Lezen

Immostreken

Is het je de laatste tijd al opgevallen hoe immokantoren altijd maar arroganter uit de hoek komen? Meer en meer blijven te-koopborden van verkochte woningen weken staan, om misbruikt te worden voor de zelfophemeling van het kantoor in kwestie. Stickers in schreeuwerige kleuren verkondigen de recordtijd waarin het onroerend goed verkocht werd, alsof ze willen zeggen: 'Kijk eens wat onze Guillaume hier heeft klaargespeeld. Verdient dat geen applausje?' Zo heeft Immo Vermortel een charmante, instapklare eengezinswoning 'verkocht binnen de maand'. Vastgoedkantoor Van der Steen, zo vertelt de sticker me, deed het beter en wist een rustieke villa in volle natuur 'IN MINDER DAN EEN WEEK!!!' van de hand te doen. Mij doet het allemaal wat te hard denken aan de politiekers die, weken na de verkiezing, met een bek vol scheve tanden en een bedanktsticker naast hun voorhoofd nog altijd zielloos in de leegte hangen te grijnzen. Voor we verdergaan, moeten we het eerst even hebben over het begrip immotaal. Als copywriter heb ik best wat ervaring met het verbloemen van bepaalde producteigenschappen. Geloof me, ik heb mijn portie marketing bullshit al gezien en geschreven. Maar de met roze leesbril gepende poëzie waarmee de vastgoedverkopers hun zoekertjes vullen, is zo van de pot gerukt eufemistisch, dat zelfs mijn mond er elke keer opnieuw van openklettert. Want wie een rondleiding kreeg in die charmante, instapklare eengezinswoning van Immo Vermortel, weet ondertussen dat het een groot uitgevallen tuinhuis betreft, op een stuk grond dat te klein is om in are uit te drukken. Die rustieke villa in volle natuur? Boerderijruïne in overstromingsgebied. Nog enkele klassiekers die ik graag voor jullie vertaal van het Vastgoedvlaams naar het Nuchterlands: karaktervol (ouderwets), tijdloos (al lelijk toen het gebouwd werd), potentieel (8 jaar verbouwen met 90% kans op scheiding), te renoveren (kraakpand). Gaat er geen adjectief aan het woord woning vooraf, sluit dan onmiddellijk je browser want het pand huisvest hoogstwaarschijnlijk zoveel schimmel en asbest dat de advertentie bekijken alleen al je 10 jaar van je leven kan kosten. Goed, terug naar ons hoofdverhaal dan. Het beoogde effect van die stoefstickers is natuurlijk tweeledig. Langs de ene kant moet het huizenjagers aanzetten tot een gevoel van schaarste en tijdsdruk: 'Als zo'n krot al zo snel verkocht is, moet ik maken dat ik een hoog genoeg bod doe op die statige fermette (opgeknapte stal die tot het einde der dagen naar zeug ruikt) die dit kantoor ook aanbiedt.' Langs de andere kant vertelt het woningverkopers: 'Als wij zo'n bouwval kunnen verkopen binnen de week, dan weet je dat we jouw huis ook met gemak naar een nieuwe eigenaar versjacheren.' Tegendraads als ik ben, heeft die opgekleefde zelfverheerlijking op mij het omgekeerde effect. Ik heb hier geen reservehuis liggen om te verkopen, maar moest het zo zijn, zou ik met opzet kiezen voor de bescheiden kleine zelfstandige, in plaats van duizenden euro's te sponsoren aan Ignace Van Goedenhuyze of Jean-Philippe Debardeurmans zodat ze ook de onbetaalbare zetelverwarmingsoptie kunnen pakken op hun tweede lease-Porsche. In kostuumbroek op de leren zetels van je Porsche moeten gaan zitten in putje winter is nu ook wel geen pretje natuurlijk. Maar karma lijkt de zichzelf op de borst kloppende vastgoedsector te grijpen, want huisbezoeken zijn in deze tweede lockdown officieel niet meer toegestaan. De verkopers die het dus niet stiekem doen, zitten zich nu stierlijk te vervelen in hun luxueuze herenhuizen (geen immotaal). Vastgoedborden staan stickerloos langs de kant van de weg. En ook in de verkocht-binnen-de-maand-stickerfabriek vielen er al heel wat ontslagen. Nu zou ik kunnen zeggen 'hoogmoed komt voor de val', maar ik leef behoorlijk met hen mee. Niemand verdient het om te leven in de onzekerheid of hij de lease van z'n Porsche nog kan betalen binnen enkele maanden.

Hans Verhaegen
41 0

Het contact met Guattari verliep verstoord

Het onderscheid proberen maken tussen de handelingen gemaakt via het neergepende versterkt en zo voor altijd stilgezet, lukte al dagen niet meer; dus na de 2-deling te vergeten, vergat ik ook de afdruk ervan.  Niets dat mooier werd, zolang ik er van probeerde te blijven genieten. Ideeën kunnen mooi zijn, maar ook je stem verraad nu al welzijn,  en dan is de fun er ook af.  Systemen moesten toen nog verassen, op een vrolijke manier.  Nu moeten ze enkel nog werken. Wie laat het na ergens hysterisch over te worden?Ik ben fanatiek leeg, of op het idiote af gepassioneerd, en daartussen is er voor mij niets: niet alles moet een grijze zone hebben,  dus ook niet de anderstaligen. Kom in mijn armen liggen, zei ik (alleen uit medelijden), maar hij kende dat wat ik niet wilde zijn maar wel weerspiegelde,  kenbaar nog veel te goed. Zijn ervaring liep verder als door een buisje mondbeademing.  Het gesprek waar hij zichzelf passief moe  aan maakte, was zijn wekelijks vermaak. Hij komt hier niet meer vaker, omdat jij hier bent komen wonen. In wat van mij is, moet alles stuk. Ik heb het natuurlijk over de dood.  Hier ben ik, de dagen slepen zich voort, dus ik sleep voort.Niets is wat het lijkt: omdat je aan alles gewend kan raken, en dat waarschijnlijk ook nog doet ook.Slapen was niet hetzelfde nadat ‘foetus’ een andere betekenis kreeg (ik was 17).En ook stress is welkom vandaag. Maar één zal er altijd bovenuit steken. En zo dus ook met komma’s en andere leestekens.Het tempo vertraagt, de zin gaat mee, ik ga mee, en de dagen slepen zich voort.

Dries Verhaegen
7 0

Vuilzakkenruzie

Daar zaten ze, op meer dan anderhalve meter van elkaar. Er kon maar iemand zitten om de twee stoelen, die dan ook nog over de vloer schuurden wanneer ze verschoven werden. “Herman, wat ga jij vertellen? Dat het weer mijn fout is?” “Wat anders? Jíj bent altijd zo slordig. Ja, het is jouw fout!” Herman bekeek zijn buurvrouw laatdunkend en trok zijn jas weer bruusk dicht waarbij hij even bewoog en de stoel even schuurde. Sandra slaakte een geërgerde zucht. De gedempte woede was voelbaar in die koude wachtkamer waar de ramen openstonden. Maar binnen sijpelende nattigheid of niet, verluchten was tegenwoordig overal verplicht, ook hier in het gebouw der wet. Door de open deur zagen ze mensen in uniform, met mondmaskers op te mompelen, te roepen, te vragen. Hun drukte drong zich ook in deze kamer steeds luider op. “Nee Herman, dat is het niet. De huisregels zijn duidelijk. Je hebt ze zelf mee opgesteld … vroéger!” Ze benadrukte dat laatste. Hij zal toch al niet dement worden zeker? Maar die gedachte durfde ze Niet uitspreken. “Ja, dat weet ik nog. Toen hielden mensen nog rekening met elkaar én hielpen ze waar er nood aan was, júffrouw Sandra.” Herman durfde zijn gedachte evenmin uitspreken; dat verwende nest nauwelijks van school. Intussen warmde het maar niet op. Niemand die zich zorgen leek te maken over de pruttelende geluiden van de verwarming die waarschijnlijk in geen jaren ontlucht was. Zíj spraken anders wel luid genoeg. Zich verstaanbaar maken, daarvan hoefde  geen van beiden nog iets te leren. “Alsof ik het kan helpen dat ik overuren moet maken. Ik ben ’s avonds laat wel doodmoe. Dan zet ik jouw vuilzakken niet meer buiten als het mijn beurt niet is. Zeker niet wanneer ze zo zwaar zijn.” “Ze zijn niet zwaar!” “Niet zwaar? De laatste keer dat ik jou hielp, zat mijn schouder bijna uit de kom. Kon ik nog die vieze smurrie van de vloer vegen omdat jij te lui bent om plastic helemaal leeg te gieten en bij het PMD te doen.” De verbleekte poster tegen de muur ‘Goede buren maken goede vrienden’ leek een utopie op dat moment. ‘Geef mij maar een verre vriend,’ dacht Herman inwendig kokend. “Het moet zijn ‘de árm uit de kom’! En dat was niet mijn zak. Die was van Jef, onze buur op het gelijkvloers.” “En jij hebt daar tijd voor? Om uit te kijken wat van wie is? Wat dóe jij eigenlijk de hele dag?” “Dat zijn jouw zaken niet. Ik houd wél de boel in het oog. Het zou er anders nogal eens uitzien.” “Oei oei. Meneertje heeft het zwaar hoor, die enkele stofjes opvegen in de gang.” “Wel die van joú hè! En die van jouw vriendjes. Het zijn meer dan stofjes. Bij regenweer zijn het hele modderpoelen. Het zijn lege blikjes bier in de hoek van de hal gegooid. Het houdt niet op bij jou.” Die zat! Sandra zweeg even. Dit leidde nergens heen. Ze was echter te koppig om nu in te tomen. “Dat is één keer gebeurd, hoogstens twee. Daar ga je toch niet over zeuren?” “Zeuren? Wanneer ga jij eens rekening leren houden ….” Een geluid aan de deur deed hen opkijken. “Héla daar! Een beetje rustiger hé. We kunnen onszelf niet eens meer horen denken.” De agent was geïrriteerd. Verdorie, wat was dat vandaag? Nationale Dag van de Burenruzie? “Zijn jullie mevrouw Vissenaken en de heer Veys voor de burenruzie over dat huisvuil?” Ze knikten beiden, te geschrokken van het volume van zijn stem om zelf nog een geluid uit te brengen. “De volgenden zijn jullie! Niet lang meer!” Dat was duidelijk. Klatsj! Die deur was dicht! Het geluid gonsde nog na in Hermans oren. Hij dacht na. Hij had zoveel geprobeerd om Sandra op de uitvoering van het huisreglement te wijzen. Het enige wat ze trouw deed, was elke maand  de huur betalen. Misschien moesten ze toch eens echt vergaderen over alles wat er in hun gebouw makkelijker zou kunnen. Het bestond verdorie maar uit drie appartementen. Sandra begon zich ongemakkelijk te voelen. Was ze toch te ver gegaan? Die blikjes, die waren inderdaad van haar vrienden geweest. Ze wilde niet onderdoen in stoer zijn. En die vuilzakken in de gemeenschappelijke bergruimte, één keer om de drie weken buiten zetten, dat moest toch lukken? Ze voelde zich belachelijk. Werd het niet tijd dat ze zich meer openstelde voor haar buren? “Wat nu?” “De waarheid vertellen! Al zal de jouwe wel wat anders zijn dan de mijne.” “Euhm, Herman, waarom heb jij klacht neergelegd?” “Ik heb die niet neergelegd. Hoezo? Jij ook niet?” “Neen. Maar wie dan wel?” “Jef!” riepen ze simultaan. Ze sprongen tegelijk op van hun stoel en stoven naar buiten. Die zogenaamde hulpbehoevende buurman. Dié had pas de hele dag niets te doen. Ze zouden hem wel eens een klusje geven.

Anemos
36 2

De eerste foto

Ik heb een foto waarop Myrtel voor de eerste keer haar zusje ziet in het ziekenhuis. Ze kan maar net over de rand kijken van het witte bedje op hoge poten. Iedereen vroeg me waarom ik niet die andere foto had uitvergroot. Die waarop ze trots en lachend voor de camera poseert met haar kleine zus in haar armen. Nee, geef mij die eerste maar. Die blik is veel echter, intenser. Je ziet haar veranderen. Van enig kind naar grote zus. Plots beseft ze dat er echt een baby in mama’s buik zat. Een levend wezentje. En dat ze zelf ook in die buik heeft gezeten. Dat ze echt zo klein is geweest als op de foto’s in háár babyboek. Ze legt een handje op de rand van het bed. Ze wil haar zusje aanraken, maar ze durft niet. Jana is zo broos en breekbaar, net een popje. Maar Jana ademt, ze is geen popje! ‘Wil je haar eens vastpakken?’, moedig ik haar aan. Ze knikt. Onze eeuwige babbelkous kan even geen woord uitbrengen, dus ze knikt met alles wat ze heeft. Het resultaat is te zien op foto twee. ‘Ik zal goed voor haar zorgen’, zegt ze. ‘Want vanaf nu ben ik haar grote zus.’ Zoveel toegewijdheid doet me als kersverse moeder bijna in tranen uitbarsten. Bijna, want een kinderbelofte is vaak oprecht gemaakt, maar nog vaker oprecht vergeten. En ik wil haar ook niet met te veel verantwoordelijkheid opzadelen. Dat is voor de grote mensen. Twee en een half jaar later zijn we weer in het ziekenhuis. Hun vader heeft een knie-operatie ondergaan en ze mogen mee op bezoek. Van eerbiedige stilte is er dit keer geen sprake. De patiënt ziet er immers niet broos en breekbaar uit, maar eerder komisch in het gestippelde ziekenhuishemd. ‘Papa draagt een meisjespyjama’, giechelt Myrtel. Jana is gewoon blij om haar papa te zien. Ik geef de kinderen een kleurboek en wijd mij aan de gelofte die ik ooit gedaan heb: ‘in ziekte en gezondheid’. Plots komt er een verpleegster binnen. ‘Waarmee kan ik helpen?’, vraagt ze vriendelijk. We kijken haar allebei verbaasd aan. Ze kijkt één tel even verbaasd terug en ziet dan de kinderen. ‘Hebben jullie misschien op het knopje gedrukt?’, vraagt ze, nog steeds even lief. Jana wijst fier knikkend naar het knopje. Jawel, mevrouw, als ik op mijn teentjes ga staan dan kan ik er al aan. ‘Excuseer’, stamel ik. ‘Ik heb niet goed opgelet. Het zal niet meer gebeuren,…’ Ik zet ondertussen een paar stappen in de richting van de kinderen, maar Myrtel is me voor. Ze springt tussen Jana en de verpleegster in. ‘Niet boos worden op mijn zusje, alsjeblieft’, zegt ze met smekende ogen. ‘Ze is nog klein en ze wist niet dat ze dat niet mocht.’ Ze neemt Jana’s handje vast. ‘Kom, we gaan terug kleuren.’ Lachend verdwijnt de verpleegster uit de kamer. En ik moet stiekem een traantje wegpinken. De belofte was gewoon oprecht. 

Abetje
6 0