Lezen

Goud

De rolstoel lag er verlaten bij.   Het verweerde kunstleer van het door vele konten doorgezeten zitvlak vertoonde oude barsten. De rugleuning, een verse scheur. In de rafels hingen de nog lauwe sporen van de zopas hevig gewoede strijd. De restanten van de verloren energie, van het eindeloze rennen door de al even eindeloze gangen, hadden hem nog niet verlaten. De kleine wieltjes trilden na. Het grote achterwiel – net nog moeizaam langs de stugge vloeren, nu bevreemdend, als een ufo priemend in de lucht – wentelde rond. In cadans met dat afschuwelijke, dat onophoudelijke gepiep. Een waarschuwing, een alarm. Als van een stervend dier. Alsof het ding haar zei: ‘Weg nu hier!’.   Niet alleen de rolstoel was verlaten. Ook de ruimte zelf was leeg. Na het dolle kluwen van daarnet, was ze nu helemaal alleen. Haar hart bonsde in haar keel. In het ritme van het wiel dat draaide. Of was het omgekeerd? Ze bleef staan en kneep haar ogen dicht. Net zolang totdat de stilte opnieuw luider werd dan het geluid.   Pas wanneer haar hart terug op zijn plaats zat – daar waar het hoort, in het midden van haar borst - en het piepen was gestopt – was het dier gestorven? – durfde ze te kijken. De rolstoel lag nog steeds verlaten. Vergeten in de chaos van de strijd. Niet alleen de stoel, ook de ruimte zelf had afgezien. De sporen waren overal. Op de groene randen van de muren, op die tegendraadse vloer van goud. Precies van waar ze stond, op de deuren zonder klinken, langs de gevolgde route op de grond.   Het was geen droom. Zelfs geen boze. Ook al wenste ze nog zo hard van wel. De bruine vegen om en rond vormden de kruimels in haar bos. Voetje voor voetje sloop ze dichter. Met haar kleine kinderhand vlak onder de besmeurde groene rand. De kruimels liet ze zo. Eerst werd alles meer, meer rood, meer geel, meer groen. In het bijzonder in en rond de stoel. Meer klieders en meer vuiligheid, meer van alles en nog wat door elkaar. Tot het spoor plots stopte en er niets meer was. Geen vlek, geen spetter, zelfs geen veeg.   Ook het wiel bewoog niet meer. De stoel was doodgebloed, zo leek het wel. Ze gaf de rubberband een duwtje. Hij trilde, twijfelde, tolde even, en viel weer stil. Hij piepte niet langer als een stervend dier. Was ze te laat? Ze nam de leuning vast. Ze trok uit alle macht. De nieuwe rafels schreeuwden. Ze trok harder. De rafels schreeuwden luider. Ze trok nog harder. Hij moest eraan. Ze moest hem horen janken. Net zoals ook mama net nog had gedaan.   Ze schreeuwde nu zelf ook. Net zo luid als die stomme stoel. Ze schreeuwde en ze huilde tot ze bijna doodging en de deuren openvlogen. Plots was ze niet meer alleen. Plots waren er heel veel armen om haar heen. En ook, bijna meteen, de warme stem van papa.   ‘Proficiat zusje, je hebt een broer!’

Bregtje Van Bockstaele
1 0

meer

Dag Leona,   Ik hou van enige vaagheid. Is je dat al opgevallen in mijn schrijfsels ? Het heeft te maken met een voorliefde voor witruimte, het impliciete. Vrij spel voor de verbeelding. Ook op foto’s kan ik een grote portie flou wel waarderen. Denk aan de foto’s van Koen Broos of Saul Leiter. Deze foto is echter kristalhelder. Zo helder als het water dat meer dan de helft van de foto beslaat. Twee personen aan de uitlopers van een gigantisch meer. Op de achtergrond dennenbossen en lage bergen. En een strakblauwe lucht. Zowel de plek als het gezelschap betekenen veel voor mij. Laat mij beginnen met de plek – dit geeft in één beweging ook een link naar de sneeuwstorm van mijn eerste brief. Mijn hart ligt op verschillende plaatsen in deze wereld. De talloze uitgestrekte meren van Canada staan onmiskenbaar in mijn top 3. Mijn vriend en ik hebben twee jaren gewoond in Montreal, een onbezorgd pre-kinderen-tijdperk. We ontdekten een verborgen passie: kanovaren. Er volgde een reeks oeverloze kano-ervaringen in grootse landschappen ver weg van drukte en snelheid. Op de foto sta ik, nonchalant gelukkig met sandalen in het lage water. Een paar meter verder een lachende vriendin Jo, ook met haar voeten in het water. We lopen richting kano, een tikkeltje uitgelaten, blij met wat er is. Jo en ik kennen elkaar van toen we net geen tien waren.  Het jaar erop werden we bloedzussen voor het leven. We waren halve jongens die het liefst boomhutten bouwden. Ik voelde me later terug meer een meisje.  Jo bleef wat schipperen tussen de twee.  En net die dag vieren we ons twintig jaar jubileum, het is op de kop af 1 september 2005. We springen een paar keer in het meer om onze vriendschap te bezegelen.  Een memorabele dag met deze heldere foto als sprankelende herinnering.     Groeten,   Winny     Ps deze paasvakantie zijn we met ons hele gezin naar Canada gevlogen. Een prachtige vakantie met vele ontmoetingen en een paar meren in het vizier. Heftige sneeuwstormen gooiden op het einde roet in ons eten, ons vertrek werd met meer dan één etmaal uitgesteld. En die vertraging blijft precies doorsijpelen in ons dagdagelijks leven.

Yuko
0 0

De Duffe Droomster

Dag Lus, Weet je, ik ben een slechte slaper maar een geweldige dromer. In wakkere toestand heb ik een – al te – levendige fantasie, in dromenland doorbreek ik alle grenzen. Mijn strafste droom ooit was een stripverhaal van Suske en Wiske. Ik droomde echt in vakjes, van prentje naar prentje tot en met de afscheidsknipoog van Wiske. Daarna werd ik wakker. Het was een volledig nieuw verhaal, jammer genoeg heb ik het niet onthouden, een Duffe Droomster ben ik. Vroeger vertelde ik mijn gekke dromen aan mijn lief, maar daar ben ik mee gestopt. Naarmate onze relatie vorderde maakte zijn geamuseerdheid plaats voor lichte twijfel, ik zag het in zijn ogen. En mijn fantasie sloeg toen op hol: ik zag al een no-nonsense rechter opdoemen die me onmiddellijk liet colloqueren plus me een levenslang contactverbod met mijn kinderen oplegde. Weet je wat ik ook bizar vind? Soms droom ik dat ik in Mexico ben, niet onlogisch door mijn verknochtheid aan  dat land maar ik loop daar heel – hoe zal ik zeggen -  ‘gedetailleerd’ rond in de straten, net of ik er echt ben. Na zo’n droom ontwaak ik altijd doodmoe. Ik heb al eens op het punt gestaan om mijn huisdokter te vragen of je geest kan reizen maar ook hier zweeg ik wijselijk – wie ligt aan de basis van een collocatie, denk je? Ik kan me niet voorstellen dat anderen ook zo’n gekke dromen hebben als ik. Hele verhalen zijn het, met fascinerende personages, spitse dialogen en een strakgespannen spanningsboog. Helaas, ik onthou er maar een fractie van. Bedenk je eens welk een oeuvre ik al bijeen gepend zou hebben! Slapend rijk worden noemen ze dat. Ter mijner verdediging – al dan niet ten opzichte van kritische rechters – kan ik opwerpen dat ik ook ‘normale’ dromen heb. Je kent ze vast wel: tanden die uitvallen, op het punt staan in een afgrond te donderen, diploma’s die toch niet zijn behaald, … Weet je wat echt maf is? Ik ben wellicht weer de enige die dit meemaakt, maar aan jou durf ik het bekennen. Sommige van mijn ‘angstdromen’ evolueren, en niet ten goede. Die droom dat ik blijkbaar mijn universitaire studies moet overdoen – klamme handjes – waarvan ik een dag op voorhand word verwittigd - paniek! - speelt zich in het heden af. Dus ik zit niet meer op kot in Leuven maar in Gent met 3 kinderen in een huis dat nog maar half is afbetaald. Aaargh! Zou je je eigenlijk ook vrijwillig kunnen laten colloqueren? Groetjes, Tine

Ambrozijn
0 0

Tranen van schuld.

Mijn naam is Rebecca. Van mijn schoonheid is weinig over gebleven, mijn huid lijkt wel van perkament, mijn ogen zijn nog slechts vinkenoogjes, mijn haar lijkt spierwit engelenhaar dat met kerstmis als versiering in de kerstboom wordt gehangen. Ik ben weduwe van Mendel Van Praag, die van uitputting overleed in het concentratiekamp van Bergen-Belsen op 15 februari 1945. Mendel was een zeer moeilijke man, nooit tevreden, altijd honger, vitten op alles en nog wat. We kregen één zoon, Wolf. Toen ik trouwde had ik vele hobby's, lezen, handwerken, potten bakken, koken, behalve het koken heb ik al mijn hobby's moeten opgeven, Mendel vond het allemaal tijdverspilling. Het koken heb ik zelf opgegeven, koken voor een man die nooit genoeg heeft, ik had er gewoon geen zin meer in. Ik heb altijd erg graag gestreken en heb daar enigszins mijn beroep van gemaakt, ik streek voor vele gezinnen aan 2 frank per mand, dat was mijn financiële bijdrage in ons ongelukkige leven. Mendel heeft altijd in een drukkerij gewerkt en van zijn inkomen was het mogelijk om rond te komen. Ik heb de tweede wereldoorlog meegemaakt. Ik draag een vreselijk geheim met me mee. We leefden al twee jaar ondergedoken in het huis van Zelig en Sara Polak en hun kinderen Feige en Henda. Op zekere nacht at Mendel het laatste brood op dat bestemd was voor de kinderen. Sara werd razend en wilde hem aan de deur zetten. Nooit had die man genoeg, eten, eten en nog eens eten. Hij vatte het ongelukkige idee op mijn bontjas, nog een geschenk van mijn vader, te verkopen in ruil voor eten. Ik huilde, ik smeekte, doch zijn besluit stond vast. Ruw rukte hij mij de bontjas uit de handen, ik viel en smeekte nog een laatste keer. Zelig, Sara, Wolf, Feige en Henda probeerden hem op andere gedachten te brengen, niets hielp. Dagen aan één stuk huilde ik, ik sprak niet meer, at niet meer wat niet moeilijk was want de voedselvoorraad was schaars geworden. Ik voelde een stekende haat tegenover Mendel en berekende hoe ik mijn haat kon omzetten in daden.Ik kon het niet laten, ik moest en zou wraak nemen op deze hatelijke man, Mendel, die toen we net getrouwd waren zelfs mijn kater Bobby verkocht omdat volgens hem Bobby teveel eten nodig had. Op een dinsdag was het zo ver, Mendel was weer tegen me tekeer gegaan, had me zelfs een duw gegeven en ik besliste om mijn sinistere plan uit te voeren. Ik had een briefje geschreven dat via via bij de gestapo terecht zou komen. In dat briefje verraadde ik Mendel. Via Mies, een vrouw die ons nu en dan wat eten bracht en niet erg snugger was, raakte mijn verraad buiten. Drie dagen later werd er op de deur gebonkt, Zelig opende de deur, bleek van angst. Vier stoere soldaten vielen binnen, ze schreeuwden en iedereen moest mee, ook Wolf, mijn zoon namen ze mee. Ik smeekte om Wolf bij mij te laten, maar ruw duwden ze mij in een hoek. "Jij kunt blijven en gaan en staan waar je wilt" schreewde de grootste tegen mij, "maar vergeet nooit dat je niet meer bent dan een ordinaire verraadster". Ja, hij had gelijk, ik was een vuile verraadster, door mijn schuld ging mijn zoon een gewisse dood tegemoet. Wolf, Zelig, Mendel, Sara, Feige en Henda, allen stierven in het concentratiekamp van Bergen-Belsen door uitputting. Ik heb mijn leven verder gezet, overladen door gevoelens van schuld, ik heb mij afgezonderd, te beschaamd was en ben ik om ooit nog in mensenogen te kijken.Ach, wat drukt dit vreselijke geheim toch hard op me.Ik ween niet, toch zijn mijn wangen steeds nat van de tranen, tranen die uit mijn hart komen, tranen van schuld.  

Annie Van Beylen
0 0

Foto Jos

Beste Jos, Dat was me een dag, die 22ste maart van het jaar 1961. Jij ligt te schreeuwen en te spartelen in de armen van je moeder, die goed gecoiffeerd en schijnbaar sereen in het kraambed zit. Daarrond veertien mensen die al eens geboren zijn. Voor jou is het de eerste keer. Iemand van het gezelschap is onzichtbaar, de fotograaf, jouw vader, die dit moment heeft vastgelegd. Allemaal staan we er helemaal op zoals we zijn en zullen worden. Van jou is niet veel meer te zien dan een rood aangelopen kopje, hoewel in zwart-wit, en je twee onderbenen en voetjes die afstekend tegen het witte laken lijken als grillige gemberstronkjes. Naast jou op het bed gezeten zus Rozemie, altijd prompt en aanwezig, aan de andere zijde jouw broer Luc, wegkijkend in een verte die niemand ooit heeft betreden. Aan het voeteneind zit neefje Maarten, één jaar oud, in het wit met witte kruin rugwaarts tegen de spijlen van het bed. Hij lijkt een gevangen geest en staat helemaal alleen, niemand ziet hem. Weet hij al dat hij door zijn teleurgestelde vader zal vernederd en mishandeld worden, om zo uit te groeien tot een man die van zijn leven een puinhoop maakt? Zijn oudere, onhandelbare zus Christa beperkt zich in de foto gelukkig tot de achterzijde van haar hoofd met het haar in het midden gescheiden en uitlopend in twee staartjes, die kinderlijke onschuld veinzen. Zij kijkt op naar Tante Suzanne die zich welwillend doch met lichte ergernis naar haar toe neigt. Suzanne is de jongste zus van Henriette die verwonderd naar haar boreling blijft staren zoals de moeder maagd naar haar Heiland. Centraal op de foto, recht in de lens kijkend, de ouders van de fotograaf. Zij lijken uit een ander universum gesneden en tonen zich fier en tevreden over hun vers geboren kleinzoon. Ik ken hun namen niet. Zij draagt een zondagse jurk en een witte halsketting en glimlacht breed; haar gepermanente kapsel verraadt enige weerspannigheid. Links van haar de echtgenoot, kaarsrecht en toevallig of niet, de enige persoon die tegen een donker vlak staat, een deur wellicht, terwijl de muren en gordijnen hel hospitaalwit zijn. Zijn kale kop steekt zo fel af en hij lijkt met gevouwen handen in zijn doodskist te liggen. Elk begin is altijd verweven met de eindigheid der dingen. Helemaal rechts op de foto een vreemd vertrouwd trio. Mijn moeder, met een pose als van een filmster, en met een gezicht dat staat op voorzichtige, plaatsvervangende blijdschap, of toch eerder iets van vermoeide afwezigheid. Op haar linkerschouder de klauw van haar schoonbroer Nonkel Jacques, de gefortuneerde, hard werkende huistiran, met zijn vrouw als een trofee op zijn schoot. Simonne, moeder van Maarten en Christa, kijkt ook in de lens, maar met een lijzige blik en de handen kuis over de schoot geslagen. Het zal niet baten. Zij zal nog driemaal moeten werpen en meelijwekkend ten onder gaan aan haar vermoeiende kroost. En helemaal achteraan staat mijn vader, zwijgend want zijn laatste acht levensjaren ingegaan. Hij draagt mij op zijn linkerarm, zijn hand met zegelring omvat mijn linkerknietje. Ondanks mijn prille 11 maanden en mijn weinig flaterend opgebolde kleedje kijk ik met priemende oogjes recht diagonaal naar de overkant van de foto en wijs ik met mijn wijsvingertje nadrukkelijk naar jou, klein mensje Jos. Het is alsof ik toen al besefte: “met dat daar ga ik wel goed overeen komen.”

Geert Moons
0 0

Een beeld zegt meer dan woorden - of toch niet?

Allerbeste Jasmien,   Ik kan niet anders dan toegeven, de opdracht lukt mij maar niet. Ik ben dan ook geen schrijver, dat is de gedachte die steeds weer door mijn hoofd maalt. Gedachten kunnen heel sterk zijn, allesbepalend zelf.  Ze dwingen mij ertoe om iemand te zijn die ik niet wil, of omgekeerd. Ze zorgen ervoor dat ik zaken niet onderneem, of juist omgekeerd. Gedachten zorgen ervoor dat ik in mijn bed kruip en de donkerte opzoek. Ik heb me ertegen verzet. Ik vertel je op welke manier.   Ik heb mijn laptop onder de arm genomen en naar een nabijgelegend café gestapt. Niet zomaar een café. Het Posthotel - ik heb het even voor jou opgezocht - het bestaat sinds 1887. Hier moet het lukken toch? Ik vertel je er nog meer over. Het interieur is een beschermd monument in Vlaamse renaissancestijl. Door wie wordt het beschermd? die gedachte komt in mij op maar laat ik voorbij gaan. Ik laat me niet vangen, niet hier. Niet nu. Mijn brief, de derde opdracht, zal nu tot stand komen. Ik zoom toch nog even in hoe het café eruitziet: monumentale deuren, zwaar geprofileerde kroonlijsten en typische versieringsmotieven zoals ionische zuiltjes, consoles, rozetten en gecanneleerde pilasters aan de originele eikenhouten tapkast en lambrisering. Boven de lambrisering zijn de overblijvende wanden bekleed met beschilderde doeken waarop drinktaferelen in een landelijk kader staan afgebeeld. De bruegeliaanse scènes worden geïllustreerd met oude Vlaamse spreuken, zoals "Noord, Oost, Suid, West, in 't Bierhuis best" of "Drinckt, Schinckt, die wat eet en wat laet staen, kan tweemaal aan tafel gaen." En nu is het weer aan mij. Ik heb me geïnstalleerd in een hoek met zicht op de toog. Een vertrouwd plekje. Dat betekent dat ik hier wel eens beland, alleen of met vrienden. Ik zat hier ook tijdens de opnames van Schellebelle 1919 - Een dorp maakt een film - Misschien heb je er wel van gehoord? Of zag je de film op tv? Het Posthotel was één van de vele decors. Een ander decor was midden in een veld.  En dat valt dan weer samen met de fotocollage die ik opdiepte.  Een puzzel van beelden die mij doen terugdenken aan de zomer van 2010. Loopgraven, ze werden tot stand gebracht door een graafmachine en sterke mannenhanden. Zandzakjes, oneindig veel zandzakjes werden gevuld en tot muur gemetseld. Zoals in het echt. De soldaat, een re-enactor, houdt van het realistich opgezet decor. Zijn uniform is conform de geschiedenis. Mijn neefje van 6 is er ook bij. Hij staat bovenop een berg aarde. Een plank over de gracht en hij maakt de oversteek met zijn Spidermanlaarsjes. Voor hem is dit een speeltuin. Onwetend over de plek waar het toe dient.    De film werd grijsgedraaid door Pepijn.   De gedachte van het begin heb ik weerwerk geboden, mijn opdracht lijkt me klaar om door te sturen. Vooraleer ik daaraan begin te twijfelen, sluit ik af. Op naar de volgende opdracht. Mijn pint staat klaar, dat heb ik nu wele verdiend.    Bedankt om mij te lezen. Ik heb het beste eruit gehaald wat er in zat. Graag tot de volgende ..   Katrijn          

Trijn
1 0

Kakbruine bottekes

Kakbruine bottekes Op een dag wil ma naar de stad. In de stad is het druk. Alles toetert en schettert. Ma vindt winkels leuk. Ze fleurt helemaal op in de stad. In een schoenwinkel moet ik laarsjes passen. Ze knellen allemaal. Ze zijn te klein! De mevrouw van de winkel knijpt in de tip van de schoen. Weet ze dan niet dat ze ook in mijn teen knijpt? ‘Deze passen heel goed!’ zegt de mevrouw tegen ma. Hoe kan zij dat nu weten, vraag ik me af. Heeft zij die schoenen al eens gepast? Weet zij wel hoe ze in je tenen en enkels bijten? En kijk eens naar die kleur! Geen gele of groene of rode laarsjes, maar enkel zwarte en bruine. Bruin vind ik vies. Het is de kleur van kaka. Kakbruine bottekes!!! Ze gaan dicht met veters, die passen achter scherpe haakjes. Ik wil helemaal geen laarsjes. ‘Het wordt winter’ zegt ma. ‘Je moet net als alle andere kinderen van je klas bottekes hebben.’ Waarom moet ik altijd alles doen, zoals de andere kinderen? Ik begrijp het niet. Ik ben ik. Ik ben niet zoals die andere kinderen. Ik vind die kinderen zelfs niet leuk. En ik vind die bottekes al helemaal niet mooi. Ik moet ze dragen voor school en dat maakt ze nog lelijker. School is vervelend. Ik moet iets verzinnen, want die botten moeten voor altijd de vuilbak in. De eerste dag dat ik ze moet dragen gaan ze eraan. Dat is mijn plan. De winter komt maar heel langzaam. De herfst is zacht, maar dan komen regen en sneeuw. De bottekes lagen te wachten in hun doos. Nu moeten ze eruit. Ik zeg niets. Ik trek zelfs geen vies gezicht. Ik kijk niet eens naar de kakbruine bottekes. Wacht maar, denk ik. Ze knellen nog altijd. Ma brengt mij zoals altijd met de fiets naar school. Ik zit achteraan op de fiets van ma. Daar moet het gebeuren. Ma heeft flink de wind in de rug. We zijn bijna aan de school. Nu of nooit! denk ik en ik sluit mijn ogen. Ik steek mijn beide voeten tegelijk tussen de spaken van het achterwiel. Nog nooit is ma zo snel gestopt. Ze kan zich nog net recht houden. Ma is niet blij. Ze is razend. En mijn bottekes? Die zijn alleen maar een heel klein beetje geschaafd. Mijn voeten doen pijn, maar dat is niet erg. Ik kan niet goed lopen en dat is ook niet erg. Tranen komen niet. Die dag kan ik niet meer naar school. Ik moet in de hoek. ‘Voor straf! En durf er niet uit te komen!’ zegt ma streng. ‘Weet jij hoeveel ik voor die bottekes betaald heb?’ wil ze weten. Ik zeg niets. ‘Wat zal pa hiervan zeggen?’ vraagt ze. Tja, wat zal pa hiervan zeggen ? De hele dag zit ik in de hoek. ‘Draai je gezicht naar de muur’ bromt ma af en toe. Ik hou van die hoek. Hij is veel beter dan de school. In mijn hoek is het rustig en ik kan er dromen. Daar kan ik verhalen vertellen, zonder te spreken. Verhalen zitten in mijn hoofd. Niemand kan ze pakken. Ze zijn van mij en van mij alleen.

Diane De Keyzer
8 0

Uncle Peter

Antwerpen, 24 april 2018.   Dearest Peter,   Waar jij nu bent, stuur je me nooit meer brieven? Hebben ze daar wel een mailbox, of misschien nog een ouderwetse brievenbus om je woorden in te posten?  Zo’n rode Britse postbox, waaraan jij kon zien, onder welke koning ze al had gediend. Jij kwam voor het eerst naar België gevlogen van over het Kanaal en zo maakte je kennis met mij en met de twee kinderen op die zomerse foto. Die twee blonde kinderen zijn de mijne niet, maar zo lijkt het niet. De zon schijnt in de lens en over de bloemen achter hen. De tuin zoekt en vindt de lente. Het was ook nog voorjaar, toen in onze gezichten. Op de voorgrond op de tafel een taart met kaarsjes, dus moet het mei zijn en de verjaardag van Louis. Met bolle wangen worden 11 kaarsjes uitgeblazen en ook jouw wangen doen mee. Jij was uncle Peter voor Lotte en Louis en ietwat exotisch, ook al zag je er bijna Belgisch uit. Je sprak Engels met een vaag Welsh accent, maar dat konden zij niet weten. Hun Engels was immers nog zeer pril in die tijd. Jij was de man die op vijf balkjes streepjes en nootjes tekende en dat was muziek. Een componist was je en dat hadden ze nog nooit gezien. Hoe muziek kwam uit een blad met balkjes, ook dat was pas een wonder. Als er te feesten viel in onze familie, was je er altijd bij. Een paar jaar deelde je in het lot van een echte familie. Je zag wel en wee en je deed mee. Met handen en voeten praatte je met wie geen Engels sprak. Anders plooide je mond zich gewoon tot een brede lach, die alle talen mag. Je hield van Leuven en van het Belgische bier, dat je dronk als was het Engelse Ale. ‘Een Weschtmalle, aschteblieft’ kreeg bij de vrienden de status van gevleugelde uitspraak. En zelfs na de vijfde trappist op rij, liep je nog niet naast de witte lijn. Je had een hart van fruitcake en het was veel te groot. Het klopte veel te hard. Op een dag in oktober stopte het plots, daar op die trap in Wales in dat oude huis dat twee oorlogen had gezien. Daar verloor jij jouw oorlog zonder ooit te vechten. Je was heel alleen en niemand vocht mee of tegen. Geen brief, gepost in zo’n rode Britse postbox, die het nieuws bracht. Zwart op wit een bericht in mijn mailbox, maakte een einde aan uncle Peter en zoveel meer.   Di.

Diane De Keyzer
0 0

Beste P.

Beste P., Ik zou er een heel jaar van mijn eigen leven voor geven, om nog één keer een gewoon gesprek met jou te proeven. Je was een man van weinig woorden, maar niet voor mij. Je had altijd wel iets te vertellen en ook al zeiden je woorden niet altijd wat ze wilden zeggen, toch begreep ik altijd wel heel precies wat je niet zei. Je was meer een man van doen, toen. Hout was voor jou goud en in een plank en nog een plank legde je je grote hart. Je ademde hout. Een kast, een tafeltje, een pennendoos ze vertelden door jouw handen, hoe graag jij kon zien. Maar niet iedereen begreep jouw taal en wou het met vele woorden horen. Ik niet. Ik was altijd al heel blij dat jij mijn P. was. En toen in die zomer de oorlog woedde in jouw kop, toen viel je echt zonder woorden. Een heel leven niet gezegd, wat je wilde zeggen en nu is spreken helemaal opgehouden. Maar voor mij maakt het niet eens zoveel verschil. Jij bent immers nog altijd mijn P. met ogen die spreken en handen die woordeloos onderstrepen. Liefs     Allerbeste P., Weet je nog hoe we samen fietsten. Ik achterop, schuilend achter jouw brede rug. Uit de wind. Je zette mij immers altijd uit de wind. Dokkerend over de kasseien naar oma. Veel lijfelijks hadden we niet. Maar daar achter op die fiets, genoot ik van jouw geur: een mengeling van houtkrullen en schaafsel. Zo ruikt geborgenheid en veiligheid en weten dat er iemand sterk, er altijd voor je is. Fiets is weg, oma ook en jij loopt nu met vier wielen. Alleen je linkerhand knijpt nog alsof ze dertig is. Ze zegt, wat jij niet meer kan zeggen. Ze zegt: ‘Ik ben er nog … vergeet dat niet! Ik zeg het niet, maar weet het wel! ’ Hartelijks,   Mijn lieve P., Al had ik kunnen kiezen uit wel duizenden P.’s, nooit had ik er een betere bij elkaar kunnen dromen. Waar ik het verdiende net jou te krijgen ? Nog voor jij mij zag, wilde jij mijn P. zijn en dat zal ik nooit vergeten. Als een sterke, rechte boom ging je door het leven. Je leek niet één boom, maar een hele bomenrij. Het leven had jou geleerd, dat je niet kan schuilen achter maar één boom. Jij stond altijd al in de wind en voor je kinderen wilde je de luwte, om mooi door te groeien. Daarom besloot je dat je een bomenrij zou zijn. Machtige stammen beschermend tegen beukende westenwinden, een bladerdak tegen al te felle zon . Ik weet nog niet half hoe bloot ik zal zijn, als jouw bomenrij ooit wordt geveld.   Heel veel liefs,  

Diane De Keyzer
0 0

I had a dream...

Een heilige 3vuldigheid van dromen.   1. “I had a dream...” zei Martin Luther King in zijn historische speech. Hij wou, vrij geïnterpreteerd, het leven meer kleur geven en hand in hand lopen met onbekenden. Ik kroon mijzelf tot droomkoningin en reis met mijn teletijdmachine naar een kleurrijke nachtmerrie uit het verleden. Ik grijp zenuwachtig naar mijn gsm. Natuurlijk: “Dit is het antwoordapparaat van Mary Poppins. Ik ben er even op uitgevlogen met mijn paraplu. Sorry, geen tijd om uw kinderen op te halen.” Lap, buiten begint het te regenen en die sprookjesachtige kinderoppas leende mij haar paraplu niet, dus ik word straks nat als ik uit de trein stap. Ik ga te laat zijn aan de schoolpoort en de boze juf zal mij een lesje leren door mijn kindjes in het griezelsprookjesbos achter te laten. Die trage treinen zou ik het liefst naar de maan wensen. Maar hé, wat is dat, opeens komt er een raket aangevlogen. E.T., die mijn noodkreet heeft gehoord, stapt uit en nodigt mij uit voor een ritje. Tja, als je soms mikt op de maan, kan je toch nog tussen de sterren vallen. Met mijn nieuwe sterrenstatus slaag ik er nog net in om de strijd van de schoolbel te winnen. Geen dring. Niet meer dringend. Ik voel mij de koningin te rijk. Ik kan hand in hand wandelen met mijn prinsesjes. Vrede op aarde. Martin Luther King zwaait nog even naar mij vanop zijn hemelwolk. De regenboog verschijnt. Ja Mr. King, de wereld wordt toch nog kleurrijk.   2. Hiphop muziek en hup naar die sportles. Huppelend in de Zumba zet ik letterlijk en figuurlijk mijn beste beentje voor, maar al vlug vlieg ik bijna de deur uit door uit te glijden over het net iets te glanzende parket. Och ja, was “break a leg” geen uitspraak die geluk bracht? Ik wist wel dat ik die ochtend met het verkeerde been uit bed was gestapt. Na een doktersbezoekje krijg ik krukken mee, zodat ik weet wat “zich als een houten krik bewegen” betekent. Van hiphop naar sip met flop zal een excuus zijn om dapper “rapper” te worden op rapmuziek. Yeh! Power 2 move, to get in2 the groove. Niemand gaat daar een stokje voor steken. Die dansleraar mag een toontje lager zingen en ik heb door dat ongeluk een stok achter de deur om privéles te krijgen. Bam! Ben ik uit bed gedonderd of van mijn stokje gevallen? Droom stuk. Van mijn stuk. Ik ben de dans ontsprongen. Oef. Ik houd van zwemmen en voel mij als een vis in het water – geen benen voor nodig. Tja, toch nog een droomverhaal met een staartje.   3. Piep! Alles in ’t geniep. Hé, ’t is donker. Pikzwart. Ik zal in een zwart gat gevallen zijn. Ik kan dus helemaal niets zien. Pech, dit wordt dus een kortverhaal over een n8merrie die mij vanz11sprekend niet zo ge9 is. Een volgende keer zal ik dagdromen – dat zal wat meer licht op de zaak werpen. Als dat hier zwart op wit staat komt er misschien wel wat van. Zwart is apart. Verblind, lezer niet goed gezind. Groetjes van grijze wijze muis, die graag katjes in het donker knijpt om er geen kater aan over te houden.   3-2-1-tijd om wakker te schieten voor een droomdag – 3werf hoera.

Leona
0 0

De vervelende kever

Na een periode zonder vakantie, eindelijk nog eens tijd voor elkaar. We zouden gaan fietsen. De bestemming stond nog niet vast. Fietsen op het bagagerek, neus in de wind en we zien wel waar we uitkomen.   ‘Stop’ roep ik uit alle macht.   ‘Ik heb een idyllisch plekje gevonden en wil dat we hier starten.’   Met mijn voeten nog maar net op de pedalen, hoor ik boven me een zoemend geluid. ‘Een bij of een hommel wellicht’ zegt mijn man die mijn onrust opmerkt. ‘Dat is normaal bij deze temperaturen en voorjaarsbloesems.’   Je zou zulk een insect vervelend of enerverend kunnen noemen, maar het geluid van dit exemplaar tartte mijn verbeelding. Het leek geen gewoon insect, maar een individu dat menselijke vormen had aangenomen. Een insect heeft zes poten en dit exemplaar had er maar vier. Bovendien draaiden deze alle richtingen uit.   Ik had er genoeg van. De oranjegloed van het ochtendgloren maakte stilaan plaats voor een blauwe hemel, bedekt met hier en daar een schapenwolkje.  Onze wielen wentelden in snel om hun as, het tempo zat er duidelijk in.   Op de achtergrond snorde wederom dat stukje ongedierte. Ik keek achterom en smakte bijna tegen een boom. Bruusk draaide ik mijn stuur om, zodat ik alle aandacht nodig had om mijn evenwicht terug te vinden. Dat onding met zijn mottig gepantserde lijf was nu op ooghoogte. Zijn ogen keerden alle richtingen uit met een geluid van het bijstellen van een motor.   In paniek zwaaide ik met mijn armen alle richtingen uit. Het beest smakte op de grond en bleef achter, tollend op zijn rug. Twee poten hadden de strijd niet overleefd en lagen als een uitéén getrokken pop, naast het trillende lichaam. Ik knielde naast het slachtoffer neer en zag dat het geen dier was, maar een drone in de vorm van een kever.

Elise Legrande
0 0

Droombrief .

                                                                                                  Dorp , 28 april , 2018   Hallo Leonie , Onze correspondentie komt wat laat op gang , dus dit is de eerste keer dat ik me echt tot je richt. Je mag meteen al met me mee dromen. Sommige nachten slaap ik veel té onrustig en té  weinig om me de luxe van een droom te kunnen permitteren . Deze week heb ik toch enkele droombeelden kunnen vangen.   Met mijn volwassen zoon wandel ik door een kronkelende straat  op zoek naar een strand. We lopen over kasseien die plotseling als pianotoetsen  op en neer  gaan en een kakafonie aan klanken  produceren. We bellen aan een huis  en een nijdig oud vrouwtje komt uit haar kleurige voordeur en vloekt tegen ons in een vreemde taal. We stappen verschrikt achteruit en botsen tegen een reuzengrote ananas. Als ik wat beter kijk zie ik aan een gleuf in de bovenkant dat het een brievenbus is. Het vrouwtje bekogeld ons van uit de lucht met knalgroene appels en overrijpe bananen . Plots hang ik in een luchtballon die de vorm heeft van Big Ben . Hij slingert vervaarlijk heen en weer en ik word misselijk . Vervolgens sta ik op een overvolle tram in het centrum van een drukke stad. Mijn oorbellen rinkelen als een xylofoon . Aan de volgende halte wring ik mij uit de tram en vlieg met een bezem  weg.   Dromen doe ik graag. Dan weet ik dat mijn creatieve brein zich aan het opladen is. Een noodzaak als schrijven je ding is . Vele groetjes en tot gauw , Myriam

Myriam
26 0

Verslag en structuurplan – Veerle Schaltin (opdracht 7)

-Ik wil voor samenhang in het verhaal zorgen door in de losse scènes telkens hetzelfde thema aan bod te laten komen: zichtbaar en onzichtbaar zijn. Daarbij werk ik met contrasten (het me bewust onzichtbaar maken als overlevingsstrategie –  niet gezien worden door anderen – pogingen tot zichtbaar zijn, zichtbaar zijn). -Qua stijl werk ik clichématige beelden weg, vermijd vaktaal en schrap te expliciete dingen. Ik zorg voor cliffhangers.   Wat wil ik eigenlijk zeggen: Farahilde voert constant strijd om zichtbaar te zijn. Door een bepaalde gebeurtenis (misbruik) heeft ze geleerd dat het soms goed is onzichtbaar te zijn (= overlevingsstrategie), maar ze wordt ook vaak gewoon niet gezien wanneer ze dat wel wil (in gezin, in groepen,…). Ze leert zichtbaar zijn. Neventhema: troosten met eten (dat tegelijk ook manier is om onzichtbaar te zijn) à lezer kan dit aanvoelen, wordt niet expliciet vermeld.   Symbool: voor de strijd die ze voert à oorlog (via het oorlogsverleden van grootvader)   Perspectief: personaal vanuit Farahilde met tussen de scènes de stem van de grootvader (en link naar oorlog)  = probeersel om mezelf qua standpunt uit te dagen   Structuur: Openingsscène: moment van misbruik door nonkel + het zich intuïtief verstoppen om erger te voorkomen (= moment waarop Farahilde ervoer dat verstoppen overlevingsstrategie is). Farahilde is dan ongeveer 10 jaar. Andere scènes: die telkens om onzichtbaar zijn of zichtbaar zijn (=alter ego) gaan. Het schrijven zal uitwijzen of deze chronologisch of associatief aan bod komen. Ik probeer hier met contrasten te werken en kies ook regelmatig voor scènes met mijn vader om de 3 generaties aan bod te laten komen. Stem van mijn grootvader probeer ik tussen de scènes te verwerken met beelden uit de oorlogà dit wordt nog zoeken hoe ik dat in de praktijk doe. Slotscène: familieopstelling waarbij geheim van grootvader aan het licht komt. Farahilde begrijpt nu waarom zichtbaar zijn voor haar zo moeilijk was, kan het plaatsen en geeft gas (letterlijk in de auto, als symbool voor zichtbaar door het leven gaan).      

veerle schaltin
5 0

Verslag en structuurplan - opdracht 7 - Marieke

Lessen geleerd uit de feedback Ik heb met veel plezier aan de opdrachten gewerkt, al was het wroeten en zoeken, maar heb last gehad van een acuut tijdsgebrek. Mijn leven deze dagen is zo vol en er is zowel in mijn werk als privé nog zo veel aan het bewegen, dat er amper ruimte is om tot schrijven te komen. De lessenreeks is heel leerrijk geweest op twee fronten tegelijkertijd: het therapeutische zowel als het literaire aspect. Maar het voelt als erg veel ineens, waardoor het lijkt alsof geen van de twee aspecten goed genoeg is gebeurd. Ik ben zeer dankbaar voor het ontvangen van feedback van lesgevers en cursisten op mijn teksten. Zowel inhoudelijk als ook literair is het boeiend om te horen wat anderen in mijn teksten zien en hoe ze lezen. Literair is het de eerste keer dat ik zo’n pak bagage meekrijg. Ik volgde, sinds 1,5 jaar enkele kortere lessenreeksen. Als ik teksten van medecursisten moet lezen en feedback geven, dan merk ik dat ik die manier van lezen nog onder de knie moet krijgen. Ik heb lezen altijd erg intuïtief gedaan, zonder te analyseren. Nu moet ik dat andere stuk nog leren om ook zelf zo bewuster te gaan schrijven. Al mag het zijn naturel niet verliezen. Knopen rond bv het juiste perspectief zijn zoals jullie zeggen ‘beginnersfouten’ waar ik graag op gewezen wordt. Ik leer graag bij. Mijn grootste uitdaging ligt net in datgene wat ikzelf nog aan het onderzoeken en ontdekken ben: hoe kan ik mijn gevoelens meer toelaten en laten spreken? Als ik wil tonen hoe ik als kind ‘geleerd’ heb om mijn gevoelens te onderdrukken of niet te tonen, maar dus ook om ze voor mezelf niet toe te laten, dan weet ik nog steeds niet hoe dat te laten zien. Dan leest men een ‘gelukkig’ kind. Maar het is een kind dat flink blijft en zijn gevoelens niet kan benoemen, want niemand die vraagt hoe het zich voelt. Het kreeg nooit de woorden mee en de aandacht voor het emotionele welzijn. Ik zie zelf de evolutie van mezelf als hoofdpersonage in de schrijfopdrachten: van bijna helemaal verstoppen tot centraal te komen staan. In de laatste opdracht (Tussen de dekens) durfde ik ook een moeilijk moment -waar ik echt met mezelf worstel- te tonen. Dat heeft blijkbaar het juiste effect op de lezer. Maar was voor mezelf ook een grote stap.  Ik ben blij dat ik in de Zij-vorm ben gaan schrijven. Dat geeft me de juiste afstand om naar mezelf te kijken hoe ik me gedroeg en wat ik voelde. De interne monoloog geeft me dan de kans om toch nog wat binnenkant te tonen. Er is nog een sleutelscène, die ik waarschijnlijk ergens achteraan richting ‘ontknoping’ wil plaatsen; maar die moet nog geschreven worden. Het is een scène die ikzelf heb verdrongen, maar ik wil enkele getuigen die erbij waren interviewen. Wie weet komt de herinnering terug. Anders beschrijf ik hun verhaal. Maar het zal een emotionele uitdaging zijn. Daar ligt volgens mij de verklaring waarom ik ben gaan parentificeren naar het ‘flinke kind’. Zo heb ik nog enkele opties, maar misschien maak ik het mezelf te moeilijk: om enkele ‘observatoren’ aan het woord te laten. Een buurman, deze getuigen van hierboven, de ‘verpleegster’ van onder de moerbeiboom (opdracht 2). Of andere optie is: ik herschrijf ‘onder de moerbeiboom’ vanuit mijn perspectief, de buurman als dialoog (hij vertelt hoe hij ons gezin vroeger door de muren hoorde) en de ‘getuigen’ als het gesprek dat we nu zullen hebben met het ophalen van de herinneringen. Dat lijkt me consistenter in het geheel. Tot slot heb ik een aantal autobiografische teksten liggen die relevant zijn, maar in een iets andere stijl: poëtisch proza?  Geef ik die hier nog een plek of niet? Ze heten ‘Oud verdriet 1 & 2’. Tranen die er in de eerste tekst wel zitten maar er niet uit wil komen. In tekst 2: door het schrijven eindelijk is gekomen. Een soort epiloog? Met daartussen een korte dialoog over ‘mogen huilen’ met mijn zoontje.   Structuurplan Premisse: Wat je altijd wilt vermijden, kan je uiteindelijk toch niet ontlopen. Dit door een reeks losse scènes te beschrijven, zo veel mogelijk in het moment en uitzuiveren van flashbacks of forwards. Als puzzelstukken die langzaam bij elkaar worden gelegd en pas op het einde verschijnt het totaalbeeld. Ik twijfel rond andere perspectieven (cfr verslag). Kan zeker iets kort zeggen doen met bv het perspectief van mijn vader met de scheiding 1 (is helemaal niet desolaat maar opgelucht!). Kan ook in een korte dialoog die ik onlangs met hem voerde over dit thema. Titels van elk stuk zijn plaatsen + jaartal voor duiding.     Titel? Zoeken naar woorden Inhoudstafel In de prille lentezon  2016 apr Stap 1 in mijn scheiding Bovenop het stapelbed (& zijn perspectief?) 1981 Va vertrekt na de scheiding - zijn nieuw appartement Onder de moerbeiboom (herschrijven vanuit mijn perspectief) 2014 Boodschap van de schoonmoeder Achter de boeken          1985 Kennismaking met nieuw (samengesteld)gezin Vlak voor het bed (to do) 2001 Kennismaking met mijn man Onder de torens 1988 Vrijheid en reizen +(flashforward Parijs 2016?) Tussen de dekens 1997 Verloren, alleen, va nieuw app 2 Langs de kustlijn (in progress) 2015 Verloren maar zoekt connectie met anderen, beslissing over ‘scheiden’ te praten Dwars door de keuken (in progress)        1998 Het huis, eigen thuis + flashforward naar huis in de scheiding Aan het meer (to do) 2016 juni Een plekje voor mezelf– loswrikken – stap 2 scheiding Over de heide (to do) 2016 dec Vakantie, met samengesteld gezin van toen – stap 3 – apart wonen               Aan zee (to do – herinnering van anderen) 1981 Het verdriet van de moeder – het flinke meisje Door de muren (to do) 2017 Scènes in dialoog beschreven door de buurman: wat hoorde hij? Dagboek 2011 teruggevonden. Epiloog Oud verdriet 1 & 2 (stijl?) 2018 Hier ook iets vertellen over de situatie nu, na de scheiding? Wat ik leerde en waar ik nog steeds op moet letten?

Marieke Genard
17 0