Miguel

Gebruikersnaam Miguel

Over Miguel

Ik schrijf omdat ik wil blijven. Trotse West-Vlaming. Ik hou van Kortrijk als stad.

Opleiding

Van de kakschool naar de vakschool (VTI Gullegem) en dan naar Spes Nostra en dan naar Bijstand en dan 's avonds een graduaat gehaald. Geprobeerd voor leerrkracht Nederlands, maar in Gent hebben ze het écht niet voor West-Vlamingen (zeker niet op de Kattenberg).

Publicaties

Geen, zo goed ben ik niet.

Prijzen

De Zwarte Agenda, schrijverspunt (ergens bovenaan genoeg om gepubliceerd te worden), 2018

Pennen met Mosterd

Tip van de week 10/01/2023 met Brooddronken

Het strand, schrijverspunt, 2023

Wit Blad Kortrijk 2024

Bij de eerste zes voor Een trieste dag in Utrecht, mij daarna uit de wedstrijd teruggetrokken omdat ik niet kan voordragen

Teksten

Pa-Palliatief: DE VOLLEDIGE ERVARING

Pa-palliatief Dit is niet echt een verhaal, maar een relaas van wat er in mij of ons omgaat, wanneer onze pa in de palliatieve afdeling wordt opgenomen. Ik heb de tekst bewust dichter bij dialectisch laten aansluiten omdat zo gevoelens veel beter overkomen.Ik begin het relaas (dat ik voor een laatste keer wellicht herwerk) met een tekst van Roy Orbison. Pa was een Roy Orbison-fan, iets wat hij mij wellicht heeft meegegeven, alhoewel zijn kennis van Orbisons werk niet verder gaat dan “Oh, Pretty Woman” en “Only the Lonely”. Desalniettemin is het het laatste hoofdstuk van zijn verhaal en dus past zo’n tekst wel goed, temeer omdat het ook op hem van toepassing is. “A diamond is a diamond a stone a stone but a man's not all good nor all bad”– Roy Orbison / William Dees Donderdag 2 oktober 2025 Ik was aan het werk en moest het loket doen bij ons in het uitreikingskantoor waar klanten hun grote zendingen komen binnenbrengen. Dat moest ik doen tot 13.30 uur, waarna ik zou worden afgelost. Ik had mijn gsm te opladen gelegd aan het kopieerapparaat en er verder geen acht op geslagen. Blijkt dat mijn ma mij had proberen te bellen – wat niet al te vaak gebeurt, meestal stuurt ze een sms. Dat was er ook bij, met de melding dat de dokteres was langsgekomen, wat ik wist, en dat pa naar palliatieve zou moeten gaan. Hij wou niet meer leven en er was te veel vocht. Eerst zou hij naar een andere afdeling gaan en dan, wanneer er plaats was, zou hij naar palliatieve moeten. Ik moet eerlijkheidshalve toegeven dat ik niet zo’n gevoelsmens noch paniekerig ben. En toch is zo’n bericht niet echt iets dat je wil lezen, op geen enkel moment van de dag. Het was geen verrassing dat hij naar palliatieve zou moeten, eerlijk gezegd. Ma trachtte zo goed en zo kwaad mogelijk voor hem te zorgen, maar ook zij is er al 71, van de gesel des levens niet gespaard geweest en dus lichamelijk redelijk frêle. Op haar kerfstok had het leven al onder andere artrose, darmkanker, iets met haar nieren en haar longen gekrast. Ook hier en daar wat erfelijke aandoeningen en een van nature nerveuzer karakter waren haar deel. Ondanks dat alles, of misschien wel dankzij, heeft ze een sterk karakter en slaat ze zich overal wel door. “Het zal wel gaan” is haar credo. De toon voor de rest van de dag was dus gezet. Ik moest weg zien te geraken van het werk, niet zozeer om ma te troosten want zij zou dat nooit openlijk laten zien dat ze er van af ziet, maar om haar naar het ziekenhuis te voeren met allerhande spullen voor pa. Gezien hij nog maar in juli-augustus voor een kleine maand was opgenomen, stond zijn trolley niet zodanig super ver en wist ma wat ze moest meenemen. Wat pyjama’s omdat het deze keer wel eens wat langer zou kunnen duren en wat luiers, waar hij afhankelijk van was geworden na die eerder genoemde opnameperiode. Hij was zeer sterk geëvolueerd van “licht urineverlies” naar “quasi incontinent”. Het verraste mij ergens wel, want ik kende pa altijd als een trotse mens. In ons gezin was hij het die de badkamer lang bezet hield. Hij stapte nooit naar buiten als zijn haar niet in een mooie plooi lag en was als de dood voor haarsprietjes op het gezicht. Hij woog tegen de honderd kilogram. Soms overschreed hij dat wel eens, maar sinds hij een jaar of drie of zo geleden de diagnose “diabetes” kreeg, moest hij noodgedwongen op zijn voeding beginnen letten. Hij nam niet alleen vieruurtjes, maar ook tienuurtjes, elfuurtjes, twee-uurtjes en als hij daartussen honger had, legde hij de weg van zijn zetel naar de koelkast af. Zijn zetel, waar hij altijd al mee was vergroeid. Hij was een kloeke Bourgondiër, niet echt een bolletje vet maar zeker ook niet mager. Dat was vroeger. Nu is hij nog maar een schim van die beer die hij ooit was. Op z’n zwakste, ergens in augustus, woog hij nog maar 66 kilogram. Te mager, natuurlijk, zelfs voor zijn diabetesbehandeling, want hij moest plots veel minder prikken dan voorheen. Zijn armen en benen zijn nog maar stekjes in vergelijking met vroeger. Zijn gezicht heeft, op zijn magerste, de contouren van een doodshoofd. En dat beeld wordt nog wat meer geholpen door het feit dat hij quasi altijd met zijn tanden bloot zit. Dat was dus de pa die toch al enkele maanden koste wat het kost werd verzorgd door ma. Elke ochtend een verse luier aan – het gebeurde in de beginperiode dat hij ’s nachts ronddoolde naar het toilet en dan tegen de grond ging. Wij konden nooit gerust slapen, maar sinds hij incontinent geworden was wel, want hij deed zijn gevoeg gewoon waar hij lag in de zetel. Voor ma was dat maar een kleine kost, het verversen van de luier, vergeleken met het proberen omhoogtillen van een blok vlees van om en bij de zeventig kilo, een blok vlees die absoluut niet meewerkt. Maar ’s morgens dus, moest hij uit de zetel worden gehaald met de “kanestok”, ofte wandelstok in het mooi Nederlands, waarna ma hem trachtte aan zijn rollator te hangen. Dan was het een weg banen naar de keuken, waarbij zij hem vast hield aan zijn lendenen, opdat hij niet zou omvallen. Het kwam in haar op de situatie te vergelijken met dansen op een huwelijksfeest, iets wat mijn broer en ik maar met moeite konden smaken. Wij wisten wat er zou komen en dat dat allesbehalve een feest zou worden. De laatste dagen voor de opname was het al zo erg dat hij zelfs niet meer zonder ondersteuning op een stoel kon zitten zonder het risico dat hij zou omvallen. Eén lichtpuntje, dacht ma, dat door haar goede zorgen (en ze waren echt wel zo goed als maar kan) hij opnieuw begon te verzwaren. Helaas bleek dat hij eigenlijk niet verzwaard was, en dat de toename in kilo’s alleen te wijten was aan het feit dat hij zijn vocht ophield. Dat begon zichtbaar te worden. Hij werd een geraamte met een dikke buik en dikke benen. Paarse benen, bijna. Er moest dus iets gebeuren en dat gebeurde dus ook. Ik belde vanuit het werk naar huis om te vragen wat dat daar nu eigenlijk allemaal was. Ma trachtte het mij uit te leggen, tot de dokteres de telefoon overnam. Ik ben niet zo te vinden voor de dokteres, mijn oude dokter had véél betere bedside manners zoals ze dat noemen, maar ik zal haar altijd blijven respecteren voor de eerlijkheid waarmee ze me te woord stond. Mijn broer en ik hadden al lang in de gaten dat het niet zo goed ging met pa. We hadden tegen elkaar gezegd dat pa niet zo lang meer zou meegaan. Mijn broer, doorgaans de meer optimistische van de twee, gaf hem nog tot het einde van dit jaar. Ik wou er nog een jaar bovenop doen en zei tegen het einde van volgend jaar. Blijkt dat de pronostiek van mijn broer er wellicht dichter zou bij liggen, want toen ik de dokteres vroeg of mijn stelling te optimistisch was, kreeg ik het antwoord dat we niet meer in jaren, maar in maanden zouden moeten denken. Dat kwam ergens toch binnen, ook al kon ik het onmiddellijk plaatsen. In schril contrast met een collega wiens pa met een “knip” overleed, konden wij het zien afkomen en afscheid nemen, wat ik in alle eerlijkheid al voor een deel had gedaan. Wij dus naar het ziekenhuis – ma mocht mee met het ziekenvervoer – met zijn spullen en zijn rollator, die hij eigenlijk niet zo veel meer nodig zou hebben. We komen toe op zijn kamer en hij zit recht, iets wat best een unicum mag genoemd worden, want de voorbije maanden was het van bed naar zetel. We hadden hem tevergeefs geprobeerd, al maanden lang, te overtuigen om een ziekenhuisbed te nemen. Eindelijk lukte dat, en toen kwam vandaag. Dat bed staat daar nu. Om even te illustreren, mijn pa heeft een karakter. Altijd al geweest. Uitweiden zou te veel tijd in beslag nemen, maar ik herinner mij een anekdote van een week of twee of zo geleden. Hij moest een nieuwe identiteitskaart hebben. Tot dat doel moest hij nieuwe foto’s hebben, maar hij had dit jaar Heule niet meer gezien tenzij uit het raam van een auto of ambulance. Dus als Mohammed niet naar de berg kan, moet de fotograaf langskomen om foto’s te nemen. Want dat is wat fotografen doen. We hadden een stoel gezet voor het grote raam van de “voorplaats” van ons huis, waar de lichtinval het meest ideaal was. We stelden hem voor de keuze. Ofwel op de stoel ofwel op zijn rollator – dat is een model waar je ook kunt op gaan zitten. Dat waren de twee opties. Hij wees naar de stoel die aan de tafel stond en zei dat hij daar wou zitten. Om maar even te stellen dat hij een willetje heeft.Dat bleek eens te meer toen de kinesiste van de afdeling waar hij lag, langskwam. Hij rolde met de ogen en mompelde een vloek of een verwensing toen ze zich voorstelde als kinesiste. Pa heeft een hekel aan lichamelijke beweging. Toen ze vroeg of hij in afwachting van de palliatieve nog wat oefeningetjes wou doen, was zijn antwoord het gekende, resolute, “neen, neen, neen” alsof je een tweejarige wil vragen of hij zijn broccoli wil opeten. Vrijdag 3 oktober 2025 Tweede dag op zijn kamer in de “gewone” afdeling. Veel verbetering was er niet te merken, hij lag in zijn bed maar kreeg wel een nieuwe matras. Want hij had blijkbaar een wondje aan zijn achterwerk – een doorligwondje wellicht, dat noch ma, noch de thuisverpleegster die hem ’s maandags kwam wassen, had opgemerkt. Die matras was daar blijkbaar goed tegen. Meer dan dat valt er niet te vertellen, zowel voor hemzelf als voor ons zag de dag er hetzelfde uit als gisteren. Zondag 5 oktober 2025 Gisteren waren mijn broer en ik naar Antwerpen geweest, een reis – ja, voor ons is dat een reis – die we al lang planden en die net op het goede moment kwam om eens weg te zijn van dat alles. Want ook al lag pa nog niet in de kliniek (tot donderdag), of misschien net daardoor en met de stress die het met zich meebrengt, het weegt op een mens, of die mens daar nu over spreekt of eerder een dagboek bijhoudt. Maar het leven en de tijd gaan allebei verder en zo kwamen we tot de bevinding dat pa vandaag werd overgeplaatst naar de palliatieve afdeling.Ik had wel al lang door dat de palliatieve afdeling niet zou zijn alsof de mensen daar aanwezig (reeds) in de Hel zouden vertoeven, kronkelend van de pijn. Dat was een beeld dat ik al lang had bijgesteld. Maar ook al had ik het voorbije jaar door de oogoperatie van ma en eigenlijk met alle controles van pa de kliniek al meerdere malen van binnen gezien – er staat mij ook nog iets te wachten, namelijk een operatie om mijn wijsheidstanden er uit te halen, toch kan je die afdeling met niets anders vergelijken. Het AZ Groeninge is eenheidsworst, in die optiek dat je er gemakkelijk kan verdwalen. Alles ziet er zo ongeveer hetzelfde uit en je kan het nog het beste vergelijken met het labyrint van Pacman, ja, zelfs de Atari-versie. En dan kom je naar de palliatieve afdeling en valt dat allemaal weg. Alle deuren gaan automatisch open of staan al open, maar die van de afdeling moet je zelf nog open duwen. De eerste keer dat we zijn kamer bezochten, liepen we nog klagend over de afstand door de afdeling. Maar eens je de kamer binnen komt, merk je dat het anders is. Een standaard ziekenhuiskamer in Kortrijk is een vierkant, met twee deuren, namelijk de in- en uitgang en die voor naar het wc te gaan. Dan heb je je bed en een tafel en een zetel en “that’s it”. De zetel is trouwens een soort relaxstoel. Meer dan dat is er nog niet. Hier zit het verschil met de palliatieve. Curatieve is om mensen te genezen. Palliatieve is om het mensen gemakkelijk te maken. En wees maar zeker dat er alles aan gedaan wordt om de mensen zich thuis te laten voelen of er een nieuwe thuis voor te maken. Ik kom binnen in de kamer en het eerste wat mij opvalt is dat er een zetel is. Een heuse driezit, die, na wat onderzoek op de site van de palliatieve, ook een bed kan worden, blijkbaar. Er staat een tafeltje en niet van het type dat je elders in het ziekenhuis vindt – de vierkanten reftertafel met poten die niet goed passen en de hele tafel doen wiebelen – maar een mooie (valse) houten tafel met daarop een vaas met echte bloemen en een welkomstkaart. De kamer is veel, véél ruimer dan die van een gewone afdeling. Ja, pa zit hier wel goed, dacht ik, toen ik weer naar huis ging. Maandag 6 oktober 2025 Pa is in bad geweest vandaag. Da’s best uitzonderlijk als je beseft dat hij niet meer in bad geweest is sinds maart, en sindsdien alleen maar kattenwasjes toeliet en dan op het laatste een thuisverpleegster één keer in de week. Hij was in zijn sas, want toen hij nog relatief gezond was, kon hij uren in dat bad liggen weken. Dat ging niet meer de laatste maanden, want ma en ik hebben hem er eens moeten uit halen en hij kon zijn knoken – want dat waren het wel – niet meer bewegen. En een vent van zeventig kilo (of toen nog iets meer) dood gewicht is echt wel geen lachertje om op te heffen! Ma klaagde maanden achteraf nog van pijn in de schouder van hem daar uit te tillen. Dus dat bad was dus ook verleden tijd. Tot vandaag dus. Hij genoot er van, zegden de verpleegsters, die toch zo in de wolken waren dat híj zo genoot. Hij stak de loftrompet over de visbak (aquarium) die daar stond, die achteraf een projectiescherm bleek te zijn. En wat dan nog, hij straalde toen hij het vertelde (afijn, voor zover een mens met één been in het graf nog kan stralen zonder chemotherapie) en de verpleegsters straalden zo mogelijk nog meer. Straks denken ze nog dat hij een brave vent is. Dat wordt nog lachen. En dat op de palliatieve afdeling. Vrijdag 10 oktober Bezoek van Embrasse (Ambras, zoals pa hem natuurlijk noemt, de taal van Molière is nooit zijn vriend geweest) de hond. Dat is een therapiehond zoals je er hebt voor blinden en de minder mobiele medemens, maar dus nu voor mensen die op palliatieve liggen. Pa heeft er wel deugd van gehad, denk ik. Hij heeft altijd graag honden gezien en ik zie ook aan zijn gezicht als hij er over bezig is dat even zijn miserie, voor zolang hij die nog beseft, kan vergeten. Ik heb aan de verpleging een foto gevraagd en die gaan we aan zijn bord hangen, zoals iedereen daar een bord hangen heeft met info over het menu, de verantwoordelijke geneesheer en wie instaat voor de verzorging. Zondag 12 oktober 2025 De foto met de hond Embrasse hangt aan zijn bord. Wat jammer dat het beest niet naar de lens wou kijken, maar ik vermoed dat ze zijn opgeleid met maar één iemand in hun gedachten en dat zouden de patiënten zijn. Desalniettemin kan je op de foto zien dat pa er zichtbaar heeft van genoten, al blijft hij vragen naar Cette, de chihuahua waar hij resoluut tegen was en die zich de twee jaar dat ze bij ons al vertoefde had ontpopt tot zijn beste vriendin. Er is trouwens iets veranderd aan zijn kamer – of beter gezegd zijn badkamer. Er staat nu een “sanitaire stoel” wat eigenlijk een grote “kakstoel” is vantoen we nog klein waren. Elke afstand die hij nu nog moet afleggen is (hem) te veel. Hij heeft geen macht (kracht) meer in zijn benen, zeggen ze. Maandag 13 oktober 2025 Vandaag was de slechtste dag dat ik hem al gezien heb. Hij wauwelde wat als een dronkaard en werd wakker, sliep, werd wakker, sliep, werd wakker en viel terug in slaap. Hij had gegeten, zei hij, deze ochtend. Nu weten we wel dat we alles wat hij zegt met een korreltje zout moeten nemen, dus ging ik verhaal halen bij de verpleging en jawel hoor, hij had deze ochtend niets gegeten en ook zijn middagmaal had hij laten staan. Wat mij opvalt eigenlijk als we de lange tocht door twintig afdelingen afleggen om tot aan de palliatieve afdeling te geraken, is dat er opvallend weinig Halloweenversiering is. Halloween, of Samhain, dat veramerikaniseerd feest uit onze contreien dat gaat over het feit dat de grens tussen de wereld van de doden en de levenden op z’n dunst is nu. Misschien willen ze de mensen niet confronteren met de finaliteit van het bestaan. Of misschien leven ze daar altijd op de grens tussen leven en dood, meer nog dan wij in de buitenwereld. Want ik vind dat er een wereld is buiten en binnen de palliatieve afdeling. Donderdag 16 oktober 2025 Vandaag is mijn broer geweest naar pa. De verpleegsters zegden dat “ge ziet dat hij aan ’t vechten is”. Da’s alles en da’s niets zeggen, vind ik. Is hij aan ’t vechten? Hij zei zelf dat hij wou dood gaan. Is dat dan vechten tegen de dood, als in, het zal niet lang meer duren? Of weert hij zich toch nog? Ik zal het morgen zien als ik hem zelf bezoek. Vrijdag 17 oktober 2025 Ik ben samen met ma pa gaan bezoeken. Hij zag er wel redelijk uit. Opnieuw niet veel gegeten, alleen een tas koffie en later op de ochtend een tas soep. Ma zegt dat hij verbeterd lijkt te zijn, ikzelf denk nog altijd dat dat wishful thinking is. We zijn nu ongeveer halfweg richting de evaluatieperiode en ze hebben ons gezegd dat ze niet zomaar mensen op straat zetten als de evaluatie gunstig zou zijn. Ikzelf ben daar eerlijk in: hij is beter daar dan thuis. Maar er zijn maar tien kamers op zo’n afdeling en ik denk dat een plaatsje daar, hoe vreemd ook, wel gegeerd is. De verpleegster zei dat hij niet snel achteruitgaat, wat wel positief is. We moeten ons wel realiseren dat hij de mensen vaak naar de mond praat – als we hem moeten geloven, loopt hij nog rond met zijn rollator en eet hij elke middag flink zijn eten op. De verpleging ziet en zegt het wel anders en ik heb de neiging om hen eerder te geloven dan dat ik pa zou geloven. Woensdag was zijn broer daar en hij zou wel twee uur wakker zijn geweest. Een unicum, zelfs toen hij nog relatief gezond was. Hij zou twéé tassen soep gedronken hebben. Twéé! Ik denk dat het iets zal zijn van ups en downs. Veel eten, weinig eten,… gelijk hoe, hij is niet gezond. Dat is wat we in het achterhoofd moeten houden. Al heeft ma gezegd dat hij niet van haar daar (lees: palliatieve) moest gaan liggen maar als hij naar een rustoord moet, hij terug naar huis komt. Ik zie hem eerlijk gezegd ook nog terugkeren – iets waar ik niet naar uitkijk om de simpele reden dat dat voor ma enorm taxerend zal zijn. Zondag 19 oktober 2025 Pa heeft geen goede nacht gehad en ook nu ziet hij er maar flauwtjes uit. Hij klaagt van pijn aan zijn “holleke” maar zou er volgens de verpleegster geen doorligwonden hebben. Zijn buik zwelt wel meer op en ook zijn handen zijn aan het verdikken, vooral zijn linkerhand. Vanochtend heeft hij een pilletje gekregen waarmee de klachten enigszins over gingen, maar nu heeft hij weer pijn. Maandag 20 oktober 2025 Hij is het liegen nog steeds niet verleerd – zo trachtte hij vandaag ma op de mouw te spelden dat hij er geen eten kreeg, ’s morgens niet en ook ’s middags niet. Lariekoek uiteraard, en dat weet het verplegend personeel ook wel, maar ik vind het ergens beschamend dat hij dat geprobeerd had – hij had net twee tassen tomatensoep op. Of hij beseft het niet, dat kan ook natuurlijk. Lichamelijk is zijn hand nog steeds gezwollen en ook zijn buik wordt steeds dikker. Hij toonde zich ook weer van zijn beste kant door een verpleger een veeg uit de pan toe te dienen, door te stellen dat die (ik weet niet over wie het ging) op z’n pamper schreef. Blijkt dat het over schrijven op een pleister gaat voor een tijdsindicatie voor de volgende shift. Ma denkt dat het misschien morfineplakkers zijn. Dan is het ook maar zo, hoor. Dan heeft hij geen pijn, denk ik dan. Vrijdag 24 oktober 2025 Pa was maar wat zwakjes deze ochtend. Hij klinkt enorm hees en zoals vanouds gebruikt hij vaak de “in medias res”-techniek. Wat ben ik blij dat ma mee is, zij kan zijn gewauwel het beste begrijpen en snapt vaak ook waarover het gaat. Hij heeft trouwens goed gegeten gisteren. Een paar boterhammen, zelfs een ei (of twee, maar dat weet ik niet meer) en een tas soep. En toch. Soms kan ik mij niet van de indruk ontdoen dat hij verzwakt. Hij hoestte wel regelmatig en ik denk dat dat vocht stilletjes aan ook daar zijn opwachting zal maken. Zondag 26 oktober 2025 Dit moet wel het slechtste moment geweest zijn waarop we pa al aangetroffen hebben in het ziekenhuis. Hij gaf dezelfde zwakke indruk als eergisteren (en gisteren, toen mijn broer hem bezocht). Normaal is het soms eens goed, soms eens slecht. Nu zagen we hem met zijn hoofd half op zijn kussen, alsof hij pijn had. Hij spreekt nooit daarover, dus wij kunnen het niet weten. Blijkt dat hij al dagen geconstipeerd is en daardoor een verwarde indruk kan geven. Dus hebben ze hem een lavement gestoken eerder op de dag. Hij moet het wel lastig gehad hebben, aangezien hij erg nors was tegen ma (eigenlijk zijn norse zelf terug) toen ze hem wat vroeg. Door dat lavement is hij wel eens naar de grote wc kunnen gaan en moest zijn pamper dus ververst worden, iets waar ik niet echt bij moet / wil zijn. Ik heb wat gesproken met een verpleger op de gang, en hij zei dat pa de laatste week niet echt meer stabiel is – eens goed, eens slecht maar dat de slechte momenten wat vaker voorkomen. Ma ziet het ook niet goed komen en zegt dat hij het einde van het jaar niet meer zal halen. En ik? Ik kijk wel van waar de wind waait, zulke dingen veranderen héél snel. Maandag 27 oktober 2025 En of ze snel veranderen, die zaken! Hij is vandaag erg achteruitgegaan. Zodanig erg, dat de verpleging ons op voorhand opbelde (nu ja, ma) om ons te waarschuwen. En dat was nodig. Hij ligt daar in zijn bed, woelend en wauwelend, met zijn mond open en het vocht in zijn longen erg, érg hoorbaar. Dit is wellicht het einde. Vandaag of morgen. Iemand van de sociale dienst is al langs geweest om ons wegwijs te maken en te vragen of we al weten welke begrafenisondernemer we zullen nemen. We weten dat inderdaad al, maar er komt geen dienst. Stille crematie en dat zal het dan zijn. Dinsdag 28 oktober 2025 Het is voorbij. Pa is gestorven gisteren in de late avond, wanneer juist weten we ook niet. Kort na het bezoek van zijn broer heeft hij nog een paar keer geblazen en dat was het. Ma had het niet door dat hij overleden was – hij lag op zijn zij en er kwam geen reactie. De verpleegkundige heeft dan bevestigd dat het voorbij is. Het is goed zo. Gisteren zijn we nog tot bij hem geweest en ik weet niet of hij fysiek besefte dat hij afzag, maar het had er toch alle schijn van. Wellicht deden de medicijnen wel hun werk maar toch was het geen plezierig zicht. Ik ben met mijn broer ma gaan ophalen ergens rond negen uur in de avond en ben dan nog bij pa geweest – afijn, ik ben bij zijn lijk geweest in de kamer. Hij zal niet worden opgebaard. Nu komt het administratieve luik van dit alles. Begrafenisondernemer, bank, notaris, mutualiteit,… We waren al een tijd overeengekomen dat we er geen ruchtbaarheid zouden aan geven. Verplichte nummertjes, zeker van derden aan ons gericht, zijn niet aan ons besteed. Wie het wil weten zal het weten. Ik moet ook nog een mail sturen naar de palliatieve afdeling, om hen te bedanken voor de goede zorgen en het waardig levenseinde van pa. Zoveel te doen nog, maar pas wanneer de urne in de kast staat, zal dit voorbij en afgesloten zijn. En toch. Kan zoiets ooit afgesloten worden? Ik weet het niet. We zien wel. Dat is alles dat we kunnen doen. Einde

Miguel
0 0

Brooddronken deel 2 hoofdstuk 13

13 ‘Opstaan, lege fak!’ Het went nooit, denkt Jimmy, ook al zijn de koosnaampjes over een vermeende inactiviteit stukken ouder dan zijn prille postcarrière. Vroeger echter, deelden ze beiden, Billy en Jimmy, in de scheldwoorden, maar sinds Billy’s vlucht oostwaarts heeft Jimmy nu het monopolie op het zijn van verbale – en soms fysieke – boksbal. Hij rekt zich uit – slechts enkele dagen oud is zijn postcarrière en het is net alsof hij al jaren roofbouw heeft gepleegd op zijn lichaam. Gedaan met kwiek en monter uit het bed te springen en naar de deur te schrijden als een schaatser op het ijs. Hij wil blijven liggen, hij kan niet opstaan. Zijn lichaam zegt neen, zijn hart zegt neen, zijn alles weigert nog deel te nemen aan deze mallemolen – het ritje heeft al lang genoeg geduurd, veel te lang. ‘Opstaan, heb ik gezegd!’ klinkt het nu dreigender van onderaan de trap. ‘Ik wil niet! Ik ga niet terug!’ roept Jimmy terug. ‘...’ ‘Jimmy, ga naar beneden,’ roept Marjolein, ‘ge weet hoe hij is als…’ ‘Als ik wat? Hé? Als ik wat? Stomme geit. Maakt gij maar dat de beesten eten gekregen hebben als ik terug kom. En gij, Sabbe, uit uw nest. Nu! Direct!’ Als de “nu direct” er aan te pas komt, maakt hij maar beter haast. Jimmy wil wel verlamd zijn. Het is zijn schuld niet, hij kán er niet uit. Kon hij maar. De trapdeur slaat dicht. Jimmy schraapt zijn moed bijeen. De pijn van gisteren is nog niet helemaal weg, slechts bedekt met een vernislaagje van verkwikkende maar ontoereikende slaap. Zijn benen voelen aan alsof ze niet willen. Ook al zou de rest van zijn lichaam wel willen. Het begin van een hernia. Of een depressie. Maar depressie, dat kan niet. Reginald heeft het hem al dikwijls gezegd. Depressies, psychologen, hij is toch niet zot!? Op de één of andere manier lukt het wonderwel om op te staan, zich te wassen en naar beneden te komen. De blik van Reginald zegt boekdelen wanneer hij zijn tweede, of is het al zijn derde, blik bier aan zijn lippen zet. De kamer ruikt naar Camel-sigaretten. Jimmy wil hoesten, maar houdt zich in. Elk geluid, elk teken van zwakte, zou werken als een rode lap op de Jupilerstier in de kamer. In alle stilte duwt hij twee boterhammen naar binnen. Zijn ogen tranen. Van de rook. Of iets anders.   Er heerst een grote bedrijvigheid in de sorteerzaal van Kortrijk 1, 1 ste afdeling. De spanning is te voelen; het einde van het jaar nadert en, voor velen, ook het einde van de werkmethode zoals ze die decennialang gewoon waren. Ook Jimmy is naarstig aan de slag. De brieven vliegen gezwind door zijn vingers en worden, tot grote ogen van de collega’s leidend, tot stapels gereduceerd. De woorden “natuurtalent” en “ancien” vliegen door de postsorteerzaal, waardoor een chef polshoogte komt nemen. Bruno wenkt hem. ‘Ge moet keer kijken, chef, hoe dat Sabbe die brieven trieert!’ zegt hij, niet zonder enige trots in zijn stem. ‘Ge moet zo preus niet klinken zulle,’ zegt … ‘’t Is uwe kleine niet hé? Of ten ware…’ ‘Neen gij, da’s er één van Sabbe, zulle. Kijkt hoe dat hij die brieven trieert, ’t is gelijk of dat hij nog nooit iets anders heeft gedaan.’ De chef kijkt even over de schouder van Jimmy. ‘’t Is inderdaad niet mis,’ zegt hij, met de handen in de heup. ‘’’t Is gelijk zijn vader, chef, toen dat zijn handen nog niet beefden van de drank.’ Jimmy draait zich om. ‘Zijn handen beefden anders nooit om ma, Billy of mezelf troef te geven, hoor,’ zei hij. De collega’s lachen. ‘Ja, neen,’ zegt de chef, ‘ik ga hem ne keer meegeven met Kake. Die dienst heeft nog een goeie vervanger nodig.’ Jimmy werkt weer verder. ‘En ik vind dat onzen Jimmy hier het wel heel goed doet, eigenlijk,’ zegt Bruno. ‘Gij wilt gewoon uwen dienst niet kwijt zijn voor een maand of drie, da’s al,’ zegt de chef, ‘maar ge hebt wel gelijk, die gaat dienen voor de dienst van Kake.’ Jimmy draait zich wederom om en kan zijn nieuwsgierigheid niet langer bedwingen. ‘Waarom noemen ze hem Kake?’ ‘Hoeveel kaken hebt gij, Jimmy?’ vraagt Bruno. ‘Vier, twee aan zijn kop en twee aan zijn gat,’ roept Reginald van de andere kant van de werkpost. ‘Welja, Kake heeft er vijf. Ge zult het wel zien. Lucien noemt hij.’t Zit nen bol op zijn kaak, een tumor of iets dergelijks. Vandaar dat we hem Kake noemen.’ Een keel wordt geschraapt. Bruno kijkt achterom en ziet Lucien achter hem staan. Zijn kepie scheef op zijn hoofd. Hij bromt iets en gaat naar zijn werkpost, met een rode postbak onder de arm. Lucien slentert als een gebroken man, door de plaagstoten om zijn tumor en de windstoten van de natuurelementen. Hijzelf is in zijn jongere jaren ook een natuurelement geweest. Een briesende storm, vol van joie de vivre en geluid, bulderend, ’s middags meer dan ’s morgens. Nu is hij herleid tot een kabbelend beekje, voortstromend, als dat het juiste woord is, tot aan zijn pensioen. Als hij er geraakt, zegt hij altijd. ‘Lucien zegt nooit niet veel,’ zegt Bruno, ‘sinds zijn vrouw dood is zegt hij in ’t hele niets meer.’ Jimmy vindt het sowieso al niet echt goed hoe iedereen in De Post commentaar heeft op een ander, een hecht team zoals ze dat in andere bedrijven noemen, zal je hier niet vinden, denkt hij. En toch, ze staan voor eenzelfde opdracht, werken samen, maar behandelen elkaar en soms ook zichzelf alsof ze elkaar – en soms ook zichzelf – het licht in de ogen niet gunnen. Iemand die mankt? Die noemen we hinkepoot. Een homoseksueel, dat moet wel een janetje zijn en wie een graag een pintje lust, die noemen ze zonder schroom Jantje Palm. Stotter je? Dat wordt zeker opgemerkt. En wie aan overgewicht lijdt, die noemen we Patapoef of Dikken Herman. Het ergste aan heel dit verhaal is, dat Jimmy weet dat het verkeerd is. Hij wéét dat de weinige eigenwaarde die sommigen van zijn collega’s  meer over hebben, wordt uitgeperst door directe orders, schertsende opmerkingen en weersomstandigheden. En dat is nu het ergste: hij wéét dat hij over de tong zal gaan, wellicht iets met zijn vader, en hij weet dat, spijts de beste pogingen, ook hij mee zal doen aan dit circus.

Miguel
0 0

De Witte Boerderij

Dit was mijn inzending voor de schrijfwedstrijd van Schrijverspunt voor het jaar 2024 met als thema "Thuis." Ik was niet geselecteerd (Cora de Kerriekip wel, godbetert) dus elk verhaal van die bundel moet wel een literair pareltje zijn. Wat info over de omgeving... Het boerderijtje heeft echt bestaan. De wijk bestaat ook. Ik woon er. De namen zijn verzonnen, dat wel. En ook de situatie die er zich afspeelt, hieronder, is verzonnen. Het stond al een tijd leeg, maar zou eigenlijk beschermd moeten geweest zijn omdat het een voorbeeld was van een soort bouwstijl uit lang vervlogen tijden. Hoe het ook zij, we gingen slapen en het stond er nog. We werden wakker en het was weg. En dan nu het verhaal: De witte boerderij In Vlaamse velden, geteisterd door winden en stortvlagen, stond een klein, wit boerderijtje. Het stond er al sinds mensenheugenis – er is niemand meer in leven die het “wit hofsteetje” zoals het in de volksmond werd genoemd, niét gekend heeft. Het was niet alsof het zo speciaal was, het lag aan een meanderend boerenbaantje, een karriere zoals ze dat hier plachten te noemen, met achter zich niets anders dan velden vol koren of koeien. Omringd door slecht onderhouden hagen en een even verwaarloosde tuin, had het de uitstraling al eeuwenlang verlaten te zijn. Het Mariabeeld dat lang in een nis over het erf waakte, was jaren geleden gestolen. Witgekalkte muren, bijeengehouden door een zwart rieten dak. Volgens sommigen stond het er driehonderd jaar, anderen zegden vijfhonderd jaar. De meest accurate beschrijving zou kunnen zijn dat het er áltijd al stond. Er werd zelfs gefluisterd dat het op de lijst van de te beschermen monumenten stond als voorbeeld van een leembouw zoals je dat in onze streken niet meer kon vinden, maar dat door de legendarische traagheid van de ambtenarij er te lang getalmd werd, waardoor een liberale legislatuur, niet met geschiedenis inzittend, de zaak de zaak liet, waardoor het kleine boerderijtje niet beschermd maar gewoon getolereerd werd. Het stond wel op een lijst, maar dan eerder, door aangeven van een vriend van de schepen van Bouwen, Milieu en Wonen, op een lijst van af te breken gebouwen. Er woonde toch niemand meer in, dacht iedereen, en wie maalde nu om een klein aftands gebouwtje als in de plaats daarvan een moderne wijk met allemaal dezelfde zielloze huizen kon verrijzen? Maar het was wel degelijk bewoond. Door twee mensen, wiens enige gezelschap elkaar en de koffiepot was. Meer dan dat was er niet meer, voor hen. Twee oude mensen, bij wie de tijd zowel stil stond als voorbij is gegaan. Gepensioneerden, Désiré Coornaert en Irma Dedeyne, respectievelijk voormalig dagloner en huisvrouw. Het kleine hofsteetje was hun thuis. Een hele generatie Coornaerts is grootgebracht in de beperkte leefruimte van het kleine huisje. Drie kinderen. Marcel werd zakenman en woont in het dorp, hij komt niet meer naar het witte hofsteetje. Te druk. Elodie verdronk op driejarige leeftijd in de vijver achter het huis toen ze een gans wou vangen, die dat niet liet gebeuren en Wittem, haar tweelingbroer, woonde nu ergens in de Verenigde Staten en kon logischerwijs niet meer langskomen. En zo zaten ze daar alleen, in hun huis, hun thuis. Désiré zat er gekleed in zijn kiel die nog zijn laatste werkjaren op het land heeft meegemaakt. Een zwarte baret op zijn hoofd waaronder witgrijze haren puilden, verhulde zijn kaalheid. Met zijn ene hand op de knie en in zijn andere zijn pijp, keek hij door het raam. Naast hem op de wiebelende tafel stond zijn asbak en een tas cichoreikoffie en op zijn schoot lag zijn tabakszak. Zijn bruine vingernagels waren stille getuigen van een jarenlange verslaving. In een blauw-met-witte soepjurk getooid met bloemen zat Irma op de schommelstoel te breien. Wat ze juist breide, en voor wie, wist niemand, zelfs zij niet. Net als Désiré was zij een gewoontedier en deed ze maar wat, wat ze al altijd deed. De drie kleine Coornaerts waren getooid in haar zelfgebreide truien, maar die kwamen ze al lang niet meer halen. Marcel verkoos maatpakken en Wittem zou voor een paar truien in angorawol zijn ranch in Amerika niet verlaten. Hadden ze kleinkinderen? Wederom geen mens die het wist. Er werd vaak over gepraat en gespeculeerd ten huize Coornaert, waar ze tot de conclusie kwamen dat van de drie kinderen het nog het meest waarschijnlijk was dat Wittem zich zou voortgeplant hebben. Marcel achtten ze te druk en te egocentrisch – zelfs een kerstkaartje kon er niet af, van Wittem wel, ook al arriveerde het meestal begin februari, en Elodie werd niet vaak genoemd als het over kleine kinderen ging, tenzij het over de vraag ging wat ze nu zou doen, mocht ze nog in leven zijn. De kamer was gevuld met het geluid van tikkende breinaalden, slurpende mannen en schrapende kelen, zoals dat altijd het geval was, toen plots de deurbel ging. Tussen het onkruid dat tot zijn middel reikte, stond de postman in het voortuintje. Hij paste er als een tang op een varken. De netheid van zijn uniform stak af tegen het oerwoud dat het tuintje geworden was.‘Ik heb een aangetekende brief mee,’ riep hij door de spleten van de afgebladderd groene houten deur. Désiré opende de deur en met angstige ogen bekeek de postbode de wormstekige dorsvlegel die boven de deurlijst gemonteerd was. Met bevende hand nam Désiré de brief en twijfelde of hij hem wel openen zou, maar hij wist waar het over ging en de brief loog niet. Hij beet door de zure appel heen en niettegenstaande de brief een toonbeeld was van ambtelijke taal, was de bedoeling duidelijk. Eind dit jaar zou het huis afgebroken worden en plaats ruimen voor een nieuwe wijk. De vooruitgang kon niet gestopt worden. Hij las de brief voor met krakende stem. Zoveel woorden werden er op een jaar tijd al lang niet meer gesproken ten huize Coornaert. Irma breide verder. Tot de wol op was. Ze keken elkaar aan. Désiré liet zijn pijp vallen en begon te wenen. Irma legde zorgvuldig de breinaalden neer, stond op en schuifelde naar haar man, de armen zo wijd open als fysiek nog mogelijk was. De twee, even oud, knoestig en West-Vlaams als de knotwilgen die hun land omzoomden en de Heulebeek afbakenden, vielen elkaar snikkend in de armen, bang voor het onbekende en de hamer van de rechter die hun leven, hun verleden, hun huis met de grond gelijk zou maken. Al het onuitgesproken verdriet, pijn en ontgoocheling van de voorbije zestig jaar kwam bovendrijven en liep langs hun ogen op hun schoot. De laatste bijlslag had uiteindelijk de eik geveld. Het leven had gewonnen. Het oordeel was gevallen, de beslissing gemaakt en het pact dat ze ooit stilzwijgend hadden gesloten, werd tot uitvoering gebracht. Het touw lag klaar.                                                                           * Vijf jaar later rijdt er een koppel in een zilvergrijze stationwagen voorbij. De man van het koppel kijkt op zijn gsm.‘Weet je zeker dat het hier is?’ vraagt hij aan de vrouw des huizes, die haar zonnebril wat beter op haar neus zet, terwijl ze in de spiegel kijkt, twijfelend of ze de juiste afslag hebben genomen.‘Ja, schat,’ zegt ze, ‘de Witte Hoevedreef nummer twee zou hier moeten zijn. Op de hoek met de Marcel Coornaertstraat. Het lijkt toch op de foto’s van op het internet. Zou het waar zijn dat de oude bewoners zich…’‘Kijk naar het huis, zo strak. Precies een witte kubus, zoals je wou. Hier gaan we gelukkig worden,’ antwoordt de man en kijkt achterop, naar zijn kinderen op de achterbank.‘Kijk, kinderen, we krijgen er zelfs een vijver en knotwilgen bij. Dat zag je toch graag, Mien? Knotwilgen? En kijk daar, op de vijver, ganzen!’De vrouw glimlacht en laat de autoruit van de bestuurderskant zakken. De zon voelt goed op haar huid. Een nieuw begin voor het hele gezin.                                                                                                                      Kortrijk, 30/07/2024

Miguel
44 1

Brooddronken, deel 2, hoofdstuk 12

12   Reginald en Jimmy rijden samen, zij aan zij door de verkleumende koude, het stadscentrum van Kortrijk door. Reginald rookt een sigaret, zijn kepie staat scheef op zijn hoofd en het lijkt alsof – of misschien is het wel zo – hij het niet beseft. Hij stinkt naar de drank en naar een vale pisgeur die in Jimmy’s gezicht waait. ‘G-gij gaat uw muil mogen houden, snotaap,’ wauwelt hij terwijl hij zijn fiets onder controle probeert te houden. Jimmy negeert hem. Soms wordt Reginald kwaad zonder reden. Of zonder aanwijsbare reden. Of om de verkeerde reden. Het resultaat is altijd hetzelfde. Een pak slaag, geroep en getier. De fietsrit zet zich in stilte verder. Ze komen aan in de Schaekenstraat. Zoals altijd gaat Reginalds fiets binnen en die van Jimmy wordt aan de paal van de kade gesloten. ‘Ma, we zijn thuis,’ roept Jimmy. ‘Ah, Jimmy. Ge zijt als van den hemel gezonden! Helpt mij eens door achter de fonduepot te gaan in ’t kot. Ze geven koude uit voor oudejaar en straks zijn de dalen weer vervrozzen en breek ik bijna mijn nek. Zet hem in de voorplaats onderaan in de tv-kast.’ ‘Ja, ma. Hebt ge mij daarachter nog nodig? Ik ging wat gaan lezen op mijn kamer.’ ‘Doet gij maar jongen, ik heb hier nog wel wat werk. Kunt ge wel nog achter een pak chicorei gaan? We hebben er geen meer…’ ‘Waarom?’ vraagt Jimmy. ‘Ik heb mezelf op een nieuwe koffiepot getrakteerd, want die filterkoffies kwamen mijn oren uit. En echte koffie is te duur, dus hebben we chicorei nodig.’ ‘Moet ge anders nog iets hebben?’ Reginald antwoordt. ‘N-neen. Dat wijf heeft genoeg geld er door gedraaid voor dit jaar, met hare nieuwen koffiepot. Ik ga wel de kave rechthouden.’ ‘Ma, niets meer dan die chicorei?’ ‘Hebt ge stront in uw oren?’ brult Reginald, ‘ik heb net gezegd dat het al meer dan genoeg is.’ ‘Misschien luister ik niet meer naar u, wat dacht ge daar van, pa?’ Reginald haalt uit en Jimmy springt opzij. De vuist van Reginald, toch ook al een redelijk aanzienlijk exemplaar, maakt een inkeping in de muur. ‘Godverdomme! Van onder mijn ogen, stuk vergif!’ roept Reginald. Zijn hand bloedt. Gedwee komt Marjolein aangesneld met de verbanddoos. Ze wordt weggeduwd door Reginald, die zich in de zetel nestelt om zijn roes uit te slapen. ‘Komt, ma,’ zegt Jimmy terwijl hij van jas verandert, ‘gaat anders mee met mij. Ne keer uitwaaien gaat ons goed doen, ook al is het in die rioollucht van de Leie.’ ‘Ja, een goed idee,’ zegt Marjolein en ze neemt haar rode valse krokodillenleren tas van de tafel. De flap danst tegen de tas. ‘Hebt ge nog niet gekeken voor zo’n nieuwe knop voor eraan?’ vraagt Jimmy. Hij wijst naar de handtas. ‘Zijt ge zot,’ vraagt Marjolein. ‘Ge weet gij niet zeker hoe zwaar ik de wind van voren zou krijgen zeker?’ Ze zet haar bonten muts – al even vals als haar handtas – op haar hoofd, slaat een sjaal om en stapt het huis uit.

Miguel
0 0

Brooddronken, deel 2, hoofdstuk 11

11   De eerste postbodes zijn reeds op ronde vertrokken wanneer Jimmy terugkeert naar het postkantoor. Met de ene hand in de zij en met de ander op zijn horloge tikkend, staat Bruno ongedurig toe te kijken hoe de jonge Sabbe, nu al verkleumd en nog maar een half uur buiten geweest, terug naar zijn werkpost komt. Die werkpost is leeg. ‘Ah, ge zijt daar ook nog ne keer,’ zegt Bruno, die voor zichzelf nog een kop koffie schenkt, ‘ik heb zelf bijna alles uitgesmeten en gestoken, hé. Want de overlasten moeten op tijd weg, nu Ringo ze niet gaat rondvoeren.’ Jimmy kijkt naar de vloer. Het kruiperige is er al goed in gedrild, denkt hij. ‘Het eerste pakske brieven voor de Weversstraat tot en met de Vlaanderenstraat is voor u, zulle, ge gaat ze moeten hersorteren want er zijn er weer een paar uitgekomen van uit den tri.’ gaat Bruno verder. ‘Het licht brandde maar geen antwoord,’ zegt Jimmy. ‘Wat hadt ge dan gedacht?’ vraagt Bruno, ‘hebt ge het al tegen chef Rik gezegd?’ ‘Ja.’ Bruno neemt nog een pakje brieven en steekt het tussen de sorteerblokken. Hij zucht. ‘Enfin,’ zegt hij, ‘zet u en steekt uw brieven. Ik ga naar de kantine. En haast u een beetje, want ik moet in de winkel staan na twee uur ’s namiddags.’ ‘Winkel?’ ‘Ja, mijn vrouw heeft een kleerwinkel. Is dat zo raar?’ vraagt Bruno. ‘Neen, maar gij hebt toch uw beroep als facteur?’ Bruno lacht. ‘Als ge denkt dat ge met een daguur van een facteur rondkomt terwijl ge een wijf gelijk de mijne moet onderhouden, manneke toch.’ Wat later zijn de laatste brieven op volgorde gestoken en kunnen de twee postmannen de kou gaan trotseren om de kerst- en andere wensen wereldkundig te maken, of toch tenminste hopelijk aan de juiste bestemmelingen te overhandigen. Terwijl Jimmy de brieventas aan zijn stuur bevestigt, geeft Ruben hem een pakje. ‘Heb ik die vergeten?’ vraagt Jimmy. Hij bekijkt het pakje en het zijn allemaal kaartjes. Allemaal dezelfde kaartjes. ‘Dat zijn uw zotten,’ zegt Bruno. ‘Hoe, we hadden toch geen zotten?’ ‘En nu hebt ge er wel. Raar hé? En avant, Jimmy.’ Jimmy kijkt naar de kaartjes in zijn hand. ‘Maar dat zijn er van uw kleerwinkel,’ zegt hij, ‘die stonden niet op de planning.’ ‘Ja, dat kan goed zijn, omdat ze ook niet op de planning staan. Ge gaat ze in elke bus steken en daarmee gedaan. Niet te veel op uw neus zetten of ‘k ga eens met vaderlief een koeterke slaan.’ Zuchtend neemt Jimmy het pakje reclames over en plaatst deze in de zijkant van zijn ransel. ‘Flinke jongen. Enneh,’ gaat Bruno verder, ‘bakkes dicht tegen de chef, postmeester of inspecteur, hé. Of uw tijdelijk contract zou wel eens heel snel voorbij kunnen zijn.’ Als dat nu nog eens kon gebeuren, denkt Jimmy bij zichzelf. Hij ontslagen, maar niet door zijn schuld. Enfin, het onaantastbare De Post zou er wel iets van maken opdat henzelf geen blaam zou treffen maar alles ofwel niemands schuld – het ging gewoon niet – ofwel Jimmy’s schuld zou zijn, waardoor Jimmy, zoals de postmeester het ooit nog tegen hem zei, met stille trom zou mogen vertrekken. En dan zou Jimmy net als zoveel andere jonge wijsneuzen op de mesthoop der gebuisde facteurs belanden. Bedelend in een interimkantoor om een job met gelijk welke uren, het maakt niet uit welke uren, waarna hij verder kan aftakelen tot hij de zoveelste loonslaaf is die ten onder gaat aan de raderwerken van het allesverslindende kapitalisme. En dat alles terwijl Reginald hem uitschijt omdat hij een nietsnut is die zelfs een job bij De Post niet kan houden, en Marjolein hem bezweert het werk te houden, omdat hij werk heeft. ‘Past op!’ Jimmy schrikt wakker van Bruno’s stem. Een postcamionette, want alleen zij zijn op dit uur op baan in de streken waar geen gerenommeerde winkels zijn om eindejaartroep in te slaan, moet voluit in de remmen gaan. Jimmy kan nog maar net alles dichtgooien en zijn fiets onder controle houden. De bestuurder van de postcamionette claxonneert. De autoruit van de bestuurderskant gaat naar beneden en Ronny steekt zijn hoofd uit het gat naar buiten. ‘Hei, Sabbe! Kunt ge niet kijken waar ge rijdt? Onnozel kieken!’ Jimmy mompelt tussen zijn tanden iets onhoorbaars en volgt dan Bruno, die al iets verder in de straat is. Bruno kijkt achterop. ‘Hei, beetje rapper rijden, hé! We moeten wel op tijd thuis zijn!’ roept hij. Jimmy zucht en versnelt zijn volgeladen fiets. Bruno heeft makkelijk praten, denkt hij, die heeft bijna niets in zijn fiets zitten. De kou bijt. De krant die Jimmy tussen zijn onderhemd en zijn blote bast heeft gestoken, zit al lang niet meer op zijn plaats. Hij tracht terwijl hij naar zijn eerste huis rijdt de boel nog te redden maar het is te laat. Ze zijn aangekomen in de Weversstraat. Jimmy neemt het eerste pakje brieven in zijn handen en ontdoet het van de elastiek die er om gespannen is, die hij aan zijn stuur hangt. Zijn geestesoog is beangstigend getraind op de bussen die komen zullen, dus verloopt het bestellen van brieven elke dag weer wat vlotter en vandaag is geen uitzondering. Hij is zelfs nog geen één keer bijna gevallen vandaag. Bruno fietst achterop en dan weer eens voorop, af en toe aan zijn sigaret trekkend. Een oudachtige man staat in het deurgat bij nummer zestien. ‘Nieuwe facteur?’ vraagt hij. Jimmy kijkt naar zijn pakje brieven waar hij het viertal kerstkaarten uit schudt en aan de man overhandigt. ‘Alstublieft, meneer. Prettige dag nog,’ zegt hij.   De werkdag verloopt verder zonder problemen of noemenswaardige dingen om over te schrijven. Het is zo’n typische “interbellum”-dag, de luwte tussen het feestgedruis van Kerst en Oudjaar, waar het werk redelijk tanend is en de meeste mensen thuis zijn, waardoor ook de postbodes een extra tandje bij steken om op tijd thuis te zijn, teneinde de toorn van de bediende op het kantoor of de vrouw thuis te vermijden.

Miguel
9 0

Brooddronken, deel 2, hoofdstuk 10

10   Kwart voor vier. Gepiep. Het alarm. In de kamer naast die van hem. Jimmy drukt zijn hoofdkussen tegen zijn oren. Het onvermijdelijk gedreun op de geplaagde balken van het huis, met linoleum er over, komt dichter.  ‘Werk aan de winkel!’ roept Reginald, vanuit de deuropening. ‘Ge kunt zien dat ge binnen vijf minuten beneden staat, of ’t zal uwen besten niet zijn!’ De zware stappen klinken weer verder. De trap krijgt de volle laag. De accordeondeur gaat open en wordt heel hard dichtgegooid, zodat het huis er van davert. Alsof het huis zelf ook schrik heeft van Reginald of de gevolgen voor Jimmy als hij niet spoorslags beneden is. Het is donker in de overloop. Jimmy knipt het licht aan en wrijft zich de slapers uit de ogen. Hij strompelt naar beneden. Voetje voor voetje gaat hij richting de trap. Zijn arm zoekt de leuning. Als hij van de trap zou donderen, denkt Reginald vast dat hij het met opzet heeft gedaan en krijgt hij er nog een pak rammel bovenop. Zijn hoofd draait. Zou hij dan toch niet beter eens nippen van het flesje… Neen, denkt hij, hij wordt niet zijn vader. Hij is niet zijn vader. Hij is halverwege de trap wanneer de accordeondeur openvliegt. ‘Is het tegen uw kloten misschien, lamzak?’ vraagt Reginald. ‘Toen ik uw leeftijd had hé, zat ik in Brussel rond dat uur al brieven te sorteren.’ Jimmy gaapt. ‘Ja, met een stuk in uw kloten petanque spelen, zeker.’ ‘Niet te arrogant hé, manneke!’ ‘Ge weet geeneens wat arrogant zijn betekent,’ zegt Jimmy, ‘ge gebruikt het gewoon omdat het stoer klinkt en op agressief gelijkt.’ Reginald geeft Jimmy een klap tegen het achterhoofd. ‘Hoor ik u nog? En wast u. Ge stinkt.’ Een kattenwasje later zit Jimmy aan de ontbijttafel. Het hele gebeuren is een identieke herhaling van wat zich op 24 december, zijn eerste werkdag, afspeelde. De fles cognac die soldaat wordt gemaakt. Het doosje Caprice des Dieux. Dáár zit de verandering, denkt Jimmy, het stuk kaas is iets kleiner dan maandag. Misschien is het zelfs een ander, dat al zo verminderd is. Reginald ademt Caprice des Dieux, als het geen whisky of Camelsigaretten zijn. Het lijkt alsof maandag zo veraf is, en het is nog maar drie dagen geleden, denkt Jimmy. De tafel wankelt terwijl brooddozen worden aangesleept om gevuld te worden. Jimmy slaat een elastiek rond zijn oude brooddoos van Petit Beukelaer, die hij nog heeft van toen hij nog naar school ging – wat waren die jaren zoet – maar die ook zijn beste tijd heeft gehad. ‘Moet ge geen teugsje hebben?’ vraagt Reginald terwijl hij met de fles zwaait. Jimmy denkt dat als hij ook een dronkaard zou worden, hij het perfect met zijn vader zou kunnen vinden. Met z’n tweetjes zich in de vernieling drinken. Wat een feest, denkt hij. ‘Neen.’ ‘…’ Reginald vult nog twee glaasjes die hij achterover kapt. Daarna is zijn heupfles aan de beurt. ‘Tegen de delirium,’ zegt hij, terwijl hij de kurk op de fles duwt. ‘Kom, we zijn weg. Morgen staan we vijf minuten eerder op, treuzelaar.’ Ze staan allebei recht. Een nieuw ritueel ontvouwt zich. Eéntje dat zich nog vaak zal herhalen, zolang Reginald werkt. En vast na zijn pensioen ook nog, omdat hij er plezier in schept de dromen en verlangens van zijn zoon te vertrappelen. Jimmy wandelt naar de kaai, waar hij zijn fiets heeft gesloten. Hij staat er nog. Hij opent het slot en slaat zijn been over het zadel. De pijn, die voorheen sluimerde, steekt de kop op. De tocht naar het postkantoor wordt aangevat. Wanneer het tweetal door de Jakob Van Arteveldestraat rijdt, richting de Groeningekouter, zijn er al, of nog, mensen op de baan. Jongelui, niet ouder dan éénentwintig jaar, die rotzooien en tegen de bomen in het park pissen. ‘Hey, facteur!’ roept één van hen, ‘moet ge werken, dé?’ Het groepje vindt het dolkomisch, alsof ze denken de grap van de eeuw uitgevonden te hebben. ‘Bende lamzakken,’ zegt Reginald op nauwelijks hoorbare toon, ‘in mijnen tijd, het zou geen waar geweest zijn. Studenten, luiszakken. Om op te spuwen.’ ‘Billy is ook student, pa,’ zegt Jimmy. ‘Juist daarmee. Ik ben blij dat ik één van mijn zonen heb kunnen redden van een leven vol… lamzakkerij.’ Het duo komt aan bij het postkantoor. De grote metalen schuifpoort gaat opzij voor de twee mannen en verbergt zich langs de zijmuur van de garage. De fietsen worden in de kleine onoverdekte parkeerplaats achtergelaten. Reginald wandelt naar Jimmy’s vervangpostfiets. Hij trekt een paar keer aan de rem. ‘Ge gaat wel een beetje bendiger mogen zijn met uw frings,’ zegt hij, ‘anders gaat ge niet toekomen met uw toelage, ne keer dat ge uw eigen velo hebt.’ ‘Hoe weet gij dat? Heeft Bruno weer niet kunnen zwijgen?’ Reginald draait zich naar Jimmy. ‘Het is heel simpel. Als ge meerdere keren per maand door uw fringkabel zit, gaat ge mogen bijleggen. Iedere maand krijgen we een toelage voor herstel van onze fietsen. En als ge bendig zijt op uw fiets, dan hebt ge er aan over. Anders moogt ge bijleggen.’ De twee Sabbes gaan het kleine trapje omhoog naar de lift, die weer buiten dienst is. ‘Godverdomme, hé,’ zegt Reginald terwijl hij de liftdeur op een vuistslag trakteert, ‘die klotelift is er weer aan. Bende. Dan gaan we maar met de trap moeten, hé, godverdomme.’ Ze vatten de lange tocht naar de postmannenzaal die op de tweede verdieping ligt, aan. Wanneer ze op de eerste verdieping aankomen, passeert Louis van de nachtsortering, met een pan van een gereputeerd merk in de hand. Overduidelijk verdonkeremaand. ‘Maken die hier nu al eiers gereed ook, in de nacht?’ vraagt Jimmy. ‘Neen. Hoogstwaarschijnlijk is dat een pan uit een pak die geweigerd werd. Maar als ge verstand hebt, schoolmeesterke, houdt ge uw bakkes daarover. De nacht, dat is één blok en als ge die gasten begint te kloten, gaat ge mogen véél keer naar andere casiers hun post brengen en die van u ophalen. Want ze gaan alles verkeerd steken, als ge gaat gaan janken tegen den inspecteur, die daar toch al garantie van weet.’ ‘Maar dat is toch diefstal?’ zegt Jimmy, terwijl ze de trap naar de tweede verdieping nemen. ‘En dan. Denkt ge dat ik nog nooit eens de regels heb overtreden?’ antwoordt Reginald, ‘vergeet niet dat ge eigenlijk niet moogt gokken als ge bij De Post werkt.’ ‘Ooit schrijf ik hier een boek over,’ zegt Jimmy en hij duwt de deur van de postmannenzaal open. De rook prikt in zijn ogen. Dit went nooit. ‘Ooit,’ zegt Reginald, ‘gaat gij een vaste ronde hebben. En gaat ge vast benoemd zijn. Maar zet dat boek maar uit uw kop, schoolmeesterke.’ Hij gaat naar zijn werkpost, Jimmy naar die van dienst 18. Daar aangekomen, legt Jimmy zijn brooddoos op het tafelblad. ‘Gaat ge eens uw stuitendoos elders leggen,’ zegt Bruno, die net alle werkposten heeft geleegd, ‘goeiemorgen.’ ‘Goeiemorgen.’ Jimmy neemt een pakje brieven in de hand. Bruno staat aan de kant, kijkend hoe Jimmy te werk gaat. ‘Is het vandaag niet uw feestdag?’ zegt Bruno. ‘Neen, ik verjaar op Kerstdag.’ ‘Ja, neen, ge hebt hem dus niet vits?’ Jimmy kijkt niet meer, zijn ogen gefocust op het raster voor hem. Het gaat hem steeds beter af en meer en meer poststukken vinden in één keer de weg naar het juiste gat, al is the proof of the pudding nog steeds in the eating en wordt de kwaliteit van de voorbereiding afgetoetst aan de lengte van de postronde. Hoe meer omrijden en hoe langer op baan, hoe slechter de voorbereiding. ‘Neen, Bruno, ik heb hem niet vits.’ Bruno lacht. ‘Den achtentwintigsten is ’t onnozel kinderkesdag hé,’ zegt hij. ‘Dat zou grappig zijn, Bruno, mochten we vandaag den achtentwintigsten zijn. We zijn vandaag den zevenentwintigsten.’ Bruno gaat naar de muur het dichtst van de werkpost, waar een wulpse, naakte dame zich rond de decembermaand kronkelt. ‘Ah ja. Tiens,’ zegt hij. Door de grote ramen die qua hoogte de volledige postmannenzaal beslaan, maakt het ochtendgloren zijn intrede. Het is de luwte tussen twee feestdagen door, quasi net in het midden doorsneden op 27 december, met Kerstavond achter zich en Oudjaar voor zich, ontwaakt de stad in een ritme van pseudo-normaliteit. De late beslissers wat eindjaarinkopen betreft, zij het nu eten of cadeautjes, liggen nog in hun bed, maar de leverancier van het hotel recht tegenover het postkantoor bezet de hele baan met zijn vrachtwagen, iets wat de weinige chauffeurs die op dit ontiegelijk uur al op baan zijn, maar weinig zint. De draaiende motor van de vrachtwagen verstomt het geluid van de toeterende burgermannetjes, maar ook de radio in het kantoor. Even iets anders dan kerstmuziek, denkt Jimmy. Nu de radio stiller staat, is het gewrijf van de brieven die in volgorde worden gestoken en het kletteren van de sorteerblokken goed hoorbaar, met af en toe het gekraak van een forse wind en de opmerking dat de mollen aan het blaffen zijn. Postman José zegt dat de mollen aan het kraaien zijn, maar hij is van Ieper. In Kortrijk blaffen de mollen. Tot groot jolijt van de minder mature collega’s. Chef Rik komt achter Jimmy staan. ‘En, hoe stelt ge ‘t?’ vraagt hij, op een toon waarvan Jimmy terecht vermoedt dat het geen peiling is naar de vooruitgang van zijn opleiding, maar een poging om het ijs te breken om hem met een opdracht op te zadelen. ‘Bwa. Dat gaat, hé.’ Jimmy kijkt niet om en houdt zijn blik op zijn brieven gericht. Weversstraat twee, vier, zes, acht, tien, zesentwintig, tweeëndertig, tweeëndertig A en tweeëndertig B. Dat stuk van de straat is gesorteerd en Jimmy slaat er een elastiek rond. ‘Sabbe, ge moet kijken naar mij als ik tegen u bezig ben.’ ‘Sorry, chef,’ zegt Jimmy en hij draait zich richting chef Rik. Chef Rik glimlacht, waardoor er wat assen van zijn sigaret op de grond vallen. ‘Weet gij de Watertorenstraat zijn, Sabbe?’ vraagt hij. ‘Ja, dat weet ik zijn,’ antwoordt Jimmy. ‘Ja, wie?’ ‘Ja, chef.’ ‘Ge gaat Ringo uit zijn bed moeten gaan bellen,’ zegt Rik, ‘hij is hier nog niet.’ Bruno onderbreekt. ‘Kan er niemand anders gaan, chef?’ vraagt hij. Chef Rik schudt het hoofd. ‘Neen, hij moet gaan. Ik kan niemand missen.’ Bruno zucht. ‘Hoe moet ik hem de kneepjes van ’t vak leren als gij hem iedere keer van mij wegtrekt?’ ‘Ik stel geen vragen,’ antwoordt Rik, ‘ik geef orders. Directe orders. Zwijg als ge mij tegenspreekt of ’t is een model 9. Kunt ge oud en nieuw gaan vieren in X.’ ‘Ja, chef. Ge hebt het gehoord, hé, Jimmy. Teure maar Ringo gaan wakker bellen. Watertorenstraat 24. En doet uw wanten aan, ’t is beestekoud buiten.’ ‘Oké, Bruno,’ antwoordt Jimmy. ‘En niet treuzelen want er ligt hier nog werk voor u. Ik weet perfect hoe ver het is van hier tot aan de Watertorenstraat.’ Jimmy beent de postmannenzaal uit. Hij neemt zijn postfiets en rijdt de Grote Markt door de Leiestraat naar beneden, over de Leie naar het toepasselijk genoemde Overleie, op weg naar de Watertorenstraat. Het is koud, hij is nog niet over de brug in de Budastraat of zijn handen worden al gevoelloos. Wanneer hij aankomt in de Watertorenstraat, aan het huis waar hij zou moeten aanbellen, zet hij zijn fiets aan de gevel. Het is nog steeds donker en de straatverlichting doet het niet meer zo goed. Jimmy drukt op de bel. Er hangt een blaadje onder de belknop, maar het is te donker om te kunnen zien wat er op gekrabbeld staat. Er komt geen reactie. Jimmy klopt met gebalde vuisten op de deur. Het licht op de eerste verdieping knipt aan. Een man schuift het gordijn van het raam een ietsje opzij. Daarna dooft het licht weer uit. Jimmy probeert nog eens door met zijn fietssleutel op het raam van de benedenverdieping te tikken. Geen antwoord. Onverrichterzake springt Jimmy terug op zijn fiets en rijdt langs het Astridpark terug naar het postkantoor.

Miguel
9 0

Brooddronken, deel 2, hoofdstuk 9

9   Die avond gaat het er bij het gezin Sabbe iets feestelijker aan toe. De laatste stukken fonduevlees worden van een verse zak rauwkost voorzien en ook de aardappelen hebben hun feestjasje aangetrokken – het zijn gebruineerde aardappelen of, zoals ze het bij de Sabbes noemen, aardappelen zoals in Kortrijk. Een lange tijd geleden toen ze nog niet in die mate dysfunctioneel waren dat ze niet meer samen over straat kunnen lopen, waren ze met z’n vieren op uitstap naar het stadscentrum van Kortrijk. En daar stonden toen gebruineerde aardappelen op het menu. De naam is blijven hangen, ook al kan Marjolein ze bij lange na nog niet klaarmaken zoals een professionele kok dat wel kan. Maar de moeite die ze zich getroost heeft, namelijk het bruineren van de aardappelen in de boter, zou geapprecieerd moeten worden. Helaas voor haar worden aan de dis andere onderwerpen aangesneden. Reginald ploft het prikkertje met twee halve gehaktballen aan in de fonduepot. ‘Ik heb gehoord van Bruno dat ge uw best hebt gedaan,’ zegt hij, met een norse blik. Een compliment zal niet onmiddellijk verwacht moeten worden. ‘Was dat tegen ik?’ vraagt Jimmy. Marjolein bekijkt de uitwisseling met stijgende spanning. Een verkeerd woord is genoeg om de lont aan het kruitvat aan te steken en van fondueprikkers gevaarlijke projectielen te maken. ‘Neen, tegen de paus. Tegen uw broer gaat het niet zijn, hé. Die zit liever bij zijn negerin in Gent.’ Het stukje vlees van Jimmy is klaar. Hij overgiet het royaal met kippenkruiden, tot er niets meer van het stuk vlees te zien is. ‘Ge hebt gij een gebreide maag, zeker,’ zegt Reginald terwijl hij aan zijn sigaret trekt, ‘met uw smerige kruiden altijd. Ge gaat nog een keer een gat in uw maag branden.’ Een wolk rook verspreidt zich over fonduestel en -vlees. ‘Mijn vlees is sowieso al gerookt. Ik moet van iets doodgaan, hé,’ antwoordt Jimmy op schampere toon. ‘Niet te arrogant, hé, ventje,’ zegt Reginald, ‘of ge krijgt den dezen tegen uw tanden.’ Hij wijst naar zijn rechtervuist. ‘Kunnen jullie nu niet gewoon overeen komen? ’t Is altijd spel met jullie twee,’ zegt Marjolein. ‘Hij is begonnen,’ zegt Jimmy. ‘Het is nog altijd uw vader. En uw vader is baas,’ zegt Marjolein. ‘Zo mag ik het horen,’ zegt Reginald terwijl hij een blikje bier opentrekt, ‘Bruno was preus op u.’ ‘En?’ vraagt Jimmy. ‘Ik had gedacht dat gij ook preus ging zijn. We gaan alijk nog een facteur van één van de twee maken.’ ‘Ik wil niet.’ Jimmy kruist zijn armen. ‘Wat?’ vraagt Reginald. ‘Ik wil geen facteur zijn. Dat interesseert mij niet, dat is mijn aspiratie niet.’ Er volgt een ongemakkelijke stilte, behalve dan het tikken van de klok, dat nu luider klinkt dan ooit tevoren, tot Reginald briest. ‘Gij zijt een ondankbaar jong. De merendeel van uw leeftijd hé, die zijn nu werkloos. En gij zit direct in ’t werk waar ge gaat kunnen blijven tot uw pensioen als ge uw manieren houdt.’ Reginalds hoofd wordt rood. Marjolein wordt zichtbaar zenuwachtig. ‘Neen, pa. De merendeel van mijn leeftijd heeft geen werk omdat ze gaan studeren. Dat is de realiteit.’ ‘Realiteit, aspiri… Hij is daar weer, hoor, met zijn moeilijke woorden. Het gaat er niet om wat dat gij wilt, gij gaat facteur zijn en daarmee gedaan. Ge moogt blij zijn dat ge dat nog hebt, achter uwe stunt bij de VDAB.’ Maurits de kat springt op tafel en Reginald gooit hem een stukje biefstuk toe, dat Jimmy net op zijn prikker zou steken. Luid smakkend springt het beest op de stoel die vroeger die van Billy was. ‘Dat van de VDAB is hun eigen schuld. Ze gaven verkeerde instructies om het te vinden. Natuurlijk dat Billy en ik dan te laat kwamen.’ ‘Ziet dat ge dan toch verder hebt mogen leren,’ zegt Marjolein, ‘maar ja, als ge ’t laat uithangen…’ ‘Ma, begint niet, hé. Ik zat daar tussen uitgerangeerde marginalen die door het watervalsysteem waren uitgespogen en zelfs het meest basale diploma niet op zak hadden. En daarbij, ge hebt zelf gezegd dat elektricien niets voor mij was en dat ik eigenlijk aan de hogeschool zou moeten zitten nu.’ ‘Uw ma heeft niets te zeggen over u, dat is geen familie. Gij zijt een Sabbe, ik ben een Sabbe. Zij is een Van Suypeene. Geen familie. Ik wou intijde ook bijtekenen voor bij de para’s. Maar ik mocht ook niet van mijn moeder.’ ‘En omdat meme Cordula u belette van para te worden, mag ik ook niet doen wat ik wil?’ vraagt Jimmy. ‘Ik heb gedaan met eten,’ zegt Marjolein, niettegenstaande ze haar bord nauwelijks heeft aangeraakt. Ze kiest zoals gewoonlijk voor de volle vlucht vooruit naar de krakende bruine zetel. ‘Bedankt, hé,’ zegt Reginald, ‘ge hebt dat weer goed gedaan. Kunt gij nu nooit één keer normaal doen?’ Jimmy kijkt naar zijn bord. Hij staart. Hij is er lichamelijk maar geestelijk zit er niets achter zijn bedroefde ogen. Dit is nu zijn leven. Veroordeeld tot een circadiaans ritme van slapen, werken, slapen en werken. De weinige en karige dromen die hij had, opgeborgen achter een muur van dienstplicht, fietsen en brieven. Hier komt hij nooit weg. Over veertig jaar zal hij het zijn die, geplaagd door de stress van weer een uitgeregende postronde, zijn vrouw en kinderen mishandelt. Hij huivert bij die gedachte. Meer is er niet te doen. Hij gaat naar de badkamer, trekt zijn pyjama aan en sloft naar zijn slaapkamer. Zijn stappen zwaarder dan gewoonlijk, de trap kraakt harder dan anders. Hij ploft zich neer op zijn bed en valt geheid in slaap. Een traan rolt over zijn wang. Morgen is het donderdag. 27 december. Hij kijkt uit naar zaterdag. Dan is hij thuis. Rust.

Miguel
5 0

Brooddronken, deel 2, hoofdstuk 8

8   Bruno en Jimmy komen aan bij de Vlaanderenstraat. In nummer vijf ligt een overlastzak of twee en wat bundels met reclame in. Bruno rijdt voorop en zet zijn fiets tegen de gevel. Het is een groot gebouw, zelfs voor de Vlaanderenstraat die er uit ziet als een wijk voor de iets betere klasse. ‘Hier moet ge dus uw eerste overlast ielen,’ zegt hij, wijzend naar één van de twee zakken. ‘Hoe weet ik wat de eerste van de twee zakken is?’ vraagt Jimmy, terwijl hij van zijn fiets kruipt en naar de zakken wandelt. Met de handen in zijn zakken kijkt hij naar de hoop werk die hem wacht. ‘Als uw ballen ontploffen, zijn uw handen weg, hé,’ lacht Bruno. ‘Wat?’ ‘Met uw handen in uw zakken, gaat dat niet gaan, hé.’ ‘Mijn handen hebben koud. Die van u niet?’ vraagt Jimmy terwijl hij zijn handen probeert warm te blazen. ‘Neen. Maar ik voel dat niet meer. Gij ook niet, als ge ’t volhoudt.’ Bruno steekt een sigaret op. ‘Ge gaat moeten kijken hé, vent,’ vervolgt hij, ‘ge ziet zelf dat het twee verschillend gekleurde zakken zijn. Ik pak altijd de lichtst gekleurde zak voor ’t eerste stuk. Daarin zit de Vlaanderenstraat, behalve nummer één. Die hebt ge daarstraks al gebust.’ Jimmy opent de zak en natuurlijk, zo denkt hij bij zichzelf, is het de verkeerde. Met zijn armen gekruist en lurkend aan een sigaret bekijkt Bruno zijn poulain. ‘Ge kunt hier veel tijd winnen of verliezen. ’t Is wat dat ge ’t liefste doet,’ zegt Bruno. Jimmy wil eigenlijk het liefst van al naar huis. Hij is dit beu. De vrieskou is hij beu. Bruno is hij beu. De slecht zittende uniformstukken is hij beu. Zijn tenen voelt hij al niet meer en het gevoel kruipt naar boven. Het is alsof zijn bovenbeenspieren staalhard zijn. Er zit vertraging tussen de intentie om zijn vingers te bewegen en de daadwerkelijke actie. Ook die beginnen te bevriezen, denkt hij. Hij vervloekt zijn grootvader Jules, die het zaadje heeft geplant. Zijn vader, om begrijpelijke redenen. Zijn moeder, door haar schaapachtige stilzwijgendheid. En hij moet pissen. Verschrikkelijk, verschrikkelijk hard pissen. ‘Jimmy?’ Jimmy kijkt op. Hij was in gedachten verzonken en wordt nu terug in de realiteit gesmeten. Het maakt niet uit of hij het graag doet of niet, wiens schuld het is of hoe hard hij moet pissen, die brieven moeten in de brieventas en daarna in de bus. De gedachten malen verder. Hij wil er de brui aan geven. Maar dat is een doodsvonnis. Reginald zou hem, als dat gebeurt, alle hoeken van de kamer laten zien. Hij is niet statutair, hij zit met een vier-maal-zes-maandencontract, wat zijn redding kan zijn, als hij er een te grote janboel van maakt. Dat hij ontslagen wordt. Dan is het niet zijn schuld. Echter, die gedachte vervliegt al snel en wordt verdrongen door een tafereel voor zijn geestesoog. Een tafereel waar de balans van macht in het postkantoor, waarvan hij zelfs na een dag al op de hoogte was, wordt doorééngeschud door het falen van een familielid van een ancien. Reginald zou de pispaal van het kantoor worden – en Jimmy de boksbal van Reginald. Dus dat is ook geen optie. ‘Gewoon doen wat je moet doen,’ denkt hij, ‘het goede leven is toch niet voor mij weggelegd. Mijn leeftijds- en klasgenoten zitten nu ergens op een hogeschool of een unief te blokken of God weet wat te doen en ik… tja…’ ‘Jimmy, die brieven gaan niet vanzelf in uw ransel arriveren, hé,’ zegt Bruno, ‘hop met de beentjes, dromer.’ Jimmy’s grimas is ook Bruno niet ontgaan. ‘Kijkt eens wat schoner,’ zegt hij, ‘ik ben ook iemands kind, zulle.’ Het liefst wil Jimmy hem een dreun geven. Maar dat is ontslag en dus een pak slaag van Reginald. Hij grijnst door zijn miserie heen – hij wil geen traan laten glijden. Al kan dat nog op de kou gestoken worden. ‘Rijdt gij maar vooraan, hier kunt ge de baan niet kwijt geraken,’ zegt Bruno, ‘’t is heelsan rechtdoor en als ge aan een splitsing komt, is ’t rechts afslaan. En gewoon volgen. Ik ga hier wel wachten.’ Hij haalt een thermos dampende koffie en een in zilverpapier gewikkeld stapeltje boterhammen boven. Jimmy rijdt met z’n fiets de huizen af. Vlaanderenstraat twee, vier, zes en ga zo maar door en dan rechts tot hij aan nummer achttien komt. Door het melkglas ziet hij de contouren van een bloedrode brievenbak waar een postzak in zit. ‘Ge moet zo raar niet kijken,’ zegt Bruno die hem al heeft ingehaald, ‘dat is het huis van Lucien van de nacht.’ ‘Er staan daar lijk brievenbakken of heb ik dat nu verkeerd op?’ zegt Jimmy. ‘Dat kan, maar ge houdt uw wafel tegen de inspecteur, die hier trouwens iets verderop in de Izegemstraat woont. Wat niet weet, niet deert,’ zegt Bruno, die naast Jimmy komt rijden. ‘Hop, en avant.’ Jimmy rijdt verder. Voor het eerst heeft hij een paar huizen kunnen bestellen zonder zijn voet op de grond te plaatsen. Bijna verstrengeld met de dubbele buis van zijn fietskader gaat hij van bus tot bus. Bruno ziet wat er gebeurt. Een postman ontluikt. ‘Tink me dat ge dat nog gedaan hebt, hé,’ zegt Bruno. Jimmy stopt zijn fiets om een nieuw pakje brieven te openen. De elastiekjes daarvan gaan rond zijn stuur. ‘Neen, niet echt,’ zegt Jimmy. ‘Daaraan ziet ge ‘t, hé. Facteur, dat komt ge niet, dat zijt ge,’ zegt hij en hij klopt zich trots op de borst, alsof hij het eerder over zichzelf heeft dan over Jimmy. Jimmy rijdt verder, voorovergebogen over zijn stuur. Alles doet pijn. En hij moet pissen. Op het einde van de Vlaanderenstraat is er een smal met asfalt bedekt boerenbaantje dat naar de Heirweg 204 loopt. ‘Hier zitten de mongsjes,’ zegt Bruno, ‘ge zult ze nog leren kennen als ge hun bultengeld gaat moeten uitbetalen.’ Aan de linkerkant van het boerenbaantje is een zachte berm met daarbij drie bomen die uitnodigend de urine van elkeen die daar passeert afwachten. Eindelijk, zoete verlossing, denkt Jimmy, die zijn fiets aan de kant zet. De koude doet zijn urine roken, daarna gaat die de Heulebeek in. ‘Marcelino kwam hier ook altijd pissen,’ zegt Bruno, die zich ook van wat ballast ontdoet, ‘en dan hebben ze een keer foto’s van blote vrouwen aan die boom gehangen.’ Jimmy weet niet wat hij daarop moet antwoorden. Dat fait divers is zelfs beneden zijn peil, denkt hij, maar hij zal maar gewoon vriendelijk lachen, dat heeft hem nu al zo ver gebracht. Ze rijden terug naar nummer vijf. ‘We zijn ongeveer halfweg nu,’ zegt Bruno, terwijl hij nog een sigaret opsteekt, ‘pakt u de andere zak en leegt hem, ik ga de lege zak dan wel meenemen.’ ‘En dan is het nu naar?’ vraagt Jimmy. ‘De Heirbaan. Enfin ja, de Heirweg,’ zegt Bruno en ook hij stapt weer op zijn fiets om Jimmy te volgen. ‘Gewoon de Izegemstraat terug inrijden en dan links afslaan.’ Jimmy rijdt de Heirweg in en opent een nieuw pakje brieven. Hij steekt de post in de bussen van de kleine arbeidershuisjes – nog kleiner dan het zijne, wat hij bijna niet voor mogelijk acht – en maakt zich klaar om de straat over te steken waar een klein mini-beluikje is met net dezelfde soort huisjes. Hij worstelt met zijn fiets en de overvolle zakken, want de borduur van het smalle voetpad komt te hoog om deftig te kunnen manoeuvreren. Bruno kijkt terwijl hij zijn sigaret oprookt. Luid vloekend doet Jimmy zijn best om terug te keren, wat bijna onmogelijk is. ‘Hebt ge nu iets geleerd?’ vraagt Bruno. ‘Dat deze strontjob niets voor mij is,’ zegt Jimmy. Bruno lacht. ‘Maakt maar dat Reginald u niet hoort. Nee, dat stukske hier doe ik gewoon te voet, zulle, die kleine huizekes. Ik zet mijn velo tegen de gevel en ik haal de post en mijn zwart taske er uit. Allez, en avant,’ zegt hij en het tweetal steekt de straat weer over. Gelukkig voor Jimmy stonden er toen aan de overkant geen huizen en kan hij richting de Ringlaan rijden. ‘Ge rijdt door tot aan de rode lichten,’ zegt Bruno. Dan hebt ge de post voor de Mambo en keert ge terug.’ Jimmy geeft spreekwoordelijk gas. Hij moet wel een paar keer terugrijden. Want brieven bestellen als nieuweling doe je niet aan honderd per uur. Op het einde van de Heirweg draaien ze af naar het Ring Shopping Center. Daar aangekomen gaan beide fietsen tegen de hoek van de gevel en de grote trap naar boven. ‘Ziet ge ’t zitten om alleen door te doen?’ vraagt Bruno. ‘Was het niet zo dat we samen moesten blijven?’ antwoordt Jimmy, terwijl hij het hangslot van de overlastzak openprutst. ‘Ja, eigenlijk wel. Maar ik moet nog de schotel bestellen voor oudejaar, en ons Viviane wordt kwaad als de scampi’s diabolique uitverkocht zijn. Dus vraag ik nu al of ze er apart leggen, dan kom ik er na het werk achter.’ Jimmy weet beter dan tegen te spreken, dus laadt hij zijn fiets en gaat hij weer op pad. Het begint opnieuw te regenen. Bruno roept hem nog na dat hij op de hoek van het Neringenplein moet wachten, mocht hij hem nog niet hebben ingehaald. Het Touwslagerspad, de Kuipersstraat, Touwslagerstraat en Tinnegietersstraat gaan voor de bijl als was Jimmy een ervaren postman, al begint het wel overal pijn te doen. Hij wacht op de hoek van de Tinnegietersstraat en het Neringenplein. Bruno haalt hem in. ‘Ge moet niet vliegen, hé, ’t is geen koers, hé,’ zegt hij, duidelijk buiten adem. Jimmy haalt de schouders op. ‘Trouwens, ge moet leren kijken naar uw brieven. De Touwslagersstraat is niet hetzelfde als het Touwslagerspad of de Tinnegietersstraat,’ vervolgt Bruno en hij haalt een paar brieven boven, ‘die heb ik teruggekregen. ’t Zijn de eerste voor morgen.’ ‘Ja, sorry, hé,’ zegt Jimmy. ‘’t Is niet erg. Kom, we gaan nog dat Neringenplein doen en de Kaarsengietersstraat en dan is ’t tijd om naar huis terug te keren.’ Bruno bestelt de laatste brieven, nadat hij op zijn horloge keek en zag dat de tijd van de dag tegen de drie uur in de namiddag aan schurkte. Daarna rijden ze naar het kantoor, waar ze hun rekening maken en hun wegen zich van elkaar scheiden.

Miguel
3 0

Brooddronken, deel 2, hoofdstuk 7

7   Reginald rijdt door de Sint-Jansstraat. Stilte voor de storm. De Sint-Jansstraat ligt pal in het centrum van Kortrijk – zowat de verbindingsader tussen het gefaalde Overbekepleinproject en de Veemarkt, waar de horeca vooral de dienst uitmaakt, vooral aan de linkerkant van de straat. De rechterkant is voorbehouden voor het ter ziele gegane Onze-Lieve-Vrouw-van-Bijstand-instituut. Dat is de school waar Jimmy de laatste twee jaar van zijn schoolcarrière heeft gespendeerd. Het instituut is ter ziele gegaan, verrassend goed onderhouden, eigenlijk en staat te wachten tot de onvermijdelijke bol-met-ketting het met de grond gelijk maakt, ook al mag dat eigenlijk niet want het is een beschermd monument of zou dat toch moeten zijn. Reginalds fiets gaat tegen de gevel van de school en hijzelf neemt een stapel brieven in de hand en een bundel grote stukken zoals abonnementen of moderne nieuwjaarskaarten op zijn arm en wandelt de straat af. Bij het terugkeren van de wandelronde staat tegenover zijn fiets, op de dorpel van het café, een koel pintje te wachten naast een doos pralines. De pralines gaan in de fietszak en Reginald steekt een sigaret op. Het begint te druppelen. Reginald trekt het zeil van zijn postzak over de post. Normaal gezien zou hij er niet mee inzitten dat de post van de klanten nat wordt, maar het is eind december en dan komen de “nieuwjaars” er aan, wat betekent dat wie zoet is, lekkers krijgt. Tegen zijn fiets leunend, drinkt Reginald het flesje bier leeg, in een paar teugen. Na een luide boer en de opmerking naar een vrouw die met de hand voor de mond verbouwereerd stond te kijken van waar zij zich mee moeit, de luie doos, springt hij terug op zijn fiets en rijdt hij naar de Veemarkt. Het aanbod dat hij van chef Rik had gekregen, maalt door zijn hoofd. Het is immers zo dat dit verhaal nog speelt in de tijd dat het sorteren van brievenpost én ook platte stukken, A4-formaat, lokaal worden gesorteerd door de postmannen zelf. In grote kantoren, zoals Kortrijk 1, 1ste afdeling, gebeurt dit door de nachtsortering, zoals eerder vermeld. Reginald is wonderwel een bekwame sorteerder. Hoe asociaal hij zich ook tijdens zijn ronde gedraagt, hij is een postbode die zich plichtsgetrouw van zijn taak kwijt, omdat hij dat zo ingedramd kreeg van zijn vader Jules, die ook postbode was. Maar zijn échte talent is sorteren. Alhoewel hij dat niet graag doet omdat ’s nachts de kantine gesloten is. Het aanbod dat Reginald van Rik gekregen heeft, is dat hij zou worden ingezet om de enorme hoeveelheid brieven te helpen wegwerken ’s nachts. Hij komt aan bij het café ’t Baggaertshof en zet zijn fiets tegen de gevel. Zoals gebruikelijk opent hij het slotje van het kettinkje waar zijn zwart brieventasje aan zijn ransel mee bevestigd zit en neemt hij het tasje mee in het café. Reginald begroet de stamgasten. Er is ook een andere postbode aanwezig, namelijk Toine, die normaal binnendienst doet. Hij zit voorovergebogen over een glaasje whisky. Reginald klopt hem op de schouder. ‘Ah, Regge,’ zegt Toine, die opkijkt vanuit zijn whiskyoverpeinzingen. ‘Ligt de KB hier nu?’ lacht Reginald? Toine grijnst, kijkend naar zijn glaasje. ‘Ik dacht dat de Kredietbank op ’t Schouwburgplein lag.’ ‘Ik zal verkeerd gelopen zijn, zeker,’ zegt Toine. ‘Weet ge al wat dat ge gaat doen nu, met den tri?’ Treze brengt Reginald een koffie en doet er een flinke geut cognac in. ‘Doe nog maar een beetje, wi, Treze, voor den tijd dat het nog duurt,’ zegt Reginald, wijzend naar de kop koffie. ‘Oh? Moogt ge al eerder op pensioen, Reginald? Ik ga u missen wi, wie gaat er nu al mijn Rodenbachs uitdrinken?’ ‘Neen, Rik heeft gevraagd aan Reginald of hij zou willen triëren ’s nachts.’ ‘En?’ ‘De kantine is toe, dan, waarom zou ik dat dan willen doen? Ze klappen wel van ’t extra loon, maar wat ben ik met meer geld als ik het niet kan opzuipen?’ zegt Reginald. ‘Ge moet dan toch alijk niet meer door de koude tjolen, hé. Ge moet het zo zien. En wees eerlijk,’ zegt Toine, ‘ge weet gij toch ook wel wat dat ze daar doen hé, met pinten.’ ‘In een zak steken en buiten aan een ruit binden omdat ze fris zouden zijn ne keer het pijpetijd is, ja.’ ‘En chef Zeno zit daar, die gaat daar geen bezwaar tegen hebben dat gij daar pinten zit te drinken, zolang uw bakken weggetrieerd zijn, zulle. Ik zou ’t doen,’ zegt Toine, terwijl hij teken doet om nog eens bij te vullen, wat Treze onmiddellijk doet. ‘Ik vind ook dat ge dat wel moet doen, Reginald. Voor wat zoudt gij nog uw lijf kapot helpen voor dat laatste jaar dat ge nog moet werken?’ vraagt ze. ‘Omdat ik een hele hoop nieuwjaars ga mislopen, tiens. Ge weet gij niet wat ik opschep zeker in de januarimaand?’ ‘Maar die sortering is toch enkel voor nu tot en met oudjaar?’ ‘Dat denkt gij. Dan gaat er plots weer een actie van één of andere catalogus zijn gelijk de 3 Suisses en ga ik nog wat langer mogen blijven. Trouwens, dat wijf van mij gaat mij pushen om het te doen, omdat ik dan de hele tijd op haar puitemuile ga moeten zitten gapen.’ ‘Zeg,’ zegt Toine, ‘eens iets anders. Ik heb gehoord dat gij nu een negerin als schoondochter hebt?’ Reginald kijkt op. ‘Wie heeft er u dat verteld?’ briest hij. ‘Die persoon wou dat ik hun naam geheim hield,’ antwoordt Toine. ‘Jimmy dus. Die achterlijke mongool kan nu eens nooit zijn muil houden.’ ‘Dus het is waar?’ vraagt Toine. ‘Het zal lang duren,’ zegt Reginald terwijl hij een sigaret opsteekt, ‘voor ge ’t weet laat die hem weer in de steek. Dat is gewoon een bevlieging. Kent ge dat niet? “Pa heeft het niet voor vreemde, ik ga mij ergens een negerin opscharrelen om het kerstfeest te vergallen.” Binnen een haai en een draai is dat weer voorbij. Ben ik zeker van.’ ‘En wat dan nog als het dan toch echt blijkt te zijn,’ zegt Treze, die alles natuurlijk gehoord heeft, zoals het een goede cafébazin betreft, ‘’t is toch zijn leven?’ ‘Als ’t waar is en ’t blijft duren, onterf ik hem gewoon.’ Toine lacht. ‘En wat gaat gij achterlaten als ge uwe lepel wegsmijt? G'en hebt geen nagel om aan uw gat te scharten!’ ‘Mijn huis, hé,’ zegt Reginald. Toine grinnikt. ‘Míjn huis, dat ik zelf gekocht heb. Mijnen eigendom.’ Ondertussen is Treze druk in de weer met de klanten die wél verlof hebben en besluiten hun eindejaarspremie weg te drinken in het café. ‘Pardon,’ zegt Toine, ‘het huis dat ge geschonken gekregen hebt van Cordula. Anders zat ge ergens in een gepacht huis in ’t Groeningebeluik of ’t Amsterdams poortje of zoiets.’ ‘Of ’t Vandammebeluik, godbetert. Ah oei, dat is toch waar dat gij woont, hé?’ lacht Reginald, ‘hoe dat ’t ook is, ’t is nu mijn huis en als ’t alzo zit dat Billy verder doet met die negerin, gaat het volledig naar Jimmy.’ Reginald duwt zijn sigaret in de asbak uit, staat recht van de tafel en neemt zijn zwart tasje ter hand. ‘Ja,’ zegt hij terwijl hij een boer nauwelijks kan onderdrukken, ‘de plicht roept.’

Miguel
0 0

Brooddronken, deel 2, hoofdstuk 6

6   Het duo Bruno-Jimmy bevindt zich iets verderop, aan de andere kant van de stad, in de schemerzone tussen Kortrijk en Heule, gekend als Heule-Watermolen. Door archaïsche dienstorganisaties in het verleden, zoals eerder vermeld, blijven Kortrijk en Heule strikt gescheiden. Dus na het bestellen van nummer 94 in de Izegemsestraat, gaat het over in Heule en moeten ze een stuk doorrijden naar de Kleine Ieperstraat, een klein straatje dat zijn naam niet gestolen heeft – het is een straat die uitmondt in de Ieperstraat, nummer 40 om precies te zijn, maar dat nooit verder geëvolueerd is dan een asfaltbaantje dat naar de fabriek van Mewaf leidt, die gelegen is in de Lijnwaadstraat, ook een zijstraat van de Ieperstraat. ‘Hier hebt ge een COD,’ zegt Bruno, die langs Jimmy rijdt, die zelf de post aan het bestellen is. Dat gaat met horten en stoten – soms moet Jimmy eens terugkeren omdat hij een brief vergeten is. De beste manier om te leren, vindt Bruno, die glimlacht bij het geklungel dat ook ooit zijn deel was. ‘Een wat?’ Jimmy is nog niet mee met de postterminologie. ‘COD, een pakske waarvoor ze moeten betalen. Ge kunt dat zien omdat er een overschrijving aan vastplakt. Kijkt maar eens in uw velozak.’ De fiets leunt tegen de muur terwijl Jimmy door zijn zakken rommelt. ‘’t Is iets dat ge wel leert met de tijd, hoor, wat organisatie in uw zakken,’ zegt Bruno. Jimmy haalt wat pakjes brieven uit de fietszak en legt deze op het voetpad. Bruno rookt ondertussen een sigaret en fluit een liedje. ‘’t Is de beste manier om te leren,’ zegt Bruno wanneer Jimmy eindelijk het pakje opduikelt.   Half verkleumd door de kou belt Jimmy aan. Zijn fiets danst tussen zijn benen. Een man doet open. Hij rookt een pijp. Draagt een kerstmuts. Dat is een echte, denkt Jimmy, zo één van die gelukzakken die zijn werkcomputer kan uitschakelen ergens half december om dan begin januari, tussen twee nieuwjaarsrecepties door, misschien die weer op te starten om zich door de obligatoire hoop kerst- en nieuwjaarsmails te wurmen. En die dat dan nog werken durven noemen. Die nog nooit met halfbevroren vingers proberen een brievenbus omhoog te houden om er een brief in te laten glijden, terwijl de fiets op een ijzige ondergrond óók wil glijden. Wiens vingers nooit vol barsten zitten, van wie de schellen niet alleen van de ogen vallen maar ook en vooral van de handen, die spontaan openspringen bij deze kou. Die, als hij moet gaan piesen, kan gaan piesen, gewoon in zijn verwarmde toilet, in plaats van tegen een boom, in de koude, in de regen.  ‘Ah, een nieuwe,’ glimlacht de man, denkend dat hij iets interessants te vertellen heeft.  ‘Ja, ik ben in opleiding,’ antwoordt Jimmy, met het pakje in de hand, ‘ik heb een pakje bij voor u.’  ‘Dat zie ik,’ zegt de man en hij neemt het aan.  ‘Er moet wel voor betaald worden,’ zegt Jimmy.  ‘Hoeveel?’  ‘Twaalfhonderd frank.’  De man draait zich om en wandelt de gang in.  ‘Zit Bruno met een stuk in zijn kloten thuis, dé?’ vraagt hij.  ‘Nee, nee, Jean, ik zit hier. De beste wensen van ’t jaar, hé.’  De man tast in zijn portefeuille.  ‘Voor u van ’t zelfde, hé. Magritte vindt dat ge goed werk hebt geleverd.’  Jimmy kijkt met afgunst toe hoe Bruno een briefje van vijfhonderd frank wordt toegestopt. Die laatste vouwt het briefje op en steekt het in zijn zwart tasje dat met een ketting aan zijn fiets vast hangt.  ‘En twaalfhonderd frank voor u hé. Hoe noemt gij?’ vraagt Jean.  ‘Jimmy. Jimmy Sabbe.’  Hij zal die vraag nog dikwijls horen. Kortrijk in die tijd was een stad met een dorpsmentaliteit. Iedereen kende iedereen wel, onrechtstreeks.  ‘’t Is de kleine van Reginald.’  ‘Reginald? Reginald drankneuze? Die met Marjolein?’  ‘Ja, die.’  ‘Ik ga nog wat verder bestellen, als ’t niet besant,’ zegt Jimmy, die er liever niet bij is wanneer zijn hele familiesituatie op straat wordt uitgesmeerd.  ‘Ja, aan de Lijnwaadstraat rechts, hé,’ zegt Bruno, zwaaiend met zijn sigaret.  Terwijl Bruno nog staat te keuvelen, gaat Jimmy gezwind de Lijnwaadstraat in – en uit. Voor de eerste keer sinds hij dit doet, heeft hij het gevoel dat hij het kan. Toegegeven, de Lijnwaadstraat is een straatje van om en bij de dertien huizen, of zo, maar Rome is ook niet op één dag gebouwd. Nu is het nog het stukje Ieperstraat richting de Brugsesteenweg, die de Ieperstraat doorklieft. De rest is voor dienst 20. De Brugsesteenweg is voor dienst 17. Tot in Kuurne. Da’s een ander kantoor. Jimmy haspelt de eerder gesproken woorden nog eens af. De overvloed aan informatie op zijn eerste dag wordt nu netjes verpakt in hapklare brokken, gemakkelijker te verteren. Of het ook zo was, in zijn vaders tijd, vraagt hij zich af. Hij slaat de Ieperstraat terug in en wordt op de hoek opgewacht door Adhemar Verhoefstrate, woonachtig op de hoek van de Ieperstraat met de Lijnwaadstraat. Als Adhemar cartoonesk zou worden voorgesteld, dan gegarandeerd als aasgier. Niet noodzakelijk kwaadaardig, maar hij zal nooit aan de haal gaan met schoonheidsprijzen. Gevorderde kaalheid, ongetwijfeld toe te schrijven aan zijn vergevorderde leeftijd, en toch heeft hij meer haren dan tanden. ‘Dag Médard,’ zegt Jimmy, terwijl hij de post van nummer 86 aan de man geeft, ‘ge zijt er ook tielijk bij?’ Eigenlijk weet Jimmy helemaal niet waarover hij moet keuvelen met de mensen. Daar staat hij dan, een jonge kerel van negentien, met een fiets tussen zijn benen, een hoop post in zijn zakken waarvan hij wenst dat hij ze zo snel mogelijk kwijt is, maar beseft dat dat niet te gauw zal gebeuren, door zijn onervarenheid en de gewoonte, blijkbaar, van Bruno, om elke vijf huizen iets te aanvaarden wat eigenlijk niet meer of minder is dan smeer- of zwijggeld.

Miguel
3 0

Brooddronken, deel 2 hoofdstuk 5

5In de Groeningekaai is het rustig. Het is ongeveer tien uur en Marjolein maakt eindelijk aanstalten om de dag te beginnen. Vandaag is de eerste dag sinds voor Kerstmis waar Reginald niet als een koning uit zijn zetel regeert, de vliegenmepper als zijn scepter tegen de zijkant van zijn fauteuil slaand. Marjolein denkt er aan om haar schoondochter op te bellen. Ze kon het op het kerstfeest best wel vinden met Célestine en ze heeft het gevoel dat dat best wel wederzijds was. Het telefoonnummer verkrijgen zou niet moeilijk zijn, Billy zou haar dat wel geven. Tobbend zit ze op het bed, twijfelend of ze nu wel of niet die stap zou zetten. Dan beseft ze opnieuw dat Reginald de touwtjes strak in handen heeft. Zelfs al zou ze kunnen bellen, zoiets verberg je niet. Zeker niet voor een man die zijn post rechtstreeks van de postbode krijgt, in het postkantoor, en ter plekke de telefoonrekening uitpluist naar nummers die er niet zouden mogen in staan.Maurits krabt aan de deur. Nog zo’n probleem dat voor verdere situaties kan zorgen. Iemand heeft de trapdeur laten open staan – de accordeondeur die de leef- van de slaapruimtes onderscheidt. Hoogstwaarschijnlijk is het Reginald zelf, die subtiel de deur open laat waardoor licht zichtbaar is tot op de muren van hun slaapkamer, om toch maar Marjolein uit haar slaap te wekken. Aan de andere kant is het nooit Reginald zelf, zelfs al is het Reginald die de deur openlaat, want hij verplicht steevast de andere huisgenoten die deur te sluiten, en hij maakt geen fouten.Marjolein verlaat het bed en waggelt naar de deur. Het is best mogelijk dat Reginald de dunne klauwmarkeringen van Maurits nog over het hoofd ziet, of er gewoon niet op let, maar als Maurits in het bed geraakt en de immer muitende kat er zijn stempel achterlaat in de vorm van fijne rosse haartjes, dan zullen de poppen wél aan het dansen gaan. Het is dus zaak voor Marjolein om zo snel mogelijk de slaapkamer uit te zijn, voordat Maurits zijn kans schoon ziet en langs haar naar binnen kan schieten.Dat lukt haar wonderwel. Weer iets om van de lijst te schrappen. Volgende taak is het terug verbannen van het fonduestel naar “het kot” en daarna haar Flair Kerstspecial verder uitlezen in de steevast krakende bruine lederen zetel. Ze maakt zich zorgen. Ze maakt zich zorgen over haar zoon Billy, die wellicht nu de strapatsen van zijn vriendin moet verdragen, omdat hij haar niet genoeg had gewaarschuwd voor de bruut die Reginald blijkt te zijn. Ze maakt zich zorgen over Jimmy, die haar al in vertrouwen had genomen en had gezegd dat hij dit echt niet ziet zitten, om die job tot het einde van zijn dagen uit te voeren, een einde dat wat hem betreft wel eens vroeger dan later mag komen. En ze maakt zich zorgen over de staat waarin Reginald zal terugkeren. De periode die aanbreekt is immers die van de dreupels, de flessen cognac die Reginald op ronde zal krijgen als beloning van weer een jaar puik werk – of als onderpand voor het komend jaar, opdat hij zich afdoend van zijn taak zal kwijten – en het drinkgeld waarmee hij zich weer een ferm stuk in de kraag zal drinken. Ze denkt terug aan vroeger, toen ze nog samen met haar ouders en haar zus Zulma Martha en de tweeling Eufrazie en Eulalie de Middenstand in de Lange Steenstraat uitbaatte en feestdagen nog een bron van plezier waren, in plaats van de oorzaak van veel verplichte miserie, jaar in, jaar uit.Eén van haar taken is het uitkiezen van het middagmaal. Haar oog viel op de half met ijs bedekte dozen met macaroni met kaas en ham van Bistro Diner. Bistro Diner is nu al een tijdje van naam veranderd en de houdbaarheidsdatum is bedekt met ijs, maar toch kiest Marjolein de macaroni. Immers, dat wordt toch niet slecht in de diepvries, denkt Marjolein, ook stamt de diepvries uit de jaren zeventig.De voormiddag gaat voorbij. De macaroni staat op de radiatoren te ontdooien – dat scheelt alweer wat tijd in de microgolf. Marjolein zelf houdt het voor deze middag op een boterham met stierenboter en een roerei.

Miguel
5 0

Brooddronken, deel 2, hoofdstuk 4

4 Jimmy wandelt terug naar zijn werkpost. Zijn maag blijft draaien, maar hij mag niets meer laten blijken. Het Reginaldkrediet voor vandaag is met het akkefietje van daarstraks weer gespendeerd, en elke aanvaring kan leiden tot een handgemeen. Bruno zit aan de werkpost met een pakje brieven in de hand. ‘Hebt gij al uw casiers gelicht?’ vraagt hij aan Jimmy, hem streng aankijkend. ‘Ja, waarom?’ Bruno zwaait met het pakje brieven. ‘Omdat er nog een hele handgreep brieven in zat voor de Izegemsestraat. ’t Is belangrijk dat ge heel uw casier ielt, hé,’ zegt hij. ‘Maar ik héb de werkpost geleegd. Ik mag hier ter plekke doodvallen als het geen waar is,’ protesteert Jimmy. ‘Het is wel raar dat het allemaal brieven zijn voor de Izegemsestraat,’ zegt Bruno. ‘Ik denk…’ begint Jimmy, maar hij wordt onderbroken door Marc Jolicoeur. ‘Ge moet hier niet peinzen, De Post peinst voor u,’ zegt hij, terloops terwijl hij zijn boterham in zijn koffie dopt. Ook Reginald moeit zich in het gesprek. ‘Awel, Jimmy, zijt ge ne casier vergeten te lichten, ja? Slechte punten hé,’ zegt hij, gevolgd door een vettige bulderlach waarvan iedereen kan opmaken dat hij het gedaan heeft, of toch zeker er meer van weet. Een voor Jimmy onbekende postbode, wiens meest prominente eigenschap een aardbeineus is waarop een Aviator van de jaren 80 is geperst en wiens haar en baard respectievelijk bruin en grijs zijn, sloft voorbij. ‘Ah ja, Bruno,’ zegt hij, Bruno aanporrend, ‘hebt ge die brieven gehad voor de Izegemsestraat? Ik heb ze aan Sabbe gegeven. Er zijn er hier toch wel die hun tri moeten leren. Jonge gasten.’ Hij sloft verder richting de dienstdeur die naar de lift leidt, mompelend over hoe het destijds geen waar zou geweest zijn. ‘Wel die godverdomme,’ zegt Bruno. Jimmy komt dichter staan. ‘Wat heb ik gedaan?’ vraagt hij. ‘Gij niet, uwen ouden. Hij heeft de brieven die hij van Marcel gekregen heeft, gewoon weer in de casier gewupt. Soit, ik heb er de doodsbrieven uit gehaald, die gaan vandaag nog mee. De rest heb ik in een liasse gedraaid en die vliegt in de overlast, voor morgen.’ ‘Mag dat?’ vraagt Jimmy. ‘Neen. Maar wij gaan niet opdraaien voor de toeren van uw vader, zulle. Als ge uwe pa ziet, begaart van pijkens, zo pest ge hem nog het meest. Zijt ge gereed?’ ‘Ja, ik denk het wel,’ antwoordt Jimmy en hij omgordt zijn ransel. Bruno draait Jimmy’s ransel zodat deze op diens rug rust. ‘Ik ga er van uit dat ge uw schoeren en uw rug nog een tijd wil gebruiken?’ zegt hij. ‘Ja.’ ‘Dan draait ge uw ransel op uw rug,’ zegt Bruno en hij zet zijn kepie op. ‘Vergeet uw kepie ook niet hé, of ’t is model 9.’ Snel zet Jimmy zijn kepie op. Gehuld in uniformstukken, sommigen nog ouder dan hijzelf, gaat hij Bruno achterna, om de koude buitenwereld te trotseren.

Miguel
6 0

Brooddronken deel 2 hoofdstuk 3

3   Onbewust en onbedoeld maar zeker niet onopgemerkt beeft Jimmy wanneer hij zich aan zijn werktafel zet om zijn straten te steken. ‘Wat scheelt er, dé?’ vraagt Bruno. ‘Ik voel me niet zo goed,’ zegt Jimmy, ‘misschien is het de stress van met Kerstavond die nu zijn weg naar buiten zoekt, of misschien is het mijn broodje, dat ook zijn weg naar buiten zoekt. Ik denk dat ik ga moeten spugen.’ Een oudere postbode, toegewezen aan een binnendienst, sloft voorbij. Hij blijft staan. Met zijn handen op de rug bekijkt hij Jimmy en Bruno. Zijn marineblauwe trui met rode streep ligt over zijn schouders gedrapeerd. Hij is grijs en kalend, maar zijn helderblauwe ogen stralen jeugd en vitaliteit uit. ‘Wat scheelt er?’ vraagt hij. ‘Hij voelt zich niet goed, Toine.’ Toine grijpt in zijn borstzakje. Hij haalt er een klein flesje uit. ‘Die koffie van u?’ vraagt hij aan Bruno, wijzend naar Jimmy’s kop koffie. ‘Neen, van hem.’ Toine opent het flesje en giet er een flinke geut van in de koffie. ‘Drink dat op, dan zult ge u wel beter voelen.’ Jimmy bekijkt de koffie, misschien is die nu van kleur of geur veranderd. Niets daarvan. Het is en blijft een dampende kop met zwarte vloeistof in. ‘Zou ik dat wel doen?’ vraagt hij. ‘Waarom niet? ’t Is porto,’ zegt Toine. ‘Ik heb gezworen dat ik niet ging drinken of smoren. Ik ben niet van plan om op mijn tweede dag mijn beloftes te verbreken.’ ‘Uw vader ging ook niet drinken of smoren. ’t Heeft lang geduurd. Ik heb ‘m nog steendronken te slapen gelegd op een hoop postzakken naast de petanquebaan die we gemaakt hadden in Brussel, in de kelder van het postgebouw,’ zegt Toine. ‘Echt waar?’ vraagt Bruno. ‘Ik zou er niet van staan kijken,’ zegt Jimmy, ‘ik weet nog als klein kind dat hij regelmatig met een stuk in zijn kloten thuis kwam en dan het eerste afranselde dat hij zag, vandaar dat ma dikwijls de deur ging opendoen, dan ving zij alle klappen – of de meeste, als pa de hond te pakken kreeg.’ Er valt een ongemakkelijke stilte. ‘Maar goed ja, dat is allemaal gepasseerd. Met ouder worden, slaat hij minder hard,’ probeert Jimmy er de sfeer in te houden. Ondertussen is het leeuwendeel van de ronde gestoken. ‘Het zou beter zijn dat ge uw muil houdt,’ zegt Reginald van achter de werkposten, ‘of ge zult voelen dat den ouden nog heel hard kan slaan voor zijn leeftijd. En als ge tatert staan uw handen stil.’ Plots staat hij achter Bruno, bij wie de schrik hem om het hart slaat. ‘Ge kunt maar zien dat ik niet moet wachten achter mijn overlasten, of mijn handen gaan ook niet stil staan.’ ‘Reginald, het is nog maar zeven uur dertig en de chauffeur moet maar aanzetten om negen uur,’ zegt Bruno. ‘Awel, gaat gij dan naar Ronny en zegt hem dat hij maar om negen uur mag aanzetten met zijn overlasten. Het zou kunnen zijn dat hij aanzet zonder de uwe mee te pakken, of gewoon naar huis gaat. En als ik mijn overlasten niet op tijd krijg, zwaait er wat. Ge hebt het gehoord!’ Een blik tussen elkaar uitwisselend, gaan Bruno en Jimmy weer aan de slag. ‘Dat pa nog nooit in de stront is geraakt met zijn temperament,’ zegt Jimmy. ‘Ach, wat gaan ze doen? Hij is statutair. Hij mag nog een moord begaan, als hij de juiste formulieren daartoe heeft ingevuld, zal hij er nog mee weggeraken.’ ‘Echt?’ vraagt Jimmy. ‘Dat nu ook weer niet, maar hij ís statutair. Wat gaan ze doen? Ze kunnen hem niet buitensmijten, weet gij niet wat dat kost, zeker?’ zegt Bruno terwijl hij weer een elastiek kruiselings over een pak brieven slaat en die in de overlastzak werpt, ‘hoogstens overplaatsen en wat dan? Dan steken ze hem in X, aan het station. Dat zou ook niet de eerste keer zijn.’ Hij geeft Jimmy een hangslot. ‘Je mag die zak toedoen en in de container werpen. Maak wel dat het de juiste container is, want ik moet de eerste chauffeur nog tegenkomen die verkeerd gegooide zakken gaat afzetten, als dat buiten zijn ronde ligt.’ ‘Is dat nu zo’n grote toer, een zak ergens afzetten, als dat nu in de verkeerde container zou zitten?’ vraagt Jimmy terwijl hij de zak dichtgespt. ‘Ge zoudt er nog van staan kijken. Als de chauffeur een goeie dag heeft, gaat hij het u komen zeggen,’ zegt Bruno, ‘in dat geval gaat ge onmiddellijk de zak versmijten. Zo niet, zult ge de zak terug op uw plaats vinden als ge terugkeert van op ronde. En moogt ge nog eens aanzetten.’ ‘Dezelfde dag of wat?’ vraagt Jimmy terwijl hij de zak op zijn schouders gooit. ‘Ja, natuurlijk. Alles wat binnenkomt, moet buiten,’ zegt Bruno, ‘al hebben we daar ook wel trucs voor, hoor.’ Jimmy wankelt. ‘Ik zou moeten of gij zijn, ik zou die zak toch niet op uw schouder trekken, zulle’, zegt Bruno, ‘tenzij ge na drie dagen thuis wilt zitten met een ontstoken schouder.’ Jimmy laat de zak vallen en sleept hem tot aan de container waar hij in moet.

Miguel
6 0

Brooddronken, deel 2, hoofdstuk 2

2   “Ringo, op 24 december 2001 heeft u dienst 21 uitgevoert. Nadat u op ronde bent vertrokken, werdt vastgestelt dat u het boekje 607 niet heeft meegenomen. Het is nogthans verplicht dat u u boekje 607 meeneemt op ronde. Waarom heeft u u boekje niet meegenomen? Om uitleg!” Deze woorden, opgesteld in gebrekkige taal, bevinden zich op het model 9 van Ringo Vanderbeken, vervanger op dienst 21, dat hij voor zich houdt. ‘Mag ik lezen wat er op staat?’ vraagt Jimmy. Ringo geeft Jimmy het model 9. ‘Doe maar,’ zegt hij, ‘het zal niet lang duren eer ge er ook één zult hebben.’ ‘Hoezo?’ ‘Sommige mensen schrijven nu eenmaal graag,’ zegt Ringo terwijl hij een handgreep brieven uit de rode bak haalt die aan zijn werkpost staat, ‘dan hebben ze nog iets te doen terwijl wij buiten aan het zwoegen zijn.’ ‘Als ze nu nog eens konden schrijven,’ zegt Jimmy. Ringo gooit de brieven terug in de bak en komt naast Jimmy staan, het model 9 meelezend. ‘Wel, kijk hier: “uitgevoert”, dat moet met een “d” zijn. Da’s een voltooid deelwoord, het merendeel daarvan is met een “d”. En hier: “werdt vastgestelt”. En “nogthans”, en “u” als bezittelijk voornaamwoord. Twee keer zelfs!’ zegt Jimmy. ‘Da’s iets dat ge nog wel zult leren. Om hogerop te geraken, moet ge vooral niet te veel kunnen. Het is wie dat ge kent dat belangrijk is. Er was ooit een keer een examen voor ik weet niet wat en Gilbert van dienst zes deed mee. Hij was er door, maar één of andere jonge springer heeft zijn plaats ingenomen – en die was zelfs niet geslaagd voor ’t examen,’ zegt Ringo. ‘Hoezo?’ ‘Wel ja, ’t hangt er van af hoe goed ge u kunt verkopen,’ zegt Ringo, ‘en welke sport dat ge doet. Ik ben ’t nog aan ’t bekijken, maar ik heb al gezien dat als ge koerst, ge een stapke voor hebt bij bepaalde mensen.’ ‘Dus eigenlijk moogt ge nog zo dom zijn als ’t gat van een koe, zolang ge in een koerstenueke past, kunt ge carrière maken?’ Ringo knikt. ‘Waarom denkt ge dat uwe pa nooit hogerop is geraakt? ’t Is niet omdat hij drinkt, zulle. Want de frigo bij de inspecteur staat vol met kortendrank.’ ‘Hoe weet gij dat?’ vraagt Jimmy. ‘Is ’t u nooit opgevallen dat de dagen dat uwe pa steendronken thuiskomt, dat hij dikwijls een model 9 krijgt voor zaken die niets met dronkenschap te maken hebben? De inspecteur is ne maat van uwe pa, moest ge ’t nog niet weten. Uwe pa krijgt ne model 9 en dan gaat hij er over klappen met de inspecteur en dan drinken ze een fles kortendrank leeg.’ Bruno maant Ringo aan om op zijn taal te letten – krijgt hij van de inspecteur geen veeg uit de pan, dan krijgt hij wel van Reginald een vijg tegen zijn oor. Jimmy neemt ook nog een handgreep brieven uit de bak en tracht er het beste van te maken. ‘Al hetgeen dat ge niet vindt, moet ge maar op een hopelke leggen op uw schof. Ik ga dan wel kijken hoe of wat,’ zegt Bruno. ‘Wat is dat eigenlijk, dat boekske 607?’ vraagt Jimmy. Terwijl Bruno de aangetekende zendingen op volgorde steekt – het zijn er niet zo veel, omdat de bedrijven stil liggen met de feestdagen – dient hij Jimmy van antwoord. ‘Het boekske 607, da’s iets wat ge eigenlijk niet nodig hebt, behalve wanneer dat ge ’t nodig hebt.’ ‘Leg uit?’ ‘Sommige mensen betalen hun elektriek, of hun gas, water of pacht van hun huis per overschrijving. Die kunnen dikwijls niet naar de bank. Dan kunnen zij dat storten bij ons, tegen betaling uiteraard.’ ‘Hoe werkt dat dan?’ ‘Eigenlijk feitelijk is ’t het beste dat ge daar al niet te veel mee te maken hebt, zeker in uw beginperiode.’ ‘Hoezo?’ ‘Ik leg u dat straks wel eens uit, of morgen of zo. Vandaag is ’t best dat we ons bezig houden met de ronde alleen.’ ‘Oké,’ zegt Jimmy en werkt zwijgend het uitsmijten van de dienst verder af. Het stapeltje brieven die hij niet kan vinden is opvallend klein, vindt Bruno, behalve dan de brieven zonder adres maar die worden zonder pardon teruggestuurd. ‘Heb je al een stempel?’ vraagt Bruno. ‘Ja,’ antwoordt Jimmy, ‘ze hebben mij dat vanochtend gegeven.’ Hij haalt een klein buisje tevoorschijn dat open- en dichtgedaan kan worden zoals een vulpen. ‘Welk nummer heb je?’ vraagt Ringo die naast hem staat. ‘110.’ Bruno neemt de nummerstempel van Jimmy over. ‘Dan zijt ge nu facteur 110. In alles wat ge doet, zij het doorsturen of terugsturen van post, moet ge een stempel zetten. Ik ga u dat direct eens tonen, als we de brieven terugsturen.’

Miguel
10 1

Brooddronken deel 2, hoofdstuk 1

1 Kerstmis is zo’n speciale dag, dat in de Eerste Wereldoorlog jongens, die geen reden hadden om elkaar naar het leven te staan maar elkaar toch lustig afslachtten, samen voetbalden in de loopgraven. In de Tweede Wereldoorlog, zo leert Wannes Van De Velde ons, werden er geen bommen uit de lucht gestrooid en waren de kanonnen met een kerstboom getooid. Dus mag de facteur ook eens een dagje vrij hebben. Eéntje maar, natuurlijk. De dag er op was het terug onder het juk. Normaal zou iedereen blij zijn met een dagje verlof, zelfs al was het er maar ééntje, zeker in de eindejaarperiode waar het leeuwendeel van de mensen sowieso toch al thuis zijn. Een facteur niet. Een facteur weet immers dat hij van alle ambtenaren er het meest bekaaid af komt. Als een trein niet rijdt, rijdt hij niet. Als het stadhuis dicht is, is het dicht. Maar als de postbode niet werkt, stapelt het werk zich op. Alsof er ergens in de posterijen slecht gesyndiceerde duivels blijven verder sorteren, omdat ze met Kerst geen vrijaf kregen, of omdat ze geen vrijaf willen met Kerst of om de facteurs te beduvelen, clue’s in the name. Geen mens die het weet. Maar toch is een dagje verlof altijd welgekomen, ook en zeker voor de postbode, dus gebeurt er die dag niet veel ten huize Sabbe. Billy is terug naar Gent gereden met de Lada en Célestine. De eerste moet hij nog terugbrengen, van de tweede is het niet zeker of ze ooit nog de Groeningekaai zal (willen) zien. Ook Jules zit terug mooi opgehokt in de Korenbloem, nadat hij een half verrassingsbrood in allerhande Tupperwarepotjes meegekregen heeft. Die stukjes met gehakt zou Reginald wel zelf oppeuzelen. Maar er gebeurt dus niet veel op Kerstmis in het leven van een postbode, dus gaan we verder op Tweede Kerstmis, 26 december. Dan is het wel aan de slag voor alle postbodes. Ze zouden misschien eens gewoon worden van twee dagen na elkaar thuis te zijn. Het is woensdag. Dat betekent traditiegetrouw dat de Knack mee is. Gelukkig voor de postbodes is het tussen Kerstmis en Nieuwjaar best wel oké wat de abonnementen betreft. Al iets meer in uniform, getooid in allerhande bijeen geschooide kledingstukken, komt Jimmy binnen in de postmannenzaal. Na zich door de wolken rook te hebben gewerkt en zijn werkpost te hebben teruggevonden, neemt hij een rode bak mee en licht hij zijn vakkasten. De man rechts van hem is nieuw. Hij was er niet op Kerstavond. Hij stelt zich voor als Marc Jolicoeur en steekt zijn hand uit. ‘Steekt uw pishandje maar weg,’ snauwt Reginald van achter de vakkasten. Hij houdt de boel nauwlettend in de gaten. ‘Of wel ja,’ gaat hij verder, ‘misschien past ge nog goed samen.’ Het daagt Jimmy al gauw dat Marc homoseksueel is, al kan hem dat niet veel schelen. ‘Steekt maar een assiette in uw broek,’ zegt Reginald, ‘of ge gaat straks niet goed op uw velo zitten.’ Marc lacht de opmerkingen weg, maar Jimmy bezit genoeg empathie – dat heeft hij van zijn moeder – om te beseffen dat dit glad ijs is, waarop een wespennest ligt waar hij zijn neus beter niet in steekt. Toch schudt Jimmy hem de hand. ‘Jimmy Sabbe. Zoon van,’ zegt hij. Hij heeft de vakkasten van de sortering geleegd en deze per soort gezet. De diepe rode postbakken dienen voor de grote stukken en de ondiepe rode bakken voor alles wat briefformaat is. Nu is het wachten op Bruno. Ondertussen eet Jimmy nog een stuk van het verrassingsbrood dat hij heeft kunnen verdonkeremanen. Het brood is in de derde dag van het bestaan ervan doordrenkt met de mayonaise waarmee deze belegd was. Jimmy trekt een zuur gezicht want het stuk verrassingsbrood ziet er beter uit dan het smaakt. ‘Eet anders een broodje als ge op ronde zijt,’ hoort Jimmy zeggen. Hij draait zich om en achter hem staat Bruno met een rode brievenbak vol met restproduct, dat zijn kleintjes en grote na elkaar, tegen zijn heup. ‘Hebt ge uw sorteerplan bekeken?’ vraagt Bruno. ‘Op een vrije dag? Krijg ik daar overuren voor?’ antwoordt Jimmy. ‘Ge zult me nog dankbaar zijn,’ zegt Bruno, ‘als ge op tijd buiten en weer binnen geraakt. Want dat zijn ook dagen zonder overuren. Ik heb nog gehoord van een kerel die daarvoor een model 9 kreeg, omdat hij, en ik citeer, “niettegenstaande de hulp die hij krijgt er niet in slaagt het kantoor tijdig te vervoegen”.’ ‘Dat meent ge niet,’ zegt Jimmy, ‘een model 9 omdat ge te traag zijt?’ ‘Toch wel. Dus bekijk dat sorteerplan maar eens. Hebt ge een blad papier?’ Jimmy haalt een blad papier uit de lade. ‘Goed,’ zegt Bruno, ‘leg uw brieven eens aan de kant. Ge moet denken dat dit hier uw tafelblad is.’ ‘Oké.’ ‘Goed, en dan maakt ge uw volgweg gelijk dat ge hem zoudt aflopen. Dus we beginnen in de Weversstraat, onpare kant. Dus legt ge alles wat Weversstraat onpare kant is, hier, in de linkeronderhoek van uw tafel. Daarboven legt ge alle pare nummers van de Weversstraat. En dan daarboven de Izegemstraat, die drie huizen aan de overkant. En ga zo maar door.’ ‘Oké. Ik versta het.’ ‘’t Is te hopen dat ge ’t verstaat, hé,’ zegt Bruno. Jimmy knikt en smijt zijn dienst verder uit. Bruno kijkt toe. ‘En wat hebt ge gedaan met Kerstavond?’ vraagt Bruno. ‘Gegeten. Gelijk alle Kerstavonden. Heeft pa u daar nog nooit van verteld? ’t Is pertank elk jaar hetzelfde. Fondue met verrassingsbrood en ijstaart, al zijn we niet aan de ijstaart geraakt dit jaar.’ ‘Hoedat niet?’ vraagt Bruno. ‘Wel ja, onze pa vond het nodig om het lief van Billy te schofferen.’ Bruno denkt na. ‘Billy, dat is dan uw broer die hier nog een paar weken heeft gewerkt?’ ‘Ja, en die dan hals over kop naar Gent is weggelopen om te gaan studeren.’ ‘Allez. En hoe heeft die dan zijn vriendin geschoffeerd?’ Jimmy legt het pakje brieven uit zijn handen op een uitschuifbare lade. ‘Célestine is een half-Afrikaanse of zoiets. Ik moet er geen tekeningske bij maken wellicht?’ vraagt hij. ‘Ja. Ja, neen, inderdaad, ik kan mij er al iets bij voorstellen. Nog ene die ge nooit meer gaat zien. En wat gaat ge doen met Oudjaar dan?’ vraagt Bruno. ‘Wat denkt ge? De olie zit nog in de fonduepot, die kappen dat niet weg, hoor. Dus ja, fondue met verrassingsbrood en ijstaart, denk ik, al denk ik niet dat Billy en Célestine er bij gaan zijn.’ ‘Allez gij, dat meent ge niet. Ge zijt hoe oud juist? Negentien of zo? Dan moet ge toch uitgaan met uw maten? Ge zijt maar ene keer jong, zulle.’ ‘Ik heb eigenlijk niet zoveel maten,’ zegt Jimmy, ‘dat kwam bij ons niet binnen. Ze zijn alle twee van het gedacht dat ge met maten niets zijt, tenzij ge graag messen in uw rug hebt.’ ‘Serieus?’ vraagt Bruno. ‘Ja,’ zegt Jimmy en hij neemt een nieuwe handgreep brieven uit de laatste bak. ‘Dan heb ik slecht nieuws voor u,’ zegt Bruno, ‘als ge geen maten hadt voor dat ge in De Post begon, gaat ge er nu ook geen meer bij krijgen, zulle. Ge zult geen sociaal leven hebben. Als uw leeftijdsgenoten feesten, kunt gij in de nachtsortering zitten. Ge hadt beter een andere stiel gekozen dan.’ Hij lacht. Van de andere kant van de sorteerkasten komt een brommend geluid dat de postmannen herkennen als een goed ingedronken Reginald Sabbe. ‘Moeit gij u maar in uw menage,’ zegt hij, ‘maakt uzelf ne kleinen en stookt die een beetje op. Maar ’t beste dat gij al gemaakt hebt is nen mongool. Ge kunt in elk geval niet zeggen dat het de uwe niet is, ook al is uw wijf de matras van de Damastweversstraat en omstreken.’ ‘Reginald, dat pakt ge terug,’ zegt Bruno. ‘Ik pak juist niets de kloten terug,’ antwoordt Reginald, ‘mijne pa heeft mij altijd gezegd dat ik niet mag liegen. En stop met de kop van Jimmy te vullen met onnozeliteiten. Werken moet ie. De tamzak.’ ‘Reginald, ik ga naar de chef hoor!’ dreigt Bruno. ‘Awel, ik ga mee gaan, moet ik uw handje vasthouden,’ antwoordt Reginald, ‘onnozelen puppebukker.’ ‘Pa, alstublieft hé zeg. Drinkt anders nog eens een pinte.’ Jimmy schrikt wanneer hij dit zegt. Aan de andere kant van de sorteerkast klinkt het geluid dat heel dicht bij een koebel ligt, van twee sorteerblokken die worden neergeplaatst. Reginald staat op van zijn werkpost en waggelt naar die van zijn zoon. ‘Gij moet uw muil houden, hebt ge dat goed verstaan? Of ge gaat tegen mijn vuist lopen. Ik ga u slaan tot ge rookt. Of ge doet mee met mij, of ge houdt uw trape, maar ’t is niet omdat ge hier op ’t werk zit, dat ge nu ommenekeer een felle muile moet opzetten, snotneuze!’ buldert hij terwijl hij zijn vinger ergens in de brede omgeving van zijn zoon wijst. Hij duwt zijn sigaret uit op Jimmy’s hemd. Daarna waggelt hij weer terug naar zijn werkpost en opent hij een nieuw flesje bier.

Miguel
10 0

Brooddronken hoofdstuk 28

28   Reginald bekijkt de box met elpees in en zet deze aan de kant. De woorden draaien rond in zijn mond en in zijn hoofd en hij maakt de bijhorende kinbewegingen als zou er een stukje vlees tussen een afgestorven tand zitten, dat hij met zijn tong tracht los te peuken. Na een klein minuutje richt hij zich tot Célestine. ‘Dit moet toch een paar duizend frank gekost hebben.’ Was Célestine blank, dan zou ze gebloosd hebben, denkende dat ze toch een klein barstje heeft gemaakt in de muur rond Fort Reginald. ‘Dat maakt niets uit, het is een cadeau. Omdat ik van u ook het mooiste cadeau heb gekregen,’ zegt ze en ze kijkt smoorverliefd naar Billy. Marjoleins hart smelt bijna. ‘Dan moet ge toch redelijk rijk zijn,’ zegt Reginald. Célestine weet niet wat ze daar op moet antwoorden. De stilte wordt doorbroken door de brommende stem van Jules. ‘Ik ben ook rijk,’ zegt hij zonder opkijken of te verpinken, ‘ik stak mijn vinger in mijn gat en alles wat er rond was, was van mij.’ Een vettige lach volgt op deze boutade, die menig maag zou doen keren, mochten die Jules niet gewoon zijn. Jules smakt verder aan een stukje biefstuk. De schotel loopt op zijn laatste benen. ‘Ik heb ook iets voor u,’ zegt Reginald, ‘om u in de familie te verwelkomen, zeg maar.’ Hij haalt de rode doos met gouden strik boven en zet deze op tafel. Célestine kijkt naar de grote doos en naar Billy, die zijn schouders ophaalt. Heel secuur, alsof de strik echt van goud is en de doos zelf uit het duurste scharlaken sandelhout dat op de planeet te vinden is, wordt de doos van zijn verpakking ontdaan. Daaronder opnieuw een doos. Paars. Van Milka. Melocakes. Célestines mond valt open. Jules lacht. ‘Als ’t een preutse doos is, heeft hij alijk nog negerinnentetten gezien,’ proest hij uit. Reginald vindt het hilarisch. De rest van de tafel iets minder. Célestine neemt heel ostentatief de eerste melocake uit de verpakking en eet die in één beet op, naar Reginald kijkend, die dat nooit verwacht had. ‘Het zijn goede,’ zegt ze nadat ze het eindelijk doorgezwolgen heeft. Reginald had op consternatie gehoopt, maar alleen stilte is zijn deel. Stilte en het einde van de avond, dat stilaan in zicht komt. Er schieten nog een tiental stukjes vlees over. Niemand neemt nog iets. Geen honger. De sfeer. Wie zal het zeggen? ‘Niemand nog iets?’ probeert Marjolein. Ze legt plastiekfolie over de schotel. De fonduepot wordt toegedekt. ‘Je mag drie keer raden wat op het menu staat met oudjaar,’ zegt Billy. ‘Met dezelfde olie?’ vraagt Célestine. ‘Hier wordt zelfs het zilverpapier hergebruikt,’ zegt Billy. Het verrassingsbrood ziet er nog redelijk compleet uit, behalve de kant waar de krabsalade zat. Jules heeft in alle stilte al de stukjes brood met krabsalade opgepeuzeld. Ze moesten maar eens een oorlog meemaken.

Miguel
1 0

Doe nooit wat onkuisheid is, deel 1

Het kantoor van Obsolete Interim aan de Leiestraat in Kortrijk zit volgestouwd met mensen, uitgespuwd door de maatschappij, die om een job bedelen aan verscheidene bureaus. Het is alsof het midden van zo’n bureau een scheidingslijn is zoals je die kan vinden ergens in Zuid-Amerika, waar het brakke water van de rivier het heldere water van de zee ontmoet. Ze schurken beiden tegen elkaar aan, zonder in elkaar over te gaan. Datzelfde contrast is te zien in het interimkantoor – aan de ene kant van het bureau zit een kokette dame, een juffrouw nog, eigenlijk, met een kaarsrechte rug en een piekfijne manicure – wellicht zelf aangebracht tijdens de werkuren – op een mooie bureaustoel, lekker zacht, met lichte vering, foto van de geliefde en/of de kinderen voor zich. Ze is getooid in een mooi mantelpakje met daaronder enkellaarsjes en op de borst een naamkaartje met daarop “Elien” vastgespeld. Een zachte stem, waar een zeker optimisme uit weerklinkt. Dat ze toch zo tevreden is een job voor de man in kwestie, voor haar gezeten, heeft kunnen versieren. Maar er is één probleempje. Of de man ook zou kunnen in ploegen werken, nacht- of weekendarbeid en andere zaken niet schuwt. De man, meestal is het een man, is zowat het tegenbeeld van de dame aan het bureau. Een gezicht dat al te veel shiftwissels en alcohol gezien heeft. Een voorovergebogen houding, uit vermoeidheid, of ontreddering na het zoveelste ontslag, of geweigerde baan, wie zal het zeggen. Die zal zeker akkoord gaan met alle verregaande maatregelen die een potentiële tijdelijke baas hem oplegt, ook al werkt hij er nog niet, al was het maar om niet tot de categorie te behoren waar men op sociale en andere media keihard op afgeeft, namelijk de werklozen. Hij zit op zijn beurt ook aan de andere kant van de scheidingslijn, namelijk die van de mensen die als stront behandeld worden en daar een loon voor krijgen, tegenover de mensen die als stront behandeld worden en daar een leefloon voor krijgen. Getooid in een werkersbroek, want hij komt wellicht rechtstreeks van zijn huidige of zijn vorige baan, met verfspatten of olieplekken er nog op. Het mooie snoetje van Elien kan niet verbergen dat ze een zeker dedain voelt voor die ongeschoolde kinkel voor haar, niet wetende, of net wel, dat het enige wat haar van hem onderscheidt, haar door de maatschappij wél als knap aanvaarde gezicht is. Dat zij ook kuisvrouw kon geweest zijn, godbetert, mochten haar vormen iets voller geweest zijn of haar lichaam op andere plaatsen hadden geaccentueerd. Desalniettemin voert ze haar toneelstukje perfect op en zegt ze dat ze toch zo blij is wanneer ze kan vertellen dat degene voor haar zowat hetzelfde zal verdienen als haar, wat bij de kandidaat-magazijnier of waarvoor hij ook solliciteert op trots en ongeloof wordt onthaald. Daar zal hij mee kunnen uitpakken bij de voetbalmakkers of bij het vrouwtje vanavond bij de patatjes. Wat ze er niet bij vermeldt, is dat hij in een ploegensysteem net niet aan de ketting zal worden gelegd om zich af te beulen, misschien wel langer dan acht uur per dag, met kak- en rookpauzes er uit genomen, want er moet geponst worden, en zij, op deze donderdag, zoals altijd uitkijkt op een verlengd weekend, omdat de karige uren dat het interimkantoor nog open is, passen in de filosofie van Obsolete Interim dat werk en privé in balans moeten zijn. Vier halve dagen werken, per week, en dan nog, is meer dan genoeg voor de nuffen aan hun bureautjes. Het is alsof ze de dankbaarheid die over haar heen wordt gestrooid écht noch verwacht, noch verdiend acht, maar eigenlijk is ook dat maar schijn. Ze kickt op de goede gevoelens die oprecht van haar klant worden afgestraald, op haar, ook al is ze de erkenning van de marginaal voor haar liever kwijt dan rijk. Vanavond gaat ze squashen, gisteravond was het Zumba, en ze zit met haar gedachten reeds bij haar squashpartner, niet toevallig ook de manager van het kantoor waar ze tewerkgesteld is. Als ze nu nog maar van die halve zool kan af geraken, die voor haar in zijn stoel hangt. Voor hem geen squash of Zumba, maar gewoon, als het even kan, voor de kinderen thuis komen nog snel het bed in en de muizenissen en spinnenwebben uit het hoofd wegslapen. Als slapen een optie is, want de grens tussen zoete dromen en inzettende onderkoeling is in de sociale woning, die hij betrekt mijn zijn drie kinderen uit twee huwelijken, met al z’n problemen flinterdun. Te langen leste gaat hij opgelucht de deur uit. Het is bijna tijd om het kantoor te sluiten, wanneer op het nippertje er nog een klantje, zoals zij dat plachten te noemen, binnenkomt.

Miguel
3 1

Brooddronken hoofdstuk 27

27   De klok slaat 22 uur, ofte tien uur in de avond, en Célestine haalt een groot pak tevoorschijn. Hoe ze het al die tijd kon verbergen heeft iedereen het raden naar, maar ze overhandigt het aan Reginald. ‘Omdat ik hier toch te gast ben, heb ik voor de heer des huizes een kerstcadeau meegebracht. Doe het maar open,’ zegt ze. Reginald opent het pak en het blijkt dat Célestine de voorbije weken Billy heeft uitgevraagd over de familie, wie ze zijn en wat hen drijft. Om hen toch een mooie kerst te kunnen bieden. Reginald is nu een Roy Orbison-platencollectie rijker. Hij is er van aangedaan, maar zijn blik verstart zich na twee seconden. ‘Brol,’ zegt hij. Célestine weet niet wat ze hoort. ‘Als ge echt de pieren vanuit Billy zijn neus hadt gehaald in plaats van wat ditjes en datjes afgeschraapt te hebben, dan hadt ge geweten dat wij hier zodanig verpauperd zijn dat wij geen pick-up hebben.’ Billy pikt in, Célestine proberend gerust te stellen. ‘Ge hebt malchance dat de oude pick-up kapot is. Dat ding heeft tien jaar langer dienst gedaan dan zou moeten, maar nu vinyl weer in opkomst aan het komen is, zijn nieuwe pick-ups te duur. Maar ik denk dat pa wel apprecieert dat ge aan hem gedacht hebt, hé, pa?’ ‘Gij moet uw muil houden, schoolmeesterke,’ zegt Reginald. Jules grinnikt. ‘Schoolmeesterke,’ herhaalt hij.   Nochtans is het cadeau van Célestine echt niet zo ondoordacht als Reginald laat uitschijnen. Zoals zoveel mannen van die leeftijd, met al dan niet onvervulde dromen, spiegelt ook Reginald zich aan een muzikant en dat is, inderdaad, Roy Orbison. Toen de carrière van Roy Orbison zijn zenit had bereikt, was Reginald nog een jonge snaak. Gelukkig voor hem was hij toen nog gezegend met een bos ravenzwart haar dat, middels enkele potten gel per maand, in Orbison-vormen kon worden gedwongen. Uit de Paasfoor had hij een zonnebril vandaan en zo had hij zich al gauw een imago aangemeten als Roy Orbison uit de Sarma. Net als zijn idool droeg hij ook een Maltees kruis, al kon hij zich daar thuis niet mee vertonen. Dat Maltees kruis dat Orbison en dus ook Reginald droeg, was immers identiek aan het IJzeren Kruis van de Duitsers en alhoewel Jules het nooit voor vreemde culturen heeft gehad, nam zijn haat jegens alles wat Duits is epische proporties aan. Toen Reginald bij De Post begon, droeg hij dat kruis nog steeds, tot de Eerste Postman dat in de gaten kreeg en dit aan de adjunct-controleur wereldkundig maakte en Reginald dit vanaf toen ook moest achterwege laten. Het was Reginalds eerste, maar hoegenaamd niet laatste kennismaking met het perfide karakter van de posterijen en al wie daar tewerkgesteld was. Zijn oudste zoon had hij Roy willen dopen, maar dat was buiten de ambtenaar van de Burgerlijke Stand gerekend, wanneer hij in 1979, toen hij zijn eerstgeborene wou aangeven, op een njet botste toen hij langs zijn toch wel formidabele neus weg vroeg of hij zijn tweede, als er een tweede zou komen, Orbison kon dopen. Een ambtenaar in die tijd hoefde zich nog niet te veel van mondige burgers aan te trekken en ook fysieke dreigementen maakten geen indruk op de fors uit de kluiten gewassen inktkoelie waar toentertijd meerdere Reginalds in gepast zouden hebben. Op dat moment kondigde de radio-omroeper aan dat de plaat die tijdens het daarop ontstane tumult speelde, Love Really Hurts Without You van Billy Ocean was, waardoor het lot van Billy’s voornaam werd bezegeld.

Miguel
46 0

Brooddronken hoofdstuk 26

26   Met de soep achter de kiezen is het tijd om terdege aan de fondue te beginnen. Zoals het in een roedel hoort, kiest de leider, hier Reginald, het eerst. De sappigste en grootste stukken rood vlees moeten er aan geloven en ploft Reginald in het fonduestel. Maurits krijgt ook zijn stukje vlees, rauw uiteraard, daarna is het aan Marjolein en dan pas mogen Billy en Jimmy toetasten. Célestine kijkt het, als studente Psychologie, met lede ogen aan, hoe deze geoliede machine onbewust de hiërarchie, voor mocht daar nog aan getwijfeld worden, voor haar tentoonspreidt. Ondertussen worden zwanworstjes doormidden gesneden en gescheiden door een klein strookje kaas met spek omwikkeld en onder de fonduepot gelegd. Reginald maakt de vegankaas soldaat terwijl hij nog een sigaret opsteekt. Hij neemt een beet van de dikke plak die hij heeft afgesneden. ‘Wat is dát?’ vraagt hij, terwijl hij de kaas opzij gooit. ‘Dat is een vegetarisch en diervriendelijk alternatief voor dierenleed – ik bedoel kaas,’ zegt Célestine. ‘Alternatief, alternatief, ze is daar weer hoor, met haar geleerde woorden.’ Mocht de afkeur niet van Reginalds gezicht te lezen zijn, dan kun je er donder op zeggen dat die zeker uit zijn stem te horen is. ‘Alternatief is toch geen geleerd woord?’ vraagt Célestine. ‘Zoet,’ zegt Billy, ‘je moet er rekening mee houden dat alles wat Grieks of Latijns van oorsprong is en meer dan twee of hoogstens drie lettergrepen telt, in dit huis automatisch als geleerd woord wordt aanzien.’ ‘Dierenleed,’ gaat Célestine verder, ‘zoals dieren doden voor de sport.’ Marjolein laat haar vork vallen om haar handen voor haar mond te brengen. Dit komt niet goed. Daar is de stilte weer. Uiteindelijk begint Marjolein toch te spreken. ‘Zég toch zoiets niet, Célestine. Reginald mag toch ook zijn plezier hebben?’ ‘Plezier? Denk je echt dat hij daar zijn plezier uit haalt?’ Er klinkt ongeloof door de stem van Célestine, die in de kiem gesmoord wordt door Jimmy, die bevestigend knikt. ‘Wees daar maar zeker van. Zijn haan is ook kampioen geweest,’ zegt hij. Reginald glundert. ‘Dat klopt. En preus dat ik was!’ ‘Preus?’ ‘Trots,’ zegt Billy, ‘hij was trots.’ ‘Zij maar zeker,’ gaat Reginald verder, ‘wat er van die andere overschoot, was nog niet genoeg om in de fonduepot te smijten. Ik heb ‘m meegekregen en hem een deftig afscheid gegeven, op de messing.’ Célestine kijkt haar schoonvader vragend aan terwijl ze nog wat blaadjes sla in de mayonaise dept. ‘Messing. Kent ge dat niet? Uw soort komt ook van daar,’ zegt Reginald. Jules buldert van het lachen. ‘Ik zie het al voor mij, een negerin in de messing,’ grinnikt hij. ‘Wat is er nu zo grappig? Billy, wat is dat, een messing?’ Billy draait met de ogen. ‘Een messing, dat is een mesthoop. Enfin ja, een mesthoop waar van alles wordt opgegooid. Maar vooral, tja, stront.’ ‘En u vindt dat ik daarop thuis hoor?’ vraagt Célestine, Jules aankijkend. ‘Ba, neen, nee, niet echt.’ Beschaamd kijkt Jules weg. ‘U zei het toch net? Een negerin in de messing, ik zie het al voor mij.’ ‘Gij zijt nog één van de goeie,’ tracht Jules nog de meubelen te redden. ‘Ja, die goeie waar ik altijd van hoor, wat is dat dan juist?’ vraagt Célestine. ‘Wat maakt van mij nu precies een goeie?’ ‘Pa moet zich nergens voor schamen,’ pikt Reginald in, ‘houdt nu uw mond en fret verder van uw kaas.’ ‘Ik snap het wel, hoor,’ antwoordt Célestine. ‘We mogen toch nog eens lachen, zeker?’ vraagt Reginald. ‘Ja, wat een dijenkletser,’ zegt Jimmy. ‘Heb ik u gevraagd? Als ik stront roep, moogt ge ook wat zeggen,’ briest Reginald, ‘eet nu verder en zwijg.’ ‘Maar…’ protesteert Jimmy. ‘Klep! Toe!’ brult Reginald. ‘Uw misandrie is tenminste niet kleurgeïnspireerd, dat is toch een punt voor u,’ zegt Célestine. ‘Madame,’ antwoordt Reginald terwijl hij een trek neemt van zijn sigaret, ‘ik moet van u geen punten krijgen. En stop met uw dikkenekkenparlé. Anders, daar is het gat van de timmerman.’ Célestine kijkt naar Billy voor verduidelijking. ‘De deur. Daar is de deur, bedoelt hij.’ ‘Neen,’ antwoordt Célestine en ze geeft Billy een kus op de wang, haar ogen op Reginald gericht, ‘ik denk dat ik nog wat blijf.’   Net op het moment dat Reginald zijn vinger opheft op haar de levieten te lezen, gaat de deurbel. ‘Ter gaan kijkt eens wie dat het is,’ zegt Reginald, die met zijn rug het dichtst bij de gangdeur zit, maar die het vertikt om van zijn plaats weg te gaan, bang als een roofdier dat de lager gerangeerden ook hun deel zouden opeisen. Het is Célestine zeker niet ontgaan dat na de eerste schermutseling, waar Reginald als overwinnaar uit de bus kwam, alle door hem gegeven orders zonder tegenstrubbelingen, ja zelfs gedwee, worden opgevolgd. Deze keer is het slachtoffer Billy. Zijn ogen vertellen zoveel aan Célestine, die tussen haar liefde voor hem en haar expertise als uitblinkend studente psychologie doorheeft dat Billy hier aan langetermijndenken doet – misschien zou het vandaag niets uitmaken, maar het gelag wordt altijd betaald en het gelag is hier een grote mond opzetten tegen Reginald. Billy sloft de eetkamer uit, door de smalle gang en opent de deur. Nog geen minuut later keert hij terug. ‘Wie was het?’ vraagt Reginald. ‘Habiba,’ antwoordt Billy en hij zeult een grote fruitmand mee. ‘Ze zei dat ik dat aan u moest geven.’ ‘Een biermand kon weer niet zeker? Die muzelmannen ook altijd,’ schertst Jules, ‘ze mogen geen alcohol drinken van hun god maar alcohol is wel een Arabisch woord.’ Reginald neemt de mand in ontvangst en zet deze in de badkamer. ‘Na een paar dagen is het goed voor het konijn,’ zegt hij. Célestine schrikt op. ‘U bedoelt echt dat u zo’n mooie fruitmand gewoon aan uw konijn gaat geven?’ ‘Ja, kijk eens aan, ze verstaat Vlaams. Natuurlijk dat!’ roept Reginald uit. ‘Maar waarom toch,’ vraagt Célestine terwijl ze de fruitmand van ver gade slaat. ‘Omdat er weer van die vieze exotische troep zal in zitten,’ zegt Reginald, ‘dadels, vijgen, misschien nog andere dingen die ik niet kan uitspreken.’ ‘En wat den boer niet kent, lust hij niet, natuurlijk.’ Célestine is ontdaan door het gedrag van Reginald en laat dat duidelijk blijken. ‘Het zou me verwonderen als gij al eens een boer van dichtbij gezien hebt, in Chakamaka.’ ‘Pa, ze komt uit Gent. Niet uit Chakamaka.’ Billy zucht. ‘Da’s allemaal hetzelfde.’ ‘Nu ben ik eens benieuwd waarom u zo’n mooie fruitmand zou laten verpieteren, gewoon omdat het van een allochtoon komt. Maar wat er nog curieuzer is, is waaróm u überhaupt zo’n mooie fruitmand zou krijgen van iemand die u veracht.’ ‘Da’s voor mij een weet en voor u een vraag, madammeke.’ ‘Vertel het mij dan,’ zegt Célestine, met gekruiste armen, ‘ik ben benieuwd.’ Maar Reginald doet er het zwijgen toe. De stilte, die ongenode gast op het feest, doet opnieuw zijn intrede.

Miguel
6 0

Brooddronken hoofdstuk 25

25   Xavier De Baere zingt in de radio van “formidabele kerstmis”. De hit dateert al van 1993 maar in een gezin waar de muziekcollectie behoudens schlagers vooral bestaat uit tweedehands-cd’s die voor een prijsje op de kop getikt werden – of gratis weggeschonken – doet deze klassieker elk jaar opnieuw weer zijn werk. De elektriciteit van Reginalds huis is in dergelijke staat, dat, zo hebben ze ooit berekend toen Reginald in een aanspreekbare bui was, het op kerst- en eindejaarsfeestjes de volgende toestellen tegelijkertijd kan laten draaien: fonduestel, hifi-keten, kerstboom. Het inschakelen van de Bulex zorgt er voor dat de hele boel plat gaat. Dranken als thee en koffie worden dus op kerstavond niet genuttigd ten huize Sabbe wanneer het fonduestel werkt. ‘En hoe gaat dat dan in de rimboe,’ vraagt Reginald aan Célestine, ‘eten jullie dan met stokjes of met jullie handen?’ ‘Reginald,’ antwoordt Célestine, ‘ik ben geboren in Gent en ben evenveel Belg als u. Ik ben hier opgegroeid, dus ik zou niet weten hoe ze het in de rimboe, zoals u het noemt, zouden doen.’ ‘Het is meneer Sabbe voor u. Ik eis respect in mijn eigen huis.’ ‘Ik heb altijd gehoord dat je respect moet verdienen.’ Onder de tafel balt Reginald de vuisten. Een vrouw die hem tegenspreekt en dat dan nog in zijn eigen huis, zou gauw de hoeken van de kamer zien. Jules zit te likkebaarden wanneer Marjolein de plateaus met het fonduevlees op de uitgeschoven lade van de tafel plaatst. Daarnaast zet Jimmy het verrassingsbrood. Het is een traditie dat ook verrassingsbrood op het menu staat, al is er een stilzwijgend verlangen van elke tafelgast, behoudens Jules – ze moesten maar eens een oorlog meemaken – om dat achterwege te laten. Elke gast heeft twee fondueprikkers. Er is een bolletje bovenaan de prikker die aangeeft van wie het fonduestokje is. Jules wil altijd de twee lichtblauwe bolletjes en vandaag is dat niet anders. Marjolein weet dit en als een op het einde van de rit of avond vergeefs zoenoffer, heeft ze reeds twee gehaktballetjes doormidden gesneden en op een prikker geprikt. Eén rood en een geel gehaktballetje. Zij gaan als eerste het fonduestel in en de olie knettert wanneer het vlees er mee in aanraking komt. Ondertussen dient Marjolein de soep op. Tomatensoep uit blik, met gehaktballetjes, van Unox is het enige wat ze zich in grotere hoeveelheden kunnen veroorloven – voor soep met echte ingrediënten moeten we terug naar de tijd dat Marjolein nog in de Chicken Express werkte en ze af en toe restjes mee naar huis kreeg of achterover drukte. Célestine vist er de gehaktballetjes uit en Reginald heeft dit gezien. Ze ziet dat hij het ziet, maar doet lustig verder. De ongemakkelijke stilte wordt doorbroken door het geslurp van Jules met tussen elke slurp een knor voor de afwisseling. ‘Jimmy, ga eens een fles cola halen voor uw grootvader.’ Reginald zit het dichtst bij de deur van de kelder, maar hij vertikt het om ook maar één vinger uit te steken. ‘Hij is nu toch soep aan het drinken, pa. Dat kan straks ook.’ ‘Jimmy, ik zeg dat gíj nú een fles cola gaat halen voor uw grootvader. Of ik sla de tanden uit uw bek.’ Célestine schrikt van die laatste opmerking. ‘Meneer Sabbe, u meent toch niet…’ ‘Dat doet hij wel,’ antwoordt Billy, ‘als je niet doet wat hij vraagt, dan zwaait er wat.’ Met grote ogen eet Célestine haar soep verder in stilte op. Met een sardonische grijns, als demonstratie van het feit dat híj het is die de touwtjes in handen heeft, voor de vreemde eend in de bijt, eet Reginald verder. Zij gaat geen knuppel in het hoenderhok gooien, of ze zal er kennis mee maken. ‘Zo, Jimmy,’ zegt Célestine, die duidelijk geen genoegen neemt met de feestelijke stilte in de kamer, ‘ik heb gehoord dat jij vandaag begonnen bent als postbode?’ ‘Ja,’ knikt Jimmy. ‘En, doe je het graag?’ Reginald kijkt naar Célestine. Wat subtiliteit betreft zijn beiden aan elkaar gewaagd. Hij wéét dat ze weet dat ook Jimmy liever had verder gestudeerd – dat zal die idioot van een Billy haar al verteld hebben. Célestine kijkt naar Réginald en dan terug naar Jimmy. ‘Bwa… Ik weet het niet,’ antwoordt Jimmy, ‘het is nog maar de eerste dag, hé.’ ‘Ik vind dat je moet doen wat je gelukkig maakt. Zo leef ik toch. Pluk de dag. Carpe diem.’ Jules pulkt aan zijn baard en wiegt zachtjes heen en weer. Zulke onzin verkopen als zelfbeschikking, of doen wat je gelukkig maakt, in het huis van zijn zoon. Marjolein kijkt naar haar toekomstige schoondochter met angst in de ogen. Met de cd-speler op repeat begint Xavier De Baere nogmaals aan “formidabele kerstmis”. ‘Ik ben blij,’ zegt Reginald ten slotte na, behoudens “formidabele kerstmis”, misschien de meest ongemakkelijke stilte tot nu toe, ‘dat ze in Gent genoegen nemen met minder, als ze maar gelukkig zijn. Maar hier zijn we van het principe dat als je werk hebt, je het moet houden. Stop dus met die zever in mijn zoon zijn kop te steken. Ge hebt er al één onnozel gemaakt, de tweede gaat facteur zijn.’ Jimmy kijkt naar beneden, alsof hij in zijn bord soep naar de bodem speurt. ‘En facteur blijven. Hebt ge dat goed verstaan? Goed. Ga nu maar mijn sigaretten halen. En rap een beetje.’ ‘Ja, pa.’ Jimmy staat op en gaat naar de gang waar de sigaretten van Reginald op een bijzettafeltje liggen. Wat later keert hij terug en gooit hij het pakje naar Reginald, die het voorbij laat zoeven. ‘Gij gaat nu dat pakske sigaretten oprapen, of het zal uw beste dag niet zijn.’ Slaafs gehoorzaamt Jimmy aan het gebod van zijn vader. Reginald haalt een sigaret uit zijn pakje en biedt Célestine met diezelfde sardonische grijns een sigaret aan. ‘Neen?’ vraagt hij. Hij stopt de sigaretten in zijn broekzak. ‘Ook goed,’ gaat hij verder en hij steekt de sigaret op. Hij blaast de rook richting Célestine, die, doordat ze recht voor hem zit, de walm niet kan ontwijken. ‘Geeft het, meneer Sabbe, dat ik eet terwijl u rookt?’ ‘Doe maar,’ zegt Reginald.  

Miguel
2 0