Annelies Leysen

Gebruikersnaam Annelies Leysen

Teksten

Tip

Koel bewaren

Het is waar wat ze zeggen. Dat de tijd plots stilstaat wanneer er iets ergs gebeurt. Alsof de wereld stopt met bestaan en alleen jij er nog toe doet. Zo voelt het. Tien minuten geleden was ik nog gewoon onderweg naar het werk, nu weet ik niets meer. Alleen dat ik het koud heb, ook al is het buiten bijna dertig graden. In een roes zie ik hoe de tram zijn deuren opent en mensen uitstappen. Het signaal van de deuren piept. Ik kan niet blijven zitten. In een impuls neem ik mijn tas van het zeteltje naast me en haast me door de openstaande deuren. Net op tijd. Ik sta verdwaasd in een tramhalte die ik niet ken, op een plek waar ik nog nooit ben geweest. Het felle zonlicht doet pijn aan mijn ogen. In mijn linkerhand houd ik nog steeds mijn telefoon geklemd. Ik moet dit aan iemand kwijt. Iemand moet me helpen. In een reflex druk ik in mijn contactenlijst op haar naam en breng het toestel naar mijn oor. De telefoon gaat over, maar neemt niemand op. Natuurlijk. Ik probeer mijn vader. Na amper een tel hoor ik zijn zware stem aan de andere kant van de lijn. ‘Dag jongen.’ ‘Papa.’ Mijn kin trilt. Ik voel dat ik huil. ‘Ja?’ Ik hoor hoe hij van zijn koffie slurpt. ‘Papa, ze is er niet meer.’ ‘Rustig. Wat bedoel je?’ ‘Lisa.’ Mijn stem slaat over. ‘Ze is er niet meer.’ ‘Wat wil dat zeggen?’ ‘De politie heeft haar gevonden.’ Dat is het moment waarop ik breek. Mijn ademhaling schiet de hoogte in en ik begin ongecontroleerd te huilen. Dit gebeurt allemaal echt. Ik beeld het me niet in en ik zit niet vast in een droom. Het blijft even stil aan de andere kant van de lijn. Mijn tranen lopen dwars over mijn wangen naar mijn lippen. Met het puntje van mijn tong lik ik aan mijn lippen.  Ze proeven zout.             ‘Zeg me waar je bent, ik kom je halen.’ Ik hoor de ontsteltenis in zijn stem en begin nog harder te huilen. Ik dacht dat vaders alles voor hun kinderen konden oplossen.     **** Welke douchegel ik wilde gebruiken. Dat is het laatste wat ik me kan herinneren van mijn oude leven. Ik had het rode en het witte busje geopend om afwisselend aan beiden te ruiken. Harde stralen stroomden over mijn kruin. Ik weet nog dat ze allebei zoet en vrouwelijk roken, net als Lisa. Ik koos uiteindelijk voor de rode en zeepte me grondig in. Ik weet niet meer juist hoe laat het was, alleen dat ik nog tijd genoeg had om rustig te douchen en te ontbijten. Ik was die ochtend nog in een halve slaaptoestand geweest toen Lisa was vertrokken. Ze zou naar een congres in Nederland gaan en was heel vroeg opgestaan. Ze had me niet willen wekken, maar ik was wakker geworden van de dichtslaande deur. Tot straks lieverd, had ik nog geroepen. Ze had niet meer geantwoord. Toen ik wist nog niet dat straks nooit meer zou komen. Achteraf bleek dat er helemaal geen congres was, maar dat ze een dag vakantie voor zichzelf had genomen. Ze had alles tot in de puntjes geregeld. Zoals altijd. Ik had al die tijd geen idee waar ze mee bezig was. Hoe ze zich gevoeld moet hebben. Hoe en wanneer ze dit allemaal was beginnen plannen. En waarom. Papa zegt dat we dat nooit zullen weten en dat ik mezelf niet verantwoordelijk mag voelen. Ik wou dat ze me had betrokken. Of dat ze me desnoods mee zou genomen hebben. Alles om maar niet alleen te moeten achterblijven.   ****   Op de poster staat een knappe oudere man met een brede glimlach.  Zijn haren zitten onrealistisch perfect in model. Hij steekt zijn rechterhand naar me uit. ‘Wij geven u het bijzondere afscheid dat u verdient’, staat in vette letters boven zijn hoofd gedrukt. Ik heb zin om over te geven. Er zitten nog vier andere mensen in de wachtruimte. de jonge vrouw links van me heeft haar blik strak op de punten van haar pumps gericht, de corpulente man in een trainingspak over me bladert door een magazine dat hij van de tafel heeft genomen. Zijn luide ademhaling vult de hele wachtruimte. Ik kijk naar mijn eigen handen terwijl ik zacht met mijn vingers op mijn dijbenen tokkel. Mijn billen plakken door mijn broek heen tegen het stalen zitvlak van wannabe design stoel. Ik heb het koud.             ‘Meneer De Bruyn?’ Mijn naam wordt afgeroepen door een knappe jonge vrouw in de deuropening. Geen idee waar ze plots vandaan komt. Ik knik en loop achter haar aan een smalle glazen gang door, tot ze me een kantoorruimte binnen leidt.             ‘Gaat u rustig zitten, meneer. Kan ik u iets te drinken aanbieden?’ Alweer diezelfde smakeloze stoelen. Ik schud geluidloos mijn hoofd en neem plaats aan haar bureau. Ze schenkt toch een glas water voor me uit.   ******* Binnen 4 minuten is de tram er. Er staan nog een hoop andere mensen te wachten op het perron. Ik heb het onbehaaglijk warm in mijn jas, ook al schijnt de zon vandaag niet. Het handvat van het plastieken zakje snijdt in het vel van mijn vingers. Mijn handen zweten. Ik open het zakje en neemt het donkergrijze potje in mijn linkerhand. Het voelt koel aan. Of ik graag een beetje van haar assen mee naar huis zou nemen, hadden ze gevraagd. Als aandenken. Ik vond dat een raar idee, maar durfde geen nee zeggen. Het aanbod afslaan zou onverschillig overkomen, dacht ik. Dus sta ik hier met een plastieken zakje in mijn linkerhand. Links van mee zijn twee zwarte mannen hevig in gesprek. Ze praten luid en gesticuleren met veel animo, zonder op te merken dat ik naar hen kijk. Aan de overkant van het perron staat een jonge vrouw met een volle boodschappentas te wachten. Ze heeft een draagdoek om haar buik gebonden en kijkt verveeld naar de stoep terwijl haar hand op het hoofdje van haar baby rust. Nog wat verder staat een jong meisje, hoogstens een jaar of tien. Zouden ze aan me kunnen zien hoe ik me voel? Zou mijn gedrag verraden dat ik een dode in een plastiek zak draag? Het lijkt alsof ik elk moment betrapt zou kunnen worden op iets waar een flinke straf op staat. Alsof ik net een bank heb overvallen en de volledige buit in mijn tas draag. Terwijl de wereld om me heen nietsvermoedend en meedogenloos verdergaat, weegt de kostwaarheid van het zakje zowel op mijn lijf als mijn gemoed. Ik moet extra voorzichtig zijn. In een flits zie ik mezelf struikelen struikel en de assen van mijn overleden vriendin per ongeluk over het voetpad heen strooien. Mijn overleden vriendin. Dat klinkt onwezenlijk. En toch is het waar. Ze is overleden. Ze is ook mijn vriendin. Tenminste, ze was mijn vriendin, tot ze besliste dat ze dat niet meer wilde zijn. Tot ze besliste dat ze helemaal niets meer wilde zijn. Een paar dagen geleden kroop ze ’s avonds in bed nog tegen me aan met haar warme lijf. Ik had haar billen en haar buik geaaid en haar goedenacht gekust. Ik dacht dat alles ok was. Nu houd ik haar in mijn linkerhand. Een koud stalen doosje in een verfrommelde plastieken zak. Zou ze zeker een minachtende opmerking over die zak hebben gemaakt, moest ze hier zijn geweest. Maar ik was niet op de vraag voorbereid geweest, en iets anders had ik niet op zak. De tram komt aan met piepende remmen. Het is een oud model, met harmonicadeurtjes en een vuil trapje. Ik wandel door tot de achterkant van het perron, neem de laatste ingang van de tram en loop naar de achterste zitbank. Er loopt niemand meer achter me. Op de stoffen bekleding van het zitje plakt een vlek van een uitgesmeerde kauwgom. Ik sla mijn jas dicht en ga toch zitten, met het zakje op mijn schoot. Het stalen potje heeft de grootte van een koffietas en weegt verrassend veel voor zijn omvang. Ik heb geen idee wat ik ermee moet. Waar ik het moet zetten. Misschien is het beter de assen uit te strooien in de tuin en er een boom op de laten groeien. Kersen, dat at ze graag. Maar zouden haar ouders dat wel op prijs stellen? Of hebben die hun eigen potje meegekregen? En als ik haar uitstrooi in de tuin, gaan de assen dan niet gewoon vliegen in de wind? Er zit een krop in mijn keel. Mijn linkerhand glijdt werktuigelijk in het zakje en sluit zich als een bankschroef om het potje heen. Het gladde, koele staal heeft iets erotisch. Ik moet het openmaken. Ik heb een aanwijzing nodig. Dat dit werkelijk is wat er van haar overblijft. Dat dit alles is wat er van haar overblijft. Ik moet het voelen. Misschien kan ik me dan bij haar beslissing neerleggen en verdergaan waar ik gebleven was. Of opnieuw beginnen. Zouden ze me het daarom hebben meegegeven? Als bewijsmateriaal. De enige manier om de realiteit te vatten en de waarheid onder ogen te zien. Om haar in leven te houden of te herdenken. Het lijkt wel een rekwisiet uit een Harry Potter-film. Traag draai ik het deksel open en breng ik het potje naar mijn neus. Ik had ergens gedacht een verbrande geur te zullen herkennen, maar het ruikt helemaal nergens naar. Voor ik het goed en wel besef, verdwijnt de wijsvinger van mijn linkerhand in de donkergrijze massa. De aanraking van mijn vingertop met de as voelt fluweelzacht, bijna sensueel. De fijne samenstelling kraakt tussen mijn vingers als verse sneeuw. Een koude rilling kruipt langs van mijn staartbeen omhoog langs mijn ruggengraat en nestelt zich in mijn fontanel. Een nieuw soort opwinding maakt zich van me meester. Ik duw mijn wijsvinger opnieuw omlaag in het potje en blijf die hypnotiserende handeling herhalen tot ik zeventien haltes later plots besef dat dit mijn stop is.     Thuis zet ik het potje met een metalige klik op de tafel. Het past hier niet. Het strakke staal past niet in ons warme, huiselijke appartement. Het appartement dat we samen zo zorgvuldig hebben ingericht. Dat doordrongen is van haar aanwezigheid en van haar geur. Het klopt niet. Met mijn jas en schoenen nog aan ga ik aan het bureau zitten en probeer een paar keer tevergeefs de krop in mijn keel weg te slikken. Ik sla mijn laptop open en google ‘Hoe menselijke assen bewaren’ Blijkbaar kan ik een diamant laten maken van het stoffelijk overschot. Of in een dildo bewaren, moest ik een urne te saai vinden. Ik staar enkele minuten voor me uit, op zoek naar een passende oplossing. Zelfs het internet kan me niet helpen. Ik zucht, wandel naar de keuken en schenk een glas frisse cola voor mezelf in. En dan weet ik het. De enige plek waar ik minstens drie keer per dag met haar aanwezigheid geconfronteerd word, maar waar ze niet de hele kamer naar zich toe zuigt. Ik neem het potje van de tafel, bekijk het een laatste keer langs alle kanten en zet het dan in de deur van de ijskast, naast de eieren.  

Annelies Leysen
2 1

Inkopen doen

Met grommende maag staat ze voor een hele rayon chips. Dit overleeft ze niet. Zeventien verschillende soorten, van ultradik tot extra geribbeld tot ovengebakken.. Het wordt zo ondertussen een ritueel, telkens wanneer de jongens bij hun vader zijn en ze de week alleen moet doorbrengen. Ze schuifelt ongemakkelijk heen en weer, van de ene kant van het rek naar de andere. Rechts van haar komt een man kordaat naar haar toe gewandeld. Ze deinst geschrokken opzij. Even zoekt hij haar blik en kijkt haar vragend aan. Dan neemt hij een pak peper en zout Kettle’s uit het rek en legt die in zijn winkelmandje, terwijl zijn blik op haar blijft rusten.             ‘Laat die chips maar zitten,’ denkt ze, ‘ik maak me hopeloos belachelijk.’ Sla is het volgende item op haar lijstje. Deze keer is de keuze makkelijker: een pakje veldsla voor één persoon. Wanneer ze bij de wijn aankomt, steekt de keuzestress de kop weer op. Haar ogen glijden minutenlang over de etiketten, terwijl mensen naast haar vastberaden een fles uit het rek nemen. Ze voelt hun blikken in haar rug branden en ziet hun scheve blikken. Ze laat de wijn voor wat hij is, versnelt haar pas en loopt door.  Haar ademhaling gaat tegen haar wil omhoog. Ze snelwandelt koortsig door de winkel. Nadenken gaat niet meer. Een vrouw met een overvolle kar komt in de tegenovergestelde richting naar haar toe gewandeld, maar in blinde paniek heeft ze haar te laat gezien. Ze botsen tegen elkaar op,  er valt een pak kalfskoteletten uit de kar op de grond. De vrouw kijkt haar verontwaardigd aan.             ‘Sorry, ik had u niet gezien.’, mompelt ze binnenmonds. Ze loopt door voor de vrouw kan antwoorden. Aan haar arm bungelt een rood winkelmandje met alleen een pakje veldsla. Na vierendertig minuten in deze winkel is dit haar schamele buit. Ze moet hier weg. Haar ademhaling is intussen zo snel en hoog dat ze er licht van in het hoofd is geworden. Haar denkvermogen wordt overmeesterd door een constante zachte suis in haar oren. Ze kan niet meer. Paniek en afschuw maken zich van haar meester. In een gejaagde opwelling zet ze haar winkelmandje op de grond, loopt met onzekere tred naar de kassa, naar de uitgang van de winkel. Wanneer ze terug in haar wagen zit is ze nog zo verward dat ze is vergeten hoe ze het ding moet besturen. Ze zet de wagen in achteruit, gaat veel te hard op het gaspedaal staan en stuurt de achterkant van de wagen uit onmacht hard tegen de muur van de parking. De bumper kraakt luid. Tien minuten later komt ze met lege handen thuis, haar maag gromt nog steeds.

Annelies Leysen
0 0

Ochtendhumeur

Heet water loopt van haar kruin naar haar kin en doet tegelijkertijd pijn en deugd. Ze wou dat ze haar gedachten weg kon wassen. Dat ze gewoon met het water mee door het afvoerputje zouden glijden. Het water dat in haar oren sijpelt, sluit haar even volledig af van de wereld. Volledig in haar eigen universum, zonder wekkers, zonder opstaan, zonder dagelijkse sleur.             Haar armen hangen doelloos naast haar lijf, alsof ze alleen decoratief zijn. Het onbehaaglijke gevoel dat ze aan haar droom van deze nacht heeft overgehouden, zit nog onder haar leden. Ze droomde dat ze midden in een bombardement zat. Alweer. Overal om haar heen zag afgerukte ledematen en rompjes van kinderen liggen. Vluchten kon niet, ze wist niet meer hoe ze zich moest bewegen. Minstens één keer per week heeft ze deze droom. Al maandenlang. Normaal gelooft ze niet erg in droomduiding, maar ze neemt zich voor straks eens op te zoeken wat het zou kunnen zeggen. Ze weet niet meer wat anders gedaan, de droom heeft een te grote invloed op haar leven. Ze is zichzelf aan het verliezen, maar ze weet niet waaraan. En of dat slecht is, of net goed. Hoefde ze maar nooit meer uit deze douche hoefde te komen. De wekker haalt haar meedogenloos terug uit haar wereld, binnen tien minuten moet ze de jongens uit hun bed halen. Ze sleept zichzelf uit de douche en kiest voor een donkere jeans, een groen bloesje en een blauw truitje. Sokken met ‘Merry Christmas’ op, ook al is het half mei. Ze bekijkt haar naakte, rillende lijf in de spiegel. Knokig en bleek, kleine, afhangende borsten, paarsachtige knieën, grote oren. En een kille, eenzame blik. Het is alsof ze in de ogen van een oorlogskind kijkt. Ze kan zich niet meer herinneren wanneer die alomtegenwoordige tristesse zich precies om haar schouders heeft gedrapeerd. Ze zijn aan elkaar gehecht geraakt. Ze sluit haar ogen, zucht diep en draait de kraan dicht. Binnen een uurtje zal ze aankomen op haar werk, een glimlach uit haar lijf persen en haar gekende mopjes maken, alsof er niets aan de hand is. Niemand zal iets in de gaten hebben.

Annelies Leysen
0 0

Poppemiekes in de literatuur

Onlangs zei een grijzende man van middelbare leeftijd me dat je tegenwoordig een vlotte, jonge vrouw moet zijn om uitgegeven te worden als schrijver. Vroeger ging het tenminste om de kwaliteit, vandaag gaat het om wat hip is, wat verkoopt. De poppemiekes, die maken het vandaag. Ik maakte dus veel kans, zei hij. Ik hoorde het cynisme in zijn stem. De haartjes op mijn armen kwamen ogenblikkelijk overeind.Beste meneer, je moet helemaal geen jonge vrouw zijn om uitgegeven te kunnen worden. Er komt gewoon eindelijk een beetje meer evenwicht en diversiteit in de literatuur, die al eeuwenlang wordt gedomineerd door oude grijze mannen als u. Geef toe, met een paar uitzonderingen als Virginia Woolf, is literatuur altijd een overwegend mannelijke discipline geweest. Mannen werden serieus genomen, vrouwen zouden beter een beetje gaan koken. Laat het echte denk- en schrijfwerk maar over aan de specialisten. Zo denkt u toch ook, nietwaar? Daar komt nu eindelijk verandering in. Worden er dan minder mannen uitgegeven, vandaag? Neen. Beslist niet. Er worden alleen óók vrouwen uitgegeven. Ik bejubel de Saskia de Costers (jong, vrouw én lesbisch) en de Heleen de Bruynes van onze wereld. Ik ben blij dat jong geweld als Lize Spit en Zita Theunynck het literatuurlandschap openbreken en toegankelijker maken. En er komt stilaan eindelijk ook literatuur van schrijvers met een migratie-achtergrond, zoals Fikry el Azzouzi en Murat Isik (die op de koop toe zelfs de Libris Literatuurprijs in de wacht sleepte). Nee, gender, seksualiteit, leeftijd en origine doen er echt niet toe. En gelukkig maar. Hoe meer diversiteit in het schrijverslandschap, hoe beter. Hopelijk brengt dat ook meer diversiteit in wàt er geschreven wordt en in het soort boeken dat er verschijnt.Klopt, niet alle boeken die vrouwen schrijven zijn hoogstaande literatuur. Maar dat hoeft ook helemaal niet. Bovendien, ook mannen schrijven niet altijd boeken van orgastisch hoge kwaliteit. Dat is misschien schokkend nieuws voor u, meneer. Het feit dat uw werk maar geen voet aan wal vindt, ligt dus niet aan uw geslacht of uw ouderdom. U maakt zichzelf wat wijs. Nog een laatste puntje, nu ik toch bezig ben. Wat we schrijven hoeft niet per se in één of ander hoogintellectuele literaire canon te passen. Literatuur dient om gelezen te worden. Een boek dat goed verkoopt en dat vaak gelezen wordt, dàt is echte literatuur. Los van hoe poëtisch of hoogstaand het werk is. En los van wie het schreef. Enfin, dat is natuurlijk mijn bescheiden mening. Maar die is evenveel waard als die van u, poppemieke of niet.

Annelies Leysen
3 0

Otto, deel 1

We zitten zwijgend naast elkaar in de auto. Bart lijkbleek achter het stuur, ik als in een pijnlijke roes. Het lijkt alsof mijn middenrif tegen mijn rug plakt. Ik probeer Barts blik te vangen, maar hij houdt zijn ogen strak op de weg gericht. De auto krijgt een stevige ruk wanneer een vrachtwagen ons met een rotvaart voorbij steekt. Bart klemt zijn kaken op elkaar, ik weet dat hij inwendig vloekt. Mijn oude Nissan Micra puft en steunt tegen negentig per uur op de rechterrijstrook, terwijl we om de paar seconden voorbij worden gestoken. Voor het eerst sinds we elkaar kennen steekt Bart het niet op de wagen en maak ik geen grapjes over zijn rijstijl. Vandaag heeft ons allebei het zwijgen opgelegd. Wanneer we na tien eindeloze minuten de snelweg verlaten en hij de wagen even later de oprit op manoeuvreert, voel ik hoe mijn lichaam zich overgeeft aan een opslorpende vermoeidheid. thuis. Hij is intussen om de auto heen gelopen en opent mijn portier. Een niet te benoemen gevoel gaat door me heen wanneer hij het wiegje van mijn schoot tilt. Ik onderdruk de neiging om ze uit zijn handen te trekken, stap uit en loop hem moeizaam achterna naar de voordeur. We zwijgen nog steeds. De hiel van zijn linkerschoen is helemaal scheefgelopen en de kraag van zijn hemd zit dubbel. Heel even lijkt het of hij terug mijn puisterige buurjongen is en we allebei weer dertien zijn. Ik weet niet meer wanneer mijn afgrijzen voor hem juist is omgeslagen in liefde. Hij is er gewoon nooit niet geweest.   ‘Zal ik hem in zijn wieg leggen?’ vraagt hij zonder me aan te kijken. Ik wil hem vragen wat hij denkt. Of hij boos is op mij. Hem zeggen dat zijn kraag dubbel zit. ‘Ja, dank je. Vind je het goed als ik me even in de zetel leg?’ ‘Tuurlijk, schat. Ik ben in de keuken, roep maar als je me nodig hebt.’ Ik wacht tot hij in de keuken is verdwenen en buig me over het witte babybed. Otto is zo stevig ingepakt dat hij wel een popje lijkt. Hij ziet er prachtig uit. Zijn neus is rond en stevig, zijn kleine lippen zijn perfect gevormd. ‘Wat ben je mooi, lieveling.’ fluister ik tegen zijn volmaakte gezicht. ‘Mijn kleine, mooie Otto.’ Ik leg mijn hand op zijn gemutste hoofdje. De vroedvrouw heeft gezegd dat we daar beter afblijven omdat zijn schedel nog niet helemaal af is, maar ik kan me niet inhouden. Even lijkt het of hij beweegt. Alsof zijn lichaam zachtjes schokt en hij dadelijk zal wakker worden. Ik weet intussen dat hij koud en hard aanvoelt en ik zie de donkere vlek boven zijn linkeroog. En toch krijg ik de gedachte dat hij plots wakker kan worden maar niet uit mijn hoofd. Ik blijf beweging in zijn armen zien. Zoals eergisteren.   Eerst bewoog hij zijn vuisten in lichte schokjes, daarna strekte hij zijn vingers en begon hij zijn hoofdje te schudden. Daar was ik niet op voorbereid. Hij opende zijn ogen en keek recht in de mijne. Helblauw. Daarna gleden ze zachtjes weer dicht. Ik heb altijd gedacht dat ik nooit over een vorm van moederinstinct zou beschikken, maar op dat moment voelde ik hoe het me bij de keel greep. Een enkele blik heeft mij van een doodgewone vrouw tot een moeder gemaakt. Twee, hooguit drie seconden. Ik kan onmogelijk uitleggen hoe het komt en hoe het voelt. Als ik lang genoeg naar hem kijk, lijkt het alsof hij zijn ogen toch opnieuw opent. Alsof het allemaal maar een droom was.

Annelies Leysen
0 0

François

Hij houdt zijn rechterschoen in de lucht en inspecteert hem grondig. Het glanzende zwarte leer steekt af tegen zijn knoestige, met ouderdomsvlekken bezaaide vuist. Aan de hiel is het leer ondertussen niet meer dan een dun lapje, maar François weigert zijn trots in te ruilen voor een nieuw paar. Hij heeft de schoenen veertig jaar geleden speciaal op maat laten maken, passend bij zijn huwelijkskostuum. Nu draagt hij ze alleen op zondag, wanneer zijn kleinzoon op bezoek komt. Hij staat op, draait zijn doosje schoensmeer dicht, wikkelt het in zijn vod en bergt het op in het metalen ladekastje. t er even door. Hij kent dit moment.e gekregen omdat ze de vloer van de gangen te glad vond, maar daar zwijgt hij over. Nog een half uur wachten. Zijn kamergenoot ligt op bed een leger bij elkaar te snurken. Al jaren vraagt François om oordoppen op maat voor ’s nachts, maar dat soort doppen kost veel geld en men kan dat niet voor iedere bewoner doen. Paula heeft wel een speciaal looprekje gekregen omdat ze de vloer van de gangen te glad vond, maar daar zwijgt hij over. François weet intussen dat het leven zo werkt. Vroeger, in het achtste regiment, sliep hij ook naast een ongelooflijke snurker. Zijn maten waren vaak bang dat de vijand hun schuilplaats op een mooie nacht zouden ontdekken, maar François niet. Hij wist dat een nachtelijke inval te voor de hand liggend zou geweest zijn. Niets in het leven komt zomaar wanneer je erop wacht. Zoals die oordoppen.   François strijkt een laatste keer met de palm van zijn hand over de neus van zijn rechterschoen, neemt de plastieken schoenlepel uit de kast en wringt zijn voeten in de schoenen. Vandaag komt hij echt Hij doet iets met computers, dat is nu de toekomst naar het schijnt. Hij heeft een tijd in Amerika gezeten maar is daar verliefd geworden op een Vlaamse die er op vakantie was. Binnen een paar maanden krijgt François zijn eerste achterkleinkind. De vrouw van Jan heeft hij nog nooit gezien en hij weet niet of het een jongen of een meisje wordt.   Half twee. Hij is een half uur te laat. Zijn schoenen knellen intussen zo hard dat zijn beide benen al tot aan de knie tintelen. Niet toegeven, geen zwakte laten zien. Bijna vijftig jaar geleden heeft dat motto zijn leven gered, toen hij zonder verpinken twaalf kilometer met een kogelgat in zijn dij naar de dichtstbijzijnde legerpost aflegde. Het was de dag voor de bevrijding geweest, ze hadden net gelukzalig van een kop echte chicorei zitten slurpen die ze hadden gekregen van een boer. François kwam er met een kogel in zijn dijbeen vanaf, en met een spatje hersenen van de snurkende kadet op de neus van zijn rechterschoen. Sindsdien poetst hij zijn schoenen dagelijks.   François zucht, duwt zich uit zijn stoel en schuifelt naar het toilet aan het eind van de gang. Niet dat hij echt moet, maar het is het enige dat hij hier nog om handen heeft. Zijn schoenen maken een onaangenaam gekraak op de blinkende beige vinylvloer. Twee nachten geleden was François ’s nachts wakker geschoten en had hij plots begrepen dat het leven zinloos is. Dat hij gewoon zit te wachten tot het voorbij is. De tijd is een smerig ding. Eerst laat ie je jarenlang ploeteren om je uiteindelijk te laten zien dat je het helemaal bij het verkeerde einde hebt. Neem nu Marleen. Na de oorlog heeft hij zijn leven gegeven om haar liefde terug te vinden. Zijn Marleen. Zijn vrouw. Het mooiste meisje van het dorp. Terwijl hij in de loopgraven werd beschoten door de vijand, was zij een vrouw geworden. Zijn tijd was blijven stilstaan, de hare was dubbel zo snel vooruit gegaan. Ze kregen na de oorlog nog vijf kinderen samen, maar hij was haar vanbinnen kwijt. En hij zou haar nooit meer terugvinden, hoe erg hij ook zijn best deed.   François hijst zich recht van de pot en probeert zo goed en zo kwaad mogelijk zijn billen af te vegen, terwijl hij met zijn rechterhand tegen de koude muurtegels recht boven de metalen handgreep leunt. Hij heeft gewoon op de koude pot gezeten, dus echt vegen hoeft hij eigenlijk niet. Hij doet het toch, om soepel te blijven. De verpleging heeft hem al zo vaak gezegd dat hij moet bellen als hij moet gaan, maar hij wil geen jonge handen aan zijn olifantenvel. Hij wil niet aangeraakt worden door jonge veulens wiens tijd even bevriest tijdens de shift van acht uur die ze hier in het oudmannekeshuis komen draaien. Zeker in Bloemenveld is ‘tijd’ een verwrongen begrip. De bewoners worden er stuk voor stuk door ingehaald. Laat hen maar lijsten opstellen van dingen die ze nog willen meemaken. Achterkleinkinderen die nog geboren moeten worden. Memoires die nog gepubliceerd moeten worden. François is slimmer dan dat. Hij weet dat niets in het leven komt zoals je het verwacht.

Annelies Leysen
0 0

GenY

Ze zeggen dat wij te gelukkig zijn.  Dat wij alles kunnen – dat wij alles mogen – dat er geen grenzen zijn in ons bestaan.  Wij kunnen kiezen uit honderd verschillende studierichtingen,  na onze sabbatical aan de andere kant van de wereld.  Wij verschuilen ons in hotel mama waar het veilig, lief en zacht is. Of we willen meteen een eigendom met de luxe van een vijfsterrenhotel.  Wij verwachten te veel en weigeren elk compromis. Ze hebben ons geleerd dat we alles kunnen worden als we er maar hard genoeg voor werken. Maar werken willen wij niet. Wij klagen over burn-out terwijl we niet eens weten wat dat eigenlijk is.  Wij lopen de deur plat bij de psycholoog, zonder dat we ook maar iets hebben meegemaakt in ons korte leven.    Wij liggen de hele dag voor de tv te stinken. Of verslijten laveloos ons mooie leven in een ziekenhuisbed na een avondje binge-drinken. Wij zijn een bende vadsige vetzakken, kankerende kuttenlekkers, mongolide maniakken.  Wij zijn in één trek vergroeid met onze smartphone en onze koopverslaving. En we geven geen moer om onze familie. Of om de wereld.  Alleen maar om Pokémons.   Wat hebben ze toch fout gedaan? Wij hebben alle luxe, alle middelen en alle mogelijkheden.  En toch hebben wij het leven niet begrepen.  Wij zijn een verlore, generatie van de intellectuele armoedzaaiers. Van ruggengraatloze nietsnutten. Ons narcisisme is groter dan onze herseninhoud,  Ons zuurverworven stemrecht hebben we met graagte weer overboord gegooid. Hun normen en waarden zijn volledig in rook opgegaan.   In hun tijd was het anders. Zij moesten knokken om het te maken.  Zij, scheppers van de porno-industrie. Eigenaars van wereldwijd gevestigde voedselmultinationals.  Uitvinders van termen als ‘globalisering’ en uitspraken als ‘Grab ‘m by the pussy’. Ooit van nul begonnen, nu eigenaar van alle waterplassen in het oostelijk halfrond. Ze hebben de wereld zo mooi vormgegeven.    Zet u schrap, het is nu aan ons.  

Annelies Leysen
0 0

De avondmarkt

De geur van gebakken varkensvlees en chili  hangt als een gordijn boven het steegje. In tientallen eetkraampjes weerklinkt het geluid van sissende olie in hete wokpannen. Straatventers proberen al roepend hun koopwaar aan de man te brengen. Eentje heeft een handvol toeristen aan de haak geslagen, ze kijken bewonderend naar zijn houten juwelen. Hij ziet er sjofel uit, zijn haren hangen als vette slierten tegen zijn magere gezicht. Zijn armen zijn bedekt met littekens en op de borst van zijn t-shirt zitten drie gaten. De verkoper krijgt mij plots in het oog en lacht zijn bijna volledig tandeloze mond naar me bloot. Ik kijk snel de andere kant op en maak dat ik wegkom. Even verderop staat een vrouw met een gigantische hoed te roepen. Wanneer ik dichterbij kom, zie ik dat ze gedroogde vissen op een stokje in haar handen heeft. En walm van rioolgeur slaat me in het gezicht. De stank van de stad en de drukte kruipen in mijn hoofd.   Ik mag niet huilen, ik mag niet huilen, ik mag niet huilen   Als ik hier laat zien hoe bang ik eigenlijk ben, raak ik hier nooit levend weg. Een paar meter achter me hoor ik het ritmische geluid van leren slippers die tegen het zand kletsen. Al meer dan een half uur volgt dat irritante geklak me op de voet, alsof iemand me op de hielen zit. Ik tel tot drie en kijk om. Niets te zien. Ik adem diep in, versnel mijn pas en sla linksaf. Het klakken van de slippers versnelt mee. Droom ik? Een-twee-drie. Niets te zien. En toch voel ik zijn aanwezigheid, zijn ogen branden op mijn vel. Ik moet mijn achtervolger zien af te schudden en terug naar het hotel geraken. Zo snel mogelijk.   Langs alle kanten schuiven mensen me vreemde dingen op stokjes onder de neus. Ik vermoed dat het vlees is, maar geen idee van welk dier. In een volgend kraam liggen opzichtige zonnenbrillen met weerspiegelengde glazen uitgestald. Ray-bon en Adidos. Verdorie, ik herken deze plek. Ik ben hier daarnet al geweest. En opnieuw dat vreselijke geklak. Een-twee-drie. Niets.   Ik ga sneller en sneller lopen, tot ik bijna ren. Ook het klakken achter me versnelt. Ik voel de tranen achter mijn ogen prikken. Hij komt dichter en dichter, ik kan zijn adem bijna in mijn nek voelen. Wat is hij in godsnaam van plan? Waarom ik? Ik heb teveel cocktails gedronken en ik sta helemaal alleen op een markt aan de andere kant van de wereld. Ik heb geen idee waar ik ben of hoe ik terug moet geraken, er zit een of andere angstaanjagende man achter me aan en tot overmaat van ramp spreekt geen mens hier een woord Engels. Waarom ben ik niet gewoon in de hotelkamer gebleven, zoals ik me had voorgenomen voor deze vakantie? Ik laat mijn voeten zwaar op de verharde zandweg neerkomen, steeds trager. Hij haalt me in, dit red ik nooit. Het is afgelopen. In een wanhopige poging mijn belager toch nog af te schudden duik ik vliegensvlug naar links en struikel ik over mijn eigen voeten. Ik klem mijn kaken op elkaar om de pijnscheut in mijn knie te onderdrukken, krabbel recht van de grond, en kijk om me heen. Niemand te zien.

Annelies Leysen
0 0

Pleidooi voor het leven

De afgelopen dagen werden we overspoeld door angst en terreur, woede en verdriet. Sinds gisterenmorgen gonst het reacties, foto’s, meningen,  verzuchtingen, de één nog radicaler dan de ander. Iedereen met internetverbinding ontpopt zich plots tot wereldleider, tot oorlogsstrateeg met dé oplossing die ons naar een vrije en vredige toekomst zal leiden.   Ook ik voel veel, denk veel, wil veel. Maar ik heb geen politieke aspiraties en ben niet bang te bekennen dat ik niet weet hoe diep en ver dit conflict wereldwijd geworteld is. Ik heb geen pasklare oplossing. Als je er niet helemaal het fijne van weet hou je beter je mond, is mij altijd geleerd.   En toch doe ik graag een oproep. Een oproep om deze vreselijke gebeurtenissen als wake-up call voor ons eigen bestaan te zien. Om even stil te staan bij alles wat wij als vanzelfsprekend ervaren. Om na te denken over ons eigen geluk. Maar ook om minder na te denken en meer te doen. Laat ons ons loswrikken uit de kooien die we zelf zuchtend om onze vrijheid hebben gebouwd. Laat ons geen genoegen meer nemen met uitspraken als ‘Een mens moet iets doen’, en ‘That’s life’. Laat ons niet langer slaaf zijn van ons eigen bestaan.   Dit is een pleidooi voor een echter en waardevoller leven. Laat ons weer meer op ons gevoel dan op ons hoofd gaan vertrouwen. Laat ons niet langer toegeven aan de angsten die wij onszelf aanpraten. Wij moeten weer leren in het diepe te springen en ongeremd graag te zien. Laat ons die pantsers van zelfbehoud afgooien en onze harten weer op onze tong dragen.   Dit is een pleidooi voor onze vrijheid. Voor de vrijheid die we zo hoog in het vaandel dragen maar vrijwillig opzij hebben geschoven voor wat meer centen aan het einde van de maand. Laat ons weer verloren kunnen lopen in de eindeloze mogelijkheden die wij hebben. Dit is een pleidooi om ons leven terug zelf te gaan boetseren. Wij hebben de kansen, laat ons er ten volle gebruik van maken. We zijn het onszelf verschuldigd. We zijn het de wereld verschuldigd. En we zijn het wereldwijd miljoenen slachtoffers verschuldigd, wiens toekomst plots werd weg gerukt.  

Annelies Leysen
0 0

Waarom niet?

Toen ik zes was, drong het tot me door dat het een helse klus zou worden om de wereld ooit te leren snappen. Dat het misschien wel onmogelijk zou blijken om het leven ooit écht te begrijpen.   Ik weet nog goed hoe juf Frieda onze verbeterde opstellen over wat we later wilden worden terug uitdeelde, en hoofdschuddend voor mijn lessenaar bleef staan. Ik was op zijn lichtst gezegd verbaasd, want de juf hield normaal gezien heel erg van mijn opstellen. Ik moest ze niet alleen in onze eigen klas voorlezen, tijdens de speeltijd wilde ze ook nog eens dat ik mijn nummertje opvoerde voor de andere juffen. Redelijk gênant, want mijn klasgenootjes vonden me daarom een slijmbal en een seut. Omdat de juf altijd zei dat ze zo erg zeker wist dat ik ooit een boek zou schrijven. En dan kneep ze altijd iets te hard in mijn bolle wang en roefelde ze door mijn feloranje haren. (Daar heb ik nog een erger trauma aan overgehouden dan toen ik die ene keer per ongeluk mijn handwerk aan mijn rok had vastgenaaid en huilend bij haar op schoot moest.)   Deze keer was het echt helemaal anders. Terwijl ze haar zwaar ontwikkelde neusorgaan traag van links naar rechts bewoog en haar wenkbrauw steeds hoger optrok, zei ze dat ik zowel aan de opgave als aan de oefening schoonschrift mijn voeten had geveegd. Haar diepe stem galmde, haar gouden oorringen bungelden vervaarlijk, haar neusgaten waren enorm. Mijn hele opstel was niet alleen één grote veeg, mijn droomjob bestond helemaal niet, brulde ze.   Zowel de juf als mijn ouders hebben me toen veelvuldig moeten uitleggen dat het onmogelijk was voor een meisje om Paus te worden, maar op de vraag 'Waarom niet?' heb ik eigenlijk nooit echt een helder antwoord gekregen. Wat ze me ook zegden, het gesnik en het ongeloof bleven groot. Ik begrijp het eigenlijk nog altijd niet. Die ontsteltenis is lang blijven nazinderen en sinds die dag zijn de vragen zich onophoudelijk blijven opstapelen. Een tijdlang heb ik ze allemaal in schriften genoteerd, maar een dikke twintig jaar later blijkt mijn hoofd nog altijd even leeg en ligt mijn kelder barstensvol papier.   Het zijn inmiddels zoveel vragen dat ik niet eens meer weet met welke ik moet beginnen om de puzzel ooit te kunnen ontrafelen. Daarom probeer ik het nu met makkelijkere, banalere dingen.   Waarom de vrouwen uit de reclame op tv ontharingsmiddelen altijd demonstreren op benen die al helemaal glad en haarloos zijn. Hoe kan je dan ooit zien of dat ding wel écht werkt? Waarom er in de wachtzaal van de dokter altijd muziek wordt gespeeld. Bij élke dokter. Zieke mensen hébben toch al hoofdpijn? Waarom militaire onderscheidingen wereldwijd worden uitgedrukt in edelmetalen plaatjes om op je kostuum te spelden, terwijl dat tijdens een volgende slag alleen maar extra gewicht om mee te zeulen is. Als het ooit oorlog is en het komt op seconden aan, betekent dat geblink en gerinkel misschien wel je dood? Of waarom tandpasta echt 'tandpasta' heet, terwijl het niets Italiaans is, niets met eten te maken heeft en helemaal niet op spaghetti lijkt.   Ik weet het. Ik heb nog heel veel werk. Ik moet nog heel veel leren, als ik het ooit allemaal wil kunnen begrijpen. Maar in godsnaam, waar moet ik dan beginnen?

Annelies Leysen
0 0
Tip

Wie zijt gij?

Hé!Gij daar.Ja gij. Denkt gij daar soms over na, over wie ge nu echt zijt?Over wat ge echt wilt?Of ge op mannen valt, of op vrouwen, of op dieren? Of misschien op niks? Wéét gij dat? Weet gij dat écht?   Ik denk daar dikwijls over na.Over wie ik nu echt ben, over waarom en en hoe.Over wat mijn persoonlijkheid definieert.En wat dat eigenlijk is, mijn ‘persoonlijkheid’.Een schoon woord is’t alleszins niet.   Dat klinkt misschien wel heel evident allemaal.Misschien hoort ge dat allemaal al wel te weten als ge vijf zijt.Maar ik vind dat serieus moeilijke vragen.   Soms knijp ik heel erg hard mijn ogen dicht en maak ik een opsomming van wat ik wel en niet leuk vind.Misschien dat ‘t u dan wel ineens te binnen schiet, wie ge eigenlijk zijt.Snapt ge?   Ik doe het effe voor.Ogen dicht. Héél erg dicht. Knijpen tot ge niet meer kunt.En denken dat ge helemaal in het topje van een vuurtoren zit.   Klaar?   Ik hou van slapen in frisse lakens, helemaal in’t wit. Ik hou waanzinnig van van kaas, echt van elke kaas die er maar is gemaakt. Ik hou van boeken. Zowel van de geur als van ze kunnen lezen. Ze verzamelen. Ik hou ervan mijn kat te kunnen roepen met alleen mijn ogen. Van Sanseveria’s. Van vossen. Van slimmer worden, alhoewel ik niet het gevoel heb dat dat nog gebeurd. Van ouderwetse gloeilampen – van lang in bad gaan – van de soundtrack van ‘Into the Wild’, nee van de hele film eigenlijk – van die kleine cinema waar ge met uw glaasje rood binnen moogt en waar ze altijd goeie films spelen. Ik hou van lang en ver op reis gaan, maar tegelijkertijd ook weer niet want dan ga ik mij schuldig voelen omdat ergens aan de andere kant van de wereld iemand leeft die veel meer capaciteiten heeft en een veel beter mens is, en toch veel minder kansen heeft gekregen dan ik.   Ik hou niet van snotterige eieren – mensen die vragen hoe het met u is om zo toch maar over zichzelf te kunnen beginnen – van mijn eigen sociale ongemakkelijkheid – sabayon (iedereen vindt dat hét van hét, maar ik begrijp er niks van) – onrechtvaardigheid. Ik hou niet van bang zijn van inbrekers – van ‘s nachts niet kunnen slapen – van nadenken over de toekomst van deze wereld – van de eisen die ik mezelf soms opleg – van het getal elf – van niet weten waar ik nu eigenlijk goed in ben en waar niet – van films in zwart-wit – van de geur van narcissen. Ik wordt daar misselijk van.   Voila.En als ge al die puntjes aan elkaar verbindt, dan weet ge weer een klein beetje meer van wie ge zijt.   Nu is’t aan u. Doet u ogen maar toe.  

Annelies Leysen
0 1

Middag op de Markt

  Hij trekt de punt van zijn kraag recht en wisselt de zwarte leren boekentas van hand. Haalt een hand door zijn te lange haren. Donker, wild, weerbarstig. Licht grijzend vlak tegen de kruin aan, maar dat zie je alleen van erg dichtbij. Zijn vrouw had er onlangs met ernstig gezicht naar gekeken, die kruin van hem. Aan haar ogen had hij het gezien, dat het zover was. Onomkeerbaar. De eerste tekenen van jeugdige vergankelijkheid. Hij wandelt verder met stevige tred. Het schuren van de mouw van zijn jas tegen zijn romp maakt een ritselend geluid. Het geluid van haast, noemt hij het, want je hoort het alleen bij mensen die zodanig vlug wandelen dat hun armen ongecontroleerd op en neer naast hun lichaam vliegen. Alsof ze elk moment kunnen opstijgen, in de hoop alsnog op tijd ergens toe te komen. In de verte ziet hij de halte in de ochtendmist opdoemen. Al jarenlang wandelt hij dagelijks naar dezelfde halte. Tram acht. Al jarenlang doet hij dagelijks hetzelfde traject. Twee keer. Elke dag opnieuw. Hetzelfde jasje, dezelfde boekentas, dezelfde ongecontroleerde armbeweging. Opnieuw en opnieuw en opnieuw. Zelfs het hobbelige voortglijden van de tram over de sporen is dagelijks even repetitief. Doe-doek. Doe-doek. Binnen drie tellen komt er een bocht. Piep. Hij houdt van repetitieve handelingen, daar niet van. Hij vindt het fijn dat hij weet wat er komen zal. Hij is geen mens van verandering. Hij gebruikt al sinds zijn tienerjaren dezelfde eau de cologne en draagt al jaren dezelfde afgetrapte schoenen die hij ooit van zijn vrouw kreeg. Zijn dagen waren perfect voorstelbaar, tot in de puntjes, vanaf het moment dat hij ‘s ochtends zijn bed uitstapte. Tot er gisterenmorgen geen boterhammen met kip curry voor hem klaar stonden op het aanrecht, en zijn vrouw diezelfde avond zonder aankondiging ook niet meer thuis kwam. Nu klinkt zelfs de tram niet meer repetitief.   Hij denkt na over hoe en wat er gebeurd kan zijn, maar na een half uur leegte komt hij tot de constatatie dat hij eigenlijk niet zo goed nadenken kan. Hij heeft dat nu eenmaal al zo lang niet meer hoeven te doen. Alles is altijd maar ok geweest zoals het was. De laatste keer dat hij nadacht over wat hij wilde eten, is meer dan tien jaar geleden, bedenkt hij zich. De laatste keer dat hij op vakantie ging ook. Dat hij op vakantie wilde. Dat hij een curryworst special van de frituur achter de hoek wilde. Pas op, dat wil niet zeggen dat hij alles tegen zijn zin doet. Dat hij ongelukkig is. Elke dag eet hij kipcurry tussen zijn boterhammen, omdat hij ervan overtuigd is dat er echt niets lekkerders bestaat. Elke dag heeft hij zijn nylon zwart jasje aan, ook al is dat geen mode meer sinds hij veertien was. Het voelt vertrouwd, en dat is goed genoeg. Net zoals zijn vrouw, denkt hij dan. Vertrouwd. Wat een mooi woord. Dat wil niet zeggen dat hun relatie dood is, dat ze berusten in een vlucht naar vroeger. Ze weten gewoon perfect wat ze aan elkaar hebben. En dat vindt hij niet zomaar alleen slecht. Hij heeft hoegenaamd geen behoefte terug te denken aan de tijd dat hij zijn stropdas net dat beetje meer aanspande om er gesofisticeerd uit te zien. Dat hij haar witte rokken net dat beetje teveel ophief wanneer ze haar laarsjes optrok. Dat wil niet zeggen dat ze verlangen allebei weer tieners te zijn die elkaar verlegen, hitsig en met het schaamrood op de wangen liefdesbriefjes toestaken door de spijlen van de schoolpoort. Zij onbereikbaar, in de vierde klas van de meisjesschool, tussen de nonnen. Hij leutig stoer, in het college handbewerking bij de paters. Twee verschillende scholen onder één dak. Een gietijzeren poort die hun liefde van elkaar scheidde, willekeurig neergepoot door God de Vader. Zo gevochten dat hij heeft voor haar. En het enige wat hij zich nu nog kan herinneren, is hoe ze de staart van de kat aait. En hoe ze haar keel schraapt vlak voor ze zich omdraait in haar bed, wanneer ze gaat slapen.   Hij kijkt om zich heen, zijn nek kraakt. Het huis ligt er nog steeds kraaknet bij, alsof er niets gebeurd is. Ze heeft het prachtig ingericht, denkt hij. De moderne meubels en geometrische lijnen zijn eigenlijk niet helemaal zijn ding, maar het resultaat mag er toch wel wezen. Hij weet nog goed hoe ze hem van de ene meubelwinkel naar de andere meetroonde. Wat dacht hij van een ijzeren tafel en een zwarte eiken boekenkast? Hij had er geen idee van. Doe maar wat jij goed vindt lieverd, zei hij, ik vertrouw je helemaal. Ze glimlachte dankbaar op dat moment, daar in de twintigste meubelzaak die ze die dag bezochten. Haar ogen zacht en warm, maar tegelijkertijd vurig en vastberaden. Hun gloednieuwe huis was in goede handen, wist hij. Nog even, en ze zou een nest voor hun tweetjes gebouwd hebben. Ondertussen is dat al jaren geleden. De meubels zijn niet modieus meer, het leer van de zetel is zacht, dun en vaal geworden. Dat vindt hij niet erg, integendeel. De zetel is perfect doorgezakt op de plaats waar hij altijd zit. De eiken boekenkast kraakt ondertussen onder het gewicht van haar inhoud, het blad van de ijzeren tafel is bedekt met krassen. En haar ogen zijn al lang niet warm, zacht, vastberaden of vurig meer, maar vooral moe. Zo gevochten dat hij heeft voor haar. En het enige wat hij zich nu nog kan herinneren, is hoe ze de staart van de kat aait. En hoe ze haar keel schraapt vlak voor ze zich omdraait in haar eigen bed, wanneer ze gaat slapen. Ze had dat voorzichtig aangepakt, dat van dat bed. Hij snurkte en woelde ’s nachts vreselijk, en zij geraakte daar moeilijker en moeilijker van in slaap. Eerst werden haar ogen en haar haar dof, daarna kreeg ze een lastig hoestje. Oververmoeid, zei de dokter. En hij wist dat het zijn schuld was. Maar wat was de oplossing? Man en vrouw horen nu toch eenmaal samen te slapen, opperde hij onzeker. En toch. Twee weken later kwam er een bevriend schilder de logeerkamer in het zachtroze schilderen. Er werd een nieuw bed geleverd, en dat was dat. Van toen af aan dekte hij haar elke avond onder, en bleef hij naar haar kijken tot ze inslaapt. Zoals bij de kinderen die hij altijd wilde, maar die ze nooit kregen.   Hij is moe. Hij kan zich moeilijk concentreren op zijn werk. Zijn baas stelde voor dat hij enkele dagen thuis zou blijven, maar daar heeft hij weinig zin in. Hij wil graag blijven vasthouden aan zijn dagelijkse tramritten, zijn zwartleren boekentasje en zijn afgetrapte werkschoenen. De rapporten die hij opmaakt en naar het management in Lyon verstuurt. Hij zou niet weten wat hij nu anders zou moeten doen. Hij weet dat hij vooral rustig moet blijven om zijn vrouw terug te vinden. Rustig. Dat wordt hij alleen als hij op elk moment perfect weet wat er komen gaat. En het is al meer dan gek genoeg niet te weten wat hij vanmiddag zal eten.  Sinds zijn vrouw zoek is, staan er geen boterhammen met kipcurry meer voor hem klaar, en is hij genoodzaakt zich neer te leggen bij de gebrekkige kookkunsten van het cafetaria-personeel. Zo kiest hij elke dag voor een kom dampende soep, begeleid van een witte pistolet met minarine, maar welke soep hij zal eten, weet hij niet. Elke dag is anders. Bovendien is het in zijn bedrijfskantine perfect mogelijk een oranje tomatensoep voorgeschoteld te krijgen, of een groene wortelsoep die naar courgette smaakt. Daar raakt hij maar moeilijk overheen. Wanneer je een cd met cellosuite’s van Bach opzet, verwacht je ook geen elektrische gitaren te horen. Hij heeft het probleem al meermaals aangekaart bij het management, maar in het bedrijf werken meer dan 3000 mensen met meer dan 3000 wensen, en de zijne is daartussen niet van prioritair belang, zo werd hem verteld. Hij probeert dan maar te leven met het idee dat elk middagmaal een verrassing zal zijn, en dat de naambordjes bij de grote salamanders soep geen garantie zijn voor de inhoud. Zijn duim speelt onophoudelijk met de trouwring aan de ringvinger van zijn rechterhand. Gek, die draagt hij pas weer sinds zijn vrouw verdwenen is. Alsof hij wil laten zien dat ze wel terug gevonden moét worden omdat ze zijn bezitting is. Of omdat hij zich schuldig voelt, misschien is het wel zijn schuld dat zijn vrouw kwijt raakte, omdat hij zijn ring al jaren niet meer droeg.   Hij weet nog hoe hij de eerste avond na haar verdwijning op zijn knieën voor zijn nachtkastje zat, op zoek naar het gouden onding. Hij wist dat hij het artefactje van wat ooit een liefdesdroom was – nu slechts een zeurende herinnering in zijn achterhoofd – érgens in zijn nachtkastje had gepropt, nadat hij tot de pijnlijke vaststelling was gekomen dat zijn ooit ranke vingers zich tot zijn kipcurry-verbruik waren gaan verhouden. Hij kreeg het ding aan noch uit, en verwenste elke herinnering aan zijn jonge, gelukkige, fitte leven tot in het donkerste hoekje van een compleet zinloos meubelstuk. Niet dat hij zijn vrouw minder graag was gaan zien, maar gewoon omdat niet in onvrede wilde raken met zijn huidige bestaan. Omdat hij niet meer wilde denken aan de tijd dat hij een jonge kerel met een getraind lijf en een hoop wilde dromen was.   Hij is nog steeds diep in gedachten verzonken naar zijn rechterhand aan het kijken wanneer de postjongen zijn kartonnen kantoortje binnen stapt met een brief voor hem in zijn hand. Vreemd, hij had al twintig jaar lang geen brief meer gekregen. Met licht trillende handen scheurt hij de enveloppe stuk. Tergend traag, onzichtbaar naar adem happend. De receptionist blijft onaangenaam lang in zijn kantoor staan en kijkt hem met vragende blik aan. Jonge mensen hebben geen greintje respect voor privacy meer. Dat komt misschien wel door al die sociale media en virtuele identiteiten van tegenwoordig. Je hoeft alleen nog maar iemands naam in de searchbalk van Google te typen, en je vindt zijn hele leven terug. Hij vindt dat geen goede evolutie in deze wereld. Het idee dat iemand zomaar elk detail uit zijn leven kent zonder dat hij die persoon ooit maar heeft gezien, beklemt hem. Al heeft hij eigenlijk geen enkel idee wat er nu juist zo interessant zou kunnen zijn aan zijn leven. Buiten het feit dat hij altijd kip-curry tussen zijn boterhammen eet en dat hij zijn vrouw kwijt is.   Het is een korte brief, ziet hij meteen. Het dubbelgevouwen blad is nauwelijks groter dan een post-it, in dik, geribbeld papier. Hij herkent meteen het logo van het Museum voor Moderne Kunst uit de stad. Hij is er vorige week nog naar een tentoonstelling over de geschiedenis van de jazz geweest. Het was eerder en vernissage waar jonge kunstenaars hun werk tentoon konden stellen. Wel boeiend, maar een leerzame kroniek was het niet geweest. Hij had er meer van verwacht. Het briefje telt slechts vier woorden. En één smiley. Ook daar heeft hij een hekel aan. Hij vindt het een teken van onstabiliteit, het gebruik van smiley’s. Alleen pubers en labiele werklozen gebruiken ze, denkt hij afkeurend.
Hij schudt zijn hoofd. De grote hanenpoten in dunne, zwarte stift ergeren hem mateloos. Opnieuw een teken van onstabiliteit. Zelf schrijft hij zo klein mogelijk, zo recht mogelijk, zo duidelijk mogelijk. En altijd met zijn metalen regel. Proper, overzichtelijk en 100% recht. Daar wordt hij rustig van. Dan leest hij de tekst. Zijn adem stokt. Hij is haar kwijt.   ‘ZE IS WEG. VOORGOED. :)’

Annelies Leysen
0 0
Tip

Hotel Prestige

“Knoopt uw jasje schoon dicht”, sist zij kordaat. Haar mooie, diepe, donkere ogen staan scherp. Er valt met haar niet te sollen, zoveel is duidelijk. Haar lange haren golven op en neer terwijl ze stevig en vastberaden weg beent. Hij heeft zichtbaar moeite om haar bij te houden. Hij opent zijn mond even, maar lijkt zich dan te vermannen en doet dan, met enige tegenzin in zijn blik, gedwee wat ze zegt. Ze is niet makkelijk om mee samen te werken, weet hij, maar om één of andere reden krijgt ze toch altijd maar alles klaar gespeeld. En hij? Hoewel hij de hoofdrol speelt in dit verhaal, weten ze allebei dat hij het in zijn eentje nooit zou klaarspelen. Hij houdt even halt, haalt diep adem, en zet het dan op een lopen om haar in te halen. Oké. Showtime. Nog een laatste keer. En dan is het allemaal voorbij. Ze naderen de grote, zwarte, smeedijzeren deur. Alsof ze elkaar nooit gekend hebben, gaat zij links, en duwt hij de zware deur half open. Hij kucht geluidloos, recht zijn schouders en loopt daarna met een gladde zelfverzekerdheid het kleine trapje op, tot in de grote lobby. Het smakeloze zalmroze tapis-plain dat de hele ruimte bedekt, komt duizelingwekkend snel op hem af. Zelfs in de jaren zeventig kan dit niet mooi geweest zijn. Hij laat bij het voorbijlopen heel even voorzichtig, bijna lieflijk, zijn linkerhand rusten op de roze leren sofa in het midden van de lobby. Dat mensen hier vrijwillig blijven overnachten, en er dan nog een fortuin voor neertellen, daar kan hij met de beste wil van de wereld niet bij. Uit de muziekinstallatie kraakt ‘Private Dancer’ van Tina Turner, nog zo’n afgebleekt icoon uit vervlogen dagen. “Oké”, zegt hij tegen zichzelf. “Oké”. Met een Hollands accent. “Owkej”. Kom op man, draai die knop om, en ga ervoor. Niks te verliezen. Gewoon gaan. Haal die charmante lach nog eens boven, schud nog eens met die prachtige donkere haren. Laat je perfect gevormde haarlijn maar eens zien aan de smakeloze vrouwen in dit smakeloze etablissement. Binnen tien jaar is het te laat, dan zal je langzaamaan grijs geworden zijn, en zal blijken dat dat knappe gezichtje van je lang niet meer zo gaaf is als vroeger wel leek. Zorg vandaag maar voor dat appeltje voor de dorst. Hij merkt dat hij te lang heeft stilgestaan wanneer er langs achter zachtjes iemand tegen hem aan botst. “Excuseer,” zegt een vrouwenstem dicht bij zijn linkeroor. Te dicht. Er loopt instinctief een koude rilling over zijn nek bij het horen van de lage vrouwenstem. Bingo. Zou hij nu al beet hebben? Geluidloos haalt hij adem, knippert een fractie van een seconde met zijn ogen, en draait zich dan om. Nog steeds geluidloos, en traag. Ze is mooi. Erg mooi. Haar ogen staan levendig, haar wangen energiek rood. Dit is ongetwijfeld de dochter van graaf de Craene, zijn target voor dit weekend. Wat een toeval. Maar god, wat is ze mooi. Waarom is zij in godsnaam hier? Wat doet zij tussen deze onverdraaglijke elitaire oude zakken? Ze misstaat hier als een panter in een varkensstal. Ze glimlacht spontaan en vriendelijk, wat haar nog mooier maakt. Het duizelt hem even. Tina Turner reutelt ondertussen zeer overtuigend haar finale, maar de muziek stoort hem ondertussen niet meer. Hop. Hij is volledig in zijn focus. Eindelijk. “Mijn excuses”, lacht hij charmant. Zijn perfecte tanden steken fel af tegen het zalmroze interieur. “Ik weet dat ik in de weg stond, ik geloof dat ik even in gedachten verzonken was.” Hij zegt het opzettelijk geheimzinnig, iets zachter dan hij anders zou praten. Vrouwen houden van mannen die in gedachten verzonken zijn. Altijd. En aan de blik van dit exemplaar te zien, heeft hij prijs. Het mysterie van de man. Een succesformule.  “In gedachten verzonken? Ben je dan niet aan het werk?” vraagt ze terwijl ze terloops even op de twee grote koffers die naast haar staan wijst. Even is hij van zijn stuk gebracht. Hij heeft al veel meegemaakt in deze kringen, maar nooit eerder werd hij als loopjongen van het hotel aanzien. Hij knippert even verbaasd met zijn ogen. Is het zo duidelijk van hem af te lezen dat hij hier eigenlijk niet thuishoort? Voelt ze dat hij geen van hen is? Heel even dreigt zijn masker te vallen, maar hij herstelt zich razendsnel. “ Ik? Ik kom voor het congres van morgen. Maar zal ik even iemand roepen voor je koffers?” ze lacht even ongemakkelijk, en tuit haar lippen. Een zucht peperdure parfum overvalt hem. Dit, denkt hij, is de geur van geld. Dit moet hij hebben. Hij mag haar niet meer uit het oog verliezen. Subtiel toenadering zoeken, haar verleiden met zijn geoefende mysterieuze blik en zijn gedistingeerde houding. Het vertrouwen winnen, haar kop een klein beetje zot maken, en dan keihard toeslaan. Binnen vierentwintig uur is hij zo rijk als de zee diep is. Dan kunnen Saskia en hij stoppen met dit dwaze vertoon. Een jacht kopen en eindeloos ronddobberen op de Stille Oceaan. “Focus! Hou je hoofd er bij!” sist Saskia opnieuw, dit keer door het oortje dat hij in zijn rechteroor heeft. Ze heeft gelijk. Hij moet bij de zaak blijven. Op het gezicht van de steenrijke dochter valt intussen af te lezen dat ze hem zonet een vraag stelde, maar hij heeft geen flauw idee wat. “Zullen we even buiten gaan zitten?” vraagt hij zo nonchalant mogelijk, “Ik krijg het hier zo benauwd van dat kunstmatige licht.” Om zijn rol af te maken, diept hij uit zijn linker broekzak een maagdelijk witte, gesteven zakdoek. Hij zucht te luid en te diep en dept zijn voorhoofd. Bingo. Op het voorhoofd van de mooie blondine verschijnt een diepe rimpel, instinctief neemt ze hem vast bij de ellenboog. “Gaat het wel? Je ziet er inderdaad een beetje bleekjes uit.” Hij knikt met dichtgeknepen ogen, terwijl de vrouw hem naar de patio loodst. Ook hier is de inrichting zo smakeloos dat hij er bijna echt onwel van wordt. Nog even doorzetten. Kom op, jongen, je kan dit. Nog één keer.  Denk aan dat jacht. Denk aan bodemloos rijk zijn. Denk aan die joekel van een verlovingsring om Saskia’s ringvinger. En aan haar verbaasde gezicht.  Hij ploft gespeeld vermoeid neer op één van de houten tuinstoelen die op het zalmkleurige terras staan. Ja. Nu komt het. Nu zal ze voorstellen om een glaasje water te gaan halen. Het moment om ervandoor te gaan met het tasje dat ze zal laten liggen. Één minuut heeft hij nodig. Één minuut, en hij is rijk. “Zal ik even een glaasje water voor je gaan halen?” Er klinkt een zekere ongerustheid door in haar stem. “Nee hoor, hoeft niet, het gaat zo weer beter.”, wuift hij haar voorstel weg, goed wetende dat ze toch naar de bar zal gaan om een glas water. En jawel, ze staat op, de diepe rimpel is er nog steeds. “Ik ben zo terug,” zegt ze, “water doet altijd wonderen.” Showtime. Hij kijkt hoe ze inderdaad haar tasje naast hem laat liggen, volgt haar met zijn ogen terwijl ze langzaam weg stapt, en maakt aanstalten om het tasje te nemen en weg te lopen. Maar dan ziet hij vanuit zijn ooghoek hoe een in het zwart gehuld figuur hem strak aankijkt. Fuck. Ze heeft verdomme haar eigen bewakingsagent bij. Dat maakt de zaken moeilijker, maar niet onmogelijk. Nadenken, jongen. “Saskia!” fluistert hij tegen het revers van zijn kostuumjasje. “Problemen. Ik heb de water-truuk boven gehaald, maar haar bodyguard staat mij hier aan te gapen. Heb jij haar in je vizier? Kan je voor afleiding zorgen?” Een seconde stilte. Even vreest hij dat graaf de Craene hun spelletje doorheeft en dat Saskia nu omringd is door een legertje ongure mannen, maar dan klinkt er heel droog “Check. Doe het nu.” in zijn oortje. Saskia. Redder in nood, altijd weer. Wat een wijf.    Zonder om zich heen te kijken of te aarzelen grist hij het tasje vast en zet hij het op een lopen, in de richting van de struiken rondom de patio. Uit het kletterende glas dat hij binnen hoort, maakt hij op dat Saskia inderdaad voor afleiding zorgt, en dat hij nog zeker een dikke minuut heeft vooraleer de diefstal opgemerkt zal worden. Zijn hart bonkt in zijn keel, de adrenaline bruist in zijn hoofd. Alles suist. Vooruit. Recht vooruit. Hij voelt ondertussen de ogen van de bodyguard in zijn rug priemen, maar hij maakt zich geen zorgen. Als hij rent voor zijn leven, komt alles goed. Hij is sneller dan die lome krachtpatser. Sneller en slimmer. Hoor die kerel maar eens stampen. En lopen maar. Daar, door dat gat in de haag, recht de wildernis der struiken in. Nog even en hij is veilig. Nog één minuut pompen en hij hoeft zich nooit meer zorgen te maken. De mouw van zijn jasje scheurt aan een tak waarachter hij blijft haken, maar hij blijft lopen. Zijn duurste aankoop ooit. Hugo Boss. Pure zijde. Getailleerd. Een echte investering, hij mocht immers niet opvallen. Met dit pak en zijn perfecte smile won hij altijd instant geloofwaardigheid bij de rijke vrouwen die hij bestal. Hij zal het toch niet meer nodig hebben, na deze catch. Het had zijn beste tijd toch al gehad.  Wanneer hij zeker is dat hij niet meer gevolgd wordt door de zwartgeklede kleerkast, zet hij zich hijgend op zijn knieën. Hij heeft de longen uit zijn lijf gelopen. Zijn vingers trillen van opwinding wanneer hij de portefeuille van dochter de Craene uit haar tasje haalt. Baar geld, een handvol platina creditcards en een stapel staatsbonnen, volgens Saskia’s research. Goed voor een paar miljard euro. Tergend traag opent hij de ritssluiting van de peperdure portefeuille. Zijn oren suizen. En dan…  Één kleine post-it. Verder is de portefeuille leeg. Een belachelijk klein papiertje met een smiley, begeleid door één zinnetje. “Kijk in je achterzak.” Hij krijgt het ijzig koud. Plots voelt hij het. Zijn hart begeeft het bijna. Leeg.  

Annelies Leysen
0 1

Opleiding

Van personage tot kortverhaal - Creatief Schrijven 2013
Literaire Creatie - Academie Mortsel 2015 - 2019

Publicaties

Kortverhaal 'Otto', opgenomen in een e-book met de 20 beste inzendingen van de Lowlands schrijfwedstrijd 2017. Uitgegeven bij Nijgh & Van Ditmar

'In deze Transparante Wereld', debuutbundel poëtisch proza. Uitgeven bij Uitgeverij Zeg het met Tekst.

Literaire analyse: 'Van speelvogel tot criticus. André de Ridder tussen stad en platteland.' Zuurvrij 17, december 2009

Prijzen

Longslist Lowlands 2017
Kwartfinale Naft voor Woord 2017
Kwartfinale Naft voor Woord 2016
3x tip van de week op Azertyfactor