Lezen

Uit 't dagboek van 't binkske

Uit ’t Dagboek van ’t Binkske:   Tijdens W.O. 2 : Onze Ceril goat werke.   ‘k Hèm in de vakanse weer wa meegemoakt. In e grooet huishaawe komde van alles teege. Onze Ceril blèft naa ut school en naturlèk moet èm goan werke. “ Oep stroat liere die snotneuze tog niks goets “ zeet ons voader. Ons moeder hat onze Ceril gèren oep ne bero gehat, moar da goat zoe gemèkkelèk nie Em heet geschreve en gevreve en ’t antwoort was altij ’t zelfde : “ de kaders zen bezet “ Wa da ze doar wille mee hemme weet ik nie goet. ‘k Hèm tog altij hoore zegge da die beromannen oep ‘ne stoel aan een toafel zitte en oep giene kader. Moar da zal misschien zèn veur de nieuf amplajees die mee de veloo komissès moete doen noar de post en noar de bank en zoo. Affijn doar was onze Ceril dan tog giene goeie veur gewèst want èm kan nog giene platte band plekke en da moette tegewoordig just goet kenne. Em is dan drij weeke bei ‘ ne bakker gewèst. Hat èm doar potverdekke moar gebleve den ezel. ’t Was lang geleje da we oeit zoveul brood in huis hemme gehat. Onze Ceril kreeg zijne bon oemdat èm giene weg kon mee de temberkes van de klanten. De geburen vertelde da ons moeder diee “weg “ beter kende. Naa, ik moet zegge da ons moeder altij een slum vremmes gewest is. Naa goat onze Ceril koole roapen oan de sjarbenage van Zolder. Doar is ne schoene cent mee te verdiene. Soems blèft em moar efkes achter… ’t Schènt da ze dan de koole brenge tot in Eppen. Ik vin da schooen van die menschen da ze zoe gedienstig zèn. As ekik ut school bleif goan ik tog zurgen da’k e goet pletske kan vast krijge. ‘k Hèm altij zin gehat veur kwaffeur, oemda mijn adste bruur da ok is. En dan moak kik drij bussen: “ Pour le garzon” : ieen veur oep de toafel , ieen veur oan de kapstok en ieen veur oan de klink van de deur. Moar moest den oorlog nod nie gedoan zèn dan goan ik bei ‘ne slachter !!!  ’t Binske.

g.a.she
0 0

Kleine Verhalen. Dierenliefde

 ‘Als ik zelf een hond had zou ik van hem leren houden,’  bezweer ik Neel. Neel is twaalf en hij heeft een hond. Hij vindt het tuttig hoe ik altijd met een grote boog om Nero heen loop. Ik heb het niet zo voor honden. Niet voor dieren in het algemeen. ‘Houden’ van een dier, hoe doe je dat? Ik hou van kinderen, van mijn ouders en mijn vrienden. Ik hou van lezen, van schrijven, van bloemen. Er zijn duizend en één dingen waar ik van hou, maar dieren zijn er niet bij. ‘Wie niet van dieren houdt, houdt niet van mensen,’ wordt wel eens gezegd. Fout! Ik hou heel veel van mensen, ik hou van heel veel mensen. Maar dierenliefde? Ach. Ooit had ik een goudvis. Hij heette Wimpie. Een boeiend beest. Hij was ontzettend oranje en hij zwom. Ik denk dat ik van Wimpie hield. Vandaar mijn quote: als ik een hond had zou ik van hem gaan houden. Maar ik heb geen hond en ik wil er geen. Erger nog. Een hond moet liefst enkele meters bij mij vandaan blijven. Hij mag niet keffen of stinken en mij niet besnuffelen. En vooral, hij moet met zijn natte neus uit de buurt van mijn kruis blijven. Van op een afstand mag hij veel. Kwijlen lijkt mij een heel natuurlijke hondse bezigheid, luchtjes snuiven ook, maar liever niet ‘persoonlijk’. Blaffen is oké als het beantwoordt aan een doel: begroeten, waken, vreugde uiten. Een hond hoeft niet mooi te zijn, ik hou wel van een lelijke kop met karakter. Zoals die Franse buldog van Neel. Zo lelijk dat hij mooi wordt. Kwijlen, je weet niet wat je ziet. En scheten laten, ja, dat is werkelijk extraterrestrial onaards. Zo stinkig dat hij buitengewoon duidelijk maakt: ‘Ik heb lak aan jou! Ik hou óók niet van jou, ik hou alleen van mezelf, van hondenbrokken en van heerlijk zachte, heimelijk boertige winden.’ Waarlijk een hond waar ik respect voor voel. Nochtans besnuffelt hij me steevast waar ik het niet graag heb en laat hij lange draden zurig kwijl achter. Hij probeert altijd paardje te rijden op mijn voet en als ik vol afschuw ‘Nero!’ roep, laat hij zijn lelijke kop hangen en sloft naar zijn mand waar hij een dikke scheet lanceert.  Ik hou niet van dieren. Ik zie graag dieren. Maar het bestaat, dierenliefde, ik moet het erkennen. Ik herken haar als ik Sien zie, in het gras, met Stampertje. Sien is vier en voor het eerst ademloos verliefd. Stamper op haar schoot is een dwergkonijn. Sien beweegt nauwelijks, ze lijkt zelf wel een konijn. Haar neusje trilt, haar tanden bijten op haar lip, ik zie de snorharen bijna groeien. Sien houdt van dieren. En dan is er Neel, de beste vriend van Nero. Neel moet keihard lachen als Nero scheten laat. Lachen met dat soort scheten? Dat kan alleen maar als er ware, diepe liefde in het spel is.

Goedele Billen
22 0
Tip

La Vitrioleuse

Jij bent meer dan een meter drieëntachtig lang. Jij hebt tien kilo ondergewicht en dat staat je best wel goed. Jou werd drie keer een modellencontract aangeboden. Op jouw rapport blinken alleen achten of negenen. Jij bent een tien, zelfs ’s ochtends. In jouw fijn hoofdje zitten meer dan drieduizend latijnse woordjes. Ik wil jouw hoofdje kraken, letterlijk. Ik haat jouw Ceaserneus die zich in al mijn zaken steekt. En jij ziet niet eens dat het de mijne zijn want ik ben maar een tweederangs. Ik ben jou niet, jij bent de enige eersterangs. Op andermans feestjes schudt je met je uitstekende bekken zodat iedereen je ziet. Het zou zonde zijn jou niet te zien. Je hoofd is dan alleen maar naar de hemel gericht. Dat is waar jij hoort, daar boven. Boven mij, boven haar, boven ons. Laat me je er heen brengen, majesteit. Laat me je bevrijden van je verfijnde lichaam zodat jouw ziel de plaats kan innemen die het verdient: daar boven. Ik wil jouw schedel breken als een walnoot en dan kunnen we het allemaal zien: de eersterangs brij. Maar ik ben niet uitgenodigd op jouw hoogtepunt, jouw sweet sixteen. Ik ben ‘die rest’ die je zou moeten uitnodigen uit beleefdheidsoverwegingen.   Maar dat deed jij niet, jij bent de koningin hier.  Jij hebt je eigen regels, jij herschrijft de regels.  Veel plezier liefste Famaj.  Ik bidt ervoor dat je anatomisch perfecte heupen stevig tegen Valgus’ lijf mogen schuren morgen. Jij bent God’s vriendin, dat gunt hij je vast en zeker ook.   Jouw geboortevlek zit nog steeds op dezelfde plek. Maar je haar zit niet op dezelfde plek, dat zit strak in een vlecht recht uit een science fiction film. Complexer dan de melkweg is jouw kapsel. En ik kan het weten. Ik kan er al lichtjaren mijn ogen niet vanaf houden. Van hier, van achter jou is je haar mooier dan de naakte sterrenhemel. Jij bent mooier dan de naakte sterrenhemel, ik zie alleen nog maar jou. Kon jij mij nu maar zien. Jij ziet alleen nog maar Valgus en zijn zeldzame schedel. Hij zal jou wel beschermen en jij hem. Zo hoort dat, buitengewone schepsels horen beschermd te worden. Ik ben ook buitengewoon en niemand zal je voor mij beschermen. Buiten het gewone, dat ben ik. Ik sta buiten de groepjes, buiten jouw feest. Een uitnodiging heb ik niet, een cadeau heb ik wel. Laat ik dat maar eens geven!  Ja, dat is het enthousiasme dat alle leerkrachten dol op me maakt. “Typisch Joshese!” staat op mijn taken. Laat ik maar iets typisch ‘Joshese-achtig’’ doen, laat ik verwoesten. Jouw verwoesting is wat al eeuwen in mijn typische Joshesebrein sluimert. En wat in je hoofd omgaat komt er vroeg of laat uit. Psychologie les 1. Maar nu is het laat. Straks vertrekken de eerste gasten en ik heb ze allemaal nodig, haar gasten. Haar geliefden mogen dit niet missen, in mijn stoutste dromen worden ze nu mijn geliefden. Valgus’ ijzige ogen zouden dan alleen in de mijne kijken en zijn lippen zou hij tegen elkaar drukken. Zijn geïnteresseerde blik is wat ik wil. Wat ik verdien! Ik ben een raadsel klaar om ontrafelt te worden. Dus ontrafel me, Valgus! En sterf jij, Famaj!   Ik voerde al honderden gesprekken in mijn hoofd met jou. Elke keer was jij onder de indruk van mij, deze keer zal je het echt zijn. Zal je nog kunnen praten?   Zachtjes, heel zachtjes sluip ik langs de hoge klimop waarachter felle feestlichtjes spelen in de vallende nacht. Maar sluipen hoeft niet, ik mag gezien worden in mijn zacht, fluwelen jurkje. Ik dartel als Bambi in de lente scene in groene velden achter Famajs villaatje, naar het tuinpoortje. Het tuinpoortje staat nog steeds op dezelfde plaats als gisteren, goed. Alleen staan er nu al enkele wel uitgenodigde gasten te trappelen om te feesten met de koningin der feesten.  “Hey Odvetnick” juich ik alsof dit normaal is.  Alsof ik normaal ben.  Hij lacht alleen breed en murmelt mijn naam binnensmonds. Hij vindt me normaal. En was hij het niet die beweerde dat ik een slechte actrice was? Fout. Ik loop mee zoals Odvetnick het verwacht, zoals het hoort. Samen lopen we nonchalant als deftige genodigden naar de oogverblindende gastvrouw, een kick geeft het wel. Vanaf ik en Odvetnick Famajs gezichtsveld binnendringen, zie ik een denkrimpel op haar verfijnde gezichtje verschijnen. Maak je geen zorgen schoonheid, ik blijf niet lang. Drop and go. “Hey” krijst ze net iets te spontaan om heuselijk over te komen. In haar hoofd gaat ze nog steeds door de lijst van genodigden, maar dat weerhoudt haar niet haar bescheiden cadeautjes elegant in ontvangst te nemen. Odvetnick eerst, een boekenbon. Net iets te dankbaar en breed lacht ze naar hem. Zij is wel een slechte actrice.  Nu ik, een lederen maquillage tas. Een meer oprechte lach. Maar wacht. Nog iets, een oogverblindend gouden pot met de naam ‘Chanel’ erop. Als jij het een moisturizer met het subtiele parfum van witte rozen wilt noemen is dat oké.  Een echt oprechte lach. “Dankjewel, dat hoefde echt niet” giechelt ze opgetogen. “Dat verdien je” knipoog ik. Kijk nu hoe schattig, ze ziet het als een compliment. Fout. Nog steeds gokkend naar de waarde van gouden ‘Chanel’ pot loopt ze naar de goedgevulde cadeautafel. En nog voor hij op het zilveren tafelkleed staat trekt hij al de aandacht van verschillende andere opgemaakte geiten die de eer van ‘Famajs beste vriendinnen’ dragen. Waarom laat je hen ook niet eens dat vloeibaar goud gebruiken? Nee, haar groeiende nek en neusje hoog in lucht maken aan iedereen duidelijk dat goud alleen voor een koningin is. En waar is jouw koning? Niet hier. Nergens is zijn hazelnootvormige hoofd te bespeuren en ik ben een kei in het speuren naar die buitengewone schedel. De jongen die ik van achter die groene muur aan nam voor Valgus is gewoon een andere tweederangs rat. Een niets. Ik kan wel huilen als een baby. Of een junkie verbannen van het heilige tripland. Want dat is Valgus, de mooiste trip. Geen trip, geen Joshese op dit feest. Spijtig dat Odvetnick daar anders over denkt want vanaf ik nog maar gestalte maak te ontsnappen is het hij die mij naar het eerste beste groepje tweederangs losers loodst. Lachen en dansen, dat is wat zij van mij verwachten. Dat is normaal hier en nu. Ik ben normaal hier en nu.    2 dagen later: “Chanel aangeklacht na zwavelzuur incident’.

Wuni
0 0

Noors rood

    Een geluid dat Noortje niet kent: het geluid van een walvis. Als hij een wind(je) laat. Een blauwe vinvis eet zesduizend kilo per dag. Plankton, krill en visjes.   De grote behoefte proberen we ons niet voor te stellen; gelukkig wonen we hoog, zijn we nog eeuwen verwijderd van het tijdperk waarin een beter burgerkoppel beslist het landhuis dan toch in falurood te laten schilderen. Sikkens C4 40 20, op waterbasis.   Geen wrede toekomstverhalen. Over olielampen, walvistraan of ossenbloed. Ik stel Noortje gerust, want morgen. Morgen zal het eindelijk gebeuren. Game over voor de beer en dan kunnen we weer veilig uit de paalwoning kruipen, rupsen zoeken, bessen plukken, nootjes kraken.   Noortje wacht, tot ik een denkbeeldige pagina omsla. Ze raadt het vervolg. Haar wijs- en middelvinger knippen de contouren van de beer die in het bos, in onze geesten leeft. Met een stukje houtskool teken ik de speer die in zijn hart verdwijnt.   In de verte klinkt een roep, die maant de boomhut te verlaten. Mama. Dat de veggieburgers klaar zijn. Zelfgemaakt, in de vorm van een krokodil. Voor mij (omdat ik best van al leed verdragen kan) is het exemplaar zonder rechter achterpoot. Accidentje tijdens het paneren.   Tafelen. Het wordt gauw laat. Donker is het snel op winterdagen en met één hap bijt ze het beest de kop af. Genadeloos, daarna een lach.   Donkerder, dieprood is de ketchupdruppel op Noortjes kin. Ondeugend zijn haar wangen.           uit de reeks  'Kleinood'  

Bernd Vanderbilt
0 2

Eén ding dat werkelijk gelukkig maakt

Toen Sofie haar grootvader na al die tijd terug zag danste hij halfnaakt op een podium en kakelde hij als een kip. Zijn witte magere benen sprongen op een neer, hij wierp zijn hoofd naar achter, kromde zijn hals naar voor en hij bleef kakelen. Hier en daar werd gelachen in de zaal maar de meeste toeschouwers leken niet te weten of ze geamuseerd of gegeneerd moesten zijn door het spektakel. Toen, plots, stond haar grootvader stil en de dansers rondom hem zegen neer op het podium. Hij liep naar de piano aan de rechterkant van het podium. Vijf oude giechelende vrouwen huppelden achter zijn wapperende hemd. Zijn handen bewogen zo snel over de toetsen dat het moeilijk uit te maken was of de pianomuziek door hem of door een geluidsband geproduceerd werd. Toen begon hij te zingen en zijn krakende stem was onmiskenbaar echt. “Ai was happie wen ai het joe.” En de vrouwen zuchtten, fatsoeneerden hun opgestoken kapsels, zwierden met hun rokken. De dansers richten zich langzaam op en tolden om hun as, steeds sneller tot haar grootvader langzaam verdween achter de krioelende lijven.   Na de voorstelling stonden de toeschouwers minutenlang recht en ze joelden telkens haar grootvader schijnbaar onvermoeid weer het podium opliep. Hij leek van de aandacht te genieten, streek telkens door zijn lange witte haren en wuifde naar het publiek. De laatste keer dat hij opkwam werd hij ondersteund door één van de danseressen.   Sofie aarzelde voor de deur van de kelder. De jongen in de vestiaire had haar gezegd dat ze gewoon de trap moest afgaan en het had haar verbaasd hoe makkelijk ze tussen de artiesten kwam. Ze had tot nu toe vooral met de mogelijkheid rekening gehouden dat haar grootvader hermetisch afgesloten zou worden van zijn fans. Sofie zocht haar weg tussen de dansers. Het verbaasde haar hoe anders ze er op het podium uitzagen met lijven die steeds op springen leken te staan en barstten van expressie. Nu waren ze gewoon een groepje tooghangers met te fel opgemaakte gezichten. Ze bestelde een rode wijn en boog zich naar de barman. “Ik zoek Leo.” De barman wees naar een rode leren zetel in de rechterhoek van de kelder. “Hij zit daar.”   Hij leek kleiner en schrieler dan op het podium zoals hij daar alleen op zijn zetel zat terwijl hij van een biertje nipte. Het leek hem niet te deren dat hij geen deel uitmaakte van de geanimeerde gesprekken rondom hem, hij keek stralend en met hoogrode wangen voor zich uit. “Dag Leo.” “Dag meisje, wat vond je van onze voorstelling?” “Goed hoor. Een beetje experimenteel maar goed.” Hij herkent me niet, dacht Sofie. “Vond je dit al experimenteel? Dan had je onze vorige voorstelling moeten zien. Hier hadden we nog een rode draad, de ouderdom waarbij een mens alles verliest behalve zijn creativiteit. We hebben voorstellingen gemaakt waarin we enkel aan het creëren waren, niets aan het vertellen.” Natuurlijk herkent hij me niet. Het is al te lang geleden. “Ik ben het Leo, Sofie.” “Natuurlijk Sofietje, ben je naar onze vorige voorstellingen ook komen kijken?” “Sofie. Je kleindochter. De dochter van je dochter.” “Sofie.” Leo stond op en omhelsde haar. Ze rook zijn zweet en vroeg zich af of hij van hemd veranderd was. Door de dunne stof voelde hij nog magerder dan hij eruit zag. “Sofie mijn schat. Wat ben je een prachtige vrouw geworden.” Hij voelde aan haar haren. “Je bent blonder dan vroeger. De meeste mensen worden donkerder. Is het je natuurlijke kleur?” “Ja hoor. Ik was vroeger ook al blond.” Leo schudde zijn hoofd. “Toch donkerder hoor. Maar misschien komt het door het licht hier.” Hij keek in de bleke TL-lampen en nu pas zag Sofie dat zijn leeftijd sporen achterliet. Zijn magere grote neus en zijn kleine ogen leken diep weggezonken in zijn gezicht. “Niet slecht voor een tachtigjarige he. We hebben veel succes Sofietje, ik ben zelfs naar China geweest.”   Met een zucht plofte Leo opnieuw in zijn zetel. Hij leek in niets meer op de energieke kip op het podium. Leo wenkte een danseres in de buurt, een exotische mooie vrouw met felrode lippenstift en een ster getatoeëerd in haar hals. “Marise. Dit is mijn kleindochter. Wil je ons nog een stoel brengen mijn schat?” Marise scheen in het geheel niet verbaasd dat er opeens een kleindochter opdook en omhelsde Sofie enthousiast. “Je hebt een speciale bompa.” Sofie ging zitten. “We hebben elkaar lang niet gezien.” “Och Sofietje. Ik ben een kunstenaar. Een artiest. Ik heb de wereld rondgereisd. Heb je over me gelezen? De kranten zijn positief over onze voorstelling.” Hij zweeg even. “Hoewel ze in hoofdzaak positief zijn over mijn prestatie. Het thema vonden ze wat vergezocht. Heb je me horen zingen? De vrouwen zijn ontroerd als ik zing. Ze huilen. Allemaal.” Sofie lachte. “Ga je me niet vragen waarom ik hier ben?” “Nee hoor Sofietje. Maar ik ben blij dat je er bent.” Leo legde zijn hand op de hare en kneep er zachtjes in. Nu moest ze het doen. Nu moest ze het vragen. Ze was hier met een specifieke reden gekomen en als ze het niet durfde vragen was ze helemaal voor niets door de regen terug naar de stad gereden, door een sluier van pijnlijke herinneringen waarvan ze dacht dat ze opgelost waren of op zijn minst niet meer pijnlijk. Had ze helemaal voor niets een volledige experimentele dansvoorstelling uitgekeken.   Sofie had eerst geprobeerd haar moeder te overtuigen om mee te gaan. Ze had zich de verzoening voorgesteld, Leo en haar moeder zouden elkaar zien en omhelzen en alle problemen van vroeger zouden oplossen in de euforie van de ontmoeting. Haar moeder vond het een dom idee. Ze had Leo de afgelopen tien jaar niet meer gezien en ze zag niet in waarom dat nu plots moest veranderen omdat ze kanker had gekregen. Haar moeder vond het te belachelijk voor woorden, mensen die kanker kregen en opeens losse eindjes aan elkaar willen knopen. Zichzelf willen terugvinden, boven zichzelf willen uitstijgen. De realiteit willen ontvluchten. “Laat mij maar gewoon blijven waar ik ben. Het is niet omdat ik kanker heb dat ik nu van moderne dans moet houden. Of van mijn vader.” Sofie had gedacht dat de omgekeerde weg misschien wel mogelijk was. Misschien veranderen mensen met kanker niet maar hun familieleden veranderen wel. Sofie had haar job en appartement in de stad achtergelaten om bij haar moeder te zijn. Misschien kon Leo ook wel even stoppen met de wereld rond de reizen.   “Hoe gaat het met je moeder?” Ze moest het nu zeggen. Ze moest het nu zeggen. “Ze woont nog steeds alleen en dat bevalt haar wel. Ik logeer nu een paar maanden bij haar. Misschien kan je ons eens komen opzoeken.” “Lieve meid. Ik zou niets liever willen. Maar het programma. Ik heb een druk programma nog deze maand. Volgende week treden we op in Berlijn. Berlijn is prachtig, ze appreciëren het avontuur. We waren al bekend in Berlijn voor we hier onze eerste recensie krijgen.” “Dat is geweldig.” “Och kind, je weet hoe dat gaat. Mensen vinden me fantastisch maar ik ben oud. Soms denk ik dat ik te oud ben om de wereld rond te reizen. Maar creativiteit laat zich niet temmen, ik kan niet op pensioen gaan. Ik moet blijven acteren, blijven scheppen… Maar waarom komen jullie niet naar de voorstelling zien? We treden hier weer op binnen twee weken. Ik kan tickets klaarleggen op een goede plek. Voor familie zijn er altijd tickets.”   Sofie kneep haar grootvader in zijn hand. “Bedankt Leo. Misschien doen we dat wel. Ik moet er eens vandoor. Nog eens proficiat met de voorstelling. Je was heel goed.” Leo glunderde. “Dag meisje. Je bent een mooie vrouw geworden.” Toen ze beiden opstonden en Leo haar opnieuw omhelsde fluisterde hij haar in het oor: “Vergeet nooit dat er maar één ding is dat werkelijk gelukkig maakt.” Hij liet haar los en klopte op haar schouder, zijn kleine ogen blonken. “Creativiteit.”

Marie Jacobs
0 0

op de hoorns

  Voel me zo licht, als het licht om me heen zwaar is voor iedereen die ik niet ben, vandaag. Heb het gevoel dat er geen staartje aanzit, dat de vliegen wil vinden, vandaag, lijk ik een van hen, vandaag, voor de eerste keer misschien, of een beetje zomaar, lijk ik zelf te vliegen.  Vandaag voel ik me zonder reden, vanuit mezelf, goed.    Het is iedereen die ik gisteren was niet gegeven. Moet al ver teruggaan, naar voor ontbijt op bed, thermometers en eeuwen, lijkt het wel, van loeiende wekkers, om me zo een vrij gevoel te herinneren. Het is alsof de wei heel klein werd, en ik eindelijk alles kan overzien, van begin tot einde, de tamtam-signalen over de vlakte klinken dichtbij, regelmatig, elektriciteitspalen staan zorgvuldig zij aan zij, zuchten nu en dan een beetje, de krant ritselt aan m’n voeten, ik kan er niet bij, hoe zalig ik me voel.   Mensen had ik niet nodig, voor de nieuwsgierigheid, meestal om me heen, dat herinner ik me nog wel en toch eentje in’t bijzonder, die wist hoe me te verplegen. werd ik zo tam, zo vet, zo moe, niets kon me nog interesseren, dat het gras groen was, dat ze me niet lieten staan of gaan, niet vroegen wat ik wilde, had ik wat willen zeggen, boe of iets waar ze wat aan hadden, dan was ik zeker van zure gezichten. had ik iets willen doen, de krant voorlezen, een elektriciteitspaal aan het lachen brengen, mijn eigen tamtam maken, mensen heb ik nodig, na de nieuwsgierigheid.    Voel me zo licht vandaag, als de eeuwen die samenkomen zwaar zijn voor iedereen die in het nu leeft. zwevend boven de kleine wei, iedereen die ik was, ben en zal zijn. en niet. iedereen anders en eentje in’t bijzonder, die weet hoe me te vergeten, wijst de nieuwsgierigheid aan, de tamtam zwijgt, de elektriciteitspalen houden hun adem in, de krant kopt: coma-koe in crisis.     

Bas Tuurder
32 1

Sunshine

  Het is nog donker wanneer ik de deur open van de woonkamer.Twee fosforescerende ogen kijken me geboeid aan. Ik zie vaag een langer wordende witte streep met aanhangsel. Een witte pluim zwaait op het snelle ritme van een onzichtbare metronoom. Heel de witte gedaante komt op mij af en verhindert verdere stappen. Mijn benen worden door de metronoompluim gegeseld, de witte streep leunt zwaar tegen mijn knieën tot ik me buk en graai in de zachte, warme pels van ons harig familielid. Onze Golden Retriever die de naam Sunshine van mij meekreeg. Ik wou een ‘hondje’ en ging samen met mijn echtgenoot kijken naar een nestje Golden Retrievers. De broertjes en zusjes van een ondeugend hondje lagen samen te doezelen in een grote mand en keken met slaperige oogjes naar de zoveelste bezoeker die soms één van hen meenam. De ondeugende pup liep achter de kweker aan om speels in zijn pantoffels te bijten. De man glimlachte geamuseerd en beval het hondje vriendelijk los te laten. Het beestje keek schalks naar de man en week achterwaarts terug om plaats te maken. De voorlopige baas van het nestje zette de deugniet terug bij de andere pups die zo dicht op elkaar lagen dat het op een kussen leek met vier hoofdjes.Het beestje keek weinig enthousiast naar zijn slaperige broertjes en zusjes die niet wilden spelen, maar de gedaante over hen gebogen slaakte verrukt hoge zachte kreetjes.Benieuwd kroop het beestje voorzichtig over de andere donzen lijfjes tot bij de bron van het geluid. De onbekende stak een hand uit naar de snuffelende jonge avonturier en aaide hem zachtjes. De vrouw werd vervuld met een tederheid die het beestje aanvoelde, aanmoedigde om tot dicht bij haar te komen. Twee handen sloten zich rond het kleine lijfje om hem teder tegen haar borst te houden.De armen voelden warm aan en de pup hoorde het hart, net als bij zijn moeder, geruststellend kloppen. Het zuchtte tevreden en sloot de oogjes om te gaan slapen. Het hondje werd wakker toen een pluche deken hem verder induffelde. Het hoofdje draaide om naar het nestje pups dat verder sliep terwijl de gedaante een paar woorden tegen de kweker zei: “Sunshine. Ik noem hem Sunshine. Zo een vrolijk speels beestje laat me aan het zonnetje in huis denken. Het avontuur begon. Onze nieuwe aanwinst bleek een heel pienter hondje te zijn. Hij kon achteruit lopen, herkende dankzij een aantal koekjes de bench als zijn veilige haven en leerde alleen slapen. Zonder aandacht te geven las ik in stilte een boek tot hij rustig sliep en na drie dagen geduld ging hij probleemloos slapen. Janken deed hij niet en ‘begreep’ binnen de kortste keren een aantal commando’s. Sunshine junior leerde vlot maar werd dikwijls het slachtoffer van zijn enthousiasme met een plasje tot gevolg.Zijn blaas en darmen gingen namelijk sneller dan zijn pootjes de trap konden aflopen.We bezitten een open trap wat voor een dergelijk klein ukje beangstigend moest zijn. De eerste keer dat hij zelf naar beneden liep ging ik hem trap voor trap voor, hem met zachte woordjes en zijn naam aanmoedigend tot hij met zijn pootjes vaste grond bereikte. Dan prees ik hem uitgebreid en gaf hem nog iets lekkers. Eten is voor onze viervoeter altijd een goede drijfveer geweest, wat ons inzicht in zijn psychen vergrootte; hij dacht namelijk na met zijn maag. Sunshine junior wist dat hij alles netjes op sprietelige groen tapijt buitenhuis moest doen, stal ieders hart en maakte geen verschil tussen zijn speelgenootjes; volwassenen, kinderen, honden en zelfs poezen. De kattenliefde bleef spijtig genoeg niet duren toen hij een exemplaar tegenkwam met een antipathie voor honden.De vrolijk kwispelende staart kon de poes niet vermurwen die met ingetrokken nagels hem een paar snelle tikken op de gevoelige neus gaf. Nu nog zal hij een poes gerust laten als ze rustig blijft zitten, maar geblaas of weglopen, maakt zijn jachtinstinct wakker.Een hond dient binnen de twee minuten zijn bak leeg te eten, Sunshine deed het op één en sloeg alle records. Geduldig, zonder schooien bleef hij liggen tot we gedaan hadden met eten en wachtte op het commando om te beginnen eten. Na al die jaren is zijn timing beter; hoort hij het bestek niet meer in de borden, komt hij naast mij zitten en kijkt me veelbetekenend aan. Dan leg ik mijn oor te luisteren en vraag: beetjes?Wat zoveel betekent als brokken en geeft me dan zogenaamd antwoord door in mijn oor te blazen.Lig ik ziek in de zetel, komt hij naast me liggen en komt na een tijdje eens poolshoogte nemen. Doen alsof ik slaap wordt vakkundig onderuit gehaald. Eerst legt hij zijn hoofd op mijn buik, vervolgens op mijn borst en als dat niet helpt steekt hij zijn natte neus in mijn oor. Hij mag niet op de zetels dus af en toe kom ik op zijn mat liggen en kruipt hij dicht tegen me aan, nog het liefst met zijn kont naar mijn gezicht. Als hij losloopt waar het mag moet ik hem zelfs niet roepen, Sunshine houdt netjes zijn baas in het oog en komt als ik “hier” roep. Heeft het geregend dan schudt hij zich in huis niet uit, blijft wachten op de handdoek die hem afdroogt. Juist boven zijn staart heeft hij het liefst. Ondubbelzinnig legt hij dan zijn hoofd en voorpoten op de grond en steekt zijn achterwerk de hoogte in. Een Golden Retriever met een witte vacht, soms als een zwart-wit foto, wanneer hij weer eens in de sloot heeft gezeten. Naar gelang de diepte van het water heeft hij zwarte sokken of een zwart lijf. Gelukkig heeft hij een zelfreinigende pels, wat anders een probleem zou zijn vanwege zijn hekel aan de tuinspuit, maar wel te pas en onpas in een plas gaat liggen als hij het te warm krijgt na het lopen.Geef mijn man of de kinderen mij een knuffel komt hij er kwispelend bijstaan totdat we hem in de kring toelaten. Een echte hechte roedel met mezelf in de hoofdrol. Als donzig klein, speels ding liet hij ons dikwijls lachen. Nu is het ondenkbaar dat hij er niet bij hoort. Zijn liefde onvoorwaardelijk, zijn trouw onwrikbaar en zijn steun onmisbaar. Ik wu een hondje… en kreeg een engel in witte vacht.

Fanny Vercammen
0 0