Marc M. Aerts

Gebruikersnaam Marc M. Aerts

Opleiding

introductie proza van Wisper

Publicaties

sinds 2018 auteur van een roman 'Kinderen van de eclips' uitgegeven in eigen beheer via 'createmybooks'

Prijzen

'De verhalen wachten' van Eurostar
Laureaat 'Klinkers' BIB Sint-Niklaas

Teksten

Mien de slet

(aquarel van Paula Aerts - zie www.paulaquarel.blogspot.com)   2008. De zaken gingen al geruime tijd niet goed meer ten huize Marylou. De bankencrisis had uitbreiding genomen en nu kreeg haar core-business er ook flink van langs. Ze kreeg almaar minder volk over de vloer. En als er dan al eens een man  langskwam dan vond ie het te duur of moest er aan verlaagd tarief iets afgehaspeld worden. Dat was ook geen leven. Dus dacht Marylou na. Ze dacht lang na want ze had veel tijd om na te denken. Maar ze vond niet direct een antwoord. Wie had kunnen vermoeden dat de oplossing voor haar probleem vanuit een totaal onverwacht hoekje kwam opduiken.   Op een dag kreeg Marylou een nieuwe buurvrouw want het aangrenzende herenhuis verwelkomde een kersverse bewoner. Een pas afgestudeerde seksuologe kwam naast Marylou wonen en opende een praktijk op het gelijkvloers. Haar privé lag op de eerste verdieping en die deelde ze met Fred, haar gecastreerde kater.   Een uitnodiging voor een house-warming-party had Marylou niet ontvangen, dus trok ze op een middag haar stoute schoenen aan. Als welkomstgeschenk had ze twee éclairs meegenomen en een tompoes voor Fred. Ze zag het naamplaatje van de jonge vrouw, Lien De Smet, en belde aan. Een vriendelijke stem klonk door de parlofoon en nodigde haar uit om binnen te komen. ‘Waarmee kan ik u helpen?’ vroeg Lien onmiddellijk. ‘Aan mij mankeert er niks,’ zei Marylou, ‘Begrijp me niet verkeerd. Ik kom enkel kennismaken zoals een goede gebuur betaamt en ik heb een cadeautje bij’. Dat vond Lien wel erg charmant en ze schaamde zich een beetje omdat ze zelf het initiatief niet had genomen om haar buur uit te nodigen. Ze zette een potje koffie, heet en sterk, honderd procent arabica. Binnen de kortste tijd werd Lien ingewijd in Marylou’s onzekere maar wondere wereld en vernam ze de specifieke problemen waarmee haar buurvrouw te kampen had.   ‘Ik moet je eerst bekennen,’ had Lien gezegd, ‘hoezeer ik jouw functie in de maatschappij respecteer. Zouden jij en je collega’s er niet zijn, dan zouden er vele, erge dingen gebeuren.’ Met deze woorden lag Lien onmiddellijk in Marylou’s bovenste schuif en schrok deze laatste er ook niet voor terug om de achteruitgang van haar éénvrouwsbedrijfje uit de doeken te doen. Ze vertelde dat ze, reeds voor de crisis een echte aanvang had genomen, had gemerkt dat het aantal bezoekjes van mannen-in-nood stelselmatig afnam. In het begin was ze al eens op een voormiddag werkloos en de week erna kon dat op een namiddag zijn, maar na verloop van tijd waren er zelfs avonden dat ze rustig televisie kon kijken zonder gestoord te worden. Ze was zelfs gestopt om Temptation Island op haar digibox te programmeren. Ze keek gewoon live omdat ze er donder op kon zeggen dat die avond hooguit een verdwaalde poes aan haar vensterraam kwam postvatten. Zodoende had Marylou op die betreffende namiddag een enige gelegenheid om een specialiste om raad te vragen. Lien moest wel toegeven dat ze een dergelijk probleem niet had voorgeschoteld gekregen tijdens haar studies aan de universiteit - praktijklessen bestonden niet - maar ze wilde toch graag haar nieuwbakken vriendin ter hulp schieten. Ze dacht na. Ze dacht diep na en toen ze aan haar livingraam naar buiten keek en haar blik aan de overzijde van de straat het volkscafé ontwaarde moest ze denken aan haar opa en het gezelschapsspel dat hem zoveel plezier had bezorgd toen hij in het bejaardentehuis verbleef. ‘Dat is het,’ zei ze, ‘een pietjesbak. Je moet klanten lokken met een pietjesbak. Destijds heb ik zo’n exemplaar aan mijn grootvader voor zijn tachtigste verjaardag geschonken en toen hij overleden is heb ik de bak als dierbare herinnering aan hem naar huis meegenomen. Hij moet hier ergens op zolder aanbeland zijn. Je mag hem gerust een tijdje van mij lenen. Zo doe ik ook een duit in het zakje of noem het maar het pietjesbakje’. Op één, twee, drie had ze een strategie klaar en een uurtje later kon Marylou op haar werkdivan een uitgebreider strijdplan bedisselen.   Een nieuw concept dus ook een nieuwe naam, was het eerste wat Marylou te binnen schoot. Ze moest niet lang nadenken en ze kreeg al binnenpretjes, die ze hoopte in de naaste toekomst nog meer te voelen: haar behulpzame buurvrouw heette Lien De Smet, dus zou Marylou’s nieuwe alter-ego Mien de slet zijn. Een slogan in het plaatselijk advertentiekrantje had ze ook al klaar:  ‘Bij Mien de slet, altijd pret. De teerlingen in de bak besparen je een smak’. Die laatste zin tezamen met een afbeelding van drie dobbelstenen liet ze door een bevriende kunstenaar op haar vitrine schilderen. Nu moest ze even geduldig zijn en hopen dat het nieuws als een lopend vuurtje zou rondgaan en de eerste nieuwsgierigen hun kop omhoog zouden steken. In de tussentijd kon ze haar nieuwe manier van werken wat finetunen. Buurvrouw Lien had haar al goed op weg geholpen maar er waren nog enkele punten die haar aandacht verdienden. Telkens weer als ze alles zorgvuldig overliep ontdekte ze een nieuwigheidje en bij elke nieuwe vondst ontsnapte haar een gilletje. Die avond, na alweer geen klanten te hebben gezien, ging ze moe maar ongelooflijk voldaan slapen en legde ze haar éne been over het andere …   Enkele dagen gingen voorbij. Marylou had zich zelfs wat verlof gegund - op het bordje dat aan de deur hing had ze met enige zin voor humor ‘enkele dagen platte rust’ geschreven - en ze spendeerde die welgekomen vrije tijd en wat geld aan het opsmukken van het interieur van haar werkplek. De gordijnen met pantervellenopdruk verdwenen naar het containerpark en werden verruild voor state-of-the-art-jaloezieën. De muren kregen een kakelvers behangpapier aangemeten met een terloopse verwijzing naar het dobbelspel waarvan ze in haar diepe binnenste verhoopte dat het haar geluk zou brengen.   Het werd weer vrijdagavond. Dit zou, normaal gesproken, haar drukste werkdag moeten worden. Marylou stond in haar vernieuwde etalage te popelen van ongeduld. Ze had een nieuwe lampenslinger aangestoken en ze had zichzelf gehuld in een luchtig niemendalletje. Frivoler kon het niet en dat zou effect ressorteren. Er liep wel wat volk rond die avond en het was haar opgevallen dat een drietal heren meerdere keren, geïnteresseerd maar onrustig kijkend, aan haar venster waren gepasseerd. Uiteindelijk ging de deurschel en kwam een oud mannetje haastig binnengestapt. Marylou zag dadelijk dat hij zich niet op zijn gemak voelde dus besloot ze daar dadelijk aan te verhelpen. Ze was tenslotte een kei in haar vak. ‘Doe maar rustig,’ zei ze, terwijl ze de deur sloot en ze haar tanden bloot lachte, ‘ik doe je geen pijn hoor’. Het ventje keek haar gerustgesteld aan. ‘Wil je een drankje? Die trakteer ik jou omdat je mijn eerste klant bent sinds ik alles gerenoveerd heb. Alles is nieuw, behalve ik natuurlijk, of wat dacht je?’ Hij lachte wat ongemakkelijk. ‘Doe maar een biertje,’ zei hij. ‘Dan neem ik een Virgin Mojito,’ giechelde Mien. ‘Misschien heb je geluk en word ik opnieuw maagd’. Hij kon de inside-joke wel smaken en nam een slok van zijn pintje. ‘Ondertussen hebben we even tijd om de nieuwe gang van zaken wat toe te lichten,’ klonk ze professioneel. ‘Zie je daar dat bord. Daarop staat te lezen hoe je wat kunt besparen door met de dobbelstenen te gooien.’ Het mannetje keek met halfdicht geknepen ogen wat er te lezen stond en zei: ‘Dat wil ik wel eens uitproberen. Ik ben altijd graag uit op een gokje.’ Mien haalde de pietjesbak en de dobbelstenen te voorschijn. ‘Omdat ik je zo sympathiek vind laat ik je al eens een keer gooien. Is het resultaat niet goed, dan mag je nog eens een keer met de teerlingen werpen. Ok?’ ‘Prima,’ zei hij en hij gooide verwoed de dobbelstenen in de bak. 2 - 2 - 3. ‘Oei, dat is 7, de laagste score,’ lachte Mien, ‘als mijn volgende klant dit zou gooien, dan zou hij voor zijn verzorgingsbeurt 70 ipv 50 euro moeten betalen. Gooi nog maar eens. Toe.’ Deze keer nam het mannetje de stenen voorzichtig vast en gooide al even behoedzaam. 2 - 2 - 2. ‘Oei, dat is 6. Dat is nog lager,’ reageerde hij beteuterd. ‘Maar nee jongen,’ troostte Mien, ‘je hebt zand van 2 gesmeten. Zo noemt men dat. Dat is goed. Zeer goed zelfs. Zie je het daar op het bord staan: zand van twee betekent 20 % korting als je binnen de twee weken mij opnieuw een bezoekje brengt. Dan hoef je dus slechts 40 in plaats van 50 euro te betalen. Hier, ik geef je een tegoedbon en ik schrijf het in mijn schrift. Zoals je ziet is het boekje nog maagdelijk wit. Op welke naam mag ik het zetten? Gebruik gerust een schuilnaam, als je dat wilt.’ ‘Zet dan maar Schuitje. Zo noemde mijn overleden vrouw mij altijd. We zaten immers méér dan veertig jaar in hetzelfde trouwschuitje. Ze is twee jaar geleden heengegaan en dit is de eerste keer dat ik bij iemand zoals jij …’. Hij wist niet goed hoe hij dit moest uitleggen. ‘Ik snap maar al te goed hoe jij je voelt Schuitje. Kom we beginnen eraan. Heel voorzichtig en we zien wel hoe het verder gaat,’ stelde Mien hem gerust. Een half uur later nam Mien afscheid van haar eerste gast. Ze gaf hem een kuis kusje op zijn wang want ze voelde dat ze net iets heel moois had meegemaakt.  Er ging geen kwartier voorbij alvorens een volgende klant zich aanmeldde. Ze herkende de man als één van de geïnteresseerde voorbijgangers van een uur geleden. Hij was een pak jonger dan de vorige en hij keek wat onwennig rond. ‘De eerste keer?’ informeerde Mien. ‘Ja, en ik weet niet heel zeker of ik dit wel wil,’ zei de midveertiger. ‘Dat begrijp ik,’ antwoordde Mien heel gedecideerd, ‘laat ons er even over praten. Hoe heb je me gevonden?’ ‘Via jouw advertentie eigenlijk,’ vertelde de man heel openlijk, ‘die viel me op, zo met die dobbelstenen weet je wel en daarom vond ik het toch wel interessant om eens kennis te maken.’ Mien vond het prima en legde de spelregels van haar pietjesspel haarfijn uit. ‘Daar is over nagedacht,’ zei hij, ‘kom geef die teerlingen maar. Drie eentjes, de aapjes dus, en ik mag gratis voor niets met jou naar …’. Hij kon zijn zin niet eens afmaken want Mien repliceerde meteen: ‘Zo zit dat’. Haar tweede bezoeker hield de dobbelstenen in zijn twee handen, maakte er een bolletje van en blies tussen zijn twee duimen. ‘Vooruit aapjes,’ riep hij en hij gooide met forse kracht de stenen in de bak. 1 - 1 - 6. ‘Oei, dat was dichtbij,’ jammerde hij, ‘hoeveel heb ik nu eigenlijk?’ ‘Dat is 260, het hoogste wat je kan gooien, buiten die speciale getallen dan, dus dat heb je goed gedaan maar hier heb je er geen prijs mee. Je mag wel gratis opnieuw gooien met deze score en dat is toch ook niet slecht hé,’ moedigde Mien hem aan. De klant wreef in zijn handen en herhaalde zijn vorige handeling maar dit keer wat minzamer. 4 - 4 - 4. ‘Sjonge, sjonge, er wordt flink gegooid vandaag. Maar dat is niet erg. We doen tenslotte alles voor onze business,’ zei Mien. Ze had er eigenlijk wel schik in. ‘Je hebt zand van 4 geworpen. Dat wil zeggen dat je 40 % korting krijgt als je binnen 4 weken mij nog eens komt opzoeken. Dat is toch een schone geste hé. Kom geef me nu maar 50 euro. Je weet dat het binnen de maand maar 30 euro zal zijn. Ok? Ik schrijf je even een waardebonnetje. Op welke naam mag ik het zetten?’ Mien voelde zich echt in haar element. ‘Tarzan,’ lachte hij, ‘dat zal je dadelijk wel ondervinden.’ ‘Ik verheug er mij al op,’ kirde Mien. Hij scheen haar te geloven.   Haar eerste twee bezoekers zaten erop en je kon het ontegensprekelijk een groot succes noemen. De dobbelstenen hadden weliswaar in het voordeel van haar klanten gerold maar tezelfdertijd bracht deze uitkomst flink wat cliëntenbinding teweeg. Dat het gooien van 260 een extra werpbeurt met zich meebracht had ze op datzelfde moment verzonnen, maar ze was zeker van plan dit zo te houden. Dus moest ze dit getal ook op het bord noteren. Daardoor kwam ze zelfs op het idee om aan iedereen die geen ‘prijs’ gooide voor te stellen een nieuwe gok te wagen voor een inbreng van slechts 5 euro. En in de dagen die daarna verstreken bleek deze strategie ook vruchten af te werpen. Lukte het niet dan was ze telkens 5 euro rijker. Kwam er toch een prijs uit de bus vallen, dan kon ze weer rekenen op klantenbinding. Mientje, Mientje, dacht ze bij zichzelf, je bent goed bezig, heel goed bezig.   De zandjes van 2, 3, 4, 5 of 6 kwamen af en toe eens uit en de mannen straalden dan zoals jongens die een nieuw speeltje hadden gekregen. De respectievelijke kortingen nam Mien er met de glimlach bij. Na 3 weken was er zelfs een gelukzak die de aapjes gooide en Mien trakteerde hem, buiten een gratis stoeibeurt, zelfs op een glaasje bubbels.  Nog een week later was het een lang opgeschoten verlegen jongeman die 4 - 5 - 6 wierp. ‘Soixante-neuf,’ had Mien toen luid uitgeroepen en de kerel dacht even dat hij iets verkeerd had gedaan. ‘Maar nee,’ had Mien hem dadelijk gerust gesteld, ‘je mag, als je dat wil, me even ondersteboven bewonderen en dat kost je geen cent méér.’ ‘Ik heb wel wiskunde gestudeerd en ik ken een beetje Frans maar dit heeft mijn mama mij nooit geleerd,’ zei de jongen met een duidelijke blos op zijn wangen. ‘Het is zo eens iets anders dan die vervelende missionarishouding, vind je niet,’ fluisterde Mien, maar deze opmerking deed geen belletje rinkelen in de seksuele fantasiewereld van de kerel. Ze giechelde even en toen begon ze er maar aan. Toen hij een halfuur later naar buiten ging was er al veel van zijn schroom verdwenen en hij verzekerde Mien dat hij beslist nog eens zou terugkomen ‘omdat zij hem nog veel te leren had’.   En terugkomen deden ze haast allemaal en dat had drie redenen. Ten eerste kende Mien haar job als geen ander. Ten tweede liep ze er altijd vrolijk bij en werd er al eens flink gelachen en ten derde was er altijd dat tikkeltje spanning. Wat zouden de dobbelstenen dit keer in petto hebben?   Op een late morgen, nadat Mien haar gebruikelijk croissantje had opgepeuzeld en  haar onmisbare latte macchiato had opgedronken, kreeg ze onverwachts bezoek. Buurvrouw Lien kwam eens informeren hoe de zaken liepen en ze had een bavarois meegebracht, gemaakt van passievrucht met crèmeux met daaronder een biscuit van chocolade en een krokante bodem.  ’De patissier vertelde me dat dit een ‘passionata’ heet en ik vond dit wel een gepast gebakje voor jou. Zeg maar vertel eens, hebben die pietjes je geluk gebracht,’ vroeg ze nieuwsgierig. ‘Lientje, Lientje, geluk? Een ongelooflijk schot in de roos was het’, vertelde de vroeger genoemde Marylou. ‘Sinds ik mijn naam veranderde in Mien en ik het pietjesspel introduceerde kan ik met moeite al mijn klanten bedienen. Als dat zo verder gaat moet ik een bijkomende werkkracht aannemen. Die pietjesbak was echt een geweldige vondst en de spelregels kan je daar op dat krijtbord terugvinden.’ Mien wees trots naar haar prijzenuitstalling en ze gaf er een woordje uitleg bij. Lien moest er flink om lachen. ‘Fantastisch,’ zei ze, ‘dan hebben opa’s dobbelstenen toch iemand gelukkig gemaakt. Hij zal het vanaf zijn wolk hierboven wel goed in de gaten houden. Hij krijgt er misschien rode oortjes van.’ De twee vriendinnen konden hun pret niet op.   Nu zijn we goed tien jaar verder. Mien heeft België al en tijdje voorgoed vaarwel gezegd. Nadat ze enkele jaren furore had gemaakt in haar business, kon het niet anders dan dat ze haar succes wilde uitproberen in een ander stukje van de wereld. Gokhoofdstad Las Vegas moest er aan geloven. Nu baat ze daar triomfantelijk haar club ‘The hot slot’ uit. De pietjesbak is ingeruild voor vijf ‘meer in het kraam passende’ slotmachines. Geen dobbelstenen maar de vroeger betitelde éénarmige bandieten beslissen of de klanten een prijsje verdienen. Vijf mooie dames hebben haar vroegere beroep overgenomen en ze doen dit natuurlijk onder het motto: ‘what happens in Vegas stays in Vegas’.   Lien heeft Marylou vorige week nog in Vegas bezocht. Het was een vermakelijk weerzien in de woestijn van Nevada. En inderdaad, Mien liet zich ondertussen weer Marylou noemen. Dat klonk wat Amerikaanser en ze betrapte zich er op dat ze de bekende Ricky Nelson-hit, genoemd naar haar voornaam, regelmatig mee neuriede als ze over de befaamde strip liep. Beide dames gingen op een avond naar het casino van Caesars Palace en ze gokten aan de roulettetafel op nummer 1. En wat dacht je? Number 1 it was. Driemaal na elkaar ! Kijk, daar waren de aapjes weer.

Marc M. Aerts
0 0

Tomootje en Dennomo

  Een donderdagse marktdag in een vergeten Vlaams gat.    De zon schijnt en dan verschijnt ook Tomootje, dat weet haast iedereen in dit meestal verstilde boerendorp, Hij neemt plaats op zijn geliefde plekje: de stoel dicht aan de stoeprand waar vanaf halftwaalf - hij weet het goed - de zonnestralen de zitplaats van deze zonaanbidder bereiken. Wat kan Tomootje genieten, daar in dat terrashoekje van café ‘In de drie Stommeriken’.   De zaken draaien blijkbaar opperbest want het bier en de rosé-tjes vloeien rijkelijk. Monster, het hondje van de kroegeigenaar, een waarschijnlijke kruising van een chihuahua en een dwergpoedel, paradeert van tafel tot tafel en troggelt zo menigeen koekje af van de koffieslurpers, want die zijn als naar gewoonte ook van de partij.   ‘Laat de zon in je hart’ keelt Willy Sommers door de luidsprekers die aan weerszijden van de toog opgehangen zijn. Telkens als het marktdag is zet Monsters baasje de muziek extra luid zodat je de schlagers vanaf het terras kunt meebrullen. Zodra Jo Vally met zijn interpretatie van ‘Santa Maria’ alles definitief in vuur en vlam zet, laat ook Dennomo zijn stembanden meetrillen. Hij is de vriend van Tomootje en hij zit aan de andere kant van de zonnetafel, nog net in de schaduw. De lommer is de natuurlijke habitat van deze lamme goedzak. Hij is druk in gesprek met een jongedame, die de ene sigaret met de andere opsteekt en naar zijn verhalen luistert. 'Ik ben daar nog gaan opgetreden,' zegt hij en hij verwijst naar een balzaal enkele boerendorpen verder. 'Wij hadden er veel succes met onze countryband. Bel mij eens op,' dringt hij aan, 'je gaat mijn voicemail horen en dan hoor je me zingen'. Het jonge wicht durft niet anders dan zijn smeekbede op te volgen, neemt haar smartphone en tikt het nummer in dat de loebas haar dicteert. 'Before the next teardrop falls' hoort ze Dennomo kwelen in erbarmelijk Engels. 'Schoon' zegt ze en hij wil niet inzien dat zij hem voorliegt. Een leugentje om bestwil, denkt ze. 'Nadat ik destijds gestopt ben met muziek te maken heb ik les gegeven in linedance. Dat waren nog eens tijden.' Ze hoopt stilletjes dat hij op zijn stoel blijft zitten.   Er komen weer nieuwe terrasgapers toe. Het is een ouder koppel dat dadelijk de belangstelling krijgt van Monster. Het mormel weet dat ze komen koffiekletsen. Het echtpaar doet aanstalten om aan de al druk bezette tafel onder het zonneterras plaats te nemen. Alras worden tafels en stoelen verschoven want blijkbaar behoren zij bij het clubje van de reeds gezetenen. Het vrouwmens ploft in de bijgeschoven rieten stoel neer die het bijna begeeft onder het nadrukkelijke gewicht. Haar evenzeer corpulente man pakt voor de zekerheid een metalen exemplaar. Monstertje ziet zijn kans schoon en wipt op madams schoot. Haar sacoche gaat open en ze haalt een hondensnoepje boven dat onmiddellijk de geest geeft in de hunkerende muil van de bastaard.   Dennomo ziet het lieflijk tafereeltje gebeuren en glimlacht. Het heeft een half mensenleven geduurd en een twintigjarig huwelijk met een vrouw, voor hij wist dat hij eerder op mannen viel. Tomootje was vroeger een van zijn bankcliënten en het zakelijke had na verloop van enige tijd plaats gemaakt voor amoureuze praktijken. Het had destijds even geduurd eer de goegemeente het met de mantel der liefde had toegedekt maar sindsdien was het mannenkoppel onafscheidelijk, Tomootje als een schriele en dunne Stan en Dennomo als een verwijfde dikke Ollie.   Agnes, de vroegere meid van de pastoor, heeft ondertussen postgevat voor Dennomo's buurmeisje en geeft haar drie smakkerds. Ze steekt een aangeboden sigaret tussen haar lippen, ze trekt en blaast de rook als een oude stoomlocomotief in het rond. Het nicotinegoedje krijgt nauwelijks de kans om haar longen aan te tasten. Zelden is een kankerstok zo'n kort leven beschoren geweest.   'Ik neem vandaag de trein' zingt Ann Christy vrolijk.  'Kom jongen' zegt dikkerdje, 'wij moeten ook ons treintje halen. 't Is al kwart voor één geworden'. Dan gebeurt er iets wonderlijks. Dennomo en Tomootje staan recht. Ze bezoeken iedere tafel en schudden handen en kussen wangen dat het een lieve lust is. Iedereen neemt afscheid van het koppel. Ze nemen de trein naar de stad waar ze onlangs een appartement gekocht hebben.  Twee vroegzeventigers lopen richting station hand in hand. Tomootje draagt onder zijn linkerarm een watermeloen. Hij lijkt wel een voetbalscheidsrechter die seffens de aftrap gaat blazen. Dennomo draagt in zijn rechterhand een boodschappentas waarboven de poreistengels uittorenen. Volgende donderdag zijn ze weer van de partij. Daar mag je donder op zeggen. De kastelein heeft even genoeg van de schlagers en 'Thunder' van AC/DC buldert door de luidsprekers. De meeste terraszitters zijn toch hardhorig. Tomootje en Dennomo gaan bijna het hoekje om maar niet alvorens nog eens te zwaaien. Het terras zwaait terug. 'Duizend terrassen in Rome' zingt Bart Kaell en het terras valt in.

Marc M. Aerts
12 1

Waarom Sinterklaas geen Zwarte Pieten met een rood jasje nog in dienst wil nemen.

Sinterklaas was er eerder dit jaar vroeg mee begonnen. Waarmee? Met het voorbereiden van de jaarlijkse festiviteiten rondom zijn naamfeest natuurlijk. De verschillende Pieten waren de afgelopen maanden druk in de weer geweest. Diegenen met het gele jasje hadden aan een heet geblakerde oven gestaan en hadden Sinterklaasspeculaas gebakken. De hete dampen die toen uit de schoorsteen kwamen hadden de Spaanse hemel verschroeid en zij hadden ervoor gezorgd, tezamen met een lichte bries, dat tijdens de zomeravonden de wolken boven de Vlaamse horizon roze hadden gekleurd.Andere Pieten, zij met het blauwe kostuum, hadden een dun laagje chocolade gegoten over een koekje met daarbovenop een licht gezoet eiwitschuimpje. Zo hadden ze weer een grote lading negerzoenen klaargestoomd gekregen. Wel had Sinterklaas, terwijl hij zich tegoed had gedaan aan een verse moorkop tijdens de koffiepauze, laten weten dat ze dit woord “negerzoen” niet meer mochten gebruiken. Vanaf dan zou dit lekkers schuimzoen of chocozoen moeten genoemd worden. Maar de blauwe Pieten wisten maar al te goed dat de Vlamingen dit koekje nog anders noemden en ze hadden toen eens goed in hun vuist gelachen.Naast de zoenenfabriek had Sinterklaas een groot gebouw neergepoot waar de Pieten met groene outfit aan het werk waren geweest. Zij hadden zich gespecialiseerd in het zure snoepgoed. Ze hadden zuurstokken aan een hoog tempo gefabriceerd en de dropveters waren kilometers lang over de band komen rollen.Maar in de grootste van de Sinterklaassnoepgoedenalleswatdaaroplijktfabrieken, kortweg de SSAWDLF, hadden de Pieten met het paarse pak letters van chocolade gesmolten en hadden zij munten van datzelfde, lekkere bruine goedje geslagen. Elke dag was Sinterklaas gaan inspecteren of alles er wel goed verlopen was.Zo was hij ook het kleine gebouwtje binnengelopen waar de Pieten met het rode jasje aan het werk hadden moeten zijn. Maar er was niet gewerkt geworden. De rode Pieten hadden gestaakt. “Deze aardappeltjes van marsepein ruiken wel naar venijn en we maken er geen andere, dat zal niet zijn” had de wat luie en altijd opstandige rode adjunct-Opperpiet geroepen. “Het is venijn, ’t zal niet zijn,” hadden de andere meegeheuld. “En wat gaan onze Vlaamse kindjes daarvan zeggen,” had Sinterklaas zich dan kwaad afgevraagd. De rode Piet had zijn hoofd zodanig hard geschud dat de pluim van zijn muts was gevallen, zomaar pardoes in het blubberende marsepeinfestijn. “Dan moeten jullie maar aan de Costa del Sol in de horeca gaan werken,” had de Sint zich geërgerd en hij had met een roe de rode garde naar buiten gedreven. Aan zijn Opperpiet Nicodemus had hij laten weten dat de aardappeloogst dit jaar mislukt was en dat de kindjes wat extra suikerbeestjes en smikkelbeertjes zouden krijgen. En een extra goede tandenborstel. Die Sint toch ! Altijd stond ie klaar voor een grapje.

Marc M. Aerts
3 1

Hoe is Sinterklaas een grote fan van Madonna geworden?

Er waren in Vlaanderen zeer veel brave meisjes en jongens. En vele van hen stonden in een lange rij in het Huis van de Sint te wachten tot zij met allerhande vragen de goedheiligman konden bestoken: wat hij nam als ontbijt, welke fiets hij had, hoe de naam was van zijn moeder en of hij ook een ezel had.   Toen die laatste vraag door Lars werd gesteld begon de Sint te bulderlachen, zodanig dat de jongeman bijna van schrik wegliep. Maar de jongen werd al vlug getroost toen Sinterklaas aan Nicodemus, zijn Opperpiet, vroeg om dichterbij te komen.‘Kijk,’ zei hij toen, ‘dat is mijn ezel, want hij draagt de allerzwaarste zakken en hij sleurt die over de berijmde en besneeuwde daken mee’.Mijn grote baas heeft toch een speciale zin voor humor, vond die brave helper, maar hij vergaf het hem want ze waren al eeuwenlang bevriend.‘Mag ik nog iets vragen beste Sint,’ vroeg het kleine baasje.‘Natuurlijk, ga je gang, Larsje,’ stelde de oude hem gerust.Of hij van moderne muziek hield, wilde de dreumes weten.‘Jazeker, ik ga met mijn tijd mee hoor. Honderdvijftig jaar geleden waren dat de walsdeuntjes en de operettes, maar nu zie ik Beyoncé en Katy Perry wel zitten hoor.’Lars kon zijn oren niet geloven. Hij hoorde de namen van de idolen van zijn oudere zus.‘Maar heb je ook een favoriet?’ wilde hij toch ook nog weten.‘Ja, ik heb een favoriete en dat is die al wat oudere maar toch wel getrouwe Madonna,’ bekende de oude snoeper.Van Madonna had het kleine jongetje nog nooit gehoord maar dat moest ie dan maar eens vragen aan zijn mama en vooral aan zijn papa had Sinterklaas vervolgens gezegd.‘Ik zal je verklappen waarom ik zo’n fan geworden ben van deze dame,’ wilde de muzikale kindervriend er nog aan toevoegen:‘Tijdens de afgelopen zomer, om precies te zijn op 15 augustus, was er een feestje in de hemel. Iedereen zou een nummertje opvoeren. En moeder Maria mocht beginnen. Zij steeg tot helemaal in de nok van de hemel en deed toen een imitatie van Madonna en ze zong “Like a virgin”. Heel de hemel stond op zijn kop. Sinte Pieter was van zijn wolk gevallen en was de sleutel van de hemelpoort bijna kwijtgespeeld. Het engelenkoor was helemaal buiten adem want de serafijntjes en de cherubijntjes waren enkel gewend om psalmen en madrigalen te zingen en geen stomende popmuziek. Sint Jozef deed alsof hij een ferm stuk in zijn voeten had en riep voortdurend: “Zie daar de onbevlekte gevangenis”. Gelukkig kon de zoon erom lachen. Hij had het feest georganiseerd en iedereen was na afloop dik tevreden. Met Kerstmis zou er opnieuw een fuif gehouden worden had hij ons verzekerd. Er zou dan tevens voor speciale verlichting gezorgd worden, iedereen zou pakjes krijgen en er zou voor één keer geen rijstpap met gouden lepeltjes worden gegeten, maar wel ganzenlever en everzwijnensteak. Er was maar één voorwaarde gesteld: iedereen moest een week later zorgen voor een mooie nieuwjaarsbrief. We hebben toen dadelijk Sint Sylvester en het heilig paterke van Hasselt ingeschakeld om ons daarbij te helpen. Ja, beste Lars, het is dus sinds deze zomer dat ik zo’n grote bewonderaar van deze zangeres ben geworden, maar natuurlijk kan niemand tippen aan Maria.’‘Maria, die ken ik niet en die heb ik nog nooit op Tv zien optreden,’ moest de verbaasde kleuter wel toegeven.‘Kijk maar eens af en toe op zondagvoormiddag,’ zei Sinterklaas, ‘maar vergis je niet van zender want dan zit je misschien met K3 opgezadeld en sorry hoor, die meisjes kunnen niet tippen aan Madonna, laat staan aan Maria.’

Marc M. Aerts
44 1

Waarom Sinterklaas zoveel mag drinken als hij wil

Gezeten op een grote fauteuil met vergulde poten en dito armleuningen en met boven zijn mijter een overdadig met brokaat versierd baldakijn, reikte Sinterklaas met zijn rechterhand naar het lege glas. Hij had aan de winkelverantwoordelijke uitgelegd dat zij best de fles ook maar op het tafeltje kon neerzetten. Dan moest hij haar niet telkens lastig vallen om zijn glas bij te vullen. Blijkbaar viel het niet in goede aarde bij de kwezelachtige bazin van de plaatselijke supermarkt. Het had haar sowieso al niet aangestaan toen de Sint een uurtje eerder een fles whisky vroeg in plaats van de voorziene anderhalve liter frisdrank in plastic uitvoering. Hij had de Schotse godendrank zelf mogen kiezen en dus stond de fles Auchentoshan Solera op het bijzettafeltje te pronken, weliswaar al half geledigd. Er gaat niks boven een lekkere single malt, dacht hij en hij goot het glas nog eens bijna vol. ‘Deze Solera is van een uitstekende kwaliteit jongedame. De naam doet mij aan de Spaanse zon denken,’ probeerde de goedheiligman het mens wat te sussen. Zij vroeg zich enkel af waarom de “classic” niet voldoende was geweest want die was driemaal goedkoper. ‘Mag mijn dochtertje u een vervelende vraag stellen Sinterklaas,’ vroeg een mooie mama waarvan de Sint vond dat ze op een Andalusische schone leek.‘Natuurlijk jongedame,’ antwoordde hij wat verlegen maar door zijn baard en snor zag Rosalie’s moeder niet dat hij tot achter zijn oren zat te blozen. Of was het de whisky die hem parten begon te spelen.‘Vertel eens meisje, wat wil jij weten?’ herpakte hij zich meteen.‘Ik had willen weten beste Sint of je wel zoveel mag drinken? Pintjes en zo, of whisky en …’Het arme kind werd onderbroken door de oude dronkaard:‘Eerst moet ik je zeggen dat je, zoals je mama dat net zo goed voordeed, mij moet aanspreken met “u” en niet met “je”. Dus vanaf nu mag jij mij u-wen en dan zal ik jou je-jen. OK?’‘Dat heb ik goed begrepen Sinterklaas. Ik zal u in het vervolg met u aanspreken maar hoe zit dat nu met die drank?’ herhaalde het meisje gevat.Eerst trok de Sint zijn beide dikke wenkbrauwen naar omhoog maar dan moest hij lachen.‘Jij bent mij toch een uitgekookt persoontje moet ik zeggen mijn beste Rosalie. Maar ik zal jou eens iets verklappen. Iets wat nog niet zo veel mensen weten en zeker geen kleine mensen zoals jij.’Sinterklaas deed teken aan het guitige wicht dat ze wat dichter moest komen en hij fluisterde in haar oor:‘Ik ben een sint, een heilige dus, en heilige mensen kunnen niet dronken worden. En weet je waarom?’Sinterklaas begon al bij voorbaat luidop te schateren: ‘Omdat wij ons altijd in hogere sferen bevinden. Snap je het?’De oude man vond zichzelf wel grappig.Rosalie begreep er niet zoveel van.‘Dag Sinterklaas. Ik zal het zo aan mijn papa vertellen’.Het verbouwereerde ukkie verliet aan haar mama’s arm de supermarkt.‘Mama, hogere sferen, wat zijn dat?’ vroeg het dochtertje wat confuus.‘Daar zal papa aanbeland zijn, als hij straks na het werk op café blijft hangen,’ antwoordde de zwoele Spaanse ad rem.‘Haha, nu begrijp ik het. Die Sint wordt toch echt wel oud hoor.’

Marc M. Aerts
0 1

Waarom Sinterklaas soms een slagzin uit “Van Vlees en Bloed” gebruikt.

Het is zaterdag. Baddag dus.Sinterklaas is bloot op zijn mijter na. Hij stapt in een ruime flamingoroze badkuip. Hij heeft vandaag geen zin om zijn haar te wassen. Zijn schedel jeukt nochtans en zijn baard schilfert wat. Maar ’t is toch zo’n gedoe, vindt hij. Hij gaat wachten tot hij terug in zijn Andalusische haciënda is. Daar heeft hij zijn verzameling shampoos die hij van over heel de wereld bijeengesprokkeld heeft. En daar heeft hij ook méér tijd en een flinke haardroger te zijner beschikking om zijn weelderige haardos en knevel te föhnen en in de juiste vorm te brengen.Jaja, Sinterklaas is best een fiere man.   Hij zet de kraan helemaal open. Geen druppel komt er uit.‘Nicodemus,’ roept hij. Zijn Opperpiet kan hem niet horen. Hij staat wat verderop in een gesloten douchecabine. Maar hij heeft hetzelfde droogteprobleem.De Sint stapt dan maar weer uit bad. Afdrogen hoeft niet, want hij is niet nat.Nicodemus komt aangelopen in adamskostuum en niet in zwarte-pieten-pak. Het is een gek zicht: een moorkop op een wit lijf.‘Ook geen water in de douche?’ vraagt de goedheiligman.‘Geen water en ook geen zeep. Geen handdoeken en ook geen washandjes,’ zegt Nico wat knullig.‘Spijtig voor de Gamma. Kom, dan proberen we eens in de Brico, hier om het hoekje,’ zegt Sinterklaas enigszins beteuterd en hij vervolgt:‘Euh Nicodemus, zodra je aangekleed bent ga jij dan eerst met Slecht-Weer-Vandaag naar de carwash? Doe maar alles erop en eraan voor mijn witte schimmel.’Sinterklaas heeft binnenpretjes en roept zijn hoofdpiet nog na:‘Ik ben toch nogal een kerel hé. Met mij kunt ge nog eens lachen’.

Marc M. Aerts
73 1

Waarom Sinterklaas nooit bij S.K. Sint-Niklaas heeft gevoetbald?

Sinterklaas zat al de hele week op zijn troon in het Huis van de Sint. Al maar goed dat hij over een uitstekende gezondheid beschikte, zo niet zou hij het nooit zo’n lange tijd kunnen volhouden op dat koninklijk pluchen kussen. Het was woensdagnamiddag, dus was het extra druk in dat mooie huis in Sint-Niklaas. Vele kindjes vergezeld van hun ouders kwamen langs om de goedheiligman goeiedag te zeggen en hun verlanglijstje te presenteren.   Deze keer was het de beurt aan Lowie om op Sinterklaas’ schoot te komen zitten.‘En jongen, vertel eens, wat zou jij willen in jouw schoentje,’ vroeg de Sint aan de lang opgeschoten jongen.‘Een voetbal als dat kan,’ gaf de jonge snaak aarzelend antwoord.‘Maar natuurlijk kan dat, zo’n prachtige lederen bal met witte en zwarte vlakken. Daar zorg ik voor. Beloofd. Ben jij dan een echte voetballer?’ vroeg Sinterklaas geïnteresseerd.‘Ja, ik ben keeper bij de duiveltjes want ik ben de grootste van de ploeg,’ antwoordde Lowie fier en gevat.‘Weet je,’ zei de Sint, die alweer zin kreeg om te sporten na al dat lange zitten op zijn vergulden stoel, ‘dat ik bijna voor S.K. Sint-Niklaas heb mogen spelen?’‘Hoe kan dat nu? Je bent toch oud, eigenlijk stokoud, want je hebt een staf,’ merkte de grote kleine terecht op.‘Mil bombas y granadas,’ - Sinterklaas was een duidelijke fan van “el capitán Archibaldo Haddock” - ‘jij gelooft mij niet. En toch is het waar. Ik zal het je vertellen Lowie.’De oude maar nog kwieke (volgens eigen zeggen) man reikte uit naar het bijzettafeltje naast zijn troon waarop een glas stond om een slok whisky - naar het stichtende voorbeeld van zijn idool - achterover te slaan.‘Luister goed. Zes jaar geleden hoorde ik dat de plaatselijke voetbalclub in nauwe voetbalschoentjes zat. De ploeg was pas gepromoveerd naar tweede klasse, maar de spelers kregen méér doelpunten tegen als dat ze konden maken. SK Sint-Niklaas bengelde dus aan de staart. Ik ben dan eens gaan kijken naar een avondtraining net voordat ik met Zwarte Piet aan mijn dakenronde begon. Ik plantte mijn staf naast het veld en deed even mee met de jonge kerels die allemaal van zichzelf dachten dat ze Messi waren. Op een, twee, drie speelde ik de jeugd van het plein. Ik speelde een een-tweetje met mezelf en trapte een gat in het doelnet. De voorzitter van S.K. bood me dadelijk een contract aan tot het einde van het seizoen. Maar ja, dat kon ik niet doen want ik moest na 6 december met mijn Pieten weer terug naar Spanje vertrekken naar mijn haciënda in de buurt van Guadalcázar. Dat was het eerste en voornaamste probleem. Maar ik moest mij ook van bijna al mijn kleren ontdoen: ik moest mijn koormantel afleggen, mijn rode stola van mijn schouders nemen, mijn cingel moest van mijn middel, mijn albe moest ik uittrekken en tenslotte ook mijn tabbaard met al zijn knoopjes. Wat een gedoe. Mijn handschoenen mocht ik aanhouden indien het koud was. Maar mijn lange baard moest ik inkorten.’Sinterklaas leek nog altijd onder de indruk terwijl hij zijn verhaal deed.‘En dan moet je weten, sapperdepitjes,’ - de Sint vertelde verder en gebruikte een minder gedurfde krachtterm - ‘ik moest een gele shirt en sokken aantrekken en een blauwe korte broek. Dat zag ik helemaal niet zitten. Ik ben immers de hete zon van Spanje gewoon en hier in dit landje kleed ik mij altijd lekker dik aan.’Hij nam nog een teug van zijn whisky. Dat warmde hem wat op en hij vervolgde:‘Tenslotte het derde probleem: mijn leeftijd. Toen ik destijds verklapte dat ik enkele dagen later duizendzevenhonderdéénendertig jaar zou worden vielen de voorzitter en de clubdokter bijna flauw. Ze konden niet geloven dat ik zo balvaardig was op het plein en zo snel kon lopen en dribbelen. Begrepen zij dan niet dat ik elke nacht gezeten op mijn paard alle daken van Vlaanderen en omstreken bereed. Daartoe zou alleen toch maar een acrobaat en goed atleet in staat zijn. Of niet soms?’‘Ach beste Sint, nu zie je weer dat die grote mensen er allemaal niks van begrijpen. Wij twee, wij weten wel beter,’ kon het doelwachtertje haarfijn analyseren.‘SK speelt nu in tweede afdeling amateurs,’ voegde hij er triomfantelijk nog aan toe.‘Amateurs,’ brabbelde Sinterklaas wat binnensmonds en hij nam nog een teug.

Marc M. Aerts
0 1

Waarom heeft Sinterklaas België nooit vertegenwoordigd op het Eurovisiesongfestival ?

Sinterklaas zat op zijn troon in het Huis van de Sint. Er waren al veel jongens en meisjes de revue gepasseerd. De goedheiligman werd een beetje moe en hij leek een beetje afwezig.De revue, dacht hij, ja de revue, daar had ik ook graag in meegespeeld toen ik nog jong was vele eeuwen geleden. Zijn blik werd zelfs een beetje vochtig.   Casper was aan de beurt en hij ging op de schoot van de Sint zitten. Hij was duidelijk niet verlegen. Eerst trok hij voorzichtig aan de baard van de oude man en dan trachtte hij ook diens mijter van het eerbiedige hoofd te plukken. Sinterklaas moest fluks reageren opdat de kwajongen niet meer onheil zou aanrichten. Hij wilde het over een andere boeg gooien en vroeg:‘Jongeman, hou jij van liedjes?’‘Natuurlijk Sinterklaas,’ zei Casper, ‘ik hou van Sinterklaasliedjes’ - zo jong, die sloeber, en al zo kunnen mouwvegen - ‘en van mooie Nederlandstalige muziek, want dat versta ik tenminste’.‘Je bent een slimme jongen,’ moest de Sint toegeven, ‘maar ik verwed er mijn eerste communiezieltje op dat je nog nooit van Bob Benny hebt gehoord’.‘Nee, die ken ik niet, is dat misschien een goochelaar of een rijke aannemer,’ vroeg het broekventje zich af.Sinterklaas moest lachen en hij begon er weer zin in te krijgen na drie uur onafgebroken kinderen op de schoot.‘Nee, Bob Benny was geen goochelaar, maar hij zat wel in de showbizz, begrijp je me jongetje?’‘Helemaal,’ zei het pientere jochie.‘Bob Benny is hier in deze stad, Sint-Niklaas, geboren en hij had een wondermooie stem. Hij werd een bekende zanger en hij heeft tweemaal meegedaan met het Eurovisiesongfestival. Later heeft hij zijn kost verdiend door op te treden op grote cruiseschepen. En ik weet nog, toen ik mijn duizendzevenhonderdste verjaardag vierde - dat is ondertussen 37 jaar geleden - toen werd ik door mijn Pieten getrakteerd met een optreden van deze Vlaamse zanger. Het gebeurde wel niet op een hypermodern cruiseschip maar op mijn eigenste gezellige stoomboot. Je weet wel, die altijd uit Spanje aankomt.’‘Dat is die boot waarop je paard zo huppelt en waar de wimpels heen en weer waaien,’ zei het wijsneusje.‘Je kent mijn liedjes wel erg goed,’ zei de Sint vrolijk en hij begon er nog meer zin in te krijgen.‘Hoe heet jij trouwens brave jongen?’ vroeg hij nog.‘Casper’.‘Hola, Casper, zoals het spook. Dan moet jij wel een deugniet zijn. Dat vind ik wel leuk want ik was dat ook, een ondeugende niet-deug, maar dan wel duizendzevenhonderddertig jaar geleden.’Sinterklaas vond het heerlijk om oude herinneringen op te halen en hij wist van geen ophouden.‘37 jaar geleden heb ik aan Bob verteld dat ik ook graag had meegedaan met het festival en dat het mij bijna gelukt was. Maar het liedje dat de BRT in 1967 voor mij had uitgezocht bleek niet geschikt. Ik moest zingen: “Oho, ik heb zorgen”, en dat wilde ik niet. Ik wilde niet dat de kindjes zouden denken dat ik zorgen had, begrijp je. En “oho” dat zegt alleen maar mijn collega de Kerstman. Ze hebben dan maar een andere zanger met een even fluwelen stem als ik naar Wenen gestuurd om de eer van uw land te verdedigen. Hij deed het trouwens niet slecht, die Louis. Hij zingt nu met zijn diepe baritonstem mee in het engelenkoor hierboven. Daar heeft de Kerstman voor gezorgd. Trouwens, er gingen stemmen op dat ik, Sinterklaas, toch moeilijk België kon vertegenwoordigen op het festival. Maar dat was natuurlijk bullshit - euh, excuseer, stieren.., euh, laat maar - want Monaco en Luxemburg hebben zelden iemand uitgestuurd afkomstig uit hun eigen land. Ook had ik problemen kunnen krijgen omdat ik een koortje van Zwarte Pieten had voorzien. Ik zag het al voor me en ik kon mij de aankondiging voorstellen “Hier is Sinterklaas en de roetmoppen”. Ja, kan ik het helpen dat die zwartjes zo goed kunnen zingen en zo een mooie “grain” in hun stem hebben dankzij al die schoorsteenroetpartikeltjes’.‘Ik begrijp het volkomen,’ knikte wijze Casper, ‘misschien kan ik binnen een jaar of dertien het eens proberen. Dan ben ik er twintig en jij - als ik goed tellen kan - duizendzevenhonderdvijftig.’‘Jij bent een echt rekenwonder Casper’ zei de oude man met de witte baard, ‘jij gaat het nog ver brengen. Ik duim nu al voor jou’.‘Vuistje,’ zei de jongen en Sinterklaas bracht zijn gebalde en witgehandschoende vuist Caspers richting uit.‘In 2030 wint België eindelijk nog eens het Eurovisiesongfestival,’ wist de Sint te profetieën en hij lachte in zijn ondertussen weer ontspannen vuist.Leuke jongen, dacht hij, die Casper. Ik noteer nu al het jaar 2030 in mijn grote Sinterklaas-moet-ik-onthouden-boek.Zou hij dan nog in mij geloven, mijmerde hij …   ‘Ik ben Annelies. Ik ben vijf jaar en ik ben heel braaf geweest’ zei de volgende kleuter.Sinterklaas voelde zich weer helemaal in zijn sas.‘Jij wil zeker meedoen in een musical. Is het niet lieve kind?’

Marc M. Aerts
0 1

Stof

Vorige maand werd ik vijftien. In juni. De heerlijke vakantieperiode kwam eraan. Nu ben ik niet meer dan een verzameling asdeeltjes uitgestrooid op een wei. Het zomerverlof is al bijna halverwege. Het gaat niet goed met jou papa. Dat zie ik. Hoe ik dat weet? Dat is niet moeilijk. Vroeger kon ik maar op een plaats tegelijk zijn. Nu ben ik overal. Wie was dat ook alweer die overal was en alles zag? Op alle plaatsen waar je bent, probeer ik je te volgen. Op je werk ben ik binnengeglipt via je computertas. Je moest uiteindelijk terug naar je baas na enkele weken sociaal verlof. Jouw baan zou je de nodige afleiding bezorgen. Je zou niet steeds aan me zitten denken. En dat bleek wel min of meer te lukken. Je opnieuw concentreren op je werk ging elke dag een beetje beter. Maar als het vijf uur werd loerde het diepe, zwarte gat om de hoek. Zodra je thuiskwam ranselde het je plat. Op je knieën ging je. Het nam je bij jouw keel. Het wurgde je. Je werd op de grond gegooid en bij elkaar geveegd in een hoek. Honderd messteken kreeg je in dat hart van jou gesplitst. En toch bleef die levensspier kloppen, godverdomme. Voor jou mocht ze stoppen te slaan. Stoppen, dat slaan. Slaan. Helemaal murw was je. Jouw lichaam was geradbraakt. Jouw hoofd was kapot. Ik zag je afzien papa. En elk stofdeeltje van mijn lichaam voelde met je mee. Een jaar eerder waren mama en jij gescheiden. Niet bepaald als goede vrienden maar correct, om mij te sparen. Natuurlijk deed het mij pijn dat jullie uit elkaar gingen, maar ik zag ook dat het beter was, zo.Die weekends met jou, tweemaal in de maand, vond ik echt tof. Een papa gaat nu eenmaal anders om met zijn veertienjarige puberende dochter dan een beschermende moeder, zoals mama was. Maar deze nieuwe levenstoestand van jou en mij heeft niet lang mogen duren. Het spijt me zo papa dat ik opnieuw ziek ben geworden. Dat die etter van een kwelgeest mij maar niet wilde loslaten. Drie jaar na die eerste keer had hij mij weer bij de strot. De achterzijde van mijn strot. Hij zat met zijn paarse klauwen achter elke zenuw van mijn hersenstam. De lafaard. Daar verschool hij zich. En deze keer had hij geen compassie. De smeerlap. Ik moest eraan. Ik probeerde sterk te zijn papa toen ik merkte dat ik weer herviel. Jij en mama hebben me echt goed opgevangen.Mama op haar manier. Jij op de jouwe.Een maand geleden nog bracht je me naar een optreden in Brussel. Gedurende enkele uren kon ik alles van me losgooien en ik voelde me gewoon, gezond. Zoals elke tiener hoorde te zijn. Gezond. Een duur woord. Een ijdel woord, blijkt achteraf. Ik zag hoe je genoot door mij te zien genieten. Wie kon vermoeden dat alles anders zou uitdraaien slechts enkele dagen later? Ik niet. Jij? Ja, mama en jij zullen wel méér hebben geweten. Veel meer dan ik. Daar ben ik zeker van. Jullie hebben me ontzien zodat ik met volle moed kon toeleven naar die tweede grote operatie. En daardoor voelde ik er mij ook klaar voor. Klaar voor de tweede strijd tegen dat monster. Klaar voor de revalidatie erna en klaar om daarna definitief mijn leven weer aan te vatten en het niet meer af te geven. Tenzij binnen negentig jaar. Die negentig verhoopte jaren bleken slechts negen dagen te zijn. Drieduizendzeshonderdvijftig keer minder lang. Want het ging niet meer papa. Mijn lichaam was op. Mijn jonge lijf was kapot. Wat was ik graag bij jullie gebleven. Ik had mij al lang gesetteld in die toestand van het laatste jaar. Ik ontdekte er zelfs de voordelen van. Binnen drie jaar zou toch weer alles anders worden als ik verder zou gaan studeren. En daarna, ja, dan zou ik op mijn eigen benen moeten gaan staan, niet? Mijn eigen benen, papa, weet je nog? Drie jaar geleden, enkele dagen na mijn eerste operatie? Je verschoot jezelf een bult toen je me kwam bezoeken en me terugvondt op de ziekenhuisgang. Spillebenen en knikkende knieën. Graatmager maar o zo blij was ik dat ik dat tengere lijf van me heel even zelf kon besturen. Twaalf werd ik toen in het ziekenhuis. Verjaren mocht ik. Weer verder leven. Ik werd op enkele weken tijd volwassen. Niet van lijf en leden, wel in mijn hoofd. Want ik wist wat ik had doorstaan en wat de dokters voor mij hadden gedaan. Een nieuwe kans die ik graag wilde aannemen. Maar baby’s, kinderen en jongens en meisjes, zoals ik, zijn toch zo gegeerd door dat monster. Dat is verzot op dat jonge vlees. Dat is belust op die jonge lichamen die zich niet kunnen verweren en die, onwetend, zijn vuile woekerende cellen helpen vermeerderen. Daarom is dat monster zo’n rotzak. Ondertussen weet ik dat mama je verteld heeft van mijn briefje. Ik kan niet uitleggen hoe kwaad ik wel was toen ik twee maanden geleden in een tijdschrift las dat jonge slachtoffers van het monster het wel konden vergeten. In een uitvoerig antwoord aan de redactie legde ik mijn miraculeus herstel uit. Wie durfde te beweren dat je deze strijd niet kon winnen? Dat ik de oorlog, die er nu al drie jaar woedde, niet kon winnen? De brief werd in een omslag gestopt maar bij gebrek aan postzegel aan de kant gelegd. Nooit werd hij gepost. Het hoefde niet meer. Want het monster was weer opgestaan en reeg mij aan zijn duivelsklauw. Ik kan enkel zeggen papa dat ik mijn best heb gedaan en ik wens je alleen maar goed toe. Ik mis je papa, al zie ik je elke dag en overal. Doe dus maar zoals de meeste mannen die het in hun eentje moeten rooien. Poets maar niet teveel en niet te grondig. Laat wat vuil achter in een hoekje of spleet. Misschien ben ik wel een van die bewoners van die holletjes of kiertjes. Vaag of borstel me niet weg. Want ik blijf jouw stof, jouw Stef, jouw Stefanie.

Marc M. Aerts
18 0

Hoor de wind waait door de bomen in Sint-Niklaas

“Hoe is je naam?” vroeg de oude man. “Ik heet Kaplan meneer. Ismet Kaplan.”De grijsaard speelde zijn rol goed in café Klein-Azië. “Waar ben je geboren?” ging hij verder. “Ik ben hier in Sint-Niklaas geboren meneer en in de Hazewindstraat opgegroeid maar mijn ouders zijn allebei afkomstig van Demre in Turkije?” “Haha en waar ligt dat?” “Niet ver van Kemer, meneer, vele Belgen kennen dat van hun zomervakantie” zei Ismet. “Dat klopt jongen. Ik ken dat ook. Zing nu het liedje maar, je weet wel, dat van Moriaantje”.De jonge kerel begon te kwelen: “Moriaantje, zo zwart als roet, ging eens wandelen zonder hoed. En het zonneke scheen op z’n bolleke en hij droeg geen parasolleke”. “Goed gedaan jongeman. Je zingt bijna zo goed als Bob Benny, één van mijn favoriete Vlaamse zangers van vroeger, of als Jean Walter, nog zo’n mooie stem van weleer. Wist je jonge knaap dat zij allebei hier in Sint-Niklaas geboren zijn?” vroeg de man met zijn tabbaard. “Neen meneer, deze zangers ken ik niet, maar ik ken wel Sandrine van Handenhoven. Dat is mijn lievelingszangeres en ze treedt op in Blankenberge in het ‘Witte Paard’ maar ik weet niet of dit etablissement naar uw schimmel genoemd is meneer. Kent u haar?” vroeg Ismet. “Natuurlijk,” zei de oude, “ik ken Sandrine want zij is ook hier geboren, net als haar broer Gunther, de bekende voetballer. Ge moet weten, beste jongen, omdat ik al zo oud ben, ken ik iedereen die hier in deze mooie stad geboren is. Els de Schepper bijvoorbeeld, dat is nogal een plezante hoor en euh, Veerle Dobbelaere, ja ook al zo’n straffe madam, die ken ik allemaal. Maar goed zo, ik heb jouw adres, ik laat je nog iets weten.” “Merci meneer”. En weg was Ismet. De man met zijn witte baard begon tijdig aan zijn voorbereidingen. De scholen waren gesloten en het grote verlof nog maar pas aangebroken. Al sinds half twee die middag was de ene na de andere jongeman bij hem langs geweest om te solliciteren voor de job van Zwarte Piet. Nochtans had de aankondiging, geschreven op een schamel a-viertje, slechts enkele dagen aan het raam gehangen. Maar ja, het was een succes en pas na de klok van tien ging de laatste Zwarte-Piet-in-spe naar buiten. “Zeg Jules” zei de ouwe, “dat koppel van de stoffenwinkel hier tegenover, zouden die voor een prijsje ook geen jutezakken voor mij kunnen stikken? Want ik ga er veel nodig hebben dit jaar.” “Ik zal het ons Irma eens laten vragen,’ antwoordde de waard laconiek, “ze moet morgen toch eens langs gaan want ze heeft twee nieuwe gordijnen laten maken”. “Zeg, en nog iets, kent gij een goedkope invoerder van appelsienen en mandarijntjes? Het fruit is toch zo duur in de supermarkt tegenwoordig. Het contract voor de chocolade letters en het jongensspeelgoed is gelukkig al in orde. Maar elk jaar opnieuw is er misère met dat speelgoed voor de meisjes. Ik weet niet hoe dat komt, maar het is zo.”Jules stak zijn tengere schouders even omhoog en mompelde wat.De oude droeg een tabbaard die hij tot een broekrok had laten vermaken om beter te kunnen paardrijden. Daarbovenop droeg hij een witte albe die met kant was afgezet. Over zijn schouders drapeerde hij zijn rode stola en om die goed op zijn plaats te houden knoopte hij een cingel, een witte koord met kwasten, om zijn middel. Hij deed zijn rode koormantel om die hij met een ketting vastmaakte en tenslotte zette hij zijn rode mijter op zijn eerbiedwaardige hoofd. Zo, wat zag hij er weer piekfijn uit. “Jules, vraagt ge eens aan Irma of ze even op het café wil letten, dan kan jij me helpen met het bestijgen van mijn paard Slecht Weer Vandaag,” gebaarde hij vervolgens. “Het is inderdaad slecht weer vandaag” moest de kastelein toegeven. Hij hielp de oude maar kwieke man op zijn witte schimmel. De ganse dag was het drukkend heet geweest en nu volgde het onvermijdelijke onweer. Er was geen mens op straat te bespeuren. Jules stak hem nog vlug zijn lange staf toe. Dan vertrok het paard in galop. Even dacht Jules dat hij iemand hoorde neuriën “Zie de maan schijnt door de bomen…” - - - Vijf maanden later.Ismet was een hele goede Piet. De beste Piet. De Opperpiet. Zoals hij op de muren en daken kon klimmen. Niemand deed hem dat na. “Beste jongen, beste Ismet, vanaf nu noem ik je Nicodemus, mijn Opperpiet. Vind je dat goed?” vroeg de oude met zijn witte baard. “Natuurlijk, meneer, dank u wel” repliceerde Ismet gretig. “Om het te vieren gaan we naar Fréke Patéke, hier om de hoek. Hij maakt de beste moorkoppen van West-Europa.” “Wat zijn dat, moorkoppen, meneer?” “Weet je dat niet jongen? Een moorkop is een ronde soes gevuld met slagroom. Bovenop is het geglazuurd met chocolade. Fréke doet er altijd een extra toef slagroom op en een partje mandarijn of een stukje ananas. Loopt het water al niet uit je mond? Trouwens, je moet me ook niet meer meneren, zeg maar gewoon Sinterklaas. Zoals iedereen.”Twee moorkoppen, een grote kop koffie en een glaasje ‘Den Ouden Advocaat’ gingen er lekker in bij Sinterklaas. Ismet hield het bij twee mokken warme chocolademelk, een Reynaertgebakje en een chocolaatje van Guylian. Die moorkoppen zag hij niet zitten. Ze deden hem te zeer denken aan zijn jonger, nogal mollig, broertje. “We gaan seffens naar de stoffenwinkel tegenover Klein-Azië om je een echt Pietenpak aan te meten. Weet je wel hoe zo’n pak eruit ziet, Nicodemus?”Het deed de oude goed om zijn nieuwe helper Nicodemus te noemen. Hij had er al vele gehad. Allemaal opperbeste Opperpieten. Maar ja, hij, de enige echte Sinterklaas had het eeuwige leven, maar de pieten niet. Daarom moest hij regelmatig nieuwe zwarte Pieten ronselen. Ondertussen was het al december geworden. Gisteren had het voor de eerste keer gesneeuwd en het naamfeest van Sinterklaas kwam erg dichtbij. “Ik zal je eens vertellen hoe een echt Opperpietenpak eruit ziet maar we gaan dat doen bij Jules in het café. Ik in de fauteuil en jij op een stoel aan de andere kant van de houtkachel. Er is niks zo gezellig als een knetterend vuur met een goeie Tripel in de ene hand en een havannasigaar in de andere. Ik heb vorig jaar die sigaren voor mijn Sinterklaas gehad van mijn pieten. Tof hè, dat ze zo aan je denken. Gij rookt geen sigaren zeker, Nicodemus? Eerder een waterpijp of zo?” “Ik rook helemaal niet, Sinterklaas. Men zegt dat het ongezond is. Maar dat zal u wel weten, hè Sinterklaas?” sprak Ismet goed van zich af.Die ‘u’ stond de oude man wel aan. Ismet was zo beleefd en vriendelijk. Jaja, hij verdiende het om vanaf nu als Nicodemus door het leven te gaan. Zijn vroegere Opperpiet had Sinterklaas in Spanje achtergelaten. Hij was te oud geworden, te stram en te grijs. Hij woonde nu op de bovenverdieping van de Andalusische haciënda die Sinterklaas meer dan vijfhonderd jaar geleden had laten metselen door enkele ‚moorkoppen’, die ook het Alhambra gebouwd hadden. Als Sinterklaas zou terugkeren uit de Lage Landen, dan zou hij wel voor de oude man zorgen. “Ha Jules, voor mij een Tripel Klok en voor Nicodemus, jaja, je hoort het goed, voor mijn nieuwe Nicodemus, een muntthee met extra veel suiker.” “Goed Sinterklaas en een sigaartje zeker?”. Jules was blij dat zijn vriend weer in het land was. Het was van juli geleden dat hij hem nog gezien had. “Deze nacht gaan we oefenen, hè Nicodemus, op de besneeuwde daken. Schol, we klinken op een goede afloop, niet een goede afgang hè.” De oude man schaterde het uit. Hij had er wel zin in.Drie Tripels en evenveel muntthees later gingen ze op weg in de donkerte van de nacht: Sinterklaas hoog gezeten op Slecht Weer Vandaag en Nicodemus met een juten zak over zijn rechterschouder.Irma en Jules gingen slapen. Ze hadden maar twee klanten gehad die avond. Hun andere stamgasten hadden het allemaal laten afweten omwille van het gure weer. Bar koud was het en het sneeuwde zoals aan de Noordpool in putje winter.Een halfuurtje en een sneeuwvacht van tien centimeter later hoorde je Sinterklaas roepen: “Allee Nicodemus, gaat het niet?” “Jawel, Sinterklaas, het gaat wel maar het valt soms ook, als u begrijpt wat ik bedoel? De daken zijn wel erg glad en de zak is ook zeer zwaar, maar voor de rest hoort u mij niet klagen hoor.” “U, u,” herhaalde Sinterklaas goedkeurend en binnensmonds. Zijn Opperpiet bleef zelfs supervriendelijk in deze moeilijke omstandigheden.Het zou natuurlijk gemakkelijker zijn indien we dit werk vanuit de lucht konden verrichten, mijmerde Sinterklaas, terwijl zijn paard nog witter werd dan witte schimmel. Hij dacht daarbij aan Wim Verstraeten, de befaamde ballonvaarder die ook in deze stad was geboren. Maar ja, peinsde hij verder, er zijn al genoeg luchtballonnen in Sint-Niklaas tijdens de Vredefeesten in het eerste weekend van september.Terwijl Sinterklaas in gedachten verzonken bleef, werd Ismet plots opgeschrikt door een brandweerauto en een politiecombi. De goedheiligman was met zijn schimmel al enkele daken verder gesprongen.Een agent riep: “Kom onmiddellijk naar beneden of wij komen naar boven.”Ismet, behendig als hij was, stond op een wip op de begane grond. “Wat deed je daarboven op die daken met die gekke kleren aan je lijf? Zeg me eerst eens: hoe is je naam?” vroeg de sterke arm der wet. “Nicodemus, meneer de agent,” lachte Ismet vriendelijk met ontblote witte tanden en hij deed er nog een dansje bij. “Jaja manneke en dan ben ik Sinterklaas zeker” proestte de politieman het uit. “Nee, Sinterklaas is ginds boven. Ik kon hem niet volgen. Hij heeft tenslotte een paard en het is Slecht Weer Vandaag” probeerde Ismet het uit te leggen. “Ja, dat het vandaag slecht weer is, dat moet ge mij niet zeggen hè Nico. Ge zijt ook precies de plezantste thuis als de vuilbakken buiten staan” probeerde het uniform op een komische manier uit de hoek te komen, terwijl hij daar niet stond.De twee tuurden naar boven en zagen niets. Nicodemus dacht nochtans dat hij in de hoge verte paardenhoeven hoorde kletteren. “Kom jij maar eens mee naar het politiebureau, dan mag je het daar nog eens gaan uitleggen.”Ismet voelde zich even geen Nicodemus meer.Hij werd uit voorzorg die nacht opgesloten in een cel. Hij kon er niet mee lachen en beukten met zijn beide handen op de deur. “Daar wordt aan de deur geklopt, hard geklopt, zacht geklopt …” - - - De kindjes in de Kokkelbeekstraat vanaf huisnummer 15 keken zeer beteuterd de volgende morgen. Het suikerklontje en de wortel die ze de avond ervoor voorzichtig in hun schoentjes hadden gedeponeerd lagen er nog steeds. Onaangeroerd. Waren ze dan stout geweest? Of werd Sinterklaas wat vergeetachtig?Waar is Nicodemus toch, vroeg Sinterklaas zich af. Waar kon hij terecht zo vroeg op de morgen? De politie misschien. Ja, die zou hem wel kunnen helpen. Hij parkeerde zijn witte paardje aan de Dalstraat waar de lokale politie gevestigd was. Toen hij binnenging werd niet dadelijk aandacht aan hem besteed. Ze waren hier in Sint-Niklaas al straffere zaken tegengekomen. Uiteindelijk sprak een vriendelijke dame hem aan. “Waarmee kan ik u helpen, meneer?” “Ja juffrouw, ik zoek mijn helper Nicodemus. Ik ben hem namelijk vannacht kwijtgeraakt”. “En heeft hij ook een achternaam, die vriend van u?” vroeg de agente ietwat ongelovig. “Tja, zijn vroegere naam was Kaplan, Ismet Kaplan. Een goeie jongen hoor. Ik heb zelden zo’n goede Opperpiet gehad als hij.” Sinterklaas keek een beetje vertederd toen hij dat zei. “Ah, nu begrijp ik het” zei de agente. “Droeg hij misschien een hemelsblauw kostuum, met een pofbroek en zwarte kousen?” “Ja, en op zijn hoofd had hij een blauwe pet met een pauwenveer. Dat moet Ismet zijn, mijn nieuwe Nicodemus. Wat een geluk dat u hem gevonden heeft. Is alles goed met hem? Hij is toch niet van het dak gevallen daar in de Kokkelbeekstraat? Het was er zeer glad. Hij heeft zich toch niet bezeerd? Waar is hij?” informeerde een bezorgde Sinterklaas. “Alles is goed met hem, meneer. Maar we hadden hem uit voorzorg opgesloten omdat we niet goed wisten of hij wel de waarheid sprak. Zingt hij altijd Sinterklaasliedjes?” wilde de agente nog weten en ze kon een smalend lachje niet onderdrukken. “Jaja, dat kan hij als de beste. Ik heb ze hem allemaal aangeleerd uit mijn grote Sinterklaasliedjestekstenenmuzieknotenboek”. “Ik zou uw vriend kunnen vrijlaten, meneer, maar vermits wij hem vannacht hebben moeten verbaliseren omwille van straatlawaai en een buurtbewoner ons daarop heeft gewezen, dien ik wel een borg te vragen van 110 euro.” “Dat is geen probleem, juffrouw” zei Sinterklaas rustig. Hij nam zijn juten zak en haalde er een buidel uit. “Hier heb je een zak gevuld met gouden dukaten, misschien zit er ook nog een pepernoot tussen of wat suikergoed. En zie, hier is ook nog een chocoladen zwarte piet voor alle moeite die je gedaan hebt. Lijkt hij niet wat op Nicodemus? Gaat u hem nu vlug halen want het begint slecht weer te worden. Hoor, de wind waait door de bomen.” - - - Ismet verscheen in de deuropening. “Ha Nicodemusje, kom eens hier bij Sinterklaas, kapoentje dat je bent.” Hij klopte Ismet vriendelijk op de schouder. “Je hebt me even doen schrikken. Ik kan je echt niet meer missen. Sinterklaas wordt echt wel oud, weet je. Vorig jaar was ik nog maar duizendzevenhonderdvijfendertig jaar oud, maar nu is daar weer een heel jaar bijgekomen.”Hij richtte zich even terug tot de agente: “Heb je misschien ook kinderen en hebben ze hun schoen gezet gisterenavond?’“Ja, ik heb twee kinderen, een jongetje van zes, Lowie, en een meisje van vier, Rosalie. Ze waren erg teleurgesteld vanmorgen toen ze geen snoepjes vonden. Ik vond het ook wel erg voor hen. Bent u echt de echte Sinterklaas?” “Hoezo, zijn er dan ook andere? Onechte? Trouwens, waar wonen jullie dan wel?” vroeg de oude man zich af. “In de Kokkelbeekstraat nummer 21, Sinterklaas”. “Ben je even daarvoor gevallen Nicodemus?” “Ja, ik ben door de politie naar beneden geroepen op het dak van nummer 13” zei Ismet. “Dan begrijp ik het,” zei de Sint, “daarom hebben Lowie en Rosalie geen snoep in hun schoentje gekregen.”Hij greep alweer in zijn juten zak en haalde er een brandweerauto uit en een barbiepop met een politieuniform. “Dat zal hen wel blij maken, hoop ik,” zei Sinterklaas. “Daar ben ik zeker van,” lachte de agente, “ik zal hen veel te vertellen hebben.” “Ik zou u een tuiltje bloemen willen geven,” zei Sinterklaas, “zoals Daniel Ost, een wereldberoemde bloemkunstenaar die hier geboren is, dat zo prachtig in elkaar kan steken, maar spijtig genoeg heb ik geen boeketjes in mijn zak zitten.”Sinterklaas en Nicodemus namen afscheid. Ismet mocht achter de oude man op de schimmel zitten en ze gingen op een drafje richting de Antwerpse haven. Ondertussen moest Sinterklaas iets bekennen aan Ismet: “Weet je Nicodemus” zei hij, “Ik ben duizendzevenhonderdzesendertig jaar geleden geboren in Myra, en weet je hoe die stad nu heet: Demre, de stad waar je ouders vandaan komen. Is dat geen toeval? Ik zou zo bijna je betbetbetbetbetbetbetbetbetovergrootvader kunnen zijn. Maar eigenlijk ook niet hè, want tenslotte ben ik bisschop en wordt er van mij verwacht dat ik geen kindjes maak, maar wel dat ik ze red als ze in nood zijn. Daarom steek ik altijd ook wat apenootjes bij de mandarijntjes, de marsepeintjes en het andere snoep,” bulderde Sinterklaas van het lachen.Toen ze toekwamen in de haven van Antwerpen sloeg Sinterklaas zijn arm om zijn helper en zei: “Het grote werk gaat nu beginnen Nicodemus”.Ze zagen in de verte een rookpluim en de oude man riep vrolijk: “Zie ginds komt de stoomboot uit Spanje weer aan”. - - - - - -

Marc M. Aerts
25 0

Dit is waarom Sinterklaas geen Zwarte Pieten met een rood jasje nog in dienst wil nemen

Sinterklaas was er dit jaar vroeg aan begonnen. Waarmee? Met het voorbereiden van de jaarlijkse festiviteiten rondom zijn naamfeest natuurlijk. Enkele weken geleden zou het nog een halfjaartje duren eer de goedheiligman op zijn stoomboot weer het ruime sop zou kiezen en op die manier zou afreizen vanuit zijn Andalusische haciënda naar het verre Vlaanderen. Het te warme weer en de vervelende vliegen die de tropische temperaturen in het zuiden van Spanje aanbaden, waren er de schuld van dat ‘Slecht-Weer-Vandaag’, de schimmel van Sinterklaas, een speciaal zalfje had voorgeschreven gekregen, dat de Paardenpiet tussen de achterbenen van de hengst moest smeren. Het arme dier verlangde naar het aangename weer en de soelaas brengende regen uit het kleine Vlaamse land. De overige Pieten waren ook druk in de weer. Diegenen met het gele jasje stonden aan een heet geblakerde oven en bakten er Sinterklaasspeculaas. De hete dampen die uit de schoorsteen kwamen verschroeiden de Spaanse hemel en zij zorgden ervoor, tezamen met een lichte bries, dat de volgende avonden de wolken boven de Vlaamse horizon roze kleurden. Andere Pieten, zij met het blauwe kostuum, goten een dun laagje chocolade over een koekje met daarbovenop een licht gezoet eiwitschuimpje. Ziezo, ze hadden weer een grote lading negerzoenen klaar. Wel had Sinterklaas, die zich nog maar pas - bij de koffie - had tegoed gedaan aan een verse moorkop, laten weten dat ze dit woord “negerzoen” niet meer mochten gebruiken. Vanaf nu zou dit lekkers schuimzoen of chocozoen heten. Maar de Pieten wisten maar al te goed dat de Vlamingen dit koekje nog anders noemden en ze lachten eens goed in hun vuist. Naast de zoenenfabriek stond er een groot gebouw waar de Pieten met groene outfit aan het werk waren. Zij waren gespecialiseerd in het zure snoepgoed. Ze fabriceerden zuurstokken aan een hoog tempo en de dropveters kwamen kilometers lang over de band gerold. Maar in de grootste Sinterklaassnoepgoedenalleswatdaaroplijktfabriek smolten de Pieten met het paarse pak letters van chocolade en sloegen zij munten van datzelfde, lekkere bruine goedje. Elke dag kwam Sinterklaas inspecteren of alles goed verliep. Zo ook die dag toen hij het kleine gebouwtje binnenliep waar de Pieten met het rode jasje verondersteld werden te werken. Maar er werd niet gewerkt. De rode Pieten staakten. “Deze aardappeltjes van marsepein ruiken wel naar venijn” zei rode Piet Rudy vanuit de hoogte. “En wat gaan onze Vlaamse kindjes daarvan zeggen” vroeg Sinterklaas zich af. De rode Piet schudde zijn hoofd zodanig dat de pluim van zijn muts viel, zomaar pardoes in het blubberende marsepeinfestijn. “Dan moeten jullie maar aan de Costa del Sol in de horeca gaan werken” ergerde de Sint zich en hij dreef met een roe de rode garde naar buiten. Aan zijn Opperpiet Nicodemus liet hij weten dat de aardappeloogst dit jaar mislukt was en dat de kindjes wat extra suikerbeestjes zouden krijgen. En een extra goede tandenborstel. Die Sint toch ! Altijd klaar voor een grapje.

Marc M. Aerts
0 0

Je vakantie begint bij de heenreis

Op weg naar het zuiden moest ik mijn wagen dringend wat brandstof geven. Zelf had ik ook wel nood aan een koffietje, dus glipte ik even de shop binnen. Bij gebrek aan muntjes zette ik mij als derde in de wachtrij aan de kassa. Voor mij stond een imposante man.Hij vocht een duidelijk ongelijke strijd met zijn overgewicht. Hij droeg donkerblauwe slippers en de tenen die erin gewurmd zaten kende ik. Ze waren van mijn oude moeder. Zij ging vroeger niet naar de pedicure want dat zou een financiële aderlating geweest zijn, dus kweet mijn vader zich uitstekend van zijn job als voetverzorger en knipte met veel moeite en tandengeknars de dikke kalknagels van zijn echtgenote.   De kolos moest wel een truckchauffeur zijn. Hij had spierwitte vlekken op zowel zijn kuiten als onderarmen. Dit tekort aan pigment, deelde hij met mijn nichtje Ingrid. Bij hem viel dat extra op omdat vooral zijn linkerarm diepbruin gebrand was. Waarschijnlijk liet hij tijdens zijn trips in Zuid-Europese landen zijn portierraampje naar beneden glijden als hij in de file belandde. De maagdelijk witte vlekken vormden vreemde eilanden op zijn verschroeide huid.   Hij droeg een bermuda waaronder zijn brede knieën te voorschijn kwamen. Ze leken op de gewrichten van tante Melanie. Haar onderbenen waren nog relatief slank te noemen, maar vanaf haar knieën begon haar lichaam enorme proporties aan te nemen. Zo verging het ook de trucker.   Een slobberende vergeelde t-shirt omspande zijn omvangrijke buik. Hetzelfde beeld zie ik voor me als ik kijk naar de bijna op barsten staande bolle buik van achtmaand zwangere buurvrouw Nathalie. Binnen een maand zal haar “pakje” echter verdwenen zijn. De vracht van deze chauffeur zal hij zeker niet zo gauw verliezen.   Zijn hoofd leek wel vast gespietst op zijn eerder tengere schouders. Een nek had hij niet want de bovenste speklaag van zijn bolle rug, liet dat niet toe. Ook zijn keel, of hoe moet je die opstapeling van vetkwabben noemen, kon je moeilijk herkennen. Mijn grootoom Adelbert, die ooit als krachtpatser voor een circus had gewerkt, had flink met hem kunnen wedijveren.   En dan die tronie, zo weggelopen uit een of andere Fellini-film, had je moeten zien. Mijn grootvader langs vaderskant leek wel zijn evenbeeld: stekelige wenkbrauwen als straatborstels boven minuscuul kleine kraaloogjes, verstopt achter dikke brillenglazen. Hij had het reukorgaan van een bokser met rood geaderde neusvleugels en daaronder een dun grijs Poirot-snorretje. Zijn onverzorgde haardos, samengebonden in een ministaartje, hield hij samen met een elastiekje. Op zijn hoofd droeg hij een vaalwitte Adidaspet. Die had mijn grootvader niet.   Ik kende deze trucker van haar noch pluim. Maar toch kende ik hem van kop tot teen.

Marc M. Aerts
0 0

Het verband tussen Bernard en sir Cliff Richard

Bernard was een half jaar ouder dan ik en willens nillens mijn buurjongen maar hij is nooit mijn beste vriend geweest en daar had ik wel enkele redenen voor. Ten eerste stond zijn woordenschat mij niet aan. Zo gebruikte hij woorden als “nieverans” als hij “nergens” bedoelde. Vele jaren later reisde ik zogezegd naar “Niverance-les-Bains” als ik, in tegenstelling tot enkele welstellende schoolkameraadjes, niet op vakantie ging maar het met deze fantasiebestemming anders liet doorschemeren. Maar dat verfoeide woord “nieverans” was vanzelfsprekend nog geen reden om mijn buurjongen niet graag tot vriend te hebben natuurlijk.   Twee jaar later was het anders als we met andere buurjongetjes gingen voetballen op een weide achter “ons” bosje, onze natuurlijke habitat tijdens de woensdagnamiddagen, de weekends en het lange en zonnige zomerverlof. Elke grote eik of beuk had van ons een naam toebedeeld gekregen. De laagste takken van “de Witte” of “de Sinterklaas” bevonden zich hoog boven de begane grond en elkeen hielp een ander door elkaars opstap te zijn. De laatste werd dan met een dikke koord omhoog gehesen.   Dit wat kleinere bos was niet te verwarren met het iets verderop gelegen grote bos - met daarin enkel naamloze bomen - dat dienst deed als fietscrossbaan of als slagveld, waar de éne dag de “goede” cowboys en de “slechte” indianen (of was het andersom?) slaags geraakten en de speelgoedrevolvers met roze klappertjes het moesten opnemen tegen de zelfgefabriceerde - mits het bezigen van vaders werkbank - pijlen en bogen; en waar de andere dag het een strijdtoneel betrof tussen heldhaftige kruisvaarders en plunderende Saracenen waarbij de weer zelfgemaakte - mits alweer het bezigen van vaders werkbank - houten zwaarden kletterden tegen de plastic kromsabels van de zwartgeschminkte Moren.   Maar waar was ik gebleven? ‘Nieverans!’ zou Bernard gezegd hebben. Bij de voetbalmatch, juist ja. Bernard was zoals steeds keeper (“kipper” noteerde ik op ons wedstrijdblad) bij de tegenstanders en ik fungeerde als spits (“sentervoor” volgens ons wedstrijdblad) en daar begon al direct de ellende. Bij de eerste aanval van onze ploeg draaide de uit zijn goal gelopen doelverdediger zich valselijk om waardoor ik in volle vaart tegen Bernards uitgestoken achterste belandde. Ik kreeg geen lucht meer en lag kronkelend van de pijn op de voetbalweide. Ik vervloekte hem vanaf het moment dat ik weer naar adem kon happen.   Het zal nog eens een jaar later geweest zijn dat we slaags geraakten toen hij mij in ons geliefde bosje weer begon te pesten en uit te dagen. Want zo was hij, mij intimideren in het bijzijn van anderen met in zijn achterhoofd ‘hij durft toch niks te doen’. Maar daar had hij het toch even niet bij het juiste eind. Na menige leugen en het zoveelste verwijt, kookte mijn keteltje over en stormde ik op hem af terwijl de andere “bosjesmensen” met verbaasde gezichten toekeken. De klap die hij kreeg was enorm en deed hem in een ondiepe put ploffen waar niet thuishorende glasscherven zijn knie openreten. Bloed, geschreeuw en vele tranen waren het gevolg en even later ook een ziekenhuisbezoek. Rinus, onze wat introverte buurman en Bernards vader, kon er die avond niet om lachen toen hij het wedervaren van zijn zoon aan mijn ouders kwam vertellen. Maar toen ik van de eerste schrik bekomen was, lachte ik ’s anderendaags toch maar in mijn (vechters)vuist. “Boontje komt om zijn loontje” dacht ik. Sindsdien had ik veel minder last van Bernards slinkse manier van aanpak.   Ik zette het hem trouwens dubbel betaald en nog wel tijdens zijn communiefeestje waarbij hij een tiental buurkinderen had uitgenodigd, waaronder ook de mooie Duitse Cornelia. Misschien had hij gedacht de ganse namiddag met haar te kunnen dansen maar dat was buiten mij gerekend. “When the girl in your arms is the girl in your heart” galmde Cliff Richards zoetgevooisde stem, idool van Bernards zus Marian, door de luidspreker en dus voegde ik de daad bij het woord en danste ik op één tegel met Cornelia. Ter info: de tegels in de betreffende woonkamer waren erg klein; eerlijkheidshalve moet ik er wel aan toevoegen dat onze voeten, annex onze schoenen, nog niet helemaal volgroeid waren. Gevolg: Bernard jaloers, ik trots als een pauw (“as proud as a peacock” zou Cliff gezongen hebben). Sindsdien belandde mijn relatie met mijn buurjongen onder het vriespunt. “Below zero degrees centigrade or 32 degrees Fahrenheit” zou waarschijnlijk een te moeilijke titel geweest zijn voor een nieuwe hit van sir Cliff.

Marc M. Aerts
0 0