Hubert Grimmelt

Gebruikersnaam Hubert Grimmelt

Teksten

De colloscopie

Vanochtend om zes uur belt Oma me wakker. Ik neem de telefoon niet op en zet hem op vliegtuigmodus. Een half uurtje later wordt er aan de voordeur gebeld. Vliegensvlug doe ik een onderbroek aan en spurt naar beneden. Er staan twee politieagenten voor de deur. 'Goeiemorgen, iets met Oma?' 'Ja' 'Kom maar binnen. Het is veel te fris.' Oma is verward. Om 05uur30 heeft ze de psychiater gebeld, want ze is ongerust. Ze kon me niet bereiken. Vannacht droomde ze dat ik bij haar was geweest om afscheid te nemen. De politieagenten zijn vriendelijk. Ik vertel hen dat Oma met momenten flipt.  Ik eet tegen mijn zin een witte boterham, want volkorenbrood mag niet. Morgen heb ik een dikke darmonderzoek. Ik ben dus op dieet.  De volgende dag sta ik om kwart na zes op. Ik heb kou. Ik doe pipi. Ik neem mijn pilletjes. Ik rook. Ik drink één tas koffie, want ik moet nuchter blijven. Ik drink toch een tweede tas koffie. Zo'n groot probleem zal dat wel niet zijn. Ik hoest. Ik doe de gordijnen open. De iPhone laadt. Ik drink een glas foud'O. Ik twijfel of ik een Nicotine-klever zou meenemen. Ik twijfel ook of ik er niet naartoe zou fietsen en dan later mijn fiets terug op te pikken. Of toch gewoon te voet? Of toch de bus van de Lijn?  Twintig na zeven beslis ik om te voet te gaan. Daarvoor de informatiebrochure nog een keer doorgenomen. Ik rook nog een sigaret om het af te leren. Ik zie er tegenop om een ganse dag niet te kunnen roken.  Ik wandel via de nieuwe kaai richting steenweg op Merksplas. Het regent niet. Ik wandel op het fietspad. Nu en dan fietst er iemand op weg naar zijn werk voorbij. Aan het bord 'de campus Sint-Jozef is rookvrij.' steek ik een sigaretje op. De bus 43A richting Hoogstraten komt voorbijgereden. Aan de inkombalie neem ik een ticket en meld mij aan voor het daghospitaal. Ik begroet de straathoekwerker die zegt: 'Ik had u niet herkend.' Stipt om acht uur meld ik me aan op het vierde verdiep, route negenentachtig. Een verpleegkundige wijst me mijn kamer en vraagt: 'Heeft u nog papieren ingevuld?' 'Jazeker. Alsjeblief.' Ik geef haar de paperassen die ze snel bekijkt.' 'Gij hebt uw huiswerk goed gemaakt.' Ik krijg een éénpersoonskamer en moet daar niet voor bij betalen. De wandeling tot aan het ziekenhuis viel goed mee.  'Hier is de godendrank van vandaag.' zegt de verpleegster. Ze legt uit dat je elk kwartier twee glazen moet leegdrinken. Het beste is ook om op de gang wandelingetjes te maken, want dan 'zakt alles beter.' Om half negen drink ik mijn eerste glas Colofort. Op één uur is de eerste fles leeg. Ik moet nog niet naar het toilet. Ik doe blokjes rond in het dag hospitaal en kijk door de raam. De verpleegster heeft me ook geprikt en een infuusnaaldje gestoken waarlangs straks medicatie zal gegeven worden. Het volgende wandelingetje, na glas vijf en zes, blijf ik in de buurt van mijn WC-pot, want ik krijg het gevoel dat ik moet urineren. Mijn darmen maken een raar geluid. Het lijkt er op dat er allerhande sappen zich vrij maken. Mijn darmen borrelen, bruisen, pruttelen, knorren en kabbelen. Kortom: het rommelt. Mijn kamernummer is vierhonderd achttien. Glas zeven en acht, de tweede fles dus, gaan al iets moeizamer. Ik zet de timer van mijn iPhone weer op vijftien minuten. De verpleegster, een vrouw van middelbare leeftijd, vraagt: 'Lukt het? Gewoon verstand op nul en drinken, drinken. Daar moet je door.' Ik doe nog een kort wandelingetje op de gang. Ik krijg het gevoel dat die godendrank begint te werken.' Ik voeg het telefoonnummer van de CM-mobiel vrijwilliger toe aan mijn contacten. Om half tien moet ik naar het toilet. Durchfall. Het spuit eruit. Het stinkt naar rotte vis en giftige bospaddestoelen. Het maakt ook een hels kabaal. Ik doe de deur van het toilet toe om de vieze geur buiten de kamer te houden. Vijf minuten later moet ik een tweede maal. Het lijkt of ik urineer langs de aars. Vanaf nu geen wandelingetjes meer. Ik blijf in de buurt van de pot. Ik vermoed dat mijn darmen al leeg zijn. De tweede fles is op. Ik hoop dat de dokter de tijd vindt om me vroeger dan half vijf te onderzoeken. Zo niet wordt het een lange dag. Het is tien voor tien. Ik ga snel een derde fles halen. De verpleegster vraagt of ik de volgende keer niet wil doortrekken, zodat ze even kan komen kijken naar de helderheid van mijn losse stoelgang. Ik heb zin in een sigaret. Seffens ga ik op bed liggen voor een dutje. Het drinken gaat moeizamer en moeizamer. Er komt enkel nog vloeistof uit mijn darmen. De verpleegster komt kijken en zegt: 'Die kleine spetterkes hebben ze ook niet graag. Voor de rest ziet het er goed uit. Drink die derde fles nog leeg. Ik zal dokter Harlet bellen, misschien kan je dan vroeger naar het onderzoek.' 'Merci.' Ik ga op bed liggen. Vijf na elf. Nog drie glazen te gaan uit fles drie. Plots, zo rond vijf voor twaalf, staan er twee juffrouwen aan mijn bed. 'U mag meegaan richting OK' Ik vraag: 'Richting wat?' 'Operatie Kwartier.' 'Ah, uitstekend.' Ik overweeg nog even op het Wc te gaan zitten, maar volg de juffrouwen gedwee. We nemen de lift naar de eerste verdieping, slaan links af, en een keer rechts af. Ze zetten het bed voor een donkerrode deur. 'Ga hier maar op je bed zitten. Dokter Harlet komt zo.' Tien minuten later komt de gastro-enteroloog, helemaal in het zwart, op witte Zweedse klompen, aangewandeld. Hij zegt op vriendelijke toon: 'De verpleegster komt u direct halen.' Ik knik. Ik heb het gevoel dat ik pipi moet doen. In de verte komt een verpleegster op roze crocks met dekens en lakens op de arm naar me toe. Ze zegt dat ik kan binnenkomen in de kleedkamer. Ik moet mijn schoenen, broek, onderbroek uitdoen. Mijn bril heb ik ook niet nodig. Ik krijg een omslagdoek aangereikt en mag, als ik klaar ben binnenkomen. Ik moet op mijn linkerzijde op een laag bed gaan liggen. Dokter Harlet vraagt mijn naam en geboortedatum. 'Dan bent u de juiste,' zegt hij laconiek. Daarna stelt hij een vraag die ik vandaag al drie keer heb beantwoord: 'Neemt u bloedverdunners?' Neen.' Daarna geeft hij de verpleegkundig de opdracht mij de juiste dosis pijnstillende en kalmerende medicatie toe te dienen. Als ik me niet vergis onder andere Fentanyl van dokter Paul Janssen. Erg populair in de achterafstraten in de States. Ik ben suf, maar af en toe kan ik meekijken naar de beelden van mijn dikke darm. De zichtbaarheid is goed. De dokter blaast af en toe koolstofdioxide in de darm, hetgeen lichte krampen veroorzaakt. Ik slaap dus niet volkomen. Af en toe duwt de verpleegkundige op mijn buik om een vlottere passage van het onderzoeksinstrument doorheen de bochten van de darm mogelijk te maken.  Om tien voor één ben ik terug op kamer vierhonderd achttien. Ik doe een dutje van een uur. Er doet niks pijn. Om half twee ben ik nog wat suf. Ik ga eten vragen. Ik krijg twee pistolets en een tas koffie. Dat smaakt. Daarna doe ik mijn schoenen aan. Ik mag naar het kantoor van de dokter route D50. Die is kort en bondig: 'Enkel vier kleine poliepjes. Alles in orde.' Ik vraag: 'Kanker?' 'Neen, helemaal niks.' Hij vervolgt met 'de volgende colloscopie kunnen we over drie jaar doen.' En tot slot: 'U mag terug alles eten.'  In het gazettenwinkeltje in de inkomhal koop ik een bekertje koffie. Ik ga even naar de titels in de zwerfbibliotheek kijken en vergeet daar die koffie. Buiten steek ik meteen een sigaret op en bel de CM-mobielvrijwilliger op. Die me normaal gezien rond vijf uur ging komen oppikken. Hij is op weg naar Rijkevorsel en kan onmogelijk naar Turnhout komen. Ik heb geen keus. Ik wandel te voet naar huis. In de Aldi koop ik nog bakboter, eieren, Knoppers en ijsjes. Rond drie uur ben ik thuis. Drie uur vroeger dan gepland.  De secretaresse van de huisarts belt. Hij heeft het document van zorggroep Orion ingevuld en ik kan dat komen halen. Ik fiets naar de papenbruggenstraat. Daarna richting Oma en de verantwoordelijke van de serviceflat. Die eerste is thuis, de tweede zit niet op haar bureau. Oma is weer erg boos. Ik krijg opnieuw het deksel op de neus. 'Wat doet gij allemaal achter mijn rug?' Haar nieuwe TV heeft ze cadeau gedaan. Ik hou het kort. Om vijf uur drink ik thuis mijn eerste glas rode wijn, een gekoeld glas El Coto. Ik neem een tranxène en de antipsychotica. Ik ben van plan nog een tweede fles te gaan kopen, maar de Pakistani gaat pas om zes uur open. Ik zet Deezer op die klassieke muziek speelt. De Koe van de koestraat, mijn zus is daarstraks bij Oma geweest. Ik fantaseer dat het kutwijf van een rots valt in Portugal. Om half zes is de El Coto op. Ik moet nu een half uurtje vol maken tot de nachtwinkel opengaat. Ik overweeg nog op café te gaan, maar doe het niet want daar kost één glas evenveel als een hele fles. Mijn darmen geven opnieuw een concert. Ze borrelen, bruisen, pruttelen, knorren, kabbelen en worden overspoeld door koude, rode wijn. Eten doe ik niet. Ik doe een kort dutje in de antieke zetel en luister Leonard Cohen. Ik bedenk me dat dokter R. Harlet een competent geneesheer is. Even later fiets ik langs de parking van het station van de NMBS naar de merodelei en koop een fles El Coto. Acht euro en een half kost dat. Plots gaat de telefoon. Joop Plukkel uit Breda belt. Die gaat morgen naar Diest en vraagt zich af of hij bij mij op visite kan komen. 'Zeker Joop, kom maar langs.' Ik fantaseer nog steeds. Mijn darmen zijn gekalmeerd. Mijn brein nog niet. Ik steek een pastaplat in de microgolfoven. Ik ben van plan mijn zus en broer volkomen te negeren. Als dessert eet ik een Knoppers en drink een ayran. Om half elf kruip ik, straalbezopen, in bed.  De volgende ochtend ontwaak ik met een stevige kater. Ik doe pipi in de badkamer. Ik rook. Ik drink koffie. Mijn ingewanden zijn muisstil. Dit keer piept de ademhaling. Na de derde sigaret drink ik nog wat appelsap. Ik zie dat er in de pompbak een grote spin zit, die op mijn gemoed werkt. Ik ga opnieuw naar bed tot tien uur. Ik moet nog het een en het ander opruimen voor Joop komt. Ik rook mijn laatste sigaretje, dus ik moet een nieuw pakje gaan kopen. De zon schijnt. Ik zet de raam open om wat te verluchten. Ik ben moe. Ik eet een klein kommetje Kellogg's K met rode vruchten. Ik rommel wat op in de keuken. Ik vul de PMD zak. Daarna ga ik naar het toilet voor een grote boodschap. Eerst druppelt er wat urine uit mijn penis en dan plots een luide knal, alsof de knalpot van een Flandrien brommertje uit negentienzevenenzestig ontploft. Daarna vallen er geurloze, bruine keutels uit mijn aars. Plop! Plop! Plop! Dit alles wordt gevolgd door een maagkramp, alsof mijn verteringsstelsel wordt vacuüm gezogen. Het doet pijn, dus ik blijf rustig op de pot zitten. Om mijn gedachten te verzetten denk ik aan het bezoek van Joop. Ik hoop dat hij weer boekjes van Deelder bij heeft. Na tien minuten, die wel een eeuwigheid lijken, veeg ik mijn kont af en trek mijn broek op. Ik moet ook aan het Franse woord 'le transit intestinale' denken.  Ik wandel naar het gazettenwinkeltje waar ze ook een uitgebreid assortiment wijn, drank en sigaren hebben. Onderweg krijg ik een idee: 'Ik zou ook een fles Jack Daniels kunnen kopen; niet alleen sigaretten. Lust Joop dat? Schitterend idee.' Ik begroet de arrogante, Hollandse uitbater en koop een pakje Pall Mall red. Daarna informeer ik naar de prijzen van de Jack Daniels, want er staat een hele kast vol van dat merk. Ik twijfel tussen 'Sweet and Oakey' of 'Bold and Spicy'. Met mijn laatst honderd euro van de maand koop ik dan toch de flessen Bourbon Whiskey. Ik ga voor de Gentleman Jack van zeventig centiliter en de 'Sweet and Oakey' van vijftig centiliter. Thuis gekomen zet ik mijn aankoop in de koelkast. De keukentafel is nog steeds een puinhoop. Ik doe eerst een dutje, want ik ban moe van het wandelingetje en de keuzestress in de rook-en drankspeciaalzaak. Ik hoor de Braziliaanse buurvrouw vertrekken met haar zwarte Ford. Ik blijf in bed liggen tot kwart na twaalf. Joop verwacht ik rond één uur. Ik wil net de keukentafel opruimen als er aan de voordeur wordt gebeld. Joop is gearriveerd, drie kwartier te vroeg. 'Goedemiddag Joop. Hoe gaat ie?' 'Dag Felix, uitstekend. Is het hier betalend parkeren in de straat?' 'Geen idee. Ik parkeer mijn auto hier nooit' 'Doet je Saab 900 uit 1989 het nog steeds?' 'Vast en zeker. Die staat ondergronds.' 'Moet je wat drinken?' 'Koffie is goed.' 'Ik zal verse zetten.' Joop kijkt rond in de living en de keuken. 'Het lijkt wel een museum.' 'Neen, het is een puinhoop. Ik zal wat plaats maken aan de keukentafel. Melk? Suiker?' 'Neen, zwart.' We doen een praatje staand in de keuken. Hij begint, zoals verwacht, honderd uit te tetteren. Hij is op weg naar Diest. Hij heeft een tentje en een slaapzak gekocht. Hij wil een muziekgroepje zien en horen spelen op de ridderfeesten aldaar. Ze hebben de merkwaardige naam Roald Omar Oscar Dahl en zijn van Gent. Daarna haalt hij uit zijn armoedige totebag twee boekjes: ‘Gemengde Gevoelens’ en ‘Aforismen’. Eentje blijkt zelfs gesigneerd. ‘Daar ben ik blij mee, Joop. Merci.’ Joop vraagt of ik de monoloog met Bets heb gelezen. ‘Jazeker, ik vond die geweldig.’ Dan laat hij een foto op zijn gsm zien van tante Tettjes. Ja, in Nederland hebben mensen zo’n namen. Hij vertelt twintig minuten over wie er allemaal familie is en waar die allemaal wonen. Middelburg, Rotterdam, Hoorn, Vucht, Breda, Nijmegen, Leiden en ‘een stad in de polder boven.’ komen aan bod. Ik luister aandachtig, maar af en toe dwalen mijn gedachten af naar de flessen Jack Daniels in de koelkast, dus ik vraag: ‘Lust jij een borrel? Ik heb een fles bourbon whiskey in huis.’ Joop antwoordt ‘Ja, is goed. Wel maar eentje, want ik moet nog rijden. Ik wil wel proeven.’ We zijn alletwee de koffie moe. Ik haal twee glazen uit de keukenkast. Ik doe de Gentleman Jack open en giet de glazen vol. Ik ben echt benieuwd of dat goedje gaat smaken. ‘Uitstekend,’ zegt Joop ‘Goed idee ook om dat in de koelkast te zetten.’ Anderhalf uur later zijn de twee flessen op. Ikzelf ben al twee keer van mijn stoel gevallen. Joop is al drie keer tegen de deur van de woonkamer gelopen toen hij terugkwam van de WC. Hij tettert nog steeds. Het gaat over een deurklink in de vorm van een pik (werk van de lokale kunstenaar Ad Sierhuys of zoiets), een episcoop, weggegooide zelfportretten, een aap met een pistool in de mast van een piratenschip, Harry die vanop zijn bromfiets een brandbom heeft gegooid, notitieboekjes, het missiehuis, een kemping in Zuid Frankrijk, waarom je nooit een Renault mag kopen, de onroerend goed handelaar van Zadelhoff, oorlepels en kontlepels, blote-bolle-billen beuken, ‘ik kom hier nog op terug’ van collega schrijver Rob, The Buffoons, Mike Vaandrager, pony’s op de Faroereilanden, colloscopiën, een restaurant waar kinderen met het syndroom van Down opdienen, de laptop van Komrij in Oliviera do Hospital, de kleine gestalte van voetballer Gaston Grünberg, de nadelen van Facebook, de dooddoener ‘wie zal daar ooit het fijne van weten?’, het saboteren van een F16, Zweedse puzzels en Denksport in het algemeen, ‘Zit je te eten met je moeder?’, anagrammen als pseudoniem, titels van boeken voor pubers, een kopieerapparaat in het midden van de kerk, zwieren met een snorrebot uit vierhonderdvijfenzeventig na Christus, een ongeoorloofd wandelingetje op het terrein van de kerncentrale van Borssele met vrouwlief Marianne en de kinderen, het nut van lange opsommingen, de anekdote van Eduardo met tattoo artiest Schifmacher en diens vrouw op het graf van Herman Brood, de conclusie dat Old Number Seven waarschijnlijk toch nog de beste zal zijn, Els Dokter, de ‘S’ van Shell met stenen weggooien, inteelt op lokale poëziehappenings en oude vrouwtjes die Sinterklaas rijmpjes als slampoetry brengen, een gereformeerde die een zoektocht doet in het Antwerps schipperskwartier, hoe een ananas te slachten, de uiteenlopende kwaliteit van de  tandpasta’s in het Kruidvat, de pittige prijzen van passe-partouttickets van Photopfestival Breda, de basset Léon van een meter tien lang en zevenendertig hoog die enkel reageert op het woord ‘kroket’, wat de afkorting BDSM ook alweer betekent, … Aangezien alle alcohol op is, zijn we een beetje gefrustreerd. Ik stel voor een dutje te doen. Joop zet zich in de antieke zetel en valt meteen in slaap. Ik ga op bed liggen. Alles draait. Ik ben misselijk en dronken. Echt slapen lukt niet, maar ik ben enigszins opgelucht een tijdje niet te moeten luisteren. Ik hoor enkel gesnurk uit de woonkamer. Verbazingwekkend genoeg zijn mijn darmen en ingewanden oké. Ik duizel alleen maar. Het lijkt alsof ik op een vervelende kermisattractie zit. Ik blijf wel koppig op bed liggen in de hoop beter te worden.   Dag Joop, hoe gaat het verder?                                      

Hubert Grimmelt
0 0

Villa Pannenkoek en zo

Ge kunt dat! zeg ik tegen mezelf. Ge kunt. Ge kunt, omdat het moet. Ge wilt. La puissance de volonté. Ge wilt en ge moet. Ik ga een kinderboek schrijven. Dat zal wel lukken. Oefen. Experimenteer. Schrijf! Schrijf! Schrijf! Beduvel uw eigen kritikaster.    Villa Pannenkoek In villa Pannenkoek loopt alles fout. Oma is eenzaam en boos. Zoon Toon doet zijn best. Rocky de teckel is doof. Kanariepiet Piet is blind, maar muzikaal geschoold. Kleinkind kolonel Kivit is sterk en slim. Muilezel Nick doet AI in plaats van IA. De Koe van de Koestraat geeft geen melk. Ze werkt als flexi-jobber in de HORECA. De Koe van de Koestraat is ook gewoon een mottige doos. Hoofdstuk 1. Heeft zoon Toon longkanker? De huisdokter zegt: 'Quid?' De radioloog zegt: subtiele dunne bandvormige verdichting rechts basaal. DD atelectatisch, sequelair na eerder infiltraat. Zoon Toon zegt: 'Wat heeft dat te betekenen?' Sinds toen heeft hij een geheim. Hij maakt tekeningen met de letters en woorden 'Van sigaretten ga je dood.' Hij rookt al vijfendertig jaar. Vies. Bah. Hoofdstuk 2. Is Oma in staat zelfmoord te plegen? Neen, waarschijnlijk durft ze zelfs niet op de noodknop te duwen. Inloggen bij de bank lukt ook niet. Ze probeert te telefoneren met een gsm zonder SIM-kaartje in en geeft zoon Toon de schuld van alles. Haar TV en microgolfoven zijn stuk. De juffrouw die zorgt voor de service van de serviceflat heeft vakantie. Hoofdstuk 3. Waarom neemt kolonel Kivit zijn telefoon niet op? Geen idee. Hoofdstuk 4. Is de Koe van de Koestraat ooit verkracht? Ja, op een trouwfeest van een nichtje door een garçon.   Neen, denk ik. Dit snappen de kindjes niet. Het moet anders. Ik begin op nieuw. Vogel en vogeltje Ik ben een vreemde vogel. Ik eet graag vissen en chocolade. Soms verander ik van kleur en gemoed. Ik lust ook graag rode wijn en bloemkool. Vandaag regent het. Meestal schijnt de zon. Die lijkt dan op een pannenkoek aan de hemel. Vaak beleef ik leuke avonturen. Hier is er zo een. Op een morgen kwam er samen met de zon een andere vreemde vogel langs. Hij was moe en had zin in een sigaar. Ik nam de lichtbruine doos sigaren en gaf hem er een. Mijn luciferdoosje kon ik niet vinden. Ik zei: 'We zullen op zoek moeten gaan naar vuur.' Hij zei: 'Ja, is goed. Gaan we samen?' Ik zei: 'Ja, is goed.' We vlogen van de boom naar de dakgoot en terug. En terug van de boom naar de dakgoot en terug. De boom is een grote treurwilg. Plots begon de boom te praten. De boom zei: 'Jullie moeten de grote oceaan overvliegen naar het eiland Lapje LOem. Daar woont Koning Lucifer de lichtontvlambare. Hij kan jullie wel een doosje lucifers bezorgen.  Tot slot zei de boom: 'Het is die kant uit. Z bij ZO. Zuid bij Zuid Oost en hij wees met al zijn takken die kant uit. Vogel en vogeltje vlogen naar de dakgoot.  Plots begon de dakgoot te praten.  De dakgoot zei: 'Volgens mij moeten jullie de andere kant op. N bij NO. Noord bij Noord Oost.  Vogel en zijn vriend vogeltje keken elkaar verbaasd aan. Ik zei: 'Laat ons opnieuw aan de boom vragen welke kant het op is.' Hij zei: 'Ja, is goed.' En we vlogen naar de boom die ondertussen lelijk keek en zweeg. Ik vroeg: 'Welke kant is het uit?' 'Z bij ZO.' antwoordde de boom nors. Ik zei: 'De dakgoot beweert N bij NO.' 'Da's fout!' bulderde de boom bijzonder boos. Vogel en vogeltje vlogen naar de dakgoot na eerst een rondje rond de boze boom te hebben gedaan.  De hemel werd donker. Pikdonker. Pannenkoek zon verdween. De wolken werden zwart en het begon te regenen. Donder en bliksem sloegen toe.   Neen, denk ik. Dit boeit de kindjes niet. Het gaat ook te traag. Ik begin op nieuw.   Heleen en Coco in de Zoo of dierentuinen zijn gevaarlijk Heleen, de moeder van Coco, is moe en heeft geen zin. Vandaag staat de Zoo van Antwerpen op de planning. Coco kijkt daar al enkele dagen naar uit. Zoals iedereen weet zijn dierentuinen, net als pannenkoekenrestaurants, kinderlokkers. Allebei zijn ze grote trekpleisters. De olifanten, leeuwen, giraffes, okapi's, koala's, krokodillen, papegaaien, slangen, roofvogels, apen, … trekken de aandacht. Samenvatting: Heleen verliest heel even haar dochter uit het oog. De vierjarige klimt op een laag muurtje en over een plexiglas paneel en stort meters diep in het Gorillaverblijf. De klap is enorm. Coco blijft bewusteloos op de grond liggen. De omstanders kijken toe en Heleen is in paniek en schreeuwt het uit. Gorilla Gust, de grootste en brutaalste van het gorillaverblijf, stapt op het kind af. Het wordt een horrorscenario. Gust tilt Coco op en werpt ze enkele meters verder het verblijf in. Zijn vrouw, gorilla Binti Jua houdt de wacht aan de schuifdeur van de verzorgers, zodat er geen hulp voor Coco binnenkan. Ondertussen is Heleen ook het bewustzijn verloren door de stress. De brandweer en een dierenarts komen ter plaatse, maar zijn radeloos. Ondertussen gooit Gust Coco nogmaals enkele meters de hoogte in, waarna hij zich triomfantelijk op de borst klopt. En zo voort en zo verder. Dit verhaal eindigt met de zinnen: 'Ik zou zo graag pipi gaan doen.' En 'Op het kerkhof ruikt het naar frit.' Ik zei tegen mezelf:’Felix, het kan en moet beter!’ Yumi van de planeet Huppeldepup            Oma Ada rookt een sigaar in haar kamer in het rusthuis en praat tegen zichzelf. Ze is weduwe. Bompa dronk smeer -en lampenolie. Bompa is allang morsdood. “Dit is mijn favoriete pyjama! Ik vind vooral de kleur mooi. Het groen past helemaal niet bij het geel, maar hij is zo zacht.” Dokter Kunstvorlaget en een eigenaardig ding op kleine wieltjes komen plots binnen. “Ada, je mag hier niet roken. Verdomme. Dat weet je toch,” zegt hij boos. De dokter opent het venster. Oma: “Neen, niet doen. Het is veel te koud.” “Er hangt hier rook. Je moet af en toe je kamer verluchten, Ada,” zegt de dokter geïrriteerd.  “Ik heb goed nieuws. Je krijgt gezelschap,” vervolgt hij. Oma: “Ooh, hoe zo?” “Yumi, de robot zal vast en zeker een leuk vriendje worden. Het is een jongentje. Het is een humanoïde robot. Dat wil zo veel zeggen als: hij kan praten als een mens, hij kan lachen zoals een mens, … Alles wat een mens kan, kan deze robot ook. Hij komt helemaal uit Japonnnenland. Zeg eens iets Yumi.” Yumi: “Hallo, ik ben Yumi. Wat heb jij een leuke pyjama aan!” Yumi loopt, of beter, rijdt rond en maakt een piepend geluid. “Dat piepende geluid verdwijnt nog wel. Hij is nog spiksplinternieuw. Als hij bij jou blijft, wordt hij je beste vriendje.” beweert de dokter. “Hoe heet mijn nieuwe vriendje ook alweer?” vraagt oma Ada. De dokter en Yumi in koor: “Yumi!” “Ik heb ook nog slecht nieuws. De verpleegsters zullen minder vaak langskomen. Je kan vanaf nu met Yumi praten, lachen, turnoefeningen doen, tekenen en kleuren, spelletjes spelen, bijvoorbeeld vier op een rij, verstoppertje, Monopoly, klaverjassen, schaken, pingpong, ’schipper mag ik overvaren’, vogelenpik, dammen, tikketje, touwtjespringen, hoelahoepen, voetballen en tennissen, zwarten pieten, potteke stamp, Scrabble, Zeeslag en zo meer. “Yumi kan je ook helpen bij het aankleden, het wassen en als je naar de WC moet. Onze verpleegsters hebben helaas geen tijd meer voor jou.” gaat de dokter verder.   Dokter Vorlaget verdwijnt. Oma Ada kijkt naar de robot en probeert zijn naam te onthouden.   ‘Ja, dit wordt het!’ denk ik. Dit gaan de kindjes leuk vinden. ‘Ge kunt het!’ Ik neem me voor om ’s ochtends free writing oefeningetjes van dertien minuten te doen met ‘Yumi van de planeet Huppeldepup’ in mijn achterhoofd. ‘Dit wordt een prachtig kinderboek’ schrijf ik later in mijn dagboek. Ik ben opgetogen en content.                            

Hubert Grimmelt
0 0

de Startdag SA of DE BLOEMEN ZEIDEN MIJ GEDAG

Ik sta om kwart na zes op. Ik heb vrij goed geslapen. Ik rook. Ik drink koffie. Vandaag is het startdag van de Schrijvers Academie. Een nicht uit de Limburg laat weten dat Oma zich gisterenavond erg slecht voelde. Volgens het KMI en de weer app gaat het vandaag niet regenen. Ik doe mijn mocassins aan. Ik neem mijn pilletjes. Het is redelijk fris in de living. Ik smeer zo dadelijk een lunchpakketje. Vandaag wordt een geweldige dag! Sprankeling! Kwart voor acht vertrek ik. Ik ga toch met de trein. Ik doe mijn stemopwarmingsoefeningetjes onderweg. Er staat nog geen trein in het station, dus ik rook nog een sigaretje op een bankje op perron één. Vanaf het rangeerstation komt er een aangereden. Zestien minuten na acht vertrekt die. De temperatuur in de coupé is goed. Ik zit comfortabel. Ik doe een dutje. Ik zuig op een Ricola lemon mint muntje. Een dwaas met zijn hondje op de arm komt voorbij. Rond tien na negen uur arriveren we in Antwerpen Centraal. Ik wandel door de Chinese wijk richting bibliotheek Permeke. Op het De Coninckplein is er een bakkerijtje open waar ik een koffie en een koek koop. Op het terras rook ik een sigaretje en doe een praatje met een juffrouw van het tweede jaar die ik herken van in het Letterenhuis. Tien voor tien ga ik langs een zijdeur de bib binnen. Ik begroet Katrien en Peter. Ik doe pipi in het toilet en ga naar de foyer in de kelder waar er koffie is. Ik begroet de beroemde en beruchte dichter Peter HOHA. Die iets mompelt van ‘ik ben in staat van ontbinding. Vannacht niet geslapen. Ik weet niet wat ik hier kom doen.’ Hij zet zijn petje recht. De dichter Stijn V. heeft een groot wit kruis op zijn revers. Half elf, een half uur te laat, is er een verwelkoming door de directrice van de bib Permeke. Ze beweert dat ‘geletterdheid’ breder is dan ‘lezen van literatuur.’ Dat de bib boetevrij is, af en toe onbemand en zeven op zeven open. In oktober is er een week van het Nederlands en zijn er allerhande activiteiten. Er is sprake van ‘Slow Down’, ‘Save Humanity’, een comunnityspace en een Bronzen Uil. We zijn welkom. De directrice hoopt op een fijne en vruchtbare tijd. Daarna is het de beurt aan een andere directrice, die van de Schrijvers Academie zelf. An: ‘Welkom! Welkom! Welkom!’ en ‘Ja, ik ga dat doen!’ Ze vraagt je lievelingswoord te bedenken, zodat we een ritueel kunnen bekrachtigen.  (trotinette) Ze heeft een veer en een recipient vast, waarmee ze iets doet. Daarna is het de beurt aan projectleider Christophe die weet dat schrijven een manier van leven is. Er volgt nog een derde welkomstwoord. Katrien V. weet dat er vierentwintig docenten zijn. ‘In mijn hoofd zwemmen vissen’ is het debuut van een alumni die een getuigenis komt afleggen. Tom W. is heel de week ziek geweest en droomde ervan astrofysicus of scheepskapitein te worden. Hij moet dienstdoen als levend bewijs. Hij is geen keynote spreker met inspirational quotes, dus geen foto’s van de Hubbletelescoop bijvoorbeeld. Hij gaat speechen zonder audiovisuele ondersteuning. Hij gaat wel af en toe roepen ‘volgende slide’ en dat moeten wij, het publiek, een geluidje doen. Hij heeft drie lessen geleerd. Les één is de mythe van de afgehakte hand of van ‘zero tot hero’. Ik vind de man best grappig en origineel en denk die kan ervoor dienen. Zes jaar geleden ging hij naar een loopbaancoach waar de gepubliceerde auteur zei: ‘Lieve loopbaancoach ik zou graag schrijver willen worden’. Waarop de coach zei: ‘Dien uw ontslag in. Ga in Parijs onder een brug leven.’ Of ‘ga een opleiding volgen en maak tijd voor het schrijven.’ Even ter zijde, de loopbaancoach geeft ook les op de SchrijversAcademie. Na het toelatingsgesprek, waar Tom vertelde aan het welkomstcomité dat hij een heldenverhaal wilde schrijven, kwam hij terecht bij een dichteres die voorstelde zijn schrijfhand af te hakken. Hij vroeg aan de projectleidster of dat wel een goed idee was. Les twee; schrijf wat je wilt, niet wat je kent. Dus als je intuïtief rechte muurtjes wil bouwen; go for it. Beschouw de SA als een buffet. Er zijn geen examens, geen strafpunten. Doe je iets commercieel oninteressant; go for it. Voor je het weet kom je bij Klara op de radio! Daarna volgt er een onduidelijk iets over ‘reuzen onder de grond.’ Les drie. De mensen die naast u zitten zullen je vrienden worden. Niet meteen, later. De lessen zelf zijn het minst belangrijk. Onthoud dat niemand boeken leest, maar je medestudenten (psychopaten, keine zelfstandigen, keynote sprekers, …) willen hetzelfde als jij. Schrijver worden. Daarna is er sprake van een foto van een bakkersconferentie die de grootste taart ter wereld hadden gemaakt. ‘Jullie zullen naar elkaar toe groeien. Vergeet Tik-ToK en voetbal. Iedereen is dysfunctioneel.’ Kortom, je collega schrijvers zijn een clubje van doodgevroren lotgenoten die warmte zoeken. ‘In het begin waren mijn zinnen te lang.’ Plots blijkt er ook een vierde les te zijn; neem het niet te serieus, alhoewel literatuur uiteraard belangrijk is. Dool door de straten, ga op zoek naar Harry Potter, … en vooral wees niet zinvol of nuttig bezig! Het schrijfplezier vooral niet verliezen. Hoe is Tom W. Hero geworden? Hij had zes honderd pagina's aan kortverhalen en de uitgever vond het goed. Daarna werden het honderd vijfenveertig pagina's en was het af en op. Dit alles dankzij de SA? Nee, maar ze geven wel een extra zetje. Het is snikheet in het auditorium en ik heb zin in een sigaretje. Helaas zijn er nog wel enkele sprekers. De volgende is Thomas M. van de erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience. Dat is een bewaarbibliotheek waar je dus niks kunt uitlenen. Wel is er een prachtige leeszaal. Hij heeft het over het berkenbos Borgerhout, een man die na een hartoperatie een pintje wil, de etymologie van het woord 'natuur' (alles wat geboren wordt), het aantal boeken in 1481 en het aantal volumes vandaag de dag, een digitale expo, …  Ik ben moe. Ik hoop dat ze gaan afronden, maar dat is niet het geval. Een Limburger gaat het hebben over narratologie. Een oude vrouw over techniek en ambacht, de schrijfpraktijk, de psychologie van het schrijven en de huiswerkopdrachten. Het wordt stilaan tijd voor middagpauze. Eindigen doet ze met: 'Let's eat the pudding.' Daarna is het de aanstellerij van Christophe V. die een half vol en een half leeg glas vergelijkt met optimisme en pessimisme. Goed dat de zeikerd in Gent lesgeeft. Hij voegt er nog iets aan toe: 'alsof David Bowie klein, klein kleutertje zou zingen.' En tot slot: 'opinions are like assholes, everyone has one.' Dirk vB citeert Kafka: 'Ik zal weer schrijven. Ik ben onbekwaam.' De volgende vragen komen aan bod: 'Wie ben ik? Wie wil ik zijn? Hoe ga ik daar mee om?' Daarna is de beruchte en beroemde dichter Peter Holvoet-Hanssen aan de beurt. Hij geeft literatuurgeschiedenis aan de poeeezie afdeling. Eerst is er reclame voor een poëzie festival dat plaats vindt in de buurt van het geboortehuis van Pol van Ostaijen. Psychologische nazorg is niet voorzien. Je zou op onveilig moeten spelen met je beeldend vermogen tijdens je brokkenparcours. Er komt een paard aan het woord in een bepaald gedicht. Daarna haalt de dichter een banaan uit zijn binnenzak en speelt hij een stukje Bert en Ernie na. 'Ernie?' 'Ja?' 'Er zit een banaan in je oor!' Het laatste dat de grappige man te zeggen heeft gaat over camerastandpunten en werelden die opengaan. Ik hoop nog steeds op pauze, maar er komt alsnog een schrijver aan het woord. Matthijs dR geeft mee dat hij een strakkere timing gaat hebben dan de beruchte dichter. Dat is inderdaad het geval. In het derde jaar komen de zakelijke kanten van het publiceren aan de orde. Hoe zit het literaire veld in elkaar? Het is eindelijk pauze. Op het de Conickplein spreken drie junks me aan voor sigaretten of klein geld. Het is een beetje triest. Rond kwart na één moet ik opnieuw in de bibliotheek zijn voor de lezing van Peter HoHa. 'Het brandend vuur van de poëzie.' Ik drink in een hippe koffiebar een koffie en maak een praatje met de grafisch vormgever van Time Circus, een vriendelijke man. Op de binnenkoer van de bib begroet ik John V. thrillerspecialist van DSL. Ook hij is vriendelijk. Ik eet mijn lunchpakketje aan de picknicktafel. Kwart na één zit ik in de foyer. Peter HoHa heeft weer een hele lading boeken en attributen bij. Hij is goed gemutst. Hij komt naar mij en zegt: 'Gij gaat dat allemaal kennen. Wat is uw rekening in Luxemburg? Dan kunnen we dat regelen.' Daarna doet de beruchte dichter een rondje om zijn lesvoorbereiding te tonen; een volgekrabbelde pagina in een notitieboekje. Het ziet er erg chaotisch en mooi uit. 'Dan kunt ge straks niks zeggen.' Plots roept hij luidkeels: 'We gaan beginnen!' en 'Proficiat allemaal!' en 'Ik heb alleen nog maar een banaan gegeten.' En ‘neem gerust een broodje. Er zijn er nog tien over.' Daarna duwt hij op een belletje en vraagt of er al klachten zijn. Ik moet lachen. Het werkt en het is sympathiek. Hij beweert dat hij visuals had voorbereid en dat zijn dokter heeft gezegd: 'Doe dat niet met uwen rug.' Tegen doktersadvies doet hij het toch. Hij geeft aan dat we twee uur lang zullen praten over poowezie aan de hand van twee intro's en een voordracht. 'Dat is de structuur!' Sommige denken dat Peter HoHa een buitenissige ontdekkingsreiziger is, maar dat klopt uiteraard niet. Hij schets een korte biografie. Zijn grootvader heeft in 1919 per ongeluk de verkeerde trein genomen en drie maanden na zijn rentree in Antwerpen had die al een Bentley met chauffeur, waardoor Peter zijn hele leven lang gratis naar de cinema kon gaan. Hij geeft al jaren lang les aan de SA. Vroeger samen met dikke Freddy die gestopt is toen men Google Classroom heeft ingevoerd. 'Collega schrijvers ik voer jullie nu mee op een zoektocht van de Oertijd tot nu.' Peter leest driemaandelijks de PoëzieKrant, want je moet weten wat er leeft om een goed beeld te krijgen van de stand van zaken. Oftewel: 'Kan dat ook?' en 'Men vindt het nog goed ook!' Hij vindt zichzelf een oude man. Dichter ben je dag en nacht, ook als je niet aan het schrijven bent. Vroeger waren zijn gedichten niet goed genoeg om 'gedichten' te heten dus gaf hij ze de naam 'baldakijnen' en 'drijvende doodskisten'. Hij had wel geen uitgever. In zijn jonge jaren ging hij vaak naar de zakstraat en café 'de ringeling' om het bruisende stadsleven te kunnen proeven en zien. Redacteurs waren toen erg streng en zeiden: 'Met zulk een titel lezen we het zelfs niet.' Eind jaren negentig schreef hij een toneelstuk dat werd uitgegeven als dichtbundel. Ook is er een keer een bundel verschenen die veel te breed was. Dat mocht toen niet. Daarna heeft hij vijftien jaar gewerkt aan een project genaamd 'De reis naar Inframundo.'  'Enfin'. Plots was hij stadsdichter van Antwerpen, maar hij kreeg geen hulp. Op radio drie van de BRT vroeg men: 'U bent nu negenendertig jaar. Is dat niet té oud om te debuteren?' Welnu, er staat geen leeftijd op. In Engeland is er zelfs een beeldend kunstenares die op drieënnegentig jaar debuteerde. Een dichter is een seismograaf die zelf zijn testament moet schrijven. Denk maar aan François Villon. 'Je weet maar nooit wanneer het gedaan is.' Daarna komen zijn muziekdoosgedichtenverzameling aan bod. Hij heeft een bol bij die muziek maakt. Er dwarrelt sneeuw en een bootje gaat op en neer. 'Libretto' is zijn beste bundel totnogtoe. Een gedicht moet altijd beginnen met een straffe openingszin. Uiteraard kom je dan bij de tweede en derde regel in de problemen. Reus Goleman is een introverte jongen die tot leven komt. Eigenlijk is het een jongetje dat niet in deze wereld past. Het wordt tijd om enkele woorden op te schrijven, zodat je die kan toetsen aan je eigen queeste. We beginnen bij 'wakker worden'.  Leg alles terzijde en kijk! Waar bevinden we ons? Verbreedt uw gezichtsveld, stijg boven uzelf, wordt wakker, heb oog voor de kosmologie, maar ook voor het kleinste, ga op onderzoek,  …    Hij haalt er Walt Whitman bij, negentiende eeuw: 'I celebrate myself. Every atom belongs to me, to you.' Veel van Whitmans gedichten gaan over amputaties. De poëzie stroomt ook na je dood. De Amerikaanse dichter voelde zich een buitenstaander, één die wel een weergaloos landschap zag. Heuvel, rots, bos, … hij schrijft ' de neushoorngrauwe rotsen'. Peter vraagt 'Wat is dit?' 'Bewustzijn? Kippevel? Materie? Is alles bewustzijn? Ik begrijp iets niet, want zonder aanleiding komt plots de echtgenote van de dichter ter sprake; 'je mag de roede niet sparen!' Hij meldt ook dat we nog steeds met Intro één bezig zijn. Als aanstormend dichter moet je dus leren het kleine te zien en dat koppelen aan iets groots. Eén beeld kan een wereld open, dus moet je beter kijken en zien. Humor ook niet vergeten! De lichtheid vindt men soms verdacht. Vraag maar aan Roald Dahl of Annie MG Schmidt. Tweede woord dat we moeten opschrijven is Contrastwerking. 2028 wordt het van Ostaijenjaar. Het laatste gedicht- ge kent het zeker- is het bekende alpenjagerslied. 'Pol was ook erg goed in het bedenken van titels die de lading niet dekken, zodat je een multi-caleidoscopische bril op krijgt.' Vergeet ook de onbehaaglijke humor niet!' De beruchte dichter Peter HoHa vraagt zich ook hardop af 'Waarom zijn wij zo gedwee? We moeten durven grapjes te maken.' Het derde woord dat aan bod komt is Camerastandpunt. Wie komt er aan het woord? Een geliefde? Hij? Zij? Een lichaamsdeel? Een paard? Daarna gaat het terug over zot Polleke en zijn gedicht Melopee. Het is een klagerige, trage zang. Rond 1920 wandelen Gaston Burssens en Pol van Ostaijen langs de Schelde. De laatste moet hoesten en Gaston zegt: 'Pol pas toch op! Heb je TBC?' Pol luistert niet, maar ziet een bootje en de maan. Bij de eerste regel vertraagt de tijd. De klanken hebben ook elk hun effect. De I-klank is lichter. De A-klank vertraagt. De O-klank is de verwondering. Het advies is dan ook gebruik de bezwerende effecten van de klanken en 'zet uw woorden neer'. Speel met ritme en contrast. Je moet ook aan zelfstudie doen. Blijf lezen! Verdiep u passioneel! Simon Vinkenoog zei: 'Poëzie is een vuur.' 'Kijk dus ook buiten u!' De kano, de maan, de zee, de man. Paul pakt zijn eigen metrum, zij eigen regels en de wereld kan ontploffen. Erkenning komt soms pas honderd jaar later. We leven niet zo lang. Plots gaat het over het personeel van de regionale televisie. Een knappe vrouw komt filmen en de beruchte dichter heeft het over schoonheid. Het vierde woord dat erg belangrijk is, is Compositie. Peter zegt: 'Ik geloof in het oraal.' We moeten dus een vorm zoeken met veel klankrijkdom, waardoor het blijft hangen, waardoor de ontvanger wordt meegetrokken in uw wereld. Er komt weer een Nederlandse dichter ter sprake namelijk Remco Campert. 'Het begint met vragen stellen en je blijft vragen stellen,  zodat je ontdekkingen blijft doen.' Daarna wordt het iets filosofischer: 'Tijd; wat is dat in het ruimteveld?' Iedereen moet op adem komen. Vervolgens komen de zeven V's aan bod. Verdieping, Verbreding, Verbeeldingskracht, Verwondering, Verplaatsing, Vervoering, Vorm, Vuur. Peter HoHa wordt even persoonlijker. Vannacht heeft hij bij een familielid aan bed gezeten die een beroerte heeft gehad. Je moet als dichter dus alles op alles zetten. Je moet het beste van jezelf geven. Je moet verbittering en frustratie toelaten, maar je mag daardoor niet afhaken. Soms moet je er dus voor vechten. Gelukkig is het tijd voor pauze. Ik rook een sigaretje op het de Coninckplein en ga naar het toilet. Ik zeg Nico gedag. De beruchte dichter laat de cover van een boek zien. Het is Italo Calvino 'Zes Memo's'. Het boek 'De baron in de bomen' van dezelfde auteur spreekt me onmiddellijk aan. Het gaat over een jongetje dat geen zin heeft in school en in een boom kruipt om er nooit meer uit te komen. In sprookjes zit de ware gruwel. Ik hou net als Peter HoHa erg veel van sprookjes. 'Het is gewoon mooi.' De kernwoorden van Calvino zijn, om te beginnen, Lichtheid. Hij bedoelt 'witty', een sprankel humor. 'In de bibliotheek is de zwaartekracht erger, daarom heb ik ook een caddy mee, zodat ik alle boeken kan meenemen. Vandaar ook dat ik geen Visuals heb. Vergeet Powerpoint.' De beruchte dichter spreekt een jongeman aan. 'Ge ziet er uit of ge twee jaar moogt overslaan.' Daarna laat hij op de computer een filmpje zien van Tommy Cooper. 'Ik ben daar grote fan van. Zijn trucs mislukken ook altijd.' 'Soms vind ik dingen té grappig. Ik moet dan twee jaar later ineens lachen.' Tweede kernwoord van Calvino Snelheid. Dit betekent niet dat je moderne middelen moet gebruiken. De Italiaanse schrijver bedoelt dat de betekenisoverdracht, de woorden en de beelden, als een blikseminslag moeten zijn. Derde kernwoord Exactheid. Dus de woordkeus is helder, indringend, memorabel, op de kop. Je gebruikt precieze taal, desnoods verzin je zelf nieuwe woorden. 'Le bon dieu est dans le détail.' Daarna vraagt de dichter: 'Zijn jullie nog niet moe?' Ja, iedereen is moe. Dus zegt de dichter: ‘goed zo, dan gaan we verder met Intro twee. Of zo.’ Daarna gaat het over de gravin van Carcassonne, vrouwelijke troubadours, het Gilgamesj-epos, kermen als meeuwen, de aanspreking 'Oh, liefste', slavinnen gevangen in een tent, een gedicht dat Peter HoHa niet durft voorlezen, Ierland, 'ik ben de wind!',  sjamanen/ druïdes/ tovenaars/ zieners, de krijger Amergin, vreemde schepen, en de vraag; Wie heeft het vuur aangestoken?, … Daarna doet de beruchte dichter enkele rare klanken opwellen uit zijn longen en roept hij: 'Ik ben de wind. Ik ben de golf. Ik ben het ruisen van de zee, ik zie wat gij niet ziet, die havik dat ben ik, ik ben de dodende speerpunt.' Met minder volume gaat het verder met vragen: 'Waar gaat de zon rusten? Is iemand zo oud als de maan? Heb jij ooit al alle sterren kunnen tellen?' Ik vind zijn lezing leuker en leuker. Ik voel dat we het hoogtepunt gaan bereiken. En dat komt nadat Peter HoHa enkele boekjes heeft uitgedeeld. Hij begint over Arthur Rimbaud. 'Sommige zeggen dat het té moeilijk is, maar luister naar die klanken.' en hij leest prachtige stukjes voor. 'De man had soms geestverruimende middelen nodig, maar luister naar die klanken.' 'Geelgoude munten gezaaid, boeketjes van blank satijn, het was een fonkelend aquarium, de strijdlustige dageraad, … en de fantastische eindregel 'de bloemen zeiden mij gedag'. Bravo. Daarna volgt nog een grap. 'Zijn er nog vragen?' We krijgen niet de tijd en de kans te reageren.  'Aah, da's mooi meegenomen.' Besluit Peter HoHa. In station Antwerpen - centraal zie ik de trein naar Turnhout net wegrijden. Ik stap dan maar op de trein naar Herentals van tien na vier. Ik zit comfortabel. Het is koel op de trein. Ik vond de lezing van Peter Holvoet-Hanssen oké. Ik hou wel van die humor. Het is vrij rustig in de coupé. Misschien kan ik in Herentals een koffie drinken en een sigaretje roken. Een Afrikaan met zwarte  kledij en zwarte pet komt in de coupé zitten. Hij kijkt op zijn smartphone. Voor mijn vertrek in bib Permeke Peter deV nog begroet. Ik vraag me af of die fritchinees in Lier of in Herentals is. Een Afrikaanse vrouw  met dik gat en fluo oranje trui komt langs. Ze ruikt fruitig. Een oma met haar kleindochter die vraagt: waar gaan we zitten? komen langs. Op het plein voor de bibliotheek zag ik veel junkies en daklozen. De conductrice is obees, maar heeft wel een mooie stem. Ik bedenk me dat dit eigenlijk al meteen de eerste les is. Ik vraag me ook af of we de trein naar Turnhout niet inhalen, want die moet nog drie tussenstops doen. Ik probeer dat te controleren aan de hand van de NMBS app, maar dat lukt niet. De zwarte Afrikaan in het zwart spreekt Frans. Hij gaapt. De NMBS wenst me trouwens een fijne reis. Twintig na vier razen we door het station van Boechout. De conductrice heeft ook een neuspiercing. Op de vraag of wij voor de trein van Turnhout in Herentals zijn antwoordt ze vriendelijk: 'Neen, wij komen pas aan om 16uur41 in H.' 'Oké, geen probleem.' zeg ik. Ik zie nu ook dat ze een gigantische tattoo op haar linker arm heeft.  Ik heb dus pas om half zes een trein naar huis. Rond twintig voor vijf steken we het Albert kanaal over.   Ik zit in de Panos van het station van Herentals. Er staat een vrouw met een rugzak met daarop ‘De mens van nu is vrijzinnig humanistisch.’ Ze kijkt wel lelijk. Haar dochter wil een broodje. Een jonge vrouw met purperen legging en een half zwart kindje op de arm dat raar lawaai maakt heeft twee broodjes besteld. Een oudere werkneemster van de NMBS kijkt ook lelijk. Ze koopt voor zes euro frisdrank. De vrijzinnig humanistische, die op het puntje van haar stoeltje zit, kijkt nu alsof de Panos gaat kapseizen en zinken. Een apparaat begint te piepen. De stoeltjes stinken. Ik krijg een chocoladebroodje in plaats van een chocolade cookie. De Panos juffrouw heeft Indiase roots. De koffie is goed, het broodje niet. Ik betaal vier euro zeventig. Ik ga buiten roken. Blue Bike maakt reclame met ‘Altijd een fiets op zak.’ Alle meisjes die langskomen zijn zestien en dragen een spannende legging of hebben een bloot buikje. Roze en purper zijn de favoriete kleuren. De zon schijnt. Een vrouw met een wit hemd staat naast een tas ‘Essential Antwerp’ en haar kleindochter. Ze hoest en is op zoek naar een toilet. Een dikke Audi pikt haar op. ‘Papa, doe jij de koffer open?’ roept de kleuter. Op de achterbank zit een poedel. Op het derde verdiep van een appartementsblok aan het stationsplein staat een vrouw door de raam te turen. Ze heeft rode bloemen op haar balkon. Een zwarte Jaguar toetert. Ik rook. Ik zie nu pas dat er op dat kartonnen koffiebekertje staat: ‘Want je wil een koffie die zich zelf niet te serieus neemt.’ Ik ga naar perron twee. Ik moet denken aan al die keren dat ik hier ’s avonds in de vrieskou op maandagavond heb gezeten toen ik bij Runa in Berchem schrijflessen had. Ik was dan op weg naar huis. De trein naar Mol rijdt niet. Er komt een goederentrein voorbij. Diesel stinkt. De deur van de intercity naar Antwerpen op spoor vijf doet ‘teut’ en klapt dicht. Een man zet het op een lopen. Ik rook op het perron. De trein naar Antwerpen vertrekt. Ik ben blij dat ik mijn Ray Ban zonnebril bij heb. Ik moet nog twaalf minuten wachten. Er waait een aangenaam windje. Een jongetje op tennissloefen rommelt in zijn rugzak. Rond kwart voor zes zou ik thuis moeten zijn. Ondertussen staat er op perron één veel volk. Een wesp is geïnteresseerd in mijn rechter sok. Ik denk aan de hersendode man die alsnog bezweken is aan een steek van een Aziatische hoornnaar. De wesp vliegt naar de MacDonalds reclame, een affiche met ‘voor big goesting’. Aankondiging: ‘de IC trein met bestemming Turnhout komt zo dadelijk aan’. Een mottige doos met een plooifiets struikelt bijna. De onheilspellende wesp is terug. In de verte zie ik mijn trein aankomen. Deze trein maakt pas echt veel lawaai. Hij piept. Hij kreunt. Hij ratelt. Hij zucht. Hij blaast. Hij stinkt ook en staat vol graffiti. Kortom, dit moet die naar terminus Turnhout zijn, vast en zeker. De conducteur blaast drie maal op zijn fluit. De trein zegt: ‘de volgende halte is Tielen.’ Het vertrek zelf is, verbazingwekkend, haast geruisloos, enkel de bagagedrager van de rechter helft van de coupé rammelt. Een man leest een Franstalige krant. De watertoren en de Avevewinkel van Herentals staan er nog. We trekken op. Er staan drie raampjes open. Dat is de airco. Ik heb nu ook terug een tafeltje om mijn notitieboekje op te leggen. ‘Laisser sa place, ça c’est classe.’ is niet van toepassing. Voor mij zit er een zestienjarig meisje in, jawel, een purpere legging. Ik verzin het niet beste lezer. Naast het maïsveld staat een kapel. Ik zie geen koeien, wel een rijtje populieren. Het zestienjarig mormel verplettert een plastic flesje en foefelt het in het veel te kleine vuilbakje. ‘We komen aan in Tielen.’ zegt de trein. Nu trilt werkelijk alles. Boven het het kabaal hoor ik precies een fluitsignaal. Frituur Den Hoek is open. Men heeft het fietspad rood geverfd. De Franstalige man kucht een eeuh-euhm. De prikkeldraad rond het militair domein is verroest of verdwenen. De heide ziet paars. Dit keer moet de man echt hoesten. De zon flikkert door het struikgewas. Het lijkt of er een discobol in de coupé hangt. Home Sweet Home, bijna. Dit keer kraakt de trein, want we remmen. De conducteur roept boven het gekraakpiep van de remmen: ‘Turnhout eindstation. Niets of niemand achterlaten!’ Op het perron zegt de conducteur, in vol ornaat, prachtige kepi: ‘Prettige avond verder.’ De trein blaast. Een Citroën C4 met Parijse nummerplaat probeert te parkeren. Een kleuter op een fatbike ramt bijna een bejaarde. Ik hoor een sirene. De zon schijnt nog steeds. Een man zegt tegen zijn hond: ‘Gedaan nu!’ en ‘Wa dist?’, omdat de hond blaft. Ik begroet de Togoleze buurman met ‘Bonsoir’. Zes uur. Oma belt. Ik neem niet op.        

Hubert Grimmelt
4 0

Gustaaf krijgt het aan de stok met de hoofdredactrice van de Kluger Hans (e-mailverkeer)

Onderwerp: Blur inzendingen   Beste Yasmin,   Kan men ook per post inzenden voor het themanummer Blur? Als ik links moet uitlijnen Enzo. speelt u al een beetje ambtenaar.   Alvast bedankt Warme groet   Gustaaf   Onderwerp: Re: Blur inzendingen   Dag Gustaaf,   Per uitzondering kan ik inzenden per post wel toestaan. Aangezien de hele redactie de inzendingen moet kunnen lezen, zou het hoogst onhandig zijn mochten er veel binnenkommen via de post. Maar één papieren inzending digitaliseren is te bolwerken.   Links uitlijnen doet u trouwens heel simpel met deze knop in uw favoriete tekstverwerker. (of mocht het prentje niet zichtbaar zijn: http://fagict.weebly.com/uitlijnen.html)   Dat mag naar:  Koepoortkaai 13 7000 Genk   Groeten,   Yasmin   Onderwerp: Re: Blur inzendingen   Dag Yasmin,   Ik hoop dat het u goed gaat.   Krijgt het volgend nummer van de Kluger Hans (Confabulaties) al vorm?   Dit keer kom ik graag naar de FeedBackSessieDag van de Kluger Hans. Ik ben benieuwd en kijk er al naar uit.   Om misverstanden te vermijden: dit email adres gebruiken gustaaf.sorgheloze@hotmail.com   Mogelijks hebben jullie ondertussen James Olney gelezen. Ik nog niet. Het ligt al een hele tijd naast mijn bed (ik heb geen nachtkastje).   Hier in Harelbeke is er momenteel geen maan te zien. De temperatuur valt mee. Ik ga zo dadelijk de afwas doen en luistert wat naar de Blues Brothers.   Voor de lol twee gedichtjes in bijlage. Een kort en een lang. Veel leesplezier!   Hou me op de hoogte. Tot binnenkort? Vriendelijke groet   Gustaaf   Onderwerp: Re: Blur inzendingen   Dag Gustaaf,   De voorbereiding voor het nieuwe nummer draait al op volle toeren.   Ik ben niet helemaal mee in verband met de feedbacksessies; jij hebt je ingeschreven? Wij  gebruiken het e-mailadres waarmee je de inzending gedaan hebt.   Zijn de gedichten bedoeld als inzending? Zo ja, dan moet je ze via de inzendinbox (https://www.klugerhans.org/inzenden/) droppen zodat we ze niet kwijtraken en zodat we je in de communicatie omtrent feedbacksessies kunnen houden.   Groeten, Yasmin   Onderwerp: FW: INZENDING KLUGER HANS: Herinneringsprotocollen   Dag Yasmin,   Zie e-mail hieronder. Ik heb inderdaad een inzending gedaan voor het Confabulatienummer (zie e-mail hieronder) Daar ik niks vernomen heb ga ik er van uit dat jullie feedback en tips ter verbetering en peptalk en kritiek en commentaar en aanmoediging en inzichten en nieuwe ideeën en klaar hebben. Of is er weer iets fout gelopen in de communicatie? Vergis ik me? Zou je het even willen uitzoeken? Alvast bedankt.   Neen, de gedichtjes zijn voor de lol.   Hou me op de hoogte. Vriendelijke groet   Gustaaf     Onderwerp: INZENDING KLUGER HANS: Herinneringsprotocollen   Beste Gustaaf Sorgheloze, Bedankt voor je inzending! We zullen je vrije bijdrage met veel interesse lezen en beoordelen. Nadat de huidige deadline voorbij is, begint de redactie aan het selectieproces. Daarom contacteren we in mei iedereen die een tekst inzond voor ons lentenummer. Auteurs die een tekst inzenden voor ons herfstnummer, kunnen ten laatste in oktober een bericht verwachten. Je krijgt dus zowiezo reactie van ons, maar hou er rekening mee dat het even kan duren, afhankelijk van wanneer precies je je tekst hebt ingestuurd. Als je tekst niet gepubliceerd zal worden, krijg je een uitnodiging om op feedback te komen. Je hebt dan de gelegenheid om in gesprek te gaan met een redacteur en het over je ingezonden werk te hebben. De workshops vinden telkens plaats in mei en oktober. Ken je iemand die blij zou zijn met een abonnement op Kluger Hans? Stel ons tijdschrift gerust aan hen voor. Als abonnee krijgen ze tweemaal per jaar een mooi vormgegeven Kluger Hans vol opkomend en onbekend talent in de brievenbus. Een abonnement afsluiten kan gemakkelijk op onze website. Heb je zelf enkele nummers gemist? Je kan online ook steeds oude(re) nummers nabestellen Groeten, de redactie van Kluger Hans     onderwerp: Re/ INZENDING KLUGER HANS: Herinneringsprotocollen   Dag Gustaaf,   Dan ga je enkele weken geleden mail hebben gekregen in verband met de feedbacksessies. Kijk je even in je spam of het niet daar is blijven plakken?   Groeten   Yasmin   onderwerp: Re/ INZENDING KLUGER HANS: Herinneringsprotocollen   Dag Yasmin,   Neen, ik heb niets zien passeren. Godverdomme. Meestal als er iets ‘blijft plakken’ ben ik het int café. Godverdomme.   Groet G.   onderwerp: Re/ INZENDING KLUGER HANS: Herinneringsprotocollen   Dag Gustaaf,   Heel jammer. Maar zowiezo waren de inschrijvingen al afgerond; intussen. Ik vraag even aan het team poëzie of iemand feedback er voor jou er nog kan bijkrijgen.   Groeten,   Yasmin       onderwerp: Re/ INZENDING KLUGER HANS: Herinneringsprotocollen   Dat zou fijn zijn. Dit is de tweede maal dat er gezever is over e-mails en feedback! Echt, wat een geleuter. Zit Mathijs Deraedt daar nog bij jullie in het welkomstcomité? Dat zou fijn zijn.   Groet G.     onderwerp: Re/ INZENDING KLUGER HANS: Herinneringsprotocollen   Dag Gustaaf,   Met alle respect, maar wij zijn allemaal vrijwilligers (ik ook) die ons best doen om alles zo goed mogelijk draaiende te houden. We krijgen 1600 inzendingen per jaar. De feedbacksessies zijn geen geleuter, maar vergen heel wat organisatie om vlot te doen verlopen. Dat jij je spam niet goed in de gaten houdt, daar kunnen wij weinig aan doen. We zijn ook helemaal niet verplicht om na te gaan of we je alsnog feedback kunnen aanbieden, en toch was dat mijn voorstel.   Groeten,   Yasmin     onderwerp: Re/ INZENDING KLUGER HANS: Herinneringsprotocollen   Dag Yasmin opt veldt,   Ik geloof zelfs niet dat jij mij een mail hebt gestuurd. Er is geen sprake van vrijwilligers. Jullie zijn amateurs.   Vriendelijke groet,   Gustaaf onderwerp: Re/ INZENDING KLUGER HANS: Herinneringsprotocollen   Dag juffrouw opt veld,   VISWIJF!   Groet Gustaaf  

Hubert Grimmelt
24 0

Gustaaf gaat naar een lezing

Gustaaf drinkt zijn vierde en laatste tas koffie van de dag. Rond zeven uur doet hij zijn zware, leren jas aan. Hij twijfelt tussen zijn gele petje en zijn grijze petje. Hij gaat naar een lezing. Misschien wordt het een soort van gesprek. Het onderwerp: schoonheid en toeval.   Marie start vroegtijdig met een anekdote over een duif die op Art Brussels kunstwerken in een Japanse galerij ondergescheten heeft. Ze voegt eraan toe: ‘Hier gebeuren dingen.’ Ze bedankt de bib van T. voor het mooie salon en de ontvangst. Haar gesprekspartner tijdens deze lezing is kunsthistorica Leen die op haar beurt ook start met een dankwoordje. ‘Dank u voor de uitnodiging.’ Ze feliciteert Marie ook met haar lichtvoetige boek. Na roze, lichtblauw en rococo is het de beurt aan Marie om felicitaties te geven. Ze feliciteert haar gesprekspartner met een ‘Proficiat’ omdat ze in Basel echt getroffen werd door een kleine Vincent van Gogh. In tegenstelling tot bij Rubens stonden er geen mollige mensen op. ‘Opeens snap je het,’ zegt Leen. Naadloos gaat het over naar de Lentefee.    Na een uitgebreide uitweiding over Breughel, details, de papieren krant, traagheid, de Altiora-uitgeverij, ophouden, Eugène van Mieghem, concentratie en observeren doet Marie een bekentenis. ‘Ik ga niet naar de coiffeur. Ik doe dat zelf. Kijken, observeren kan een tekst worden. Het doelloos tot iets komen.’ Daarna heeft ze een vraag: ‘Is dat toeval?’ Leen negeert de vraag en gaat door over erotische en esthetische maniëristen die akelig perfect schilderijen fabriceerden, waardoor ze in Firenze belandde. Via de Kempen en een groot oom kunstenaar komen ze tot de lievelingskleur van Leen: geel. Marie geeft toe: ‘Ik had bijna mijn geel kostuum aangedaan.’ Gustaaf heeft Marie al een keertje in dat ribfluwelen, kanariegele kostuum gezien. Langs rododendrons, de tuin van het ouderlijk huis, natuurfragmenten, een atleet-verzetsman uit 1899 en zo meer komen we bij een order van een overleden vader: ‘Kom we gaan wandelen!’ Leen is het niet volledig eens met de opvatting van Marie dat de natuur een troostend effect heeft en ja, ook rustgevend is.  De kunsthistorica doet een filosofische bekentenis: ‘Binnen de week ben ik opgegeten!’ Het verbaast Gustaaf dat Marie daar geen humoristisch kwinkslag aangeeft, maar hij vindt het wel een leuk gesprek.   Marie laat erg rustig en aandachtig haar gesprekspartner aan het woord die nog meegeeft dat ze: ‘in de lente altijd vogels hoort.’ Hoe ze beiden tot het volgende onderwerp komen, weet Gustaaf niet meer; de zee en het verhaal van Tristan en Isolde die niet per toeval liefdesdrank drinken, maar per vergissing. In een boek met een weinig originele titel ‘La plage d’Ostende.’ komt een personage voor, een jonge vrouw die verliefd wordt op een oudere kunstschilder. Om hem te verleiden gaat ze zich kleden in zijn kleurenpalet. Ze doet dat heel slim en geraffineerd. Uiteraard loopt het slecht af. Gustaaf vindt het een leuk idee voor een prozastukje of een kortverhaal, maar twijfelt of dat boek een goed boek is. Hij fantaseert even, maar blijft luisteren.    Ondertussen zijn we wel aan een leuk onderwerp toegekomen: kledij. Na een biezonder korte opmerking over de Lentefee volgt een hilarische anekdote over de koningin van Denemarken, Margerete, een kettingroker, maar dat wordt niet vermeld. De koningin had een keer een eigen regenkostuum ontworpen door twee toile cirées, een geel en één met een bloemetjesmotief, aan elkaar te naaien. ‘Het zag er goed uit,’ weet Leen. Marie merkt laconiek op: ‘Als ge dan toch koningin zijt? Wat houdt u tegen?’ Gustaaf vindt dit het hoogtepunt tot nog toe. Hij zit al gans de tijd lichtjes te gniffelen, nu moet hij even hardop lachen. Leen houdt van goed geklede mensen op straat. Opnieuw heeft ze een leuke opmerking in petto. In het Victoria en Albert museum in London zag ze een keer een collectie van een dame die uit elke haute couture presentatie het lelijkste stuk had gekozen. Gustaaf glimlacht. Er volgt een kort woordje van Marie over het kostuum dat ze vanavond draagt en dat Gustaaf al weet. Wat hij niet wist is dat kunstenares Frieda zelf in eerste instantie reageerde met een: ‘Is dat niet een beetje overdreven?’ Waarop Marie toegeeft: ‘Ik had er in die mate zin in …, Ik vind dat zo plezant …, Er zal zich een speciale gebeurtenis voordoen.’ Gustaaf vindt het magnifiek. Hij zit opnieuw te gniffelen en amuseert zich. Leen meldt nog even dat er in Afrika stammen zijn die het fenomeen ‘kledij’ niet kenden.   Via een korte omweg over boeken, ‘Lolita’ van Nabokov en ‘Oud papier’ van Leen, komen we bij het onderwerp: het tot leven wekken van personages en het belangrijkste boek van de avond: ‘Het boek van schoonheid en toeval’. Leen bewierookt dat; ‘je durft dat!’, ‘Goed gedaan op een onnadrukkelijke en natuurlijke manier’, ‘ik hoor AMVK praten’, ‘geen notities en je kan dat allemaal onthouden!’, poëtisch, … Gustaaf weet dat het een biezonder boek is, want het is het enige boek in de bib van T. waarvan er een exemplaar bij Nederlands Romans staat en een exemplaar bij Non-Fictie Kunst. Dankzij Liliane Saint Pierre komen we bij religieus textiel en de drijfveren van Marie om dat boek te maken. Gustaaf begrijpt het als volgt. Als kind moest Marie zich regelmatig verdedigen in de familie. Doordat de omgeving rustiger werd, en zijzelf misschien ook, durfde ze onbevreesd al die mensen te benaderen. ‘Uw vraag richten tot iemand’, ‘Wat heb ik te verliezen?’, en een overtuigd: ‘Ik ga dat proberen.’ Leen luistert niet aandachtig, want ze vervolgt met een detail over de huwelijksjurk van Fabiola, een ontwerp van Balenciaga. Gustaaf wordt ook een beetje onaandachtzaam, want er volgt een lang relaas over familienamen en meer bepaald die van Leen. We komen tot een middeleeuwse mystica die op extreme wijze pestlijders verzorgde, Danny Devos, een Ursullinnenklooster, een fichebak, revolutionaire heilige-levens, de vraag: ‘Geen kamelen?’, een boekenkast uit de jaren zeventig, tekeningen met een BIC die mooi, blauw produceert, en tot slot de vaststelling: ‘we kunnen nog uren doorgaan.’ Gustaaf is blij dat het einde in zicht is.    Marie gaat een stukje voorlezen uit haar boek. Mooi zo, denkt Gustaaf. Er staat een lampje en Leen vraagt zich hardop af of lezen bij zo weinig licht wel kan. Marie zegt gedecideerd: ‘Het gaat lukken.’ En ‘Ik zoek het stukje in het park.’ Eerst is er nog een leuke intro over Liliane Saint Pierre, die na wat twijfelen zelf ook vol overgave had gemeld: ‘Ik kom naar Willebroek!’ Gustaaf legt zijn notitieboekje weg en luistert ontroert en aandachtig. Het is inderdaad poëtisch, met oog voor detail, een beschrijving van een natuurlijk verloop van een eenvoudige en oprechte ontmoeting tussen twee mensen. Opnieuw denkt Gustaaf: ‘mooi zo!’ en ‘ik hoop dat ik op een dag dat boek kan ruilen tegen een dwaas kunstwerkje van eigen hand.’ Hij weet niet goed hoe zich te gedragen en vraagt zich af of hij de twee gesprekspartners nu uitgebreid moet begroeten, feliciteren en danken. Het beperkt zich tot een wat weifelend handjesgeschud en een sociaal verantwoord: ‘Ik kijk er al naar uit!’ Het compliment als zou hij veel verbeelding hebben heeft hij niet verstaan. Bij het passeren van café Barzoen hoort hij live rock ’n roll muziek. Hij verlaat het cultuurhuis rokend met nog steeds een glimlach op de lippen.                    

Hubert Grimmelt
7 0

AloÏs

Aloïs werkt al achtien jaar tegen zijn zin als ingenieur in de koekjesfabriek van Herentals. Rond twintig voor acht staat hij op. Hij doet, zoals steeds elke ochtend, pipi. Hij moet vandaag enkel in de namiddag werken. Beneden in de living neemt hij zij medicatie, antidepressiva en antipsychotica, met een beetje koude koffie van gisteren. Daarna zet hij het koffieapparaat aan om nieuwe te maken. Hij steekt een sigaretje op en gaat in de antieke zetel zitten. Hij heeft, tegen de verwachting in, vrij goed geslapen. Hij legt de LP ‘Moondance’ van Van Morrison op de platenspeler en luistert wat.  Half negen begint hij aan de afwas. Hij zet de waterkoker op en organiseert het aanrecht. Het is weer veel, want hij heeft nooit de energie af te wassen, laat staan te koken. Een Bpost camionette bezorgt met zorg een pakketje bij de overbuurman. Aan het kapelletje staat een man stokstijf stil met zijn donkerbruine hondje. Misschien doet hij een gebedje?  Als hij het warm water in de pompbak giet ontdekt hij dat er ook nog een pot met onderin beschimmelde soep op het gasvuur staat. Hij giet de viezigheid in het toilet. Het stinkt. Zij zin om af te wassen is voorbij, dus gaat hij opnieuw in de antieke zetel zitten roken. ‘These dreams of you. So real and so true,’ zingt Van Morrison. Aloïs geniet van de mooie saxofoon solo. Dan start hij met de afwas die hij meteen onderbreekt om te ontbijten. Hij eet een oude boterham met een stukje salami. Een idiote buurman van verderop in de straat rijdt zijn gras af. De vuilkar komt langs om de blauwe zakken op te pikken. De ene doet al nuttiger werk dan de ander, bedenkt hij zich. Tien voor tien is de afwas gedaan. Hij rookt. Hij drinkt koffie. Het woordje ‘afwas’ kan hij van zijn To Do-lijstje schrappen. Op de slaapkamer doet hij proper kleren aan, in de badkamer verfrist hij zich en op het toilet doet hij pipi. Half elf vertrekt hij naar het postkantoor en de sigarettenwinkel. Hij moet een brief naar een bevriend kunstschilder op de bus doen en een enveloppe met negatieven afhalen. Hij heeft nog drie sigaretten. Alle mensen die hij tegenkomt op weg naar de post hebben een hondje bij. Onderweg doet hij nog stemopwarmingsoefeningetjes. In het postkantoor heeft hij nummertje zestig. Hij moet enkele minuutjes wachten, maar kan dan naar loket drie. Hij legt zijn brief op de balie en vraagt of die voldoende is gefrankeerd. De loketbediende legt de brief op de weegschaal en zegt: ‘Er moet maar één postzegel op.’ Hij heeft er gisteren drie postzegels opgekleefd. De juffrouw pulkt voorzichtig de postzegels van de brief. ‘Deze twee kun je de volgende keer opnieuw gebruiken als je ze opkleeft met een Pritt-stift.’ Ze geeft hem de zegels en hij frommelt ze in zijn portefeuille. Daarna legt ze hem het verschil uit tussen een prior-zegel en een gewone. ‘Bij deze komt het de volgende dag toe. Bij de andere duurt het drie dagen. Heeft u nog iets nodig?’ ‘Ja, ik wil er ook nog kopen. Heeft u speciallekes?’ ‘Ik heb hondjes, de dierentuin, … ‘ ‘Doe die maar,’ antwoordt hij meteen. ‘Is de postcode van Borgerhout juist?’ vraagt hij nog. De postbediende kijkt het even na en knikt bevestigend. Hij vindt het fijn behandeld te worden als een idioot. In het rusthuis naast de gazettenwinkel zijn ze in de cafetaria bingo aan het spelen. Op de terugweg komt hij twee Italiaans sprekende mannen tegen die goed doorstappen. In de straat is er één blauwe PMD-zak blijven staan. Thuisgekomen haalt hij de gerecupereerde postzegels, een met een portret van koning Flip en een met de afbeelding van twee hondjes, uit zijn portefeuille, kleeft ze op de achterkant van het kasticket en steekt het bij de zegels van de dierentuin. Hij legt ze op de hoek van zijn bureau waar de postzegels altijd liggen. Zittend in de antieke zetel doet hij de enveloppe van Foto Kromhout uit Antwerpen open. Hij is erg benieuwd naar het resultaat van zijn eerste rolletje met de Olympus Pen EE 3. Hij is blij, want de contactsheet ziet er veelbelovend uit. De conclusie is dat die camera perfect werkt. Hij rookt. Hij drinkt koffie. Hij luistert op zijn iPhone SE naar wat muziek. Zot Jefke, de overbuurman, parkeert zijn Hyundai Pony voor de deur. De logaritmes van de Deezer app werken weer niet. Hij ontdekt enkel één goed nieuw nummer. Hij bestudeert de contactsheet nog een keer aandachtiger en schrijft de markering op ‘Olympus PEN EE 3 001’ Ook de zelfportretten zijn goed gelukt. Kwart voor twaalf maakt hij zijn lunchpakketje. Zijn vrouw is nu twee maanden dood. Kanker. Botkanker. Erg pijnlijk. Eigenaardig genoeg is hij de eenzaamheid al gewoon. Hij gaat ook al terug werken. De dokter wou hem nog een briefje schrijven, maar dat vond hij niet nodig. Hij wil cornflakes eten en stelt vast dat die niet meer goed zijn. Ze ruiken naar urine. Op zijn werk valt de poetsvrouw hem lastig. Ze vertelt over haar valentijnscadeau namelijk een blok belegen kaas. In de bibliotheek had een vrijwilliger haar, na hetzelfde verhaal te hebben gehoord, haar een boek van Willem Elsschot meegegeven. Dat zit ze tijdens de werkuren te lezen, maar ze begrijpt er niks van. Tot vier uur zaagt ze de oren van zijn kop. Zij had haar vriendje shampoo cadeau gedaan. Ze dacht ook dat Elsschot een boek met de titel ‘Fonkelnieuw’ had geschreven. Hij heeft haar rond drie uur getrakteerd op een Knoppers wafeltje. Na zij werk gaat hij naar frituur Estrella. Hij heeft geluk want de man na hem besteld voor achtendertig euro. Buurvrouw Tinne zit op een kruk met een glas witte wijn voor haar neus. De curryworst speciale doorsnijden met het plastic vorkje gaat moeizaam. Het breekt dan ook, zodat hij de worst en de fritjes maar met zijn handen eet. Er zit ook een kind met een baby in de frituur. De baby huilt. De moeder tokkelt op haar telefoon. Rond zeven uur is hij thuis. Hij sluit meteen de gordijnen en de Luxaflex en doet het licht van de keuken aan. In de antieke zetel, fantaseert hij over zich verdrinken in de vaart, het Albertkanaal, maar dat vindt hij te omslachtig. Hij gaat naar de badkamer en bekijkt zijn verzameling medicatie. Er is Risperdal, Lorametazepam, Quetiapine, Aspirine, Paracetamol, Zolpidem, Fluanxol, … Aloïs neemt een lege zak van de Action, waarin hij normaal zijn vuile was verzamelt, en kiepert de hele handel er in. Hij daalt de trap af.  Aan de keukentafel stalt hij de collectie medicamenten uit en haalt glazen en glaasjes uit de keukenkast. De slaappilletjes gaan in twee glazen waar Amora mosterd in gezeten heeft. Het ene heeft Star Wars afbeeldingen, het andere tekeningetjes van Les Indestructibles 2. De eerste soort antipsychotica past in een klein jeneverglaasje. De Paracetamol zijn dikke pillen, dus die verdeelt hij over twee, grote wijnglazen. Het lijken wel mini-visbokalen op een pootje, een kerstcadeau van zijn idiote zuster toen er nog samen gevierd werd. Met zijn Leica M8 maakt hij een foto van het mooie stilleven, een verzameling glazen en medicatie. Aloïs gaat opnieuw in zijn antieke zetel zitten en drinkt een glas gin met bruiswater. Buiten is het donker. Hij probeert een inschatting te maken hoeveel vloeistof hij nodig heeft om dit goedje allemaal te kunnen inslikken. Hij schat vier bierglazen van vijfentwintig centiliter, dus hij neemt vier glazen, met reclame van Golding Campina op, uit de keukenkast. Hij heeft die lang geleden gekocht op de zondagse rommelmarkt. Hij vult ze alle vier met gin en bruiswater en zet één flesje Spa blauw als reserve, mocht hij een inschattingsfout gemaakt hebben. Ook de langwerpige fles gin, die bijna leeg is, van veertien euro uit de Delhaize zet hij op tafel.  Het inslikken kost moeite, omdat veel van de witte tabletjes in zijn mond aan elkaar gaan kleven. Af en toe spoelt hij door met de Spa blauw en gin. Na alle glazen te hebben geledigd maakt hij zich de bedenking dat hij vergeten is een afscheidsbriefje te schrijven.  Wat er daarna gebeurde weet Aloïs niet meer. 

Hubert Grimmelt
3 0

Het einde

Ik heb nergens pijn behalve in mijn brein. Het is tien na één ’s nachts en het is koud en pikdonker. Ik ben de rust zelve. Geen opwinding of zo. Ik doe m’n kaki broek van Fjällräven aan en Bridgedale sokken. Ik kies voor de zware bergbotinnes.  Het Albertkanaal is zes minuten wandelen. Ik neem een stuk touw mee, zodat ik mijn wandelschoenen aan elkaar kan knopen. Ik kan dat niet meer gaan watertrappelen of zwemmen. Ik wil verdrinken in het koude water. De echtgenoot van mijn zus beweert dat je aan de rand van de vaart gewoon kan staan. Ik denk dat de vaart diep genoeg is om te verzuipen. Daarna is er niks. Aan de trap op het einde van de straat steek ik al mijn zakken van mijn broek en Adidasvestje vol met steentjes. Ik verwacht niet dat ik nog wandelaars of fietsers ga tegenkomen. Het is halve maan en ijskoud. Op de rand van de vaart knoop ik mijn wandelschoenen stevig aan mekaar. Ik ben lichtjes zenuwachtig, maar vastberaden. Het water lijkt zwart. Ik laat me in het koude water glijden en duw me met mijn vastgebonden schoenen van de kant. Heel even schiet ik in paniek en probeer te trappelen. Ik maak idiote zwembewegingen met mijn armen. Daarna ga ik kopje onder en doe een slok water binnen. Ik verzuip. Ik ben vrij. Op mijn bondig afscheidsbriefje, dat ik gisteren schreef, staat ongeveer hetzelfde als bij de eerste zelfmoordpoging:                                J’en ai marre.                                Draag alsjeblief zorg voor het creatieve werk. Dankjewel.                                  Fernand

Hubert Grimmelt
27 1

Met oma in de Lunchgarden

De tweeëntachtigjarige oma van Pablo, de oudste kleinzoon, heeft voorgesteld met hem te gaan eten in de Lunchgarden van de grote Carrefour aan de Ringlaan. Ze hebben afgesproken rond elf uur. Tien minuten vroeger belt Pablo zijn oma. ‘Ik kom je zo dadelijk oppikken. Is dat oké?’ ‘Zeker lieve Pablo. Ik ben net naar de beenhouwer geweest. Ik moet het vlees nog in de koelkast steken en een ander blouske aandoen. Dan ben ik klaar.’ ‘Over een kwartiertje ben ik bij jou, oma,’ zegt de kleinzoon, drieëntwintig en student biochemie.    Vijf na elf stopt Pablo voor het huis van zijn oma die al in de deur staat te wachten. Ze waggelt met haar wandelstok in de lucht richting auto. Ze opent de deur van de kleine, tweedehands Peugeot 205 en roept: ‘Dag Pablo! Hoe gaat het jongen? Bij mij gaat het vandaag moeizaam.’ ‘We hebben alle tijd oma,’ antwoordt de jongeman vriendelijk. Germaine gooit haar handtas in de auto en draait zich met haar rug naar de passagierszetel, zet met haar rechterhand haar wandelstok stevig op de grond, laat zich achterwaarts half in de zetel vallen, er goed op lettend dat ze haar hoofd niet stoot, draait zich dan half linksom, zodat ze eveneens door de voorruit kan kijken. Daarna probeert ze haar wandelstok tussen haar knieën weg te zetten, maar daarvoor moet ze nog wat achterwaarts schuifelen en wat rechtop gaan zitten. Met haar schoenen probeert ze haar handtas wat naar links te duwen. Pablo heeft voor hij vertrok de passagierszetel zo ver als mogelijk naar achter gezet. Hij vraagt: ‘Zit je comfortabel, oma?’ ‘Ja. We kunnen vertrekken. Voorzichtig, hé,’ antwoordt oma die meteen een verhaaltje begint te vertellen over de buurvrouw die een nieuwe knie heeft laten steken en op de sukkel is. Pablo luistert aandachtig.    Rond half twaalf rijden ze de parking van de Carrefour op. Pablo parkeert recht tegenover de Lunchgarden. Ook het uitstappen duurt een eeuwigheid, maar de oudste kleinzoon heeft geduld. ‘Mijn stok heb ik niet nodig,’ zegt oma en ze slaat het portier van de Peugeot hard toe. Pablo geeft haar zijn linkerarm en arm in arm stappen ze naar de ingang van de Lunchgarden.    De Lunchgarden lijkt wel de refter van een rusthuis. Het zit er vol oude mensen. Oma twijfelt niet en neemt zoals steeds twee garnaalkroketten en frit met videe. ‘Pak jij nog een Cola en een glas?’ ‘Moet jij niet zo’n karretje hebben om uw plateau op te zetten?’ vraagt Pablo. ‘Jaja, is goed. Waar is mijn bankkaart?’ Pablo kiest voor gehaktballen uit Luik met puree. Als voorgerecht neemt ook hij garnaalkroketten. De vriendelijke kassadame van Afrikaanse origine vraagt of we na het eten koffie willen. ‘Neenee. Jij, Pablo?’ ‘Weet ik nog niet. Zien we straks,’ antwoordt hij bedachtzaam.   Hij rolt het karretje met al het lekkere eten richting een vrije tafel in het hoekje vlakbij de nooduitgang. Alle bejaarde klanten staren hen aan. Oma zegt: ‘Dat lijkt hier wel de cafetaria van een rusthuis. Vervelend is dat. Waarom gapen die zo?’ ‘Het valt wel mee oma. We hebben van die mensen geen last,’ sust hij.    ‘Zijn ze te doen?’ vraagt oma naar de kwaliteit van de garnaalkroketten.  ‘Uitstekend,’ antwoordt Pablo. ‘Ooh, servetten. Doeme toch. Ik zit juist. Pablo, ga jij servetten halen?’ ‘Zeker, oma. Ik ben zo terug.’ Hij wandelt naar de frisdrankkoelkast en leest: ‘Om duimen en vingers bij af te likken, of toch liever een servetje?’ Hij neemt er een paar en wandelt terug naar oma. Opnieuw gapen al die oude mensen de jongeman aan alsof hij naakt door de Lunchgarden stapt.   ‘Drie euro dertig voor één garnaalkroket! Daar verdienen ze veel op, zé.’ ‘Ik heb gisteren Warhaus gezien in Eindhoven. Goed optreden. Alle geluk dat die onnozel Sylvie Kreusch daar niet meer bij zingt. Ze zijn sterk geëvolueerd. Die zanger is een halve gare. Getalenteerde muzikanten ook,’ vertelt Pablo. ‘Vijfendertig euro voor ons met twee valt wel mee. Dat betaal je normaal gesproken voor één man. Wat zei je?’ ‘Ik heb Warhaus gezien in de Effenaar in Eindhoven.’ ‘Wie? Was het leuk? Je moet genieten in het leven,’ antwoordt oma en ze vervolgt: ‘Goede videe weer. De fritten zijn wat minder. Ik vind ook dat ze vriendelijk zijn. Dat negerinnetje aan de kassa was super lief.’ Pablo eet de eerste gehaktbal met ajuin en kruiden rustig op.   Plots begint er een bejaarde vrouw luid te gillen, waardoor een eveneens bejaarde vrouw ,die net van plan was haar plateau op de tafel te zetten, op indrukwekkende wijze het dienblad naar bovengooit. Met een hels kabaal donderen haar netaangekochte spijzen in de bordjes op de vloer. Haar oude bloemetjesjurk ziet er nu nog kleurrijker uit. Om haar evenwicht niet helemaal te verliezen gaat ze naast haar lunch op de grond zitten. Ze trilt en ziet lijkbleek. Oma en Pablo zien nu ook waarom er akelig gegild wordt. In het midden van de zaal tippelen er drie grote muizen in een rij richting keuken. Het zijn geen ratten, want die zijn groter. Een oude man met een rollator wil ter hulp schieten, maar dat loopt fout. Hij schuift uit op de etensresten op de vloer en doet, voor de eerste keer in zijn leven, een grand-écart. De rollator rolt eenzaam tot aan de nooduitgang. ‘Kijk,’ roept oma uit, ‘die man die daar acrobatische toeren uithaalt ken ik! Dat is Alfons van Louiza uit de Pottenbakkersstraat in Wiekevorst. Die is nog kolenboer geweest. Hij heeft vijf dochters. Zijn zoon is verongelukt.’ Pablo kijkt naar het theater en eet nog wat puree met de rode saus. Naast ons wil er een zenuwachige man de eetzaal verlaten via die nooduitgang. Hij duwt als een gek tegen de rode stang. De deur gaat moeilijk open, maar nu weerklinkt er een hels alarm. Het klinkt alsof er een brandweerwagen in de Lunchgarden staat. We glimlachen. We zijn niet van plan de 112 te bellen. Oma dipt nog een krom fritje in het kleine potje mayonaise en zegt doodgemoedereerd: ‘Wat een spektakel! Alfons van Louiza doet turnoefeningen op restaurant. Ik hoop dat in een echt rusthuis ook zo veel te beleven valt.’ en steekt met haar vork nog een stukje kip in haar mond. Pablo vraagt: ‘Moet ik nog koffie en dessert gaan halen, oma?’ ‘Ja, waarom niet. Koffie hoeft niet, maar ik lust nog wel wat rijstpap,’ antwoordt oma. Een jong gezinnetje met twee huilende babies verlaat via het binnenspeeltuintje en de nooduitgang het etablissement. Een bewakingsagent die buiten stond te roken komt via diezelfde nooduitgang naar binnen om de gemoederen wat te bedaren, de schade op te meten en wat te werken. Geen idee of hij wel al de hulpdiensten heeft verwittigd. Op het eerste zicht doet er niemand een hartaanval of iets gelijkaardigs. Alleen de kolenboer heeft een dokter en een ambulance nodig.   Ondertussen staat er rond Alfons en de vrouw in de bloemetjesjurk een groepje bejaarden die geen kaas gegeten hebben van EHBO. Pablo stapt rustig maar gedecideerd naar de koeltoog met desserts en haalt er een potje rijstpap en een potje tiramisu uit. Het vriendelijke, Afrikaanse kassameisje is nergens te bekennen, dus hij wandelt zonder te betalen naar het tafeltje van oma. Dit keer is er niemand die hem bekijkt. ‘Aah, lekker rijstpap,’ reageert oma. ‘Gelukkig maakt dat alarm al minder lawaai,’ zegt Pablo en hij vervolgt: ‘de desserts zijn niet betaald, want ik zag nergens een kassadame.’ ‘Geeft niet Pablo. Smakelijk!’ en beiden eten smakelijk en rustig hun nagerecht op. Na de rijstpap steekt oma nog een koud geworden fritje in haar mond. De omstaanders hebben inmiddels de vrouw in de kleurrijke bloemetjesjurk, het lijkt wat op een motief voor een tafelkleed of een gordijn, op een stoel geholpen. Ze huilt. De bewakingsagent bekommert zich om Alfons. Die is er schijnbaar erg aan toe. ‘Was de tiramisu lekker?’ vraagt oma. ‘Ja, heel lekker. Niet te zwaar. Dank u voor de traktatie, oma. Zouden we vandaag onze borden en plateaus ook moeten terugzetten?’ ‘Neen, laat maar gewoon staan. Vandaag is uitzonderlijk. Als ze muizen hebben moeten ze misschien wat beter afwassen of zo,’ zegt oma lakoniek. ‘Of waren het toch ratten?’   Op de parking van de Carrefour staat er ondertussen een menigte te kijken naar de Lunchgarden. Het alarm loeit nog steeds. Het perfecte lokmiddel voor ramptoeristen. Als Pablo de parking af rijdt draait er een politiecombi de parking op. Ze lachen zich een breuk. ‘Wat een belevenis! Drie muizen en zesentwintig bejaarden in de Lunchgarden! Een kolenboer die een grand-écart doet. Maar ik heb wel lekker gegeten. Jij ook, Pablo?’ ‘Zeker oma. Ik vond het erg aangenaam.’    De oudste kleinzoon zet zijn oma thuis af en rijdt naar huis. In de Harmoniestraat zit hij  achter een tractor.                            

Hubert Grimmelt
28 0

Van Abbe museum

Rond kwart na elf arriveer ik in Eindhoven. Aan de ticketbalie kom ik meteen een oude bekende tegen. Annebel, de verantwoordelijke van de educatieve dienst heeft nu lange, grijze haren. We begroeten elkaar hartelijk. Ik ga eerst een koffie drinken en de infobrochure lezen. De tentoonstelling in de nieuwbouw belooft de eerste volledig multi-zintuiglijke collectiepresentatie van Nederland te worden. Er is ook een installatie te zien waarin een duif, een eend en een koekoek symbool staan voor niet-standaard gedrag als het gaat om seksualiteit en opvoeding. Het wordt vast een mooi bezoek.  Ik wandel zaal één binnen en zie meteen een roze en gele potloodtekening van Lilly getiteld: ‘Vervelende man Kie Ellens.’ Het is magnifique. De vervelende man heeft een blauwe neus en een oranje staart. Ik glimlach. Ik ben blij dat ik in nog een keertje in het museum ben.  In zaal twee kan ik dankzij Stanley Brouwn, die zijn leven lang geïnteresseerd was in meten en maten, twee meter in de richting van Calcutta lopen en vier meter in de richting van Havana. Ik ben content en licht euforisch. Ik heb het uitstekend naar mijn zin.  Mijn enthousiasme stijgt nog, want ik zie een prachtig, kinderachtig werk van Jean Dubuffet ‘la main dans le sac.’ In de zaal, waar rubberen tegels liggen die je ook vindt in speeltuinen. De zaal draagt de naam ‘Nieuwsgierigheid van de beginneling’. Ik zie vier slordige, maar vermakelijke Appels. In de vitrinekast liggen kleurrijke postkaarten gemaakt door kinderen in het kader van een trauma herstelprogramma. Ik amuseer me wel.  In zaal vijf loopt het fout. De bloedmooie, vrouwelijke museumsuppoost draagt plastic teenslippers die een floppend geluid maken als ze ongeïnteresseerd door de zaal loopt. Ze kijkt me niet aan. Ik bekijk haar van kop tot teen. Gelukkig is er in het museum een zacht zoemende airco. Ik draai me om mijn as om de dame ook langs achter aandachtig te bekijken en loop tegen een houten beeldhouwwerk aan. Ik verlies mijn evenwicht en in mijn ongelukkige val sleur ik het kastanje houten beeld, vervaardigd door een kunstenaar uit Papua tijdens zijn verblijf in Almere, mee. Ik bezeer me. Vooral mijn linker elleboog en knie doen pijn. Het kunstwerk ‘Ancestor statue’ uit 2010 van Rodan Omoma is onbeschadigd. Gelukkig maar. Het heet wijf in een rood hemd en zwart rokje komt, zo goed en zo kwaad als het kan met teenslippers aan, aangestormd. “Mijnheer, mijnheer, alles in orde?” vraagt ze met een afgrijselijke, nasale stem.  “Zeker,” mompel ik terwijl ik met enige moeite recht kruip. De suppoost zet het beeldhouwwerk netjes terug op zijn plaats en controleert of er iets stuk of beschadigd is. Hoog en piepend merkt ze op: “U moet wel een beetje uitkijken, mijnheer. Dit is geen voelobject.” “Zeker, zeker,” meld ik haar en trek mijn wit Nike T-shirtje recht. “Mooi werk trouwens,” ga ik verder. “Jazeker. De kunstenaar heeft dat in Nederland gemaakt. Hij was hier voor een oogoperatie die ze in Papua Nieuw Guinea niet konden uitvoeren,” vertelt ze in een, irritant, hoog, sopraan stemmetje. “Ik zou beter ook een keertje langsgaan bij de oogarts, dan loop ik niet steeds overal tegenaan.” “Ik moet dit voorval wel melden aan mijn overste,” zegt ze terwijl ze, ter studie, een cirkelvormig beweging rond het beeld maakt. “Geen probleem. U doet maar. Tot kijk.” Mijn elleboog en pols doen echt pijn.  Gelukkig staat er in zaal zes een bankje waarop ik even ga zitten. Ik denk die erfgoedbewaakster op teenslippers heeft een stem als van een castraatzanger uit begin negentiende eeuw en het IQ van een Schotse korhoen en Multi-zintuiglijk is deze tentoonstelling zeker. Zaal zeven wandel ik snel en onoplettend door, want ik heb nood aan een sigaret en een koffie. Ondertussen doet ook mijn rechter enkel pijn.  In het museumcafé kijk ik naar een pronte, beetje vulgaire vrouw met een lichtgroen blousje en witte cowboybotten die druk zit te telefoneren. Ze frunnikt aan haar linker botinne. In haar rechterhand houdt ze een iPhone elf met gebarsten scherm aan haar rechteroor. Ze maakt veel onnozel kabaal. Ze doet me denken aan een Poolse prostituee. “Nou, bekijk het maar. Ik moet gaan werken,” roept ze tot slot in haar gsm. Ze loopt onelegant het terras van het museumcafé op. Ze heeft blond geverfd haar en is dom. Hoogstwaarschijnlijk is zij de uitbaatster van deze Horeca-gelegenheid. Ik weet niet welke geur ze verspreid, maar waarschijnlijk iets met vanille. Op de tafel in het café licht er een langwerpige flyer met als tekst: ‘Voelobjecten. Zie je een groen handje, dan kun je dit voelobject gerust aanraken. Daar is het speciaal voor gemaakt. De kunstwerken mogen niet aangeraakt worden.’ Mooi zo.   Ik verlaat het van Abbemuseum en ben van plan in de dichtstbijzijnde coffeeshop cannabis te kopen. Gelukkig is die niet ver. In de shop op de Stratumsedijk koop ik vijftien gram wiet. In de Albert Heyn vind ik een pakje van Nelle en blauw blaadjes. Op een caféterras bestel ik een gin-tonic en draai een jointje. De knappe serveerster in een kort rokje brengt me mijn cocktail en de rekening. Onderaan op het ticketje staat ‘Wat hebben we het toch goed! Bedankt en tot ziens.’ De zon schijnt flauwtjes. Een groepje Japanse toeristen komt langs. Allicht zijn die op weg naar hedendaagse kunst. Ik steek mijn jointje op en proef van de tabak en de nederwiet. Mijn bezoek aan Eindhoven zal vast en zeker multi-zintuiglijk worden. Ik moet eerst hoesten, maar dan proef ik de tabak en de gin. Een oude vrouw in een roze trainingspak met een beige poedel kijkt me lelijk aan. Ik heb zin om te roepen ‘gevaarlijke hond!’, maar zwijg. Ik kijk gewoon lelijk terug. Aan de overzijde van het terras draait er iemand een kroket uit de krokettenautomaat. Ik moet lachen, maar weet niet waarom. Ik bestel een tweede gin-tonic van negen euro en vraag de juffrouw of ik ook een tosti kan eten. Dat kan. Opnieuw lees ik op de bon ‘Wat hebben we het toch goed! Bedankt en tot ziens.’ Ik betaal met de Payconiq app. De mooie serveerster glimlacht. Het rollen van de tweede joint gaat al moeizamer. Het tafeltje en mijn schoot liggen vol tabak. Uit de boxen klinkt Jeff Buckley die ‘Hallelujah’ zingt. Ik drink de gin-tonic adfundum leeg. Een bleke politieagent met een fluo oranje vest fietst traag voorbij. Twee jongemannen waarvan één in een PSV shirtje nemen plaats drie tafeltjes rechts van me. Opnieuw moet ik hoesten. Ik ben ondertussen zo stoned als een Vlaamse papegaai en bestel een derde gin-tonic. Ik probeer de interessantste kunstwerken die ik in het museum gezien heb voor de geest te halen, maar dat lukt niet. Ik herinner me alleen de kleurrijke Dubuffet en de suppoost met het piepstemmetje en de teenslippers. Ik moet pipi doen. Ik sta recht en duizel. Ik voel me vrolijk. Ik waggel naar de entree van het café. Er hangt een gigantisch reclamebord met de letters ‘P’, ‘H’, ‘I’, ‘L’, ‘I’, ‘P’, ‘S’. In het toilet struikel ik zonder grote gevolgen. In het café zitten twee erg dikke heren te schaken. Ze hebben alle twee een gigantische bierpens. Als ik het terras opwandel lachen de twee jongemannen me breed toe. Ik weet dat het erg dom is, toch rol ik een derde jointje, maar het gaat niet meer zo vlot. De tabak en de groene cannabis liggen op mijn broek en het tafelblad. Gelukkig is Henk met z’n voetbalshirtje van enkele tafeltjes verder bereid me te helpen. Hij steekt de gerolde sigaret aan geeft ze me met de woorden “Enjoy!” Na wat normaal gehoest begin ik opnieuw te lachen. Een aanleiding is er niet. Ik ga volkomen gelukkig languit achterover hangen in mijn stoel. Ondertussen weet ik dat de serveerster Daphne heet. Op haar linkerdij heeft ze een tattoo van speelkaarten. Ik zie een Royal Flush. Ik vraag haar wat dat te betekenen heeft. “Dat is een lang verhaal dat ik nu niet ga vertellen.” “Geen probleem,” antwoord ik.   “Gij zijt een heet wijf!” roep ik als ik met Daphne haar studentenflatje binnenstrompel. Ik ben stoned, dronken en enthousiast. Ze duwt me op de IKEA bank en doet haar T-shirt uit. Ik zie een goedgevulde, rode BH die me doet denken aan Annie Lennox. Ze trapt haar high heels uit en begint te morrelen aan mijn broeksriem. “Ooh, ooh, rustig aan,” probeer ik. Ze zuigt aan mijn piemel. Ik sluit mijn ogen en zie sterretjes. Het verbaast me dat ik na zoveel alcohol nog een erectie heb. “Vind je het leuk?” vraagt ze met een lachje. “Ooh, ooh, …” antwoord ik. Twee minuten later ejaculeer ik. Het voelt alsof ik tegen het plafond spuit. Al mijn spieren ontspannen. Ik voel me warm en slap. Ik denk ik heb het nog nooit zo zacht weten doen. Amaai. Ze lacht. Ik zucht en probeer zelf ook te lachen. Ze doet nu ook haar rokje uit. Haar slipje is ook rood. Op haar venusheuvel heeft ze een tattoo van een schorpioen. Ik lig achterover op de bank met mijn jeansbroek op mijn enkels. Ze neemt elegant plaats op mijn stijve en begint zachtjes op en neer te wippen, haar handen op mijn schouders. Ik doe de BH uit opdat haar borsten wat losser zouden kunnen -jawel- op en neer wippen. Af en toe kreunen we. Ik moet naar adem happen. Na enkele minuten kom ik hevig trillend klaar. Elegant gaat ze naast me zitten. “Leuk?” vraagt ze glimlachend. Ik mompel wat en trek mijn Schiesser shortje en mijn broek op. “Nog een gin-tonic?” vraagt Daphne. “Jazeker, waarom niet?” “Oké” In haar lingerie stapt ze vrolijk naar het keukentje. Ik steek ondertussen een sigaretje op. Rond middernacht kruipen we in bed.  “Je haar ruikt lekker,” zeg ik. “Ja? Naar wat?” “Fruit.” “Fruit? Welk fruit?” “Eeuh, perzikken, appel en passievrucht. Is dat Schwarzkopf?” “Neen, onnozel jongetje, dat is L’Oréal. Weet jij eigenlijk hoeveel erogene zones een vrouw heeft?” “Neen” “Tweehonderddrieënvijftig” “Echt?” “Tweehonderdnegenenveertig meer dan de man” “Allez. Waarom heb jij een tattoo van een schorpioen op je venusheuvel?” “Een stommiteit.”   De volgende morgen ontwaak ik naast Daphne. Ze is nog steeds bloedmooi. Ik herinner me niet veel van gisteren, enkel dat het mooi geweest is. Het vervelende stemmetje van de suppoost in het van Abbemuseum herinner ik me wel. Kwartiertje later ontwaakt Daphne.  “Ik heb zin om te vrijen.” “Neen, nu niet.” “Waarom niet?” “Daarom. Slaap nog maar wat.”   … vijf minuten later   “Ben je zeker?” “Ja, ik ben moe en lui.” “Slaapwel.” “Slaapwel.”   … drie minuten later   “Straks dan?” “Wees nu alsjeblief stil. Slaapwel.”   … vier minuten later   “Ik heb eigenlijk wel zin.” “Potverdorie, Hubert, ga je nu eindelijk ophouden?”   … twee minuten later   “Ok, slaapwel.”   … zes minuten later   “Ik zie u graag Daphne.” ’s Namiddags vind ik een gedichtje in mijn dagboek dat ik een tijdje terug op een dag vrij-af heb geschreven. Ik ben ook begonnen aan een nieuw getiteld ‘Uw kut smells like Kartoffeln’, maar dat is nog niet af. Ik heb Daphne gepromoveerd tot muze. Ik lees het haar hardop voor.    verboden vruchten en groentes     Ik hou van je Ik zie u graag Je bent zo mooi Ik vin(d) je zo lief Ik hou van je Gelukkig zijn er nog die borsten als rijpe, Cavaillon meloenen   De onderkant, de zijkant, de boven - en de binnenkant geven mee Als je ze voorzichtig indrukt Er zit ook een ventieltje op   Mijn piemeltje is familie van de komkommer En klinkt hol als je erop zuigt  Of het wil oppompen    Ik luister nog wat Herbie Hancock En schrijf in een bijna uitgestorven taal Het is allemaal doodzonde Erotiek raakt ons aan de kern en Is niet altijd exotisch   “Nou Hubert, heel leuk. Echt heel leuk. Ik ben blij dat ik een rare, dronken, Belgische Kunstenaar heb meegenomen uit het café.” Ze zit breed te glimlachen en vindt het dus echt grappig. “Familie van de komkommer? Hoe kom je daar op?” “Ben je zeker dat Eindhoven niet exotisch is? Ik heb een keertje met enkele komkommers …” “Daphne bespaar me de details.” Nadien belanden we in bed.                        

Hubert Grimmelt
9 0

bommelding

Op een miezerige dinsdag in de herfst, rond tien uur, zit ik, Felix Dekeizer, aan de balie van het Nationaal Museum van de Speelkaart. Low C van Supergrass speelt zachtjes op de radio. Collega Eduardo bevindt zich in de keuken of het toilet. Er zijn nog geen bezoekers. Buiten is het redelijk fris. Vanochtend was het mistig. Plots rinkelt de telefoon.   ‘Goedemorgen. Nationaal Museum van de Speelkaart. U spreekt met Felix.’ ‘Ha, onnozele clown! Bonjour! Hoe is’t?’ zegt een man verward. Wat heb ik nu weer aan de hand? denk ik. ‘Goedemorgen. Hoe kan ik u helpen?’ ‘Gij kunt mij niet helpen! Onnozele! Imbécile!’ Ik luister aandachtig. Ik voel me niet beledigd. Eduardo arriveert aan de balie en heeft twee tassen koffie bij zich. Ik leg m’n balpen neer en gebaar met m’n gestrekte wijsvinger voor m’n lippen dat het stil moet blijven. M’n collega zet de radio meteen zachter, knikt en kijkt me veelbelovend aan.  ‘Ge zijt nen dikke imbécile, manneke! Hé, copain, luistert ge nog?’ lalt de beschonken man. Ik noteer het telefoonnummer dat ik op het kleine, lichtgroene schermpje van het telefoontoestel kan lezen: 02/740 74 69. ‘Ik luister.’ Op de achtergrond hoor ik geroezemoes. ‘Ik hem ik nen boem verstopt. ’t Is te hopen dat ge ze vindt, hé, copain.’ ‘Wat heeft u verstopt?’ vraag ik beleefd. ‘Een bom! Onnozele imbécile! Versta de gij geen Brussels? Ik zen niet van de slimste. Ik geef dat toe, maar vandaag is’t feest!’ Ik blijf aandachtig luisteren. ‘Ik drink van mijn rood wijntje, hé. Clown van het museum. Excusez, hé, ça va? Niet inhaken, hé.’ Ik draai me om en kijk naar m’n collega. Ik doe teken en schrijf in m’n logboekje in drukletters: ‘BOMALARM VALS’ gevolgd door een groot vraagteken. Eduardo leest dat. Hij kijkt ernstig en kribbelt met een andere balpen onder mijn woorden ‘wat nu’ gevolgd door een klein vraagteken. Ik kijk hem aan en haal m’n schouders op. Geen van ons beide is al erg ongerust. De Brusselaar vervolgt: ‘Hebt ge het begrepen? Nen boem, mateke. ’t Zal nen explosieve dag worden daar in Turnhout!’ Ik twijfel of ik de halvegare een vraag zou stellen, maar doe het toch. ‘En waarom legt u een bom?’ ‘Daarom!’ roept de man luid, impulsief en opgewonden. ‘En omdat jullie teveel pornografie tentoonstellen,’ vervolgt hij. ‘Ik heb het veurige week nog gezien. Da werk daar van die imbécile … allez … hij is van de Kempen en heeft niks met speelkaaarten te maken. Ik kan nu niet op z’n naam komen. Allez … (lange stilte) … Jef … Jef Geys! ça va? … (korte stilte) … luistert ge nog?’ ‘Jazeker, ik luister.’ ‘Pure porno is dat! Zelfs één van jullie introductiefilmpjes bevat een erotisch getinte scène. Schande! Nondedju! Schande!’ gaat het luider en luider. Ondertussen belt Eduardo, even verderop, naar de lokale politie. ‘Allez, imbécile, ik ga u laten. Nog nen explosieve dag, hé!’ en tot slot ‘ça va?’ ‘Prettige dag verder mijnheer,’ zeg ik vriendelijk en denk Het is overal iets.   Exact vierenveertig minuten later wordt er in Schaarbeek, in de Huart-Hamoirlaan 23, een tweeënvijftigjarige, zatte hoogleraar godgeleerdheid van de K.U.L gearresteerd op verdenking van pover acteerwerk. De tenlasteleggingen staan beschreven in de Strafwet en betreffen de openbare veiligheid en de openbare orde: vals bomalarm en bedreigingen. Wat is er mis met die mens?            

Hubert Grimmelt
15 0

Ludo van even verderop in de straat 

                   Ik word spontaan wakker en hoor Radio 1 op de wekker naast mijn bed. Die homo - ik kan nu niet op z’n naam komen - leest weer vol overgave het weerbericht. Daarna spelen ze een Frans chanson van Alain Souchon “… un sacré manque d’amour qui creuse …’ Ik zet de wekkerradio meteen af, kom uit bed en doe een Schiesser shortje aan. Een T-shirt hoeft nog niet. Op het toilet bedenk ik dat ik ervan overtuigd ben dat mijn probleem op te lossen valt. Dat dit leven me nog iets, misschien ervaringen, te bieden heeft. Daarna begin ik te fantaseren en ontgaan me de ware proporties weer. Ik doe een versleten trainingsbroek van Champion aan. Een T-shirt hoeft nog niet. Aan de keukentafel van mijn klein appartementje om acht uur achtentwintig neem ik mijn gsm en zet de vliegtuigmodus af. Daarna ga ik naar het keukentje en duw op het knopje van het koffiezetapparaat, dat ik de vorige avond heb klaargemaakt. Op m’n telefoon zie ik toevallig opnieuw sms verkeer met Oma van eergisteren.               Ze geven voetbal op TV                                                                                                 ik denk dat ik dat kom bekijken                                                                                               als dat kan               Ja tot 23 uur             Ik begin aan het eten?                                                                                                 ik kom om zes uur                                                                                               Merci                                                                                                                                                                                              Pascale is dood                                                                                               naar het schijnt                                                                                                                                        62                                                                                               nog vergeten               Wat een rust voor haar en             voor Guido                                                                                                 Ludo                                                                                               jazeker die kwam haar zetel                                                                                               niet uit                                                                                               haar hart begaf het   Vijf minuten later is de koffie doorgelopen en schenk ik een tas in. Ik steek mijn eerste sigaret van de vijftien die ik vandaag zal roken op. Een Pall Mall gekocht bij de Pakistani om de hoek. Men geeft soms, ter voorbereiding van de rookstop, de tip om een keertje een ander merk te roken. Je zou dan bewuster roken. Ik vind het vieze sigaretten in vergelijking met Marlboro red. Ik ga wel meer bewegen. Ik ben van plan zonder eerst iets te eten, zo dadelijk, een fietstochtje te maken.                                                                                                               Op de terugweg van het korte fietstochtje naar mijn appartementje zwaai ik naar Ludo die met z’n hondje in de Kongostraat wandelt. Hij ziet me, maar roept veel te laat mijn naam alsof hij heeft moeten nadenken. Hij roept ‘Felix’ wel erg luid. Ik rij de garage binnen die naar naft ruikt. Ik neem de kleine lift die me nog steeds doet denken aan een appartementje dat we een keer huurde aan zee, in de Panne. Door het raam op de vijfde verdieping zie ik Ludo en z’n crèmekleurige poedeltje aan de overkant van de straat op de stoep staan. Hij kijkt naar de inkomhal van het flatgebouw waar ik woon. Hij lijkt in gedachten verzonken. Ik doe snel een te klein t-shirt van Wortel Kermis aan, want het onderlijfje dat ik nu aan heb stinkt naar zweet door al dat stom gefiets. Ik wou net het zesde sigaretje roken als er wordt aangebeld. Ik neem de hoorn van de parlofoon en roep: ‘Ik kom naar beneden.’  Ik twijfel er niet aan dat het Ludo is die overwogen had of hij bij mij zou aanbellen. Ik weet al twee dagen dat z’n vrouw is doodgegaan.                           ‘Dag …,’ Ludo denkt na, ‘dag … Fe … Felix.’ Mijn naam beklemtoont hij. Hij haalt diep adem en verheft z’n kin een beetje. ‘Heb jij graag een footo van … van … Pas … Pascale?’ zegt hij aarzelend op z’n gebruikelijke toon. ‘Dag Ludo,’ zeg ik. Het verbaast me dat het hondje niet blaft. Bij hen thuis blaft het altijd en springt het tegen je op. ‘Hoe gaat het? Een foto van Pascale?’ Ludo kijkt even de straat in de richting van frituur ‘Antoinetta’s’ op de hoek. Hij heeft een soort van lichtblauwe espadrilles aan met witte tennissokken, de voetpunten staan redelijk naar buiten. Het hondje draait zenuwachtig rondjes en kijkt naar het zeldzame verkeer. Hij neemt adem en wil iets zeggen maar momenteel lukt het niet.  ‘Alles goed met Pascale?’  Hij kijkt weer weg, draait z’n hoofd, kijkt me even aan en zegt: ‘Pas… Pascale is—‘  ‘Is Pascale gestorven?’  ‘Ja,’ antwoordt hij knikkend, kort en luid.  ‘Allez, dat wist ik niet. Al lang?’  Ludo kijkt op z’n uurwerk en moet daarvoor even de lus van het hondje in z’n andere hand nemen. ‘Morgen is het … vandaag zijn we…’ Hij denkt weer even na met dezelfde merkwaardige bewegingen als daarnet. Eerst even de Diksmuidestraat inkijken, z’n hoofd draaien, me aankijken, z’n kin verheffen, adem happen, nadenken. ‘Met Pasen,’ zegt hij en hij verbetert zich meteen, ‘neen, neen Goede … Goede Vrijdag.’ Korte stilte. ‘Het is nu negen dagen geleden.’  ‘Allez.’  Ik zie dat er uit mijn brievenbus een reclamefolder steekt en trek die eruit zodat ik kan zwaaien naar de vriendelijke Franstalige neger van het appartementsgebouw aan de overkant. Ik roep voor de zekerheid nog: ‘Bonsoir!’ De lange man lacht en zwaait terug. Ludo blijft me de ganse tijd aankijken. ‘Dat wist ik niet. Was ze ziek?’  ‘Ze was na … na het televisiekijken naar boven gegaan.’ Ludo stopt even, zegt ongeveer twintig secondes niets en blijft me aankijken. ‘Ik hoorde nen boenk. Ik dacht wat is dat?’ vertelt hij traag. ‘Ik ga naar buiten omda …omdat ik dacht dat het buiten was.’ Er volgt een korte stilte. ‘Haar longen waren nog goed,’ voegt hij nog toe.  ‘Ik wil wel een foto. Daar doe je me een groot plezier mee. Ik ga Pascale onthouden. Ja, steek gerust een foto van haar in mijn bus. En met u? Ca va?’. Ludo kijkt opnieuw even weg.  ‘De fotoo’s moeten nog …nog —’  ‘Geprint worden?’ onderbreek ik hem. ‘Heb je geen doodsbeeldjes?’  ‘Die vriend van haar uit … uit.’ Hij steekt z’n arm uit in de richting van de kerk schuin links achter hem alsof hij wil wijzen waar. De lus bengelt naar beneden en het poedeltje kijkt heel even op. ‘in … in… Gierle.’ ‘Gierle.’ herhaalt hij nog een keer nadrukkelijk.  ‘Allez. Is ze al begraven?’  ‘Ja, die uit …’ Dit keer wijst hij met z’n rechterarm de straat in. ‘Van den Bogaert. Ze wilden eerst die uit de … … Slagmolenstraat.’ Hij laat z’n arm weer zakken.  ‘Aah, Van den Bogaert is een hele goeie. Dat is de beste begrafenisondernemer van de streek. Van Genechten uit de Slagmolenstraat? Dat mag je niet doen. Van den Bogaert is de beste.’ Ik voel in de zakken van mijn jogging of ik mijn sigaretten bij me heb. Ondertussen heb ik echt zin in dat zesde sigaretje. Teleurgesteld en afwezig vraag ik: ‘En hoe is het met u?’ Hij kijkt even naar het hondje waar ik de naam niet van ken. Hij kijkt me dan terug aan, geeft de indruk iets te willen zeggen maar zwijgt. Ik zelf heb ook niet meteen briljante ideeën, dus ik zwijg ook maar en denk aan die sigaret. Na een poosje zeg ik: ‘Die foto is niet dringend, hé Ludo. Doe maar op uw gemak. En als er iets is dat ik kan doen…’ Hij lijkt even te glimlachen, maar ik ben niet zeker. Achter mij komt de Roemeense buurman van het eerste met z’n zoontje de trap af. Ik ga even naast Ludo op de stoep staan om ze door te laten. Beide knikken beleefd zonder iets te zeggen, maar ik denk dat het kind naar mijn kruis en bierpens keek. Ik had misschien beter iets comfortabels aangedaan dan dit te kleine T-shirt. ’Hé, als er iets is …’  ‘Ja.’  ‘Allez, hou u goed hé en als er iets is …’  Ludo kijkt me nog even dwaas en aandachtig tegelijk aan, zegt ‘Kom’ kijkend naar z’n hondje en draait zich om en stapt waggelend weg. Ik draai me ook om en sluit de voordeur, blij dat ik zo dadelijk een sigaret kan roken.                           Volgens mij woog Pascale honderddrieënzestig kilogram. Haar hart begaf het. De volgende dag kijk ik in mijn brievenbus omdat ik denk dat er een foto gaat inzitten, maar ik vind alleen een kaartje van een vastgoedmakelaar met daarop in rode letters: ‘BELANGRIJK! Dit kaartje is geld waard!’ Electriciteitsattesten interesseren mij niet. Een week later steek ik bij Ludo verderop in de straat een postkaart met een reproductie van David Teniers de jonge in de bus om hem succes te wensen. Er staan kaartspelers in een herberg op afgebeeld. Het origineel is achtenvijftig centimeter breed en tweeëndertig centimeter hoog. Het is vermoedelijk geschilderd in 1642. In deze voorstelling van een geluksspel is Teniers erin geslaagd om een ogenblik van stilte, concentratie en spanning tastbaar te maken. Toch zijn de kaarters volgens mij dronken.  Dit kaartje heb ik in het Speelkaartmuseum meegepikt, want ze hebben daar nog veel exemplaren van. Niemand koopt die onzin. De wiggelende Ludo en z’n zenuwachtig poedeltje heb ik al een aantal dagen niet meer gezien.    

Hubert Grimmelt
28 0

De Krant lezen en bellen tijdens de werkuren.

Mijn zesenzeventigjarige moeder belt me op zaterdag ochtend met de mededeling dat, voor de derde maal dit jaar, er een onvolledige krant in haar brievenbus zat. Vervelend. Ik moet dit weekend werken, dus ik vloek en vervloek de zogenaamde kwaliteitskrant en hun onnozele service. De wereld binnen handbereik? Vergeet het maar! Ik geef mijn moeder de goede raad naar de klantendienst te bellen en dit voorval te melden. “Maak u maar druk, maar blijf beleefd.” Plots besef ik dat ik dus geen Krant zal hebben om te lezen in het Stadsmuseum. Ik heb de gewoonte tijdens de werkuren -uiteraard- die dwaze gazet, of een deel ervan, te lezen. “Ik zal ook wel een boos mailtje sturen,” beloof ik haar.             ’s Namiddags zit ik in het museum. Er dagen geen bezoekers op. Dik tegen mijn zin -ik heb de voorkeur voor de papieren versie- lees ik op mijn Macbook pro de idiote recensies van mijnheer Depets. Het is zeer vermakelijk om zoveel onzin in één artikel te ontdekken. Om me toch nuttig bezig te houden, schrijf ik het beloofde mailtje. Mijn licht ontvlambare fantasie zorgt ervoor dat ik me geleidelijk opwind.  In. Uit. Rustig blijven Felix! Calm down. In. Uit. Voor de lol doe ik een kort maar krachtig Headspace meditatie oefeningetje. Daarna typ ik op mijn laptop de volgende e-mail:                           Geachte mevrouw, mijnheer,                         Beste Klantendienst,                  Dit weekend is het weer zover. Mijn achtenzeventigjarige moeder kreeg slechts een onvolledige krant bezorgd! (het weekblad, het magazine en alle andere bijlagen ontbreken!) Vervelend! Het is de vijfde keer dit jaar! Jullie ontvangen de euro’s en steken de schuld op een ander, de bezorger of Bpost. Dat is gemakkelijk én kinderachtig! Is hier niet een eenvoudig handelsprincipe van kracht? Ik bedoel het volgende: We spreken af welke goederen U zult leveren en wat dat mag kosten. U levert slecht een deel van de afgesproken goederen! Ik ondervind schade. Wat is de schadeloosstelling? Mijn moeder (al vijftig jaar klant!) en ik zijn dus de pineut. Graag Uw advies.                                                  Hartelijke groeten                                                  Felix Dekeizer   p.s. 1. Wij zijn allang geen Katholieke mensen meer en geloven ook niet in Toeval. p.s. 2. Het abonnement staat op naam van Tineke van Heul. Het adres is Ernest Claeslei 47 bus 2 in 9160 Lokeren.                 Een week later zit ik opnieuw in het Stadsmuseum en speel wat met m’n Huawei P20, want ook vandaag geen bezoekers. Ik stel vast dat de klantendienst van de Krant een voicemail heeft ingesproken met het verzoek terug te bellen. Ik weet niet waarom, maar eensklaps moet ik aan het sympathieke bevel ‘Hou u in stilte en zinvol bezig!’ uit de middelbare school denken. Ik bel dus tijdens de werkuren naar de klantendienst op het nummer 02/790 21 10.               “ Welkom bij De Krant. Heeft U een vraag over de digitale krant: druk 1. Om uw vakantieaanvraag door te geven: druk 2. Om uw abonnement op te zeggen: druk 3.” Onthoud dat Felix, optie drie!  “Heeft U andere vragen: druk 4. Om onze dienstverlening te verbeteren,” Welke dienstverlening? “wordt dit gesprek opgenomen.”  … tuut … tuut  … Onze medewerkers zijn allemaal in gesprek … Plots speelt er muziek. “I can see it in your eyes … and you know just what to do … Potverdikke, wie zingt dat ook alweer? Leuk nummer.  Out of the blue hoor ik een vrouwenstem.   “Goedemiddag, klantendienst van De Krant. U spreekt met Nathalie de Clercq” (gehaast én op automatische piloot) “Goedemiddag. U spreekt met Felix Dekeizer. Jullie spelen leuke nummers. Lionel Richie. Mooi zo!  Tof! De klantendienst van De Krant heeft me daarstraks gebeld.” (enthousiast) “Op welk nummer?” (nog steeds gehaast) “Dit.” (duidelijk) “Even kijken.” Het blijft een poosje stil en ik hoor getokkel op een toetsenbord. Na nog een poosje vervolgt Nathalie met “Waarom heeft men u gecontacteerd?” (vertwijfeld)  “Ik zal het even uitleggen Nathalie. Mijn negenenzeventigjarige moeder ontvangt regelmatig een onvolledige krant.” (vriendelijk) “Dus het abonnement staat op naam van uw moeder?” (verbaasd en geïrriteerd)   “Ja.” (kort en krachtig) “Even kijken.” Het blijft een poosje stil en ik hoor getokkel op een toetsenbord. “En wat is het adres?” (zenuwachtig) “Ernest Claeslei 47 bus 2 in 9160 Lokeren.” (helder) “We gaan is gaan kijken. Ja! Ik zie het hier. We gaan is gaan overlopen.” (opgelucht, gehaast en in slecht Nederlands) “Zeker.” (kordaat) “Op maandag dertien september heeft u een e-mail gestuurd naar de klantendienst.” (ongeïnteresseerd) “Neen Nathalie, op zaterdag elf september heb ik een e-mail gestuurd.” (corrigerend)   Maar jullie werken in het weekend niet, Ik wel. denk ik bij mezelf.  “Uw moeder heeft dat weekend een onvolledige krant ontvangen.” (verveeld) “Inderdaad.” (hulpvaardig) “U moet ons daarvan telkens op de hoogte brengen.” (zelfingenomen)   “Ik moet niks Nathalie.” (vriendelijk en kordaat) “Ik ga even de vakantieregeling nakijken.” (onverschillig) “Wat heeft die er mee te maken?” (geïnteresseerd) “In de periode van zesentwintig juni tot vier september was er geen bijlage.” (betweterig en onverstoorbaar)   “Weet ik. Het gaat over het weekend van elf en twaalf september.” (informatief en vriendelijk) “We zullen de bedeling opvolgen. Als u ons op de hoogte brengt dat de krant onvolledig is, zal De Krant contact nemen met de bedeler. Kent u ons gratis nummer?” (op automatische piloot) “Gratis? Dat hoor ik graag Nathalie. Mijn moeder ontvangt liever een volledige krant.” (laconiek) “0800/500 91” (onvriendelijk) “0800/500 91” (minzaam) “We verlengen het abonnement met één week indien u ons meldt dat de krant onvolledig was.” (als een kleuterjuffrouw)   “Mooi zo!” (super vriendelijk én dankbaar) “Heeft u nog vragen?” (routineus) “Ja.” (nadenkend) Er valt een korte stilte. “Zeg maar mijnheer.” (ongeduldig) “Mijn moeder vindt het vervelend dat ze al weken op voorhand e-mails aankrijgt met de vraag haar abonnement te vernieuwen.” (informatief) “Ik snap het.” (dom) “Dat doet zelfs Telenet niet.” (onverstoorbaar) “Dat is marketing.” (nog dommer) “Ik snap het. Irritante marketing, Nathalie. Dat werkt op haar gemoed.” (nog steeds informatief)   “We kunnen haar e-mail verwijderen uit de mailinglist. Laat het ons gewoon weten.” (professioneel) “Maar dan betaalt ze misschien te laat en is er helemaal niks. Helemaal geen krant.” (bezorgd) “Ik snap het.” (onbekommerd) Terwijl ik zit te bellen arriveert de locatieverantwoordelijke van het Stadsmuseum. Kortom, mijn leidinggevende voor vandaag. Hij kijkt een beetje sip, maar knikt vriendelijk. Ik knik terug. “Laat het ons gewoon weten als we haar e-mailadres moeten verwijderen.” (herhalend) “Zeker en vast.” (doortastend) “Heeft u nog verdere vragen?” (chagrijnig) “Neen, maar mag ik u een korte anekdote vertellen?” (verwachtingsvol) “Tuurlijk mijnheer.” (schijnheilig) “Zoals reeds gemeld zijn wij al meer dan vijftig jaar klant. Het eerste wat mijn vader ’s ochtends deed, na het inschenken van een tripel in une boule, was de krant lezen. Hij had dan altijd een kort potloodje en een dikke sigaar bij de hand. Hij verbeterde de taalfouten en maakte aantekeningen in de marge. Sommige delen van de tekst werden onderstreept, andere delen werden omcirkeld. Mocht ik als eerste de krant lezen? Neen, dat was het voorrecht van mijn vader. Hij is zes jaar geleden overleden aan de gevolgen van keelkanker. Zat er geen krant in de brievenbus, dan was het kot te klein, om het zachtjes uit te drukken.” (ontroerd) Lange stilte. “Ik snap het” (idioot) “Dat wilde ik u nog graag even meegeven Nathalie.” (even kinderachtig als Nathalie zelf) “Nog vragen?” (brutaal)  “Ja. Ik heb onlangs reclame gezien in de krant voor een cruise naar de Baltische Staten, Rusland en Scandinavië. Die boottocht was best pittig van prijs. Vanaf  tweeduizenddriehonderdnegenennegentig. Er stond ook bij ‘inclusief ‘Easy’ drankenpakket.’ Wat heeft dat te betekenen? of beter;  Wat moet ik me daar bij voorstellen? ‘Easy’?” (nieuwsgierig) Het blijft een poosje stil en ik hoor geen getokkel op een toetsenbord. “Euhm … euhm … met de publiciteit hebben wij niks te maken. Ik wens u …” (vertwijfeld) Ik onderbreek Nathalie. “Nog één ding Nathalie. Het allerlaatste. Echt. De wereld binnen handbereik? Vergeet het maar! Tot kijk Nathalie. Merci. Hartelijk dank.” (voor het eerst onvriendelijk) “Nog een fijne …” (de wanhoop nabij)   Beste lezer, Tot slot nog enkele krantenkoppen van de afgelopen dagen:   -     ‘Edelhert Hubertus wordt geserveerd in restaurant Hoge Veluwe.’ -     ‘Rwanda mag WK wielrennen in 2025 organiseren.’ -     ‘Johnson tijdens VN-speech: ‘Kermit de kikker was fout, het is wél makkelijk groen te zijn.’ -     ‘Antwerp-trainer Brian Priske verschijnt halfnaakt op de persconferentie na kwalificatie.’ -     ‘Abonnee zoo krijgt contactverbod met chimpansee.’ -     ‘Verbod op pet, hoofddoek of keppeltje in rechtbank verdwijnt.’ -     ‘Minder broeikasgas? Leer koeien naar het toilet gaan.’ -     ‘Twee wijnkastelen uit Saint-Emilion hoeven hun Grand Cru-classificatie niet meer.’   Wie wordt daar nu wijzer van?   Geef uw mening en maak kans op een e-bike!

Hubert Grimmelt
27 0