Hubert Grimmelt

Gebruikersnaam Hubert Grimmelt

Teksten

6 X Godverdoemme

6 X Godverdoemme Toen Patje vertrok op de Zündapp die nog van Moe was geweest, regende het nog niet. Er hing geen wolkje aan de lucht. Het was volkomen helder en de zon scheen lichtjes, maar bij het binnenrijden van Sint-Lenaarts werd hij totaal verrast door een gigantisch onweer. Daar had hij niet op gerekend. ‘Godverdoemme,’ vloekte hij, ‘wat een kutweer. Als ik dat had geweten.’ Hij ging, zoals zo vaak op donderdag, op de markt twee kiekenbillen kopen en misschien een blokske kaas. De eerste kiekenbil zou hij ’s middags, met een boterham, opeten. De tweede ’s avonds, koud met wat mayonaise erbij. Op de terugweg haalde de brommer makkelijk zevenenzestig kilometer per uur, want hij had wind in de rug en het waaide wel stevig. Bovendien was de brommer van Moe opgevoerd. Toen hij zeiknat thuiskwam, haalde hij zijn kiekenbillen uit zijn tas. Hij trok zijn natte kleren uit, plofte in zijn onderbroek in de eikenhouten fauteuil en schakelde de TV en video in om een pornofilm te bekijken. Na welgeteld drie minuten, tijdens een oninteressante scène, liep de film met een groot gekraak vast. De VHS band zat gekneld. Er was in alle geval iets mis. Zenuwachtig duwde Patje op alle knopjes. Vooruit, achteruit, … nog een keertje proberen: vooruit, achteruit, … Niks hielp. Hij deed een poging hem eruit te halen- eject- maar ook die mislukte. Tot slot gaf hij op het oude, versleten toestel een geweldige klap, maar de film bleef geblokkeerd zitten. ‘Godverdoemme,’ vloekte hij, ‘ik maak er korte metten mee.’ Patje, gekleed in zijn onderbroek en sloefen, flikkerde uiteindelijk zijn videorecorder- inclusief de vastgelopen Duitse pornofilm- in de grijze container. Gelukkig kieperde hij er een gewone vuilzak bovenop om te verdoezelen dat er elektrisch materiaal in zat dat je afzonderlijk zou moeten aanbieden op het containerpark. Hij nam zich voor minder vaak te masturberen en als hij dan zin had, zou hij het doen op fantasie en onvergetelijke dierbare herinneringen aan enkele levendige plaatjes uit pornoblaadjes. Op dit moment was zijn libido trouwens door zijn kledij, de koude buitentemperatuur en de ergerlijke technische mankementen aanzienlijk verschrompeld. Door de zoveelste wolkbreuk en de slechte staat van het dak van de achterbouw sijpelde er water bovenop de tafel. Hij zette een kookpot onder het enerverende lek, schoot snel een jeans en een versleten hemd aan, en ging naar de voorkamer. Daar heeft hij zijn modelbouwatelier. Gisteren was hij begonnen aan de Junkers Ju 87B- Stukka op schaal één tweeënzeventigste. Hij bekeek het plannetje nog eens zeer aandachtig. Patje had veel ervaring en was vaak bezig in de herfst en de winter met modelbouw, maar tot zijn grote ongeloof ontbrak er een stukje in de modelbouwdoos. ‘Godverdoemme,’ vloekte hij, ‘hoe kan dat nu in godsnaam.’ Nog enigszins hoopvol en zonder te bidden voor de heilige Antonius zocht hij heel de kamer af. Prompt gaf hij het op, bakte wat spek, at er een boterham bij en dronk lusteloos wat lauwe koffie. Hij keek nog wat zappend TV maar zoals zo vaak boeide bitter weinig hem. Plots dacht hij aan een deel van zijn collectie singletjes die hij nog van zolder moest halen. Op zijn dooie gemakje slenterde hij de trap op. Hij opende het luik naar de zolder, de uittrekbare ladder kwam met een kort gekletter tevoorschijn - normaal gesproken kon die zijn gewicht dragen- en kroop er tegenop. Met zijn buik als twee zakken cement kwam hij vast te zitten in de opening. Hij probeerde zich los te wringen richting zoldering, maar dat liep fout. Daarna slaagde hij erin los te komen en nog net zijn evenwicht te bewaren op de dunne zoldertrap. Het kostte hem vijfendertig minuten. ‘Godverdoemme,’ vloekte hij, ‘het zit niet mee vandaag.’ Rond twintig over acht lag hij al lekker warm in zijn stinkende bed met twee dekens. Die nacht had Patje een fabuleuze droom. Hij had een ernstig en zeldzaam gesprek met zijn engelbewaarder. Nog merkwaardiger was dat hij het zich ’s ochtends compleet kon herinneren.   Engelbewaarder: ‘Waarom drink jij toch zo veel?’ Patje: ‘Geen idee. Het is plezant zo.’ Engelbewaarder: ‘Dat loopt nog eens fout af. Ik heb mijn handen wel vol.’ Patje: ‘Tja, het zij zo.’ Engelbewaarder: ‘Wil je niet oud worden?’ Patje: ‘Neen, niet per sé of kost wat kost.’ Engelbewaarder: ‘Denk je niet dat je soms wat overdrijft?’ Patje: ‘Ik weet niet beter. Ik vind het wel leuk zo.’ Engelbewaarder: ‘Vaak heb ik je kunnen helpen.’ Patje: ‘Weet ik. Merci.’ Engelbewaarder: ‘Ik had beter moeten weten.’ Patje: ‘Maakt niet uit.   Na zijn ontbijt, bestaande uit drie koppen koffie, vier Bastos en twee boterhammen met paardenvlees-niet uit de Lidl maar van de beenhouwer in het dorp- ging hij “zuiver op karakter” naar zijn werk als slordig boekbinder in de beschutte werkplaats. Buiten was het ijskoud. ‘Godverdoemme,’ vloekte hij, ‘ik was beter met de bus gegaan.’ Na die vermoeiende vrijdag was de vervelende werkweek voorbij. Patje kwam verkleumd aan in zijn huis in een rustige, doodlopende straat net buiten de bebouwde kom. Het was ondertussen zachtjes beginnen sneeuwen. Hij trok een proper hemd aan en dronk alvast vijf pintjes aan de keukentafel dicht bij de gaskachel. Hij had vorige week in het café bij Chantal een koper gevonden voor zijn verzameling pornofilms. Het was bijtend koud en er woei een snijdende noordenwind. Hij zette de blauwwitte bananendoos vol met video’s op de achterste slijklap en bond ze vast met een caoutchouc snelbinder. Het was een opvallende collectie. Het brommerke pruttelde even en startte dan met hevig gebrom en gekwetter. Patje vertrok. In het dorpscentrum ter hoogte van de Voorzorg, glinsterde een akelige ijsplek. Hij slipte spectaculair op deze venijnige ijzel en ging met zijn kloten tegen de grond. Hij greep meteen naar zijn gekneusde heup. ‘Godverdoemme,’ vloekte hij, ‘ik wist dat er vodden van gingen komen.’ Door de val scheurde de doos en schoven zijn video’s dwars over de weg tot juist voor café ‘den Boemel’. Chantal, de bazin, en boer Mertens, haar enige klant, schoten wakker en dachten alle twee: ‘Wat is dat allemaal?’ Het vroor en het kraakte. ‘Kom jij mij zo je collectie overhandigen,’ zei boer Mertens lachend ‘Da’s sympathiek.’ ‘Doe niet onnozel,’ reageerde Patje kwaad. Hij trok pijnlijke grimassen en wreef over zijn gekwetste linkerflank, zo ongeveer van de knie tot in zijn zij. Het Flandriake was ongeschonden. Chantal, boer Mertens en Patje verzamelde de VHS banden en staken ze terug in de gehavende doos. ‘Wat moet gij drinken?’ vroeg de cafébazin professioneel. ‘Doe mij maar een trappist van Westmalle,’ antwoordde Patje, ‘dan kan ik een beetje bekomen.’ Hoe hij die avond thuis was geraakt, herinnerde hij zich niet meer. Zijn bromfiets stond nog voor het café. Het vroor nog steeds.   Maandag drie februari gaf Patje zijn Sanseveria’s water. Dat was negen weken geleden. Tegelijk tuurde hij wat door het raam en zag een politiecombi traag voorbijrijden en stoppen voor het huis van Sjarel. Eigenaardig genoeg stapten er geen twee geüniformeerde politieagenten uit, maar een bloedmooie, jonge vrouw en één lange politieagent. Was die vrouw ook een politieagente? En wat kwamen ze hier doen?                                                                                                                                       

Hubert Grimmelt
0 0

ZMMMH

            Toen ik aankwam in het afgelegen bos aan de andere kant van de wereld, regende het pijpenstelen. Toch kon je de maan en de sterren zien. Het kasteel van mijn tante bleek een roze, versleten caravan. Er stond een blauwe strandstoel voor. Daar ging ik inzitten om te bekomen. Er schreed een pretentieuze struisvogel voorbij. Ik nam het boek ‘De Naakte Waarheid’ van Jozefien dat ik meegenomen had in mijn bagage, ter hand en begon zonder taboes wat te lezen. Het vrouwenlichaam interesseert me wel. Er huppelde een tweede struisvogel voorbij. Deze laatste leek wel muzikaal getalenteerd. Hij waggelde niet zomaar voorbij zoals men dat in Australië doet. Neen, ter hoogte van mij en de strandstoel draaide hij een perfecte pirouette gevolgd door een grande-écart. “Is een homofiele, mentaal gestoorde struisvogel gevaarlijk?” vroeg ik me af.               Eergisteren was ik bij meester Luguber. Hij houdt kantoor in de Schipperskapelstraat 48 bus 2. Meester Luguber is een vervelende man en een invalide. In zijn kantoor hingen er belachelijk slechte reproducties van Mark Rothko. Hij begroette me amper. Een kort knikje en met de rechter arm, de enige arm die hij heeft, wees hij me erop dat ik mocht gaan zitten. Ik had geen flauw benul wat ik hier deed en wachtte mindful tot het gesprek zou beginnen. “Uw tante laat u haar fortuin na,” zei hij droogjes. “Welke tante?” vroeg ik met verstomming geslagen. “De ongetrouwde zus van uw moeder. Je moet contact nemen met notaris LiftSCWingliNGe in KRajaKovskiKRFTSTdstok,” antwoordde hij.               In het kantoor van meneer de notaris vloog een merkwaardig beestje, een insect. Het is moeilijk te omschrijven, maar ik doe een poging. Het hield het midden tussen een gigantische libel en een Amerikaanse bumblebee – neen, niet het Transformer hoofdpersonage uit die saaie film – maar een mottige bij. Het had een dik opgeblazen, donker geel lijfje, vier flinterdunne vleugels, drie korte pootjes en een tamelijk lang snuitje. De oogjes zaten links en rechts van dit snuitje. Het bijzondere insect zoemde: ‘Zoemmh, Zoemh, Zoemh, Zmmmh, Zoemmh, Zmmh…’ Meneer de notaris overhandigde me een envelop en een steen. Ik vroeg hem of het zoemende insect een naam had. De man antwoordde luid: ‘ZOEM’ en iets dat klonk als ‘Leve de fanfare!’ Hij stelde nog voor -als ik het goed heb begrepen- om kalfslapjes met schorseneren en stoemp te blijven eten, maar dat aanbod sloeg ik af.               In de envelop zat een cheque van 173 miljoen. Wat ik met de steen moest aanvangen wist ik niet , dus die flikkerde ik weg. “Mijn tante heeft goed geboerd”, dacht ik. Ik stonk uit mijn bek. Er wiebelde weer een struisvogel voorbij. Dit exemplaar had een trombone bij zich. Hij ging op zijn gat zitten en met zijn twee poten gaf hij een Jazz nummerke ten beste. Tof. Op de achtergrond reed meneer de notaris, luid een aangepaste versie van The Mad Gardener’s Song van Lewis Caroll zingend -het leek wel IJslands en Hebreeuws door elkaar- zijn tractor te pletter tegen een boom. Het kon hem niet veel schelen. Hij bleef rustig doorzingen. Als ik het vertaal -ja,ja, ik kan dat- klonk het ongeveer zo:   Ik dacht dat ik twee flessen wijn zag Die met elkaar stonden te praten. Ik keek opnieuw en vond dat het Een triestig kerkhof was. “Het lijkt hier wel een camping,” dacht ik. “Met al die dwaze Hollanders.”   Ik dacht dat ik Franz Kafka zag Die wat zat te schrijven. Ik keek opnieuw en vond dat het Een chocolade koekje was. “Als ik dit opeet,” zei ik “Wordt dat mijn laatste beet.”   Ik dacht dwaze gedichten te zien Die je zelf kan verzinnen. Ik keek opnieuw en vond dat het een giraffe was. “Met zo’n lange nek,” zei ik “Zie je alles over het hoofd.”               Toch even een dienstmededeling : Wel, beste lezer dit alles is geen sciencefiction of fantasy. Het zijn gewoon mooie voorbeelden van de avonturen van Hubert Grimmelt. Hij wist nog steeds niet wat te doen met de miljoenen. Misschien had hij, gezien de omstandigheden, de steen ook beter bijgehouden. Hubert zei tot slot: “Ik ga de uitdaging aan.”                        

Hubert Grimmelt
5 0

Op de Sparta naar Loenhout

             Toen Lex, honderdvijfentwintig kilogram, toekwam bij zijn vriend Patje werd er ten huize Baelus druk gediscussieerd over welke brommer hij mee mocht nemen. ‘De kwetter’ van Moe was een optie. Dit Flandriake haalde makkelijk 65 kilometer per uur. Moe had maar één long dus fietsen ging niet meer. Na veel gezever viel de beslissing: Patje en Lex mochten de Sparta meenemen. Die had drie handvitesses en het was een okkazzieke. Patje had hem gekocht van de zoon van boer Mertens. ‘Die pak ik wel over en lap ik wel op,’ had hij gezegd. Een grote hindernis op weg naar café ‘den Boemel’ was de brug over de snelweg. Lex moest altijd afstappen als ze de brug wilden oprijden want het brommerke ‘trok dat niet’. Bovenop de brug nam Lex terug plaats.             In het café werd er veel gedronken, goed gelachen en er werden straffe verhalen verteld. Plots flitste er een rat vliegensvlug langs achter de frituur van dikke Guy buiten recht het café binnen. Chantal, de cafébazin, begon afgrijselijk te gillen en liet van ontsteltenis een glas vallen. Patje en Lex konden er wel om lachen. De rat verdween, via de toiletten, maar kwam via het keukentje achter den toog weer tevoorschijn en repte zich hals over kop via de voordeur van het café richting pita-bar Abu Simbel twee deuren verder. Ook daar veel geroep en getier. Chantal was wel opgelucht na al die commotie en reageerde: ’Da’s goed voor ene keer. Tegen dikke Guy zal ik mijn gedacht wel ne keer zeggen.’ De Laenen ging van opwinding en zattigheid naast zijn kruk zitten. ‘Ik ga straks toch nog een frietje steken.’ zei Lex. Patje kon de racistische praat niet laten: ‘Die rat zal wel content zijn daar bij Abu Simbel. Die komt niet van bij dikke Guy. Die zit bij Selda uit Irak.’ Chantal mopperde: ‘Patje, ander onderwerp want ik heb geen zin in uw gezaag.’ Gelukkig zat Dennis ook aan de toog en die wist te vertellen dat hij een nieuwe caravan had gekocht. ‘Ik heb er wel veel problemen mee gehad. Als ik het kraantje in het keukentje openzette, begon het toilet te lopen en andersom. Er zat een darmpke verkeerd.’ Hij schuifelde wat op zijn kruk en dronk nog wat van zijn trappist. ‘Iets later stond de schuif met bestek onder de poembak vol water. Er zat een ander darmpke verkeerd. Vloeken jongen, vloeken heb ik gedaan.’ Chantal die wat glazen afdroogde, vroeg: ‘En ben je er al mee weg geweest?’ ‘Zeker!’ zei Dennis. ‘Naar Hühnerscheid. Da’s niet ver van Bastogne. Slecht weer gehad. Ons Kelly was vergeten greppeltjes te graven. Ook wat gezever gehad met het gasvuur. Ineens een steekvlam van wel drie meter. Bijna heel de voortent weg. Da’s nylon, hé. Veel geluk gehad. Er zat een darmpke geplooid.’ Lex en Patje begonnen te lachen. Dennis ging onverstoorbaar verder: ‘Met den deze moet ik wel naar de keuring, want die weegt meer dan zeven honderd kilogram. Hij is wel veel beter dan dat Rapido plooicaravanneke dat ik heb gehad.’ Ondertussen was het half één ’s nachts en de twee vrienden zeiden: ‘Nog ene Chantal. Dan is het weer mooi geweest.’             Rond 01.45 stapten Patje en Lex op de brommer om terug te rijden naar Rijkevorsel. Als groot obstakel op hun weg naar huis nog steeds die vervelende brug. Patje kwam boven en realiseerde zich plots dat hij wel tot boven was geraakt zonder dat Lex was afgestapt. ‘Allez, nu geraak ik die brug wél op.’ dacht hij stomverbaasd. Er klopt iets niet. Hij keek achterom en zag zijn vriend niet. ‘Waar is de Lex?’ Er zat niks ander op dan terug te keren richting Loenhout. Anderhalve kilometer na de rechtsomkeer zag Patje zijn vriend tegen een boom zitten. ‘Ik zen er afgevallen,’ wist Lex beteuterd te vertellen. Een halfuur later arriveerden de twee vrienden ten huize Baelus waar ze alsnog het zoveelste pintje dronken.                                                                  

Hubert Grimmelt
0 0

Oranje-lettertjes-tekst

Er is zeker potentieel. Nancy voert iets in haar schild. Muisstil een stukje frangipane gegeten. Geen idee of dronken schrijven zinvol is. De kenners beweren van niet. Ik geloof hen. Ik zet de dampkap aan. Vader kon het geen kloten schelen. Ze heeft filosofie gestudeerd, maar het is een geit. Hij vergist zich wel vaker. Ik moet nog pipi doen. Ça va? Huilen hoeft niet. Er staan cactussen op het servet. De goudvis van Kurt is dood. So it goes. Dank u voor de talloze suggesties ter verbetering. Dat lukt aardig. Ed zit nog steeds in Thailand. Die verveelt zich precies. Er is zeker potentieel. Slechte timing. Ik ga morgen die biefstukken niet zelf bakken. Tja, soms schiet ik tekort. Dat staat de therapie in de weg. Ik ben daar blij mee. Er staat een stevige wind. Het is misschien onnozel. Ik doe maar wat. Het heeft vijftien dollar gekost. Stom van me. Vrolijk word je daar niet van. “Pak jij chips?” “Neen” Dat liep ei zo na mis. Ik kijk in de papiertjes: kabeljauw in de diepvries, ‘muse de son dernier livre’, een vreugdevolle opgang naar Kerstmis in een envelop uit Torshavn (Faroe Islands), briefje van mezelf uit 2016, vader schreef ‘sjaloom’, iets van Morgenstern (‘Alles was man mit Liebe betrachtet, ist schön.’), een folder van de abdij Maria Toevlucht in Zundert, een folder ‘samen onderweg na ontrouw’ (voor koppels!), het programma van Femma, foto’s, een doodsprentje (‘er is geen waarom’, Ferdinand Cuvelier), enzovoort enzoverder … Ik roer met het Swissair lepeltje. Het ziet er wel mooi uit, al die oranje lettertjes. Ze snoept een sigaret af. De toekomst is formidabel. Ze dronk een cola i.p.v. witte wijn. Dat scheelt. Ik moet het mezelf moeilijk maken. Iedereen slaapt behalve ik. Morgen komt de zon weer op. Het komt nog goed. Daar moet ik vanuit gaan. Ik kauw op tuttefrut. Heeft er ooit een dichter beter gedaan dan Pink Floyd? Het is tijd om vaarwel te zeggen. De cafébaas kijkt lelijk. Er ligt nog kaas en chocolade in de ijskast. Ik maak met plezier ezelsoren in deze bundels. “Hersluitbaar” belooft de verpakking. Er is niks van aan. Ze verklaren me gek. Ik hoop dat het hoe dan ook min of meer ritmisch is. De hoge verwachtingen werden niet allemaal ingelost. A no choice suckerpunch. Xavier leest Lex; over ananas. Een ansichtkaart van de Adriatische zee, een akkefietje en een niemendalletje, wat zal het effect zijn? Het gedicht is getiteld: ‘Wanneer ik droevig ben’. Rust, ruimte, helderheid enzo. Gerrit Komrij draait zich om in zijn graf. Hopen op goddelijke interventie. Wat absurde flarden. “Ben je nu weer aan het roken?” vraagt ze. Die zit nu bij de coiffeur en wil straks naar de Colruyt. Mijn tanden gepoetst. Biefsteak gegeten. Alles oké. Ik moet me ne keer verdiepen in het fenomeen Six Word Story. Mijn zus is depressief. Een accuut tekort aan witte wijn. Ik vul het Lottoformulier ondersteboven in met mijn MontBlanc. Morgen ga ik een leuke Instagram foto posten. Ik heb een idee. Ik moet wat meer mijn fantasie gebruiken. De ochtendstond heeft goud in de mond. Behalve morgen. De Roemeense onderbuurvrouw piept. Er is zeker potentieel. Er is een verschil tussen aanstellerij en dichtkunst. Ze ziet bleek. Ik wil er gewoon mee zeggen dat het leven voorbij dobbert. Ik kreeg kwade blikken van die diehard hooligans. Het kan nog verkeerd gaan. Hij moet lachen om de bewering dat hij een knappe man zou zijn. Nadien een Hot-Dog gegeten. Heeft ze al chocolade paaseitjes in huis? Ik zoek in de antieke kast. Da’s diezelfde man. Die had vroeger een bril en een hond. Ik droom: “How the poor boy lost his head.” Het is belangrijk dat je weet dat God niet bestaat en Jezus even onnozel is als Sinterklaas, de Kerstman en de Paashaas. Het verbaast me. Ik weet niet goed wat ik nu juist bedoel met ‘het’. Een normaal kortverhaal schrijven lukt me niet. Flauwekul daarentegen, onzin en af en toe een vondst gaan vrij vlot. Ik steek de diepvriespizza dan maar zelf in de oven. Ik ben dus aan het koken. Geen bewonderenswaardige poëzie geschreven. Nu is het stil. Ik moet van gedacht veranderen. Ik heb al veel tijd verspild. Je moet ze een kans geven. Er grip op krijgen. Mijn tekortkomingen bedekken. Hij heeft zich vrolijk vergist. Mijn moeder, de psychiater en de man van de videogedichten laten niks van zich horen. Spijtig. Geduld is een deugd. Zou de duivel me geld lenen? Er is zeker potentieel. Ik kan vals spelen als ik wil. Ik ben niet de enige. Er staat op ‘London Dry Gin’ én ‘gebotteld in Frankrijk voor CMI/Carrefour’. Ik moet mijn verkeersbelasting nog betalen: 37 euro 82 cent. Ik moet het volgende in de gaten houden: beeldspraak, enjambementen, witruimte, leestekens, hoofdletters, metaforen, … Er ook zinnen van maken i.p.v. louter opsomming. Wees niet beschaamd om over je mentale gezondheid te praten. Me ontspannen en nota nemen van de onzin. Het komt later misschien nog van pas. In de zak gezet door een oplichter. “Toen gebeurde er wel wat!” antwoordde hij. ‘Gaat hij bij zijn ex-vrouw op café?’ ‘Die tapt daar.’ Els zei: ‘Als het gemakkelijk gaat, is er iets mis.’ Ik hou de balpen bij de hand. Je weet maar nooit. Ik hoop dat mijn hoogstpersoonlijke, humoristische cryptogrammen aanspreken door hun frisheid, originaliteit en beknoptheid. Ze had haar slaappilletjes al genomen. Dan komen de ideeën, vermoed ik. Ge hebt het met de verkeerde aan de stok. Ik hoop dat hij zijn gevoel voor humor met de jaren niet is kwijt gespeeld. ‘Geen fuckbuddies zoals indertijd?’ schrijf ik. Zijn gezondheid en zijn reputatie zijn goed. Liesbeth is een moeilijk geval. Ik moet volhouden. Doe alsof er niemand thuis is. Ik ben voorbereid op het ergste. De gordijnen van mijn tante blijven boeiend. Ze heeft me die nagelaten zonder het zelf te weten. Eigenlijk zijn deze freewriting oefeningetjes niet echt ongelofelijk zinvol. Ofwel moet ik het gewoon in mijn dagboek schrijven. Ofwel moet ik proberen een kortverhaal te schrijven. De vergeet-me-nietjes van Emma weigeren te ontkiemen. Ik heb het gevoel dat ik momenteel beter dingen te doen heb dan dit. Hoe komt dat? Er is zeker potentieel.                                        

Hubert Grimmelt
7 1

Huiswerkopdracht: Bloemlezing

Boek ‘Bloemlezing uit de gedichten van Piet Hannes (1902-1969)’ door Lode Certonck (Brussel 1947)   Lode Certonck is met dit boek niet aan zijn proefstuk toe. Eerder schreef hij al een bloemlezing uit de gedichten van Cor C de Kloten (1890-1941) en becommentarieerde hij het werk van Paul Snoek (1933-1981). Deze bloemlezing, voorzien van een voorwoord, is het eerste belangrijk naslagwerk van de twintigste-eeuwse dichter Piet Hannes. Het is de derde herziene druk. Prof. Certonck doceert Duitse en Nederlandse filologie aan de universiteit van Nijmegen en is in zijn vrije tijd hobbykok.   Gedicht uit 1914   Pwook pwook Tok tok toaak Kukkelekuu uuh uuh Tok tok tok toaak Kukkelekuu Pwooak pwooak Tok tok tok tooak Kukkelekuu   Dit gedicht dat de heer Hannes op twaalfjarige leeftijd schreef, bewijst zijn genie. We kunnen Piet gerust een wonderkind noemen en we zijn blij dat men zijn eerste opstellen en gedichten bewaard heeft. Ze bevatten een schat aan informatie. Piet Hannes had als kind een zwakke gezondheid. Door het feit dat hij vaak ziek is, raakt hij verslingerd aan lezen. We kunnen bij dit gedicht analogieën zien met het fameuze ‘kikker-gedicht’ van zijn collega dichter Paul Snoek. Er is echter wel één groot verschil: Piet had een voorkeur voor kippen en ander pluimvee; Paul voor insecten en al wat in en rond water leeft. Op de boerderij bij opa Sooi liepen er genoeg kippen rond en dit moet op Piet grote indruk hebben gemaakt. De literaire analyse is eerder eenvoudig: het zijn kippengeluiden met drie maal de ‘kukkelekuu’ van een haan. Uit de dagboeken en memoires van oma ‘boerin Jeanine’, de vrouw van Sooi, weten we ook dat grootvader feilloos een Mechelse koekoek kon imiteren. Zo goed dat het moeilijk te onderscheiden was van het werkelijke dier. Ook dit moet grote indruk hebben gemaakt op de jonge dichter. Deze biografische gegevens leiden tot nog meer literaire inzichten. De keuze van de dichter voor kippen is hier o.a. mee verklaard. De dichter heeft ook dankzij dit mooie gedicht een trauma kunnen verwerken en het heeft hoogstwaarschijnlijk veel moed gevergd om het te schrijven. Op de leeftijd van vier heeft Piet namelijk gezien dat een kip een tijdje blijft rondlopen ook zonder kop. Boer Sooi slachtte nl. van tijd tot tijd een dier. Overbodig te melden dat ook deze schokkende gebeurtenis op Piet een zeer grote indruk moet hebben gemaakt. Aanvankelijk noemde Piet zijn gedicht: ‘Die de kleinste eieren leggen, kakelen het hardst.’, ondertussen, na grondig onderzoek, weten we dat deze titel is weggevallen. De verwijzing naar Pasen vond Piet iets té katholiek. Dit werd hem niet in dank afgenomen.   Het boek is uitgegeven door uitgeverij Zondag en verkrijgbaar in de betere boekhandel. 341 pagina’s, 17,50 euro genomineerd voor de Jules Deelder prijs voor beste bloemlezing in het Nederlandstalig gebied.    

Hubert Grimmelt
0 0

Helemaal ginderachter in kleine terts/ Woodie Guthrie1947/ Billy Bragg1997 / Way over yonder in the minor key

Ik woonde in het plaatsje Okfuskee En ik had een klein meisje in een steeneik (hollle boom) Ik zei, meisje het is klaar en duidelijk Niemand kan zingen zoals ik   Ze zei dat ze niet begreep Hoe een klein jongetje zo lelijk kon worden Ja, meisje dat kan wel zijn Maar niemand kan zingen zoals ik   Niemand kan zingen zoals ik Tot helemaal ginderachter in kleine terts Tot helemaal ginderachter in kleine terts Is er niemand die kan zingen zoals ik   We wandelden langs de Buckeye Creek Om naar de kikker te kijken die de bologige bij opeet Om de westenwind naar het oosten te horen fluiten Niemand kan zingen zoals ik   O, meisje wil je het mij laten zien Helemaal ginderachter waar de wind vrijuit blaast Niemand kan ons zien in onze holle boom Niemand kan zingen zoals ik   Haar mama sneed een twijg van een kersenboom En sloeg er ons mee Het stak erger dan een zwerm bijen Maar niemand kan zingen zoals ik   Ondertussen heb ik al heel wat meegemaakt Denk nog altijd terug aan die dagen in het struikgewas Ik heb al zoveel meisjes op het slechte pad gebracht door te zeggen dat Niemand zo kan zingen als ik   Way Over Yonder in the Minor Key Words by Woody Guthrie, Music by Billy Bragg     I lived in a place called Okfuskee  And I had a little girl in a holler tree  I said, little girl, it's plain to see,  There ain't nobody that can sing like me She said it's hard for me to see How one little boy got so ugly Yes, my luttle girly, that might be But there ain't nobody that can sing like me Ain't nobody that can sing like me Way over yonder in the minor key Way over yonder in the minor key There ain't nobody that can sing like me We walked down by the Buckeye Creek To see the frog eat the goggle eye bee To hear that west wind whistle to the east There ain't nobody that can sing like me Oh my little girly will you let me see Way over yonder where the wind blows free Nobody can see in our holler tree And there ain't nobody that can sing like me Her mama cut a switch from a cherry tree And laid it on the she and me It stung lots worse than a hive of bees But there ain't nobody that can sing like me Now I have walked a long long ways And I still look back to my tanglewood days I've led lots of girls since then to stray Saying, ain't nobody that can sing like me.

Hubert Grimmelt
0 0

VERGEET MIJ vertaling van "Oublie moi" van Les Têtes Raides

Vergeet me alsjeblief Vergeet me zonder spijt Vergeet me snel gedaan Vergeet me voor altijd Denk je niet dat het tijd is Te zeggen ‘t’is hoog tijd’ Het is grappig over 20 jaar Houden we nog steeds van elkaar Vergeet me alsjeblief Vergeet me zonder spijt Vergeet me snel gedaan Vergeet me voor altijd Het stopt het herbegint We maken ruzie we balanceren Alles is dood alles is leven Onze lichamen ver van hier Het is grappig over duizend jaar Houden we nog steeds van elkaar In’t voorbij gaan fluitend We klemmen onze tanden Ik ga jij komt terug Heel dicht heel ver We zijn de tijd kwijt Om lief te hebben als voorheen Vergeet me alsjeblief Vergeet me zonder spijt Vergeet me snel gedaan Vergeet me voor altijd Vergeet me alsjeblief Vergeet me   Oublie-moi s'il te plaît Oublie-moi sans regret Oublie-moi vite fait Oublie-moi a jamais Tu crois pas qu'il est temps De se dire qu'il est grand temps C'est marrant dans 20 ans On s'aimera tout autant Oublie-moi s'il te plaît Oublie-moi sans regret Oublie-moi vite fait Oublie-moi a jamais Ça fini ça recommence On s’attrape on se balance Tout est mort tout est vie Et nos corps loin d'ici C'est marrant dans mille ans On s'aimera tout autant En passant en sifflant On serrera les dents Je m'en vais tu reviens Aussi près aussi loin On a perdu le temps De s'aimer comme avant Oublie-moi s'il te plaît Oublie-moi sans regret Oublie-moi vite fait Oublie-moi a jamais Oublie-moi s'il te plaît Oublie-moi

Hubert Grimmelt
0 0

'Heb je het tegen mij?'/filmscène/ voor Martin en Robert

         Het is waanzin maar ik weet het nog niet. Ik lig met m’n kleren en laarzen aan op mijn bed in m’n troosteloos éénkamerappartementje. Mijn leven is een leven van eenzaamheid. Ik ben de isolatie en de vensterloosheid van mijn bestaan en deze kamer beu. Het is allemaal verschrikkelijk. Er staat één tafeltje, één stoel, één bed. Op een houten kist staat een TV en aan de andere kant van de kamer hangt er wasgoed. Overal ligt er rommel. Aan de muur boven het gasvuur hangen er potten en pannen, een rekje met allerlei dozen. Aan de andere muur hangen er verkiezingsaffiches. Ik ben de klootzakken en de smeerlapperij beu. Ik ben gewelddadig. Ik kan er niet meer tegen.          Ik oefen in de spiegel. Met een lichte glimlach en zelfgenoegzaam trek ik een pistool uit de mouw van mijn kaki vest. Ik kijk mijn denkbeeldig slachtoffer recht in de ogen. Ik ben het noorden kwijt en dat interesseert me in z’n geheel niet. Het lijkt wel of ik van de duivel ben bezeten. Als een krankzinnige blijf ik in de spiegel oefenen. Ik zie de horror niet in die spiegel. Ben ik arrogant? Ik voel me goed. Het is intens. Ik ben Vietnam - veteraan en taxichauffeur. New York kan mijn kloten kussen. Ik ben niet waanzinnig. Het lukt me al goed de revolver te trekken. Ik blijf maar in die spiegel kijken.          Ik oefen in de spiegel: ‘Ik probeer… strontzak…’ ‘Sneller dan jou! Lul!’ ‘Ik sta hier. Zeiker’ ‘Ik ben de enige hier.’ ‘Als je één beweging maakt, .. als je … dan…’ ‘Probeer, probeer het maar.’ ‘Heb je het tegen mij?’ ‘Heb je het tegen mij?’ ‘Tegen wie denk je dat je bezig bent? Hé!’ ‘Hé’ ‘Ooh yeah’ ‘Luister jullie klootzakken, ik ben een man die het niet meer kan verdragen, een man die het niet zou laten gebeuren, een man die zich verzet tegen het uitschot, de kuttenlikkers, de honden, het vuil, de stront.’ ‘Hier is een man die zich verzet..’ ‘Hier is …’  

Hubert Grimmelt
0 0

'ik neem wraak'/filmscène/voor Amélie

         Mijn psychotische moeder en ik hebben mijn suïcidale goudvis in een vijvertje gegooid; de bokaal erachteraan. Het regent. Als troost krijg ik van m’n moeder een tweedehands Kodak Instamatic fototoestel. Ik fotografeer graag leuke wolken. Sommige in de vorm van een konijn, andere in de vorm van een teddybeer. De zon schijnt. Ik draag een oranje golfje en een wit hemdje.          Plots knalt er een kleine, rode Peugeot tegen een blauwe Citroën CX. “Petite fille!’ roept de buurman, “wat heb je nu gedaan?” Hij maakt me wijs dat er iets mis is met m’n fototoestelletje. Het veroorzaakt ongevallen.          Na de hele middag foto’s te hebben gemaakt, slaat de schrik me om het hart. Ik zijg neer voor de TV. Ik ben angstig. Ik zit vol schuldgevoelens over een reusachtige brand, twee treinontsporingen en een crash van een Boeiing 747. Met wijd opengesperde ogen kijk ik naar de beelden.          Enkele dagen later neem ik wraak. Ik heb doorgekregen dat de buurman me beetnam en misbruik heeft gemaakt van mijn naïviteit en fantasie. Ik zit op het dak naast de schouw en het kastje van de antennekabels. Het is mooi weer. Ik heb mijn haar in twee staartjes en ik kijk boos. Ik luister naar voetbal op een transistorradiootje. M’n vervelende buurman bekijkt diezelfde match op z’n TV. Net op het moment dat er gescoord gaat worden, trek ik de antennekabel uit. De televisie van de buurman doet het even niet. Enkele tellen later steek ik de kabel terug in. De televisie doet het dan eventjes wel. De buurman wordt gek en roept:’ Godverdomme, wat is dit?’ Ik herhaal dit een paar keer op cruciale momenten. De buurman wordt knettergek. Hij springt woedend recht en vloekt:’Putain! Godverdomme!’ Als een waanzinnige klopt hij opzij op z’n toestel. Hij wil er zelfs een beeldje tegenaan gooien. In totale wanhoop begraaft hij uiteindelijk huilend z’n hoofd in de zetel.          Mijn leven wordt fantastisch.

Hubert Grimmelt
0 0
Tip

een kale kip kan je niet plukken

Antoine zat in een kleine ruimte met zes dezelfde, saaie stoelen. Plots stond meester van Doorn in de deuropening. “Mijnheer Dekkers!” Antoine stond op. Hij en meester Van Doorn liepen de gang door en het indrukwekkende kantoor binnen. Aan de muur hingen reproducties van Canaletto. Aan de linkerwand van de ruimte stonden vijf kasten vol met overzichtelijk geordende boeken. In het midden van het grote bureau lag een dun groen mapje. “U weet dat uw tante nog veel rekeningen te betalen heeft?” zei meester van Doorn verwijtend. “Ja. Nu, ze heeft een klein pensioen.” stamelde Antoine. “Wie gaat dat rusthuis betalen?” vroeg de advocaat dreigend. “Geen idee. Het OCMW misschien?” “En wanneer zie ik mijn centen?” ging meester van Doorn geïrriteerd verder. “Geen idee,” zei Antoine en dacht: ‘typisch advocatuur; die denken enkel aan hun eigen centen.’ “Een kale kip kan je niet plukken.” klonk het op ernstige toon. Antoine kreeg een glimlach op z’n lippen. “Kijk, zou u zo vriendelijk willen zijn oplossingen te bedenken?” “Omdat u meester Peeters zo goed kent maar hij geen expertise heeft als het om bewindvoeringen gaat, wil ik u wel helpen. Na de opstelling van het patrimoniumverslag heb ik maar één conclusie, en zoals ik al zei, een kale kip kan je niet plukken. Ik zal vrederechter Schuermans en het OCMW contacteren.” zei meester van Doorn verzoenend. “Hartelijk dank.” reageerde Antoine opgelucht. “Zou uw tante nog in staat zijn tot op mijn kantoor te komen?” vroeg hij zakelijk. “Geen idee. Ze is niet echt gelukkig in het rusthuis. Af en toe is ze zelfs agressief. Ze doet haar soutien niet meer aan. Haar gebit vindt ze ook overbodig. Tante Lydia gaat erg snel achteruit maar ik wil het haar wel vragen. Misschien is ze vereerd.” klonk het grappiger dan bedoeld. “Goed. Ik hou u op de hoogte. Laat mijn secretaresse maar weten wanneer u en uw dementerende tante langs zullen komen.” en hij schoof het ongeopende, groene mapje opzij. “Wat doe ik met de correspondentie die nog op haar adres toekomt?” “Bezorg me die.” “Ok” “Wist u dat?” “Wat?” “Wist u dat uw tante geen financiële middelen meer heeft?” “Ja” “U heeft mij met een vervelende taak opgezadeld.” “Tja,” reageerde Antoine gelaten. “Goed. On verra bien. Doe uw tante de groeten,” zei meester van Doorn voor het eerst vriendelijk. Meester van Doorn en Antoine stonden recht en gaven elkaar een hand. Ze wandelden tot aan de voordeur. Meester van Doorn deed de deur open en zei koeltjes:“Tot ziens”. “Bedankt!” repliceerde Antoine. Hij stak een sigaretje op en dacht: ‘het blijft toch een merkwaardige man die meester van Doorn en ik hoop dat het in orde komt.’          

Hubert Grimmelt
0 0

Schrijftaal ? spreektaal ? dialect ? ( ge meugt gerust zen )

Hedde tal gehoord? Verleden dinsdag zat ik bij Chantal int café. Ineens loept daar een grote rat de frituur van dikke Guy langs achter buiten recht het café binnen. Dat was daar een gekweek en gedoe. Een geroep en een getier. De Laenen zat er me nen borstel achteraan. Chantal die wier zot. Ze dacht da speelt dieje nooit kleer. Het succes was novenant. Aloïs begon al lelijk te doen. Die zijn keers was bijna uit. Tripel van Westmalle die kunnen daar niet tegen. Zuiver voor de commerce. In café ‘in de Volksvriend’ daar worden ze opgedaan. Da was geen aardigheid in diejen tijd.             Ge meugt gerust zijn. Lachen dat die dee. Da’s iet aarig ze, een rat. Goe zat allemaal. Dieje is er afgevallen. Da was t’een en t’ander. Just op tijd. Gustje was ze weer aant plagen. Da gezaag zal sebiet wel gedaan zen, zei ze. Toen wast vat af. Genne De Keuninck nie meer. Chantal belde naar Louis van café ‘ De Pelikaan’ Wulle met dat leeg vat naar den overkant. Rolt er nie mee of ge ga wa voorhebben zei Louis. Dieje loempe van de vakbond van z’n kloten maken Veul te zwaar. Dieje is dan ook geboren op 1 april. Alleman zat. Den dag van heden mag da allemaal. Op ne werkdag lopen ze al van t’een café naar tander, oep ne werkdag hè. Goe gelachen wel.             Iet anders. Ik heb ne nieve caravan. Als k het kraantje in da keukentje openzette begon toilet te lopen.. Da darmpke zal verkeerd. Iet later stond de schuif onder de poempbak, met bestek, ge weet wel, helemaal vol water. Vloeken jongen, vloeken. Na zat er een ander darmpke los. Veel gezever mee gehad. Dieje verkoper stamp ik onder zenne put da de ballen in’t rond vliegen. Da’s veel beter dan een Rapido plooicaravanneke. Na moet ik wel naar de keuring want de nieve is meer dan 700 kilogram. Chance da we in Hühnerscheid genne regen hemme gehad. Da’s Luxemburg nie ver van Bastogne. Kelly had voor niks greppeltjes gegraven. Hoe loemp kunde zen? Veurige keer hadde we regenweer. Niks dan modder. Klote weer en problemen met gasvuur. Een steekvlam van zeker drei meter. Da darmpke zat geplooid. Bekan heel de voortent weg. Da’s nylon, hè da zeil. Nog nooit zoveul sigaretten meegebracht. Die camions konden allemaal aan de kant. Met ne caravan konde gewoon door. Den Opel Vectra is wel aant verslijten. Di van ons zegt dat geld op is.             Ik hem gehoord dat de Léon bekan met visbak en al de vort ingeduikelt is. Voorover, recht erin, bekan. Die kan nie vissen met den haak. Neen, neen ne meerval. Genne snoek. Verkeerd aas. Hoe loemp kunde na zen. De miserie van een ander daar zijn we nie mee gediend. Da maakte mij nie wijs. Ja, ja, café Arizona was om drei uur nog open. Ge meugt gerust zijn.

Hubert Grimmelt
0 0

Maak dat mee!

Toen lange Eddy met de licht groene, opgevoerde Zündapp KS50 van Moe, z’n broer Patje achterop, tegen 65 km/uur de rotonde aan het dorpsplein wilde oprijden, kwam er net een tractor met een op en neer wiebelende beerkar aangereden. Eddy smeet alles dicht en kon de brommer nog net in evenwicht houden. Z’n broer botste met z’n witte helm tegen de rug van lange Eddy aan. “Godverdoemme, nu zitten we daarachter” riep die. De John Deere met zestienduizend liter stront draaide veel te snel de rotonde af. De twee ongeduldige broers volgden op vier meter. De landbouwer reed, uiteraard, niet snel genoeg naar de zin van Patje. ‘Geef gas, nondedju!’ riep die. Ter hoogte van de Onze Lieve Vrouw van de Zeven Weeën kerk liep het mis. Op dat moment ontplofte met een ongelofelijke knal de rechterband van de zware beerkar. De stukken rubber en de koeienstront, vlogen in het rond. De Zündapp slipte en knalde, rechts van de beerkar, tegen wat er was overgebleven van de velg. Eddy werd samen met de brommer gekatapulteerd en zweefde ettelijke meters door de lucht. Hij kwam terecht op een remorque van een Marokkaan die zijn inboedel aan het verhuizen was, drie voertuigen verder dan de tractor. De zwevende Zündapp zelf knalde tegen een boom links van de rijbaan en slingerde de wei in. Patje lag, helemaal bedolven onder de stront, rechts van de tractor in de berm. De oude boer stapte, alsof er niks was gebeurd, uit z’n tractor. “Dat is van 1944 geleden dat ik nog zo’n knal heb gehoord.” zei die zonder te verpinken tegen de vloekende Patrick in de berm. De ongedeerde Eddy, lijkbleek -bijna zo wit als het wit van de pasgeverfde wegmarkeringen even verderop richting rotonde -, wandelde terug naar de plaats van het ongeval en sloeg de boer, met een overtuigende linkse, op zijn neus. In de kanariegele VW golf achter hen, die nu tamelijk donker groen zag en stonk, zat een vrouw te bibberen, haar handen stijf geklemd rond het stuur. “Maak dat mee!”, mompelde Patje, “een beerkar met een klapband.” Ondertussen stond gans het dorp rond de plaats van het onheil. Met name de parochiezaal, waar op dat moment de KWB hobby tentoonstelling net was geopend, liep leeg om naar het spektakel te komen kijken. Daar hadden ze de knal namelijk ook gehoord.

Hubert Grimmelt
0 1

De kip en de Deense dog

“ Die vervelende hond van de nieuwe buren liep vandaag weer op ons erf.” zei Louisa tegen haar man. “Spreek de buurvrouw daar nu eindelijk is over aan”, ging ze verder. “Oh ja, een van de dagen moet je ook nog een kip slachten.” “Ja, ja.” zei boer Mertens tegen z’n vrouw. “Slaapwel.” De volgende ochtend ving René, na veel moeite, een mooie, kakelende kip. Hij nam z’n kapmes en onthoofdde die. Normaal rent een kip zonder kop dan enkele dwaze rondjes maar dit keer fladderde de bloedende kip omhoog en belandde in de dakgoot van de boerderij. “Godevermiljaardenondedju! Moet mij weer overkomen. Nog nooit meegemaakt.” vloekte hij. Er zat niks anders op dan de ladder te halen. René zette die tegen de dakgoot aan. Toen hij bijna bovenaan was om de dode kip te pakken kwam de licht grijze Deense dog Svetlana aangelopen. De teef, achterna gezeten door de Bordercollie van Louisa, knalde tegen de ladder aan waardoor René, een fractie van een seconde, z’n evenwicht verloor. De ladder wiggelde even door de schok en begon te kantelen. In een reflex deed de onfortuinlijke boer nog een poging om de dakgoot vast te pakken maar die mislukte. Hij donderde ongeveer twee en een halve meter naar beneden. Hij kwam ongelukkig neer. Alles deed pijn. Hij lag in een plasje bloed. Dat was even rood als het bloed van de onthoofde kip die nog altijd morsdood in de dakgoot lag. De furieuze Louisa, die het ongelukje had zien gebeuren liep met een riek Svetlana van de buren achterna. Ze bekommerde zich niet om haar echtgenoot.

Hubert Grimmelt
0 0

De duivel speelt accordeon en werkt 24 uur per dag

            Thierry, 23, student toegepaste economische wetenschappen zat in de universiteitsbibliotheek in alle rust te bekomen van z’n examenstress. Voor hem lagen een boek en een tijdschrift; ‘Notendop’ van Ian McEwan en een nummer van The Journal of the History of Ideas uit 2015. Onverwacht werd hij duizelig, kortademig en misselijk. Hij had de indruk elk moment flauw te kunnen vallen. Een licht gevoel in z’n hoofd kwam plotseling en erg hevig op. Koud zweet brak uit. Hij voelde een minieme maar niet te betwijfelen benauwdheid in z’n hele bovenlichaam. ‘Ik wil niet dood.’ mompelde hij. ‘Is dit een hartstilstand?’ De stilte in de bib was gekmakend. Het duurde vijftien minuten om te herstellen van deze kleine, emotionele, paniekaanval. Tijdens een examenperiode had hij daar last van. Vechtend tegen z’n wanhoop stond hij op, liep naar de bibliothecaresse en leverde het tijdschrift in.               Op straat leek alles zich af te spelen in dezelfde gekmakende stilte als in de bib. Te voet op weg naar z’n studentenflat zag hij in de goot eekhoorns. Of waren het ratten? Hij bleef even staan en keek rond. ‘Ik moet een mindfulness- oefeningetje doen.’ zei hij tegen zichzelf en begon te hyperventileren. Voor z’n voeten nam hij wel achttien ratten waar die zich van hem niets leken aan te trekken. Het was nog steeds volstrekt stil. Een oud vrouwtje met een klein hondje passeerde hem en keek hem aan. Hij hoopte dat het hondje de ratten zou verjagen maar het enige dat hij zag was een grote, blaffende Duitse herder met diep groene ogen en z’n tanden bloot. Hij zette het op een lopen. De ratten liepen achter hem aan.               Uitgeput liet hij zich vallen in de zetel, nat van het zweet. ‘Mijn zintuigen werken niet.’ dacht hij. In het keukentje dronk hij een kopje koffie. ‘Dit smaakt naar pittig vergif. Ik drink dit niet uit.’ Hij bleef het ontzettend warm hebben en opende de vensters. Meteen vlogen er allerlei merkwaardige vogels binnen. ‘Jaag die vogels weg!’ riep Thierry hysterisch ‘Hoe kan ik hier nu rusten met al die vogels? Ga weg!’ Zittend aan de keukentafel nam Thierry het boek dat hij de afgelopen dagen had proberen te lezen. Hij sloeg het open, bedacht zich, legde het opzij en nam het uiteindelijk opnieuw ter hand. Hij wilde de openingszin nog een keer hardop voorlezen, mocht dat lukken. ‘Hier ben ik dan, ondersteboven in een vrouw.’ Plots begon het boek te praten.   “Spring door het venster!” zei de foetus. “Spring! Nu! De vogels zullen je helpen! Spring!” In grote verwarring en overtuigd door het sprekende boek stond Thierry op van z’n stoel. Het kostte hem moeite door het raam te kruipen en zich te laten vallen. Springen kon je het niet noemen. Acht verdiepingen, een gat in de stoeptegels van vier centimeter en, uiteraard, op slag dood.    

Hubert Grimmelt
0 0

a clean desk is a sign of a sick mind

            Hubert staat, zoals gewoonlijk, op om 06.38. Buiten is het nog donker. Hij is niet vrolijk. Na het ochtendritueel, een kort toiletbezoek om te urineren, betreedt hij de woonkamer. Hij gaat naar de kleine keuken en zet het koffieapparaat aan. De vorige avond heeft hij dat klaargemaakt voor deze ochtend.             De keukentafel doet dienst als werktafel. Als hij wil eten aan deze tafel zit er niks anders op dan opruimen. De tafel is ovaal. Er staan vijf stoelen rond waarvan er drie niet kunnen gebruikt worden om op te zitten. Ze liggen volgestapeld met allerhande paperassen: gekregen kunstboeken, oude kranten, volgeschreven Atoma-schriften, reclamefolders, een lege doos fotopapier, plastic mapjes, … onderaan een nutteloos zitkussen. Het tafelkleed is eigenlijk een dekentje gekocht door z’n moeder in de IKEA. Hubert vindt het interessanter als tafelkleed. Er zitten vlekken op van o.a. tomatenketchup, boschampignonsoep, blauwe Waterman inkt en het ligt vol met broodkruimels. Verspreid over de tafel liggen er notitieblokjes, to do – en boodschappenlijstjes, rekeningetjes allerhande: beenhouwerij Dockx, Delhaize, gazettenwinkeltje (als hij had betaald met bancontact), schrijfgerief, elastiekjes, paperclips, een bluetooth box, een wekkertje, brieven, overschrijvingsformulieren, fototoestellen, brilpoetsdoekjes, medicatie, een busje Rexona, een perforator, bestek, een leeg blik Pools bier, een iPod van 8GB, oude treintickets, USB sticks, een Post-It blocnootje bijeengehouden door een elastiekje met daarin z’n alcoholgebruik sinds december 2015, klein geld en een tube Noorse handcrème. Soms doet hij een hopeloze poging om orde te scheppen alsof er dan ook meer ruimte in z’n hoofd zou ontstaan. Ondanks de chaos weet hij ongeveer waar wat ligt. Af en toe werkt Hubert in een bibliotheek of een café. Hij vindt het dan fijn om veel ruimte te hebben aan een grote, lege tafel zodat hij een aantal boeken en aantekeningen open kan leggen.             Na z’n tweede sigaret en derde koffie gaat hij aan tafel zitten.

Hubert Grimmelt
0 0