Lezen

Opdracht 4 – Seks

Nota’s Het aantal bladzijden beperken, was voor mij erg moeilijk. Ik heb er , in Cambria, lettergrootte 12, een elftal geschreven. Tenminste: ik heb er elf bijeengebracht. Op en deel daarvan heb ik al feedback gekregen in vroegere cursussen van Erik en Mieke: jullie feedback erop zal dus meer dan welkom zijn. Maar misschien zitten jullie wel krap in de tijd. Dan zal ik al heel blij zijn met feedback op de nieuwe of zwaar herwerkte scènes. In Cambria grootte 12 zijn dat de bladzijden 1tot 3 ‘(eerste deel, tot na de ‘kale dialoog’) en blz 5 en 6 (één scène verder dan het eerste deel: ‘Een week verder…’, tot en met ‘…ik zal het proberen’, na de drie sterretjes. Van blz. 6 tot 11 is dus al eerder gefeedbacked. Ik voeg hem er wel bij: hij is essentieel voor wat ik schrijf. Hier gaan we dan. De computer doet soms gekke dingen bij de lay-out…       Seks. Ja. Seks. Natuurlijk zou ik daar mee kunnen beginnen. Wat een bres er in die jaren zestig is geslagen in onze manier van elkaar bekijken, beluisteren, strelen, naar elkaar te verlangen, te vrijen. Hoe je vòòr die dijkbreuk bij overtreding van wat mocht niet mocht, je zonder slag of stoot werd buiten gebonjourd.   Zoals dat klasmaatje dat al een tijdje de binders van haar lichtblauwe geruite schort los liet hangen. Ze vond dit mooier, zeker? Wisten wij veel. Op een dag kwam ze niet meer naar school. Haar schriften en haar boeken werden weggehaald. Er werd van hogerhand geen commentaar gegeven. Van school veranderd, dachten we. Of was ze  verhuisd, woonde ze te ver om nog in `t stad te geraken? Later hoorden we het van elkaar: ze was in verwachting. Over en out. Ze bestond niet meer.   Als een lichte zomerregen begon de pil in het sociale weefsel door te dringen. Maar paus Paulus de zesde, de pillenpaus, proclameerde voor de hele wereld (dat dacht hij, dat dachten wij toen nog): het condoom, de pil: verboden!   Op de proclamatie aan het einde van het schooljaar, zongen wij, leerlingen van het laatste jaar klassieke humaniora, in uniform, op het podium, gniffelend, dat we een jeugd van maagden wilden zijn. We dansten rock-‘n-rol.               Maar is dit de juiste weg? Moet ik het – nu al – moet ik het met jullie, voor jullie, al hebben over die seks-tant? Er is in de sixties en de seventies zoveel gebeurd. Belangrijker? Who knows. Maar vooral: het gaat hier niet over wat IK wil of wat JIJ graag zou weten. Het gaat over ZIJ. Hoe laveerde ZIJ door die jaren? Waarvoor liep ZIJ te hoop? Ik sluit de ogen en ik weet het weer. Duidelijker dan toen. De tijd geeft mij begrijpen, toont mij het hele schilderij: de jaren zestig, zeventig. En ZIJ. Toen.                                                              * * *   Toen registreerde ze sommige dingen en klasseerde ze zonder meer op de zolder van haar geheugen. Ze voelde dat het belangrijk was, ongewoon.  Ze plakte er geen naam op, zag niet waar het naartoe ging. Maar het was er. Het hing in de  lucht, lag te wachten in de platenbakken van de mediatheek –wat een uitvinding- thuis keek het je aan op het televisiescherm, of vanaf de nieuwe zetels in skandinavisch design.  De Amerikanen stemden de jongste verkozen president ooit het Witte Huis binnen, ze briesten bij het zicht van Cuba, Fidel Castro, Che Guevara, kwamen massaal aangezet in Zuid-Vietnam. Er ging bij haar geen licht op.      De Congolezen dansten het triomfantelijk, jaren geleden al: ‘Indépendance, chachacha! Indépendance, chachacha!’. Er werd door de volwassenen met interesse over het fenomeen  gesproken. Maar zij was nog te jong, toen. Nu, aan de unief,  kwam ze het tegen in de boeken van Sartre, van Camus, Simone de Beauvoir. Het zwierf rond, het werkte. Het deed met haar zoals Vietnam deed met de USA. Het kwam haar leven binnen, verspreidde zich onderhuids, oncontroleerbaar, verstoorde waar ze mee bezig was, bepaalde op de duur naar welke fuiven ze ging, hoe ze zich kleedde, zich coiffeerde, waarover ze praatte, waar ze winkelde, welke vrienden ze zag.   En dan was er dat incident. Een bijeenkomst van studenten over de politiek van Noord Amerika in Zuidoost Azië. De Amerikaanse ambassadeur nam het woord. Iedereen luisterde, geïnteresseerd. En opeens, van tussen de studenten, was er de stem van een vrouw die luid een verhaal riep over napalm, ontbladering, bommentapijten. Twee forse mannen verschenen vanuit nergens. Ze tilden de vrouw op,  droegen haar buiten. Ze riep verder. 1966. Een vergadering in een studentenclub. Ze begon het zich te realiseren.   En toen was er de kwestie Leuven Vlaams. ‘Wàlen buìten! Wàlen Buìten!’. De stemmen van duizenden studenten botsten tegen de gevels van de statige gebouwen. De gevestigde machten gingen overstag: de boeken van de grote bibliotheek werden in twee gedeeld, de walen verhuisden naar Louvain - la Neuve! Met Bob Dylan en Boudewijn De Groot zongen we triomfantelijk :        Kom vaders en moeders, kom hier en hoor toe. Wij zijn jullie praatjes en wetten zo moe. Je zoons en je dochters die haten gezag, je moraal die verveelt ons al tijden. En vlieg op als de wereld van nu je niet mag, want er komen andere tijden.   De streep is getrokken, de vloek is gelegd op alles wat vals is en krom en onecht. Jullie mooie verleden was bloedig en laks. Wij zullen die fouten vermijden. En de man bovenaan is de laagste van straks, want er komen andere tijden.     Er werd gedacht, gediscussieerd, het broedde. Maar nergens schreeuwde het al op een muur: ‘DE VERBEELDING AAN DE MACHT’. Nog nergens was het mei ’68.                                                  * * *         Nee! NEE! En nog eens NEE! Mei 68! Ik voel het al komen. De oorlogen, wereldwijd, de flower powerbeweging, het anti-autoritaire denken: de Grote Principes van Deze Tijd. Ik wil het er hier niet over hebben.  Daar werden al zoveel woorden aan verkwist, soms ben ik het zat. Het gaat hier om een autobiografie! En trouwens, een overzicht over die oorlogen en zo, dat is fout: dat is een opsomming. En opsommingen kùnnen niet. Dat leest te moeilijk. En het is te abstract. Wablief, te ABSTRAKT? Een meisje, negen jaar oud, naakt,  schreeuwend, zonder vader, zonder moeder, dat vlucht uit haar dorp dat met napalm werd bestookt, bommen die een wijk in de stad van het ene moment op het andere in een hel veranderen, honderden doden. Te abstract? De campings in de Haute Provence, die in de zomer her en der enthousiast uit de grond schieten, waar mannen ongegeneerd hun edelste delen blootgeven, vrouwen op de place publique vrolijk hun kinderen de borst geven; die zorgvuldig hun schaamhaar, hun oksel-en hoofdhaar coifferen. Te abstract?               Nee, dus. Maar toch: dat is geen autobiografie. Mijn protagonist, mijn hoofdpersoon, ziet nog niet de grote lijnen, kan wat er gebeurt nog niet in abstracte woorden vatten. Ze kan het nog niet beseffen. Ze zit in het tweede jaar unief. Ze studeert graag. Ze heeft een warme thuis. Ze is gelukkig. Ze is naïef. Wat zeggen ze, die studenten op de achterste rij?   * * *.   Trouwens, wat zit dat meiske daar te doen? Welk meiske? Die por daar, op de tweede rij. Ja zeg, zeveraar! Er zijn maar twee rijen porren: de twee voorste. Ik vraag me af: zouden die nu nooit eens goesting hebben om mee hierboven bij ons, op de tweeëntwintigste rij te komen zitten? Dan hebben ze tenminste een overzicht. En wij interessante compagnie. Veel gezelliger, toch? Enfin. Wie bedoelt ge nu eigenlijk? Hewel, die por daar met dat bruin haar en die groengrijze ogen. Ah, die! Een toffe griet, hé man. De Soi zegt dat ze op Audrey Hepburn trekt. Dat zal de Soi wel zeggen over -en liever nog aan- de helft van alle porren hier in Leuven. Die meiskeszot! Zie ze in de weer zijn met haar cursus! Die wil er werk van maken, hé. Ze zou beter haar best doen om een lief aan de haak te slagen. Ze gaat nog altijd met niemand. En ons vader zegt, dat meiskes enkel en alleen naar de unief komen, om een goede partij te vinden… Wat zou ze studeren? Rechten? Psychologie? Weet ik veel. Maar als ge er zo curieus naar zijt, waarom vraagt ge het haar niet zelf? Schrik, manneke? Durft ons Kareltje niet? Nee, zeg. Maar ik heb gehoord dat ze zo serieus is. Ze gaat nooit op de lappen. En als ze al eens naar een thee dansant gaat, is het samen met die vriendinnen van haar: niet gemakkelijk om er u tussen te wringen. Nochtans, Kareltje, nochtans… ze zit op het eerste meisjeskot hier in Leuven zonder kotbaas of kotmadam! Negen porren, hun eigen baas! Als ge daar een voet in huis zoudt krijgen… Laat het uit, zeg! Véél te serieus voor mij! Als ze uit gaat, is het naar het theater of naar een concert. Of naar die mannen van de kleinkunst. Naar Louis Verbeek. Of die zanger, Miel Cools. Of Hugo Raspoet, … Ge weet toch dat Hugo Raspoet verleden week ladderzat in de grote aula op het podium stond? De aula zat vol – uw vlam daar was er ook, ik heb ze gezien. Ge zoudt u voor minder een stuk in uw kraag drinken als ge moet staan zingen voor zo’n vijfhonderd man… Maar die Audrey Hepburn hé, die zit elke week in den Bellarmino. Dat is dat studentencentrum van de Jezuïeten. Ze gaat daar naar een vergadering, gesprekken over onderontwikkelde landen, allez, de missies. Hebben ze mij verteld. Ziet ge mij al zitten? ’t Is spijtig, het is een toffe griet, zo te zien. Maar ik ga ‘s avonds toch liever een pintje pakken in den Boule d’Or. …                                                              * * *               Daar gaat ze… En het is weer hetzelfde. Schrijven is tricky voor mij. Ik weet niet altijd klaar en duidelijk het onderscheid te maken tussen ik en zij. Schrijven neemt me mee naar schemerplaatsen in mezelf, naar gedachten, naar gevoelens, die er wellicht altijd al waren maar waar ik nog nooit zo scherp mee geconfronteerd ben geweest. Laat ik hààr nu maar volgen. Laat ik hààr aan het woord. Dan kan ik mezelf vergeten… Zo was ze dus.                                                              * * *            ‘Het is het licht - denkt ze - dit schemerlicht. Alles is er in verzopen.’ En ze stapt het lome weer in van late warme lentedagen. Zalig, hoe ze zomaar, zonder jasje, zomaar, in haar jurk, met blote armen, met blote benen door de stad kan wandelen, denkend, voelend, bijna blindelings, bijna op de tast.    Prachtig toch, waar ze daarjuist weer over discussieerden. Dat alle mensen gelijk zijn. Dat je zelf toch wéét dat je het beste voorhebt met de andere. Je buurman ook. Dat hij zou reageren als jij, tenminste, als hij voldoende vertrouwen had. Maar dat ons eeuwen en eeuwenlang werd aangeleerd en ingepompt dat een mens zelfzuchtig is, een wolf voor de medemens. En dat we dus wantrouwig zijn tegenover elkaar en agressief. Dat we niet beter weten.   Maar het zou anders worden. Wij, beloofden ze aan elkaar – en aan de Jezuïet die hun gespreksgroep begeleidde – wij zullen hier mee breken. We zullen Anders GAan LEVen. Kiezen voor de liefde. Love and Peace, zoals in America. Saaie conventies, verstarde instituten: ze zullen ons leven niet langer beheersen. Geen oorlog meer, geen legerdienst. Burgerdienst. Of helpen in ontwikkelingslanden. Geen sprake meer van onderontwikkelde gebieden. Niet domineren, houden van alle mensen, zonder onderscheid van rang of stand of kleur. Hoe ze hier stapt… Ik ben gelukkig, denkt ze. Ik heb geluk gehad, langs alle kanten. Met thuis, in het algemeen, toch. Met de vrienden van de jeugdbeweging. Met de vrienden hier. En ze geniet. Van elke stap. Van het geroezemoes op de caféterrasjes. Van het gelach uit de open ramen van de studentenhuizen. Van het idee dat god liefde is en dat Alle Menschen Brüder werden.   Het is nu echt donker. En fris. Ze rilt. Het loopt door haar hoofd wat haar doopmeter haar verleden zaterdag vroeg: ‘Heb je er al eens over nagedacht, Frida, wat je voor jezélf zou willen? Zonder al die sukkelaars die je zou willen helpen en die je zullen opeten? Je gaat toch niet naar ’t klooster gaan, zeker? Je wordt toch geen non? Nee. Gelukkig. Hewel, wie wil je dan zijn, binnen, pakweg, tien jaar?’. Zo was ze, die meter, ze nam geen blad voor de mond. Zeker niet als haar moeder er niet bij was. Ze heeft er over nagedacht de voorbije dagen, jawel. En het antwoord is: nee. Ze weet het niet. Zijzelf? Wat ze wil worden? Wie zal het zeggen? Wìl ze iets worden, gewoon, voor zichzelf? Verrek! Het was zo’n volmaakte dag. En nu loopt ze weer te  piekeren! Wat waren die prachtige verzen van Goethe weer? Über alle Gipfeln gibt’s Ruhe... denkt ze. En ook, met zoet verdriet, als bij liederen van Schubert, nocturnes van Chopin, dat haar vriendinnen nu bijna allemaal met een lief rondlopen en zij niet  en dat ze zo alleen is en zou ze ooit...                                                                * * *   Een week later. Nee, nog geen week later staat ze op de hoek van de straat van het museum en het zonnige plein voor de bibliotheek.  Alles gaat zijn normale gang: wandelaars, fietsers, auto’s, duiven. Ze wacht. In de schone maand van mei, jochei! Ze wacht. Verrukt. Opgetogen. Ze wacht op HEM! Op de student waarvan ze deze morgen een brief heeft gekregen.   Ik heb je lief - had hij geschreven. Ik heb je lief met alle verwarring die daar normaal blijkt bij te passen. Verwarring waaruit ik alleen toch niet kan komen. Conclusie: jij zult er mij moeten uit helpen. Verontschuldig mij voor dit bevel: ik zie me tenslotte verplicht jou voor het dilemma te plaatsen waarvoor ik zelf sta.   De eenvoudigste manier om mij te bereiken, is te bellen naar het nummer 28 83 52. Jouw zwijgen is mij een teken, evenveel waard als je spreken.   Ze kende hem van de vergaderingen over ontwikkelingslanden, over het engagement van christenen in deze tijd. Ze vond hem toen, nee, ze dacht toen, nee, ze vond, nee, ze voelde zich, nee, ze dacht dat dàt een man was, ja, daar zou ze, hij was, hij had iets voornaams, nee, niet iets deftigs, hij was iemand interessant, hij had een lage, zware stem die verstandige dingen zegde, hij maakte indruk maar hij was helemaal geen Streber, met zò iemand, op zò iemand zou ze verliefd kunnen worden. Het stak de kop op maar ze sabelde het dadelijk, genadeloos neer – haar moeder… Maar nu had hij die brief geschreven en ze was dadelijk  himmelhoch jaugzend  en ze hadden een afspraak gemaakt om dit uur en op deze plaats . En daar stond ze en de lucht is blauw en ik hou van jou en boordevol verwachting en hoezo hij was er niet hoezo hij is te laat iedereen kan wel eens te laat komen dat is toch geen ramp en de lucht is blauw en ik hou van jou en zie nu toch die duiven hoe gulzig en schrokkerig en de lucht is blauw en ghequetst ben ic van binnen en hij is al zoveel te laat en het zal toch geen grap en ghequetst ben ic van binnen ghequetst so lanc so meer en de lucht is blauw en schrokkerig en daar is Jos op de fiets, hij heeft zijn zwarte jezuïetentoga met fietsspelden vastgeklemd, hij komt zeker weer van één of andere vergadering over ontwikkelingslanden en       ‘Frida, alles goed?’ ‘Dag Jos. Ja, dank u. Ik sta hier te wachten op iemand. Maar hij is een beetje laat. Nu toch al een kwartier. En…’ ‘Frida, jij bent toch niet op Joris aan ’t wachten?’ ‘Jawel. Hoe…’ ‘Snel. Ik ga hem halen. Ik heb hem juist nog gesproken. Hij staat een straat verder te wachten. Ook op iemand. Op jou, dus. Ik ga hem verwittigen dat jij hier staat.’   Jos stapt op de fiets en crost weg. En zij wacht opnieuw verblijd en Ic en kan gerusten dach noch nachte en ze grinnikt ze lacht opgelucht en daar is Joris daarkomt HIJ, ze lopen naar elkaar toe en gooien zich in elkaars armen en de voorbijgangers glimlachen en het licht omstrengelt hen als klimop de bomen en ze lachen hij verontschuldigt zich hij heeft zich van straatnaam vergist en ze plaagt hem hij hoeft zich niet te verontschuldigen maar nu heeft ze levenslang permissie om te laat te komen op afspraken met hem en zijn handen strelen haar haren en die blauwe ogen achter die donkere bril zijn zware lippen op de hare en ze zoenen en dat is ambrosia wat vloeit mij aan uw schedelveld is koelder maan en alle appels blozen…                                                       * * * Maar, toch, ik, toen... Frida. Als je dan toch Klärchens Lied van Goethe citeert: het is wel ‘ himmelhoch jaugzend, zum tode bedrucht’. Je bent het tweede deel vergeten! En waarom voeg je er dan niet dadelijk het volgende fragment aan toe, waar de moeder van Klärchen, het meisje dat die liefdeswoorden spreekt, haar dochter met twee voeten op de grond wil zetten en haar antwoordt "Lass das Heiopopeio!". Hoe naïef was je, Frida, hoe onschuldig, hoe onvoorbereid. Ondanks alle cursussen sociale leer van de kerk en sociologie en politieke en sociale filosofieën en ethiek van de pers aan de universiteit, boeken en schriften vol. Hoe je in het kokende bad van de verre wereld werd gegooid – hoe je jezelf er hebt ingesmeten – samen met dat lang stuk halve Jezuïet van je, waar je tot over je oren verliefd op was. Hoe je het dramatische ongeval met de wagen overleefde (HIJ was de bestuurder, het was ZIJN wagen!). Hoe je amper de tijd kreeg om te ademen voordat je, hals over kop, twee dagen nadat je was getrouwd, bent vertrokken naar Colombia, Zuid-Amerika: vierentwintig uur (?) met het vliegtuig onderweg naar dat passionerende, schokkende stuk van de wereld. Een jonge bruid. Je was nog niet eens bekomen van je gebroken nek…je mocht nog maar sinds een paar maanden zonder halsprothese  rondlopen… Tant pis. Ik heb beslist dat ik dit zou schrijven. Ik doe het. Ik beschrijf Frida, toen. Tenminste, ik zal het proberen…                                                    * * *   Ginder is Frida een gringa. De meeste mensen denken in het begin dat ze uit de USA komt. Want ze is lang,  met grijsgroene ogen en bruin haar. ‘Gringa’ is hier niet onverdacht een eretitel. Ze legt dus altijd uit dat ze uit Europa komt. Uit België. België, waar ligt dat, vragen de mensen. Ambérres – probeert ze dan – Brusélas. Maar dat slaat zelden aan. Ze moet er Frankrijk bijhalen, Parijs, Duitsland, de Noordzee, Engeland, Londen... Ah, zo! Europa! Bolivar! De onafhankelijkheid!.. Vanaf dan is ze geen gringa meer. Maar donja Frida. Of doctora. Of meer liefkozend: monita. Blondje: alles wat niet ravenzwart is, hoogste graad van schoonheid.   Ze heeft nagedacht  over wat ze gaat aantrekken. Jeans en laarzen. Want ze heeft schrik voor de vuiligheid, de modder, de mest, de vliegen, de luizen, de graatmagere  honden, de groezelige handen, de ziektes die in de toegoerios krioelen.   Ze zal haar regenlaarzen aandoen en de beige hemdsbloes met lange mouwen, die tot bovenaan goed sluit.  Ze is er bijna zeker van dat ze met vlooien thuis zal komen. Geen luizen. Ze heeft nooit luizen. Ze doet haar ruana niet aan. De hare is van soepele wol: dat trekt teveel de vlooien en is moeilijk te wassen. Ze draagt een trui: deze maand regent het iedere dag driftig één, twee uur lang. Dan is de zon er terug. Maar even kan het koud zijn, op 2 700 meter hoogte:  het is hier winter deze maand   Ze gaat  mee met een vriendin: Leticia. Leticia is ouder dan Frida – tenminste, dat denkt Frida toch. Ze komt uit een welstellende familie. Ze is sociale assistente bij de Bjenestar Familial. ‘ ‘De senorita’ noemen de mensen haar. Ze werkt in deze miljoenenstad met de onderklasse van de allerarmsten: de 12 000 straatkinderen jonger dan tien jaar - de  gamines. Ze zijn weggelopen van huis, weggejaagd, het zijn weeskinderen, ze waren teveel, ze werden aan de deur gezet, weggeslagen, op een marktplein achtergelaten. Ze overleven en sterven op straat. Zoals bijna alle kleine mensen, draagt Leticia altijd een roeana van ongebleekte, stroeve wol. Zij is van hier.     Ze gaat op huisbezoek  bij een familie in de krottenwijken, die aan de rand van de stad tegen de geërodeerde bergwand zijn gebouwd? aan elkaar gesjord? getimmerd? met leem aan elkaar geplakt? De twee oudste kinderen, de jongens, acht en zes jaar,  zijn gamines. De twee meisjes, ééntje van drie jaar en ééntje van acht maanden, hangen nog letterlijk aan hun  moeders’ rokken.  Leticia gaat praten met de man en de vrouw: de man heeft de vrouw weer afgeslagen. Haar jongens zijn het komen zeggen.    Ze gaat mee met de sociale assistente. Ze heeft schrik van armoede. Ze heeft schrik van de stank, haar maag draait er van om; ze heeft schrik van dieven; ze heeft schrik van graaiende handen op de bus, die in het ijle zweven, die aan geen lichaam schijnen toe te horen en portefeuilles stelen; ze heeft schrik van lange, gele nagels aan gekromde vingers, die te dicht bij haar polsen komen; ze heeft schrik van niet- zichtbare messen onder poncho’s en ruana’s; ze heeft schrik van veel volk samen; ze heeft schrik van wat mensen doen als ze wanhopig zijn. Maar anderhalf jaar nadat ze hier is aangekomen, wil ze meegaan.   Nu. Nu ze de taal een beetje kent, nu ze verstaat wat er gezegd wordt, nu ze heeft geleerd hoe mensen elkaar hier begroeten, nu ze soms al voelt wanneer ze kan praten en wanneer ze beter zwijgt, nu ze niet meer panikeert als er ratten over de weg lopen, nu ze het verhaal kent van dit land van orchideeën, van anjers, van kolibri’s, arenden, caymanes, papegaaien, van anaconda’s, van koeien, muilezels en paarden, van lulo’s, papayas, aguacates en mango’s, van granaatappelen, van chirimoyas en guayabas, van appelsienen, limoenen, pruimen, kersen en bananen; van jasmijn, mimosa, palmbomen, bouguinvilleas, van katoen- en koffieplantages;  van eindeloze,  gelige vlaktes in de hoge paramos, van de besneeuwde bergtoppen in de Sierra Nevada, van  de eeuwiggroene bergketens van de Andes, van witte stranden aan een  helderblauwe oceaan, van broeierige wouden, van okerkleurige rivieren, van smaragden, van goud, van irridium en olievelden,   nu ze zonder nadenken het verschil kan voelen tussen een cumbia, een san juan, tussen porro, paseito, merengue, gaita,  bambuco, chorope, patacore; nu ze de sensuele verleiding kent van sierlijk geheven armen, lage schouders, wiegende heupen,  die iedere stramme westerling in het begin jaloers, gegeneerd weg doen kijken; nu ze ook de afgebeulde mensen verstaat, de geëngageerde doeners, denkers en artiesten, de familienamen weet van de herodiaanse grootgrondbezitters, machtig als despoten, nu ze ook daarin een onderscheid kan maken,   nu ze het weet van de vuiligheid, van het klagende geroep van bedelaars, van de stompjes armen en benen die plots onder haar neus worden geduwd, van het gebonk van lichamen van mensen die in doodse stilte vechten met elkaar; nu ze het weet van de knallen die ’s nachts door de bergen galmen dat het geen vuurwerk is, maar schoten van pistolen en geweren; nu ze het weet in welke bario’s en op welk uur van de dag  ze hoe met wie naar toe kan gaan; nu ze weet wat je moet doen opdat je hart niet zou breken als je ze ziet, de haveloze groepjes opdringerig bedelende kinderen; nu ze gewoon is geraakt aan politiemensen met mitrailletten in aanslag in het midden van de stad; nu ze de droefheid kan verdragen en de haat in de ogen van de mensen kan verstaan; nu ze er klaar voor is, nu wil ze mee. Ze wil het. Ze wil het weten. Ze wil het met eigen ogen zien.   Ze rijden met de bus de berg op zover het kan. Daarna stappen ze op platgetrapte grond, een smalle holle weg voor voetgangers, muilezels en stromend modderwater: se hace camino al andar – denkt ze grimmig.  Ze ziet geen vuiligheid. Ze ziet de grond, wat moet doorgaan voor de muren van de krotten, de golfplaten die bij de gelukkigen dienst doen als daken. Ze ziet niet veel beweging. Ze ziet wat haar vriendin een huis noemt: muren gemaakt van grote platgeslagen benzineblikken, van vermolmde planken, stukken karton en vele gaten, rond een vierkant van drie meter op drie aangestampte grond. Een aarden pot op een paar stenen voor een vuur dat zelden brandt. En overal grond en vuil en grauw. En de moeder.   De indianenvrouw heeft een groezelig vod rond het hoofd gebonden, als iemand met een zere tand in een oud stripverhaal. Ze staat daar niets te zeggen bijna zich te verontschuldigen dat ze bestaat ze staat. Bijna is ze een boom bijna bewegen haar lippen niet bijna vluchten de woorden weg nog voor de lucht hen kan beroeren/ ze zich met lucht vermengen bijna beklagen zich tanden en tong dat er toch woorden worden gevormd en het verhaal toch wordt verteld van een man die geen werk heeft en geen eten voor zijn kinderen die doet wat alle mannen doen hier in de buurt om niet te zien hoe zwart die elke dag de vrouw de kinderen schopt en slaat als ze ‘honger’ durven denken die met de andere mannen zuipt die niet te spreken is hij kan niet spreken hij kan alleen willen vergeten.    En als ze ziet dat hij stomdronken is en wild en dat zijn ogen gloeien jammert ze vanuit verre tijden het onderdrukte klagen van haar onteerde volk triestig triestig het geluid van een gekwetste duif van een kat op zoek naar haar verdronken jongen van een afgeranselde hond van wind in een verlaten huis.  Het maakt hem razend dat zij hem ziet en weet hij kan niet spreken hij heeft geen macht hij rukt een plank los van de muur en slaat wat hij hoort tot stilte -   maar het gilt het gilt en er loopt bloed over de vrouw en ze heft de baby naar hem op en de baby krijst en hun kleine meisje staat voor de moeder ze houdt zich aan  haar rokken vast en hij gooit de plank met de bebloede nagels van zich af en hij zwalpt weg en het verhaal zwalpt weg het is beschaamd het is vernederd het is angstig het valt stil. Ze jankt nu voor zichzelf alleen. Ze wiegt de baby in haar armen. ‘Padresito’ noemt ze de man terwijl het bloed nog verder druppelt.   Ze scheurt een reep van een stuk stof en legt ze op de wonde, draait ze een paar keer rond haar hoofd. Ze zet zich doodmoe op het bed, leunt tegen de muur, de meisjes in haar rokken. ‘Arme mijn man – denkt ze - padresito’.  Hij is de vader van haar kinderen. Hij heeft het niet bedoeld – ze weet het. Ze weet het vuur dat hem verbrandt.  Maar alles voor haar ogen draait. Zijn het haar jongens die ze ziet? Misschien worden haar jongens anders misschien misschien worden ze thuisgebracht misschien worden ze niet vermoord worden ze niet in het gevang  gesmeten misschien worden ze niet verkracht misschien gaan ze niet aan de drugs want er is de senjorita van de Bjenestar Sociàl. Misschien gaan ze toch naar de school misschien kunnen ze later lezen en schrijven misschien kunnen ze iets anders doen dan elke dag de dood uitstellen elke dag razen van honger van schuld en van niets weten misschien geven zij  de familie later wel te eten...   Dan weet ze het niet meer. ‘ En nu vandaag bent u er , senjorita,  met een gringa. Hoe weet u dat... ‘ Natuurlijk! ‘ Senjorita,  waar zijn de jongens?’ vraagt ze.  Zij zijn het,  zij hebben het verhaal bij de buurjongens gevangen. Zij hebben het de weg gewezen tot bij de de senjorita en ze wil weten hoe het met de jongens is  ze zijn  toch niet ze hebben toch niet   Het kleine meisje is  overal. Ze is een spin: in iedere hoek, voor iedere spleet, voor alles wat een raam of deur zou kunnen zijn  hangt ze een spinneweb;  ze zweeft voor elk dreigend gevaar; ze staat de armen wijd gespreid om alles buiten te houden  te proberen dat het niet gebeurt dat de geesten binnenkomen dat de duivel danst als het vuur onder de ketel wordt aangestoken dat de wind krijst rond de muren van het huis dat de regen de grond onder hun voeten verandert in een modderpoel en alles dreigt weg te spoelen. Ze is een vlinder: ze spint een cocon rond hun huis zodat het niet kan breken.   Leticia zegt Ola, ola, donja Clemenza. Stil maar, rustig maar. Ik kom alleen maar kijken . Nee, nee, ik ken u wel. Hij heeft het niet slecht bedoeld, hij was bezopen. Ik zal niet naar de politie gaan. Of wel? Nee. Dat dacht ik. Ola, donja Clemenza, laat me uw hoofd bekijken. Doe die lap eens weg. De jongens? Ja, ze zijn het komen zeggen. Waar ze nu zijn? Ik weet het niet, ze willen nog niet bij ons wonen, dat weet u. Ze zeggen dat ze een thuis hebben: hier, bij u. Ze gaan nu elke morgen naar school. Ze stellen het eigenlijk wel. God geve dat ze geen lijm gaan snuiven. Niet wegtrekken, ik moet zien of die wonde erg diep is. Hebt u ze al uitgewassen? Por Dios, donja Clemenza, dat gaan we dan eerst doen. Ik heb iets speciaals meegebracht. Het gaat pijn doen, maar het moet. Zo. U mag niet ziek worden, dan zouden de kinderen niemand meer hebben. U moet sterk zijn. En waar is hun vader, don Antonio, ik wil met hem praten. Zeg hem dat hij eens bij ons langs komt, hij weet het wel: bij de Bjenestar Familial, op de hoek van de vijfde straat met de Plaza Bolivar. Ik ben er elke morgen van de week.   De gringa ziet vooral de kleuren. Bruin. Grijs. Grauw. De vloer, de muren, de planken, het karton, de vodden op het bed in de hoek, de vrouw, het meisje van twee? drie? jaar: allen, alles bekleed met dezelfde huid, uit de grond genomen. Er zijn ook andere kleuren ziet ze nu.  De platgeslagen verroeste blikken, rood en wit, met blauwe drukletters bedrukt: GASOLINA, benzine. En soms ESSO. Of MOBIL. Het is alsof het huis bij elkaar wordt gehouden  door zeefdrukken van een popartist.  Van Andy Warhol, bijvoorbeeld: zijn reeks ‘Soepen’, tussen de kleur van slijk en wrakhout en de lucht.   Het riekt er naar een stal. Nee, ze ziet geen gat in de grond. Ze hebben waarschijnlijk buiten een latrine gegraven. Het is niet zoals op die trap in het gesloten trappenhuis waar ze één keer toevallig is beland, ook met Leticia, in een meer doenbare buurt, waar de mensenstront en het braaksel zomaar op de overloop lagen te stinken. Ze hoort vooral: dat weinige geluid, dat bijna niets, dat stomme. Ze hoort de onmacht, het te zwak zijn,  te gekwetst, te onderdrukt:  een elegie van kleinkinderen, kinderen, moeders, grootmoeders, overgrootmoeders, generaties aan elkaar geregen in een gevecht met ongelijke wapens in ellende, in honger, in zich schikken in het lot,   De gringa hoort het hoe de moeder voelt dat dit niet is zoals het moet, maar dat ze niet de woorden. het woord.  niet durft te denken, niet onrecht durft, kan denken,  dat ze gevangen is in angst, in slaag. De gringa hoort het verhaal dat siddert, beeft,  dat zich verbergt in de zeven lagen onderrokken van de indiaanse: ze verwarmen de lucht waarin de moeder leeft, ze nemen de geur aan van haar kinderen van melk van grond van mest van stenen van zweet van zaad van bloed; als de onderste rok weer de bovenste wordt, verschijnt het patroon, het enige wat telt: dat ze moet verder leven.   De gringa hoort hier niet. Ze is een indringer, een Peeping Tom, door niemand aangekeken, overal bespied, door iedereen geweten dat je beter van haar afblijft ze is met de senjorita van de Bjenestar Social ze spreekt de taal bij haar valt niets te rapen ze kent de trukken van de foor. Maar daar denkt ze niet meer aan. De schrik is weg. Want in de hoek waar het bed staat - gelukkig denkt ze ‘bed’ - op het bed,  midden tussen de vodden, tussen de kleur van aardappelen en grond is een nest gebroken wit   en daarin zit een kind. Het is een maand of zes en het is levend, gaaf, de bruine ogen glanzen. Het kijkt rond het zit alsof er niets aan de hand is; alsof niet vijfentachtig procent van de grond van haar land in handen is van tien procent van de bewoners (?); alsof er op de wereld geen klopjacht aan de gang is naar meer en meer en van mij alleen en pas op en we vreten het op we stoppen het in een versterkte kluis nog voor er iemand anders aan kan raken we speculeren ermee op de beurs; alsof er  daarvoor geen oorlogen worden gevoerd, geen mensen worden afgeslacht,  uitgezogen, in slavernij gedreven,  gemarteld, in geheime gevangenissen gestopt, levend in de oceaan worden gesmeten, neergeknald;   het kind zit en kijkt alsof ze is: vanzelfsprekend,  zoals de  neefjes en nichtjes van de gringa, de kinderen van de koningin, het petekind van  Inneke Peeters van op de radio, het nichtje van de president, het kleinkind van mevrouw Jansens van om de hoek; alsof ze even bekoorlijk zal zijn,  even vol  verhalen, met even veel te zeggen later. Het weet nog niet dat voor haar alleen het grauw wordt gereserveerd,  geen toekomst geen toekomst geen toekomst geen toekomst geen toekomst grauw geen toekomst geen toekomst geen toekomst geen toekomst niet niet niet niet niet.   Dat ze dievegge wordt, waarschijnlijk.  Waarschijnlijk zal ze, als ze zes is, met grauwe vodden rond haar lijfje, de haren stijf van vuiligheid, met blauwe wallen onder de ogen, waarschijnlijk zal ze, lenig als een kat, gaan hangen aan het open raam van de auto’s, die stoppen aan het rode licht; waarschijnlijk zal ze haar groezelige handje dreigend onder de neus van de bestuurder duwen en bedelen en terugspuwen en wegspringen als er naar haar wordt uitgehaald. Maar ze rekent er op, de uitgekookte helleveeg, dat de mensen haar iets zullen geven om van haar af te zijn: ze heeft de lagere school van wie in bittere armoe leven al doorlopen. De hogeschool is drugs en afpersing en moord en prostitutie. Dat komt later- dat denkt de gringa toch.   En de gringa kan haar niet oppakken en meenemen ver van dit grauwe krot haar hart is nog niet groot genoeg het moet op deze grote hoogte nog dieper leren pompen en ook het kan niet want ze kan niet alle kinderen en dit kind heeft nog een moeder met zeven rokken en een vader die naar huis komt en een zus en twee oudere broers. Misschien als die jongens er in slagen misschien heeft ze dan de Bjenestar Familial of de Beneficencia  en kan ze leren. Ze heeft dus nog heel veel ze is niet uitgemergeld nu nog niet ze ligt nog niet roerloos met opgezwollen buik langs de kant van de weg onder een mimosaboom. Ze is springlevend en kijkt rond. En je zou wel willen dat ze gelukkig wordt maar je weet dat ze geen toekomst heeft ze is gebroken wit tussen zoveel grauw ze is onwetend tussen tekort aan woorden die onbekend wensen te blijven die niet willen bestaan ze heeft geen ze is opgeschreven ten   Als de gringa terug thuis is, stopt ze haar kleren onder water. Ze neemt een douche. Drie vlooien springen van haar weg, spoelen met het water de afloop in. Ze trekt nieuwe kleren aan. Ze zet zich neer. Ze weent. Het is avond. Het is zwart.    Toevallig leest ze kort daarna een artikel in een vroom blad. Er staat een reportage in van een pater. Ook hij ging op bezoek in een krottenwijk. Hij zag er een familie met een gezonde baby. Hij schrijft dat de baby een bloem is op een mesthoop.   De tranen springen haar van woede in de ogen. In haar verbeelding huilt en tiert ze tegen hem. Ze valt hem aan, ze wil hem slaan, altijd opnieuw als ze aan hem denkt. Mesthoop! Don Antonio, donja Clemenza, het dappere meisje, de gevluchte broers: een mesthoop! Ze gooit hem buiten. Ze zet geen voet meer in zijn kerk.    

versta
13 0

Opdracht 5 - Kristien

(gebaseerd op opdracht 3)    Mtoto   Het gezicht van de blanke vrouw straalt, net alsof ze niet weet wat haar te wachten staat. Ze kijkt hem aan. De zwarte man zegt dat alles goed komt en even gaat wandelen. Ze buigt zich over de metalen tafel in de hoek van de witte kamer. Hij kijkt haar aan, stapt naar de deur, trekt de deur dicht en staat in de kale, lege gang. De blanke vrouw was hem opnieuw komen opzoeken in zijn land. Hij had jaren op haar gewacht. Ze had koekjes meegebracht zelfgemaakt in haar land en zin om samen met hem zijn land te verkennen. Hij had haar naar de hoogste top van zijn land geleid. Zij had hem naar de zee, voor hem toen nog onbekend, meegenomen. De golven, het vele water en het strand hadden grote indruk op hem gemaakt. Toen die vele plaatsen niet voldoende waren voor de blanke vrouw, had hij haar voorgesteld de groene heuvels waar bijna nooit toeristen kwamen en zeker geen blanke te verkennen. Na twee dagen reizen met verschillende matatu’s, de minibus, had hij via via het vertrekpunt gevonden. Ze dwaalden weken over de heuvels en leefden op het ritme van de blanke vrouw. Laat opstaan. Rustig de dag starten. Tijd nemen voor een kus. Voor een knuffel. De zwarte man wist toen nog niet dat ze daar op vakantie modus leefde. Daar boven in de heuvels was hij een echte man geworden. Haar buik was sindsdien beginnen groeien, evenals Mtoto, kind.   De zwarte man stapt de gang door. De muren zijn steriel wit. Ook de vloer en de mensen die errond lopen. Zijn stappen weergalmen. Hij stapt de trap af en komt buiten. Lucht. De zon verwarmt zijn donkere huid. Hij ademt in en weet de auto van de blanke vrouw te vinden. Met haar sleutels opent hij de deur, installeert zich op de passagierszetel en zet de CD dat de blanke vrouw van zijn land meebracht op. Ook de komende dagen zou hij zich geregeld terug trekken in deze auto. De muziek brengt de zwarte man terug naar zijn land. Twee weken geleden had hij zijn rugzak gevuld met wat kleren en een paar schoenen en had hij enkele vrienden laten weten dat hij naar zijn vrouw in het Westen ging. Hij reed met een vriend naar de luchthaven. Alles leek zo onrealistisch. Zou hij straks echt met het vliegtuig wegvliegen? Zou hij echt naar een nieuw land gaan? Zou de blanke vrouw daar echt op hem wachten? Hij was geland en had haar gevonden. Overdonderend echt. Voor drie maand, de duur van zijn visum. Daarna zou hij terug naar zijn land gaan. Daarna zou hij wel zien.   De auto brengt hem geen rust. Na een tijdje stapt hij het ziekenhuis terug binnen. Vele verdiepingen, gangen en kamers. Hij vindt de kamer van de blanke vrouw terug. De deur is dicht. Met zijn oog gericht op de deur wandelt hij de gang heen en weer. Op een gegeven moment komt een dame in witte short de deur uit. De zwarte man stapt naar haar toe, kijkt haar aan en knikt met vragende ogen. De dame opent de deur voor hem. Hij glimlacht en stapt de kamer binnen. Op de buik van de blanke vrouw ligt Mtoto. Klein, samengekropen, rozig, met bloedvlekken. Zijn hart wordt vuur warm. Hij stapt langzaam naar haar en de kleine jongen toe en streelt hen. De blanke vrouw kijkt de zwarte man aan met ogen die stralen als bloemen en geeft hem de kleine jongen. Onwennig neemt hij Mtoto aan en kust de jongen. Geleidelijk vindt de zwarte man enkele woorden. Zijn zwartbruine ogen fonkelen, zijn witte tanden glinsteren en zijn donkere huid blinkt. Na een tijdje plaats hij de kleine jongen terug op de buik van de blanke vrouw en gaat naast hen op het bed zitten. De kleine jongen nestelt zich vlakbij de tepel van de blanke vrouw. Zijn vrouw. In zijn land geven de vrouwen ook de borst aan hun baby’s, wikkelen ze baby’s ook in doeken en slapen ze ook samen met hun baby’s in bed. In zijn land liggen de vrouwen echter met velen in een kamer op bedden met of zonder matras en zonder lakens. Hij glundert en heeft niets toe te voegen.   Later op de avond komt de vader van de blanke vrouw even langs. De oude blanke man kust de blanke vrouw en houdt fier de kleine jongen vast. Hij klopt op de schouder van de zwarte man alsof hij voor de eerste keer de zwarte man ziet en samen toosten ze met een glas champagne. Op het leven. De zwarte man straalt en is stil. In zijn land weet zijn bloedeigen vader niet dat hij hier is. Daar is hij één van de zovele kinderen van zijn vader. Daar wordt hij enkel aangesproken om geld te geven. Woorden worden er nauwelijks gewisseld.   Laat na toegestane bezoekuur vertrekt de zwarte man. Hij laat de blanke vrouw en de kleine jongen achter. Uiteindelijk stapt hij de donkere straat op. Leeg. Niemand te zien behalve een paar mensen. Hij weet de bushalte te vinden en bestudeert de voorbijrijdende bussen. Bus 23 moest hij nemen. Net zoals de anderen, steekt hij zijn hand uit. De bus stopt op zijn wenken. Hij stapt in en geeft de buskaart. Geld is niet nodig. Een oude dame zit kranig vooraan met een stok en naast haar een al even oude man. De zwarte man slentert naar achter in de bijna lege bus, blijft recht staan en staart naar buiten. Niemand spreekt hem aan. Voor een groot gebouw vol ramen stapt hij geruisloos uit. Nu kent hij de weg. Gehaast stapt hij door een parkje. In het land van de blanke vrouw mag dit. In zijn land niet. Daar loert de dood in het donker om de hoek. Zelf deed hij het wel eens als het niet anders kon. Zijn schoenen weerklinken op de straattegels in de zwoele donkere nacht. Eenmaal aan het appartement gekomen, beklimt hij de vier verdiepingen. In de studio is het stil. Muisstil. Hij trekt zijn schoenen uit en zet ze netjes naast de deur. Evenals zijn kleren. Uitgestrekt legt hij zich op bed neer en staart naar de sterren door het dakraam. Morgen zal hij Mtoto terug in zijn armen houden. Ook zijn vrouw. Vandaag ontmoette hij zijn kleine jongen. Zijn zoon.

Kristien Vliegen
0 0

In ons klote land

Ze zaten samen aan het ontbijt. Werner staarde voor zich uit, in zijn hoofd was hij wanhopig op zoek naar een ander leven, ver weg uit dit klote landje waar het echt elke dag moest regenen net nu hij noodgedwongen met de fiets moest. Hij liet het niet blijken, Eva was vrolijk aan het rondhuppelen in de keuken. Zij kon met de wagen, gaan genieten van de heerlijke koffie, in echte tassen.   De dag op kantoor begon zoals hij het verwacht had, na het openen van de mailbox had hij na drie e-mails al zoveel stront opmerkingen gelezen dat hij met plezier een enkele reis naar de maan had geboekt. Uitgerekend de manager zelf had dat laatste bericht verkeerd begrepen, misschien had hij het toch beter kunnen verwoorden, maar hierdoor was alles in het honderd beginnen lopen. Het wordt een zeer lange en vooral nutteloze dag, dacht Werner en hij begon eraan. Ze voelde zich goed vandaag, het is tijd om te oogsten, dacht ze bij haarzelf en met haar mok verse koffie nam ze rustig de tijd om zich te installeren. Ze wist wat haar te doen stond en ze wist precies hoe ze het zou aanpakken. Het ontwerp was zo goed als af, ze had reeds opbouwende kritiek gekregen, ze zou het vandaag afmaken en gewoon scoren, ze wist het gewoon, het hing in de lucht al van toen ze wakker werd wist ze het al. Charlotte zat recht tegenover Eva, ze voelde zich niet zo goed vandaag. Met afhangende schouders begon ze haar toetsenbord te mishandelen. Ze klopte de toetsen te hard in en staarde af en toe met lege ogen naar haar scherm om dan na enkele seconden terug in actie te schieten. Eva had het onmiddellijk opgemerkt, normaal wisselden ze kort van gedachten. Zou Charlotte het haar kwalijk nemen, eigenlijk was deze opdracht voor Charlotte maar ze was die dag afwezig geweest, haar zoontje was ziek of zoiets. De opgewekte Eva voelde zich opeens minder zeker van haar stuk. Ze kon moeilijk Charlottes mening vragen, dat zou gewoon verkeerd overkomen. Eva werkte in stilte verder. Het was bijna middag toen Werner op ctrl-S drukte. Met deze Excel file zou het moeten duidelijker worden voor iedereen in het team. Hij was eigenlijk wel tevreden over het resultaat. Had hij daar maar mee begonnen, het zou hem veel ellende bespaard hebben. In ieder geval had hij nu iets om te proberen en als bijlage verstuurde hij het. Hopelijk komt er nu snel een positieve reactie, dan kon deze grijze miezerige dag toch nog iets worden. Verderop werd er uitbundig gelachen. ,,Ga je mee voor het middagmaal Werner” riep Pol die, zoals bijna elke dag, goedlachs klaar stond om een veel te grote portie naar binnen te duwen. Hoe het mogelijk was, Werner had er het raden naar. De middag was meestal een verademing, even weg uit dat muffe kantoor. In de frisse lucht naar de overkant, de kantine, waar het altijd wel gezellig druk was. Over de middag bleef Eva aan haar bureau, ze nam een korte pauze met een verse kop koffie en werkte daarna naarstig verder. Het werk vlotte minder snel dan ze had gedacht. Charlotte was er niet na de middag dus kon ze in alle rust deze opdracht afwerken. De deadline begon te naderen en veel tijd zou er niet over blijven. Nu ze in de finale fase kwam was het misschien verstandig om toch nog een kopie te nemen om weg te schrijven. Eerst had ze het niet door, ze bewoog nog eens met de computermuis maar ze zag nergens het pijltje. Nog eens heftig schudden, en nog eens en nog eens, ze begon op de enter toets te kloppen maar het scherm bleef bevroren. Eva kreeg het warm en koud tegelijk, ze drukte nog eenmaal op de enter toets en toen kreeg ze een blauw scherm. Verstard bleef ze nog even naar het scherm staren, dit kon niet waar zijn. Hij voelde zich terug opgeladen, ze hadden alweer goed gelachen, even niet aan het werk gedacht. Hij had nu eigenlijk wat tijd over dus kon hij toch nog werk maken van de voorbereiding voor de komende meeting. Dit moest nu goed gaan, alleen nu kon hij zijn eigen fout rechtzetten. Tijdens de meeting viel alles op zijn plaats. Hij had zich zorgen gemaakt over niets, de manager vroeg nog wat extra uitleg omdat het een en ander niet duidelijk naar voren kwam uit voorgaande e-mails. Hij kon alles uitleggen en stipt om 16u30 sloot hij zijn PC af. Hij dacht niet aan de regen die opnieuw met bakken uit de lucht kwam. Hij had gescoord, ‘job done’! Een groot stuk van de presentatie was verloren gegaan, Guido van de IT dienst had geen verklaring voor het vastlopen. Dit kan al eens gebeuren, zei hij en wandelde terug weg. Met het schaamrood op de wangen had Eva tegen Marie, haar leidinggevende, moeten zeggen dat de presentatie voor morgen nog niet af was. Ze zou de volgende dag vroeger beginnen om het vooralsnog af te krijgen. Bij het nemen van haar handtas stootte ze nog tegen haar koffie mok die nog half gevuld met koude koffie stond te wachten op de poetsdienst. Ook dat nog dacht Eva, met de geur van oude koffie aan haar handen stapte ze in haar wagen om vervolgens op automatische piloot naar huis te rijden. ,,En hoe was jou dag?” vroeg Werner opgewekt aan Eva. ,,Het kon beter” antwoorde ze en begon aan de bereiding van het avondmaal. Ze zaten samen voor de TV, Werner lag ontspannen languit en onderuit gezakt in de hoek van hun oude fauteuil. Eva zat in de hoek met een deken tot aan haar kin opgetrokken. Ze kon zich niet echt verwarmen die avond en ze zou eens vroeg gaan slapen. Het bleef maar regenen, in wat voor een klote land leven we eigenlijk dacht Eva en ze trok het deken nog iets hoger.                                                                                                                 G.R. Maart 2018

Geert Roelandts
0 0

Het is het licht - opdracht 5

‘Salu allemaal!’ roept hij. En trekt de deur dicht, haast zich naar buiten, HAAR achterna. Hij zoekt haar, gejaagd. Ziet haar stappen aan de overkant van de straat, in het schemerlicht van deze perfecte avond.  Verdomd, Bruno, denkt hij. Doe niet zo kinderachtig.            Het is het licht - denkt ze - dit schemerlicht. Alles is er in verzopen. Ze voelt de warmte  van de late lentedagen. Zalig, hoe ze zomaar, zonder jasje, zomaar, in haar jurk, met blote armen, met blote benen door de stad kan wandelen, denkend, voelend, bijna blindelings, bijna op de tast.    Maar hij weet het: dit is niet kinderachtig. Dit is sterker dan hemzelf. Het heeft hem van onder tot boven in de war gebracht. Hij, student, voorlaatste jaar burgerlijk ingenieur. Van plan om zo vlug mogelijk naar het buitenland te vertrekken, om de wereld te verkennen. Mét de goedkeuring van thuis, nota bene: in hun familie waren er heel wat die veel gereisd hadden: als handelaars. Of op de vlucht voor de hel van oorlogen. Het was een school voor het leven, zegden ze. Dus, als hij een tijdje naar het buitenland wilde: oké. Des te beter. En nu komt daar zo’n meisje tussen gewandeld, dat het allemaal in de waagschaal dreigt te gooien.  Een beeld van een meisje, dat wel.   Prachtig toch, waar ze daarjuist weer over discussieerden, denkt ze. Dat alle mensen gelijk zijn. Dat je zelf toch wéét dat je het beste voorhebt met de andere. Je buurman ook. Dat hij zou reageren als jij, tenminste, als hij voldoende vertrouwen had. Maar dat ons eeuwen en eeuwenlang werd aangeleerd en ingepompt dat een mens zelfzuchtig is, een wolf voor de medemens. En dat we dus wantrouwig zijn tegenover elkaar en agressief. Dat we niet beter weten.   Maar het zou anders worden. Wij, beloofden ze aan elkaar – en aan de Jezuïet die hun gespreksgroep begeleidde – wij zullen hier mee breken. We zullen Anders GAan LEVen. Kiezen voor de liefde. Love and Peace, zoals in America. Saaie conventies, verstarde instituten: ze zullen ons leven niet langer beheersen. Geen oorlog meer, geen legerdienst. Burgerdienst. Of helpen in ontwikkelingslanden. Geen sprake meer van onderontwikkelde gebieden. Niet domineren, houden van alle mensen, zonder onderscheid van rang of stand of kleur.   Jawel, ze was anders dan de meeste meisjes die hij kende. Ze interesseerde zich  voor meer dan voor kleedjes en armbanden en ringetjes en thé dansants en later vele kindertjes. Ze stond perfect haar mannetje in discussies. Deze avond nog, op de vergadering over dat anders gaan leven: hij was helemaal akkoord met wat ze zegde. Ze sprak ook vlot mee over literatuur en beeldende kunst en muziek. Films interesseerden haar niet zo erg. Maar dat was bij te leren…Verdomd! Wat hij uitkraamde!  Wat er in zijn hoofd rondzwalpte! En in de rest van zijn lijf…   Hoe ze hier stapt… Ik ben gelukkig, denkt ze. Ik heb geluk gehad, langs alle kanten. Met thuis, toch. Met de vrienden van de jeugdbeweging. Met de vrienden hier. Een kind zou ze nooit meer willen zijn. Die tijd was zwart.  Maar dat was lang, lang geleden. Dat was ze vergeten. Daar denkt ze niet meer aan. Nooit meer. Jamais! Ze is gelukkig.  Punt. Uit. Ze heeft geluk gehad. En ze geniet. Van elke stap. Van het geroezemoes op de caféterrasjes. Van het gelach uit de open ramen van de studentenhuizen. Van het idee dat god liefde is en dat Alle Menschen Brüder werden.   Opgepast, ze steekt de laan over, ze gaat die zijstraat in. Zie ze stappen, met blote armen, blote benen, in die turquoise jurk, zie hoe die jurk elegant mee zwaait met elke stap die ze zet. Studenten kijken haar na van op de caféterrasjes, geven lachend  commentaar, hier en daar wordt er gefloten. Zij stapt verder,  op haar eigen ritme. Zou ze dat niet doorhebben? Merkt ze dat dan niet? Merkt ze niet dat hij smoor is op haar? Verliefd als de eerste de beste puber. Wat was het toch, dat hem zo fascineerde? Waarom lag hij ’s nachts wakker, twijfelend tussen haar een aanzoek te doen en zijn zin voor zelfbehoud, zijn West-Vlaamse schrik om zich bloot te geven, om met zijn gevoelens te koop te lopen, om zich te laten verleiden.  De ascetische opvoeding op het college bij de Jezuïeten zal daar ook wel voor iets tussen zitten, denkt hij.   Het is fris geworden. Hij moet haar laten gaan. Er is hier bijna geen volk meer op de straat. Het zou teveel opvallen als hij haar nog verder volgde. Maar zìj laat hèm niet los, verdorie. Haar glanzende bruine haren, haar slanke lijf, haar vriendelijke gezicht. En die ogen! De mooiste ogen van alle porren in Leuven – zeggen zijn maten van haar. Tot voor kort had hem dat niets gezegd. Tot voor kort wilde hij iets anders dan achter meisjes lopen. Maar nu hij HAAR was tegengekomen… Het licht, als dauwdruppels in haar ogen… Hola, makker, denkt hij, straks ga je er nog gedichten over schrijven! Ze is Beatrice niet, toch!       Het is donker nu. Het loopt door haar hoofd wat haar doopmeter haar verleden zaterdag vroeg: ‘Heb je er al eens over nagedacht, Frida, wat je voor jezélf zou willen? Zonder al die sukkelaars die je zou willen helpen en die je zullen opeten? Je gaat toch niet naar ’t klooster gaan, zeker? Je wordt toch geen non? Nee. Gelukkig. Hewel, wie wil je dan zijn, binnen, pakweg, tien jaar?’. Zo was ze, die meter, ze nam geen blad voor de mond. Zeker niet als haar moeder er niet bij was. Ze heeft er over nagedacht de voorbije dagen. En het antwoord is: nee. Ze weet het niet. Zijzelf? Wat ze wil worden? Wie zal het zeggen? Wìl ze iets worden, gewoon, voor zichzelf? Verrek! Het was zo’n volmaakte dag. En nu loopt ze weer te  piekeren! Wat waren die prachtige verzen van Goethe weer? Über alle Gipfeln gibt’s Ruhe... denkt ze. En ook, met zoet verdriet, als bij liederen van Schubert, nocturnes van Chopin, dat haar vriendinnen nu bijna allemaal met een lief rondlopen en zij niet  en dat ze zo alleen is en zou ze ooit...       

versta
23 0

opdracht 5 (Adinda)

Opdracht 5 De oorspronkelijke scène: Het kleine meisje maakt ook vrienden in de tuin, ze verzint ze en geeft ze namen, ze heten Ilda en Olda, samen krijgen ze een kind Odrata, later zal ook nog Ekstra geboren worden. Ik moet lachen als ik haar vol overtuiging de naam van de verzonnen boorling hoor uitspreken, jij schudt je hoofd, een meisje dat bezoekjes brengt aan haar zelf verzonnen vrienden in de tuin, wat moet daarvan worden? Maar ik ben het niet met je eens, die verzonnen vrienden helpen haar evenveel, ja zelfs meer dan wij kunnen doen. Wij kijken maar toe, zij delen met haar hun leven, leiden haar de tuin in. Zoals het dreumesje in een van de gedichten die haar moeke zo vaak las. ‘Dreumesje dribbelt door het tuintje, tot ver aan het hek in de heg. Daar staat hij te reiken te reiken, om over de spijltjes te kijken’. Het meisje kijkt met grote ogen naar de wereld, op de foto’s van die tijd zie je haar vaak met de blik in de verte, of naar de wolken. ‘Want achter het hek ligt een weitje en achter het weitje een rij van bloeiende bloeiende bomen’. In de tuin bij het baksteenrode huurhuis aan de steenweg is een bloemperkje met bloeiende stuikheide en daarachter een sparrenbos. ‘En wat daarachter nog zal komen? De hemel denkt dreumesje blij’. Ook zij is er dan nog gerust in. Meer en meer woorden sijpelen haar wereld binnen, ze drinkt ze op. Woorden kan je proeven, ontdekt ze, er zijn van die zinnen die je een lekkere smaak in je mond bezorgen terwijl je ze leest. Haar moeke werkt in de bibliotheek, ze houdt van boeken zonder ze te lezen. Het meisje leert lezen als vanzelf, daar in de bibliotheek staan zoveel boeken te popelen. Ze plukt bosbessen met de kinderen van Bolderburen tot haar vingers er paars van zijn, bakt pannenkoeken in Villa Kakelbont, laat haar lentekreet door de bossen klinken samen met Ronja de Roversdochter. Ze wordt stapelverliefd op Ridder Tiuri en nog meer op zijn maatje Piak. Ze ontpopt zich tot Gods Vlindertje en trekt met een huifkar door Frankrijk om muziek en troost te brengen in dorpen en kastelen. Met een papieren kleedje wordt ze door een boze stiefmoeder de sneeuw in gestuurd met een stuk oud brood en een mandje, want ze moet aardbeien gaan plukken. Maar ze deelt haar brood met een dwerg en die weet aardbeien voor haar te vinden. Ze past een nieuwe groene jurk net als Laura uit het kleine huis op de prairie, maar heeft jammer genoeg niet het koperkleurig haar dat daar zo mooi bij is. Jij zou ongeduldig van haar worden, ‘wat een dromertje’ zou je zeggen, ‘daar heeft de wereld niet veel aan’, maar ik kan het niet laten haar van nabij te volgen. Toegegeven, je moet er je tijd voor nemen, op het eerste zicht is het gewoon een meisje dat wat tekent en knutselt en in fantasiespel is verwikkeld, als ze tenminste niet met haar neus in de boeken zit.  Op school zegt ze niet veel, ze draagt de ribfluwelen broeken uit de fabriek waar haar grootvader werkt, of een schots rokje dat nog van haar nichtje was. Mooi zijn is iets voor in de boeken, of voor andere kinderen. De banken in de klas van het meisje staan in een U, vooraan in de bank is een gleuf, daarin ligt haar vulpen, naast die gleuf is een gat, dat is van toen de inkt nog uit een inktpot kwam, toen schreven ze vast met een ganzenveer. Nu moet je je pen niet in de inkt doppen, maar af en toe de vulling vervangen. Sommige andere meisjes van de klas, bewaren in één vulling de ‘bolletjes’ van de gebruikte vullingen, dat zijn de dekseltjes die je naar binnen prikt als je een nieuwe vulling begint, zij doet dat niet, ze schenkt haar bolletjes aan anderen. Ik zie haar zitten in de klas, ze hoort de juf een vraag stellen, de vingers van de kinderen gaan omhoog, ‘juf, juf, juf’ hoort ze hen smeken, zij bijt op haar lip, kijkt naar haar pen in de gleuf en denkt: ik wou dat ik niet hoefde te spreken, dan schreef ik alleen nog maar briefjes. Dan hoefde ik niet de aandacht te trekken. Als je schrijft, heb je tijd om na te denken en als de mensen lezen, nemen ze tenminste de tijd om te luisteren.   Herschreven vanuit een ander perspectief:   Mijn oudste dochter heeft veel fantasie, ze vertelt me over haar vrienden in de tuin. Ik moet glimlachen om hun namen, ze heten Ilda en Olda en krijgen twee kinderen: eerst komt Odrata, daarna Ekstra. Ik onthoud het allemaal, dan kan ik het haar vertellen als ze wat ouder zal zijn, ze zal er dan zelf om glimlachen. Ik ben in die tijd veel thuis, ze heeft nog een kleine zus en ook het broertje is op komst. Ik lees vaak voor. Ze wil altijd dezelfde gedichtjes horen. Er is het grote boek ‘rijmpjes en versjes uit de nieuwe doos’, maar er is ook een klein boekje dat ik voorlees tot het versleten is. Waar zou dat nu zijn? Ik volg een opleiding bibliotheekschool, bij ons thuis waren niet veel boeken, maar het lijkt me werk dat ik graag wil doen. Mijn jongste zoon mag nu ook naar school, ik vind werk in een bibliotheek enkele dorpen verder. Bibliotheken zijn open als de mensen vrij zijn, dat is niet handig, op die momenten wil ik liever bij mijn kinderen zijn. Soms komen ze met hun vake langs om me op te halen, onze oudste dochter heeft heel vlot leren lezen. Ze zit dan soms nog even in een hoekje op de grond te lezen terwijl ik afsluit en mijn spullen bij elkaar zoek. Ik blijf niet zo lang in de bibliotheek werken, ik vind werk als maatschappelijk assistent bij de poetsdienst van de ziekenkas, dat is gemakkelijker te combineren met de zorg voor de kinderen. Een keer om de twee weken gaat een van ons met de kinderen naar de bibliotheek. Mijn oudste dochter neemt altijd het maximum aantal boeken mee, sommige boeken leest ze zelfs twee keer. Soms lijkt ze erg afwezig, die dochter van me, dan zit ze met haar gedachten nog in het boek dat ze aan het lezen is. Mijn kinderen zijn gemakkelijke kinderen, ze zijn erg rustig. Mijn oudste dochter staat vaak bij me in de keuken en dan helpt ze me met koken. In de klas is ze een stil meisje, ze heeft goede punten. Ze heeft buikpijn op zondagavond als het maandag zwemmen is. Ik weet dat ze bang is van de badmeester in het zwembad in Ravels, die is erg streng. Meester Walter van het derde leerjaar is een paar keer uitgevlogen tegen Rakesh, het is dan ook geen gemakkelijke jongen. Ik weet dat ze het lastig heeft met dat conflict in de klas. OP school zegt ze niet veel. Haar zus is minder gesloten, die staat vrolijker in het leven en krijgt grote rollen als er toneel gespeeld wordt op school, ergens moet ook nog een opname zijn van toen ze ‘meneer Wonka’ speelde in de musical van de Muziekschool in de Warande.    

Adinda
0 0

Rien à déclarer

Een man verklaart zijn liefde aan een vrouw op straat. Zij antwoordt: dat is lief, maar liever niet. En ook dat liefde niet te verklaren valt.   De man kijkt bedroefd.   Ik heb daar een leuke anekdote over, zegt ze om de man te troosten. Wil je het horen? Ik zag het allemaal zelf gebeuren.   Goed als ik in medias res begin?   Liever ab ovo, zegt de man, dan kan ik beter volgen.   Oké, zegt de vrouw. Ik stond eens in de luchthaven in de rij.   Rien à déclarer? vroeg de douanier. Si, antwoordde een vrouw, mon amour.   De douanier zei dat dat niet grappig was, dat op liefde zware taksen stonden, en dat ze even mee moest komen naar een kamer met een deur waar een slot op zat.    De vrouw antwoordde dat ze dacht dat dat niet waar was, dat ze een koppel kende waarvan beide partijen vroeger elk in een ander Duitsland woonden, en dat dat inderdaad weinig kostenefficiënt was, maar dat nu zowel Duitsland als de Europese markt eengemaakt waren en daardoor de taksen weggevallen. En of hij wist wat een anachronisme was.   Ik kan niet volgen, zei de man.   Niet erg, antwoordde de vrouw, ik vond juist een beter argument. Ik hoorde ooit dat liefde een uitzondering is, omdat het geen grenzen kent. Dat moest hij eerst even opzoeken.    Mag ik je gsm gebruiken? De mijne is plat. De vrouw liet dat toe.   Inderdaad, zei de man na een poos, op liefde is geen VAT te krijgen. Mijn oprechte excuses.   De vrouw zei dat het geen erg was, maar dat ze nu toch wel een beetje nieuwsgierig was geworden naar dat kleine kamertje van hem. De man suggereerde dat als ze het kamertje zo graag wilde zien, ze misschien kon zeggen dat ze vier kilogram cocaïne bij zich had.   Goed idee, zei de vrouw. Ik heb vier kilogram cocaïne bij me, maar het zit wel goed verstopt. Dan zal ik je moeten handboeien, zei hij. Waarom? Zo is nu eenmaal de procedure. De procedure? De vrouw gaf de douanier een knipoog en hij begon  onprofessioneel te blozen.    In het kamertje zei hij nog dat ze het recht had om in het Nederlands te antwoorden, want dat Brussel meertalig was. Maar uiteindelijk werd er tijdens de hele procedure erg weinig gesproken.   Het onderzoek duurde zo lang dat de reizigers tot in de Duty Free Shop stonden aan te schuiven. Zoiets hadden ze in Zaventem nog nooit meegemaakt.   Wanneer de vrouw klaar is met haar anekdote, zegt de verliefde man dat hij niet alles geloofd heeft, maar dat het wel een mooi verhaal is. Dat hij het misschien wel liever hoorde dan de woorden ik hou ook van je.

Johannes D.
27 0

Dreef der Gedachtenis

Dit is een hoek van de begraafplaats aan de Viale Rimembranze in Crone, nabij het Idromeer in Italië. Dreef der Gedachtenis. Bijna vier jaar geleden schreef ik, na de plaats bezocht te hebben, het volgende:     En dan het dode meisje. Achter het kerkje in Crone volgde ik een weg, omboord met zwart-witfoto’s van wereldoorlogshelden, die naar een begraafplaats leidt waar bloemen overheersen. Roze, geel, rood; ze verstikken de graven, verbergen de urnenwanden. Ik zocht daar naar het recentste graf, een verse dode. Bij een urnennis met daarvoor drie vetplantjes zakte ik door mijn knieën, om zo de foto te kunnen bekijken van de Italiaanse schone met weelderig krullende haren. Dat zo’n schoonheid verloren was gegaan, trof me. Ik blijf haar gezicht voor me zien, maar verder wou ik niets laten doordringen, omdat ik al voorvoelde dat ze me zou achtervolgen. Geen naam, geen exacte leeftijd (ik herinner me alleen dat ze ergens in de jaren ’90 was geboren), ik heb nièt de liefdesbrief gelezen die erbij lag, ik heb geen foto van het graf genomen, ik ben er de dagen erna niet naar teruggekeerd. Alleen de sterfdatum (13-05-2014) en het gezicht.
En in de auto op weg naar huis voel ik me dus triest om dat meisje over wie ik niets weet. Omdat ze gestorven is. Omdat er zo veel sterft.     Die Italiaanse schone is me gevolgd tot in 2018. Over twee maanden zal ze vier jaar dood zijn. Ik heb nu spijt dat ik geen foto nam van haar graf. Haar naam, haar foto met het gezicht dat ik inmiddels vergeten ben (ik zie alleen rosse krullen), de liefdesbrief verpakt in plastic. Ik denk niet dat die er nog ligt, maar ik hoop het wel. Vanochtend moest ik plots aan haar denken, zomaar, zonder aanleiding. Of toch een die niet te achterhalen valt. Ik dacht: ik ga haar zoeken op google streetview. Haar zo dicht benaderen als ik kan. Ik typte de plaats Crone in de zoekbalk, vond er nog moeiteloos mijn weg, arriveerde met een paar klikken in de Viale Rimembranze, kwam noodgedwongen tot een halt vòòr de, nochtans openstaande, poort aan de hoofdingang van de begraafplaats. Via een zijweg, die ik wel kon betreden, bereikte ik de achterkant van de plaats, waar ik mij ook een poort herinnerde. Die was zowel in 2014 als op de foto dicht.   Ik herinner mij hoe ik diep op de begraafplaats was doorgedrongen, ik was er alleen en het was er zo stil, de bergen hoog en onoverkomelijk rondom mij. En toen kwamen er drie in het zwart geklede vrouwen door de poort die inmiddels ver achter me lag, ze naderden en liepen me voorbij, zonder naar mij te kijken. Ze praatten niet. En toen ik even na hen een hoek omliep, waren ze weg. Ook al was het kleine stuk achteraan, voorbij die hoek, met lange rijen urnennissen, erg overzichtelijk. Het kon niet anders of ze waren door de achterpoort weer weggegaan. Ik voelde aan de poort, maar die was op slot. En toen werd die stilte zo zwaar, dat ik mijn hart hoorde kloppen. Het enige levende hart daar.   Dus daar op de foto, achter dat zwarte hek, het hoekje om naar links, ter hoogte van de drie vuilniscontainers, staat onderaan tegen de grond de urne van het mooie meisje. Een meisje zo heel erg mooi dat je je nauwelijks kan voorstellen dat zij zou doodgaan. Alleen, zag ik toen pas, is zij er nog niet op deze foto. Hij werd genomen in 'sep. 2011'. Zij is dan nog aan het leven. Nog tweeëndertig maanden. Wellicht loopt zij daar ergens rond, mooi te wezen, zich afvragend wat ze vanavond zal dragen voor het feest. Zich nog van geen kwaad bewust. Misschien kent ze de briefschrijver, die om haar zal gaan treuren, nog niet.   Ik sluit de foto weer, en ook mijn gedachten over haar. Misschien duikt ze over enkele jaren opnieuw op in een stukje. Als ik er dan nog ben.  

Katrin Van de Velde
0 0

Opdracht 4 - Veerle Schaltin

De straat ligt er verlaten bij. Geen zuchtje wind doet op deze zomerdag de plataanbladeren op het plein ook maar een tikje wiebelen. Farahilde parkeert haar wagen vlak voor de oprit van haar ouderlijk huis. Haar sleutel sputtert tegen als ze hem in het slot van de voordeur omdraait. De deur kraakt als ze ze openduwt. De trap met tapis plein naar de eerste verdieping kreunt onder haar voetstappen. In de living staan één zetel en een reusachtige boekenkast vol boeken. Verder is het er leeg. Geen planten meer op de vroeger overvolle vensterbanken. Geen kaders aan de muren. En nergens nog de altijd rondslingerende paperassen. Haar ouders zijn vandaag naar een assistentiewoning verhuisd. Eigenlijk zijn ze daar te jong voor, maar haar vader is ziek, en haar moeder denkt de zorgen voor hem niet alleen aan te kunnen. Zij en Luc moeten boeken komen kiezen. Wat ze niet meenemen, wordt naar de kringloopwinkel gebracht. Toch gooit ze zich niet op de boekenkast. Ze neemt wel nog een trap naar boven en loopt haar oude slaapkamer in. Het paarse behang daar bladdert af. Op een schab staan vergeten kaften. Het lichtkoordje dat altijd boven haar bed hing, bevindt zich eenzaam aan de muur. Ze knipt het licht aan en uit. Dan kijkt ze door het raam. De tuin van Ilse waar ze zo vaak ging spelen. De dakgoot waar Luc nog ingeklommen is om ’s nachts bij de buurjongens op bezoek te gaan. De muur waarlangs ze zelf met buurjongen Eric communiceerde. Eén klop. Ben jij daar? Twee kloppen. Ik kan niet slapen. Drie kloppen. Zien we elkaar morgen op straat? Ze bonkt nog een keer. Niet te luid, want de buurman zou het kunnen horen. Dan staart ze weer uit het raam. De Montreal waar ze verstoppertje speelde. Het huis van de Pukkie waarmee ze bijna dagelijks ging wandelen. Daken van nieuwe huizen waar vroeger bomen stonden waarin ze kampen bouwde. Luc blijft lang weg. Had hij nog werk in de serviceflat? Ze vindt het niet erg. Haar voeten willen immers niet meer bewegen.  Als ze zichzelf uiteindelijk toch de kamer uit dwingt, voelt ze een zeurende pijn zoals wanneer je een pleister van een wonde trekt om hem te verversen. Ze piept even in de slaapkamer van haar ouders. Onbekende meubels. Een beddenbak met slechts één lattenbodem. Ernaast een paar sloffen met gaten. Vanuit de badkamer schreeuwen twee felroze lavabo’s haar toe. Vroeger was er slechts één, een witte. Ze slentert de trap naar de living af. Daar laat ze haar handpalm langs de vele boeken glijden. Bij de dichtbundel ‘Dingen die niet overgaan’ hapert ze even. Hoeveel gedichten heeft ze niet overgeschreven uit dit boek? Sommige kent ze nog van buiten. ‘Multatuli’ springt haar in het oog, en ‘Cécile’, een boek met dezelfde naam als haar moeder. Ze durft geen enkel boek uit de kast te nemen. Als Luc eraan komt, zou hij kunnen denken dat ze al gekozen heeft zonder op hem te wachten. Ze tuurt in de leegte. Dan ploft ze in de zetel en kijkt opnieuw naar buiten, naar de straatkant nu. Daar was haar thuis.   Ze ziet de camionet van dertig jaar geleden. Het is een even zomerse dag. Haar vader, Walter en zijzelf sjouwen af en aan met valiezen, zakken en dozen. Ze stapelen ze in de garage om ze daarna zo slim mogelijk in de camionet te plaatsen. Haar moeder loopt in de weg. Af en toe verzet ze iets. Ze heeft een brede glimlach op haar gezicht. Farahilde stommelt de trap af met meer pakken dan haar armen eigenlijk kunnen dragen, als plots een gebrul door de gang klinkt: ‘Wie heeft die dozen op de plaats van mijn fiets gezet?’ Luc is onverwacht thuisgekomen. Van het schrikken trapt ze mis, maar ze weet zich toch staande te houden. In een wip is ze in de garage en ziet ze hoe Luc zijn fiets woest bovenop haar dozen smijt. ‘Nu gaat ze weg! Is ’t nu nog nie goed?’ tiert Walter. Hij pakt de fiets en zet hem bruut aan de overkant. Farahilde gooit haar zakken neer en sleept de dozen zo vlug mogelijk naar buiten. Luc wipt van zijn ene been op zijn andere. Ze denkt dat hij Walter te lijf zal gaan. Maar dan draait hij zich om en stampt de trap op. Haar moeder staat er roerloos bij. Haar glimlach is nu een streep. Zodra ze de deur van Lucs kamer hoort dichtslaan, verandert hij toch weer in een voorzichtige lach. Ze verdwijnt ook naar boven. Walter drukt Farahilde even stevig tegen zich aan. Dan werken ze zonder nog iets te zeggen harder door dan eerst. Als de camionet volgeladen is, en de garage leeg, zet haar vader Lucs fiets terug op zijn plaats. Walter en Farahilde stappen in de camionet. Haar vader heft zijn arm als ze wegrijden. Ze zwaaien flauwtjes terug.   Ze hoort een autodeur dichtklappen. Luc is eindelijk daar. De boeken zijn snel verdeeld. Luc neemt enkele boeken uit de kast die hij zeker wil hebben. De andere krijgt Farahilde, want ‘hij heeft geen tijd om te lezen’. Het gros van de boeken die zij niet meeneemt, legt hij toch op zijn stapel. Met meer boeken dan haar armen eigenlijk kunnen dragen stommelt ze de trap af. De treden kreunen een allerlaatste keer onder haar voeten. Het voelt alsof ze nu pas echt verhuist. Ze is gehaast. Ze wil dit afscheid niet rekken. Ze gooit de boeken op de achterbank van haar auto, en wuift naar Luc, terwijl ze het portier dicht zwaait. ‘Tot later!’ Haar handen trillen op het stuur als ze de straat uitrijdt.               ‘Weet dat je wordt bemind en gesteund op deze reis,’ fluistert Farahilde tegen het kind dat  Walter in haar armen legt. Ze drukt hem dicht tegen haar borst, streelt zijn bolle wangen en de haartjes op zijn hoofd, en glimlacht. ‘Dag, Johannes!’ Nu pas valt het mistdeken dat haar de voorbije uren omwikkelde af en beseft ze dat dit kind het hare is. Dat zij hem op de wereld heeft gezet en de rest van haar dagen voor hem zal zorgen.   Rond half zes wordt ze wakker door een immense plas water die uit haar vagina gutst. Ze stoot Walter aan. ‘Lap, het is van dat!’ Het duurt even voor hij zijn ogen open krijgt. Dan springt hij uit bed en haalt meteen het beddengoed af. Terwijl zij onder de douche staat, dweilt hij de slaapkamer. Ze nemen de koffer die ze pas gisterenavond heeft klaargezet en rijden langs benevelde velden en lege straten naar het ziekenhuis. ‘Goeiemorgen. Mijn water is gebroken,’ zegt ze tegen de receptioniste. ‘Ik heb gebeld,’ vult Walter aan, ‘Het is voor een keizersnede.’ ‘Waarschijnlijk toch. Eergisteren lag ons kindje nog dwars.’ Ze haalt haar schouders op. ‘Ik heb hem nog voelen bewegen, maar of hij voldoende gedraaid is om gewoon te kunnen bevallen…’ ‘Wacht hier even,’ antwoordt de receptioniste, ‘De verpleegster haalt jullie zo meteen op.’ Een vrouw in een wit pak brengt hen naar de verloskamer. Farahilde krijgt een riem om haar bolle buik. Zodra die met de monitor verbonden is, zien ze hun kind op het scherm. ‘Het hartje klopt normaal,’ stelt de verpleegster hen gerust. ‘Er is ook nog voldoende vocht in de vruchtzak. Maar ik denk niet dat hij gedraaid is. De dokter zal straks uitsluitsel geven. Zij is nog niet aanwezig. Heb je weeën?’ Farahilde schudt haar hoofd. Dan valt de blik van de verpleegster op Farahildes handen. ‘Jij hebt rode nagels! We moeten de huidskleur onder je nagels kunnen zien.’ Ze beent weg en komt terug met een pot aceton en een pak watten. Terwijl ze op de gynaecoloog wachten, verwijdert Farahilde het rode kleurtje. De baby ligt inderdaad nog steeds dwars. Farahilde wordt naar de operatiezaal gereden. Walter loopt er achteraan. Eerst moet ze op haar zij gaan liggen en krijgt ze een spuit in haar rug. Dan zetten ze een hoge tafel met een groen tafellaken over haar buik. Die beneemt haar alle zicht. Walter houdt haar hand stevig vast. Plots komt een straal pipi boven de tafel uit. De dokter en haar assistent lachen. ‘Proficiat, mevrouw!’ Een verpleegster toont een kind in een doek. Farahilde strijkt met een vinger langs zijn gezichtje. Dan is de verpleegster alweer weg. ‘Kom maar mee, papa!’ Walter volgt haar tot achter een glazen wand. ‘Drie kilo honderdnegentig,’ roept iemand, ‘achtenveertig centimeter, apgarscore tien-tien-tien.’  ‘We gaan al naar de kamer,’ komt Walter zeggen. Hij zoent Farahilde. Een vertwijfelde blik. ‘Tot gauw.’ De dokters trekken en duwen aan en in haar buik. Dan rollen ze haar de recoveryroom in. Naast haar staan twee bedden met slapende mensen. Voor haar hangt een klok met wijzers die trager tikken dan normaal. Ze probeert ze met haar ogen te verschuiven. Pas na een eeuwigheid brengt een verpleegster haar naar de kamer waar Walter met de baby op haar wacht.   Ze drukt het kind nog dichter naar zich toe. Walter kruipt tegen haar aan. Hij schuift zijn vinger in het vuistje van de baby. Zo zitten ze daar een hele tijd met drie in één cocon. Een verpleegster verstoort de stilte. ‘Heb je de baby al aangelegd?’ ‘Hij slaapt,’ verontschuldigt ze zich. ‘Hij moet toch eten. Hoe sneller je hem aanlegt, hoe beter voor de melkproductie.’ Walter verhuist naar de stoel aan het raam. De verpleegster maakt het operatieschort los en trekt het naar beneden. Ze verschuift het kind zodat zijn lippen de moedertepel raken. Er gebeurt niets. De verpleegster neemt de borst in haar handen en duwt ze in de kindermond. ‘Ondersteun ze zelf met je vrije hand,’ beveelt ze. Zacht tikt ze enkele keren tegen de wang van de baby. De jongen sabbelt even. Haast meteen valt hij weer in slaap. ‘Blijf tikjes geven,’ spoort de verpleegster Farahilde aan. ‘Als hij een beetje heeft gedronken, probeer je de andere borst.’ Ze verlaat de kamer. Het kind dommelt meteen weer in. Farahilde probeert hem met tikjes te wekken.  Ze duwt haar tepel naar zijn mond toe. Walter komt weer dichterbij zitten. Als hij over de wang van de jongen wrijft, tuit die even zijn lippen. Veel melk krijgt hij echter niet binnen. Na een poosje proberen ze de andere kant. Ze krijgen het kind niet goed gelegd en zo vindt hij de tepel niet. ‘Ik kan het niet,’ zucht Farahilde. Uiteindelijk bellen ze om hulp. De verpleegster legt een kussen onder Farahildes arm. Enkele tikjes op de wang en de baby zuigt. De verpleegster lacht. ‘Maak je geen zorgen. Als hij niet genoeg drinkt, geven we hem straks wel wat suikerwater.’ Farahilde trekt grote ogen. Ze hoort de moor fluiten en de lepel waarmee Moéke de suiker onder het kokende water roerde in het glas rinkelen. Speeksel vormt zich net als toen in haar mond. Het was lang wachten tot het water weer wat afgekoeld was en haar mierzoete troost kon brengen. Een voorrecht dat je alleen ten deel viel als je ziek was. Haar kersverse kind is niet ziek. Hij is moe. En zijzelf is te stom om hem te kunnen voeden. ‘Dat wil ik niet,’ zegt ze. De verpleegster heeft de deurklink al vast. Ze fronst haar voorhoofd. ‘Hij heeft toch iets nodig om aan te sterken.’ Om beurten duwen Farahilde en Walter de tepel tussen de lippen van de jongen. Na een poos neemt Walter de baby over en legt hem in het plexiglazen bedje naast het raam.  ‘We proberen het straks wel opnieuw. Hij is te moe nu.’ Wat later verschijnt het hoofd van de verpleegster in de deuropening. ‘Is het gelukt?’ ‘Ja!’ knikken Farahilde en Walter gelijktijdig. Als de deur toegaat, kijken ze elkaar aan. Tranen wellen op in Farahildes ogen.                           ‘I’m singing in the rain, just singing in the rain…’ De muziek is nauwelijks hoorbaar in de kelder, maar Farahilde hoort hem wel, tussen het geroezemoes van de grote meisjes verderop aan de toog, het gejoel van de jongens die tussen en over de bergen kleren die overal verspreid liggen springen, en het herhaaldelijke ‘Stt…’ en ‘Zit stil!’ van de juffen die hen proberen rustig te houden door.  Helemaal alleen zit ze op de bank vlak aan het luik naar de zaal, op blote voeten en in een blauw maillot. Op wat brandende spotjes na is het pikdonker. Niemand merkt haar op. Ze bibbert. ‘What a glorious feeling…’ Ze zou boven moeten zijn en mee dansen. Wekenlang heeft ze elke woensdagmiddag geoefend. Ze kent nu alle passen en danst ook in de maat. En ze laat de paraplu, als Wilfried die naar haar gooit, haast nooit meer vallen. In het begin deed ze dat wel. Wilfried lachte haar dan uit. Dat deed hij ook als ze moest tuimelen en zo scheef rolde dat ze tegen hem aanbotste. Maar ondertussen heeft ze veel geoefend thuis in de tuin, en ze weet wel zeker dat ze vandaag recht zou rollen. Alleen die kus onder de paraplu op het allerlaatst, daar had ze nog tegenop gezien. Wilfried lachte dan altijd zo raar. Stiekem had ze liever met Dirk gekust. Maar die danste met Ann. Al wist ze niet wie vandaag met wie danste. Toen ze zich daarnet, toen het bijna hun beurt was, op twee rijen voor de trap naar de zaal moesten klaarzetten, ontdekte de juf dat er een meisje te veel was. ‘Da’s waar ook,’ zuchtte ze, ‘Marc is ziek.’ Ze duwde alle meisjes een plaats vooruit, tot ze bij Farahilde kwam. Die nam ze bij haar schouder vast en drukte ze neer op de Zweedse bank. ‘Blijf jij maar hier.’ Het luik was opengegaan. De jongens marcheerden de zaal in met hun paraplu’s over hun schouder en de meisjes huppelden er achteraan. Farahilde bleef achter op de bank waar ze nog steeds zit. Piepkleine beestjes, net luizen, tuimelen rond in haar buik. Dat is vervelender dan in haar haren, want in haar buik kan ze niet eens krabben. Ze trekt haar benen op, grijpt haar knieën stevig vast en wiegt zacht heen en weer. Moeke en vake zitten in de zaal. Vragen zij zich af waar zij nu is? Ze staat op en slentert naar haar jas die helemaal aan de andere kant van de kelder hangt. Uit de binnenzak diept ze een bonnetje op. Aan de toog steekt ze het in de lucht. Het komt maar een klein stukje boven de tapkast uit. Het duurt dan ook even voor iemand het ziet. ‘Paprikachips alstublieft.’ Met de chips zet ze zich weer op de bank. Ze opent het zakje. ‘A smile on my face…’ De chips kraakt tussen haar tanden. Hij kruipt in de spleten en holtes in haar mond. Hij smaakt een beetje naar de zweetvoeten waar heel deze kelder naar ruikt. ‘I’m dancing and singing in the rain.’ Als het applaus tot in de kelder doordringt, laat ze de chips nog harder kraken. Het luik gaat open. ‘Ik heb het goed gedaan!’ ‘En ik de paraplu niet laten vallen…’ ‘Dat was plezant!’ ‘Ik heb ons mama gezien!’ ‘Mijn mama zat op de eerste rij!’ ‘Mijn zus en mijn broer ook!’ ‘Mijn zus applaudisseerde het hardst!’ ‘Stt!’, sist de juf, ‘Jullie hebben het heel goed gedaan, maar ze mogen ons boven niet horen.’ Farahilde gooit haar zakje in de vuilbak. Ze neemt een tweede bonnetje uit haar jas en koopt nieuwe chips. Ze laat hem nu zo hard kraken dat dat het enige is wat ze nog hoort.

veerle schaltin
6 0

opdracht 4 sabine steels

Nazomer 2017   Sheaboter trekt bijtjes aan, merk ik. Ze zoomen gedurig rond mijn benen en scheren af en toe zacht langs mijn nek. Telkens schrik ik op en sla het al lang vertrokken insect wild weg. De zon brandt van rechts op mijn gezicht en eigenlijk is het kleed dat ik draag te warm. Ik hoor alleen maar natuur, de haan die vooraan in de straat, zo’n anderhalve kilometer voorop, kraait, de bijen, het gekwetter van vogels en als grondtoon het kabbelen van de beek die net achter de haag een verdiepinkje daalt. Hemelser wordt het niet en toch ben ik ongemakkelijk. Omdat ik iets zou moeten maar het niet aan het doen ben. Geld verdienen? Iets produceren? Maar ik wil terugdenken aan het feest van mama.   De hele oprit staat vol wagens. Mama heeft ze allemaal weten te verzamelen, ook diegenen die niet meer met elkaar praten. Hoewel we van alle genodigden het korst bij wonen, komen we toch laat aan. We parkeren op straat. De schapen beginnen meteen en zoals altijd overdreven hard te blaten. Ook wij zijn blij hen terug te zien. De jongens lopen al door, achterom via de tuin naar de keuken, tot ze al het volk opmerken. Mama zou het aperitief op het ‘oosterterras’ geven. ‘Daar blijft de zon zo mooi lang hangen en dan hoeft al dat volk niet voor mijn keuken te staan’. Het is een gezellige boel, ik spot meteen Tony, klein maar nog steeds dik. Het feestvarken. Hij wordt 72. Een wit hemd, breed open aan de hals. Ze drinken bubbels. Linda brengt hapjes rond. Iedereen is er, hier en daar ook iemand die ik niet meteen kan plaatsen. Ik feliciteer eerst Tony, en werk dan de ronde af waarin hij staat: Vera, Francine en Erik, iemand die ik niet ken en die zich als Nicole voorstelt. ‘Door jou heb ik ‘Het achtste leven voor Brilka’ gelezen’ zegt ze, ‘en het was fan-tas-tisch’. Juist, mama had me inspiratie gevraagd en ik had dàt boek getipt. De zon schijnt fel, maar verderop komen donkere wolken aanschuiven. De kinderen zeggen iedereen beleefd gedag en lopen dan recht naar de trampoline. Ik ben trots op mijn kinderen, het zijn fijne, zotte jongens, mooi, en heel verschillend. Het is goed dat ze niet wegkruipen achter mijn rok maar iedereen gewoon dag zeggen. Zonder flauwekul, met vertrouwen. Mama heeft de ronde partytafels gezet, en een buffettafel voor de drank. Het is fijn om deze mensen terug te zien. Altijd. Marc kent bijna iedereen. Ik merk dat hij ontspannen is, dat hij zijn best doet. Tony is nieuw voor hem en ik weet dat hij zo dadelijk prijs zal hebben. Ik krijg een glas van papa. Hij speelt die rol voortreffelijk, die van gastheer onder regie van mijn moeder. ‘Paulus, nu dit, Paulus, nu dat’. Hij kijkt haar over zijn bril aan, een monkellach, zijn bovenlichaam helt overdreven naar achter en zijn knieën veren meer dan gewoonlijk, hetgeen hem iets energieks geeft. Ik zie aan die houding dat hij er zin in heeft – de houding en het enthousiasme waarmee hij ieders glas bijschenkt– en natuurlijk de muziekkeuze. Paul Simon vandaag, Diamonds on the Soles of her Shoes, net dat tikkeltje te luid. Dat doet papa altijd bij feesten, de muziek te luid zetten. Ik vraag me telkens opnieuw af of het aan mij ligt dat ik de kakafonie van geluiden niet goed verdraag of dat hij hardhorig wordt, of dat hij zijn zelfgekozen, dagelijkse isolement op een sociale happening als deze wil overcompenseren door alles te goed te willen doen. Ik spot mama. Ze komt met een lege vaas vanuit het huis en is zoals altijd blij ons te zien. Heel even gaat haar ‘dirigentenknop’ af en knuffelt ze ons uitgebreid, tot ook dat voorbij is en ze ‘Lindaatje’ en ‘Paulus’ met een volgende opdracht belast. Linda brengt soepjes rond – een van vele amuse gueules -  in kleine aardenwerken bekertjes. Groene soep met een oranje bloemetje erin. Mama huurt die kommetjes niet, ze heeft ze om dit soort feestjes te geven. Vijfentwintig of meer aardewerken kommetjes voor de soep en dezelfde aantallen aangepaste bordjes voor alle hapjes die volgen. Ze is vervuld van geluk wanneer ze een feest geeft, niet zozeer omdat ze alle vrienden dan terugziet - dat natuurlijk ook - maar vooral de acte zelf ze allemaal bij elkaar te brengen geeft haar een diepe voldoening. Daar de motor van te zijn, het te initiëren en te orkestreren, na te denken over de plaats van handeling (starten op het oosterterras, daarna onder de pergola en als uitwijkmogelijkheid de living), de kleuren van de servetten en de tafelkleden en dat doortrekken in de keuze van de bloemen, het uitzoeken van recepten, gewaagde combinaties maken en door er met ons over te praten, ze mentaal proeven én verbeteren, Linda een dag op voorhand inschakelen om de zetels te versleuren en de tafels al te dekken en dan -  de dag zelf -  alles vlot laten verlopen. Zij is maître d’orcheste en ze is de beste in haar vak. Ik zie vanuit mijn ooghoek dat het zover is. Tony heeft Marc beet. Daar was geen ontkomen aan. Er is natuurlijk het gemeenschappelijk ‘Antwerpenaarschap’ en ook Tony is blijkbaar niet bestand tegen de zoete lokroep dat het bv-schap uitstraalt. Marc weet dat ik Tony het archetype van de pedante Antwerpenaar vind, daarvan heb ik hem over de jaren heen al heel wat voorbeelden gegeven. Voor zover ik me kon herinneren – mijn hele bewuste leven– is Tony een moppentapper van het soort dat in feite niet geestig is – of dat vonden wij toch niet. Meestal waren het moppen in de trend van ‘Antwerpen dit en zus en zo, en de rest is parking’, en hoe de Limburgers daar als sloom en bijna achterlijk bij afsteken. Wij konden daar al heel snel alleen maar groen om lachen, niet zozeer omdat wij zelf in Limburg wonen en Tony wél om de haverklap bij ons op bezoek kwam, maar vooral de herhaling ervan verveelde ons. Bij elk bezoek werden diezelfde grollen opnieuw verteld, en wij begrepen daar de zin niet van. Wat ik daarentegen wel wonderlijk aan hem vond, was dat hij zijn leven aan jaartallen ophing als in: ‘In 74, toen ik als arts in opleiding stage liep in Egypte en bijna werd opgegeten door een krokodil in de Nijl’, terwijl ik mijn jonge leven aan geen enkel jaartal behalve mijn geboortejaar kon vastknopen. Tony is psychiater en nooit getrouwd. Hij is altijd écht alleen geweest en naarmate zijn grappen ook andere mensen begonnen te vervelen, werd hij hoe langer hoe minder genodigd. Deze keer heeft iedereen het opgebracht om voor hem samen te komen. Hij is altijd verliefd geweest op mijn moeder – of dat beweerde zij toch -  maar dat belette hem niet om ook te koketteren met de andere vrouwen van hun vriendenkring. Mietje bijvoorbeeld, waar ik intussen mee sta te babbelen. Ze is niets veranderd in die vijfendertig jaren. Nog altijd een bloedmooie brunette met een fragiel Limburgs accent. Haar woorden weloverwogen gekozen. Lange haren in een paardenstraat, kastanjebruine ogen, een smal gezicht met zachte gelaatstrekken. Gracieuze, slanke vingers, maar ook knokig dankzij het minutieuze werk als juwelenontwerpster. Ze vertelt over David, over Jo en Sara, en haar kleinkinderen. Hoe Jo en David zo ondernemend zijn, en het harde leven van Sara als alleenstaande moeder en onderzoeker. Dat ze alle drie een zeilboot hebben en nog vaak allemaal samen met haar en Harry gaan zeilen. En dat ze geen juwelen meer maakt omdat ze geen eigen atelier meer heeft. In vijf, zes zinnen is een heel leven bijgepraat. Ondertussen eet ik onophoudelijk kaaskoekjes, nootjes en de hapjes die worden rondgebracht. Ik kan er niet vanaf blijven en voel me al snel verzadigd. Anso komt erbij staan. Ze moet net toegekomen zijn. Ze ziet er moe uit, maar ze straalt. Ze heeft nog maar pas een restaurant geopend en je ziet aan haar dat ze fysiek bijna geen marge meer heeft. Ze is graatmager en ze is de enige van ons drie die altijd al last heeft gehad van migraine. Ze staat heel scherp. Maar ik zie dat zij hier ook van geniet. Al die vrienden samen. Een aantal mensen die ik nog niet had gegroet, lopen nu richting pergola met servies in de handen. Annick, tante Nouch, Thierry, en Benny, die in feite in de weg loopt. Het zijn oude versies van hun jonge zelf. Goed geconserveerd. Kloek en blakend. Ze hebben zich allemaal mooi gemaakt voor het feest en ze ruiken lekker. Iedereen wordt ingeschakeld. Op aangeven van mama wordt in de tuin gedekt. Ze wil het erop wagen. De servetten liggen net en dan komt er een flinke zucht wind. Ze dansen over de tafel naar links, het gazon op. De lucht is donkergrijs. ‘Het gaat langs ons heen scheren, scheren maar niet raken.’ Samen met Benny monster ik de lucht. Hij heeft een soort van piep in zijn stem, die elk moment lijkt te gaan breken. ‘Wij gaan gespaard blijven’. Maar dat is natuurlijk niet zo. Tante Nouch loopt achter de servetten aan. Het is een koddig zicht. Nu komen ook de kinderen erbij. Hun schoenen staan nog bij de trampoline. Ze rennen het gras op, de dansende servetten en tante Nouch achterna. Ik roep hen op te letten voor de ‘kippenkak’. Dat wordt zo stilaan een running gag in de familie, sinds papa kortgeleden geen vat meer had op de kippen die mama koopt en waarvan ze verwacht dat hij ze verzorgt. Het is begonnen bij de gigantische kippenren die ‘doorbraakplekken’ vertoonde waar papa niet tegenop gewassen bleek. Sindsdien laat hij de kippen de vrije loop in de tuin en vermenigvuldigen ze zich aan een razend tempo. We hebben er nu 34, waarvan 27 kuikens. Hij schijnt die chaos niet onprettig te vinden. Volgens mij doet het mijn vader denken aan het utopisch samenleven in een bucolische tuin zoals Epicurus dat placht te doen en zoals hij zelf zijn studententijd in Leuven doorbracht met de vrienden die hier vandaag verzameld zijn.  Een zoete herinnering aan vroeger, die hij nu op kleine schaal aan zijn kippen gunt. Maar ondertussen schijten die kippen wel de hele tuin onder. Of misschien is het een kleine daad van verzet van hem aan het adres van mijn moeder, die hem gedurig commandeert. Ik hoor nu een scherp en dwingend ‘Leen’ door de tuin galmen. Tante Nouche.  Mijn mama heeft een hekel aan die naam, maar ze berust in alle kuren van haar zus. ‘Leen’ komt aangesneld en er wordt overlegd of ze wel doorgaan met dekken. Er is veel wind – ook de jurken en de haartooi van de genodigden lijken nu overgeleverd aan de grillen van de wind– en er zijn regendruppels gesignaleerd. We horen in de verte de fruitkanonnen afgaan die de wolken moeten verdrijven. Mama beslist dat het toch de living wordt. Geen probleem, daar was ze op voorzien. De hele ribambelle gaat terug naar binnen – kussens, servies, bloemstukjes -  behalve de loodzware, oerdegelijke tuinstoelen die zo net met man en macht werden aangesleurd, die mogen blijven staan. Ik zoek mijn man. Hij staat op het gazon bij Annick. Ze zijn blijkbaar druk verwikkeld in een gesprek want de druppels deren hen niet. Ze is nog altijd een mooie vrouw, de huid van haar gezicht na een heel leven nog steeds strakgespannen over de brede jukbeenderen als van het leer over een tamboerijn. Het is onbegrijpelijk dat in die textuur toch rimpeltjes aanwezig zijn, rond en om de ogen. Ze is altijd verzorgd maar zelden knap gekleed. Ook vandaag draagt ze een wat ouderwetse rok met losse plooien over haar brede heupen en in een appelblauwzeegroen dat niet flatteert. Ze praten over Genk. Annick is van opleiding archeologe en ze is gek op alles wat naar geschiedenis ruikt. Bovendien is ze van Waterschei en ik weet nu dat Marc haar over het huis in de Stalenstraat heeft gevraagd. Maar deze keer moet ze het antwoord schuldig blijven. De cité kent ze als haar broekzak maar het huis achterin kent ze niet. Ik heb Annick altijd gemogen. Ze is belezen, erudiet en geïnteresseerd zonder zich ooit op te dringen, én ze kent echt veel van culturele geschiedenis. Ze is nu de partner van Benny, al een hele poos eigenlijk. Benny heeft drie goedaardige hersentumoren achter de kiezen en is daardoor deels verlamd. Toch stapt hij nog, al is dat wankel en met een stok. Ik kijk vanop het gazon hoe hij het trapje van het terras naar ons wil nemen: het is één trapje in een smalle doorgang aan beide kanten begrensd door kniehoge buxus. Ik kijk of hij zich zal mistellen en struikelen, want zijn voet sleept wat en is verdraaid. Maar het lukt natuurlijk. Hij heeft in zijn eigenaardige stap een eigen vaardigheid ontwikkelt die nu zijn ‘normaal’ is. Benny’s echte vrouw kon de pech niet aan en heeft hem verlaten. Misschien was hij onhandelbaar geworden? Of misschien was zijn karakter veranderd na zoveel operaties? Benny was nogal breedsprakerig vroeger, luidruchtig ook, met bulder lachen en zo. Liefst samen met Thierry. Ik denk dat papa in Leuven bewust het gezelschap van die mannen zocht, om zijn stille kant in evenwicht te brengen. Het is het type mannen waarbij de mop altijd om de hoek ligt en zelden mislukt omdat ze die zo weten te orkestreren dat je gedwongen wordt te lachen. Als je dat maar mondjesmaat doet is het ook niet erg omdat niemand harder lacht dan zijzelf. Maar Benny was dus alleen komen te staan en had ook zijn flamboyante, alomtegenwoordige zelf wat verloren. En Annick was allang niet meer de vriendin van mijn vader. Ik weet er het fijne niet van waarom dat is afgesprongen. Het meest waarschijnlijke antwoord is allicht dat mijn beide ouders hadden ingezien dat een ‘ménage à quâtre’ op de lange termijn minder vanzelfsprekend is dan de eerste, gloedrijke, vrije jaren deden vermoeden. Maar iets in me zegt dat Annick er uiteindelijk een punt achter zette. Een sterke vrouw, weduwe van vier kinderen, die geen zin meer had en genoeg zelfrespect om niet voor altijd slechts een weliswaar felbegeerde, maar toch een ‘nevenvrouw’ te blijven. En dus dwong ze papa om een keuze te maken. Het is me nog steeds een raadsel waarom papa niet gekozen heeft voor deze vrouw. Ik denk dat hij tot lang daarna verteerd werd door liefdesverdriet en zijn hart toen een stukje is gescheurd.   Ik zoek de blik van mijn man. Hij staat te praten met Harry. Ik merk dat hij door wil. Ik zou liever blijven maar hij wil een toertje gaan doen in de omgeving. Huizen kijken. Dat doen we graag, het is een soort van ‘gezamenlijk project’, soms denk ik dat het een surrogaat is voor de verstandhouding die we niet hebben. En bij elk mooi huis dat we zien, prikt hij ook de mogelijke droom die eraan vasthangt onmiddellijk kapot. We ontdekken die middag Vechmaal, een dorpje op een kwartier van mijn ouders maar nog steeds in het heuvelrijke Haspengouw.  We onthouden het voor een volgende wandeling. Drie uur later keren we weer. Het is een prachtig tafereel. Nu zitten ze wel onder de pergola. De zon komt van de andere kant, lager, gloedrijk, minder fel. Een geanimeerde bende, onderuit geschoven, de flessen wijn bijna leeg, en daarachter onze kinderen. Ze voetballen met Liliana. Ik neem wat van het desserten buffet en vul ook een bordje voor Linda. Ze is in de keuken en wast de laatste borden af. Alles is proper. Ze loopt wat gebukt, ziet er moe uit. We zitten samen op het terras voor de keuken. Ook daar schijnt de zon nu. ‘Hoelang ben je nu bij ons?’, vraag ik. ‘Van toen Thomas geboren is. Ka kwam hier werken in het atelier en ik gaf Thomas het flesje.’ Thomas is 19 geworden dit jaar. Ik zie dat mijn jongste in zijn ogen wrijft. Onze kinderen zijn moe. We stappen op.   Aan dat feest van vorig weekend denk ik, en ik bewonder mijn ouders voor zoveel energie. Ze zijn in alle opzichten geslaagd. Behalve dan wat mij betreft. Boordevol talent, veelbelovend en toch niet uit de startblokken gekomen. Een eeuwige studax. Wat durven ze vertellen over mij wanneer ze ergens op bezoek zijn en er wordt over de kinderen opgeschept? Ik blijf maar vasthangen in dat verleden, kom niet los van dat aardige nest. Mijn dromen over net zo’n leven, met een grote vriendenkring, avontuurlijke reizen, veel cultuur, zwoele avonden vol discussie en galmende lachsalvo’s, een eigen, bloeiende zaak en de allure van een vrijgevochten, onafhankelijke vrouw. Niets daarvan heb ik weten te realiseren. Ik hoor een auto dichtslaan op de oprit. Mijn man is er. Hij vraagt me wat ik aan het doen ben. Wat ik gedaan heb vandaag. Ik mompel iets terug terwijl ik de tuin in loop en naar de beek staar, daar waar het water een verdiepinkje valt en in een ijltempo wegstroomt.   Herfst 1985   Ik sta in de beek naast het kasteel. Het water gutst bijna mijn laarzen in. Ik doe voorzichtig, wandel behoedzaam met een dikke steen en twee takken van de oever naar het midden. We bouwen een dam. Bik’s idee. Het is zaterdagochtend, Ardennen-weekend. Morgen is mijn verjaardag. Deze keer heeft mama een groot kasteel gehuurd, midden in een bos. Elk jaar heb ik het heerlijke gevoel dat ze dat hele weekend speciaal voor mij organiseert. Dit jaar zijn we zelfs met twintig! De Putten en de Valkenborghs zijn ook mee. Mijn handen zijn rood en bevroren, maar dat geeft niet, want ik hou van het geluid van het stromende water. Het voelt aan alsof we iets groots aan het doen zijn, iets belangrijks, iets onomkeerbaars. Ik ben vastberaden zo lang te bouwen tot het perfect is. Ka, Tom en Erik helpen  mee. Niemand speelt baas. Bik legt wel uit hoe een dam precies werkt, maar dat is niet hetzelfde. Erik, dat is een baasspeler. Normaal zegt hij heel de tijd wat mijn grote zus moet doen. Alsof hij de baas over haar is. Erik is een stomme, egoïstische prut-etter, net als zijn vader, Jos. Ik weet niet wat Ka in hem heeft gezien. Met zijn bleke jeans en zijn lelijke loopschoenen altijd. En hij stinkt.   De anderen druppelen het kasteel uit, met laarzen en jas aan. “Bineke.” papa roept van aan de deur, “Kom, we gaan vertrekken.” Hij wacht tot ik bij hem ben. De anderen zijn groter en sneller, en zijn al met de rest mee vertrokken. Papa en ik zetten de pas erin. Ik zoek een stok om te schrapen. Hij moet groot genoeg zijn om op te leunen, stevig, maar niet te dik want dan krijg ik hem nooit geschraapt. Papa geeft me zijn zakmes. Bovenaan maak ik een scherpe punt. Om als wandelstok te dienen én om vissen te kunnen vangen in de dam straks. We hebben de rest ingehaald. Sara, Alwin en ik lopen op de hoge zijkant van de weg, een beetje in het bos, parallel met de groten. Het bos ruikt nat. Ik trap op de bladeren. Een beetje vochtig. Ze blijven aan mijn laarzen plakken. Ik mik met mijn stap op takken die onder de bladeren liggen. Ik hoop dat ze daardoor knappen. De wandeling duurt lang. Mijn benen worden moe. “Is het nog ver? Nu hebben we toch al heel ver gestapt, papa?” “Toch nog een eindje.” Ik trek een vies gezicht.  “Papa, ik kan echt niet meer.” “Allez komaan, Bine” zegt papa half lachend, half kordaat. Ik weet wat ik nu moet doen. Ik blijf staan. Papa loopt verder. Ik zet me op mijn hurken en kijk naar mijn laarzen. Mokkend. Ik probeer zonder mijn hoofd op te richten, te kijken of papa nog doorloopt of al gestopt is. Hij is gestopt en kijkt naar mij. “Kom nu, Binneke” Hij lacht, de lacht van een medestander. Nu nog even volhouden. Wanneer ik er zeker van ben dat hij me op zijn schouders zal tillen, loop ik naar hem. Nu geraak ik thuis zonder te stappen, ik zal van schouder op schouder worden overgeheveld tot we er zijn.   Na het avondeten wandelen we naar het dorp. Het is al donker. Iemand maakt een wolvengeluid. Ik mag met de groten mee. Zonder volwassenen. Ik zit op de schouders van Bik en we zingen. De straat helt naar beneden, ze is nat en de verlichting doet het asfalt oplichten. We hebben één zaklamp mee. Ik voel me groot. In de verte horen we de bomen fluisteren.   Ik lig moe in de zetel en staar naar het vuur. Mama, Jos, en twee Valkies kaarten. Ze spelen kleurenwies. Ik kruip op mama’s schoot. Ze zegt me wat troef is. Ik probeer te onthouden welke kaarten er in de stapeltjes van de anderen liggen. Papa en Annick lezen in de zetel. De anderen spelen boven op de overloop. Er knalt een kastanje kapot. De vuurspetters vliegen de living in, maar niemand kijkt op. Ik mag ze uit het vuur halen, heel voorzichtig. Mijn gezicht wordt gloeiendheet. De geur van gepofte kastanjes is bijna zo goed als die van nat bos. Mama en Tom winnen. Mama wint altijd. Zij is de slimste van iedereen. Ik loop de gang in. Het is er koud. Mijn zussen zijn boven, samen met de andere kinderen. Ze maken een kamp met de matrassen. “Ik verhuis mijn matras naar jullie” hoor ik Anso zeggen. “Ik slaap niet meer in de kamer van mama. Ze maakt de hele tijd walgelijke geluiden met Jos. Ik doe alsof ik slaap maar ik hoor het toch”. Ik begrijp niet wat ze bedoelt, maar er is nog plaats op de overloop als we straks alle matrassen een beetje opschuiven.   Iedereen komt naar boven nu, om te slapen. Zelfs de volwassenen. We zijn lang mogen opblijven. Ik ga naar de kamer van mama en papa voor een kus. Papa ligt al in bed. Naast hem ligt Annick. Ik haat dit. Zal ik doen alsof er niets aan de hand is, of durf ik iets te zeggen? “Waarom lig jij niet bij mama?” “Mama ligt in de andere kamer” lacht hij. “Heb jij zo niet koud? Waar is je pyjama?” Papa mompelt iets. Ik ga naar de gang en kruip op de matras, met mijn gezicht naar de muur. Het ruikt muf in het kasteel. De muur is klam en er brokkelt wat wit stof af. Morgen vieren we mijn verjaardag.   Zomer 1993   De vogels fluiten al vroeg. Ik ben het niet gewoon door de natuur gewekt te worden. Voorbijrijdende auto’s, ja, maar die snorren mee op het ritme van je ademhaling. Deze vogels zijn zo invasief, prikken je slaap kapot, dwingend. Mama heeft haar droomhuis gevonden. Eindelijk. Weg van de praktijk, zodat ze ’s avonds de deur achter zich dicht kan trekken en er een fysieke afstand is tussen haar en het werk. En ineens een Tabula Rasa van dat intens verstrengelde verleden. Open ruimte. Vrijheid. Anonimiteit. Ik ben kwaad. Ik mis ons prachtige rijhuis. Nu lig ik in een spuuglelijk, vrijstaand huis met een Oostenrijks soortig dak en een afbeelding van een eend boven de voordeur. Wel met een grote tuin maar afgelegen. Ik geraak nergens meer. Niet op café, en niet op fuiven. Voor de school hoeft het niet meer. Ik zit op internaat sinds vorig jaar. Zelf gekozen. Om Frans te leren. En omdat ik toch altijd alleen thuis ben tijdens de week. Ka zit op kot in Gent en Anso in Brussel. Mama en papa werken tot laat. Voor de weekends is dit huis echt niet praktisch. Op 10 kilometer van alles. Nu moet ik met de bus of met Herman. Gelukkig heb ik Herman. Mama liet me eerste keuze voor de kamer. Ik slaap als enige beneden. Een kamer met blauwe natuursteen. Kil, lelijk maar mét open haard. Heel het huis is lelijk. Vol gelegd met alle mogelijke soorten tegels, afschuwelijk gecombineerd. Alsof de tegelfabrikant die hier vroeger woonde al de overschotjes heeft gebruikt. Deze keer heb ik niet begrepen wat mama erin zag. Maar zij ziet het dus, hoe het zal worden en wat ze ervan kan maken. Het is koud en klam in deze kamer. Ze ligt aan het Oosten en is als een extra legoblokje op het huis geplakt, een uitstulping, een aanhangsel. Met een klein terras. Er zit een vochtplek boven de haard en de muur boven mijn bed is een soort van ingemaakte legplankenkast waarmee ik niets kan. Herman heeft er op de achterkant van een immens stuk behangpapier in zijn sierlijk handschrift een gedicht over nachtbrakers overheen geplakt. Ook dat is esthetisch niet wat het moet zijn. Maar het is wel een mooi gedicht. Vandaag staat mijn taak Frans op het programma. We moeten tussen een hele reeks poëziebundels van Franse surrealisten eentje kiezen en daar iets ‘vernieuwends’ mee doen. Ik wil een dansvoorstelling maken, met de gedichten van Paul Eluard. Ik versta zijn teksten niet altijd. Versta bijna niets eigenlijk. Maar twee gedichten wel en die vind ik top. Vandaag ga ik door heel de bundel, om alles te ontcijferen en er de lijn die ik in mijn hoofd heb, uit te halen. Straks komt ‘Antwerpen’ op bezoek. Mama heeft Tony en Thierry genodigd. Tony kan me helpen met het Frans, hij is tweetalig opgevoed en koketteert genoeg met zijn talenkennis. Ik wil tekst, muziek, dans en decor gebruiken. Zie het zo voor me. Sowieso de Gnossienne van Satie. En dan twee dansers en drie actes: liefde, twijfel, verval. Ik ben opgetogen over mijn idee. En vanavond, wanneer het af is, komt mijn lief.   Ik zie Charlie de oprit opwandelen. Hij heeft zijn gitaar in de hand. Zijn stijve, lange haren in een paardenstaart, zodat zijn brede nek zichtbaar is. Dat liften van hem vind ik geweldig cool. Op slag verliefd was ik, toen ik hem voor het eerst zag. Een rebel, een eigenwijze superstar. Leek zich van niemand iets aan te trekken. Hij was van een andere stad, en ik wist niets over hem. Behalve dat hij er echt goed uitzag. Mijn vrienden zegden dat hij een nietsnut was. School skipte. Niets voor mij dus. Ik wist het niet, had nog nooit met hem gepraat. Toch had ik hem uitgenodigd voor een fuif, via een briefje dat Herman hem had bezorgd. En hij was wonderwel gekomen. In het laat. Ik had al te veel gedronken. Zonder een woord te wisselen waren we beginnen kussen. En kort daarop moest ik overgeven. Mijn vrienden vonden het een schande. Dat ik met een vreemde kuste. En in zo’n staat. “Sabine, wat doe je nu!”, half verontwaardigd, half bezorgd. Het was dus wat bizar begonnen maar nu waren we smoorverliefd. Charlie kon fantastisch zingen. Hij deed wat hij wilde, was brutaal en onbezorgd – maar voor zijn ouders een zorgenkind dat niet wilde studeren. Ik vond hem geweldig, wild, origineel. En naar mij luisterde hij wel. Ik zou hem wel op het rechte pad brengen. En daarmee het benepen en kortzichtig idee over zijn ‘andere achtergrond’ van mama en papa voor eens en altijd tenietdoen. Gelukkig waren ze van het principe van het ‘open huis’: laat al die lieven maar binnen komen, maar ook en vooral omdat we dan weten wie ze zijn, dan hoeft het niet in het geniep en dan is het ook des te rapper gedaan.   Ik loop naar buiten en we kussen lang. Ik voel dat hij me een briefje in de hand stopt. Leuk, we geven elkaar vaak kleine briefjes of spulletjes, lieve cadeautjes.   “Ik heb iets laten zetten wat je niet leuk zal vinden. Maar het is onomkeerbaar en ik heb er goed over nagedacht. Het staat op mijn schouder zodat ik het niet de hele tijd hoef te zien, wanneer ik het dan beu ben, is dat precies een goede plek. Het is klein en met een mooie vorm. Hopelijk ben je niet boos. Ik hou van je Charlie.”   Ik kijk hem aan, vol ongeloof. “Mag ik het zien?” Hij opent zijn hemd en toont zijn schouder. Ik zie een klein mannetje, zwart, asymmetrisch, grafisch, ik herken het meteen. Het ventje van Einstürzende Neubauten. Ik kan er niet omheen, het is een goede keuze. Stoer én kwetsbaar. Maar ik voel ook boosheid. Onmacht. Een tattoo gaat nooit meer weg, het is dom. Ik hoor de echo van mama en papa in me gonzen. Ik vervloek mezelf.     Zomer 2016   Ik had nooit kunnen denken dat een mens zo moe kan zijn. Ik slaap uren aan een stuk in de speelkamer naast de keuken. Mama kookt er, de kinderen knutselen aan de keukentafel, ze lopen binnen en buiten, roepen, lachen, maar ik hoor niets. Ik ben doodop. Mama heeft de plek zo ingericht voor deze zomer dat ik dicht bij alles bij ben en toch kan rusten. ‘s Namiddag gaat het beter. Dan lig ik aan het zwembad en lees of teken, met m’n benen opgetrokken, altijd geplooid. Mijn buik trekt te veel om gewoon plat te liggen. Ik probeer opa te tekenen. Een tekening in eenvoudige zwarte lijnen. Het moet nog veel beter. Ik vind de vorm van zijn voorhoofd niet, terwijl dat net sprekend is. Mama zegt er niet veel over wanneer ze de tekeningen ziet, behalve ‘wie is dat?’. Ik weet dat ze vindt dat ik mijn tijd daarmee verdoe, dat ik vele talenten heb waar tekenen niet bij hoort. Ze is onvermoeibaar, host van de ene activiteit in de andere. Ze maakt milkshake en speelt gezelschapsspellen met de kinderen. Ze draagt handdoeken aan om een kamp te maken in de tuin. Ze zoekt in kookboeken naar lekkere, nieuwe recepten en vraagt me wat ik ervan vind. Ze zwemt met de jongens. Ik zie dat mijn jongste moe is. Hij wrijft in z’n ogen. Mama zegt dat hij een rustje moet gaan doen. “Ik ben niet moe” probeert hij, maar zijn stem draagt de capitulatie in zich. Hij weet dat hij moet gaan rusten. Hierover is bij zijn mimi geen onderhandelingsmarge. Hij is afgedroogd, heeft geplast en komt de speelkamer in. Hij zoekt iets om naast zijn bedje te leggen. Een verbindingselement, zodat hij nog een deel van de wakkere wereld heel dichtbij heeft en het gevoel dat hij niet alles moet missen van wat er beneden in zijn afwezigheid gebeurt. Maar mimi is kordaat. Hij moet de tijd nu niet proberen te rekken. Dit is uitstelgedrag. Grote mensen zijn de baas. Jij bent klein. Er moet nu en onmiddellijk geluisterd worden. Dat hoor ik allemaal in de manier waarop ze plots, luid en streng zijn naam roept. Hij verschiet en springt op van dit onverwacht salvo, alsof hij betrapt is. Ik weet wat mijn kind nu voelt. Hoe zijn hart een klop maakt in zijn keel, geschrokken, onbegrepen, bang. Hij neemt haar hand, buigt zijn hoofd en begint onhoorbaar te wenen. Zijn gezicht verkrampt, zijn mond groot open zodat hij genoeg lucht kan happen om die dikke, pijnlijke bal onrecht in zijn buik weg te krijgen.  Een moment is het onnatuurlijk stil, eentje die duidelijk maakt hoe klein en machteloos en onbegrepen hij zich voelt dat – zelfs al heeft hij zich flink bij het rustje neergelegd – hem die kleine, eigen beslissing toch wordt ontnomen. Zijn hoofd wordt rood en dan volgt een luide, diepe, hartverscheurende ween. Mijn hart scheurt, maar ik zeg niets. Mama is nu de baas. Mama is hier de baas. Zij doet alles en ze zorgt met hart en ziel voor ons. Hoe kan ik hier dan iets op zeggen? Ze kan dat niet verstaan, vindt integendeel dat ik teveel toegeef waardoor mijn kinderen ‘onhandelbaar’ zullen worden. Het is haar betrachting, haar hoop dat dat nog kan gekeerd worden, door wel duidelijk te zijn, kordaat en consequent.

Sabine Steels
0 0

Een nacht om nooit te vergeten

Daar stond ik dan. Midden in het bos. Het was donker, en koud. De wind huilde door de takken, ik zag geen hand voor ogen. Mijn enige houvast: een touw, gespannen tussen de bomen die ik probeerde te ontwijken. Stapje voor stapje kwam ik vooruit, voorzichtig de grond voor me aftastend met mijn voeten. Zou ik hier ooit nog uitkomen?   Ik had het aan mezelf te wijten. Het was slecht weer, thuis was het lekker warm en knus, naast mijn vrouw op de bank. Ik had thuis kunnen blijven. Maar nee, ik moest zo nodig op pad. Je bent schrijver, of je bent het niet. Een wandeling in het bos, in het donker, wie verzint er zoiets?   Een lichte paniek maakte zich van mij meester. Het besef midden in het bos te staan drong nu echt tot me door. Zou ik in mijn eentje de weg terug nog wel kunnen vinden? Even er van uitgaande dat ik überhaupt uit dit duistere deel van het bos zou kunnen ontsnappen?   Een touw, een dun levenslijntje, was mijn enige houvast. Ik hoefde alleen maar het touw te volgen om de weg terug te vinden, zeiden ze tegen me, alvorens me het bos in te sturen. Het was aardedonker, totale duisternis heerste. Als ik het touw los zou laten, was ik reddeloos verloren.   Ineens drong het beeld van een gapende afgrond zich op, brandde zich op mijn netvlies. Wat als bij de volgende stap plots de grond onder mijn voeten verdween? Wat als ik mijn evenwicht verloor? Zou het touw me nog kunnen redden?   Nog voorzichtiger zette ik mijn voeten neer, aftastend of ik wel ondergrond kon bespeuren. Krampachtig hield ik me aan het touw vast, mijn knokkels trokken wit weg. Het zweet brak me uit, ondanks de kou.   Ik zag de krantenkoppen al voor me: ‘Man gevonden in bos’. ’Mysterieuze verdwijning eindelijk opgelost’. ‘Hij lag op enkele meters van het pad’. Ik ben het ultieme product van mijn tijd, niet meer in staat de weg te vinden zonder TomTom of Google Maps.   Even dacht ik wolvengehuil te horen. Vast het product van mijn overijverige fantasie!   Verder gaat het, stap voor stap en hand over hand. Even dreigt er weer paniek, als ik het touw even kwijt ben. Ah, het touw maakt een hoek van 90 graden. Juist ja.   Weer op weg, zigzaggend door het bos. Mijn ogen begonnen te wennen aan het donker, ik kon vage vormen herkennen. Bomen en struiken verworden al gauw tot enge monsters, het kraken van de takken maakt een onheilspellend geluid. Toch is het op de een of andere manier geruststellend, ik kan in elk geval weer iets zien.   Ik hoorde stemmen! Nee, niet in mijn hoofd. Het waren andere stemmen, van andere mensen. Het was de groep waarmee ik het bos ingegaan was, die mij ook weer terug zou leiden naar de bewoonde wereld. Ik was gered!   Het was een nacht om nooit te vergeten.   Website: www.eigen-wijs-heden.nlE-mail: info@eigen-wijs-heden.nl  

EigenWijzer
0 0

In de prille lentezon - Achter de boeken - Bovenop het stapelbed - Marieke - opdracht 4

In de prille lentezon   Ze hadden hem samen tot in kamer 159 gebracht, zijn valies helpen uitladen, tandenborstel in het bekertje gezet en afscheid genomen. Op terugweg had zij de kinderen bij vriendjes afgezet, om hen de nodige afleiding en zichzelf wat rust te gunnen. De stilte overvalt haar als ze weer thuiskomt, omhult haar als een deken en smoort haar onrust. Geen kinderstemmen, geen radio, geen geroep of gehuil. Hoe lang was dat geleden? Ze voelt de vermoeidheid door heel haar lijf tot in haar hoofd kruipen, loopt meteen door naar de slaapkamer. Ze zet de dubbele terrasdeuren wijd open om licht en lucht overvloedig binnen te laten stromen, trekt de lakens van het bed en gooit die in de wasmand. Met een oude keukenhanddoek veegt ze het mosgroen laagje van de ligzetel op het dakterras. Ze legt zich languit in de prille lentezon en sluit de ogen.   Het suist in haar oren, de beelden van de vorige dagen flitsen aan haar voorbij. Het gewicht van de afgelopen periode drukt haar op de zetel neer. Het was een slopende aanloop naar de moeilijkste beslissing uit haar leven geweest. Het kraken van die bittere noot. Ooit was ze vastberaden geweest om haar kinderen niet aan te doen wat ze zelf in haar jeugd had ondervonden. Maar ze kon niet meer anders, wist dat het moest gebeuren. Ze zou het op haar manier doen. De spanning heeft zich vastgezet in haar lichaam. Als ze voorzichtig rondjes draait met haar schouders, trekken de spieren stram tot waar haar nek haar schedel raakt. Haar schouderbladen kraken. Zodra de zon haar huid zachtjes warm likt, voelt ze het gewicht langzaam van zich afglijden. Ze ademt diep in en laat de lucht voorzichtig langs haar lippen stromen. Alsof ze nog niet helemaal durft uit te ademen. Een behoedzame glimlach verschijnt op haar gezicht. Straks zal ze voor het eerst sinds vele nachten terug in haar eigen bed slapen. Van alle scenario’s die er lagen, lijkt het best denkbare zich nu te ontplooien. Al die nachten kamperen in de living heeft dan toch iets opgebracht. Als er een voor en een na was, dan is die na nu begonnen.   Die ochtend -tien dagen geleden- hoorde ze voetjes van de kinderkamer trippelen naar hun bed aan de andere kant van de gang. Daarna de paniek in zijn stem terwijl hij terugliep naar hun stapelbed en zijn zus wekte: ‘Mama is er niet!’. Haar geruststellende woorden: ‘Misschien is ze beneden, ik hoorde hen gisterenavond nog’. Gehaast maar voorzichtig zette hij zijn blote voeten op de koude trap. Hij kon niet wachten tot hij beneden was, boog zich voorover en tuurde tussen de metalen treden door, de living in. Zo keken moeder en zoon elkaar in de ogen. Opgelucht liep hij de trap af, sloeg zijn armen om haar heen en kroop mee in de slaapzak. Op een geïmproviseerd bed van twee grote kussens had ze een bijna slapeloze nacht doorgebracht. Ook zijn zus was snel beneden en schoof zo goed en zo kwaad als het ging mee bij hen aan op de kussens. Met haar twee kinderen in de armen, dicht tegen zich aan, deed ze haar best uit te leggen wat er te gebeuren stond.   Haar tienjarig meisje had het al voelen aankomen. Ze had er ook al met haar moeder over gesproken. Bij haar zoontje drong het bericht die ochtend voor het eerst duidelijk door. Een zucht, die meer op opluchting leek dan op verdriet, ontsnapte hem. Alsof hij toen ineens begreep wat hij al zo lang aanvoelde maar geen woorden kon geven. Alsof dit de reden was voor de onverklaarbare woedeaanvallen waar hij soms last van had, de spanning die hij voelde trillen in huis maar niet kon duiden. ‘We zijn al met zo veel kinderen van gescheiden ouders in de klas.’ Hij telde luidop, kwam aan tien vingers. ‘We zouden een praatgroepje hierover moeten hebben! Dan kunnen we horen hoe de anderen het doen.’ En zo werd de kiem gelegd van het groepje met een tiental tweedeklassers die samen ervaringen zouden delen over twee huizen, bezoekregelingen, ruzies en wisselmomenten.   De dagen die volgden zwalpte hun vader als een wrak in huis rond. Zij hield het roer in handen en ging op zoek naar oplossingen. Want zo kon dit niet blijven duren. Ze ging met de kinderen op stap en zag de bloesemknoppen klaarstaan om open te barsten. Ze keek rond naar huurhuizen, al wist ze dat het geen haalbare kaart zou zijn om een dubbel huishouden met enkel haar loon te onderhouden. Ze vond een leuk plekje via Airbnb aan het speelplein voor de school. Dat zou korte termijn soelaas kunnen bieden. En toch wilde ze haar kinderen niet uit hun vertrouwde huis wegrukken en kon ze hen in deze toestand niet alleen bij hem laten. Voor de middag kwam hij niet uit zijn bed, de rest van de dag hing hij als luie Wanja tegen de verwarming aan, snikkend, smorend, snotterend met af en toe luide uithalen van verdriet.   Dit wierp haar terug naar haar eigen kindertijd, waar ze de tranen van haar moeder niet had kunnen stelpen, waar ze dat immens verdriet meevoelde maar geen woorden kreeg om erover te spreken. Toen besloot ze als negenjarig meisje dat haar dat nooit zou overkomen, dat ze zich nooit zo afhankelijk van een man zou maken. Nu zag ze met lede ogen toe, dat door haar toedoen haar kinderen met een immens verdrietige vader werden geconfronteerd. Met dit verschil: zij zoeken elke dag weer samen naar de juiste woorden om te benoemen, begrijpen, om de dingen een plek te geven.     Die avond, toen ze al vijf dagen op de kussens sliep, had ze de kinderen in bed gelegd en zich uit huis aan een goed gesprek met een vriendin gelaafd. Ze geneerde zich voor de onverwachte zweetaanvallen die haar deze dagen parten speelden. Dan liep haar gezicht en hals helemaal rood aan en voelde ze de natte kringen in haar t-shirt groeien. Een onbekende ervaring die op café erg vervelend kon zijn, ze voelde zich dan bekeken. De vrouwen hadden zich afgevraagd of het een hormonaal- of stressgebonden fenomeen was. Een medisch onderzoek zou onnodig blijken, later zou ze dit effect telkens weer ervaren bij een piekmoment met grote spanning. Zodra die piek overwonnen was, verdwenen ook de 'vapeurs'.   Terug thuis verdween ze in de badkamer, gepoetst en opgefrist trok ze een vers gewassen pyama aan en kroop in de living haar slaapzak. Hij knielde neer en zette zich naast haar tijdelijk nest, hij smeekte om weer naar boven in het bed te komen. Wat moest hij doen om haar weer voor zich te winnen? Die vraag kwam veel te laat. Hij strekte zijn hand naar haar uit om een haarlok uit haar gezicht te vegen. Maar zij weerde dit gebaar af. ‘Laat je helpen’ was het enige wat ze op dat moment nog aan hem kon meegeven. En dat zou hij doen. Hij besprak het met zijn psychiater en samen waren ze er snel uit. Vanaf dan is de bal aan het rollen gegaan. Hij kon enkele dagen later terecht in de PAAZ, bij hun kinderen beter gekend als ‘de spoed voor mensen die ziek zijn in hun kop’. ‘Ik laat me opnemen, maar geef me dan nog een kans’ zei hij vlak voor zijn vertrek. ‘Ik kan niets beloven’ was haar oprechte antwoord, meer dan dat kon ze op toen niet zeggen. Ze moest nog leren voelen wat er kon en wat niet meer.   Daarnet hebben ze hem in het ziekenhuis afgezet. Zij laat de zorg over aan professionelen. Voor even is er een oplossing, dat geeft ademruimte. Ze blokt de onoverkomelijke gedachte nog af, dat hij snel de weekends vrij zal krijgen en weer voor de deur zal staan. Hoe zullen ze dan leven in datzelfde huis? Even is zij, voor het eerst sinds heel erg lang, alleen in huis. Haar thuis waar ze de laatste jaren van wegliep, vluchtend in werk en engagement. Nu geniet ze, bekomt ze, ademt ze weer. Straks legt ze verse lakens en slaapt verfrist in haar eigen bed. Alleen.      Achter de boeken   Het is bijna vakantie. De laatste loodjes wegen zwaar voor haar moeder. Zoals elk jaar. Er werd door de school weer gretig gebruik gemaakt van haar talenten om te tekenen én om geen neen te kunnen zeggen. In het Steineronderwijs is het de traditie om rapporten voor elke leerling persoonlijk te maken. Zonder punten maar in woord en beeld. Wat natuurlijk een bijzonder geschenk is voor elk kind en diens ouders, maar een gigantische berg werk voor de leerkrachten. Zo’n dag is het voor het meisje, helemaal aan de staart van haar eerste schooljaar in het middelbaar onderwijs. Ze trekt zich niet veel aan van de drukte. Want zij heeft weer een mooie buit in de bibliotheek verzameld, ze kan zich in zeven onbekende werelden onderdompelen. Sinds ze met de lidkaart van haar vader de volwassenafdeling literatuur mag verkennen, is er een nieuw universum bereikbaar. Op de jeugdafdeling en in de huisbibliotheek heeft ze nog weinig nieuws te ontdekken.   Ze worden vandaag mee op sleeptouw genomen, zij en haar broertje, naar een bel-etagewoning in een andere wijk van de stad. Daar waar die populaire leerkracht wiskunde woont met zijn kinderen. Als ze toekomen worden ze hartelijk door hem onthaald. Haar kinderen krijgen een kus op de wang, bij de mond van hun moeder blijft hij iets langer hangen. Hij nodigt hen naar boven uit, ze mogen meteen aanschuiven aan de grote tafel bij het gezin. De bezoekster port haar kinderen aan om iedereen beleefd te groeten. Licht blozend geeft het meisje de drie grote zonen en dochter een klam handje en slaat dan snel de ogen neer. Een dampende ovenschotel wordt geserveerd, pasta met vegetarische groentesaus. Sinds hij weduwnaar is, kookt een dame uit de buurt voor hem en zijn kinderen. De jongens klagen over het eten, het lijkt wel een traditie waar hun vader standaard wederwoord op geeft. Maar de honger overtroeft hun kieskeurigheid en al snel wordt elk restje uit de schotel geschraapt. Ook de borden worden vakkundig leeggemaakt. Hier en daar helpt een tong om elke verspilling te vermijden. Gelukkig komt er nog een dessert: een grote kom vanillepudding sluit de maaltijd af. Dan verdwijnen de jongeren naar hun kamers of naar de straat en wordt het even stil in de woonkamer.  Zodra de tafel is afgeruimd, wordt die helemaal ingepalmd voor de eindsprint. Ze ligt bedekt met papieren. Er wordt geschreven, getekend, geteld, geordend, lijsten gecheckt. Want morgen worden de getuigschriften uitgedeeld. Het meisje nestelt zich in een zetel in de hoek en vertrekt naar een kleurrijke magische wereld in Latijns-Amerika. Haar broertje volgt een van de grote jongens die een elektrisch treinspoor voor hem bovenhaalt.   Meegezogen in liefdesverhalen ten tijde van cholera, lijkt het meisje niet door te hebben wat er zich vlak voor haar neus afspeelt. Haar moeder straalt weer, lacht, geniet. Ze laat zich welwillend charmeren. Wat een contrast met de jaren van verdriet die zij achter zich heeft. En de jaren van zoeken naar de juiste man. Er zijn meerdere kandidaten gepasseerd maar door moeder en kinderen niet goed genoeg bevonden. Nu voelen ze alle drie dat het deze keer anders is. De kinderen zullen het hun moeder dan ook gunnen en deze man welwillend een plaats in hun leven geven. Drieëndertig jaar later volgt het volwassen meisje haar mankende zoontje de trap op. Halverwege draait hij zich om en verklaart plechtig: ‘Eigenlijk hebben wij twee stiefbroers en een stiefzus’. Er klinkt een soort van trots in zijn stem. ‘We hebben ze nog nooit ontmoet. Ook hun moeder kennen we nog niet’. Hij is bereid hen te aanvaarden, al weten die kinderen nog niet eens van zijn bestaan af. Hij geeft de nieuwe liefde van zijn papa alle kansen. ‘Maar mama, dat is toch niet zoals in de sprookjes hé? Want grootvake is toch lief!’   De jongste zoon des huizes staat klaar om uit te gaan. Hij ziet er blits uit met een fluogele trui, een nektapijt en een potloodrandje onder zijn ogen. De examens zijn achter de rug, leerlingen vrij. De leraars werken naarstig maar goed gezind verder. Op de achtergrond speelt de radio een vioolconcerto. Een heruitzending van de onderbroken Koningin Elisabethwedstrijd, waar een maand eerder het geweld op de Heizel de aandacht van de muziek had afgeleid. Het meisje leest, haar broertje speelt aan haar voeten met de treinen. Het wordt laat en de berg getuigschriften is nog maar half gevorderd. Dit zal nachtwerk worden. Het meisje mag logeren in het grote bed bij haar nieuwe zus. De enige zus in een wereld vol broers. Op haar kamer legt het meisje haar boek even aan de kant en bladert in de Flair. Zo maakt ze kennis met lectuur over mode, verliefdheid en make-up. De volwassen zussen zijn de laatste jaren terug naar elkaar toe gegroeid, ondanks of dankzij de fysieke afstand. Hoe verschillend hun verhaal ook was, in hun werk en leven overlapt hier en daar een hoofdstuk. Via skype ontmoeten ze elkaar en spreken over het zijden draadje waaraan de liefde die haar tot Israël bracht nu hangt. Ook over verdriet en dat aan je kinderen durven tonen, over zoeken in je biografie en patronen willen doorbreken. Een concrete herinnering aan die dag toen hun ouders hen samenbrachten, heeft de oudste zus niet meer. Wel weet ze nog van het gevoel van opluchting, dat zij niet meer bezorgd over hun vader moest zijn en zelf haar eigen leven onder vrienden mocht opnemen.   De dag die volgt is de afronding, het zal de laatste dag zijn voor beide ouders in dezelfde school. Hun werkplekken zullen scheiden, maar diezelfde zomervakantie gaan ze op zoek gaan naar een nieuwe woning. Want noch zijn bel-etage noch haar rijwoning volstaan voor het nieuwe gezin met zes kinderen en twee volwassenen. Die herfst, vlak voor de veertiende verjaardag van het lezende meisje, verhuizen ze naar de boerderij te midden van de velden. Ver weg van de stad, pendelen naar school en vriendinnen, maar met een bessentuin, kamers voor ieder kind en katten die jaarlijks nestjes bouwen.      Bovenop het stapelbed   Een knappe verschijning staat vrijdagnamiddag te wachten aan de schoolpoort. Het is een grote man met brede schouders, zijn vriendelijke gezicht omringd met getrimde baard en snor. Toch straalt hij weinig zelfvertrouwen uit. Hij voelt de boze blikken in zijn rug prikken, hoort gefluister achter zijn schouder. Hij verlangt ernaar zijn kinderen weer te zien, maar wil tegelijkertijd het liefst ter plekke de grond inzakken. De poort opent en de ouders stromen naar de speelplaats door. Het schoolgebouw is een statige herenwoning met een grote tuin, waar achterin twee barakken als kleuterklassen dienstdoen. Als de deur van de klas op een kier wordt gezet, herkent hij meteen de licht hese roep van zijn zoon. Ongeduldig staat die te trappelen om de speelplaats op te rennen. Maar de juffrouw maant hem tot kalmte en schudt rustig elk kind een voor een de hand ten afscheid. Zodra hij buitenkomt stormt de kleuter op zijn vader af, die pakt hem op en gooit hem in de lucht, de jongen krijst van opwinding als zijn vader hem weer opvangt. Als hij landt, loopt hij de speelplaats weer op om met zijn vriendjes in een boom te klimmen. De kleuterjuf passeert, kijkt de vader met een verwijtende blik aan en loopt hem voorbij zonder groeten.   Opgewonden stemmen klinken intussen uit het grote gebouw waar de schooldag nu ook eindigt voor de vierde klas. Druppelsgewijs komen jongens en meisjes de brede trap afgelopen. Een meisje in een blauwwit gestreepte salopette kijkt geconcentreerd naar haar voeten terwijl ze op één been, trede per trede naar beneden springt. Als ze haar vader in het vizier krijgt, vergeet ze het spel, gaan haar ogen stralen en breekt een glimlach haar gezicht open. Ze loopt op hem toe, hij heft haar op en wang aan wang houden ze elkaar stevig vast. Even lijken zij in een zeepbel te leven, lichtjes weg te zweven van de wereld rondom hen. Een vriendinnetje roept haar naam, ze draait haar hoofd en de blonde staartjes zwiepen langs zijn baard. De bel spat uiteen, ze staat weer op de speelplaats en gaat snel haar broertje halen. Met aan elke hand een van zijn kinderen loopt de man de schoolpoort uit, ogen volgen hen. Hij moet het jongentje stevig vasthouden om te voorkomen dat die in zijn enthousiasme de straat oploopt. Het meisje hinkelt tussen de lijnen van de stoeptegels door, vastberaden om deze vaardigheid onder de knie te krijgen, zoals bij elk nieuw spel dat op de speelplaats zijn intrede doet.   Aangekomen in de korte onbekende straat haalt de vader een blinkende sleutel boven. Het slot van de afgebladderde voordeur klemt. De kinderen volgen hun hem in de donkere gang. Drie brievenbussen klepperen nog na als ze de trap opgaan. Zodra de deur van het appartement op de eerste verdieping opengaat, worden ze overweldigd door het licht dat uit de voorkamer binnenvalt. De zon staat daar pal op het hoekraam, even zijn ze verblind. Witgeschilderde muren en vloeren. Een blankhouten tafel en vier stoelen. De scherpe geur van terpentijn. Aan de andere kant van die kamer staat een ezel. Een morsig schilderspalet op een kruk zorgt voor de enige kleuren in het vertrek. Verder niets, zelfs geen gordijnen, de overburen kunnen zo binnenkijken. Vanuit het raam zien ze uit op de grote hartvormige bladeren van een plataan. Daaronder beweegt het voortdurend op de Leien. Ze zullen die ramen nooit openen uit afkeer voor het lawaai en de walmen van het drukke autoverkeer.   Als vieruurtje krijgen ze een koffiekoek van de bakker die op de benedenverdieping van dit huis is gevestigd. Een koek met chocoladedakje, gevuld met pudding. Ze drinken een glas veel te zoet, goudgeel appelsap. Dan vraagt de vader hen om hem te volgen. Het enige kamertje dat niet aan de drukke Leien grenst zal hun slaapkamer worden. De kinderen helpen om een vers pakket van Ikea open te scheuren. Ze houden de rode metalen spaken recht, terwijl hun vader met schroeven en sleutels in de weer is. Twee lattenbodems worden boven elkaar in het frame gehangen, matrassen uit hun plastieken cover gehaald, lakens, kussens en slopen opgeschud en gedrapeerd. ‘Ik wil boven’ roept het jongentje enthousiast, nog voor de ladder stevig staat gemonteerd, is hij er al op gekropen. ‘Neen ikke!’ zegt zijn zus. Ze bekvechten over wie waar zal slapen. ‘Ssst, geen geruzie, jullie kunnen om beurt doen’ sust hun vader. ‘En dan in haar vuile lakens moeten slapen?’ Het broertje knijpt zijn neus tussen duim en wijsvinger en maakt er een grappige grimas bij. Zijn zus trekt haar schouders op, accepteert haar lot en legt zich neer op het onderste bed. ‘Slaapwel’ zegt ze, op klaarlichte dag en met kleren aan draait ze zich op haar zijkant. Vanop het bed boven haar klinkt dezelfde boodschap in echo. Ze testen hun eigen plek uit een kakelvers bouwpakket. Alles ruikt nog naar nieuw. Het zal elke vrijdagavond hun vaste plekje worden. Toch zal het hier altijd een beetje logeren blijven. Met een luide geeuw strekt het negenjarige meisje haar armen. ‘Ik heb zo wa-wa-waaanzinnig gedroomd’ zingt ze uit volle borst. ‘Ik werd door ka-ka-ka- kadoo’s overstroomd’ valt haar broertje in. Hij klautert de ladder af en ze gaan samen kijken naar hun vader die intussen achter de pannen staat. De geur van gebakken vlees lokt hen naar de keuken. Ondanks het grote raam in die sjofele ruimte, komt er zelfs op de meest zonnige dag amper licht binnen. De muur van het buurhuis ligt op nog geen twee meter van het venster, als ze door de schacht naar boven kijken zien ze met moeite een stukje blauwe lucht. Op het koertje een verdieping lager horen ze geritsel, ze zien in een flitst een rattestaart tussen de stapels dozen verdwijnen.   Zeventien jaar later zal diezelfde vader opnieuw van scratch beginnen. Weer in een lege lichte woning waar druppelsgewijs nieuwe spullen en meubilair worden binnengedragen, zonder iets van vertrouwde stukken. Deze keer met zicht op de Schelde. Zijn dochter zal alles herbeleven. Ze woont intussen al enkele jaren op zichzelf maar maakt zich zorgen over haar jongste halfbroertje, op dat moment negen jaar. Daar nog eens twintig jaar bijgeteld zal die dochter erop toezien dat het tweede huis van haar eigen kinderen met vertrouwde spullen ingericht kan worden.      

Marieke Genard
0 0

Opdracht 5 Elisabeth Leysen

Ze wrijft het water van de ruit en kijkt naar de tuin. Het is al donker, maar ze kan de sneeuwman nog zien. Het is koud in de kleine keuken. Ze hangt de natte doeken dan maar in de woonkamer, op een droogrek, naast de kachel. Zo is er nauwelijks nog plaats voor de kerstboom, maar het kan niet anders. Elisabeth zit in het winkeltje dat ze kreeg met Sinterklaas. Avonden en avonden heeft Marcel gezaagd, gelijmd en geverfd om het houten winkeltje op tijd klaar te krijgen. “Moeke, wil jij iets komen kopen?” “Daar heeft moeke nu geen tijd voor. Moeke heeft nog veel werk voor school.” Ze waren blij met de extra uren die ze kreeg op het lyceum, maar nu lijkt het wel alsof ze nooit nog de tijd vindt om te spelen met Elisabeth. “Mag ik moeke helpen met de kerstboom?” “Straks, Elisabeth, nu nog niet. Vake moet nog een voet maken voor de kerstboom. Je kunt misschien al een stalletje tekenen in jouw boekje? Met Jozef en Maria en het kleine kindje Jezus, in een kribbetje.” “En een os”, zegt Elisabeth, “er moet ook een os bij”. Zondag is het kerstavond. Dit is hun eerste kerst alleen in dit oude huis. Toen ze trouwden, mochten ze bij moeder in een kamer van het huis wonen. Moeder is in de zomer verhuisd, ze woont nu bij Lucien, die woont toch maar alleen. Moeder wil graag iedere ochtend naar de mis en Lucien woont rechtover een kerk, dat is veel makkelijker.   Marcel had beloofd dat hij voor het donker terug zou zijn en haar zou helpen met de kerstboom, hij zou een houten voet maken voor de kerstboom, maar hij is er nog altijd niet. Hij wil het nieuwe huis zo gauw mogelijk af hebben en is daar elk vrij moment mee bezig. Het is toch veel te koud nu om aan het nieuwe huis te werken? Ze hoopt dat hij voorzichtig is.

Elisabeth Leysen
0 0

AANVRAAG TOT LETTERBOUWKUNDIGE VERGUNNING (Verzameld werk zonder veel leestekens)

    ik schrijf met mijn voeten schraap met mijn tenen tussen de groeven van de straat mijn onderbenen spartelen aan mijn knieën klontert het beton tot mijn enkels in de mortel iedere figuur die ik voortbracht was vrij toen werd het een versteende afdruk van mijn kindertijd   alsof je gisteren nog de postbode betrapte masturberen in de struiken je herinnerde je nog helder de figuren uit je kindertijd   er was het plakbord   MEDE MOGELIJK GEMAAKT DOOR HAAT EN AFGUNST VLIEGEN WIE VLIEGEN KAN JE HEBT MIJN PASPOP ONTHOOFD IK HANG IN DE LIANEN VAN DIT APENLAND DE POSTBODE MASTURBEERDE IN DE STRUIKEN WIE HEEFT OOIT DE LEESTEKENS HET ZWIJGEN OPGELEGD?   er was een poëet   de optimist klopte, eens zijn glas halfleeg, aan bij de pessimist fluit op een fles!   Inleiding tot Ruben “Lodewijk de Oneindige” Van de Woestyne Variaties op Universiteit Universiteit-stamkroeg stamkroeg-stamkroeg-Universiteit stamkroeg-stamkroeg-stamkroeg onderwijsactiviteit-stamkroeg-stamkroeg ouderlijk huis-stamkroeg-stamkroeg stamkroeg-stamkroeg-Universiteit Variaties op onderwijsactiviteit Geen onderwijsactiviteit Variaties op ouderlijk huis Grootouderlijk huis   hij verzamelde zijn werk tot hij de moed vond een uitgever aan te spreken een oordeel van een beoordelaar oordeelt over de uitvoering van alle onderdelen van de vaardigheid gegeven door de beschrijving van de vaardigheid door ze af te meten aan haar oordeel   Ruben Van de Woestyne (1993) uit Waregem begint met dichten op de leeftijd van 12 als een ultieme poging om macht uit te oefenen op de taal die hij zo liefheeft Al snel komt hij tot de vaststelling dat dichten zelf een even twijfelachtige bezigheid is In het zoeken van bevestiging klimt hij na een tijd het podium op, een neiging die zich al snel ontwikkelt tot een nood   in een spiegelhuis dichtte hij zijn ode aan de meetkunde   er was de nachtelijke wereld   universum, zoals alles weegt en alles valt … dansen is als meerijden op de achterbank voorovervallen met een gordel aan ik dans in de mortel mijn armen wapperen als een drenkeling op een stuurloze vloertegel   het lijkt wel of iedere feestvierder een hoofdtelefoon draagt melodie vlecht een touw om de essentie van mijn lied daar werpt een muze mij een laatste reddingsboei een ongestemde piano drijft verder over zee harmonie heeft een ontologische functie, een wiskundige en een epistemologische speel nog eens van bij het begin de kindse onschuld op je speelgoedinstrument einde weekeinde-poëzie “de dag is de thema-avond van de nacht” citaat van een monotone monoloog “open aanhalingstekens op maandag … sluit aanhalingstekens op zondag.” volwassen-zijn eindigt wanneer het begint niet in de selectie opgenomen: voetbalpoëzie   er was de vergeten wielrenner   op een onbepaalde dag na datum was ik nog steeds in de wedstrijd idolen zijn talenten, gevallen en ooit uit de ziekenwagen op te staan liggen ze nog steeds in het dal van hun laatste beklimming elegantie is de schoonheid van hoogmoed   er was de wielervrouw   dappere jongen ik heb genoeg van ruiken aan je overjas omdat je er niet meer bent “slaapzacht” tot aan het ontbijt wanneer we opnieuw mensen zijn   je gelooft in de dood en God is een idioot   er was de leegte in je bed   dans in luchtledigheid universum, naakt en wit leeg maar niet oneindig niet eindig evenmin ik dek je in mijn overjas, dan ben je niet zo blind   er was de gedachte aan haar   je bent mij zonder de wereld ik zag je naam op de afwezigheidslijst slaap tegen de ochtend aan in dagen die tijd ontgaan   ik houd van beloften van mensen die onophoudelijk afscheid nemen omdat ze willen dat je blijft   er was de zoveelste metafoor om een schrijffout te verbloemen en je mag je zusje niet plagen want zij is te jong om te beginnen “mag ik nog een snoepje?” “maak je niet dik!” omdat wij van je houden, en je papa ook … liegen is zwartrijden op de trein als je wordt betrapt betaal je voor iedereen die ooit gelogen heeft de conducteur kwam echter nooit   ik lijd aan feminisme liefde is als een hoofdtelefoon het doet pas echt goed als het wat pijn doet emancipatie hangt los om mijn heupen je legt je lip te slapen in de vouwen van je tanden kleed me in je avondzoen   er was een eenzaam man   een eenzaam man heeft niets aan poëzie maar denk je dat poëzie iets kan met een eenzaam man? men wordt volwassen als men je ontwijkt, niet meer aankijkt   en er waren de leestekens   wie heeft ooit de leestekens het zwijgen opgelegd?     “Dag.” (een open inleiding tot opening van een inleiding tot inleidende opening)* “Hoe gaat het?” (een opening van de inleiding tot een inleidende opening van) “Goed, en met jou?” (een inleiding tot de inleidende opening van)   Zwijgen   Ik laat mijn onachtzaamheid achteloos vallen.   *Mensen vinden het soms noodzakelijk om bij het openen van een gesprek nog eens expliciet te vermelden dat het het openen van een gesprek betreft, dus om het gesprek te openen, een opmerking over het openen van een gesprek, zoals de opmerking dat mensen het soms noodzakelijk vinden om bij het openen van een gesprek nog eens expliciet te vermelden dat het het openen van een gesprek betreft

Robijn Bodijn
35 0

Opdracht 4 - Kristien

    Hoe het allemaal juist is gegaan, weet ze niet meer. Ze weet wel nog dat ze soms vleugels kreeg. Brede, krachtige vleugels. Dan vloog ze weg. Heel even. Heel hoog. Genoot ze van de uitgestrekte lappen grond, van de blokken die figuren vormden, van de stippen die over de kronkelende lijnen bewogen, van de wind rond haar lijf. Boven wist ze niet wie ze was. Ze vloog. Ze was vrij. Tot plots de zon te warm werd en ze, als door een donderslag, weer op de grond terecht kwam en weer zichzelf werd. Ze krabbelde recht en begon te stappen. Kilometers en nog eens kilometers. Stap voor stap sloeg de automatische piloot aan en wist ze wanneer ze stop had moeten zeggen, wanneer ze had moeten doorgaan en wanneer ze had geleefd. Helemaal echt. Telkens opnieuw.     __________________________________________________________________________________   ‘Een vogel zingt niet omdat hij een antwoord heeft. Hij zingt omdat hij een lied heeft.’ Maya Angelou    Een groot meisje stapt op de dijk. De lucht kleur rozig, blauwig grijs. Onder haar wijde vest verstopt ze haar lichaam en houdt ze haar hart strak. Ze stapt arm in arm met een vrouw. De moeder. Naast hen stapt een man. De vader. Ze luistert gedeisd naast de moeder, knikt en antwoordt kort. De vader geeft nu en dan een opmerking. Het grote meisje knikt nog meer. Het wandelen gaat traag. Te traag. Het meisje stopt plots, opent de rits van de vest, glimlacht naar de moeder en vader, draait zich om en rent over het strand naar het water. De haren van het meisje wapperen in de wind. De vest fladdert mee. Ze rent en rent. De ganse wereld zit op haar hielen. Grote en kleine mensen. Dikke en dunne. De vader en de moeder. De lucht waait hard en het zand snijdt diep. Ze rent verder. De zee houdt haar echter tegen. Ze stopt, staart naar de horizon en haalt diep adem. Standvastig staat ze daar. Opgenomen in vrije rust. Omgeven door gezichtsvolle verhalen. Een traan op haar wang verklapt haar hart. Pablo. Op vakantie in het buitenland had ze de arme kleine jongen elke dag eten kunnen geven ondanks het protest van de moeder en de vader. Sofie. Op school luisterde ze naar de verscheurende verhalen van haar vriendin en beloofde zichzelf deze niet verder te vertellen. De nacht ervoor had ze een boek over Gupta in het verre Buitenland gelezen. De letters hadden beelden gevormd. De beelden waren levens geworden, levens met oren en ogen, met kinderen en zorgen, met honger en dorst. De moeder had de kamer van het grote meisje binnen gedrongen en het boek afgepakt. Het meisje was met rode ogen ingeslapen.   De golfslag maakt het meisje wakker. Ze begint met de armen cirkels in de lucht te tekenen, springt op en neer en loopt parallel met de zeelijn verder. Richting ondergaande zon. Een witte Kleenex die ze uit haar zak haalt om haar neus te kuisen, valt op het zand en waait weg. Het meisje rent de zakdoek achterna. Ze bukt zich. Op dat moment neemt de wind de zakdoek terug mee. Ze glimlacht, speelt hond en rent het papiertje achterna.   De moeder en de vader zwaaien naar haar. Ze zwaait terug. Uitgewaaid loopt ze naar hen terug. Arm in arm stappen ze verder. Zonder woorden.   Thuisgekomen, nestelt het meisje zich in haar kamer, gaat achter de bureau zitten en legt 13 schelpen in wit, grijs, dof blauw en beige op de witte Kleenex naast zich neer. Ze neemt het dagboek en buigt zich diep.  'Een kind op afstand braaf braaf gemaakt door een omgeving een omgeving van knikken en aanvaarden   Een kind op afstand wild wild gemaakt door vragen vragen van waarom en twijfels   Een kind op afstand wijs wijs gemaakt door zwijgen zwijgen van stilte en feiten   Mama je slikt dagelijks zoveel pillen, 5 's morgens, 4 's middags en 4 's avonds. Jouw lichaam is op. Verdorie toch. Je maakt je druk over mijn kledij, over de boeken die ik lees en over mijn gewicht. Verdorie toch. Wat kan ik voor jou doen? Hoe kan ik er voor jou zijn? Mijn hart vult zich met wat het ziet. Ik ben wie ik ben. Of dat probeer ik toch. Waarom kan ik mijn wereld niet met jou delen?’   Ze klapt haar dagboek dicht, stapt naar beneden en gaat naast de moeder in de zetel zitten. Ze kijken elkaar aan, praten over het weer, overlopen het medicatieschema van de dag, eten samen warme appelcake en glimlachen. Na een tijdje buigt het meisje zich naar de moeder toe, verwijdert het fuchsia aquagroene hoofdsjaaltje van de moeder, neemt een dagcrème en smeert het droge haarloze hoofd van de moeder in. Zacht en broos. De moeder sluit haar ogen. Het meisje ook.   __________________________________________________________________________________   fluo roze blauw ieder moment ontvouwen andere kleuren   In enkele dagen is het groot meisje jong volwassen geworden. De moeder van het meisje zou het op deze manier niet gewenst hebben. De winter is op komst. Ooit zou het meisje ervan dromen om voor een groot publiek te spreken. Vandaag krijgt ze die kans. Buiten ligt een wit sereen laagje sneeuw die de geluiden dempt. Binnen in de grote witte ruimte met haar hoge plafond, bruine stoelen en doffe wierookgeur wachten donker geklede toehoorders. In grote getallen. Van ver gekomen. Ze bewegen wat onrustig op hun stoelen en kuchen nu en dan om hun droge keel te ontlasten. De jong volwassene stapt naar voor. Het liefst zou ze nu op het strand lopen. Vrij van het weten dat ze een stukje meer alleen verder moet. Vrij van het verdriet van nooit meer. In haar hand draagt ze de tekst dat ze vijf dagen geleden schreef. Ze zat toen naast het bed van de moeder. De lakens waren kraak wit gesteven. De ontsmettingsgeur overheerste de boeketten rozen en de korven met fruit. De moeder ademde zwaar in en uit en liet haar handen opgeblazen door het vocht van de baxters rusten op haar buik. Het meisje met een lichaam die sprekend leek op de jongere generatie van het doorgelegen lichaam van de moeder liet haar hart spreken.   ‘Hier ziet ik dan, wachtend op het moment dat je me weer zal aansporen ik weet wel hoe het zou moeten jij was immers mijn bloedverwante mijn mama, mijn vriendin, mijn voorbeeld   Jij, die altijd zo goed kon luisteren Jij, die zelf op zwakke momenten, niemand wou lastig vallen Jij, die de bloemekes hun stengeltjes schuin afsneed, opdat ze toch wat langer zouden bloeien Jij, die als een kind zag, een knipoogje, een vriendelijk woord gaf   ´T ja : woorden schieten me vaak te kort maar de essentie blijft gemakkelijk uit te drukken: jij   Vergeet nooit: jouw glimlach laat bij iedereen een vlammetje na Dank je. Je dochter'   De jong volwassene kijkt naar het publiek. Enkele gezichten glimlachen naar haar. Ze zoekt de ruimte af. Hier en daar zit een bekende. De ganse ruimte is gevuld. Van overal kwamen ze voor haar moeder. De moeder is vandaag een beevee. Ze hoopt dat de man die beweert haar lief te hebben, de ruimte zal opkleuren en haar straks zal ondersteunen. Maanden hadden ze uren gepraat en weken hadden ze samen opgetrokken ondanks het afwijzende oog van de moeder en de vader. De gekleurde man wou zich settelen in het Noorden. De jong volwassene was hiervoor een mogelijke kandidaat. De jong volwassene had genoten van de gesprekken met een werelds accent. Haar lichaam had ze echter voor zichzelf weten te houden. Nu weet ze dat dit de juiste beslissing was. Alle gezichten voor haar zijn winters bleek.   Ze kucht, kijkt naar de kist voor haar en overtuigd draagt ze de tekst op aan haar moeder. Het ganse gebeuren lijkt een groot toneelstuk. Voor haar leeft de moeder verder. In haar verhalen. In haar glimlach. In haar kijk naar de wereld. Zakdoeken worden bovengehaald. Ingetogen verlaat ze het podium. Ze neemt terug plaats tussen haar vader en broer. Ze voelt hun warmte.   __________________________________________________________________________________    ‘de hele wereld is een schouwtoneel en alle mensen zijn maar acteurs.’ William Shakespeare   De jong volwassene herneemt haar studies. Ze concentreert zich, neemt deel aan de studentenactiviteiten en speelt moeder in het WE. De wereld blijft haar lokken. Ze wil datgene ontdekken waarvoor haar moeder haar wilde beschermen. Ze weet nog niet dat het een tocht zal worden vol uitdagingen, ontmoetingen, vraagtekens en van moeder-zijn . Voor haar eindwerk vertrekt ze voor de eerste keer naar het andere continent. Afrika. De vader brengt de jong volwassene in een donker blauw kostuum en lichtblauw gestreept hemd naar de luchthaven. Hij vertelt haar over zijn business trips. En over de gevaren alsof hij er zelf bij was. Ze knikt, glimlacht en belooft hem dat alles goed komt. Ze omhelzen elkaar. De studente neemt haar valies en stapt de douane door. Aan de andere kant van de wereld zou ze opgewacht worden door een dame van haar land.   Na een lange vlucht komt ze aan. Het douane personeel kijkt de blanke studente indringend aan en vraagt wat ze voor hen meebrengt. Ze kijkt hen verward aan, glimlacht en stapt verder naar buiten. In de zwarte massa gedrukt tegen een hoge metalen omheining ziet ze een blanke dame staan. De enigste. Snel stapt de studente naar de blanke dame. Ze geven elkaar een stevige handdruk. De blanke dame, Thérèse, neemt de valies over. Samen met drie zwarte dames stappen ze naar een lichtgrijze auto. Therese, een dame van rond de 60 jaar, neemt het stuur en ze rijden weg van de luchthaven. De zwoele kleverige warmte, de overheersende chaos, de krakkemikkige wagens en de petroleumlichten in de kraampjes langs de straten maken de studente stil. De wagen ontwijkt diepe putten, slaat de drukke hoofdstraat af, rijdt door kleine stegen en komt tot stilstand voor een klein geel gebouw te midden van een grote verzorgde tuin. Een blanke en zwarte vrouw verwelkomen haar.   De volgende ochtend om 5 uur komt een zwarte man de studente ophalen. Ze stappen langs de spoorweg en vele kleine steegjes. Doorheen de buitenwijken. Zwarte schimmen lopen snel langs haar voorbij met of zonder gewicht op het hoofd of verkopen brood, nootjes of bananen gehurkt naast de weg. De drift om te overleven drijft hen voort. Een drift om eten voor de dag te vinden. Evenals geld voor water en houtskool. De studente beweegt met hen onopvallend mee. In het donker met een doek rond haar hoofd en losse kleren is ze onzichtbaar. Voor even. Na een uur komen ze aan het sojamelk bedrijf. Hier zal de studente informatie voor haar eindwerk moeten verzamelen. Thérèse en de drie dames van de dag ervoor zijn al druk bezig de sojabonen te wassen en de machines klaar te maken. De studente draait mee. Na de middag gaan ze de sojamelk aan een zeer lage prijs verkopen in de sloppenwijken. Erna stapt ze met de zwarte man terug naar het klooster. Het avondeten gebeurt in de grote zaal beneden. De blanke en zwarte moeder overste praten kort tegen de studente, maar praten niet met elkaar en bedienen elkaar niet. IJzig stil. De student propt zich uit verveling vol met soep, hoofdgerecht en dessert en snelt zich naar haar kamer. De vier muren brengen haar echter geen rust. Ze neemt haar dagboek en gaat op bed zitten. ‘Vorige week kon ik nog gaan wandelen waar ik wou. Nu is mijn wandelgebied beperkt tot een kleine tuin. Opgesloten als een beest in de dierentuin. Eergisteren droomde ik nog van Afrika. Nu ben ik en zit tussen vier muren. Met twee ramen zo hoog dat ik niet kan buiten kijken. Vandaag zag ik weer die vele mensen stappen. Blijkbaar kilometers en kilometers. Bij ons kan je de bus nemen. Is er plaats voorzien voor oude mensen, een kinderkoets en gehandicapten. Alles netjes geregeld. Hier worden de mensen als beesten, oo zij zijn ook al beesten, gepropt in taxi-minibussen. Zelf dat vervoermiddel kunnen de meeste niet betalen. Soeur Colette, een dikke zwarte non die gezellig lijkt, en Soeur Marie Louise, een witte, magere non die op alles een opmerking geeft, willen beiden de klok slaan en brengen me ook niet dichter bij Afrika.’ Buiten op straat speelt muziek opgewekt luid. Roepen kinderen naar elkaar alsof er een grote voetbalmatch gespeeld wordt. De studente mag niet naar buiten. Enkel onder begeleiding. En niet s ‘avonds. De poorten van het klooster zijn al lang op slot alsof ze elk moment een aanval verwachten.   De volgende maanden herhaalt dit dagritme de werkweek van de blanke studente. Ze komt de laatste nieuwtjes op een luchtige wijze te weten, de prijsstijgingen, de sluiting van benzinestations, de knagende honger en de uitzichtloosheid van de huidige regering. Ze stelt vragen, glimlacht , leert de lokale taal en observeert. Ze wordt vertrouwd met het leven in de grootstad en past de lokale gewoontes toe die voor haar haalbaar zijn. Eten met de handen. Zich wassen in een plastieken bassin. Gaan slapen kort na zonsondergang.   Het is vrijdag. Thérèse nodigt de studente uit om voor het WE bij haar thuis te komen. De ogen van de studente stralen. Ze rijden de stad uit. Naar de universiteitscampus. De nacht valt met een snelheid zoals het gordijn in de schouwburg na een toneelvoorstelling. Op de campus staan vele grote gebouwen. Wat een glorie. Voor een donkergrijze poort stopt Thérèse en claxonneert. Een jong meisje opent de poort. De studente stapt uit. Een groep zingende en dansende kinderen verwelkomt haar. De studente kleurt rood en stapt met aan elke hand een kind het huis binnen. Het grote huis van Thérèse. 35 jaar geleden kwam Thérèse, als bioloog, samen met haar man en hun vier kinderen, aan om les te geven aan de universiteit. Geconfronteerd door de moeilijkheden van vele studenten, openden ze hun huis voor enkele alleenstaande moederstudenten. Door de jaren heen, kwamen er meer bewoners bij, waaronder ook wees- en straatkinderen. Het geloof in God hield hen recht. De volgende ochtend wandelen drie moederstudenten met de blanke studente over de campus en plaatsen haar in het spotlicht. De campus is verlaten. Kapotte vensters. Afgeschilferde gele verf op de groenvochtige gebouwen. Vergane glorie. Na een mensvol weekend wordt de studente terug aan het steriele klooster afgezet. De kilte overvalt en ze trekt zich terug in haar kamer. ‘Wat een wereld. Op straat is de situatie gespannen. Ik verdiep me niet in de politiek want het is veel te complex. Ik ben maar een simpele student. De professoren en leerkrachten worden al maanden niet betaald door de overheid en staken nu. De universiteit is voor onbeperkt tijd dicht. Sommige studenten waren bijna afgestudeerd, bijna klaar om eindelijk geld te verdienen. Nu wachten ze gelaten. Hoe zou je zelf zijn? Normaal slapen de studenten met vijf of zes in klamme eenpersoonskamers. Hun aula’s zijn muffig en te klein voor de vele studenten. Rechtstaand moeten ze les volgen en alles noteren want syllabi zijn te duur. Vier studenten vroegen me om een beurs te regelen zodat ze in het Noorden een toekomst kunnen uitbouwen.’ Ze zucht, sluit haar dagboek, gaat op het bed liggen en staart naar de ventilator aan het plafond. Net de schroeven van een helikopter. De elektriciteit valt uit. De muziek buiten en de helikopter ook. Twee vliegen rond haar hoofd trekken zich er niets van aan.   __________________________________________________________________________________    de zwarte vogel pikt met zijn bek op het dicht bevroren water   Elk weekend gaat de blanke studente naar het huis van Thérèse. Ook deze keer. Buiten op straat rommelt het. De studente wordt aangemaand naar binnen te gaan. Vanuit de stoel op het donkere terras staat ze recht. Ze wuift naar de drie zwarte studenten die in het maanlicht de wacht houden over het grote, verduisterde huis en gaat op de tast naar binnen. Haar ogen wennen aan het donker. Alle kamers liggen vol met matrassen, kleren, boeken en mensen. Ze doet haar sandalen uit en legt zich op een matras op de grond in de gang. Naast haar liggen een baby, een moeder en studenten. Ze slaat een doek om zich heen en valt in slaap. Ze schrikt wakker en gooit het beest dat over haar gezicht kruipt weg. De lange kakkerlak vliegt weg en zet zich vast op de muur naast haar. Ze slaapt niet meer in. De stilte buiten wordt nu en dan verbroken door een kreet of een knal. Op de tast zoekt ze haar zaklamp. Ze zet zich recht en neemt het dagboek uit haar rugzak. ‘Ik ben zo ongerust. Buiten wordt er geschoten. Militairen hebben belangrijke plaatsen ingenomen. Ik zou graag papa en Steven verwittigen maar de telefoon is al drie dagen afgesneden. Straks plunderen ze misschien ons huis en zullen ze mij en al deze lieve onschuldige mensen afslachten. Wat zal papa zonder zijn dochter doen en Steven zonder zijn zus? Nee ik wil leven. Ik wil het overleven. Die militairen voelen zich nu de koning te rijk. Maar voor hoelang?’. Het wordt licht. De studente staat op, plaatst de matras achter een deur en groet de huisgenoten die wakker zijn. Het dagritme hervat zicht. Kinderen lopen overal rond. Buiten werken enkele studenten in de moestuin. De blanke studente moet binnenblijven. Onrustwekkende berichten sijpelen binnen. De militairen zijn op 200 meter van het huis aan het plunderen. De studenten verstoppen hun diploma’s in een put in de tuin en nodigen de blanke studente uit hetzelfde te doen. De blanke studente geeft hen haar pasport en fototoestel. Thérèse organiseert het middagmaal. De blanke studente volgt haar en helpt de studenten met het snijden van de maniokbladeren uit de tuin. Het gebeuren in de stad is het middelpunt van de conversaties. Allen lachen ze met het voorval dat een man de etalage van een schoenwinkel leeggehaald en thuis ontdekte dat hij alleen schoenen voor de linkervoet meebracht. Het middagmaal is klaar. Thérèse brengt een kom rijst en groenten naar het terras. Twaalf kinderen zitten met een plastieken bord voor zich. Ze volgen met volle ogen de kom. Thérèse schept op. In slilte slokken ze hun bord leeg.   De spanning in huis stijgt. Op elke hoek van het huis houden de bewoners scherp de wacht. Plots wordt aan de poort gebeld. Iedereen in huis is alert. Zijn het de militairen? Misschien een buur in nood? Een studente schuift voorzichtig het uitkijkluifel van de poort open. Een zwarte man in zwart kostuum en witte das staat voor de poort, maant haar aan de poort te openen en de blanke vrouw snel te roepen. Thérèse komt tussen beiden, verstaat de man en roept haar landgenoot. Een zwarte wagen rijdt de oprit op. De blanke studente moet mee. Er is geen tijd om deftig afscheid te nemen. Met tranen in de ogen omarmt ze vlug enkele kinderen en Thérèse en neemt haar pasport, fototoestel en rugzak van een jonge moeder aan. De blanke studente stapt traag in de wagen en zwaait van achter de geblindeerde vensters naar het luchtledige. Niemand kan haar zien. De poort wordt vlug dicht gedaan. Ze staart naar het voorbijglijdende straatbeeld. De straat is leeg. Mensen zijn binnen gebleven voor de veiligheid. Alles is geplunderd, overal glasscherven, in brand gestoken benzinestations en autowrakken. Alles is vernield door mensenhanden. Alsof een troep mieren een krekel aanviel en enkel het skelet overliet. Zelfbediening voor de sterksten. Ze komen aan op de ambassade van het land van de studente. De bewaker herkent de nummerplaat. De poort gaat open en de bewaker commandeert hen met zijn mitrailleur snel binnen te komen. De wagen rijdt binnen. De studente is veilig. Haar collega’s en vrienden buiten niet. Zij moet vluchten. Thérèse mag blijven. In de ambassade loopt het vol blanken. Na een uur krijgen ze zalm, kaviaar, hesp, kaas en brood voorgeschoteld. Er wordt gegeten. De studente eet niet. Ze kan niet. Zij in het huis van Thérèse ook niet. De kinderen eten er maïsmeel met water, zonder melk, zonder suiker, zonder vlees. Bedden zijn geïnstalleerd in de gangen en kamers. Er wordt geslapen. De studente schrijft afscheidsbrieven voor de mensen bij Thérèse en neemt haar dagboek. 'Overal Ogen Monden Gewoonten   En toch, de jouwe zijn anders.   Het zijn de jouwe' Ze sluit haar ogen en is bij het leven van Thérèse.                                         

Kristien Vliegen
0 0

Legt hij zijn koning neer. Opdracht vijf. Hendrik

Opdracht vijf meervoudig personaal perspectief voor “de bureaulamp gaat uit” Legt hij zijn koning neer? September 1970 De kinderen zijn weer naar de school. Vanuit zijn zetel, ziet hij door het venster de laatste weg fietsen. Zijn vrouw ruimt de tafel af. De stilte in huis geeft ruimte aan het rumoer van binnen. Hij legt zijn krant neer. “Weet gij al iets van onze Hendrik, Annie. De eerste zittijd is al lang voorbij en we hebben nog niets gehoord. Hij zal dus wel gebuisd zijn. Ik heb het altijd gezegd. Door met die Marleen te verkeren, verprutst hij zijn studies. En gij als moeder hebt daar niets aan gedaan.” “Ja, geef mij maar de schuld. Gij hebt hem buiten gezet.” Een alpha mannetje verwacht onderdanigheid, maar ze bijt van zich af. Het gaat om haar kind. Een klein jaar voordien Frans ligt te woelen in bed. Zijn oudste zoon was tot nu toe min of meer een voorbeeld voor het gezin. Hij was vroeger altijd fier op hem geweest, tenminste tegenover anderen. Hij vermeed om dit rechtstreeks aan zijn zoon te tonen. Hij heeft hem altijd kort gehouden door heel weinig zakgeld te geven. Een goed gareel en een goede breidel laten het paard in de pas lopen. Maar hij ontsnapt hem de laatste tijd. De oorzaak is duidelijk. Hij draait zich weer om. “Ik had het nooit mogen toestaan dat hij naar die danscursus ging. Toen heb ik de teugels gevierd en dit is het resultaat. We moeten de moed hebben om onze plicht te doen.” De gedachten klieven door zijn brein. Ze ploegen de grond om waarop een plan zal groeien. “Ik moet dringend ingrijpen.” Op het einde van elke voor wordt de ploeg omgedraaid en keert terug voor een nieuwe voor. Bij elke voor groeit zijn plan. Hij draait hij zich om en trekt aan de dekens. Zijn zuster was hem komen opzoeken. Waar bemoeit ze zich mee. “Frans ge moet uw oudere kinderen wat meer vrijheid geven. Ze zitten al aan de universiteit. Dat zijn geen kinderen meer.” Zijn vrouw was natuurlijk mee op die kar gesprongen. Vrijheid. Vrijheid. Het is besmettelijk in deze tijd. Hij heeft zijn zuster nochtans goed op haar plaats gezet. “De jeugd van tegenwoordig wordt veel te los opgevoed. Wacht maar hoe het met uw kinderen afloopt, ze zijn nog jong.” Hij grijnst als hij haar reactie ziet “ja, ge hebt gelijk, ze zijn nog jonger en ik weet ook niet hoe ze zich zullen ontwikkelen.” Hij voelt zich alleen staan. Alsof niemand nog durft streng te zijn in deze tijd. “Morgen spreek ik er haar over aan. We moeten optreden voor zijn goed. En als ze niet mee doet, doe ik het alleen.” Hij schopt de dekens los. Ze hinderen hem. Hij draait zich een zoveelste keer om. Zijn vrouw ligt bloot en probeert stilletjes wat deken terug te winnen. ’s Anderendaags. “Wilt ge meewerken om onze Hendrik terug op het goede spoor te brengen? Zijt ge akkoord om op te treden in het belang van ons hele gezin? Ge weet toch dat uw vader niets meer te zeggen had aan zijn jongste kinderen? Dat weet ge toch nog? Dat moeten we voorkomen.” “Weet ge, ik zal hem schrijven en vragen dat hij met u spreekt en zeggen dat hij niet zo koppig moet zijn. Maar gij moet dan ook wat inschikkelijk zijn, Frans.” “Ja, neem hem maar weer in bescherming. Ouders moeten aan één zeel trekken en dat doet ge niet.” Hij ziet haar de brief schrijven. “Ge moet niet te veel rond de pot draaien, hé.” Ze schrijft:“ Je moet er met je vader over spreken, jongen, ik hou dit niet meer vol. Ik krijg altijd de schuld. Ik moet met je vader verder leven en ik heb altijd geprobeerd om de kerk in het midden te houden.” “Schrijf er maar in dat hij naar zijn ouders moet luisteren, dat is het vierde gebod van God.” Ze nam haar blad en ging in de voorste plaats zitten. “En wees niet te koppig, je vader is al koppig genoeg en twee koppen tegeneen…” Ze scheurt haar blad en begint opnieuw. De zaterdag erop. Hij zit als naar gewoonte in zijn zetel en rust met zijn voeten op de kachel. Zijn zoon komt binnen en zijn vrouw verlaat de woonkamer. Waarom gaat ze nu buiten? Hendrik zet zich op een stoel achter de tafel en begint:” Va, ik heb verkering met Marleen. Ge kent haar vader. Hij zat ook in Lokeren.” Hij zet zich recht in zijn zetel. Goed geprobeerd zoon, maar denkt gij nu echt dat ik een onnozelaar ben. Daar trap ik niet in. “Natuurlijk ken ik hem. Maar ik ben daar niet mee akkoord.” Kort en krachtig weert hij die bal af. “Gij moet nog veel te lang studeren en het is mijn plicht ervoor te zorgen dat ge daar in slaagt.” Geen afleidingsmanoeuvres, recht op doel af. Het is geen theater waar veel tralala wordt verkocht. Maar zijn zoon is niet meer die gewillige marionet. Hij probeert zelf aan de touwen te trekken. Hij probeert zichzelf op te richten tegenover zijn vader. “Er zijn toch veel studenten die een lief hebben en goede punten behalen. Guy heeft ook een lief.” Wat een blunder. Als schaker heeft hij een goed strategisch inzicht en hij beseft dadelijk de zwakte van de zet die zijn zoon net deed. Hij schaatst zo door zijn verdediging. “Uw vriend is het beste bewijs. Hij was vroeger altijd de eerste van uw klas en was twee jaar geleden gebuisd. Neem het van uw vader aan jongen, ik heb meer levenswijsheid dan uw vrienden. Er zijn drie grote gevaren voor een jongeman: de sigaretten, de drank en de vrouwen. En als ge een goed diploma hebt hangt er aan elke vinger een vrouw die u wil.” Hij heeft de regie goed in handen en hoopt met deze zet het eindspel in te zetten. “Ik geef u twee keuzes: of ge maakt het uit of ge trouwt zo snel mogelijk.” De druk op de koning wordt groot. “Want dan ben ik van mijn verantwoordelijkheid over u ontheven.” Zijn tanden knarsen over elkaar. Klaar om toe te bijten. Hij merkt dat zijn zoon wankelt. Legt hij zijn koning neer? Als teken van overgave? Daar moest ik hem krijgen. Hij ziet echter zijn mond weer open gaan. Welke zet komt er nog? “Dat begrijp ik niet goed dat we mogen trouwen, va.” Is dit terugplooien of zit er een nieuw aanvalsplan achter? Hij werkt zijn eigen plan verder af en laat zich er niet door afleiden. “Ge hebt gehoord wat ik heb gezegd en als ge daar niet mee akkoord gaat, onttrekt ge u aan mijn gezag en sta ik niet langer voor u in. Dan kunt ge uw studies zelf betalen.” Hoe sterk zijn positie ook is, hij voelt tegelijk dat hier het einde van zijn vaderschap sluimert. Zal hij vroeg of laat de partij verliezen? Is het te vermijden dat zonen in opstand komen tegen hun vaders? Wordt het drama uit de Griekse mythologie hier weer opgevoerd? Kronos heeft zijn vader Uranus ontmand en werd zelf door zijn zoon Zeus gedood. Vaders die machteloos worden gemaakt door hun zonen. Hij schudt zijn hoofd. En terwijl hij opstaat, komt zijn zoon met nog een laatste zet. “Ik kan daar niet mee akkoord gaan, va, ik hoop dat er nog iets anders mogelijk is.” Waar haalt hij dat lef? Hij heeft hem zelf leren schaken natuurlijk. En Zeus kon zijn vader maar onttronen omdat zijn moeder hem in bescherming nam. Hij voelt de dreiging van een remise, van gelijkspel en legt het spel stil. Zijn zoon weet wat erop het spel staat. Op een dag belt er een priester:”meneer,ik ben een vroegere leraar van Hendrik, mag ik eens komen spreken over de situatie?” Het wordt een schaakpartij met een reeks klassieke openingszetten over de hedendaagse jeugd. Het geeft veel kansen in de verdere ontwikkeling van het spel, voor beide partijen. Na een uur of twee schudden ze elkaar met een brede glimlach de hand. Zijn zoon mag zijn lief één keer per maand zien, na de mis van de bond van het Heilig Hart. Een eervol gelijkspel. Hij ligt ontspannen in zijn zetel en leest met volle aandacht zijn krant. Hij heeft de touwtjes weer strak in handen, en dit keer met de steun van een priester. Hij staat niet meer alleen. Hij glundert als hij het aan zijn vrouw meedeelt. Iedereen is opgelucht. Ook zijn zoon. Een maand later Al enkele weken stijgt de koorts. De vader voelt dat zijn zoon ontsnapt. Hij vertrekt op zondagavond steeds vroeger naar Leuven. Zijn broer voert hem dan naar het station. Hij vermoedt dat ze een dubbel spel spelen. Op een zekere dag besluit hij om hem zelf naar het station te voeren. Hij parkeert de auto en wacht tot Hendrik het station is binnengegaan. Dan stapt hij ook uit en verbergt zich tussen de uurtabellen. Vanuit zijn ooghoeken ziet hij plots zijn zoon verschijnen en zich snel terugtrekken. Hij weet genoeg. Hij gaat er korte metten mee maken. Hem verbannen. De rotte appel uit de mand verwijderen. Het zieke orgaan wegsnijden om de rest van het gezin te redden. De zaterdag erop. “Ge hebt u niet aan onze afspraken gehouden. Ge zijt ongehoorzaam en zondigt tegen het vierde gebod. Als oudste zoudt gij het voorbeeld moeten zijn voor uw broers en zusters. Daarom is het mijn plicht om op te treden. Ik wil u hier niet meer in mijn huis zien als ik morgen na de mis thuis kom.” Hij staat op en gaat naar bed. Het was een amputatie met één krachtige houw. Zachte heelmeesters maken immers stinkende wonden. Toch geraakt hij niet in slaap. Zijn vrouw zit nog beneden met hun zoon en enkele van zijn zussen. Hij voelt zich weer alleen staan. Maar joeg God de ongehoorzame Adam en Eva ook niet uit het paradijs? Met een vlammend zwaard? Enkele dagen later komt er een brief van zijn verbannen zoon. Jezus zou gezegd hebben: “wie zijn vader en moeder niet haat, kan mijn volgeling niet zijn.” Wat een onzin. Waar heeft hij dat weer gehaald. Vader, moeder zult gij eren. Het vierde gebod kent hij niet meer. Als hij denkt dat ik hier van onder de indruk ben. Allemaal om zichzelf goed te praten. Hij grijpt zelf naar de pen. “Als ge uw plaats in het gezin weer inneemt onder mijn vaderlijk gezag, zal ik u met open armen ontvangen, als een zoon die verloren was en is teruggekeerd, zoals in de parabel van de Verloren Zoon.”

Hendrik Van Moorter
7 1

De slak die haar huis niet uit wilde komen (Deel I)

Niet zo ver van de tuinbank, onder het dichte struikgewas, stond er een slakkenhuis. Zo een mooie bruinbeigeachtige. Het slakkenhuis prikkelde eenieders nieuwsgierigheid maar wie er ook kwam aankloppen, Slak kwam nooit uit haar huis. De enige die haar ooit had gezien was Regenworm. Nu ja, zien is dan weer veel gezegd. Regenworm is namelijk zo goed als blind. Eigenlijk had hij haar, heel toevallig, betrapt. Het was tijdens die ene warme zomer, toen er na een lange droogte, eindelijk malse regen uit de wolken viel. Genietend van de regendruppels op zijn kale hoofd, had Regenworm "Eindelijk" gezucht. Hij schrok zich rot wanneer een mooie zachte stem antwoordde "Ja, eindelijk". Toen hij besefte waar hij was en wie er naast hem zat, was Slak alweer in haar huisje verdwenen. Het feit dat Regenworm de enige was die Slak ooit had gesproken maakte van hem een VM, een "Veelbevraagd Medebewoner". Regenworm liet zich die aandacht wel bevallen. En wanneer het hem dan toch allemaal teveel werd, trok hij zich terug in zijn lange donkere gang. Die ochtend bij het ontbijt, voelde Regenworm dat er bovengronds heel wat gaande was.  "Wat een drukte daarboven" knorde hij een beetje ontdaan. Hij bedacht zich dat een worm nu ook nooit eens rustig kan genieten van een sappig rot lindeblad.  "Oy, wormpie! ...ormpie ...mpie" echode er plots door zijn gang. "Kom je effe naar boven?! ".  Regenworm zuchtte verveeld  "Daar heb je hen weer". Het was de familie Vuurwants. Een wel héél vervelende familie, of beter, een vervelende bende want wat waren ze toch altijd met veel. Volhardend ook. Ze geven nooit op, gaan door tot ze hun zin krijgen en ze hebben ook zo’n ontzettende lijfgeur. Maar Regenworm wist uit ervaring dat er hem niets anders te doen stond dan naar boven te kruipen. En dat deed hij dan ook, zij het met héél veel tegenzin

Henri
0 0

December 1959 (Engelse en Amerikaanse sigaretten) opdracht 5 Jan loogman

De meisjes hebben de sigaretten weer keurig neergezet, ziet hij als hij rechtop gaat zitten. Hij hoorde ze wel bezig, kleine vlugge geluiden in de kamer om zich heen, terwijl hij in de luie stoel zat te soezen. Johan hoorde hij ook, dat klonk anders, aarzelend als de pakjes sigaretten werden opgescheurd. Die jongen weet jongens- en meisjeszaken niet van elkaar te onderscheiden. Hij deed het nog eens verkeerd ook, zette de Engelse- en de Amerikaanse sigaretten gewoon door elkaar heen. Hij hoorde tenminste hoe er even gepraat werd, zachtjes natuurlijk, ze willen hem niet wakker maken. Geertje corrigeerde hem. Maar het resultaat is mooi, ziet hij  nu, alles staat netjes op tafel. Laat de gasten maar komen, ook al zijn het de brave broers en zussen van Mies. Het kan natuurlijk zijn dat Johan dat verlegene van die kant heeft, ze zijn daar allemaal zo ingehouden. Later op de avond zit het hele huis vol en inderdaad, er is veel geroezemoes, praten kunnen ze wel, die schoonfamilie van hem, maar het is bedaard, rustig. Soms wordt hij er kregelig van. Gelukkig komt zijn broer naast hem zitten, al is Piet zelf ook graag beschaafd, een heer. Nou, je bent niet meer dan een melkboer, zou hij willen zeggen. Maar hij doet het niet, Piet is wezen kijken, van de week, op een doordeweekse avond met de bus uit Amsterdam gekomen om de voorstelling te zien. “Je maakte er weer iets moois van, Toon,” zegt hij nu. Dat is Piet, altijd complimenteus. “Ach, het was maar een klein rolletje,” zegt hij. Een caféhouder heeft hij al zo dikwijls gespeeld. Je bent geschminkt, je krijgt een obersjasje aan, je jongleert met wat glazen achter een bar, en af en toe zeg je wat. Zijn stem is nooit het probleem, hoewel dat mens van het krantje juist vindt dat hij te hard praat. Hoe kun je op het toneel te hard spreken? De mensen op de achterste rij moeten je ook kunnen verstaan! “Wil je een borreltje, Piet?” vraagt hij en hij zwaait al naar Geertje: “Een jonkie voor je oom,” zegt hij. “Vlug, een beetje.” Eigenlijk wil hij het niet over het toneel hebben. Het is een mooi stuk, “Waar de ster bleef stille staan”, maar hij had maar een kleine rol. Hij had het stuk gekozen vanwege de rol die er voor een kind in zit. Het kindje Jezus ligt in de kribbe, en later heeft het even tekst. Hij had meteen aan Johan gedacht, toen hij het las. Zo groot is hij niet, hij had heus wel in de kribbe kunnen liggen en zijn debuut kunnen maken. Maar de jongen wilde niet. “Hij is nog maar acht jaar, laat die jongen toch,” had Mies gezegd. Heeft verdorie zijn neef in de kribbe gelegen, die is even oud. Reken maar dat zijn zwager daarmee pronkt op het dorp. Hij is van zichzelf toch al een praatjesmaker. Hij legt het op de repetities niet echt aan met dat mens van Spanjaard, maar zit haar wel te voeren, zodat ze voortdurend in de schijnwerpers staat. Die man van haar wil ook bij de club, nou, misschien kan hij als butler een keer meespelen, voor iets anders is hij niet geschikt. “Die Spanjaard is gewoon een lulhannes,” zegt hij tegen zijn broer. “Hij komt toch bij jou uit de buurt? Nou sinds vorig jaar wonen ze hier in de Spechtstraat. Ik zie hem elke dag op zijn fietsie naar de stad gaan. Die man heeft bij dat wijf van hem niets te vertellen.” Hij weet wel dat zijn broer niet van zulke praatjes houdt, Piet houdt het graag netjes. Nou, hijzelf ook, maar om de waarheid draait hij niet heen. Vorige week kwam Johan thuis van voetbaltraining. Was hij helemaal opgetogen over wat hij geleerd had. Links aannemen, rechts schieten, had die plurk van een Spanjaard hem voetballes gegeven. Heeft die kerel soms vroeger in het eerste van Pancratius gespeeld? Nee toch. Nou, hij mooi wel. En niks links aannemen, rechts schieten. Gewoon in één keer op het doel knallen, dat was zijn tactiek. Heeft hij ook aan Johan gezegd. Je moet er niet omheen draaien, gewoon er tegen aan. Zo doet Billy Wright het ook, de aanvoerder van het Engelse elftal. Ineens ziet hij zijn zoon door de kamer lopen. Is het al bedtijd?  Johan heeft moeite tussen de stoelen en tafels door te komen, overal zitten mensen die niet opzij gaan voor zo’n kleine jongen. Hij doet ook zo vreselijk voorzichtig, duwt geen mens eens flink opzij, probeert zich nog kleiner te maken dan hij al is. Die jongen moet eens voor zichzelf op durven komen. Hij kan echt wel wat, hij moet alleen durven. Hij moet gewoon eens opgepord worden. Nu is Johan vlakbij hem. “Kom eens hier, Billy,” zegt hij en hij trekt zijn zoon op zijn schoot. “Vertel je ooms en tantes eens wat je van de week geleerd hebt van Dick Spanjaard?”  Stilte, natuurlijk, hij had het kunnen weten, die doet weer geen mond open. En kijk eens naar Wim. Hij is nog wel Mies haar lievelingsbroer. Die zit verdorie naar Johan te knipogen. Wat zullen we nou beleven?  “Kom op, jongen, “ zegt hij, “laat je eens horen. Vertel dan maar over de geschiedenisles op school, wanneer was de Slag bij Nieuwpoort?” Praten zal hij, al moet hij het uit hem persen. “Nou, doe je mond eens open. Je hebt toch een tong? Of niet soms?” Hij hoort de stilte in de kamer, reken maar dat Mies naar hem zit te kijken. En wat dan nog, hij is de vader, hij probeert die jongen gewoon aan het praten te krijgen.  Met een snelle beweging schiet Johan tussen zijn handen vandaan. Hij probeert hem te grijpen, gooit een glas om. “Ik ga naar bed,” hoort hij. Kijk hoe hij wegvlucht. Hij schreeuwt, hij ziet Wim en de anderen wel kijken, Piet ook, zijn broer, maar hij houdt het niet tegen. “Wees toch snotverdomme niet zo verlegen,” schreeuwt hij. Te laat, Johan is al de kamer uit. Rie schuift haar stoel weer voor de deur die naar de trap leidt. Nee, hij gaat heus niet achter hem aan. Mies wel, ze buigt zich naar haar zus en die laat haar er langs. Mies gaat de boel natuurlijk sussen. Zo gaat het hier altijd.  

Jan Loogman
0 0