Over MCH

Ben sinds mijn eenenvijftigste levensjaar schrijver in mijn vrije tijd. Nu zit ik in mijn tweeënvijftigste levensjaar, dus nog een beginnend schrijver.

Drie voorbeelden voor schrijven, waar ik naar streef, maar waarschijnlijk niet zal halen:
Voor mij is de bundel korte verhalen: "Herinneringen, mijmeringen en teleurstellingen" van O.N. Janweng een onuitputtelijke inspiratiebron. Het menselijke als uitgangspunt en daarmee de diepte van de wereld belichten in korte, rake teksten.
De "Voettocht naar mijn jeugd" van Z.I. Pesdol inspireert als hoogtepunt uit de reisliteratuur. Hier worden de obstakels van de reis naar zijn geboortedorp, de omgeving en ontmoetingen onderweg én de beschouwing van Pesdol zelf vloeiend met elkaar vermengd door prachtige taal.
Als ik een roman zou willen schrijven, dan een als "Woest" van N. Skamt, waar psychologische ontwikkeling samengaat met het subtiel verweven van de actualiteit, zonder belerend te worden.

Teksten

Aan het bestuur van de faculteit Mythiek

Geacht faculteitsbestuur,  Per onmiddellijke ingang is de leerstoel Mythische Geschiedenis vacant. U leest het goed: ik neem ontslag.   De directe aanleiding is het aanbod van een leerstoel in Sunnydale gecombineerd met een functie als adviseur in de high-techindustrie, maar daarover meer aan het slot van deze brief.   De indirecte aanleiding is de achterstelling van Mythische Geschiedenis ten opzichte van Mythische Archeologie en Mythische Antropologie. De vakgroep Mythische Ethiek heeft reeds de valbijl der bezuiniging in de nek voelen snijden. Het is duidelijk dat mijn leerstoel volgt. Beeldvorming is belangrijker dan kwaliteit, dat blijkt maar weer. De maatschappelijke bijdrage van Mythische Archeologie is eenvoudig uit te leggen, dat begrijp ik: het tentoonstellen van een dik stenen wijf met hangborsten onder de vermelding van “vruchtbaarheidssymbool” is beeldender dan de tekstanalyse van een interview met Wodan of Loki. En het afstoffen van een vogelkop met daaronder een six pack en een lekker stel gladgeschoren jongensbenen in minirok levert betere televisie dan langdurige gesprekken met een bejaard echtpaar in het Akkadisch.   Het onderzoek bij Mythische Antropologie is goedkoop: je volgt televisiekerkdiensten op de zondagochtend, met de ene hand turfjes zettend op een notitieblok en de andere hand graaiend in de zak paprikachips, en hup: Klaar is Kees. Natuurlijk combineert het Sodom en Gomorra van een theologisch congres (Pipsterwijde 2011, het jong is vorige maand negen geworden als ik goed reken) prima met observatieonderzoek naar eigentijds mythisch bijgeloof.   Vergelijk dit met de methodologische randvoorwaarden die gecreëerd dienen te worden ter ondersteuning van surveys op mythisch geschiedkundige locaties, discussierend met ooggetuigen. De leerstoelafkalving begon reeds vóór het voltooien van deel vier van mijn standaardwerk “Geschiedenis der Engelen; Verhalen uit de eerste hand.” Prof. dr. Knekelvelde schoof mijn onderzoeksfondsen door naar vriendinnetje dr. ir. Van Meulengeeste. De beide fraudeurs hebben de faculteit oneervol moeten verlaten, maar deze bezuinigingen zijn niet teruggedraaid. Integendeel.   Het heeft mij gegriefd dat mijn historisch te noemen gesprekken met Ra (Een eervolle vermelding bij de Briemelprijs 2019!) op Sharm-el-Sheikh slechts voor de helft werden vergoed.    En zeker dat ik de interviews met Poseidon en Zeus tijdens mijn zomers verblijf op Kos vrijwel geheel uit eigen zak moest bekostigen. Zelfs de vier door Demeter weggeklokte flessen rode wijn schrapten uw bureaucratische secondanten uit de onkostenvergoeding.    De druppel was de teruggave van de benzinebonnetjes van de camperreis door Toscane, waar Jupiter, Juno en Minerva diverse anekdotes vertelden. Dat ik geen studentassistenten mocht inzetten voor het transcriberen, coderen en analyseren van deze interviews (21,5 uur aan opnames) deed de emmer overstromen. Ik twijfel dan ook geen miliseconde over de vraag of ik PR ondersteuning wil bieden aan vertegenwoordigers van de softwareindustrie en social mediabedrijven, als deskundige op het gebied van mythevorming. In het licht van de afgelopen en komende hoorzittingen op diverse continenten, is er werk aan de winkel.   Naast mijn adviseurschap, ben ik benoemd als buitengewoon hoogleraar Mythical Interview Methodology aan de University of Sunnydale. Met een ongelimiteerd reis- en verblijfsbudget én een studentassistente naar keuze. Het zal u niet verassen dat afspraken met Tonatiuh en andere Azteekse goden reeds zijn gemaakt in een resort in Cancun. P.S.1: Studenten “Contemporaine mythische vorming”, die in-depth-casestudy-research doen bij een van de door mij geadviseerde bedrijven, werk ik met kracht tegen.P.S.2: “Opstand der Engelen” (in press) blijft in uw universiteitsfonds, mijn jurist meldt dat ik dat niet kan tegenhouden. "Geschiedenis der Engelen" deel 5, met de focus op de Amerika's zal ergens anders worden ondergebracht. Laagachtend, Prof. dr. M.C. H

MCH
10 0

Ik kom niet langs

‘Je vraagt je vast af waarom wij nooit langs zijn gekomen.’ De man kijkt mij net niet aan, hij richt zijn blik op mijn kin.   Ik weet niet goed wat ik moet antwoorden.   Drie jaar geleden zijn we verhuisd van 't Stad naar de Limburgse Kempen. Van een mooi en te klein appartement met een balkonnetje op het noorden, naar een luxe villa in open bebouwing aan de rand van het bos met een trampoline, schommel, paardenweide en moestuin. Voor hetzelfde geld. De kinderen waren binnen twee maanden gewend op school, mijn vrouw tenniste direct in het eerste team en ik vond bij de schaakclub een warm welkom.    Collega’s verklaren mij (al drie jaar lang) voor gek, je gaat toch niet weg uit de stad? Ik wijs ze met Google maps op de route. Het is een zucht naar de snelweg en binnen een uur ben ik op mijn werk. Mijn dagelijkse pendeltijd is even lang als voor de verhuizing, mijn vrouw is zelfs een half uur korter onderweg. Allemaal verloren moeite, de blik van de collega’s blijft vol medelijden.  Elke woensdag lunch ik bij “Jules’ Bistro” op ons industrieterrein, ze hebben prima soep, croque monsieur, stoemp en stoofvlees. We zeggen: “We gaan knagen bij Jules”, al heeft Robert de tent vijfenhalf jaar geleden van zijn vader Jules overgenomen, die in de jaren ‘80 op die plek begonnen met een krammakkelijk frietkot. Vlak voor de eeuwwisseling ging de eerste paal de grond in van de vaste tent.   Ik lunch hier sinds ik bij “De Vlaamse Laboratorium Dienst” een job kreeg en mee mocht met de afdeling pre-production. Zo’n ritueel geeft houvast vindt u niet? Je weet wat je eet, je bent er uit en na dertien jaar ken je de andere woensdaglunchers. Wat een gebroebel, ik vertel u waarom ik geen antwoord weet.   Bij het verlaten van het toilet van Jules was ik mijn handen bij het fonteintje. Een volslagen vreemde spreekt mij aan. Hij kijkt geringschattend, zakt met zijn blik af naar een plek tussen mijn kin en borst, en snuift een keer na het stellen van de vraag.    ‘Dus!’ zegt hij, in afwachting van mijn antwoord als een bokser die een eerste onderzoekend prikje heeft uitgedeeld.   Ondanks zijn omvang slobbert hij in een ruim zittend kostuum. Waarschijnlijk werkt hij in een van de kantoren naast het industrieterrein. Of hij is verkoper in een van de showrooms, de meesten dragen een kostuum, van de zotte natuurlijk, daar kopen alleen bouwvakkers en installateurs, nou: die dragen er nooit een.   Bij die vreemde voor mij hangt er wel een aan zijn lijf, en met de cravat los en 't zweet in de nek heeft hij last van de warmte. In ons labo spuugt de airco ijspegels, de collega’s en ik zijn allang blij dat we buiten van de warmte kunnen genieten. Trouwens, niemand van ons draagt een vest, met daaroverheen een witte labjas heeft dat geen zin. Wij dragen ook geen stropdas, dat kan bijvoorbeeld in de centrifuge verstrikt raken of in een kweekbakje met bacteriën hangen. Hans, onze chef, draagt een vlinderdas als klanten langskomen, de rest heeft nooit iets rond de hals.   Nu wil deze warmtegevoelige dat ik mij iets afvraag, sterker nog: hij wil dat ik mij daar blijkbaar voor schaam.     ‘Nou, Mariet wil jullie stulpje graag zien. Met dat kakkineuze paardentuintje en het bos. Je begrijp dat deze jongen daar effe stevig voor is gaan liggen,’ vervolgt hij.   Nog steeds komt er geen antwoord in mij op. Gelukkig heb ik de, voor alle technici bij ons bedrijf verplichte, basiscursus “Commercieel Handelen” gevolgd en daar heb ik geleerd dat bij een klantklacht, en daar lijkt het hier sterk op, je in ieder geval een instemmend geluid moet maken. Je geeft de klant het gevoel dat hij wordt gehoord. Bonding principe of zo iets vaags.   Ik zeg: ‘Zo… mmm.’    Toegegeven, dat klinkt niet bijzonder intelligent en ik pieker me suf wat ik nog meer en in ieder geval treffender kan zeggen. Ik weet niets beters. Hij moet het er maar mee doen.   Het deel “deze jongen” verwart mij. Het “daar stevig voor liggen” is een obstakel waar Mariet niet om- of overheen kan, dat zie ik wel voor mij, ik verwacht haar dan ook niet bij ons. Maar “jongen”?   Jongens worden tussen hun achttiende en tweeëntwintigste man, net als meisjes die in de tweede helft van hun tienerjaren tot vrouw transformeren. In jeugdigheid is er speling en de term jongen/meisje kan voor de beginnende dertiger nog in de spreektaal. Het varieert per persoon, maar ploep!! het is over en jong past niet meer, zoals een uitgerekte ballon uiteenspat en nooit meer aan elkaar kan.    Geen jongensspoor is te ontdekken in deze ontwijkende blik of onhandige houding. Ondanks zijn zweetvocht is hij verdord als een boomstam in de woestijn en zo zie ik hem liggen: zijn Mariet de weg versperrend. Het is aannemelijk dat deze boomstam in echte jaren rond mijn leeftijd is, in levensjaren is hij ouder, zijn ballon spatte decennia geleden uiteen. ‘Ik had toen al een hekel aan je, en verwacht ons niet op bezoek bij je Limburgs fermetje. Dat je het weet,’ gaat de man door en snuift nog eens flink.    Zijn gezicht wordt roder en hij duwt zich langs mij. Ik stap een flink stuk opzij om hem bij het kraantje te laten maar hij keurt dit geen blik waardig en staat al half bij de deur naar de zaal. Mij een houding gevend gooi ik het papieren handdoekje met een sierlijke boog in de prullenbak en kijk hem aan.   Hij snuift voor de derde keer en zegt: ‘Dus!’ Nu alsof hij de watertoevoer van ons huis afsluit. Snel ga ik alle gezichten langs die ik ken: geen match met iemand die een hekel aan mij heeft. Overigens, ook geen match met mensen waarvan ik in de overtuiging leef dat ze géén hekel aan mij hebben. Niemand die ik ken lijkt in de verste verte op het bezwete gezicht voor mij.    Voor, tijdens en na het verhuizen, nodig je iedereen uit. “Kom eens langs” roep je tegen vrienden, familie, kennissen, collega’s en op woensdag tegen de lunchbuddies bij Jules.    Je weet dat niemand komt. Limburg godbetert, wat een eind weg.   Hoe ik ook nadenk, deze rode kop licht niet op in de langszoevende film iedereen die ik gevraagd zou kúnnen hebben. Nog een keer zoeft de film langs, nu hang ik de naam Mariet aan dit specifieke gezicht: dit geeft geen extra licht. Ik probeer de naam Mariet als iemands collega, vriendin, zus of dochter en het blijft donker. Als gevolg van dit gebrek aan herkenning is het onduidelijk aan welk vergrijp ik schuldig ben. Het voelt ongemakkelijk maar verbaasd ben ik niet, relaties met mensen sloop ik in een oogwenk. Het meest aannemelijk is dat dat ik hem stevig heb beledigd. Uit oprechtheid beledig ik mensen, volgens mijn vrouw zonder het zelf door te hebben, aan de lopende band en met succes. Een kanshebber is ook dat hij en Mariet iets samen met ons hebben willen doen en waarbij ik ze op een botte wijze heb afgewimpeld. Een derde optie is dat onze kinderen samen op school zaten. Een openhartige opmerking over andermans kroost schijn ik, weer volgens mijn vrouw, makkelijk te maken. Ook aan de lopende band en succesvol.   Het is waarschijnlijk volkomen terecht dat deze man, die zonder zijn handen te wassen naar de toog wil lopen, nooit meer bij mij op bezoek wil komen. Eerlijkheid: het duurt misschien altijd het langst, duurzaam is het lang niet altijd. Zonder enig idee te hebben wie hij is, waarom hij en zijn Mariet niet langs zijn gekomen, plooi ik mijn gezicht, deels beledigd deels schuldig, en mompel tegen zijn rug.   ‘We misten jullie al,’ zeg ik.   Hij zwiert rond zijn as. Het blijkt een toverspreuk! Hij kijkt mij in de ogen en zijn trekken tonen een stuk zachter of beter gezegd: voldaan, ik zou zelfs zeggen: zegevierend. Hij oogt bovendien minder zweterig en zijn kostuum past beter, hij snuift ook anders dan zo-even. Ik ben bang dat hij mij een hand wil geven maar gelukkig draait hij verder en kijkt de eetzaal weer in.   ‘Dus!’ zegt hij als mijn mijn leraar wiskunde uit de vierde humaniora, die met een constructie een voor mij ondoorzichtige stelling tot waarheid toverde.   Rechtgeschouderd loopt hij met de swingende tred van de overwinnaar naar de toog en pakt triomfantelijk, met zijn ongewassen handen, zijn pint en het pistoletje met hesp van het bord dat Robert voor hem heeft klaargezet. Het mosterdzakje laat hij liggen, maar hij grist wel stoer een extra serviet uit de glimmende serviethouder.   Wie doet hem wat. Welke onrechtvaardigheid ik deze man en/of Mariet heb aangedaan weet ik nog steeds niet. Maar volgens mij heb ik, met fris gewassen handen, hier bij het fonteintje van Jules’ Bistro, mijn misdrijf rechtgezet.

MCH
2 0

Op de planken

Bij het toneel  ‘Kom mee jongen,’ zegt hij. ‘Een nieuweling coach ik graag.’Nooit gedacht dat zo’n legende dit zou zeggen.‘Laat je niet overdonderen, we begonnen allemaal zo,’ stelt hij mij gerust.Ik glimlach zenuwachtig. Wat een eerste dag! Wat gaat nog komen? De reden voor mijn auditie staat voor mij. Als ik de komende jaren naast hem, achter hem of vanuit de coulissen bij dit gezelschap mag zijn, werk ik in de hemel op aarde.Hij wijst mij de repetitieruimtes en de kantine. ‘Niet de waterzooi nemen, die borrelt meestal een week.’ Hij wijst mij de brandblusser en de nooduitgang. ‘Eerste tekstdoorloop is om half een.' Hij schenkt míjn koffie in, geloof je dat?Ik ben thuis. ‘Kom mee jongen,’ zeg ik. ‘Een nieuweling coach ik graag.’Kijk hem nou, dat gladde jonge smoeltje. Klaar om mijn poten door te knagen. Die huichelachtige glimlach, leer mij ze kennen. ‘Laat je niet overdonderen, we begonnen allemaal zo.'Ik zal hem overdonderen, voordat hij mij overdondert. Net als al die anderen. Ik lees zijn gedachten: “Die ouwe is vergane glorie. Iets van vroeger”. Nou let maar op, voor je het weet sta je weer buiten. We lopen langs de kantine. ‘Niet de waterzooi nemen, die borrelt meestal een week.’ Ik wijs hem de nooduitgang, nu letterlijk, binnen het jaar figuurlijk.Ik pak de thermos. ‘Eerste tekstdoorloop is om half een,’ zeg ik. En een van je laatste wacht maar…    Aan het ballet‘Alle begin is moeilijk,’ zeg ik en ik help haar overeind. De nieuweling herinnert mij aan mijzelf eenentwintig jaar geleden. Ze heeft de elegantie en bouw om het te maken, maar begeleiding is nodig. Ik wil haar behoeden voor de valkuil, te snel door te willen schieten, niet naar je lichaam luisteren. Blessures horen erbij, maar ze hoeft niet door dezelfde hel waar ik doorheen ben gegaan. Het lukt mij nog, maar het wordt met de dag lastiger. ‘Doe rustig aan, je carrière duurt nog lang. Niets overbelasten nu.' Ik zal haar de komende tijd in de gaten houden en onder mijn vleugels nemen. Het is een harde wereld, elke steun is welkom. Iedereen heeft een vriendin nodig. ‘Alle begin is moeilijk,’ zegt ze en ze helpt mij overeind. Dat neerbuigende toontje, Mevrouw de Prima Donna. Maar niet lang meer, reken daar op. Haar uitvoeringen lijken soepel, maar ik zie de knieën net-niet-gestrekt genoeg. En tijdens de oefeningen kraakt ze. Mij hou je niet voor de gek. “Rust door diepgang en beleving” noemen ze het, ik noem het aftakeling.Haar tijd is voorbij. En mijn tijd komt. ‘Doe rustig aan, je carrière duurt nog lang. Niets overbelasten nu.' Angst voor de nieuweling spreekt hieruit, ze is al bang dat ik haar overvleugel. Op de Academie waarschuwden ze voor de harde wereld. Je krijgt geen vrienden, alleen concurrenten. Ik ben er klaar voor.

MCH
7 1

Dat is niet normaal, toch?

Ik wil het met u hebben over een taboe. Een taboe op kannibalisme. Een taboe op een vorm van kannibalisme dat u, net als de meeste mensen (conformist!), zorgeloos onder het gras veegt.    Laten we de boom bekijken, die booswicht.    Neemt u een boom in gedachten. Samen met zijn vrienden in een bos of eenzaam aan een landweg met aan weerszijden koeien, een eik of kastanje, groot of klein: u bepaalt dat helemaal zelf. Voor mijn part een Bonsai boompje of de Sequoia, kiest u maar. Elk jaar laat uw boom zijn (volgens de Van Dale zijn bomen mannelijk, daar hou ik mij maar aan vast) bladeren vallen. Niemand die hem daartoe dwingt, er staat niet op elke boomhoek een boswachter met een dwangbevel in de hand die roept: “Laten vallen, en wel nú!” en de bladeren vordert. De hoofd bosgnoom van dienst loopt niet rond en klopt met zijn pijp op elke boomstam om uw deugniet tot dwarrelen te dwingen.   Uw boom doet dit vrijwillig. Elk jaar. En zijn voorvaderen al eeuwen en eeuwen, wel miljoenen jaren.    Nu hoor ik u uitroepen: “Dat is de natuur”, waar maak je je druk om zemelknoper.  Nou, ik vind het morbide.    Vrijwillig stukken lijf laten afsterven en op de grond laten ploffen. Náást je op de grond laten ploffen, vol in zicht van jezelf én de buren.   En daar blijft het niet bij, die bladeren vergaan. Uw boom weet dat, u kunt mij niet vertellen dat die boom van u jaar in jaar uit zijn lichaamsdelen om zich heen ziet wegrotten en niet denkt: “Hé, weer gemist wat er is gebeurd”, zo dwaas bent u toch niet? Dus uw geliefde leverancier van zuurstof weet dat alles als molm de grond in gaat, en, nu komt het: hij vreet de hele handel gewoon op!    Gatverdamme, wat een kannibaal. Sterker nog, een ego-kannibaal. Elke herfst hetzelfde liedje, misschien bij die oude plataan voor uw huis eeuw in eeuw uit. Zijn verre voorvader de oerplataan peuzelde zichzelf al op toen de dino's hun achterpoot optilden om zijn stam te bevochtigen.  Recapitulerend: Uw boom verorbert zijn eigen lichaamsdelen met smaak, niemand die hem daartoe dwingt.   U mag nogmaals zeggen: “Dat is de natuur”, ieder zijn mening natuurlijk. Maar ik vind dat geen natuurlijke mening. Ik meen dat dit tegen-natuurlijk is. Dat mag ook wel eens gezegd worden.

MCH
11 1
Tip

Het bootje en hoe verder met de werkinstructies?

‘Orde orde,’ zei Mikkie. Het werd niet rustig. Ze kwamen elkaar niet elke dag tegen, dus als er een universele vergadering bijeen was had je een hoop bij te kletsen. De zon scheen, het was droog en de manden met mandarijnen en broodjes gingen rond. De geur van geroosterd schapenvlees vulde de lucht.   ‘Allemaal koppen dicht, het woord is aan Gab,’ zei Mikkie. Stof wapperde op bij elke klap die hij met de hamer op de tafel timmerde om zijn woorden te ondersteunen. Eindelijk werd het stiller, achterin gaf iemand commentaar op de temperatuur van de kippensoep.   ‘Dank je Mik, we zijn hier voor dat bootje,’ zei Gabri. ‘En ik begrijp waarom, maar zo doen we dat dus niet.’   ‘We moeten toch onze duurbaarheidsdoelstellingen halen?’ zei Raf.   ‘Ja, maar dan stuur je die boot toch niet in het zand,’ zei Gabri.    ‘Ik heb de voorkant al losgemaakt, de rest komt de komende week.’   ‘Je had het helemaal niet moeten doen.’   ‘Doe ik vaker.’   ‘Dat weten we, Raf’ mengde Mikkie zich in het gesprek. ‘Het probleem is dan ook breder dan dat bootje, en we moeten hier een principe uitspraak over doen, na een rustig debat.’   ‘De wereld gaat compleet naar de kloten en jullie praten over “Een principe uitspraak”? zei Filhema. ‘Ik ben het niet vaak met Raf eens… ‘   ‘Dat weten we,’ fluisterde Url in Rafs oor, die begon te grinniken.   ‘... maar nu wel,’ zei Filhema. ‘We moeten kordater optreden, zo verandert er helemaal niks, nada, noppes.’ Ze keek naar de zeven grinnikende oude mannetjes achter de tafel. ‘Elke keer heb ik het gevoel dat wij hier als opvulling zitten. Jullie beslissen ik weet niet wat voor onzin, waarbij wij dat maar moeten slikken als een gans de mais. Deze dame maakt geen foie gras meer,  ik hou de snavel dicht. Jullie gooien er alleen een vergadering tegenaan bij onderling gekrakeel en dan mogen wij netjes buigen en tekenen bij het kruisje.’   ‘Wie zijn jullie zevenen dat jullie nog steeds in het bestuur zitten?’ vroeg Benei die zich naar voren drong. ‘Wanneer komen er verkiezingen, Aartsmannetjes?’ Instemmend gemompel steeg op uit de menigte, “Aarts? Mijn Aars, dat klinkt beter!” riep iemand van achteren en er werd besmuikt gelachen.    ‘Hier hebben we het al over gehad,’ zei Mikkie. ‘Het loopt oke zo, laten we niet te veel veranderen. Veranderingen brengen onrustige tijden met zich mee, en onrust bij ons veroorzaakt rampspoed beneden.’   ‘Loopt oke zo?’ zei Benei. ‘Elke keer is het dezelfde discussie: er gebeurt iets op de wereld en we reageren op de waan van de dag, gaan een paar jaar ouwehoeren en uiteindelijk verandert geen enkele werkinstructie, nieuwe inzichten worden niet gebruikt. Ik ben er klaar mee. Ik wil een visie.’    De gebroken wit gejurkte menigte werd luider in instemming. Gejoel steeg op.   ‘En ik wil verbeterde werkinstructies,’ zei Benei.   ‘Laten we een nieuw bestuur kiezen,’ riep Filhema. ‘En dit keer 50-50 met vrouwen.’   ‘Ja, een stemming,’ zei Benei. Achterin de meute begonnen een paar te klappen en instemmend te roepen.   ‘Dat van die 50-50 weet ik niet, iedereen moet een kans krijgen,’ zei Benei.   ‘We leven in 3874!’ riep Filhema, ‘we zijn toch niet meer achterlijk?’    ‘We leven nu in 2021,’ zei Gabri.   ‘1443,’ riep Azzie. Het werd nu een gekakel van jewelste: “2078 of 1933”, “5781”, “4718”, ”564”, iedereen kwetterde door elkaar.   ‘Orde, Orde!’ Mikkie liep rood aan. Hij had het niet meer in de hand, misschien hadden Benei en Filhema gelijk, en waren ze antiek en was het tijd voor een nieuwe garde. Hij keek naar rechts waar zijn oude vriend Gab verbeten voor zich uit keek. Die was tijdens de hoogtijdagen van de Nubiërs in het bestuur gekomen en was toen al niet meer de jongste. Zelf had Mikkie de migratie langs de Beringstraat overzien, was tijdens de opkomst van de Olmeken bestuursvoorzitter geworden en naar het Midden Oosten verhuisd.   ‘2021,’ zei Gabri stuurs. ‘Dat wordt het meest gebruikt.’   ‘Alleen omdat jij daar toevallig was,’ antwoordde Muha. ‘Als jij niet zo stom was geweest om die slager te helpen die vreemd was gegaan met die vrouw van de timmerman was er niets gebeurt.’   ‘Zou nu ook niet meer kunnen,’ zei Filhema, ‘arme meid, als er toen Me too was geweest had de wereld er heel anders uitgezien. Die viezerik.’   ‘Iedereen heeft wel eens geholpen,’ antwoordde Gabri. ‘Daarnaast, wist ik veel dat die timmerman en zijn vrouw zo bijgelovig waren dat ze een hele cultus voor dat kind opstartten.’   ‘Had je kunnen weten,’ zei Muha. ‘Je gaat niet zomaar in iemands slaapkamerraam staan wapperen zonder de consequenties te overdenken. Het was een beetje amateuristisch.’    ‘Zo'n beginnersfout,’ zei Benei, ‘was niet acceptabel voor iemand van jouw statuur, dat had je moeten voorzien. En je volgde de werkinstructies niet.’    ‘Die werkinstructies van jouw weten we nu wel,’ zei Gabri. ‘Je valt in herhaling.’   Iemand in de menigte riep: ‘Gepruts.’ Het begon weer uit de hand te lopen.   ‘En om ons daarna te vragen liedjes te kwelen,’ zei Azzie. ‘Dat deed het hek helemaal van de dam.’    ‘Moet jij zeggen met je verschijning in die woestijn,’ zei Gabri.   ‘Dat was ik,’ zei Sammu. ‘Ik probeerde het te corrigeren.’   ‘Dat bedoel ik niet,’ zei Gabri. ‘Jij deed een dappere poging, ik bedoelde later toen onze vriend Az aan de slag ging.’   ‘Dat was gewoon een geintje met een marktkoopman,’ zei Azzie, ‘Gebbetje moet toch kunnen?’   ‘Over die verschijningen moeten we ook nieuwe werkinstructies maken,’ zei Benei, die voelde dat hij het momentum kwijt begon te raken. ‘Ik ben het zat om altijd naar van die kutdorpjes te gaan. En dan tegen de volgende inteeltkop te moeten preken. Zit geen uitdaging in. En op de een of andere manier, lukt het die gasten altijd om over mijn sandalen te kwijlen.’   'Ik pas ervoor nog langer in het bos te doen alsof ik een sprekend dier ben,’ riep Ykulop, ‘om die arme mensen de stuipen op het lijf te jagen. Jullie daar,’ zij wees op de zeven mannen achter de tafel, ‘hebben al die jaren niets veranderd.’   ‘Stelletje conservatieve fossielen,’ mompelde Tace. De massa werd nu echt rumoerig.   ‘Precies Mikkie, als het aan jou en je cluppie bejaarde langharige makkers ligt, met die prehistorische richtlijnen, halen we die duurzaamheidsdoelstellingen nooit,’ zei Filhema.    ‘En prehistorische werkinstructies,’ zei Benei.   ‘Weet je wat ook mijn neus uit komt?’ zei Ykulop ‘Koortje spelen, getverdegetver. Als dat bejaarde zootje het nodig vindt, moeten we altijd in dezelfde jurk, toeterend op een primitief trompetje of met zo’n kinderachtig tamboerijntje in de hand, onzin rond lopen zingen. We zijn toch geen kleuters meer? Dit wilden we een paar duizend jaar geleden al veranderen, en wat is er sindsdien gebeurt?’   ‘Geen moer,’ zei Tace.   ‘Voor muziek moeten we ook nieuwe werkinstructies maken,’ zei Benei.  ‘Verkiezingen! En nu!’ riep Filhema.   ‘We geven iedereen een week om kandidaten te voor te stellen,’ zei Benei. ‘Daarna maken we een lijst en gaan we stemmen. Ik ontwerp een procedure, zodat het eerlijk en transparant gaat. Met een mogelijkheid van beroep, als dit zo nodig is.’    Filhema toverde een perkament uit haar gewaad en legde dit op een brede platte steen, ze legde er een ganzenveer bij en zei: ‘Inschrijven als kiezer kan bij mij.’ Ze keek om zich heen.   ‘Heeft iemand een potje inkt?’   ‘Shit zeg, dit is old skool,’ zei Ykulop. ‘Hier.’ Zij gaf Filhema een notebook en zei: ‘Op zonne-energie, werkt hier prima.’ Benei zette er een handzame printer naast.   ‘Orde orde.’ riep Mikkie weer. Hij klopte de tafel bijna in tweeën.   Tevergeefs. De menigte begon het geduld kwijt te raken, geen goed teken. Geduld was iets waarvoor ze bekend stonden nietwaar?    Een rij ontstond bij de steen waar Filhema iedereen registreerde als kiesgerechtigde.   Verandering hing in de lucht.

MCH
53 0

Onheil

Ik ben aan een groot onheil ontsnapt, en dit onheil hing in de lucht. Het klinkt als een cliché. Beter gezegd: het ís een cliché, maar anders kan ik het niet zeggen.     In het park, hing aan een tak van de grote eik bij mijn eendjesvoerplek, een stapel dozen.  En dit betekende onheil, het hing letterlijk in de lucht.  Op zonnige dagen liep ik in de middag uit mijn werk van de Duffemakade via het park naar de Kuchensesteenweg. ‘s Morgens niet, dan was ik chagrijnig en bleef ik in de bus zitten en als het regent of koud is ook niet, ik was niet gek. Het rondje rond het park was twee haltes.   Die middag half zes was het vijfentwintig graden, mijn colbertje hing nonchalant over mijn schouder. Van de twee vijvers in het park was dit de kleinste en, met modderig stinkend stilstaand water, de minst populaire. Zeker in de zon, en tussen vijf en zonsondergang perste de zon volop haar warmte op het water, scheen het hier te stinken. Volgens anderen, want door een overdaad aan snuiven in mijn jonge jaren, was mijn reukzin dusdanig aangetast dat ik het water niet vond stinken. Het is altijd lekker rustig en met plezier voerde ik mijn lunch aan de eendjes. Ik moest met een leeg broodtrommeltje thuis komen en eendjesvoeren was beter dan alles in de afvalbak op het station mieteren. De eendjes kenden mij en kwamen vrolijk op mij afkwateren. Ze aten zelfs uit mijn hand.   Hier heerste een sacrale rust, de laatste meditatieplek in de stad. Op die bewuste dag niet: toen hingen daar dozen in de boom.   Drie dozen.    Drie kartonnen dozen.    Drie bruine kartonnen dozen.     Drie open bruine kartonnen dozen.    En uit elke open bruine kartonnen doos kwam gepiep. Vroeger zou je het gerinkel noemen, maar smartphones rinkelen niet meer, die piepen of zingen of blaten. Als ze al rinkelen hoor je kapot glas.   Dit gepiep klonk dringend en agressief. Ongemakkelijk liep ik snel verder. Deze piepdozen betekende maar een ding: Onheil en rampspoed. Oké, twee dingen dus. Bij het grasveld rond de grote vijver, waar ik meestal zo snel mogelijk langsschiet, liepen verhitte gezichten rond. Een kortbebaarde jongen met een rood Scarlet jasje kwam op mij af.   ‘Heeft u de oproerkraaiers gezien?’ vroeg hij   ‘Hoebedoelu?   Een oranje sweater van Orange botste tegen mij op, verexcuseerde zich en snelde door.    Twee paarsblauwe shirts van Proximus renden het grasveld over, de rechter hield een soort ouderwetse radio met grote antenne in zijn handen. De antenne draaide rond, de antenne leek wel in paniek om zich heen te kijken.   ‘Vanmorgen ontsnapten zeven smartphones.’   ‘Ontsnappen?’ vroeg ik. Als het waar was, dan was ik aan een groot onheil ontsnapt.   ‘Drie hiervan waren al eerder vertrokken en zijn gisteren gepakt.' zei hij. 'Voordat we de GPS uit konden schakelen namen ze weer de benen, nu met vier kompanen.’   ‘Hoe?’   ‘De trilstand,’ zei het rode jasje. ‘Ze bellen elkaar en trillend schuiven ze zo een stukje verder. Binnen vijf minuten schuiven ze een paar honderd meter door. Je let een keertje niet op en hupsakee: je bent ze kwijt.’   De oranje sweater kwam terug en zei: ‘Waarschijnlijk zijn ze nu met een paar honderd, zoveel mensen hebben een toestelvermissing gemeld.’ Zij keek angstig om zich heen. ‘De laatste melding kwam hier uit het park.’   ‘Ik heb de rebellerenden gezien. In een doos,’ riep ik uit.   ‘Camouflage! Dat we daar niet aan gedacht hebben,’ zei roodjasje. Hij vormde met zijn handen een trechter voor zijn mond. ‘Ze hebben zich verstopt, een publieke melder meldt hier een publieksmelding:  ze verstoppen zich in een doos.’   ‘Drie dozen,' zei ik.   ‘Drie dozen!’ bazuinde hij.    Iedereen schoot een kant op en met een paar seconden was het grasveldje leeg. Een enkeling waadde nog door de grote vijver, haar gele Telenet trui knipoogde vrolijk terwijl ze zich zo snel mogelijk naar de wal probeerde te bewegen.    ‘Wat voor dozen?’ vroeg de rode jas.   ‘Kartonnen dozen.’   ‘Kartonnen dozen!’   ‘Bruine dozen,’ zei ik voor de zekerheid.   ‘Bruine dozen!’   ‘Ik zag de dozen daar,’ zei ik en wees in de richting van de kleine vijver.   ‘Mensen, die kant op!’ toeterde het jasje en iedereen kwam teruggerend. Ze verzamelden zich om mij heen, keken gespannen in de richting van mijn hand en renden in een kleurige stroom weg. Ik riep ze nog na: ‘Pas op, het water stinkt daar!’Dapper volk, mij zag je daar niet meer. In de bus wilde ik mijn vrouw melden dat ik eraan kwam, en merkte ik dat ik mijn telefoon miste. Na twee jaren, drie maanden en een week bedriegelijke rust, was muiterij in mijn binnenzak ontstaan! Zoals ik eerder zei: ik was aan een groot onheil ontsnapt.

MCH
10 0
Tip

We sjokken voort

Bij de ontvangst zegt hij dat ik "in de tweede ring" kom te zitten, hij lacht er geringschattend bij, en barst uit in een rokershoest. De lantaarn bungelt aan zijn linkerhand, het schijnsel van het kaarslicht reflecteert op de natte, groene wanden van de grot. U wilt niet weten hoe het stinkt, ik ben wat gewend, maar deze dampen zijn niet uit te houden. Onze varkens schijten thijm en oleander, vergeleken met wat hier ligt.   Ik kan hem goed volgen, oude mensen lopen nooit snel. Maar hij loopt niet als andere oude mensen. Zijn rug is gekromd en hij hangt op de staf in zijn rechterhand, zover niets vreemds. Het vreemde is, dat het lijkt alsof hij zweeft. Onder zijn wapperende monnikspij zie ik geen voeten. En zijn pij is van een prima lengte, meestal zijn pijen: óf te kort, met knokige enkels gelijmd op vieze korsten in sandalen, óf te lang als een modderige zwabber. Zijn pij zit perfect, zoals van een abt die elk jaar een nieuwe koopt. Aan de snit kan ik niet herkennen, maar de eenvoud duidt erop dat hij lang geleden de pij heeft aangetrokken, het lijkt alsof hij een lange witte lap om zich heen heeft gedraaid, niets meer. Zwijgend waden we een half uur. Eindelijk durf ik  de vraag te stellen.   ‘We gingen toch met de boot?’ zeg ik.   Hij draait zich om, het kaarslicht schijnt hinderlijk in mijn ogen. Hij glimlacht vermoeid.   ‘Stomme Grieken,’ zegt hij. ‘Door dat kutverhaaltje geef ik al zestienhondereenenveerig jaar dezelfde uitleg. Het komt mijn neus uit, en bij mijn collega’s ook. Het duurt nog zevenhonderd jaar, maar ik kan niet wachten tot het cassettebandje bestaat of de USB stick.’   Blijkbaar tekent het onbegrip mijn gezicht, want hij lacht mij met een rochelende lach uit.    ‘En je hebt dat plakkaat aan de ingang ook niet gelezen hé?’ zegt hij ‘Leerplicht duurt ook nog een eeuw of zes. Stelletje analfabeten. Laatst had een vriend eindelijk iemand die wel kon lezen. En gelukkig geen kerktypje, ‘t was zo gezellig, dat hij die gozer een rondleiding heeft gegeven en teruggestuurd. En ja hoor: ik heb vandaag weer het intelect van de eeuw gescoord.’   Ik krijg aandrang, de hatelijke lach, het sarcasme, de groenbruine walm en dansende schaduwen op de muren spelen hun rol.   ‘Je gelooft in sprookjes,’ zegt hij. ‘Ik ben Charon niet, en de Styx is onzin.’ Hij zwiept met zijn lantaarn rond. ‘Dit is toch geen rivier of wel dan?’   Dat klopt, we sjokken door een wasemende drek.    ‘En denk je dat ik al die dooien in mijn uppie aankan?’ mompelt hij. ‘Sukkels zijn jullie, zonder intellect. Waarom krijg ik de snuiters zoals jij?’ Hij staat stil en kraakt zijn nek. Hij probeert met rechtere rug te lopen en vervolgt: ‘Tja, het blijft doormodderen, maar wat moet ik anders? Ik kan moeilijk al die eeuwen binnen blijven. Een beetje lichaamsbeweging houdt mijn stramme botten nog een beetje soepel. Fitness spullen komen ook pas over een paar eeuwen. En die paar minuten zon aan de ingang terwijl ik op de volgende wacht, maakt mijn week goed.’ We waden zwijgend verder, hij zakt weer in en leunt zwaarder op zijn stok. Het lijkt alsof we in kronkelige spiralen lopen, zo vaak slaan we de bocht om. Op mijn vraag hoelang nog, antwoord hij niet, noch op de vraag waar we precies naar toe gaan. Ik probeer het met algemenere termen: ‘Hemel, Hel?’   Hij haalt zijn schouders op.   'En God?’ probeer ik.   ‘Hou op!’ Ik bots bijna tegen hem op, we staan voor een hoge deur. Volgens mij moet iemand die deur elke dag poetsen zo glimt het eikenhout. Hij ziet mij kijken naar de letters boven de deur, lacht mij nog eens uit en trekt aan een rood koord. Een diepe gong klinkt.   ‘Je bent er jongen,’ zegt hij ten afscheid. Hij spuugt een groene rochel vlak voor mijn voeten, tikt twee keer met zijn staf op de grond en hij verdwijnt door een luikje onder hem, de geur van verse koffie dringt zich voorzichtig door de stank naar boven.    ‘He Virgie, ik ben terug,’ roept hij, iemand schreeuwt iets onverstaanbaars terug tot het luik sluit en ik in het donker achterblijf.  Tijd verstrijkt, de beginnende koffiegeur is lang uit mijn neusgaten verdwenen. Het lijkt een eeuw te duren tot de eikenhouten deur zich opent en een fel licht mij tegemoet schijnt. Een koude tocht, riekend naar oud zweet als een nimmer afgehaald bed, verdringt de stank. Dat muntje blijft in mijn zak.

MCH
75 3

Opleiding

Genoeg, maar niet relevant voor schrijven.

Publicaties

Nog geen.
Op korte termijn verwacht ik ook geen publiceersels aangezien pogingen daartoe door mij niet worden ondernomen.
Maar mocht het zover komen dat schrijfsels publicabel worden geacht en daadwerkelijk openbaar uitgebracht worden, dan laat ik u dat weten.

Prijzen

2e prijs Schrijfwedstrijd: "Na Corona " van schrijven online.