn roots. Wat wortelen betekent in het Engels. Onbewust wel hoor, ik kan er met momenten niets aandoen dat ik mijn stem meermaals per dag verhef. Niet dat ik in het middelpunt der belangstelling wil staan... Ach kom, ik sta er al in. De wereld draait rond de essentiële Bart van Vlaanderen en niet andersom. Statement.   Laat ik er verdomse maar mijn best voor doen om te blijven roepen. Ik zou liegen mocht ik het moeilijk hebben om niet te roepen. Het zijn de gillende tienermeisjes die wild staan van Justin Bieber, de generatie nu die los gaat als Boef eens komt optreden tijdens de “Schuimfuif” in Asse-Ter-Heide. Ik zou ook roepen hoer, euhm hoor. Roepen van het lachen. Mensen zijn altijd zo snel vermaakt geweest door iets dat zo een momentopname is. Zo roep ik heel vaak tegen vrouwelijke machines. Zeer raar... Niet het roepen tegen een emmer, dweil, wasmachine, droogkast, ... Maar ik heb precies een nostalgische tijd geweten waarin die vrouwelijke machines pur sang gwn hun ding deden. De emmer haar taak bestond er in zich te laten vol lopen met warm water, om er vervolgens zelf zeepsop in te doen. De dweil die me rustig en beheerst kwam wakker maken omdat ik vroeger wel eens een ochtendhumeur had ipv erectie, kuiste beheerst mijn penthouse hier in Oelegem. Verwend.   Zeker! Ik zou graag bijvoorbeeld snoepen van spruiten als liefde zich kwam moeien in mijn leven. Jammer dat ik vroeger zo verwend ben geweest door ouderlief om mij op culinair niveau steeds mijn zin te geven. Comfortzone.   Maar ik ben er wel uitgekropen, langzaam. Maar toch. Hier ben ik dan. Ik mag nog steeds geen spruitjes. Maar tijd heeft me geleerd dat er geen plaats is om achteruit te kijken. Ook niet als ik eens geprobeerd heb om ananas te laten smaken naar spruiten. Feiten.   Mijn x-ray ogen zijn een geschenk van weet ik wie... Maar ik heb ze gekregen, en benut. Ik kijk door mensen heen. Maar ook door mezelf. Als ik mij een score mocht geven op zelfkennis gaf ik mij een 11 op 10 ... Want 12 op 10 is overdreven. Ooh wacht, dan geef ik me wel snel 13 op 10. Besef.   Ik besef alles maar al te goed, wat de vooroordelen van mezelf naar mensen zijn en wederzijds naar mezelf toe. Als ik mensen zou horen zeggen van... “Daar, kijk dan? Kijk dan zeg ik u! Het is hem! Hij, Bart De Zot die het woord zot nog verkeerd zou schrijven om zijn statement duidelijk te maken!” Dan zou ik er nog een schepje bovenop doen... Ik zou de nar van het volk willen zijn op dat moment, maar kom ik hoef niet meer te roepen tegen dove mensen. Mijn zwart kantje hoeft niet meer tegen mij te fluisteren dat het graag zou hebben dat ik vertrek wnr het licht aangaat in de slaapkamer. Roepen.   Ik roep liever “Het is best oké Bartje!!! Alles zal altijd beter kunnen!!! Maar hey?!?!? Het is oké!!! Echt...”

Bart Van de Peer
24 0

Debby Rohypnol

Namen, ik heb er al een heel verhaal voor klaar staan. Ik beschik over een speciale gave... Eerst en vooral, snel een boom in huis halen. Want je kan u al zeker gaan vasthouden aan de takken van de bomen. Ik kan namelijk iemand zijn levensverhaal beknopt samenvatten door nog maar gwn de naam te weten van de persoon in kwestie. David Copperfield heb ik zo eens liggen gehad door te zeggen dat hij graag vlinders gaat tellen in het park op woensdag. Dat hij aambeien heeft gehad op zijn 13de is een bijzaak, voor mij. Jammer dat die tovenaar geen zicht ter plaatse kon toveren want hij had het niet zien aankomen. Stevie Wonder wist ik ook eens omver te blazen door te vermoeden dat hij kleurenblind was.   Zo wist iemand mij eens te vertellen dat er een zekere “Yves” bestaat. Nu op zich is daar niets mis met. Maar ik kreeg het gevoel dat mensen stonden te popelen om beroep te doen op mijn gave. Ik vroeg nog even naar de leeftijd van onze Yves. Het bleek te gaan om een 17jarige. Nu dat geeft het verhaal wel een compleet andere twist! Wilt dus zeggen dat er blijkbaar ouders zijn geweest die hun kind in het jaar 2000 de naam “Yves” hebben geschonken. “Moord! Verbrand de heks! We gaan met zen allen klagen in Jeruzalem!”... Ik hoor het jullie al wel zeggen. Kan ook moeilijk anders, als het jaar 2000 is en je beslist om uw kind “Yves” te noemen dan scheelt er iets. Dan ben je volgens Van Dale de definitie van een egoïst. Dan hecht je weinig tot geen waarde aan wat een naam allemaal te weeg kan brengen. En al zeker niet als ik me even kom moeien. Yves bleek zo een typisch bekakt ventje te zijn van Schilde, zijn vader is rijk geworden door het concept van zijn handige meeneembox voor bananen te verkopen aan Chinese zakenlui die dachten een gat in de markt gevonden te hebben.   Vroeger, toen ik nog meedeed voor de prijzen bij het ponykamp in Hulshout. Waren er ook zo van die namen waarvan ik wist dat er alleen maar problemen van gingen komen. Sharon De Luchtballon en haar moeder Debby Roodhoofd. Toen ik op het ponykamp dus die namen hoorden vallen uit de boom waar de mensen zich aan vast klampten, nam ik even de tijd om ze te ontleden. Sharon De Luchtballon was volgens mij een vrouw van 23jaar die haar onzekerheid verstopte door een wild en vuil seksleven te leiden. Ze genoot ervan dat je scheten in haar gezicht vuurde. Ze had ook een voetfetisj, tijdens de seks zou ze haar comfy socks uitdoen en de jongen in kwestie verplichten er aan te ruiken om vervolgens de mannelijke lading te ontvangen op haar opgezwollen voetjes. Haar moeder Debby had een kapsalon, zij was zo iemand van 51jaar die zich nog altijd kleed alsof ze 20jaar jong is. Debby is tevens de beste vriendin van Sharon, elke 3de zaterdag van de maand staat in teken van quality-time door samen te gaan eten in de Lunch Garden... En later eens lekker scheef te gaan op biertjes voor zwangere vrouwen zoals Mazout en Spavla in de discotheek “Millenium” te Herselt.   Ik ben zo eens verzeild geraakt in de kroeg “Den dove Emiel”. Cois Busquero had sinds de dood van zijn vader Emiel het café overgenomen. Pinten kosten daar 3 Hulshoutse Kronen. Na de dressuur waar ik trouwens uitblonk in het behalen van de zuipbeker ging ik mijn overwinning vieren bij Coiske. Sociaal aangelegd als ik ben begon ik te praten met de zoon van dove Emiel. Toeval of niet, ik beschouw het eerder als het lot dat een overval pleegde op mij... Enkele staminees waren uitgebreid aan het roddelen over de avonturen van Debby Roodhoofd en Sharon De Luchtballon. Het viel me op dat mijn gave resulteerde in de gevreesde waarheid. Geruchten die Sharon zelf rond bazuinde werden steevast de grond ingeboord door die zatlappen daar. Zo zou ze eens gezegd hebben dat ze goed met kinderen overweg kon toen ze arme Norbert aan het versieren was... De iets wat introverte jongeman stond er samen met zijn zoon alleen voor toen zijn vrouw hem had verlaten voor geen reden. Sharon De Luchtballon haalde als referentie aan dat ze nog als jobstudent had gewerkt in de binnenspeeltuin “De Kikker” ... Norbert was verbitterd en tevens op zijn hoede, zijn antwoord mocht er zeker zijn. “Als wat dan? Als springkasteel voor die bengels?! Als ge liever hebt dat ik ineens scheten in uw gezicht blaas moet je dat gwn zeggen Sharon. Ik bijt niet, ik hijg enkel in uw oren als ik mijn ogen sluit en aan mijn ex denk. Ik heb hier geen intentie om u te versieren met een bon van €60 voor de Primark zoals Ronald dat vorige week deed.”   Coiske moeide zich ook in het geroddel, hij wist me te vertellen dat Debby Roodhoofd zichzelf nog steeds bejubelde na het behalen van de 4de plaats in “Komen eten” 5jaar geleden... Debby dacht met haar zelfgedraaide garnaalkroketten indruk te maken op Frans Bauer, Sam Gooris, en Lindsay De Bolle. Niet dus. De foto’s van haar “5 minutes of fame” zorgen voor een vicieuze cirkel van gezever als mensen daar hun haar laten doen. Dat Debby wel eens overwinningen van Sharon wist te ontfutselen is geen geheim meer. Bij café “Den dove Emiel” heeft iedereen wel eens op moeder en/of dochter aan het touteren geweest. Zelfs Coiske... “Debby Roodhoofd zegt mij niks? Maar Debby Rohypnol? Geeft ze 3mazouten en ge zit in haare nol! Wel...”   Het is wat het is. Een naam zegt meestal meer dan het verhaal dat er aan vast hangt.   “Wordt het eens geen tijd dat je een podium gaat betreden Bartje?”

Bart Van de Peer
51 0

"Van de Pertotal, autoverzekeringen. Aangenaam."

De autostrade, ooit een weg voor auto’s die beschikten over primitieve en oerdegelijke chauffeurs. Zo primitief en oerdegelijk dat ze zelfs het gaspedaal beheerst durfden plat trappen om 120km per uur te halen. Dezer dagen is het anders, mensen kunnen met hun gepersonaliseerde rolstoel niet meer zo uit de voeten als de nostalgische tijd van weleer... Ik? ... Ik ben een geestelijke agressor in het verkeer. Ik ben omringd door debielen als ik me nog maar op de baan begeef. Het gedrag van mensen in het dagelijkse leven valt af te lezen in het verkeer. Ik kan niet alleen van namen al weten wat de personen in kwestie hun lievelingseten is, als ik op de baan ben dan is het hel. En al die stresserende mensen rondom zijn de obstakels om mijn eindbestemming te bereiken. Janneke en Kutmieke die het nodig achten om op de autostrade 90 te rijden op het linkervak zijn in het dagelijkse leven al even bekrompen en bekakt door hoogstwaarschijnlijk te kijken naar VTM ipv ÉÉN. Te luisteren naar Clouseau ipv Tourist LeMC. Glutenvrij meergranen brood van tante Sonja Kimpen naar binnen te proppen ipv ontbijt over te slaan zoals ik het doe. Fuck off, bende gepamperde zeikers. Al een geluk kan jullie TV niet spreken naar welke rotzooi jullie kijken. Hemel en regenboog zouden weleens plots op jullie hoofd kunnen vallen. Stel u voor.   Als het al niet erg genoeg kon zijn reed ik zo eens naar huis, voor mij op de autostrade reed natuurlijk zo een kwakzalver die niets van de wereld kent. Kan ook moeilijk anders als hij geen ramen heeft in de kelder waar hij rauw patatten elke dag ligt te eten. Meneer de kwakzalver was dus verblind door het licht waar hij met te maken had onderweg. Kwakkie de zalver moest uitwijken voor een brokstuk. Ik had natuurlijk de ongewilde eer om eendracht vooruit over het bewuste brokstuk te rijden. Geen ramp, er zijn erger dingen. Zoals een motivatieboekje met foto’s van bootvluchtelingen. Ben zowel ik, als de jongens in de bootjes enkele 1000den kilometers verder niets met... Maar toch. Momentopnames. Ik kak in mijn broek als ik er nog maar aan durf denken. Shit. Te laat.   Enkele dagen later volgde het verdict in de garage. Een nieuwe beschermplaat moest worden besteld mijn bolide. €159,74 is geen geld voor een garage. Voor mij wel... Maar dat is bijzaak. Ik werd er ingeluisd door te denken dat ik een gouden zaak had gedaan om €159,74 te besteden aan een beschermplaat. “Aaah doe me maar snel twee van die platen toppertje.” Het had een leuk sarcastisch antwoord kunnen zijn, maar ik kan het beter houden om het hier neer te pennen.   Alsof het niet nog erger kon zijn, bestaat er geen verzekering voor debielen op de baan die mij schade berokkenen door gwn nog maar te bestaan. Triest is het. Ook in het leven zoals het is bestaat er geen verzekering die mij int zak kan zetten, ik moet mij er zelf zien uit te redden. Janneke en Kutmieke.   Deze culthelden van een nog groter boerengat als Oelegem hadden de eer opgemerkt te worden door mij toen ik deze morgend de Gazet Van Antwerpen las bij mijn ouders. Of het woord “geboortebeperking” als een West-Vlaams dialect beschouwd kan worden door hen? Dan is hun verhaal nog triester als die €159,74 die ik moest ophoesten.   Hun zoon Senne, besloot om op 7jarige leeftijd een meisje te willen zijn. Over transgenders en heel het relaas wil ik mijn ei niet kwijt. Wel over de ouders. Janneke en Kutmieke vonden het zozeer nodig om de ironische wereld van hun zoon als realiteit te laten uitkomen. Want geef toe? Op 7jarige leeftijd wist ik ook al wel wat ik met mijn leven ging doen hoor. 7jarigen zijn de fundamenten van de samenleving die als zeepbel wordt uitgedrukt bij die bende marginalen. In ieder geval, Senne wilt Sanne worden. Over de naam viel dan weer niet te discussiëren omdat Janneke en Kutmieke reeds een tattoo hadden op hun arm met de naam Senne. En om deze nog te kunnen laten omtoveren naar Ariëtte.... “Dat had moeilijk geweest, Sanne.”   Wel Senne, ik had graag een vrouw willen zijn om u eens deftig een paar kinderkletsen te verkopen voor €159,74. Of je nu een jongen of een meisje wilt zijn, geef gwn toe dat je een klein dik rotverwend eikeltje bent die alles krijgt in het leven wat je maar wilt. Behalve die nieuwe CD van Jebroer voor kerstmis omdat het budget net is opgegaan naar die tattoo van uw mama en papa. Essentieel.   “Voor uw kind? Daar doe je toch alles voor...”   Ik heb een verzekeringskantoor.   “Van de Pertotal, autoverzekeringen. Voor uw glimlach? Daar ga ik voor.”

Bart Van de Peer
0 0

Het logboek van Joeri Primakov, kosmonaut aan boord van het ruimtestation MIR (deel 12)

Zaterdag, 17 maart 2012               Feest aan boord van de Doerak, dus geen verslag vandaag!   Moge God mij genadig zijn.   Joeri Primakov, kosmonaut     Zondag, 18 maart 2012   Gisteren was ik ladderzat, en ben ik (bekleed met het Enterprise-kostuum en de Spock-oren) per ongeluk in het bubbelbad gesukkeld. Ik weet niet meer precies wat ik alle-maal uitgestoken heb, maar die CD van Laura Flynn valt best wel te pruimen als je ferm gezopen hebt! Volgens de gegevens op mijn boordcomputer loste ik enkele schoten met mijn laser-kanon en blijkbaar heb ik iets organisch geraakt, want er kleven kleine bloedklonters aan mijn koplampen. Gebruik makend van de mechanische grijparm nam ik er een staaltje van, dat ik voor verdere analyse aan het automatische lab van de Doerak gegeven heb; de resultaten volgen eerstdaags.   Uiteraard is het niet mijn bedoeling hier ter plaatse te blijven treuzelen en denk ik er sterk aan om binnenkort koers te zetten naar Sirius. De aarde is jammer genoeg geen optie, want daar word ik toch maar door een horde advocaten opgewacht en ik heb absoluut geen zin in een publieke vernedering! Het is jammer voor mijn moeder, maar het zij zo.   Moge God mij genadig zijn.   Joeri Primakov, kosmonaut     Maandag, 19 maart 2012   Ik heb vanmorgen de onverstandige beslissing genomen om enkele van die drank-pralines als ontbijt te nuttigen, waardoor ik opnieuw strontzat ben! Telkens ik gedronken heb, ontstaat bij mij de onweerstaanbare drang om met mijn laserkanon te gaan schieten. Ik heb daarnet nog een paar nierstenen verpulverd, en ook het porseleinen zeeppompje (dat hier plots voorbijvloog) kende al beter tijden. Dit is natuurlijk niet gunstig met betrekking tot mijn overlevingskansen en ik zal me dringend moeten herpakken, als ik heelhuids in het Siriusstelsel wil geraken. Interstellaire ruimtereizen op automatische piloot lijken op het eerste zicht misschien makkelijk, maar er wordt wel degelijk een grote concentratie vereist bij het invoeren van de juiste coördinaten; ik wil immers niet in een zwart gat belanden!   Moge God mij genadig zijn.   Joeri Primakov, kosmonaut  

Vince
0 1

Hemelvluchten Dereyghere (5)

  De dag verliep zoals geen ander. Micheline ging boodschappen doen en ik keek eerst alleen verder, na een tijdje, toen ze weer wakker waren, samen met Enzo en Falco, naar de colargolfilmpjes : The Rescue, Escape to Nordine…   Micheline kwam terug, stak kiwi’s, twee passievruchten, citroenen en een mij onbekende groente in de frigo, rijst in een kast. Het stokbrood was te lang en bleef op het aanrecht liggen.   “Flinke jongens verdienen een ijsje,” zei ze en de deur ging open. Nonkel Ivan kwam thuis, haalde eerst een frisse Safir uit de koelkast, gaf een zoen op de wang van Micheline die haar ogen sloot en hij kwam naast me zitten in de zetel.   “Kom,” zei hij, “ik heb iets voor je.” Zijn scheve hoofdknik en een handgebaar deden me hem volgen en we stopten bij een kast. Je kent zo’n kast wel, altijd een familiestuk dat niet helemaal in het interieur past maar toch niet weg te denken is en waar meerdere generaties dingen in gestopt hebben die dan enige betekenis moesten hebben. Hij opende de onderste lade en haalde er een mes uit. Dit is het vlindermes dat ik later altijd bij mij zou dragen en dat mij op bange dagen altijd geholpen heeft.   “Dit is mijn jeugdmes. Neem het mee naar huis. Ik wil het niet meer. Ik wil het niet in dit huis. Falco haalt er later misschien iets mee uit of Enzo, die krijgt er misschien bewondering voor en kiest dan een vak als het mijne.” Ik accepteerde het mes, stak het in mijn sportzak, bij de pyjama, jeansbroek, onderbroeken en t-shirts.   We hebben die avond nog samen gegeten, buiten op het dakterras, gestoofde lamsschouder in citroensaus. “Zelf uitgesneden,” zei Ivan. “Zelf klaargemaakt,” zei tante Micheline, die met het topje van haar tong een druppeltje saus van haar lip wegstreelde.   Een kusttram en een trein brachten me terug naar Brugge. Ik had in Middelkerke de jeansbroek aangetrokken en het mes in mijn zak gestoken. Met vóór mij een ondergaande zon stapte ik van het station naar Huize Trammelant. De schaduw die mij achtervolgde, was langer dan mezelf. Het mes bleef de ganse weg even lang.   Het was enkele weken later, mama hield ook van martini, zoete bianco en ze vroeg : “Zijn ze lief met je, Enzo en Falco.” Ik knikte. “Twee verschillende karakters, de ene is als Beertje Colargol en de andere als Theodore Roosevelt", antwoordde ik maar moeder lachte niet.   “En tante Micheline,” zo ging ze verder, ”houdt ze het daar vol in Middelkerke?” “Met nonkel Ivan, bedoel je? En waar is papa eigenlijk?”, vroeg ik haar. “Blijf gaan, Ricky.” zei mama. “Ze is zot van je en kan je glimlach gebruiken. Ooit zal je het toch van iemand horen, dat Falco niet van Ivan is en dat Ivan je tante tijdens die zwangerschap van de trappen duwde. Ze brak een schouder, maar Falco… nog een geluk… aan hem scheelde niets toen hij geboren werd.”   Ik ging naar de badkamer, nam een douche, poetste mijn tanden, trok geen pyjama aan. Het bleef warm die nacht en ik voelde, of het mes nog onder mijn kussen lag.       bladzijde zes van 'Hemelvluchten Dereyghere' (deel 2 van 'Ricky Minnaerts Somertijd')

Bernd Vanderbilt
0 0

Het logboek van Joeri Primakov, kosmonaut aan boord van het ruimtestation MIR (deel 11)

Donderdag, 15 maart 2012   Vanmorgen heb ik iets heel merkwaardigs onder mijn stoel gevonden. Het ging om een metalen koffertje (waarschijnlijk achtergelaten door kosmonaut Flimout), waarin drie dingen zaten: een CD van een zekere Laura Flynn, een grote doos drankpralines (die de vorm van een plassend ventje hebben!) en een klein Chinees instructieboekje met be-trekking tot de Doerak. Dit houdt in dat deze capsule misschien wel tot meer in staat is, dan ik voor mogelijk hield. Gelukkig heb ik een zeer gedegen kennis van het Chinees, dat trouwens véél makkelijker is dan het Nederlands!   Moge God mij genadig zijn.   Joeri Primakov, kosmonaut     Vrijdag, 16 maart 2012   Dat Chinese boekje is erg leerrijk en doet me vermoeden dat de maker van deze Doerak een hele grote Star Trek-fan was. Het bevat namelijk een klein sleuteltje, dat toegang verschaft tot de verborgen vestiaire met het exclusieve Enterprise-kostuum. Bovendien zitten er twee valse Spock-oren als bladwijzers tussen de pagina's geklemd, wat ook kan tellen als hint! Volgens de info waar ik momenteel over beschik, kan deze mini-capsule de interstellaire ruimte razendsnel verkennen en ook planeetlandingen liggen binnen haar mogelijkheden. Vooral de automatische piloot op WARP-snelheid biedt heel wat perspectieven, schijnbaar komt er dan een heuse draaiende discobol vanuit het plafond naar beneden; van hoogtechnologie gesproken, zeg! De constructeur heeft zich bij de bekleding van deze mini-capsule werkelijk overtroffen. Niet alleen is er een controlepaneel aanwezig waarmee ik het laserkanon/de home cinema kan activeren, onder het vibrerende bed blijkt ook een heet bubbelbad te zitten, en achter het staatsportret van Poetin zou er zich zelfs een luxueuze champagnebar be-vinden! Te zien aan de inventaris van de aanwezige stock, hebben we het hier duidelijk niet over die goedkope brol van den Oldi!   Moge God mij genadig zijn.   Joeri Primakov, kosmonaut  

Vince
0 0