Tranen van schuld.
Mijn naam is Rebecca. Van mijn schoonheid is weinig over gebleven, mijn huid lijkt wel van perkament, mijn ogen zijn nog slechts vinkenoogjes, mijn haar lijkt spierwit engelenhaar dat met kerstmis als versiering in de kerstboom wordt gehangen. Ik ben weduwe van Mendel Van Praag, die van uitputting overleed in het concentratiekamp van Bergen-Belsen op 15 februari 1945. Mendel was een zeer moeilijke man, nooit tevreden, altijd honger, vitten op alles en nog wat. We kregen één zoon, Wolf. Toen ik trouwde had ik vele hobby's, lezen, handwerken, potten bakken, koken, behalve het koken heb ik al mijn hobby's moeten opgeven, Mendel vond het allemaal tijdverspilling. Het koken heb ik zelf opgegeven, koken voor een man die nooit genoeg heeft, ik had er gewoon geen zin meer in. Ik heb altijd erg graag gestreken en heb daar enigszins mijn beroep van gemaakt, ik streek voor vele gezinnen aan 2 frank per mand, dat was mijn financiële bijdrage in ons ongelukkige leven. Mendel heeft altijd in een drukkerij gewerkt en van zijn inkomen was het mogelijk om rond te komen. Ik heb de tweede wereldoorlog meegemaakt. Ik draag een vreselijk geheim met me mee. We leefden al twee jaar ondergedoken in het huis van Zelig en Sara Polak en hun kinderen Feige en Henda. Op zekere nacht at Mendel het laatste brood op dat bestemd was voor de kinderen. Sara werd razend en wilde hem aan de deur zetten. Nooit had die man genoeg, eten, eten en nog eens eten. Hij vatte het ongelukkige idee op mijn bontjas, nog een geschenk van mijn vader, te verkopen in ruil voor eten. Ik huilde, ik smeekte, doch zijn besluit stond vast. Ruw rukte hij mij de bontjas uit de handen, ik viel en smeekte nog een laatste keer. Zelig, Sara, Wolf, Feige en Henda probeerden hem op andere gedachten te brengen, niets hielp. Dagen aan één stuk huilde ik, ik sprak niet meer, at niet meer wat niet moeilijk was want de voedselvoorraad was schaars geworden. Ik voelde een stekende haat tegenover Mendel en berekende hoe ik mijn haat kon omzetten in daden.Ik kon het niet laten, ik moest en zou wraak nemen op deze hatelijke man, Mendel, die toen we net getrouwd waren zelfs mijn kater Bobby verkocht omdat volgens hem Bobby teveel eten nodig had. Op een dinsdag was het zo ver, Mendel was weer tegen me tekeer gegaan, had me zelfs een duw gegeven en ik besliste om mijn sinistere plan uit te voeren. Ik had een briefje geschreven dat via via bij de gestapo terecht zou komen. In dat briefje verraadde ik Mendel. Via Mies, een vrouw die ons nu en dan wat eten bracht en niet erg snugger was, raakte mijn verraad buiten. Drie dagen later werd er op de deur gebonkt, Zelig opende de deur, bleek van angst. Vier stoere soldaten vielen binnen, ze schreeuwden en iedereen moest mee, ook Wolf, mijn zoon namen ze mee. Ik smeekte om Wolf bij mij te laten, maar ruw duwden ze mij in een hoek. "Jij kunt blijven en gaan en staan waar je wilt" schreewde de grootste tegen mij, "maar vergeet nooit dat je niet meer bent dan een ordinaire verraadster". Ja, hij had gelijk, ik was een vuile verraadster, door mijn schuld ging mijn zoon een gewisse dood tegemoet. Wolf, Zelig, Mendel, Sara, Feige en Henda, allen stierven in het concentratiekamp van Bergen-Belsen door uitputting. Ik heb mijn leven verder gezet, overladen door gevoelens van schuld, ik heb mij afgezonderd, te beschaamd was en ben ik om ooit nog in mensenogen te kijken.Ach, wat drukt dit vreselijke geheim toch hard op me.Ik ween niet, toch zijn mijn wangen steeds nat van de tranen, tranen die uit mijn hart komen, tranen van schuld.