Over Pieter Van der Schoot

Absurdist. Surrealist. Lennonist.

Opleiding

'Met je teksten het podium op' van Creatief Schrijven
SchrijversAcademie van Creatief Schrijven
'Basisjaar Literair Schrijven' van Creatief Schrijven
'Columns schrijven' van Wisper
'Life writing' van Creatief Schrijven

Publicaties

Prijzen

Teksten

Een oefening in sterven

Elke dag is een oefening in sterven. Die gedachte bekruipt me iedere ochtend weer; doorgaans wanneer ik op de trein wacht en me overgeef aan mijn meest walgelijke tics. Ik pulk bijvoorbeeld de randen van mijn vingernagels om ze vervolgens naast de vuilbak te gooien. Daar dienen ze als voedsel voor de vogels, de insecten, het ongedierte. Ze zijn een voorschot op de rest van mijn lijf. Want we zijn wormenvoeding, we leven om ander leven tot voedsel te dienen. Mensen noemen me cynisch wanneer ik dat zeg. ‘Wormenvoeding’ is zelden een epitaaf, hoewel het dichter bij de waarheid ligt dan het ‘Requiescat in pace’ dat de meeste grafstenen siert. Op botte nuchterheid rust blijkbaar een groter taboe dan op schaamteloze dronkenschap. Wat de goegemeente vereist is ingetogen zelfbedrog. Maar geen dodenwake, boek der doden of transhumanistisch manifest kan de waarheid verhullen: de natuur is een recyclagefabriek en wij zijn de grondstoffen. Van wouden maakt ze steenkool, algen vermaalt ze tot krijt. Miljarden jaren maalt ze al. Ooit zal ze ook ons vermalen. Zelfs de sauropoden dwong ze op de knieën. Het leven komt met een prijs. In het menselijke bestel wordt die vooral door andere wezens betaald. We vissen de zeeën leeg en kappen de wouden kaal. Kuikens, biggen en kalveren versnijden we tot steaks, burgers en worsten. Maar al dat voedsel, die massa organisch materiaal die ligt opgeslagen in onze botten, spieren, pezen en ingewanden, wacht slechts op het moment om opnieuw te ontbinden. Ook wij liggen ooit horizontaal in de aardkorst, uitgestald als een feestdis voor maden, schimmels en bacteriën. Mensen zijn biefstukken met kapsones, en daar ben ik geen uitzondering op. Die wetenschap voegt geen el toe aan mijn levenslijn, maar maakt de streken waar ik normaal zo gewichtig over doe plots een pak lichter. Inzicht brengt opluchting. Zelfs het zwaarste boek uit onze literaire traditie onderkent dat. ‘Lucht en leegte’, zegt het Bijbelboek Prediker, ‘Lucht en leegte, alles is leegte.’ Laat me dus maar genieten van het leven, inclusief van mijn walgelijke tics. Wie goed kijkt ziet wat mijn vingernagels werkelijk zijn: dankoffers voor het korte bestaan dat me op deze planeet is gegund. Pieter Van der Schoot Deze column verscheen ook op mijn blog Observaties uit het ondermaanse. Afbeelding: Koning Salomo, volgens de traditie de auteur van het boek Prediker.© Gustave Doré, Public domain, via Wikimedia Commons

Pieter Van der Schoot
9 1
Tip

Monologue intérieur

"Wat bedoelt ge? Ja, wat bedoelt ge godverdomme, wanneer ge zegt… Of nee! Niet zegt, suggereert! Want gij zijt te geslepen om zomaar vlakaf rechtuit iets te zeggen. 't Is uw manier om mij 't zwijgen op te leggen, om van krommenaas te gebaren als ik uit mijn krammen schiet, om de tafels te keren en van mij de boeman te maken. Dus zwijg ik maar, behalve als ge van huis weg zijt, als ge met uw vriendinnen of wat daarvoor doorgaat mijn rekening plundert in de winkelstraten van Antwerpen of Leuven, en ik thuis alleen ben - gelijk nu - en zo hard schreeuw dat de spiegels ervan daveren. Want hoe ge 't ook draait of keert: voor u ben ik slechts een loser en een stuk verdriet, die ge gedoogt omdat hij twee poten aan z'n lijf heeft en het geld binnenrijft dat gij al shoppend en cognaczuipend de vensters uitsmijt… Ik hoor uw verwijten niet in officiële declaraties, da's waar, maar ik zie ze in de lijnen op uw smoel: de rimpels op uw voorhoofd, de dichtgeknepen ogen, de halfopen mond, uw neus opgetrokken alsof ik mijn gevoeg op uw ontbijttafel heb gedaan. Ge moet niet zeggen dat ’t niet zo is. ’t Is wél zo! Met één oogopslag veroordeelt gij mij, ja veroordelen! – tot een plaatske onder de trap. Een dienaar, een clown. Goed voor 't geld dat ik verdien of om uit te lachen als er niks op tv is. Maar hou hem vooral op afstand als die kakmadam op visite komt. Die wát? Ja, die kakmadam! Ge kent ze wel: ik bedoel natuurlijk die uitgewoonde kut waaruit gij op aarde zijt geklauterd. En erger nog dan die moeder van u zijn die opgetutte uitwerpselen in vossenbont die gij uw vriendinnen noemt, maar die te vals, te kattig, te zelfberekenend zijn om te weten wat vriendschap is. Oh, wat zou ik 't graag in uw smoelwerk slingeren, de haat die ik voor u voel. Haat ja, bloeddorst! Wat zou ik ervoor geven om dat mes waarmee ge uw benen scheert gewoon eens een keer... Maar nee, ik gun u het genoegen niet, of het genoegen van uw moeder als gij er niet meer zijt, zodat ze mij als een crimineel voor de rechter kan slepen om de laatste van mijn hardverdiende centen uit mijn beurs te persen. Uw moeder, verdomme, dat serpent. Of is 't een zeug? Weet ge hoe ze haar noemen als ze met haar geparfumeerd gat door het dorp paradeert? Miss Piggy. Ja, Miss Piggy. En met de snelheid waarmee gij kilo's wint zijt ge goed op weg om in haar hoefsporen te treden. Veertig jaar lang hang ik reeds bij u aan de ketting. Veertig jaar begot, ge schreeuwde het van de daken toen we zo lang waren getrouwd. Iedereen moest weten wat voor een schoon koppel we waren, hoe graag gezien, hoe welstellend, hardwerkend en lovenswaardig. En als ik - uw trouwe schoothond - al eens omhoog keek en het aandierf om de blikken te vangen van die gedwongen gesprekspartners van u, die ge overal waar ge waart (de kassa van den Aldi, het park, de cinema, de krantenwinkel ...) in een holdup hield om te stoefen met die gouden kooi waarin ge mij en uzelf opsluit, en die ge sponsort met het geld dat ge uit mijn zakken klopt, dan zag ik in die blikken enkel plaatsvervangende schaamte en een beetje compassie voor het armzalige wezen dat langs haar zijde kroop. Wat zag ge eigenlijk in mij toen we trouwden? Was het een opwelling, een hormonale opstoot, gelijk uw pa zei? Of was het dat ik een hardwerkende sukkel was, ideaal voor zo'n lamme teef als gij? Want voor uw pa was ik te min, ziet ge. Arrogantie hebt ge van geen vreemden. En wat zag ik eigenlijk in u? 't Moet zijn dat liefde blind is - stekeblind begot. 't Is moeilijk voor te stellen dat ik in het geparfumeerd spook dat vandaag door de gangen spookt ooit een schoon meisje met een gaaf smoeltje zag, in plaats van dat met varkensleren vellen gedrapeerde doodshoofd dat in de loop der jaren een plek in mijn bed heeft veroverd. 't Moet zijn dat ik te goed ben voor deze wereld, dat ik een eed van trouw heb gezworen, dat ik zo’n goed, zo'n gelovig, of ja, zeg maar goedgelovig man ben die de wet van God eert… En dat gij, serpent, uw klauwen als een strop rond mijn nek legt , als een klem om mijn kruis houdt ... en om mijn beurs natuurlijk. Want ja, alsof ’t er nog aan moest mankeren: een rotte cent heb ik niet meer. ’t Zal uw Neerval zijn, die Spilzucht. Alleen spijtig dat ge zoveel onschuldige, onnozele kinderen meesleurt in uw neerwaartse spiraal. Spreekwoordelijke kinderen natuurlijk, onnozelaars gelijk ik begot, want echte snotters gedijen niet in uw schaduw. Misschien is dat nog de enige zegen van ons onzalig bestaan: Dat ge nooit een kind hebt gebaard. Zo zuur is uw hele wezen, dat elk zaad dat in uw schoot wordt gestort op dorre aarde valt. Misschien is de enige troost die uw leven biedt samengebald in dit heuglijke feit: dat ook gij ooit ophoudt te bestaan." Pieter Van der Schoot De bovenstaande monoloog schreef ik bij een oefening uit het boek Creatief Schrijven - 52 inzichten en oefeningen van Peter De Voecht en de vzw Creatief Schrijven. Hij verscheen eerst op mijn blog Observaties uit het ondermaanse.  Afbeelding: François Boucher, Madame de Pompadour

Pieter Van der Schoot
85 6

Wat vind je het leukst aan schrijven? "Schrijven is de beste remedie tegen het bestaan."

Schrijven is binnenstappen in een wereld waar magie tot plicht is verheven. In dat land heers ik als een meester-tovenaar met plankenvrees. Het land ligt in mijn handen als een vormloze kleiklomp. Ik kan het kneden zoals ik wil, maar elke beslissing bepaalt of het universum tot bloei komt of dichtklapt in zijn eigen contradicties. Deze wereld kan een exacte kopie van de 'echte wereld' zijn, maar door de knoppen op het het Grote Mengpaneel van het Zijn een beetje meer naar links of rechts te draaien toch een heel andere lotsbestemming krijgen. Ik kan een geopolitieke situatie beschrijven die in elk detail lijkt op de heksenketel waar we anno 2025 in gaar koken, op één klein dingetje na: De Belgische regering wordt niet geleid door Bart De Wever, maar door een een flamboyante homoseksueel (geheel toevallig Pieter Van der Schoot genaamd), die door complexe interculturele interacties met drie wijzen uit het Oosten in het bezit is gekomen van een drietal draken, waardoor België van de ene op de andere dag een concurrent wordt van de nucleaire grootmachten en het machtscentrum van de EU overhelt naar het meest zorgelijke aller Lage Landen. Of ik kan een volledig fictief universum uit mijn duim zuigen, waarin alle steden en dorpen, alsook de personages die er wonen, geboren zijn in de grijze massa tussen mijn beide oren. Maar die steden, dorpen en personages lijken zo hard op het type mensen en plaatsen waar de gemiddelde Vlaming mee vertrouwd is, dat een bezoeker van mijn fictieve universum denkt dat hij een reis door eigen land maakt. Er zijn dagelijks files, niemand weet welke belasting aan welke regering wordt betaald, de tuinen worden bevolkt door tuinkabouters en goedkope replica's van antieke beeldhouwwerken, en iedereen klaagt over het weer. De zonden van de wereld worden niet, zoals in andere naties, afgeschoven op een gekruisigde Messias, maar op het nationale meteorologische instituut. In het tweede scenario is mijn verbeeldingskracht veel belangrijker dan in het eerste. In het drakenverhaal moet ik enkel de actualiteit volgen en aanvullen met een paar fantastische elementen. Het Vlaamse middenklasseverhaal daarentegen is een fictief universum met nietbestaande dorpen, bevolkt door nietbestaande mensen. Nochtans noemen we het eerste verhaal fantasy en het tweede realisme. Dat is de magie van schrijven. Ik kan me terugtrekken van de werkelijkheid zonder een escapist te zijn. Een auteur schept illusies die toch helemaal waar zijn, want wie schrijft ontdekt zoveel nieuwe verbanden tussen mensen, plaatsen, ideeën en gebeurtenissen dat ook de 'buitenwereld' in een ander verband verschijnt. Wie schrijft begrijpt de wereld misschien niet beter, maar toch op z'n minst anders. Als ik geen schrijver was, dan was ik me er nooit zo scherp van bewust geweest dat rust vinden ook een vorm van hard werken is, dat geloof en twijfel twee zijden van dezelfde medaille zijn of dat afgezaagde levenslessen uit de Libelle overtuigender klinken als ik er provocerende slogans van maak. Als schrijven me niet wijzer maakt, dan maakt het het leven in ieder geval een pak amusanter. Want schrijven is ook dansen - zelfs als je over jouw eigen voeten struikelt; een stem vinden - ook als je een stotteraar bent; een marathon lopen - ook al ben je aan een rolstoel gebonden. Wist je dat schrijvers de beste duursporters zijn? Schrijven is de beste remedie tegen het bestaan. Het is bovendien verrassend eenvoudig: je zit neer, neemt een blad en schrijft tot de sterren zullen doven en de bergen zullen bloeden.  ...en de tovenaar zag dat het goed was.  Pieter Van der Schoot Deze tekst verscheen eerder op mijn blog Observaties uit het ondermaanse.   

Pieter Van der Schoot
23 0

Waarom ik (g)een rustpauze nodig heb

Waarom rusten wij eigenlijk? Mijn bestaan zou immers zoveel leuker zijn als mijn ogen niet om de zoveel tijd dichtvielen alsof er loodjes aan hingen, of als ik geen mentale mistbank achter mijn voorhoofd zag opdoemen. De waarheid is dat ik slapen enkel leuk vind omdat ik af en toe moe word en slaap is daar nu eenmaal de oplossing voor. Kortom, slaap boeit mij maar matig en ik krijg er dus ook veel te weinig van. Dat maakt mij uiteraard nog vermoeider dan ik al was, en zo schiet ik natuurlijk ook niet op. Als ik echt van iets een rustpauze wil inlassen, dan is het wel van werken en binnen zitten (omdat het buiten te koud is). Graag zou ik gewoon eens drie jaar lang in een landhuis zitten op een plek waar het altijd mooi weer is, en met een onbeperkte voorraad lekker eten, puppies (waarvan iemand anders de stront opkuist), boeken, muziek en mooie mannen binnen handbereik voor als ik echt eens afleiding nodig heb, want mijn doel is toch voornamelijk om gedurende die drie jaren constant te schrijven aan een tuintafeltje onder een notenboom, waar vogeltjes in nestelen en soms ook een eekhoorn. Ik ben er nog niet helemaal uit over wat ik dan zou schrijven: de aard van God, het lichaam-geestprobleem in de analytische filosofie, de consumptiemaatschappij, erotische ontmoetingen tussen mannen van zo'n 22 à 30 jaar oud, kabouterplagen in alternatieve universa of mijn voorliefde voor rockmuziek uit de jaren '90 (met uitzondering van Oasis, want mensenlief wat een kutgroep)? Waarschijnlijk over dat alles en veel meer, want ik ben een veelzijdig man en mijn geduld is even legendarisch als dat van de nieuwe Amerikaanse president, die al uit zijn krammen schiet als hij niet binnen de dertig seconden zijn favoriete hamburger in z'n Oval Office krijgt gepresenteerd. Maar vooral wil ik rust nemen van de behoefte aan rust, want na drie dagen heb ik het wel gehad met rusten. Niet dat ik mij verveel of zo. Ik begrijp niet goed waarom mensen zich echt kunnen vervelen. Beter gezegd: Ik begrijp wel waarom mensen iets beu worden (zelf ben ik namelijk altijd iets beu, deze week was ik bijvoorbeeld de winter en speedpedelecs beu). Wat ik daarentegen onverklaarbaar vind, is dat mensen klagen dat er niets te doen is. Je kan altijd iets doen en als dat iets er niet is, dan vind je het zelf maar uit. Misschien heb ik wel rust nodig van mezelf. Dat is nog eens een diepzinnige uitspraak; die zou zo uit de koker van een psychiater kunnen komen. Het klopt nog ook: Rusten gaat eerder over jezelf overstijgen, in plaats van tot jezelf komen. 'Tot jezelf komen' is ongeveer het grootste bullshit-advies dat je iemand kan geven, misschien met uitzondering van billenkletsers als 'wanneer je de trein moet halen, dan is het een goed idee om door een rood licht te fietsen' of 'DDT werkt ook tegen schaamluizen'. Ten eerste, wat betekent 'tot jezelf komen' eigenlijk? Waar zou ik immers anders zijn dan in mezelf? Hoe kan ik tot iets komen waar ik altijd al ben en moet zijn? Ben ik in het andere geval niet gewoon iemand anders? Ik kan uiteraard wel op mezelf komen, maar dat is een andere kwestie. Tot mezelf komen is bij mijn weten nog steeds een fysieke onmogelijkheid. Ten tweede, waarom zou het bij mezelf per se zo rustgevend en deugdzaam zijn? Dat is het enkel in het voornoemde geval wanneer ik op mezelf ben gekomen, maar zelfs dan erg kortstondig. Tot mezelf gereduceerd ben ik immers vooral een klein kind dat nog op zijn duim zuigt, de hele dag fastfood en chocolade eet, boeren laat als hij daar zin in heeft en liefst iedereen uitscheldt die toevallig in de weg staat. Dat maakt mij niet beter of slechter dan anderen, want 'tot zichzelf' gereduceerd is iedereen dat klein kind. Het enige wat ons weerhoudt om ons met die kleuter te identificeren is de discipline die ons de eerste jaren van ons bestaan heeft geleerd om onszelf te overstijgen. Als je rust zoekt, zoek het dan vooral niet bij jezelf. Misschien is dit wel de ware definitie van het woord: Rust is jezelf zo hard disciplineren dat je zelf de discipline wordt. Pieter Van der Schoot Deze tekst verscheen eerder op mijn blog Observaties uit het ondermaanse. 

Pieter Van der Schoot
1 0

Brief aan God

God, De zomer is bijna voorbij. Ooit schreef ik dat de herfst een tweede lente is, maar dan mooier: een gouden seizoen waarin de bomen zich tooien in oranje en roodbruine kruinen alvorens hun bladeren te verliezen. Vandaag zou ik het anders formuleren: De herfst is een lente die achterwaarts hinkend het graf in loopt. Als katholieke jongen behoor ik daar hoopvol over te wezen. Na Dood komt Opstanding en katholieken zouden zichzelf niet zijn als ze geen resem feestdagen hadden om ons daaraan te herinneren. 1 november: Herdenking van de heiligen en martelaren van het Geloof. 2 november: Wereldwijde bidmarathon voor de zielen in het vagevuur. En op 25 december, wanneer de gouden boomkruinen al lang liggen te rotten, gedenken we de komst van Uw Zoon Jezus Christus, de Messias waarin elke christen opnieuw geboren wordt. Ja, daar kijken we met z’n allen enorm naar uit. Alleen jammer dat er in aanloop naar die Wedergeboorte zoveel dood en ellende te betreuren valt. In afwachting van het Heil waar we al twee millennia naar uitkijken, zoeken we naar tekenen van Uw goedertierenheid en smeren we zalfjes om de Dood op afstand te houden. Tevergeefs, zo blijkt. Mijn neus loopt, er kleeft snot aan mijn huig, mijn oren suizen, ik kreeg antibacteriële zalf voor de ontsteking aan mijn linkerooglid en twee weken geleden is de hond gestorven. Ze was net geen acht jaar – een vrolijk, meelevend knuffeldier op het toppunt van haar bestaan. De vraag waarom het U behaagt om het onschuldigste aller schepselen in lethargie te storten, te verblinden, in verwarring achter te laten en vervolgens waanzinnig te maken omwille van een tumor in haar hersenen, is ongetwijfeld deel van Uw Mysterie en dus uw integriteit – die ik nimmer wil aantasten. Tenslotte zijn we beschaafde mensen in dit land. Toch begint een mens zich vragen te stellen. Men zegt dat U de God van de Gerechtigheid bent. Men zegt ook dat het onrecht van de wereld niets te maken heeft met Uw wil, maar met de wil der mensen. Zelfs tumoren, epidemieën of meteorieten die onverhoeds op een miljoenenstad vallen, stellen Uw rechtvaardigheid niet ter discussie. Daarvan zegt men dat het simpelweg Dom Toeval of Dikke Pech is. Ook zegt men dat er geen grashalm kan knakken buiten Uw Wil om. Men zegt zoveel. Bijvoorbeeld dat Uw Wil zich aan iedereen op een andere wijze openbaart: aan de joden door de Wet en de Profeten, aan de christenen door de komst van Uw Zoon Jezus Christus en aan de heidenen door de stem van het geweten. Is het misschien mijn heidens bloed dat spreekt, wanneer ik zin heb om met mijn hooivork naar de hemelpoorten te trekken om op de deuren te bonken en U ter verantwoording te roepen? Misschien is het grootste mysterie niet gelegen in Uw rechtvaardigheid, maar wel in het gegeven dat schepselen zoals ik genoegdoening eisen. We willen het leed verzachten, de deugd belonen en de misdaad straffen in de wetenschap dat we in dit leven geen rechtvaardiging vinden en van dat andere leven geen teken krijgen. Onlangs hoorde ik een theoloog zeggen dat christenen geen kennis delen, maar een mysterie. Geloof is geen overtuiging, maar een vertrouwen. Is het mijn heidens geweten dat opspeelt wanneer ik me stilletjes afvraag of je kan vertrouwen in iets waaraan je twijfelt? Van een afstand bekeken zijn we spilzuchtige biochemische fabriekjes van aan elkaar geklodderde cellen, woonachtig op een gecompliceerde zandkorrel in een uithoek van het grote niets. Maar als we terug in onszelf kruipen, in ons vel dat schuurt en trekt, in onze organen die smeken om voedsel en seks, in ons brein dat smacht naar liefde en in onze rol als medespeler in een groot menselijk drama, dan transformeren we in hopeloze kruisvaarders. Ik ben een mens met grootse plannen. Ik timmer aan een carrière, let op mijn voeding, blijf fysiek actief en geef geld aan goede doelen. Ik zie de weg door het bos, draag het beste kompas en de stevigste schoenen. Maar wat ben ik daarmee als mijn voeten wegzakken in het moeras? Nog even en de zomer is gedaan. Alles is gezegd, alles is beleefd. We zijn lege hulzen die wachten op de vuilkar, maar we kaarten nog wat na terwijl Dylan op de achtergrond neuzelt: Knock-knock-knockin’ on Heaven’s Door. Nog even en het is weer zover. Jaren geleden, rond deze tijd, beroofde een vriend zich van het leven. Dit jaar is de hond gestorven. Mijn neus loopt, mijn ooglid is ontstoken en er kleeft snot aan mijn huig. Ik voel m’n voeten wegzakken in het moeras. Gelukkig heb ik mijn kompas meegebracht. Mazzel, God. Amen. Pieter Van der Schoot

Pieter Van der Schoot
43 1

Don't Believe The Hype: ter verdediging van Herman Brusselmans

Herman Brusselmans verdedigen is nooit bon ton geweest. Wie het in een kamer vol literaire snobs opneemt voor de bekende Gentse schrijver, wordt met evenveel begrip onthaald als een sollicitant die tijdens een gesprek in een kinderdagverblijf terloops vermeldt dat hij een jaar in de cel heeft gezeten voor zedenfeiten met minderjarigen. Toch voel ik me vandaag verplicht om Brusselmans te verdedigen: tegen Unia, tegen de afwijzing van zijn collega-columnisten en tegen elke criticaster die in Brusselmans (ten onrechte) een antisemiet ziet. Even samenvatten voor wie het gemist heef: Begin augustus sprak Brusselmans in zijn wekelijke Humo-column zijn afschuw uit over de actualiteit in het Midden-Oosten. Daarbij weerde hij de typisch Brusselmansiaanse hyperbolen, beeldspraak en schuttingtaal niet. Die column wekte zoveel controverse op dat Humo de column offline haalde, Arnon Grunberg zijn samenwerking met Humo heeft stopgezet en Unia en een viertal Joodse organisaties een klacht indienden wegens aanzetten tot rassenhaat en geweld. Het oeuvre van Brusselmans kreeg in de loop der jaren veel kwalificaties: platvloers, oppervlakkig, repetitief, clichématig, … Maar hoezeer je ook kan discussiëren over de kwaliteit van zijn werk, het adjectief ‘antisemitisch’ kan je er met de beste wil van de wereld niet op kleven. Stream of consciousnessDe heisa draait eigenlijk niet om de column. Het gaat om één uit de context gelicht zinnetje. In dat zinnetje identificeert Brusselmans zich met een Palestijn die slachtoffer is van het geweld in de Gaza-strook en daarbij een antisemitische wraakfantasie ontwikkelt: "Ik zie een beeld van een huilend en schreeuwend Palestijns jongetje dat helemaal buiten zinnen om z'n onder het puin liggende moeder roept, en ik beeld me in dat dat jongetje m'n eigen zoontje Roman is, en de moeder m'n eigen vriendin Lena, en ik word zo woedend dat ik iedere Jood die ik tegenkom een puntig mes los door de keel wil rammen." Dat het beeld van een razende man die een Jood de keel oversnijdt walging oproept valt te begrijpen, maar wie - zoals Unia of een viertal Joodse organisaties - een klacht wil indienen mag dat nooit lichtzinnig doen. ‘Walging’ oproepen is immers geen misdaad, aanzetten tot racisme wel. Wat Brusselmans doet is wat veel schrijvers van zijn generatie hebben gedaan en wat je vroeger overigens ook vaak zag in hiphop, metal, punk en alt-rock: haat en geweld bespreekbaar maken door er zo dicht bij te staan dat je er zelf bij betrokken lijkt. Brusselmans neemt in zijn column de positie in van een Palestijn die zijn vrouw verliest, de tranen van zijn zoontje ziet en vaststelt dat ook hij vatbaar is voor wraakfantasieën. Is dat verlangen naar wraak choquerend? Ongetwijfeld. Heeft het een antisemitische lading? Absoluut. Maar zet het ook aan tot antisemitisme? Welnee. Unia had zichzelf veel moeite kunnen besparen door ook de rest van de column te lezen. Daar lezen we immers expliciet de volgende waarschuwing: "Je moet er natuurlijk altijd bij denken: niet iedere Jood is een moorddadige rotzak, en om die gedachte vorm te geven maak ik me een voorstelling van een bejaarde Joodse man die door m'n eigen straat schuifelt, gekleed in een afgewassen hemd, een nepkatoenen broek en oude sandalen, en ik heb medelijden met hem en krijg bijna tranen in de ogen." De column is een stream of consciousness: Een man wordt overweldigd door nieuws uit het Midden-Oosten, barst uit in woede en laat zich enkele seconden meeslepen door wraakfantasieën om vervolgens met het schaamrood op de wangen vast te stellen dat ook hij te ver is gegaan. Het is de weerslag van het soort duistere gedachten waar veel mensen die het niet meer ziet zitten wel eens mee te maken krijgt. Ken je klassiekersVoor Arnon Grunberg was de halfslachtige manier waarop Humo afstand nam van de column een reden om de samenwerking met het weekblad stop te zetten. Moordfantasieën – van welke aard ook – hebben volgens hem geen plaats in een magazine. Wel hoopt hij dat Brusselmans wordt vrijgesproken. Een schrijver mag zo'n dingen schrijven, maar dat wil niet zeggen dat een hoofdredactie zijn columns moet publiceren. "Sommige mensen nemen Brusselmans serieus", meent de auteur, "en zouden op ideeën gebracht kunnen worden." Wellicht overschat Grunberg de populariteit die Humo geniet binnen de gelederen van neonazi’s en religieuze fundamentalisten. Wie anders dan zulke randdebielen zou in zo’n column immers een oproep tot geweld lezen? De redenering van Grunberg doet een beetje denken aan de morele hysterie uit de jaren '80 en '90 toen in de VS controverse ontstond over hiphopartiesten als N.W.A. en Public Enemy of vermeende satanistische boodschappen in heavy metal. "Het zou mensen op ideeën kunnen brengen" was samen met "Denk aan de kinderen!" ongeveer het meest gebruikte argument om deze muzikanten het zwijgen op te leggen. Uiteraard kan je jezelf afvragen of Brusselmans per se het extreme beeld van een moordaanslag moest gebruiken. Langs de andere kant hoort dat nu eenmaal bij de literaire traditie waaruit hij voorkomt. American Psycho van Bret Easton Ellis staat bol van grafische moordscènes, Charles Bukowski schrijft openlijk over verkrachting en huiselijk geweld, de Gangreen-cyclus van Jef Geeraerts is een langgerekte nachtmerrie van koloniaal geweld, rassenhaat en misogynie. Stel dat we de gedachtegang van Grunberg even doortrekken. Moeten uitgeverijen dan ook ophouden met het publiceren van de oeuvres van Ellis, Bukowski en Geeraerts? En wat met de klassieker par excellence, de Bijbel, waarin niemand minder dan God zelve de vijanden van Israël bestraft met ziektes, hongersnood en genocide? Toegegeven, literaire klassiekers en religieuze boeken kan je in verdediging nemen door te wijzen op de historische en literaire context. Maar als context er wel toe doet bij de klassiekers, waarom dan niet bij hedendaagse auteurs? TaboesHet antwoord op die laatste vraagt is: uit schaamte. Een column als die van Brusselmans confronteert ons met vuiligheid die we liever onder de mat vegen. In een beschaafde samenleving is geen plaats voor antisemitisme en racisme. En wat als het toch bestaat? Niet enkel bij de rechts-radicalen waar we eigenlijk op neerkijken, maar ook – op een onbewaakt moment – in onszelf? Dan verbloemen we de werkelijkheid. Opgroeien is immers ook je vuile kantjes onderdrukken. Je laagste instincten onderdrukken werkt meestal prima en is doorgaans ook beter dan ze ongefilterd uitspreken. Een werknemer die een manager uitscheldt voor een incompetente zak met evenveel empathie als een vat zwavelzuur is doorgaans nefast voor de werksfeer. Wat je niet bespreekbaar kan maken in de dagelijkse omgang, heeft echter wel zijn plaats in de gestileerde, gefictionaliseerde context van de kunst. Dat geldt zeker wanneer de laagst instincten van mensen voortkomen uit verziekte verhoudingen tussen bevolkingsgroepen en naties. Wraak en vernederingMet een beetje gevoel voor overdrijving kan je de geschiedenis van conflicten beschrijven als een lange ketting van vernedering en wraak. De Frans-Pruisische Oorlog (1870-1871) leidde tot zeven decennia Frans wantrouwen tegenover alles wat Duits is, de Duitse nederlaag in de Eerste Wereldoorlog bracht de opkomst van de nazi’s met zich, het einde van de Tweede Wereldoorlog leidde tot de etnische zuivering van miljoenen Duitsers uit de voormalige oostelijke provincies van het Reich, enzovoort, enzoverder. Alle vrome oproepen ten spijt is de actuele mens niet beter of slechter dan de historische mens. Wanneer een conflict losbarst ontstaan exact dezelfde patronen. Ketenen van vernedering en wraak zie je vandaag in Oekraïne, Rusland, Soedan, Myanmar, Palestina, Israël, Iran, Nagorno-Karabach, Congo, ... Maar je ziet ze ook dichter bij huis: in gezinnen waar huiselijk geweld een familietraditie is, in religieuze sektes, in verpauperde Britse steden waar extreemrechtse betogers in de clinch gaan met ordediensten en antifascistische tegenbetogers, ... Waar anders dan in kunst kan je de woede en onmacht om zoveel onrecht beter bespreken? Waar anders kan je zo treffend de gedachtegang verkennen van een ziel in nood? Rapporten van mensenrechtenorganisaties? Sociologische studies? Laten we eerlijk zijn, geen hond leest ze. Net daarom is het zo belangrijk om Herman Brusselmans te verdedigen. Zeker nu. Zelfs al vind je 99% van wat hij schrijft bladvulsel dat zelfs jouw hond beter kan verwoorden. Met een mogelijke veroordeling van Herman Brusselmans staat immers meer op het spel dan de carrière van een schrijver, het is een gevaar voor iedereen die op eigenzinnige wijze de schaduwzijde van mensen ter sprake wil brengen. De krampachtige poging om elke normoverschrijding uit de weg te gaan leidt tot een steriele samenleving waarin geen mensen, maar atomen leven. Atomen die zich terugtrekken uit de wereld, bang om iemand te kwetsen of om het voorwerp te zijn van juridische vervolging of een trial by media. Niemand verwoordt die angst beter dan Brusselmans zelf. In de column die Humo een week na de heisa publiceerde, schreef hij het volgende: “Je kunt je opwinden, je gekwetst voelen, doordrongen zijn van woede, ten prooi vallen aan wanhoop, en je kunt dat maar beter ondergaan binnen de vier muren van je eigen biotoop en er, behalve je geliefden, niemand mee lastigvallen, want als je dat wel doet, zul je verpulverd worden door hoon, verslagen worden door onbegrip, en in een hoek worden geduwd waarin je nooit hebt thuisgehoord.” Brusselmans heeft de boodschap begrepen, waarna hij zich in de rest van de column – oh ironie – schuldig maakt aan alle platvloersheid, clichés en oppervlakkigheid die zijn critici hem altijd hebben verweten. Hij lult over het weer, over iced latte, over ‘schijten achter een struik’ en het woordje ‘kaka’. “Laten we ons daarmee bezighouden", besluit de schrijver, pijnlijk bewust van de ironie van de siutatie, "terwijl we ons verder en verder verwijderen van de loop van de wereld.” Meer heb ik daar niet aan toe te voegen.  Pieter Van der Schoot Deze tekst verscheen eerder op mijn blog Observaties uit het ondermaanse.

Pieter Van der Schoot
505 3

Opinie: "Door jongeren angstvallig af te schermen van de 'boze' wereld, beroven we ze van hun jeugd."

Ouders, leerkrachten en opvoeders maken zich terecht zorgen over de veiligheid van kinderen. Maar vormt een overdreven fixatie op veiligheid uiteindelijk geen gevaar voor het welzijn van jongeren? Ik schreef er een opinie over. Op de website van VRT NWS kon je onlangs lezen dat je best geen zomerkiekjes van je kinderen online zet. Bij 1 op de 100 Vlamingen wekken beelden van kinderen immers seksuele lusten op.    Een mens vraagt zich af wat er zo speciaal is aan het internet. Een heteroseksuele vrouw houdt toch ook niet op met aangetrokken te zijn door (knappe) mannen wanneer ze het echtelijk huis verlaat? Waarom zouden pedofielen dan ophouden pedofiel te zijn als ze hun smartphone, tablet of pc afzetten? Misschien moeten we gewoon consequent zijn. Als kinderen ook op straat begerige blikken uitlokken, waarom voeren we dan geen Taliban-achtige dresscode in? Beter nog, steek ze in van die opblaasbare sumoworstelpakjes. Dan zijn ze niet enkel beschermd tegen de perverse gedachten van de pedofiele mens, maar ook tegen de scherpe randen en hoeken van speeltuigen, skatehellingen en zitbanken. Wat de overheid meteen een pak scheelt in de uitgaven aan rubbertegels voor recreatiedomeinen. De VRT baseerde haar artikel op een persbericht van Stop It Now! Met dat persbericht wil de organisatie de aandacht vestigen op haar hulplijn voor mensen die zich zorgen maken over hun gevoelens en gedrag tegenover minderjarigen. Nergens lezen we in dat persbericht een oproep om geen foto’s van kinderen online te zwieren. Dat zou nogal vreemd zijn, want Stop It Now! gebruikt zelf AI-gegeneerde beelden van minderjarigen om een punt te maken. De interpretatie van de VRT-journalist is symptomatisch voor onze visie op kinderen: Kinderen zijn tere serreplantjes die we koste wat kost moeten afschermen van de boze buitenwereld. Achter elke struik schuilt een potentiële Dutroux-kloon, uit elke steeg kan een stuurloze monstertruck razen. Geen maatregelen zijn draconisch genoeg om de fysieke veiligheid van kinderen te vrijwaren. Gelukkig schiet de technologie ons te hulp. We geven onze jongeren smartphones met GPS-trackers waarmee we hun hele doen en laten volgen. Speeltuinen en recreatiedomeinen plaveien we met rubbertegels. Kortom, de hele wereld moet op kinderslot. Die fixatie op veiligheid leidt tot een paradox: Door jongeren angstvallig af te schermen van de 'boze' wereld, beroven we ze juist van hun jeugd. Terwijl ouders de buitenwereld verstoppen achter een wirwar van gedragsregels, veiligheidsvoorschriften en al dan niet ingebeelde gevaren, sijpelt diezelfde realiteit in uitvergrote vorm binnen op de smartphones van hun kinderen.  Social media stelen aandacht met angstaanjagende beelden, onhaalbare schoonheidsidealen en een schier eindeloze reeks health- en lifestyletips die een ABSOLUTE MUST zijn als je niet door het leven wil gaan als een absolute nul die op z’n vijfentwintigste nog steeds geen miljonair is. Niet moeilijk dat jongeren gebukt gaan onder angst en onzekerheid. De angstcultuur waarin we ons hebben gemanoeuvreerd betekent gouden zaken voor installateurs van inbraakalarmen, rubbertegelfabrikanten en kapitalistische monsters als X, TikTok en Meta.  Ook demagogen varen er wel bij. Je kent ze wel. Van die types die miljoenen euro’s belastinggeld besteden aan social mediacampagnes, waarmee ze jongeren bang maken voor de Islam, de Woke-dictatuur, de Regenbooglobby, de Great Reset. Gangsters met botox-koppen die beweren jongeren ‘weerbaar’ te maken door ze op te hitsen tegen andere jongeren. De ouders paaien ze met een oude truc: Schreeuw keihard “Won’t somebody please think of the children!” en observeer hoe de massa jou gedwee de sleutel overhandigt, waarmee je hun kinderen opsluit in een gouden kooi. Er is slechts een troost: Kinderen zijn geen makke schapen, maar hongerige wolven – en een wolf in gevangenschap maakt rare sprongen. Misschien is dit wel de harde waarheid: Om jongeren te beschermen, moeten we ze ook behoeden voor onszelf. Pieter Van der Schoot Dit stuk verscheen eerder op Observaties uit het ondermaanse. Schilderij: Árpád Cserépy, Public domain, via Wikimedia Commons    

Pieter Van der Schoot
15 1