Teksten

Smaakbommetjes

Specerijen die Kawtar koestert Anijszaad, cayennepeper, garam masala, gember, kaneel, kardemom, kerriepoeder, komijn, kruidnagel, kurkuma, nootmuskaat, ras el hanout en saffraan Garam masala, kardemom en kerrie doen haar dromen van kip tikka masala, samosa, chutney en saffraankleurige sari’s. De Happy Boeddha op het bijzettafeltje kijkt haar vragend aan. Ze voelt het kriebelen, de behoefte om Indië te verkennen in de herfst.   Kawtar's herfstfavorieten Het onzichtbaar verglijden van de Tijd die nooit maalt om wat voorbij is De oren spitsen bij het gekibbel van de eekhoorns in het Hallerbos Zich laten betoveren door het lichtspel tussen de kastanjebomen Spinnenwebben fotograferen Oesterzwammen plukken voor de soep Pindaslingers rijgen Zich onderdompelen in de magie van kortverhalen bij kaarslicht Dampende anijsmelk met honing slurpen   Gember, kruidnagel en nootmuskaat katapulteren haar naar de gezellige winteravonden als jong meisje omringd door de knisperende vlammen in de open haard. Terwijl de regen nu gezapig tegen de ramen tikt, nestelt ze zich in de schommelstoel, geborgen in de ruitjesplaid die ze ooit cadeau kreeg van Rabia, haar ma. Geurige kruidenthee en appeltaart vullen de woonkamer met kaneelaroma. Neus en maag snakken naar couscous met een extra dosis kaneel, poedersuiker, zoete ajuinen en gedroogde rozijnen. Energiek gaat ze op jacht naar de ingrediënten. En terwijl ze met haar vingers over het griesmeel rolt, mist ze haar.   Herinneringen aan Rabia De groene foulard gedrapeerd rond haar frêle schouders De afternoon tea met verse muntthee en amandelkoekjes De wandelingen in de rolstoel na het middagdutje Haar afkeer van sneeuw, vergeetmomentjes, afbrekende botten, groene vingers, nuchtere  adviezen en ongelovige blik wanneer Kawtar dingen vertelde die niet pasten in haar universum Hun koppige gesprekken en de vrije lach om onbenulligheden die nog nazinderen   Terwijl de couscous gaar stoomt, vist Kawtar een notitieboekje uit de keukenla. Dankbaarheid vloeit over in verzen die ze opdraagt aan deze bijzondere vrouw die de  strijd verloor in het najaar.

Fatiha Berrazi
6 0
Tip

Littekens

Kawtar staart naar de foto die een lange winterslaap heeft gehouden in een zolderhoekje. Ze is gehypnotiseerd door het tere silhouet en de sterke persoonlijkheid in groei, tussen werkelijkheid en verlangen gevangen. Ze streelt het fotopapier – zo zacht dat het bijna als katoen tussen haar vingers aanvoelt – en houdt even haar adem in. Ze snakt naar het dromerige zomermeisje van toen, nog niet bezoedeld door een tirannieke vader en geërfde tradities die haar vrijheid doorheen de jaren zouden verbrokkelen tot ruïnes; haar onzekerheid zouden doen aanzwellen als een tumor; de kiem legden voor een reeks ongezonde relaties; haar opstandigheid en rechtvaardigheidsgevoel zouden versterken; haar schrijfbehoefte zouden verscherpen; haar drang naar geborgenheid zouden kanaliseren in een vlucht naar Boekenland. Een patriarch waarvan ze zich nauwelijks een glimlach kan herinneren. Een verbitterde man met twee gezichten, die misschien niet wist dat hij genegenheid voor vrouw en kinderen mocht tonen. Het oordeel van de anderen had meer gewicht dan hun geluk. Het was alsof hij zich God waande. Strenge regels, gehoorzaamheid, preutsheid, maar niet voor de rokkenjager die moraal niet hoog in het vaandel droeg. Haar moeder Rabia was de vriendelijkheid zelve. Ze deed wat ze kon voor haar kroost, maar ze begreep Kawtar niet. Ze kon niet vatten waarom haar jongste dochter per se wou verder studeren en van kunst en cultuur hield. Rabia was analfabeet; getekend door de barbaarsheid van de Algerijnse revolutie en de onderdanigheid waarmee ze verstrengeld was geraakt. Angstgevoelens en heimwee naar haar familie ontwortelden haar. Ondanks de liefde voor en van haar zonen en dochters en de afleiding van de andere vrouwen op trouw- en geboortefeesten viel ze in de klauwen van depressie en tijdelijke waanzin. Dit zou sporen achterlaten bij Kawtar. Grote zus Nabila trok destijds die foto in Djemila, een ouderwets bergdorpje verscholen in een magisch stukje Algerije in rust waar de balkende ezel, blaffende hond en mekkerende geiten vrolijk hun ding doen. Tussen hen in draaft de negenjarige Kawtar. Van de verzengende hitte, verschroeide aarde en verstikkende wind trekt ze zich niets aan. Haar lange zwarte haren, gebruind gezichtje en ernstige blik onder dat grappig zonnehoedje zijn onderdeel van haar charme. Toen al hield ze van hoeden en petjes. Haar kort jurkje met fleurige bloemenprint oogt zomers fris. Kawtar – die de vriendelijkheids- en waarheidsgenen van haar moeder heeft meegekregen – begrijpt nog altijd niet waarom Nabila vaak zo wreed tegen haar deed. In hun kinderjaren stond haar zus op een goed blaadje bij vader omdat ze diplomatisch te werk ging. Leugentjes om bestwil kleurden haar jeugdherinneringen rozer dan de hare. Op de foto is kleine Kawtar in gedachten verzonken, zo ver weg en toch dichtbij. Buiten beeld komt een bende slungelige tieners al lachend op haar afgelopen. Het zijn een aantal neven en buurjongens, en ook Hamza, de middelste van haar jongere broers. Pretdruppels druipen van hun voorhoofd. Hamza, een eersteklas klikspaan, zou later aarden naar haar vader. Ze draait abrupt haar hoofd opzij. Plop, plop, plop. Kiezeltjes vliegen als vuurwerk door de lucht. Haar angstige blik trekt echter snel weg zoals een kameleon van kleur verandert. IJverig manoeuvreert ze zich op de klamme rug van haar trouwe vriend de ezel wiens koppigheid en doorzettingsvermogen bij haar zouden doorsijpelen als een karaktertrek. Eigenlijk best grappig, dat kleine tengere meisje op die weerbarstige ezel. “Dorst, dorst”, weergalmt haar kinderstem door de lucht. “Dorst!” Ze zijn beide uitgeput door inspanning én opwinding. Hop, hop, lief ezeltje, hop richting rivier, op weg naar verkoeling. Een grote stofwolk spat uiteen in oneindige stofdeeltjes die zich op haar rozenjurk nestelen. Dertig jaar later zijn dit groene vlekjes op de vergeelde foto. De beltoon die weerklinkt vanuit haar jeanszak vibreert hardnekkig. Ze negeert ABBA en pinkt snel een traan weg.

Fatiha Berrazi
90 2

Rollercoaster

                               Een stoornis hangt als een betonnen mantel om haar schouders lijmt haar voeten vast knelt haar tenen haar vingers willen niet mee.             Terwijl ze rond het zeewier spartelt           als een zeebaars oproeit tegen de stroom           vullen haar longen zich met luchtbubbels                                        en lopen dan weer leeg.                                                                                                 Ze dwaalt                                                                                               met een kast op haar rug                                                                                               die dreigt neer te storten                                                                                               herfstig in de zomer                                                                                               lentefris in de winter.   Ze wil schuilen in zeepbellen gewichtloos landen tussen laatbloeiers brandnetels en pissebloemen proeven groeien als boomwortels rond beton spelen een hinkelspel holderdebolder.                                                                                                 Met een ijzeren wil                                                                                               therapie na therapie                                                                                               slaagt ze erin de euforie                                                                                               te wentelen in de sneeuw                                                                                               de twee polen te smelten                                                                                                                 in het zonlicht.

Fatiha Berrazi
5 1

Boemerang

Ik herinner mij de zonneslag in een grijze Peugeot zwaarbeladen als een muilezel de helse zomerexodus van mijn geborgen zolderkamertje vol frisse dromen in het Land van Waas naar ons wit huis in Oujda waar mijn moeder in de keuken khobz kneedde die ik met mijn zus naar de farran bij de plaatselijk bakker bracht Er werd gegeten in een salon met sederi aangekleed met bontgekleurde kussens, in harmonie met lage tafels waaronder onze voeten bengelden op handgeweven tapijten Centrale verwarming hadden we niet Er werd geslapen op matrassen en dekens op de grond Onze behoefte moesten we achterlaten op een hurktoilet en onze huid gingen we scrubben in de hamam tot alle dode schilfers en preutsheid eraf vielen  Jurkjes, broeken, kousen, ondergoed, T-shirts werden gewassen in grote zinken wasteilen met water uit de waterput en later uit de kraan Handen en bruine zeep waren onze wasmachine en de zonnestralen op het dakterras onze droogkast Het uitzicht vanuit de hoogte was stoffig, maar op dat terras smulden we met de vriendjes amandel- en honingkoekjes die we hadden gejat uit de keukenkast terwijl we ons verstopten achter handdoeken en lakens We hadden een codetaal ontwikkeld voor die weken van komen en gaan van familieleden en buren die vroegen naar het reilen en zeilen tijdens de rest van het jaar in Belgika, voor hen het paradijs   maar voor mij een hopeloos gevecht tegen vreemde roots, traditie, religie en sociale controle door vader en zijn kompanen   Het zondebokgevoel woekerde tussen mijn vingers, maar   was het geen onrecht om rekensommen te moeten maken op de oude lessenaar bij zuster Serafien terwijl Ann, Hilde, Lieve, Sabine, Tiny en Katrien werden ingewijd in de geheimen van school-, vlinder- en rugslag?   was het geen onrecht zoveel haram?   Geen toneel-, piano-, of tekenles maar Arabische les geen Chirokamp maar opruimen, kuisen en mondje dicht geen salami en hotdog maar sterk geurend schapenvlees geen glinsterende kerstballen, geen barbiepop met nieuwjaar geen zakgeld voor de cinema, geen geflirt in discotheek Carré maar familiegeroddel tot in de late uurtjes geen strakke jeans of hippe minirok maar afdankertjes waarin ik me voelde als een grijze muis   Nu nog krijg ik rillingen in een speeltuin waar ik de schoen van mijn baba opnieuw voel schoppen op mijn kont en een rode voortand zie landen over de schommel in de zandbak waar mijn zelfvertrouwen bedolven ligt

Fatiha Berrazi
20 1

Chagrijnig plein

In het Pajottenland      slaat de kerkklok tien uur in de ochtend.   Onschuld ligt begraven onder een stevig sneeuwtapijt      er is een overloop van maagdenwit      naar letselrood.   Bomen   dragen hun naaktheid met trots                spreiden hun armen over de                daken die eruitzien als verkleumd                alsof ze hen willen beschermen                tegen stokken die deuren en ramen inbeuken.   Zwarte kraaien bespieden armzalige taferelen.      De gulzigheid druipt van hun krachtige snavel      bij het identificeren van een gans wiens nek eraan moet geloven.   Rode ruiters en soldaten in harnas dwepen met macht. Paarden steigeren               vervloeken de chaos.   Jachthonden dorsten naar bloed. Zwepen cirkelen in de lucht               landen op prooien die worden gedwongen in het gareel.   Vrouwenreünie in lange gewaden waarin de ijzige morgen kruipt. Wanhopig sterke vrouwen               fluisteren                                                          beloeren                                                          bedelen op hun knie of                                                          berusten in honger                                                          proberen hun eer te redden of                                                          vluchten met hun kroost.   Hoopjes mens,                           triest gekreun,                                                          smeekbeden helpen geen zier.

Fatiha Berrazi
3 0

Stilte die in beweging komt

Oververhit plof ik neer op een rotsblok. Terwijl ik een paar slokken water drink, screenen mijn ogen de langgerekte Andes. Ik bewonder de capriolen van de koeien en hun kalfjes in de schaduw van de fiere bergtoppen en heuvels. In de verte hoor ik de uitgelaten stemmen van de kinderen uit het dorp. Ik geef ze in gedachten een naam. Mijn soepele vingers wrijven over mijn reisschrift.   Tussen twee boomstammen in de vallei bengelt een veelkleurige figuur in papier-maché aan een touw. Zestien door de zon getaande benen bewegen in slow motion, draf of galop. De voeten zijn gevlucht uit hun nauw aansluitende sokken. Ricardo, Pedro, Fernando en Rafael giechelen in koor. Rosa, Gabriela, Juana en Luz trappelen van ongeduld. Hun zwarte haren zijn gevlochten of gebonden in een paardenstaart met een feestelijke strik. Om beurt worden ze geblinddoekt. Juana, la chica del cumpleaños, mag de spits afbijten. “No veo nada,” roept ze opgewonden. “Uno, dos, tres, cuatro, cinco, seis, siete, ocho, nueve, diez.” Na de verplichte draaiingen slaan ze erop los met een knuppel. “Alhi?” “Venga chica!” “A la derecha, a la derecha”. “Da la vuelta, da la vuelta.” “Alhi, alhi.”   Wanneer het hoofd na de vijfde poging eraf zwiept, gaat de marteling verder tot ook één arm eraan moet geloven. Het gebergte slokt het triomfantelijk gejuich op. Een harige man beweegt het touw omhoog en omlaag terwijl zijn borstkas gedwee het ritme volgt.   Na een fatale klap van de stevig gebouwde Pedro belandt de verminkte figuur met een plof op het gras. Handen grijpen naar de stortvloed van snoepjes en cadeautjes. “Quiero mas dulce,” krijst Gabriela. Een groot deel van Superman wordt hevig platgedrukt. Zijn kop dient als speelbal en één van zijn benen laat zich oostwaarts meevoeren met de rivierstroming.   Ze eten snel de lekkernijen op en gaan dan over tot het volgende spelletje. Met veel show proberen ze een bontgekleurde sombrero zo ver mogelijk weg te werpen. Per meter verdienen ze een punt. Fernando verzamelt als eerste acht punten. Hij krijgt een kroon en bepaalt wat ze verder spelen.   De Sombrero-koning laat zijn vrienden even sudderen en geeft dan duidelijke instructies. Met veel gejoel plaatsen ze zeven plooistoelen naast elkaar, afwisselend met de rugleuning naar voren en naar achteren gekeerd. Hierrond wordt gedanst en meegezongen op uitbundige Mariachi-muziek die uit enorme luidsprekers schalt. Telkens wanneer de muziek abrupt stopt, lachen de overblijvers voluit en neemt de afvaller met tegenzin een stoel weg. Uiteindelijk wint het feestvarken Juana maar het is de koning die opnieuw het volgend spel mag kiezen.   Fernando kiest ervoor om te dribbelen en te drijven. De meisjes hebben hier wel zin in, behalve Juana. Ze begint te jammeren en loopt weg.   Mijn ogen, oren en noterende vingers hongeren naar meer, maar ik heb nog een lange tocht voor de boeg. Ik gooi mijn spullen in mijn rugzak en vervolg mijn weg naar vrijheid. Onderweg bedenk ik een meer nobele variant van de klassieke stoelendans, waarbij aan het einde van de rit Juana en haar vrienden samen op één stoel overeind proberen te blijven.   Mijn gedachten reizen terug naar de lievelingsspelletjes uit mijn jeugd: verstoppertje, zakdoekje leggen, schipper mag ik overvaren, touwtje springen, hinkelen. Zoals de Amerikaanse journalist Ron Olson schreef, “My childhood may be over, but that doesn’t mean playtime is”.

Fatiha Berrazi
11 1