Over Guy Van Damme

Ik was 34 jaar leraar lichamelijke opvoeding (middelbaar 34 jaar + lager onderwijs 6 jaar, waarbij deze lesuren gecombineerd werden met het middelbaar). Gedurende 15 jaar was ik mentor voor beginnende leraren lichamelijke opvoeding. Door mijn betrokkenheid met de wereld, meer bepaald met mijn onmiddellijke omgeving, begon ik stilaan - naargelang gebeurtnissen of ervaringen een impact hadden op mijn leven - teksten te schrijven. Ik noteer het jaartal 2013.

Opleiding

Publicaties

Ik beleef het leven zoals jij. De alledaagsheid van het leven!

https://www.boekscout.nl/shop2/boek/9789464898057

Prijzen

In het tijdschrift VERZIN magazine Jaargang 2024 - O2 werd mijn gedicht "Op sombere dagen" in de rubriek "Evenwichtsoefeningen die verleiden: Teksten met Azeryfactor" door Vitalski als volgt beschreven:

"Dit eenvoudige gedicht, met zijn heldere cadans en oprechte, geloofwaardige levenshouding, is steengoed gemaakt en zeer aangenaam te consumeren."

"Op sombere dagen" kan zich, qua strakheid en creativiteit, zelfs meten aan de kwaliteit van Jean Pierre Rawie, die toch een van de succesvolle dichters is van de Nederlandse letteren."

 

Dit bericht kreeg ik op 16/02/2024 van Jana Desplenter van creatiefschrijven.be

Dag Guy

Onze Azertyfactor-huistipgever Vitalski heeft jouw gedicht 'Op sombere dagen' uitgekozen om te bespreken in de volgende VERZIN (jaargang 17 - editie 2) die eind maart verschijnt.

De tekst zal in het magazine (op 1000 exemplaren) opgenomen worden, voorzien van een uitgebreid stuk feedback van zijne Vitalski zelve.
Proficiat!

 

------------------------------------------------------------------------------------------------------

Invited as keynote speaker at the 2015 National PE Institute.

Issued by Artie Kamiya, President & Founder Great Activities Publishing Company and Founder of the National Physical Education Institute · Apr 2014Issued by Artie Kamiya, President & Founder Great Activities Publishing Company and Founder of the National Physical Education Institute · Apr 2014 
 
 
Associated with Sports Media's PE videos


Joey and Guy: I would like to ask the two of you to consider being keynote speakers at the 2015 National PE Institute (July 27-29, 2015).

• I would like to assemble the "Greatest PE Social Media Mavens" in the World!
• Have gotten commitments from Andy Vasily, Nathan Horne, Jarrod Robinson, and Ash Casey as seen in my cc'ed previous e-mails to everyone.
• Please let me know if this is something each of you may be interested in attending.
• We'll cover expenses (flight, lodging).
• Unfortunately, we will not be able to pay anyone an honorarium.

Thanks! --- Artie

Artie Kamiya, President & Founder
Great Activities Publishing Company
• National PE Institute14: July 28 - 30, 2014

Varia

Het verloop van mijn bundel proza "Ik beleef het leven zoals jij. De alledaagsheid van het leven!"

Het gaat niet om wat je ziet, maar hoe je kijkt. De auteur zoomt in op het dagelijks leven en brengt deze uitvergrote werkelijkheid in verhaalvorm over op de lezer. Het is positieve poëzie, zonder pretenties. Bijna alle gedichten in de bundel eindigen met een positieve wending. Van Damme schetst herkenbare taferelen. De gedichten zijn herkenbaar, de gedachten van de schrijver helder en overtuigend, en de gedichten zetten je soms aan het denken.

https://ik-beleef-het-leven-zoalsjij.blogspot.com/

Teksten

Ooit had ik in 1980 een droom…

Samen met mijn vrouw wilde ik naar Zuid-Afrika verhuizen. Beide waren we al bekend met Afrika, omdat we uit een tijdperk kwamen waarin we als kinderen de geur van de savanne in onze herinneringen hadden opgeslagen, het geluid van vogels die je nergens anders hoorde, en de warmte van de Afrikaanse zon die ons gezicht streelde. Het leek een vanzelfsprekende keuze om daar een nieuw leven te beginnen. We wilden ons leven verbinden met onze liefde voor avontuur, en ik, vooral ik, droomde van de vrijheid die het vliegen met een sportvliegtuigje met zich mee zou brengen. Ik zou gaan vliegen met een Cessna 150 – 152 voor een lokale luchtvaartmaatschappij. In mijn gedachten zag ik mezelf de lucht in stijgen, navigerend door de uitgestrekte Afrikaanse wildernis, met mijn vrouw die aan de grond les zou geven in het lager onderwijs en ikzelf in de luchtvaart zou werken, daarnaast nog mijn passie voor Lichamelijke Opvoeding (L.O.) lesgeven op een lokale school. We zouden een simpel, maar vreugdevol leven leiden, met de vrijheid van de lucht als het ultieme symbool van onze ontsnapping. De eerste stappen werden in België gezet. Vlieglessen in Schaffen en Deurne, beide niet ver van waar we woonden. Het was mijn manier om te ontsnappen aan het dagelijkse leven, een manier om de horizon te verkennen, letterlijk en figuurlijk. Maar, zoals vaak het geval is, sloeg het leven toe met onvermijdelijke financiële zorgen. De droom bleek uiteindelijk onbetaalbaar. We kochten een huis – en je weet hoe het gaat, een Belg wordt immers geboren met een baksteen in zijn maag – en de kosten voor het vliegen waren simpelweg niet te combineren met de hypotheek. De keuze was snel gemaakt: de droom werd opgeborgen. Toch was het niet zomaar een opgave. Het was een besluit dat zwaar viel. Ik stopte met mijn vlieglessen, vlak voordat ik zelfstandig zou kunnen landen. Het landen was het moeilijkste bij het vliegen, vooral bij een zogenaamde 'crab landing', waar je het vliegtuig in een schuine hoek moet houden om de wind tegen te werken. En dan het taxiën – een vliegtuig bestuur je niet met een stuur zoals in een auto, maar met voetpedalen. Je moest altijd rekening houden met de spanwijdte van de vleugels, wat in het begin een hele uitdaging was. Toch was ik trots op wat ik al had geleerd. Een van mijn meest levendige herinneringen uit die tijd is de les die ik had op een donkere grijze dag in Deurne. Mijn instructeur was Renson, een man die altijd een sigaret in zijn mond had en wiens ogen altijd wat slaperig leken, alsof hij zich liever ergens anders bevond dan in een cockpit. We hadden al verschillende oefeningen gedaan, en ik begon er vertrouwen in te krijgen. Maar op die dag ging alles anders dan ik had verwacht. Renson en ik zaten in de cockpit van de Cessna. De lucht was grijs, de luchtvochtigheid was hoog, en het leek alsof de natuur zelf zich voorbereidde op een storm. Ik manoeuvreerde de kleine Cessna tussen de andere vliegtuigen op de taxiway, en mijn hart bonkte in mijn borstkas. Het was een nieuwe uitdaging: de vleugels van het vliegtuig moesten constant goed georiënteerd worden. De zenuwen gierden door mijn lijf, maar ik probeerde rustig te blijven. Ik hoorde het gekraak van de wielen op de asfaltbaan terwijl we ons richting de startbaan bewogen. En toen, in de flauw licht van de dag, drukte Renson zijn sigaret uit op het dashboard, pakte de stuurknuppel en zei met zijn karakteristieke rokerige stem: "Vol gas, jongen." Ik gaf het gas, de motor brulde, en we schoten vooruit. Het vliegtuig trok omhoog, maar net toen we de lucht in schoten, gebeurde er iets vreemds. Renson had zijn sigaret verloren – een klein stukje rook dat langzaam in de lucht verdween, terwijl hij wanhopig begon te zoeken naar het peukje dat ergens in de cockpit was gevallen. Ik keek naar de horizon, en daar zagen we het: een enorme cumulonimbuswolk die zich langzaam richting ons beweegde. Deze wolken zijn berucht in de luchtvaart. Ze zijn onvoorspelbaar, gevuld met gevaarlijke luchtstromen die vaak gepaard gaan met hevige turbulentie. Dit waren geen normale wolken; dit waren de reuzen van de lucht, en ze waren allesbehalve vriendelijk. Ze bevatten vaak hagel en kunnen enorme stijg- en dalingsluchstromen veroorzaken. Het was dus essentieel om zo ver mogelijk uit de buurt te blijven. Maar Renson, zoekend naar zijn sigaret, merkte het gevaar niet op. Hij was zo gefocust op dat kleine stukje brandend papier dat hij de dreiging niet in de gaten had. De wolken naderden, hun donkere massa's tegen de lucht als een immense muur van verwoesting. Mijn hart sloeg een slag over; ik voelde de spanning in mijn spieren toen ik besefte dat ik de enige was die het gevaar zag. De lucht rond ons begon te trillen, het vliegtuig gaf lichte schokken, en mijn handen kromden zich om de stuurknuppel. Renson was inmiddels zover afgeleid door zijn zoektocht naar het peukje dat hij nauwelijks merkte hoe het vliegtuig begon te beven. Plotseling begon het toestel hevig te schudden – een krachtige draai naar rechts, gevolgd door een harde duik naar beneden. De wereld draaide voor mijn ogen, en het was alsof de aarde onder ons verdween. In die fractie van een seconde werd ik volledig overgeleverd aan de grillen van de natuur. Mijn maag draaide om, en ik voelde het koude zweet op mijn voorhoofd. De turbulentie was extreem, en het leek alsof we in een woeste storm terecht waren gekomen. "Renson!" schreeuwde ik door de ruis van de wind en het geronk van de motor. Maar hij hoorde me niet. Hij was nog steeds in zijn zoektocht naar de sigaret. Het vliegtuig begon een diepe duik te maken, het stuur rammelde in mijn handen terwijl ik alles in me riep om het vliegtuig te stabiliseren. Plotseling, als een soort wraak van de natuur, begon de wind nog sterker te gieren, en alles leek uit de hand te lopen. De cumulonimbuswolken waren nu bijna boven ons, hun donder in de verte was als de dreiging van een naderende oorlog. En toen, net toen ik dacht dat het voorbij was, greep Renson eindelijk de stuurknuppel. Hij reageerde met de snelheid van een professional, stuurde het vliegtuig snel naar boven en naar de zijkant, buiten de bereik van de wolk. Het toestel schudde en trilde, maar het was op dat moment onder controle. "Volhouden, jongen!" riep hij, terwijl hij zijn peukje eindelijk in zijn hand had, alsof niets er ernstiger toe deed. We vlogen door de turbulentie, maar gelukkig hadden we de ergste dreiging weten te vermijden. Renson herstelde het vliegtuig, en de turbulentie liet ons uiteindelijk met rust. Mijn ademhaling kwam langzaam terug naar normaal, maar mijn hart klopte nog steeds in mijn keel. Na wat een eeuwigheid leek, kwamen we uiteindelijk weer op koers en landden veilig. Toen we het vliegtuig taxiden na de vlucht, was er een moment van stilte. Geen woorden werden gesproken, maar we keken elkaar aan. Het besef dat we net een gevaarlijke situatie hadden overleefd, viel langzaam in. Ik had nooit gedacht dat een simpel sigarettenpeukje de oorzaak zou zijn van zo'n chaos, maar het was gebeurd. De ervaring had iets veranderd. Het had mijn verlangen om te vliegen niet gedempt, maar het had me ook geleerd hoe kwetsbaar we zijn, zelfs in onze meest moedige momenten. Uiteindelijk, hoewel ik niet verder vloog, weet ik dat die momenten in de lucht me voor altijd zouden veranderen. Het was de dramatische ondergang van een droom die ik koesterde – een droom die ik misschien nooit zou bereiken, maar die me altijd zou blijven achtervolgen. En zo was het. Mijn droom om de lucht in te stijgen was vervlogen, maar de herinnering aan die dag zou altijd blijven.  

Guy Van Damme
30 1

De Man die de Sporen Vond

Er was eens, in een wereld tussen droom en werkelijkheid, een man die besloot op zoek te gaan naar de sporen van het leven. Hij heette Guy, en hoewel hij al vele wegen had bewandeld, voelde hij dat er nog zoveel verhalen te ontdekken waren—verhalen die hij had gezien, gehoord en zelfs beleefd, maar die nooit waren opgeschreven. Op een dag, toen de zon nog laag stond en het gras nat was van dauw, vond hij een oude pen. De pen was geen gewone pen; ze glinsterde zacht en leek te fluisteren:"Schrijf, Guy. Schrijf en verzamel de sporen die je hart beroeren." Guy aarzelde. "Maar wat moet ik schrijven?" vroeg hij hardop. De pen zweeg, maar de wind fluisterde hem iets toe. Hij hoorde de stemmen van het verleden: van avonturen die hij beleefd had, vrienden die hij had gekend, en plaatsen die hij ooit bezocht. Ze riepen hem terug naar de paden van zijn leven. En zo begon zijn reis. Hij vertrok op een tocht door het Land der Herinneringen. Het was een vreemd land: met heuvels van oude foto's en rivieren van vervlogen gesprekken. Langs het pad stonden bomen, elk met een verhaal. Bij de eerste boom las hij: "Dipenda: Vlucht uit Matadi". De woorden spraken over moed in tijden van chaos, over zijn vader die door een woelige rivier van onzekerheid werd meegesleurd, maar toch veilig thuis kwam. "Deze sporen mag ik niet vergeten," zei Guy en schreef ze op met de magische pen. Verderop zag hij een kat met glanzende ogen op een oude vensterbank liggen. "Wie ben jij?" vroeg hij. "Mijn naam was Dikkie," antwoordde de kat, "en ik was de vriend van iedereen." Guy glimlachte en hurkte neer bij Dikkie. De kat spinde zacht terwijl hij vertelde over warme middagen, verre avonturen in de tuin en de kleine rituelen van een liefdevol thuis. Tranen sprongen in Guy's ogen toen Dikkie zachtjes vervolgde: "Maar zoals alle dingen in het leven, Guy, kwam er een dag waarop ik moest gaan. Toch ben ik er altijd, in je hart." Guy nam zijn pen en schreef het op, zodat Dikkie’s spoor nooit verloren zou gaan. Zijn reis ging verder, en al snel bereikte hij een donkere grot. Binnen klonk gelach, luid en wild. Daar zaten "De Fritzen", mannen met namen die allemaal hetzelfde waren en verhalen vertelden die nergens en overal leken te beginnen. Ze dronken denkbeeldige bierpullen en riepen: "Zum Wohl!" terwijl ze de hele grot vulden met hun vreugde. Guy lachte met hen mee en begreep dat sommige herinneringen zijn als echo's in een grot: je draagt ze altijd bij je, zelfs als je er niet meer bent. Aan het einde van het Land der Herinneringen vond hij een spiegel. Toen hij erin keek, zag hij niet alleen zijn eigen gezicht, maar ook al die sporen die hij verzameld had: de bergen die hij beklom, de woorden die hij sprak, en de geliefden die hij verloor. Hij zag zijn leven als een kaart vol kronkelende paden, diepe dalen en zonnige toppen. "Waarom heb ik deze sporen verzameld?" vroeg Guy aan de pen. De pen antwoordde eindelijk: "Omdat verhalen alleen leven als ze verteld worden, Guy. De sporen van jouw leven zijn ook de sporen van anderen. Ze verbinden mensen, net zoals voetstappen elkaar kruisen op een pad." Guy keek rond en zag dat er nog meer lag te wachten: kleine heuvels waar de lucht stil stond en enkel fluisteringen klonken. Hij volgde het pad en vond daar woorden die in de wind dansten, losse letters die wachtten om op papier te landen. "Dit zijn gedichten," zei de pen zacht. "De sporen die niet schreeuwen, maar fluisteren." Guy begreep het. Hij hurkte neer en begon regels te schrijven: korte zinnen die het geluid van een vallend blad of het ritme van een hartslag konden vangen. Hij schreef over: "De Eerste Winterprik", waar de kou niet alleen de lucht raakte maar ook de ziel."De Cirkel van Dankbaarheid", waarin liefde zonder woorden een wereld van verschil maakte.En "Waar de Tijd met de Herfst Danst", een zacht verhaal over de vergankelijkheid van schoonheid. Het was alsof de pen hem nu leerde zingen zonder muziek. De poëzie vloeide uit zijn hand, als kleine dauwdruppels op een blad, als sneeuw die stil valt in een lege straat. En toen hij klaar was, keek hij op. Voor hem lag een land vol sporen: verhalen die hij had verzameld en gedichten die hij had gevoeld. Hij nam zijn pen en ging terug naar huis, zijn boek vol verhalen en poëzie. Elk woord, elke regel, was een spoor dat nooit zou verdwijnen. Want in dat boek zat niet alleen zijn leven, maar ook dat van anderen: van Dikkie, van de Fritzen, van de vrienden, de liefde, de vreugde, en de pijn. En telkens wanneer iemand het boek opende, kwamen de verhalen en gedichten tot leven. Ze fluisterden zacht, zoals de pen ooit had gedaan:"Schrijf, lees, vertel, en luister. Want sporen verdwijnen pas echt als we ze vergeten." Zo werd Guy, de man die de sporen vond, ook de man die de poëzie van het leven bewaarde. En waar je ook bent, als je goed luistert, hoor je nog altijd het zachte ruisen van zijn woorden, als bladeren die meebewegen met de wind.

Guy Van Damme
17 1

Een winterwandeling vol uitdagingen

Het was januari 2021, diep in de winter. Vera en ik, fervente wandelaars, hadden een route van 15 kilometer gepland door de trage wegen van Grobbendonk. Als ex-scouts waren we gewend om avontuur op te zoeken, het onbekende aan te gaan en de natuur te trotseren. Wij waren doorbijters, niet snel bevreesd voor een uitdaging. Vera had altijd al een hoge pijngrens gehad, en ik was een echte doorduwer. Het had ons niet verbaasd als iemand ons had gezegd dat we het pad ondanks de kou en de zware omstandigheden zouden blijven volgen. De lucht was fris en ijzig, en een dunne laag rijp bedekte het gras langs de paden. Ondanks de kou genoten we van het gevoel van vrijheid dat een lange wandeling ons altijd gaf. We hadden een goede start. Het pad kronkelde door bossen en langs uitgestrekte velden, die onder een winters zonlicht lagen te glinsteren. Na enkele kilometers bereikten we een punt waar een waarschuwingsbord ons tegemoet blonk: “Deze weg is verder ondergelopen.” Het bord maakte ons nieuwsgierig. Vanaf waar we stonden, leek de weg nog begaanbaar, en het landschap zag er prachtig uit met de glinsterende waterpartijen en de stille, ondergelopen velden. We besloten het pad te volgen, ondanks de waarschuwing. De eerste honderden meters gingen probleemloos. Het pad was vochtig, maar goed begaanbaar. Na een tijdje vonden we een bank en besloten we te pauzeren. Om ons heen strekte zich een surrealistisch landschap uit van ondergelopen velden en glinsterende vijvers. Het water weerspiegelde de bomen, alsof de wereld dubbel aanwezig was. Hier leek de winter een kunstwerk te hebben geschilderd. Het onverwachte obstakel Na onze pauze vervolgden we onze weg, maar al snel werden we geconfronteerd met het deel van het pad dat werkelijk onder water stond. Het was een lange strook van ongeveer 150 meter, volledig overspoeld. Tot onze opluchting zagen we dat Natuurpunt houten blokken over het water had geplaatst als een soort loopbrug. Het zag er smal en wiebelig uit, maar het leek onze enige optie. Als ex-scouts wisten we wel raad met moeilijke omstandigheden, maar dit was toch een uitdaging die we niet hadden voorzien. “Ik ga eerst,” zei ik tegen Vera. Met de nodige voorzichtigheid begon ik mijn weg over de blokken. Mijn schoenen gleden een paar keer op het natte hout, maar ik bereikte de overkant zonder al te veel moeite. Ik draaide me om en riep bemoedigend: “Kom maar, het gaat wel!” Vera knikte en zette haar eerste stappen. Ze balanceerde voorzichtig, maar ik merkte dat ze het moeilijker had. Door haar armprothese kon ze haar evenwicht minder goed bewaren. Halverwege verloor ze haar balans. Ik zag het gebeuren in slow motion. Haar voeten gleden weg, haar lichaam kantelde en met een plons viel ze in het ijskoude water op haar “slechte” arm. Ik rende terug naar haar toe. Ze probeerde op te staan, maar haar gezicht vertrok van de pijn. “Mijn arm,” zei ze met een gebroken stem. Ik hielp haar uit het water. Haar kleren waren doorweekt, en in de ijzige kou begon ze onmiddellijk te rillen. “We moeten hier weg,” zei ik. De situatie was ernstig, dat wist ik. Maar onze auto stond nog meer dan zeven kilometer verderop, en we bevonden ons in een beschermd gebied waar voertuigen verboden waren. Er zat niets anders op dan verder te lopen. We waren allebei doorzetters, maar dit zou een test worden die ons zou herinneren dat zelfs wij mensen waren, niet onoverwinnelijk. Een loodzware tocht Met elk stapje dat we zetten, werd de tocht zwaarder. Vera’s doorweekte kleren plakten aan haar lichaam en de ijzige wind sneed in onze huid. Bovendien begon ze steeds vaker te klagen over haar arm. Een keer stopte ze plotseling en zei: “Ik hoor gekraak… in mijn arm.” Haar woorden deden me huiveren. Dat kon niets goeds betekenen. “Kun je nog verder?” vroeg ik voorzichtig. Ze knikte, maar haar gezicht was een masker van pijn. Elke stap leek een enorme inspanning te kosten. Ik probeerde haar op te peppen door over koetjes en kalfjes te praten, maar het hielp weinig. De kilometers leken eindeloos, en ik voelde me machteloos. Het enige wat ik kon doen, was haar blijven aanmoedigen en hopen dat we snel bij de auto zouden zijn. Toen we eindelijk het parkeerterrein bereikten, voelde het alsof we een marathon hadden gelopen. Vera trilde van de kou, en haar gezicht was bleek. “We gaan eerst naar huis voor droge kleren,” zei ik. “En daarna rechtstreeks naar de spoed.” Ze knikte zwakjes, te uitgeput om iets te zeggen. Een race tegen de klok Thuis hielp ik Vera om haar natte kleren uit te trekken en haar in iets warms te steken. Haar arm zag er slecht uit: opgezwollen en blauw. Ik wilde geen tijd verliezen en reed zo snel mogelijk naar het UZ Leuven. Daar werd ze meteen onderzocht. De diagnose was schokkend. De arts vertelde ons dat de holte in het onderstuk van haar bovenarm, waar haar prothese in vastzat, gebroken was. Hierdoor was de prothese niet langer gefixeerd. Kort gezegd: haar arm hing alleen nog aan haar lichaam dankzij de spieren en pezen. “We moeten opereren,” zei de arts. “Maar door de drukte van de covid-19-pandemie kunnen we haar nu niet opnemen. We hebben op dit moment geen bedden beschikbaar.” Mijn hart zakte in mijn schoenen. Hoe kon dit? Vera zou nog minstens een week met een gebroken arm moeten rondlopen voordat ze geopereerd kon worden. Het voelde oneerlijk, maar we hadden geen keuze. Een week van pijn en geduld De week die volgde was een beproeving. Vera had constante pijn, en elke beweging leek haar een marteling. Ik deed mijn best om haar te helpen met alledaagse dingen, zoals aankleden en eten, maar ik wist dat ik haar ongemak niet volledig kon wegnemen. De nachten waren het zwaarst. Vaak werd ze wakker van de pijn, en ik voelde me machteloos. Eindelijk, na zeven lange dagen, kwam het telefoontje waar we op hadden gewacht. Er was een bed beschikbaar, en Vera kon worden opgenomen voor de operatie. In het ziekenhuis werd ze voorbereid op een ingewikkelde ingreep. De artsen legden uit dat ze de gebroken holte in haar bovenarm zouden herstellen en de prothese opnieuw zouden fixeren. Het was een risicovolle operatie, maar de enige manier om haar arm te redden. Hoop en herstel De operatie duurde uren, en die tijd voelde als een eeuwigheid. Toen de chirurg uiteindelijk naar me toe kwam, was zijn gezicht gelukkig hoopvol. “De operatie is geslaagd,” zei hij. “Het zal een lang revalidatietraject worden, maar ze zal haar arm weer kunnen gebruiken.” De opluchting overspoelde me. Vera lag nog enkele dagen in het ziekenhuis om te herstellen, en daarna kon ze naar huis. De weken daarna stonden in het teken van fysiotherapie en langzaam weer vertrouwen krijgen in haar arm. Ondanks de pijn en de tegenslagen bleef Vera optimistisch. “Het had veel slechter kunnen aflopen,” zei ze vaak. En daar had ze gelijk in. Reflectie Nu, terugkijkend op die winterse wandeling, blijft het een verhaal vol emoties. Het was een tocht van schoonheid en avontuur, maar ook van pijn en doorzettingsvermogen. Vera’s moed en vastberadenheid hebben me diep geraakt. Hoewel we die dag met een gebroken arm en natte kleren eindigden, herinneren we ons ook de glinsterende vijvers, de houten blokken en het besef dat we samen alles aankunnen – zelfs in de ijskoude winter. Dit voorval had ons eraan herinnerd dat, hoe sterk we ook denken te zijn, we uiteindelijk ook maar mensen zijn, kwetsbaar in de ogen van de natuur.

Guy Van Damme
31 2

De Magie van de Wintertuin

Dit kerstverhaal is geïnspireerd door de omgeving waarin ik woon, in de Jagerslaan in Tremelo. Koen, mijn buurman, is een man die graag in zijn tuin werkt, ongeacht het seizoen. Zijn tuin is een constante bron van zorg en aandacht, iets wat ik vaak heb opgemerkt terwijl hij door weer en wind bezig is met zijn planten. In dit verhaal heb ik geprobeerd enkele van deze elementen te verweven: de rustige sfeer in onze straat, de liefde voor de natuur die Koen uitstraalt, en de kleine momenten van verbondenheid in onze buurt. Ik schrijf beter wanneer ik vertrek van werkelijke elementen, belevingen, waarnemingen en emoties om een verhaal op te bouwen. Vandaar dit fictieve kerstverhaal, met een non-fictief persoon. Het personage Bas is ontstaan binnen het verhaal en is dus fictief. De Magie van de Wintertuin Koen woonde in een charmant huis aan de Jagerslaan in Tremelo, een straat die zich als een kronkelend pad door het winterlandschap van de stad slingert. Zijn tuin was een betoverende plek die met elk seizoen veranderde, een wonderland in allerlei vormen. In de lente groeiden de bloemen in alle kleuren, in de zomer bloeiden de rozen in geurige tinten van dieprood tot zachtgeel, en in de herfst kleurden de bomen de lucht oranje en goud. Maar de winter… de winter was wanneer Koen zijn ware magie toonde. De sneeuw bedekte alles in een zachte deken, en de takken van de bomen leken te fluisteren in de stilte van de koude lucht. Koen was vijftig jaar oud, een man met een rustige ziel en een onmiskenbare liefde voor de natuur. Waar anderen zich op koude dagen binnen terugtrokken bij de haard, werkte Koen met vastberadenheid in zijn tuin. Zelfs wanneer de temperaturen onder nul daalden en de aarde hard aanvoelde als steen, was hij buiten. Zijn handen graafden diep in de kou om de planten te verzorgen, takken te snoeien en zijn tuin voor te bereiden op de lange, slaperige maanden van de winter. Op kerstavond, terwijl de eerste sneeuwvlokken van de avond neerdwarrelden en de straat een betoverende gloed van kerstlichtjes kreeg, was Koen weer buiten. De lucht was helder en koud, maar het voelde niet als een belemmering voor hem. Hij verzamelde dennenappels en takken voor een kerststukje. Zijn handen waren rood van de kou, maar zijn hart voelde warm. Het was het enige moment van het jaar dat Koen zich helemaal verbonden voelde met de wereld buiten zijn tuin. Mensen liepen voorbij, druk in gedachten of gezelschap, maar Koen bleef staan, zonder haast, genietend van de stilte om zich heen. Niemand stopte om met hem te praten, en dat was precies zoals hij het wilde. Net toen Koen de laatste takken in een mand had gelegd, hoorde hij voetstappen in de sneeuw. Verbaasd keek hij op en zag een jongen van ongeveer tien jaar oud voor zijn tuinhek staan. Het was Bas, een jongen uit de buurt die hij af en toe had gezien, maar nooit echt had gesproken. "Dag, Bas," zei Koen, terwijl hij de jongen aankeek. "Wat brengt jou hier?" Bas keek omhoog naar Koen met grote ogen en een onzeker glimlachje. "Mijn kerstboom ziet er… leeg uit," zei hij zacht. "Mama zegt dat u de mooiste takken heeft. Mag ik een paar lenen?" Koen glimlachte en knikte. "Natuurlijk, kom maar mee." Hij zwaaide naar Bas en leidde hem de tuin in. De tuin was als een magische plek in deze tijd van het jaar, vol met dennen, hulstbessen en klimop die zich kriskras door de ruimte slingeren. De sneeuw bedekte alles in een zachte deken, maar de planten stonden stevig in de grond, geduldig wachtend op de komst van de lente. Koen wees naar een paar dennetakken die onder de sneeuw verborgen lagen, en samen verzamelden ze takken, bessen en dennenappels. Koen voegde zelfs wat klimop toe aan het mengsel, waardoor de takken een prachtige groene glans kregen. "Dit moet genoeg zijn om je boom op te vrolijken," zei Koen terwijl hij de bundel aan Bas overhandigde. Bas keek verwonderd naar de tuin en vroeg, zijn stem vol nieuwsgierigheid: "Waarom werkt u altijd in de tuin, ook als het zo koud is?" Koen dacht even na. "Planten herinneren me eraan dat alles weer groeit, zelfs na de koudste winter," zei hij. "Ze hebben geduld, en dat probeer ik ook te hebben. Ze wachten op het juiste moment, en dan bloeien ze weer." Bas knikte langzaam, zijn ogen groot van begrip, alsof hij een geheim had ontdekt. "Dank u wel, meneer Koen," zei hij, zijn stem zacht maar oprecht. "Mag ik morgen met papa komen kijken? Ik denk dat hij uw tuin heel mooi vindt." Koen lachte zachtjes en knikte. "Jullie zijn altijd welkom." De volgende ochtend, op eerste kerstdag, was Koen al vroeg bezig in de tuin toen er geklop op zijn deur was. Toen hij opendeed, stond Bas er opnieuw, dit keer samen met zijn vader. Bas' vader, een stevige man met een vriendelijk gezicht, keek nieuwsgierig naar Koen. "Goedemorgen, meneer Koen," zei Bas' vader. "Bas vertelde me over uw tuin, en ik dacht, waarom niet eens komen kijken?" Koen glimlachte en leidde hen door de tuin. Terwijl ze wandelden, vertelde Koen met passie over de planten die zelfs in de winter hun groene bladeren behouden, over de dennenbomen die de kou trotseerden en de rozenstruiken die zich voorbereidden op hun winterslaap. Bas' vader bleef stil, maar zijn ogen straalden van bewondering, alsof hij iets herkende, iets dat hij lang niet had gezien. "Het is echt mooi hier," zei hij uiteindelijk, zijn stem zacht, maar vol respect. "Het doet me denken aan mijn eigen jeugd. Mijn vader had ook een tuin zoals deze. Ik ben het vergeten, maar dit doet me herinneren aan hoe belangrijk het is om te zorgen voor dingen, zelfs als de winter komt." Koen knikte. "De natuur leert ons geduld. Alles heeft zijn tijd." Terwijl de ochtend vorderde en de zon zich langzaam door de bewolking heen worstelde, namen Koen, Bas en zijn vader de tijd om door de tuin te dwalen, de planten te bewonderen en te praten over het leven, de natuur en de kracht van geduld. Bas' vader leek elke stap in de tuin meer te begrijpen. Het was niet alleen een tuin, maar een plaats waar herinneringen en nieuwe vriendschappen werden gevormd. Later die dag, toen Koen weer buiten werkte, vond hij een kleine mand voor zijn deur. Er lagen verse koekjes in, met een kerstkaart die simpel maar hartverwarmend was. "Voor de man die de winter warm maakt," stond erop geschreven. Koen voelde een onverwachte warmte in zijn hart. Het was een geschenk van dankbaarheid, een klein gebaar dat hem diep raakte. Vanaf die kerst veranderde Koens tuin. Het was niet langer alleen zijn eigen rustige toevluchtsoord, maar een plek waar de buurt samenkwam. Mensen stopten vaker om te praten, om een paar planten te bewonderen of om advies te vragen over hun eigen tuinen. Zelfs in de winter, wanneer de meeste mensen hun tuinen vergaten, vond Koen steeds meer bezoekers die zich aangetrokken voelden door de rust en schoonheid van zijn tuin. De tuin was geen plaats van lawaai of drukte, maar van stille vriendschap en gedeelde momenten. En terwijl de planten geduldig wachtten op de komst van de lente, groeide er in de Jagerslaan iets dat niet in de tuin geplant was – een soort warmte die niet door sneeuw kon worden gedoofd. Het was de warmte van verbondenheid, van mensen die begrepen dat het niet alleen de lente was die nieuwe dingen bracht, maar ook de winter, waarin geduld en zorgzaamheid de mooiste vruchten droegen. De tuin van Koen was veranderd, en ook de mensen die er kwamen. Het was niet meer alleen een plek van bloemen en planten, maar een plek van menselijke connectie, van stille gesprekken en een simpele, oprechte zorg voor elkaar. Zelfs op de koudste dagen, wanneer de sneeuw de wereld in stilte hulde, was er altijd warmte te vinden, verborgen in de zorg die Koen had voor zijn tuin en voor de mensen om hem heen.

Guy Van Damme
45 4

Mooie Tijden in Keerbergen: Een Terugblik op de Jeugdjaren in de Jaren '70

De jaren '70 in Keerbergen waren een tijd van vrijheid, vriendschap en avontuur. Alles leek eenvoudig, en we bekeken de wereld met andere ogen. Mijn jeugdjaren in Keerbergen waren gevuld met prachtige herinneringen, die ik nog steeds koester. Dit was een tijd waarin we na schooltijd naar de Chalet Bleu gingen om snoep te kopen, urenlang op het meer van Keerbergen zeilden en het gevoel van vrijheid en levensgenieten diep in ons hart droegen. Met zijn karakteristieke glimlach vroeg Michel altijd, terwijl hij zijn zeiluitrusting voorbereidde: "Wat gaan we vandaag doen?" Ik woonde in Keerbergen, een charmant dorp waar het gemeenschapsleven destijds centraal stond. De school was dichtbij, en na de lessen kwamen mijn vrienden en ik altijd samen om de omgeving te verkennen. Een van mijn beste vrienden was Michel Mampaye, wiens familie aan het meer van Keerbergen woonde. We brachten veel tijd door bij hun huis, en de herinneringen aan die tijd zijn altijd bij mij gebleven. Het Koninklijk Atheneum Keerbergen, toentertijd beter bekend als het K.A.K., was het hart van ons jeugdleven. Het was de school waar we elke dag naartoe gingen, waar we niet alleen leerden, maar ook waar we vriendschappen smeedden die een leven lang zouden meegaan. Na schooltijd gingen we vaak naar de Chalet Bleu, die vlakbij het Atheneum lag. Het was een gezellige plek waar we met een paar centen een zakje snoep of een frisdrank konden kopen. Het was de perfecte plek om met vrienden urenlang bij te praten, te lachen en plannen te maken voor de avonturen die ons te wachten stonden. Na schooltijd eindigden we vaak bij het meer, waar de familie Mampaye trots hun prachtige blauwe 420 zeilboot had liggen.. De 420 was niet zomaar een zeilboot; het was voor ons een symbool van vrijheid, avontuur en de kracht van de natuur. Michel en ik, samen met onze vrienden, gingen vaak het water op wanneer we maar konden. We hijsten de zeilen, lieten de wind ons voortdrijven en genoten van het gevoel van vrijheid dat alleen een zeiltocht kan bieden. Maar het meer was niet altijd zo vredig. "Dit is het moment, jongens!" riep Michel, zijn ogen stralend terwijl hij het roer vasthield. "Als we nu niet oppassen, kunnen we nog wel eens omvallen." De hevige wind dreigde de boot te doen kantelen, en we moesten razendsnel handelen om het tij te keren voordat we volledig omsloegen. De spanning was te voelen, het water spatte om ons heen terwijl we de zeilen harder probeerden te trekken. Soms moesten we heel vlug op het zwaard gaan staan om de zeilboot weer recht te krijgen en te voorkomen dat de mast vast kwam te zitten in de bodem van het meer. “Sneller! We moeten het gewicht verdelen,” riep ik, terwijl ik me tegen de zijkant van de boot drukte. Michel was de stuurman, ik de fokkeman. De spanning in zulke momenten was groot, maar de ervaring was opwindend. We voelden ons één met de natuur, de elementen die ons omringden, en de kracht van het moment. We streden tegen de wind, terwijl de boot gevaarlijk heen en weer wiebelde. “Kom op, hou vol!" zei Michel door de wind heen, terwijl hij de koers weer probeerde te corrigeren. “Dit kunnen we aan! Het meer van Keerbergen was een magische plek, vooral in de zomer. Het had een strand waar we vaak samenkwamen, het zand tussen onze tenen voelde altijd fijn en de zon verwarmde onze huid terwijl we genoten van de simpele geneugten van het leven. De sfeer aan het meer was een weerspiegeling van de tijd waarin we leefden, een tijd van vrijheid, openheid en onbezorgdheid. De mensen die je daar ontmoette, deelden allemaal een verlangen naar vrijheid en avontuur, en dat gevoel was overal om ons heen. Na een dag op het water, waarin de zeilen ons over het meer dreven, kwamen we samen voor de zomeravonden aan het meer, waar de geur van gegrild vlees de lucht vulde. De Fransen die verantwoordelijk waren voor de hangar waar de zeilboten werden opgeslagen, hadden een cafeteria aan het meer. In de zomer organiseerden ze regelmatig BBQ's op het strand. Het was een geweldige kans om samen te komen met vrienden, te genieten van heerlijk eten en te praten over alles wat ons bezighield. De geur van gegrild vlees, het geluid van muziek en het gelach maakten de avonden onvergetelijk. Het was een tijd van samenzijn, van feesten en van genieten van het leven. De sfeer was altijd gezellig, en alles leek zich te richten op het moment van plezier en ontspanning. "Wie is er klaar voor de BBQ?" vroeg Michel met een brede glimlach, terwijl hij het vlees op de grill legde. In de weekenden waren er andere momenten die ons leven extra bijzonder maakten, zoals de surboums. We noemden de feesten die we organiseerden in de weekenden zo, een term die we uit Frankrijk hadden overgenomen. De familie Mampaye had een tweede huis, niet ver van hun woning aan het meer, en dit huis werd de uitvalsbasis voor onze feesten. Michel, ik, onze vrienden en zijn familie hadden het huis helemaal ingericht om perfecte feestjes te geven. De muren van de ruimte waar we dansten, waren behangen met eierdozen om de akoestiek te verbeteren, en deze waren vervolgens in goud gespoten. De toog was gezellig ingericht en bood een plek om een drankje te halen terwijl we met vrienden bijpraatten en genoten van de muziek. De surboums trokken altijd veel bezoekers. Vrienden van het Atheneum kwamen massaal opdagen, en de sfeer was altijd los, vrolijk en zorgeloos. Er was geen gebrek aan energie, en de muziek varieerde van de populaire hits van die tijd tot alternatieve geluiden die we zelf ontdekten. Het was een tijd waarin muziek en feestjes allesbepalend waren, en de fuiven waren de ideale gelegenheid om onze liefde voor het moment te delen. De avonden waren gevuld met gesprekken, gelach, dans en natuurlijk de geur van sigaretten die we stiekem rookten en alcohol die door de lucht hing. Maar het belangrijkste was de vriendschap, het samenzijn en de onvergetelijke herinneringen die we samen maakten. Het tweede huis van de familie Mampaye was onze veilige haven, een plek waar we terechtkonden voor de gezelligste avonden en de wildste feesten. Na een lange schoolweek was het een uitlaatklep, een moment om alles van ons af te schudden en te genieten van de vrijheid die we toen voelden. De jaren '70 in Keerbergen waren meer dan slechts een tijd van zomerse barbecues en zeiltochten. Het was een tijd waarin we als jongeren op zoek waren naar vrijheid en avontuur. We wilden de wereld ontdekken, nieuwe ervaringen opdoen, en vooral genieten van het leven. De mensen om ons heen waren simpel, maar de levenslust die ze uitstraalden was aanstekelijk. De eenvoud van het leven, de vrijheid van het zeilen op het meer en de vrolijkheid van de gemeenschappelijke momenten gaven ons een gevoel van geluk en vervulling. In die tijd voelde het alsof de wereld onze speeltuin was. We waren jong, vol energie, en niets leek ons te kunnen tegenhouden. De vriendschappen die ik toen sloot, zijn altijd bij me gebleven. Michel en ik, samen met onze vrienden, hebben zoveel gedeeld – van de avonturen op het meer tot de gesprekken bij de Chalet Bleu en de legendarische surboums. We waren een groep die samen het leven ontdekte en die in elke ervaring een reden vond om te lachen en te genieten van het moment. Vandaag, wanneer ik terugdenk aan die tijd in Keerbergen, voel ik een diepe dankbaarheid voor de mooie herinneringen die ik heb. De jaren '70 hebben me niet alleen de waarden van vriendschap en vrijheid bijgebracht, maar ook het belang van genieten van het moment en van de eenvoudige dingen in het leven. Het waren de mooiste jaren van mijn jeugd, en ik ben dankbaar dat ik deze avonturen heb mogen meemaken.  

Guy Van Damme
88 0

De Brug van Vergeving

Vergeving groeit niet uit het niets,het is een zaad dat stilte zoekt.In de schaduw van oud verdrietontkiemt de kracht die harten boekt. Een beek begint, troebel en klein,kronkelt door velden, langs scherpe stenen.Het water klaart, zacht en fijn,het leegt zijn pijn, het vult de venen. Hoe vergeef je onrecht dat blijft,de kogelregen, de stem die zwijgt?De aarde scheurt onder strijd en macht,mensen ontheemd, hun dromen verkracht. In Oekraïne weergalmt een schreeuw,in Palestina snijdt een oude pijn.In China en Taiwan dreigt een eeuw,van broederstrijd onder een valse lijn. Zuid-Amerika zoekt hoop voorbij de muur,een land waar honger dromen voedt.En elders verdrinkt een boot vol toekomst,waar niemand helpt, waar niets meer goed. Myanmar, Noord-Korea, stemmen stil,vluchtelingen trekken, gedragen door wil.Geen keuze, geen thuis, een grens zonder hart,en toch een verlangen naar een nieuwe start. Eerst het aanvaarden, de wonde zien,zonder te vluchten, zonder te vlijen.Een spiegel die eerlijk en scherp ontleent,waar emoties kolken en woorden rijen. Dan het loslaten, als bladeren in de wind,geen ketens meer, geen muren van spijt.Wie vergeeft, vindt zichzelf bemind,een zucht van vrede, een stap naar tijd. Niet zwak is hij die vergeeft,maar moedig, een bouwer van bruggen.Hij tilt de last die fouten geeften kiest voor hoop, kiest voor ruggen. Vergeving stroomt als een heldere stroom,spoelt het verleden, maakt ruimte vrij.De toekomst wacht, de liefde droomt:Hier is vrede, wees eindelijk blij.  

Guy Van Damme
40 1

Dipenda: Vlucht uit Matadi (waargebeurd - historische non-fictie)

Het verhaal dat hier volgt kan worden geclassificeerd als historische non-fictie. Het behandelt een belangrijke gebeurtenis uit de geschiedenis, namelijk de onafhankelijkheid van Congo in 1960, en biedt een perspectief vanuit een Belg die destijds in Congo werkte. ----------------------------------------------------------------------------------------- Een getuigenis uit de memoires van mijn vader Uit respect voor de geschiedenis en ter nagedachtenis van de ervaringen van mijn vader wil ik een fragment uit zijn memoires delen. Hij was architect en kaderlid met grote verantwoordelijkheid bij de bouwfirma Auxeltra-Béton (nu het huidige Besix). Zijn woorden brengen ons terug naar de turbulente tijd rond de onafhankelijkheid van Congo in 1960, de zogenaamde dipenda. Wat begon als een hoopvol moment voor de Congolese bevolking, veranderde al snel in een chaotische en soms gewelddadige periode, vooral voor de Europese kolonisten die tot dan toe hun leven in Congo hadden opgebouwd. Mijn vader bevond zich destijds in Matadi, een havenstad aan de Kongostroom, waar hij werkte aan het bouwproject voor de uitbreiding van de haven van Matadi. Hij bleef in Congo toen zijn vrouw, mijn moeder, en hun kinderen begin juni 1960 met de laatste paquebot naar België terugkeerden. Zijn verhaal beschrijft hoe de Force Publique, het Congolese leger, in opstand kwam en hoe dat een abrupt en gevaarlijk einde maakte aan zijn verblijf en werk in Congo. Hieronder volgt zijn getuigenis, overgenomen uit zijn memoires:  Dipenda: Vlucht uit Matadi "Jammer genoeg kwam er een abrupt en brutaal einde aan dit verblijf en de werkzaamheden in Matadi door de Indépendance (dipanda voor de lokale bevolking), die gepland stond voor 1 juli 1960. De blanke bevolking zag de storm aankomen, en velen stuurden hun echtgenotes en kinderen tijdig terug naar België. Ook ik deed dit voor mijn vrouw Emma en drie kinderen, begin juni, met de laatste paquebot of Kongoboot, de Baudouinville, terug naar Willebroek. Ik bleef alleen achter, hopend dat het allemaal niet zo’n vaart zou lopen, maar dit was ijdele hoop. Enkele dagen later, op 8 juni, liep het mis: het Kongolese leger, de Force Publique, kwam in opstand. In Matadi kwamen de soldaten uit hun kazernes en bezetten de straten. Op mijn bouwwerf hoorde ik schoten en wist dat het menens was. Ik sprong in mijn auto en reed door de stad om mijn huis te bereiken. Hoe ik het voor elkaar heb gekregen om zonder kleerscheuren thuis te komen, door al die wilde barrages van opstandige soldaten, begrijp ik nog steeds niet. Eens thuis pakte ik snel wat kleren en toiletspullen in een tas en vertrok met mijn buurman, die ook alleen was, in mijn auto (Opel) richting de Angolese grens, zo’n vijf kilometer van mijn huis. Maar enkele kilometers verder liep het al mis: er stond al een lange rij van andere blanken die ook de grens wilden oversteken. Ze werden echter tegengehouden door de opstandelingen en moesten terugkeren. Dat deden wij ook, mijn buurman, een Nederlander van een handelsmaatschappij, en ik. We wachtten af wat er zou komen. Vroeg in de namiddag kwam een jeep met opstandige soldaten mijn erf oprijden. Het ratelen van hun stemmen in het Lingala, een taal die ik gelukkig begreep, was echter niet geruststellend. Hun bevelen waren kort en hard: "Stap in je auto!" zei een soldaat, terwijl hij met zijn geweer naar mijn Opel wees. Mijn keel werd droog, maar ik wist dat tegenspraak geen optie was. Met mijn tas in de hand gehoorzaamde ik. Een van de soldaten nam zonder aarzelen plaats achter het stuur. Ik hoorde flarden van hun gesprekken, scherp en gespannen, terwijl de jeep ons op de voet volgde. Onze eerste stop was de gevangenis. Mijn maag kromp samen toen ik het gebouw zag, omringd door zwaargewapende soldaten. Binnen zaten tientallen blanken samengedreven, hun gezichten een mengeling van angst en wanhoop. Mijn Nederlandse buurman werd zonder pardon uit de auto gesleurd en tussen hen geplaatst. "Waarom brengen ze mij niet ook naar binnen?" vroeg ik me af, terwijl mijn adem stokte. De soldaten spraken snel met elkaar in Lingala. Ik ving woorden op als motoba (auto) en ndako ya mundele (huis van de blanke), maar het was niet meteen duidelijk wat ze van plan waren. Uiteindelijk reden we verder, door straten die leken verlaten maar waar chaos heerste. Gebroken ramen, plunderende groepen en achtergelaten eigendommen vormden het decor van deze dodelijke onrust. Bij het Hôtel Métropole werd ik uiteindelijk afgezet. Een menigte van naar schatting tweehonderd blanken – mannen, vrouwen en kinderen – was daar samengedreven. Angst hing als een zware deken over de groep. Toen ik uitstapte, hoorde ik fluisterend de gruwelijke verhalen die de ronde deden: Belgische vissersvrouwen, die waren gebleven terwijl hun mannen op zee waren, waren door opstandige soldaten verkracht. Ook nonnen die werkten in de zwarte cité zouden hetzelfde lot hebben ondergaan. Hoewel ik hun taal verstond, voelde het alsof woorden geen betekenis meer hadden in deze allesoverheersende chaos. Angst was universeel, en die nacht werd dat pijnlijk duidelijk. De tweede dag na de gevangenzetting van praktisch de gehele blanke bevolking van Matadi, kwam er bezoek in Hôtel Métropole van Lumumba, vergezeld door enkele 'generaals'. Zij probeerden de mensen om te praten en terug naar hun werk te laten gaan, maar dit was blijkbaar niet naar de zin van de opstandige soldaten, die de blanken liever kwijt waren zodat ze al hun bezittingen konden plunderen. Het plunderen was trouwens al begonnen toen ik van mijn huis naar het hotel werd gevoerd. Toen kregen de blanken twee uur de tijd om hun bezittingen bijeen te pakken en zich naar de twee Kongoboten te begeven, die toen nog aangemeerd lagen in de haven van Matadi. De ene was een Belgische vrachtboot en de andere de Thysville. Ik slaagde erin om aan boord te komen samen met enkele Belgen van mijn maatschappij. Toen zag ik hoe enkele Belgische officieren hun koffers en auto’s op de vrachtboot konden laden met hulp van de opstandige soldaten. Dit was echt schandalig. De Thysville mocht normaal gezien niet vertrekken van de opstandelingen en moest waarschijnlijk dienen om hen te beschermen tegen een aanval van de Belgische zeemacht, die over enkele kleine oorlogsbodems beschikte op de zeemachtbasis aan de monding van de Kongostroom. Om middernacht nam de kapitein een gewaagde beslissing. Ondanks strikte orders om in de haven te blijven, gaf hij bevel de trossen los te gooien. In volledige duisternis, zonder navigatielichten, gleed de Thysville haast geruisloos van de kade. De spanning aan boord was te snijden; iedereen hield zijn adem in, wetende dat opstandige soldaten met geladen wapens langs de oevers patrouilleerden. Plots klonken er schoten. Kogels floten door de lucht en sloegen in het water rondom de boot. Mensen aan dek doken in paniek weg, terwijl sommigen zich vastklampten aan relingen of elkaar, in een mengeling van angst en hoop. Toch bleef de bemanning onverstoorbaar. De kapitein, met stalen zenuwen, manoeuvreerde het schip de duisternis in, op weg naar een van de gevaarlijkste passages van de Kongostroom: de beruchte Chaudron d’Enfer, een verraderlijke draaikolk die zelfs bij daglicht al menig schip fataal was geworden. Met uiterste precisie navigeerde de bemanning het schip door de wilde stromingen. Het water kolkte en brulde onder de romp, alsof de rivier het schip zelf wilde verslinden. Elke fout, hoe klein ook, kon rampzalig zijn. Maar de ervaren kapitein en zijn bemanning hielden het hoofd koel. Toen de Thysville uiteindelijk door de draaikolk heen brak en de kalmere stroom bereikte, steeg er een zucht van verlichting op uit de verborgen menigte aan boord. Ze hadden het gehaald – tegen alle verwachtingen in. De boot zette koers naar de haven en hoofdstad Luanda, in de aangrenzende Portugese kolonie Angola. Alle vluchtelingen werden daar ontscheept, en de Belgische ambassade zorgde samen met de lokale bevolking voor onderdak, zij het in hotels of bij burgers, die zich zeer inspanden om al die mensen zo goed mogelijk op te vangen. Hoe hij het voor elkaar heeft gekregen, weet ik niet, maar een van mijn agenten (zoals men de Belgische bouwvakkers noemde) had zijn kleine Renault kunnen laten inladen en beschikte dus over vervoer in Luanda. Normaal werden de vluchtelingen opgehaald en via een luchtbrug van Sabena naar Melsbroek overgebracht. Ik vroeg per telegram aan mijn directie in Brussel toestemming om met de auto van die agent, tegen terugbetaling van de kosten, terug naar de grens met Congo te rijden (ongeveer 600 km zeer slechte aardewegen) en te proberen terug in Matadi te geraken om de werken te beveiligen en eventueel weer op gang te brengen. Na twee dagen van onderhandelen en palaveren mislukte dit totaal, en ik moest terugkeren naar Luanda om vervolgens met Sabena naar Brussel te vliegen. Toen de laatste vlucht vertrok, dacht ik bij mezelf: dit is echt het einde van mijn verblijf in Congo. Ondanks de vele beloftes over de terugkeer van de rust, was het voor mij definitief: er was geen toekomst meer. Toen ik eenmaal weer in Brussel was, was ik terug bij mijn gezin, en ik had het bedrijf tijdelijk moeten achterlaten in Zaire. Maar mijn verhaal was nog niet ten einde. Kort daarna kreeg ik een uitnodiging om terug te keren naar Zaire, het voormalige Belgisch Congo, voor nieuwe bouwprojecten van het bedrijf waarvoor ik werkte. Daar zou ik nog verschillende jaren actief blijven, projecten leiden en mijn werk in Zaire voortzetten. Uiteindelijk, na deze nieuwe ervaringen, kon ik het land weer achter me laten, met een gevoel van afsluiting. De tijd in Zaire markeerde voor mij een nieuw hoofdstuk, maar ook een definitief afscheid van de Congo die ik had gekend. Reflectie Dit verhaal is niet alleen een persoonlijke getuigenis van mijn vader, maar ook een herinnering aan de complexiteit van de geschiedenis en de onvoorziene veranderingen die persoonlijke levens kunnen raken. Het toont de harde realiteit van een overgangstijd, waarin beloftes van vrijheid vaak overschaduwd worden door chaos, verlies en onzekerheid. Het is een herinnering aan de veerkracht van de mensen die zich wisten te redden en de impact van de gebeurtenissen op de dagelijkse levens van duizenden mensen, zowel in België als in Congo. Door de ervaringen van mijn vader te delen, wil ik de persoonlijke kant van de Congolese onafhankelijkheid laten zien – hoe de grote politieke veranderingen het leven van gewone mensen door elkaar schudden, en hoe de lessen van die tijd, ondanks de jaren die zijn verstreken, nog steeds resoneren in de verhalen van de mensen die het meemaakten. .

Guy Van Damme
25 0

1975… Met de 2 CV naar Platja d'Aro (waargebeurd)

Het was het jaar 1975, een zomer die de eerste mijlpalen markeerde in de prille relatie van Guy en Vera. Jong, verliefd en onbezonnen, stonden ze op het punt om samen een avontuur aan te gaan dat hen voor altijd zou bijblijven. De uitnodiging om met Vera's familie de vakantie door te brengen in het zonnige Platja d'Aro aan de Costa Brava voelde als een gouden kans. Maar het was niet zomaar een vakantie. Het was een soort inwijdingsritueel waarin Vera's familie deze nieuwe jongen, Guy, op de proef zou stellen. Het plan leek eenvoudig: Vera’s ouders en haar jongste broer, Marc, zouden in de ruime Renault naar Spanje rijden. Maar toen de auto eenmaal was volgeladen met bagage en proviand, bleek er geen plek meer over voor Guy en Vera. De oplossing? Ze mochten gebruikmaken van de blauwe 2CV van Vera's moeder. Een unieke kans voor het jonge stel om samen op pad te gaan. Maar toen het besef insloeg dat ze urenlang, helemaal alleen, door Frankrijk zouden rijden, maakte de familie zich toch wat zorgen. Wat zouden ze niet allemaal kunnen uitspoken? De familie kwam met een oplossing die hen allemaal geruststelde: Marc, Vera's jongere broer, zou mee reizen als een soort chaperon. Een beetje ongemakkelijk, maar ach, het was tenminste een oplossing. De reis begint Op een heldere zomerochtend stapten ze in de iconische eend: Guy achter het stuur, Vera naast hem, en Marc op de achterbank, met zijn kenmerkende droogkomische blik. De sfeer zat er meteen goed in. De zon scheen, de motor pruttelde opgewekt, en vanaf de achterbank schalde muziek uit Marc's draagbare cassettespeler. Maar net toen de reis goed en wel begonnen was, schoot Marc abrupt overeind. Net voorbij Waver schoot Marc ineens recht. "Verdomme, ik ben door een wesp gestoken!" riep hij uit, terwijl hij naar zijn bil wees. Nog geen twintig kilometer voorbij Waver en hun chaperon had al zijn eerste probleem te pakken. Guy zette de 2CV aan de kant, Vera pakte een fles water om de plek te koelen, en na een korte onderbreking kon de reis worden hervat. De sfeer bleef luchtig, al was Marc een beetje knorrig over zijn onverwachte ontmoeting met de wesp. Maar Guy voelde al een lichte spanning in de lucht: dit avontuur zou zeker niet saai worden. De Beatles als reisgezelschap De draagbare cassettespeler van Marc bleek zowel een zegen als een vloek. De 2CV had geen autoradio, dus Marc had deze oplossing bedacht om de lange rit wat aangenamer te maken. Het probleem? Hij had maar één cassette meegenomen, een compilatiealbum van de Beatles. Wat begon als een gezellige achtergrondmuziek, werd al snel een constante soundtrack. "Help!", "Hey Jude", en "Yesterday" schalden urenlang uit de luidsprekers. "We hebben tenminste goede muziek," grapte Marc, terwijl Guy en Vera zich afvroegen hoe vaak een mens dezelfde liedjes kon aanhoren voordat hij gek werd. Vera glimlachte af en toe naar Guy, maar in haar ogen was een lichte vermoeidheid te zien. Elke keer dat "Hey Jude" weer begon, voelde ze zich steeds verder wegzakken in gedachten. De reis was nu echt begonnen, maar het werd steeds moeilijker om haar geduld te bewaren. De kilometers gleden voorbij, en met elke uur kwamen ze dichter bij het warme zuiden. Toen ze voorbij Lyon reden, voelde het eindelijk alsof ze de grens tussen het bekende en het exotische hadden overgestoken. Het landschap veranderde, de lucht werd zwoeler, en het avontuur voelde nu echt. Guy merkte op hoe Vera iets meer ontspande, haar gespannen schouders begonnen te zakken. Dit was het moment waarop ze allebei wisten dat ze echt onderweg waren naar iets groters dan alleen een vakantie. Kamperen onder de sterren In het schemerlicht van de koplampen rolden ze hun slaapzakken uit tussen de wijnranken. Marc grijnsde breed terwijl hij zijn luchtmatras opblies, wat in het stille veld klonk als een op hol geslagen harmonica. De sterrenhemel bood een magisch decor, en de stilte leek hen te omarmen. Al snel vielen ze in een diepe slaap, uitgeput van de lange rit. Rond middernacht werd Guy wakker van een vreemd geritsel. Het klonk alsof iets, of iemand, door de wijnranken sloop. Hij spitste zijn oren en tikte Vera zachtjes aan. "Hoor je dat?" fluisterde hij. Vera richtte zich half op, haar ogen wijd open. "Wat is dat? Een everzwijn? Of een... dief?" Net op dat moment stootte Marc, die nog heerlijk sliep, een luid snurkgeluid uit. Guy schudde zijn hoofd. "Nee, dat is Marc. Maar het andere geluid komt dichterbij." Guy besloot wat stenen richting het geluid te gooien. De eerste steen raakte een wijnstok, waardoor het hele veld leek te bewegen. "Oh nee, het komt op ons af!" riep Marc ineens, die nu rechtop zat met een lege wijnfles in zijn hand alsof het een wapen was. "Ik zei toch dat kamperen in de natuur gevaarlijk was!" Binnen een minuut hadden ze in paniek hun spullen bij elkaar geraapt. De 2CV werd gestart, de motor pruttelde, en met piepende banden reden ze weg. Ze voelden hun hart in hun keel toen ze door de wijngaard raasden, maar eenmaal op de weg, met het donker achter zich, kwamen ze tot rust. Pas de volgende ochtend, bij het ontbijt, biechtte Guy op. "Het was waarschijnlijk niks. Waarschijnlijk... mijn eigen stenen." De stilte aan tafel werd onderbroken door een luid gelach van Marc. "Dus jij hebt ons laten vluchten voor je eigen aanval? Fantastisch!" Aankomst in Platja d'Aro Na een lange reis vol Beatles-muziek, wespensteken en nachtelijke escapades bereikten ze eindelijk Platja d'Aro. Het was alles wat ze hadden gehoopt: zonovergoten stranden, helderblauw water, en een ontspannen sfeer. De familie verwelkomde hen met open armen, en de avonturen van de heenreis werden al snel anekdotes die rond de eettafel werden verteld. Marc, hun chaperon, bleek al snel de grootste grappenmaker van het gezelschap, en zijn Beatles-cassette werd het onderwerp van vele lachsalvo's. Guy voelde zich steeds meer op zijn gemak in de familie, en Vera straalde. De spanning die tijdens de reis tussen hen had gespeeld, was verdwenen, vervangen door het comfort van de gezamenlijke herinneringen. Terugblik Jaren later, als de geur van wijnvelden hen weer terugvoert naar die zomer van 1975, denken Guy en Vera met warmte terug aan hun avontuur met de blauwe 2CV. Het was een reis vol kleine ongemakken en grote vreugde, een reis waarin liefde werd versterkt door humor en onvoorziene wendingen. "En de Beatles?" vraagt Vera soms met een grijns. "Die zitten nog steeds in mijn hoofd," lacht Guy. "Maar ik zet ze nooit meer op repeat."

Guy Van Damme
21 1

Herinneringen uit Beja: De Jacht bij Tabarka (waargebeurd)

Het was de zomer van 1961. De zon brandde fel in de blauwe lucht boven Beja, een stad die ik altijd in mijn geheugen zal dragen als de plek waar onze avonturen in Tunesië begonnen. De geur van de mediterrane zee mengde zich met de geur van pijnbomen en kurkeiken, en elke dag voelde als een ontdekkingstocht in een onbekende wereld. Mijn vader, Armand, werkte voor Auxeltra Beton en leidde de bouw van een suikerfabriek, maar hij was geen jager. Het was iets voor de mannen van de groep, de vrienden die we daar hadden gemaakt – Belgen, Fransen en de pieds-noirs, Fransen van Europese afkomst die ooit in Algerije, Tunesië en Marokko woonden en die na de onafhankelijkheid in 1962 hun thuisland verlieten. Ze brachten hun eigen verhalen mee van het oude Noord-Afrika, met herinneringen aan een tijd die ze niet zomaar los konden laten. Toch ging mijn vader altijd mee op de jacht, niet om te jagen, maar om deel uit te maken van de sfeer die het met zich meebracht, van de verbondenheid en de verhalen die ze deelden. De jacht op wilde everzwijnen, la chasse aux sangliers sauvages zoals de Fransen het noemden, was voor ons, de kinderen, iets veel groters dan een simpele uitstap. Het was een avontuur, een kans om de wereld van de volwassenen te betreden, zelfs als we niet echt begrepen wat er gebeurde. Het bos van Tabarka, een uitgestrekt gebied waar de bomen met hun dikke schors en geurige naalden de lucht vulden, was de perfecte plek voor de wilde everzwijnen. Het woud strekte zich uit tot aan de kust, waar de zee ruiste tegen de witte zandstranden, haar golven voortdurend in de verte. De geur van de bossen vermengde zich met de zilte lucht van de oceaan, een geur die ons altijd het gevoel gaf dat we deel uitmaakten van iets groter dan onszelf. Elke maand, telkens op een zondag, wanneer de zon haar eerste stralen door het loof brak, trokken de mannen het bos in. Gewapend met geweren en vastbesloten om het wild te vinden, verdwenen ze in de schaduw van de oude bomen. Het was hun moment van verbinding met de natuur, een tijd waarin zij hun verhalen deelden en hun onderlinge rivaliteit het scherpe ritme van de jacht bepaalde. Het was meer dan jagen; het was een ritueel, een traditie die hen samenbracht, ongeacht hun verschillen. De spanning in de lucht was altijd te voelen, want de jacht was nooit zeker, maar de hoop was altijd groot, het verlangen naar avontuur onvermoeibaar.  Wij, de kinderen, gaven ons geen moment over aan de kalmte van de ochtend. Terwijl de mannen hun weg door het bos baanden, gingen wij op onze eigen manier op zoek naar avontuur. In plaats van de wilde everzwijnen achterna te zitten, zochten wij de wilde ezels. Het was niet dat we hen wilden vangen voor het vlees; het was een soort spel, een manier om hun vrijheid te ervaren door zelf te jagen, maar dan met een ander doel: de spanning van de achtervolging, de uitdaging van het temmen van iets ongetemd, zelfs al was het een hopeloze zaak. De ezels waren te snel, te sluw voor ons. We renden door het bos, tussen de takken door, maar telkens weer slaagden ze erin ons te ontglippen. Toch gaf het ons een onmiskenbare energie, een euforie die de pijn van de mislukking wegveegde en ons deed terugkeren voor de volgende achtervolging. Het lachen om onze eigen mislukking, de onderlinge grappen, die momenten gaven ons het gevoel dat we deel uitmaakten van de grote wereld om ons heen. De zon stond al hoog aan de hemel toen de mannen terugkeerden. Hun gezichten waren getekend door vermoeidheid, hun kleren bedekt met modder en zweet. Het was het onmiskenbare teken van een dag hard werken in de wildernis. Maar zelfs in die uitputting straalde er altijd een glimlach op hun lippen, een glimlach die niet alleen om de vangst draaide, maar om het samenzijn, het gedeelde avontuur. Die glimlach weerspiegelde iets diepers, iets dat we, de kinderen, pas later zouden begrijpen: de kracht van vriendschap, van het samen delen van een ervaring die veel verder ging dan de jacht zelf. Terwijl de mannen zich lieten vallen op de rotsen rond het kamp, begaven de vrouwen zich naar de kookpotten. Ze waren de stille kracht van het kamp, zorgzaam en bedachtzaam. Ze brachten de warmte in de groep, niet alleen door het vuur, maar door de zorg die ze boden. Mijn moeder, die altijd glimlachte terwijl ze het kamp voorbereidde, was niet de enige die voor ons zorgde. Alle vrouwen, elk met hun eigen rol, droegen bij aan de harmonie van de groep. De zorg die zij boden, was de zachte kracht die de groep bij elkaar hield. De vrouwen creëerden een sfeer van geborgenheid, waar de harde elementen van de buitenwereld niet doordrongen. Ze begrepen de kracht van stilte, van het delen van een moment zonder het te benoemen, en daardoor brachten ze ons dichter bij elkaar. De mannen kwamen vaak met verhalen over de jacht, over de momenten waarop ze dicht bij het wild waren geweest, of over de geur van de bossen die hen omhulde. Maar het waren de vrouwen die het ritme van de dagen bepaalden. Ze waren de stille hoeders van het kamp, en zonder hen zou de jacht nooit hetzelfde zijn geweest. Het was hun aanwezigheid die de mannen in staat stelde om volledig op de jacht te focussen. Als de mannen hun verhalen vertelden, luisterden wij, de kinderen, ademloos. We begrepen de diepgang van hun woorden nog niet, maar we voelden de emoties die tussen de zinnen door glipten. We vroegen soms naar details, maar de mannen gaven ons alleen de essentie van wat we moesten weten. De rest was voor henzelf, een geheim dat wij pas later zouden begrijpen. Jacques, een van de Fransen, was altijd degene die het meeste sprak. “Armand,” zei hij vaak met een glimlach, “je bent misschien geen jager, maar je hebt een manier om ons allemaal bij elkaar te brengen.” Mijn vader glimlachte altijd terug, bescheiden, terwijl de andere mannen grinnikten. “Het is de sfeer die belangrijk is,” zei hij dan, “niet het wild dat we vangen.” Zijn woorden waren simpel, maar ik voelde altijd een diepe waarheid in die momenten, een waarheid die de vriendschap en het respect tussen hen allemaal weerspiegelde. De pieds-noirs, die zich vaak in een meer discrete hoek van het kamp bevonden, waren een integraal onderdeel van de groep. Zij kwamen uit een wereld die ver weg was, met hun eigen verleden in Noord-Afrika, en brachten een zekere melancholie met zich mee, een gevoel van verlies van een thuis dat ze nooit meer konden terugvinden. Ze vertelden weinig over hun geschiedenis, maar soms, als het kampvuur zijn laatste gloed uitstraalde, kwamen er verhalen naar boven. Over de tijd in Algerije, het verlaten van alles wat vertrouwd was, de pijn van het gedwongen vertrek. Toch was hun kameraadschap een manier voor hen om opnieuw verbinding te maken, een manier om hun verleden achter zich te laten, zelfs als het maar tijdelijk was. De avonden in het kamp waren altijd gevuld met het geluid van lachen, het klappen van handen rond het vuur, de verhalen die zich door de lucht lieten dragen, en de geur van geroosterd vlees die zich mengde met de zilte lucht van de zee. Het was de ware essentie van de jacht – niet de vangst, maar het samenzijn. Het delen van het avontuur, het vieren van het moment, zelfs als de jacht niet altijd verliep zoals gepland. De kracht van de groep lag in de eenvoud van het samenzijn: het lachen, de vriendschap, het vertrouwen. Het was die verbondenheid die allesbepalend was – niet het wild, maar de onuitgesproken banden die werden gevormd in de warmte van het kampvuur, die de herinneringen voor altijd zouden dragen.

Guy Van Damme
11 1

Op het Randje van de Dood (waargebeurd)

Midden jaren ’90 was mijn leven een voortdurende race. Ik gaf les op drie scholen: de RMS in Putte, het Atheneum in Heist-op-den-Berg en de basisschool Dr. Jozef Weyns in Beerzel. Mijn dagen waren gevuld met haastig plannen, lesgeven en constant onderweg zijn. Maar die ene dag, toen de routine de boventoon leek te voeren, sloeg het noodlot genadeloos toe. Het was een gewone ochtend in oktober. Zoals vaak leende ik de rode Ford Fiesta van Vera’s moeder. Een trouwe wagen, al was hij simpel en niet bepaald robuust. Omstreeks 10 uur stapte ik in, met mijn schooltas nonchalant op de passagiersstoel gegooid. De motor startte met een vertrouwde brom. Mijn route naar Beerzel verliep via Grootlo en de Schrieksebaan, een weg die ik zonder nadenken kon rijden. In Schriek naderde ik het rondpunt bij de watertoren. Het verkeer was rustig, en ik nam zoals altijd mijn tijd. Ik keek links, keek rechts, en reed langzaam het rondpunt op. Opeens hoorde ik een diep gebrom, dat steeds dichterbij kwam. Het was alsof de lucht zelf waarschuwde dat er gevaar dreigde. “Wat…?” Ik draaide mijn hoofd naar rechts, maar alles gebeurde te snel. Een zware bestelwagen, veel te hard rijdend, dook uit het niets op. Het voertuig kwam vanuit de richting van de watertoren en had niet de minste intentie om af te remmen. In een fractie van een seconde kwam hij op mij af. Mijn lichaam handelde instinctief: ik greep het stuur stevig vast en strekte mijn armen, alsof dat voldoende zou zijn om de aankomende ramp tegen te houden. De klap was oorverdovend. De bestelwagen ramde de Fiesta vol in de zijkant, waardoor mijn auto meters werd meegesleurd richting het centrum van Schriek. Mijn hoofd schoot naar voren, de gordel sneed in mijn borst, en overal om mij heen barstten de ruiten in duizenden splinters. De motorkap van de Fiesta begon zich als een dreigende vuist te kreukelen, precies boven mijn hoofd. Ik keek omhoog en zag hoe het metaal zich naar binnen boog, gevaarlijk dicht bij mijn gezicht. Een fractie van een seconde dacht ik: dit is het, ik word onthoofd. Maar op het nippertje bleef de motorkap steken, net genoeg om mij in leven te laten. Ondertussen verloor de bestelwagen de controle. Ik zag hoe het zware voertuig meerdere keren tuimelde, zijn lading rammelde en door de lucht vloog. Uiteindelijk kwam het tientallen meters verder tot stilstand, schuivend over het asfalt en een lange zwarte streep achterlatend. Het was een surrealistisch tafereel, alsof de wereld plotseling in slow motion was gegaan. Toen de chaos eindelijk tot stilstand kwam, bleef ik roerloos zitten. Mijn handen trilden nog steeds aan het stuur. Mijn knokkels waren wit van de kracht waarmee ik het stuur had vastgeklemd, alsof dat mij op de een of andere manier had gered. De lucht rook naar brandend rubber en olie, en het enige geluid dat ik hoorde was mijn eigen zware ademhaling. Een man rende naar mijn raam en klopte erop. “Meneer, meneer! Gaat het met u?” Ik keek op, nog half in shock. “Ik… Ik denk het,” mompelde ik. “Blijf zitten,” zei hij snel. “Ik ga hulp halen.” Ik liet mijn blik over de Fiesta glijden. Het was een totaal wrak: de motorkap was onherkenbaar vervormd, het interieur lag vol met glassplinters, en de deuren hingen scheef in hun scharnieren. Het voelde als een wonder dat ik daar nog zat, levend en ogenschijnlijk ongedeerd. Niet veel later arriveerden de hulpdiensten. Twee politieagenten stapten uit en namen de situatie op. Een van hen, een man met een kalme, ervaren uitstraling, opende voorzichtig mijn deur. “Bent u in orde?” vroeg hij, terwijl hij zijn zaklamp langs mijn gezicht en lichaam liet gaan. “Ik denk het,” antwoordde ik. “Maar mijn auto… die is verloren.” Hij keek naar het wrak en knikte. “Dat lijkt me een understatement. U heeft geluk gehad.” Ze vroegen me wat er was gebeurd en namen mijn verklaring op. De bestuurder van de bestelwagen stond verderop, zijn handen in zijn haar. Hij stamelde iets over remproblemen en keek me niet aan. De politie noteerde alles nauwkeurig, terwijl ik toekeek hoe de bestelwagen werd weggesleept. Toen alles afgehandeld was, belde ik mijn vader. Hij nam meteen op. “Pa, ik heb een ongeluk gehad,” zei ik met een trillende stem. “Wat? Waar ben je?” vroeg hij bezorgd. “In Schriek, bij de watertoren. Kun je me komen halen?” Binnen een kwartier stond hij er. Zijn ogen vernauwden toen hij de Fiesta zag. “Jongen, je hebt echt geluk gehad,” zei hij, terwijl hij me stevig op mijn schouder klopte. “Stap in. Ik breng je naar huis.” Maar koppig als ik was, hield ik voet bij stuk. “Nee, breng me naar school. Ik moet mijn lessen nog geven.” Mijn vader keek me aan alsof ik gek was. “Je had net een zwaar ongeluk. Je moet rusten.” “Ik voel me prima,” loog ik. “Het komt wel goed.” Hij zuchtte, maar gaf toe. Ik gaf die middag nog de hele dag les, al voelde ik me niet op mijn gemak. Mijn leerlingen merkten niets, maar ik had moeite om me te concentreren. Een lichte pijn in mijn nek en hoofd begon langzaam erger te worden. ’s Avonds, thuis, kwam de echte impact naar boven. Een stekende hoofdpijn nam bezit van me, mijn nek voelde alsof er een ijzeren staaf doorheen zat, en elke beweging deed pijn. De volgende dag bezocht ik een arts. Na een reeks röntgenfoto’s keek hij me serieus aan. “U heeft een whiplash,” zei hij. “Uw nek is ernstig beschadigd. Dit letsel zal waarschijnlijk blijvende gevolgen hebben.” Ik voelde een koude rilling. “Blijvend? Hoe erg is het?” vroeg ik. “U zult beperkingen hebben in uw nekbewegingen,” legde hij uit. “Sommige oefeningen zijn uitgesloten, zoals koprollen of hoofdstanden. En achteruitrijden met de auto zal lastiger worden.” De arts gaf me een invaliditeit van 2%. “Meer dan dat geven ze zelden,” zei hij. “Anders zou de staat u moeten compenseren, en dat vermijden ze.” Het voelde als een klap. Alsof mijn leven werd samengevat in een getal. Hoe kon dit percentage recht doen aan de constante pijn en beperkingen die ik ervoer? In de maanden daarna leerde ik leven met mijn beperkingen. Achteruitrijden werd een uitdaging; ik moest mijn arm tegen de hoofdsteun van de passagiersstoel plaatsen om verder te kunnen draaien. Toch gaf ik mijn werk niet op. Met voorzichtigheid voerde ik zelfs oefeningen uit die eigenlijk verboden waren, gedreven door mijn passie voor lesgeven. Die dag in Schriek was een keerpunt in mijn leven. Het leerde me hoe kwetsbaar het leven is, maar ook hoe sterk een mens kan zijn. Zelfs met de littekens van die dag, zowel fysiek als mentaal, ging ik door. En tot op de dag van vandaag herinner ik me de motorkap die boven mijn hoofd hing, een haarbreedte verwijderd van de dood.

Guy Van Damme
5 2

Bij de Rijkswacht (waargebeurd)

In 1977 begon ik mijn militaire dienst bij de luchtmacht in Melsbroek. Het was een tijd van lange dagen, strikte routines en veel discipline. Het was niet altijd makkelijk, maar het maakte me sterker. Na een tijdje werd ik bevorderd tot korporaal, een rang die voornamelijk aan de gestudeerden werd gegeven. Het was een erkenning voor mijn inzet, maar het bracht ook nieuwe verantwoordelijkheden met zich mee. Zo werd ik secretaris van de officier van veiligheid, een taak die in het begin simpel leek, maar die later mijn leven aanzienlijk zou beïnvloeden. Mijn functie als secretaris bestond vooral uit het overtypen van brieven van de kapitein en de reserve-officieren. Het leek een administratieve klus, maar achter die brieven ging meer schuil. Ik werkte vaak met kladversies, sommige geschreven in haast onleesbare handschriften. Het was een uitdaging om te achterhalen wat precies bedoeld werd. Op een dag, gedreven door frustratie, trok ik een dikke rode streep door een tekst die ik niet kon ontcijferen, ervan uitgaande dat deze van een reserve-officier was. Later bleek het om een kladversie van de kapitein zelf te gaan. Het was een blunder die ik nooit hardop zou toegeven, maar ik voelde diep van binnen dat mijn fout niet onopgemerkt was gebleven. Misschien was dit wel de reden waarom ik na mijn afzwaaien alsnog werd opgeroepen voor een extra kamp. Het was een vreemde wending, maar het zou uiteindelijk mijn ervaring in het leger alleen maar intenser maken. Het Kamp in Elsenborn De oproep voor het extra kamp kwam midden in de winter, toen de kou het hardst toesloeg. Ik moest deelnemen aan een militaire oefening in Elsenborn, een kamp dat berucht was om zijn ijskoude omstandigheden en zware fysieke trainingen. De temperatuur daalde ver onder nul, en de ijzige wind sneed door onze uniformen. Het programma was meedogenloos: schietoefeningen, zware fysieke trainingen en lange marsen door diepe sneeuw stonden op het menu. Elke ochtend begon met een harde roep en het geluid van laarzen die de koude grond raakten. De spanning in de lucht was te snijden, en elke stap leek een uitdaging op zich. Op een van de dagen kregen we de opdracht om van een hoge spoorwegbrug te rappellen. We moesten ons met een touw langs de zijkant van de brug laten zakken, terwijl we ons geweer strak tegen ons lichaam hielden. Het leek een simpele oefening, maar de hoogte was enorm en de omstandigheden waren allesbehalve ideaal. De koude wind raasde rond mijn oren, en de ijzige staalstructuur van de brug voelde als een waarschuwing: één fout en het kon misgaan. Mijn handen tintelden van de kou en mijn grip leek niet stevig genoeg. Terwijl ik afdaalde, probeerde ik niet naar de diepte te kijken. De geluiden van het rammelende geweer en de ijskoude lucht maakten de ervaring des te intensiever. Het voelde alsof de wereld om me heen stopte, terwijl ik langzaam naar beneden gleed. “Van Damme, je bent aan de beurt!” riep de instructeur. Mijn hart bonsde in mijn keel, maar ik wist dat ik geen keuze had. Ik greep het touw stevig vast en zette mijn eerste stappen achterwaarts over de rand van de brug. Mijn grip leek te verslappen, en het voelde alsof elke spier in mijn lichaam zich verzette tegen de spanning. Terwijl ik naar beneden daalde, gleed het geweer een stukje los uit mijn greep. Het geluid van het schuivende metaal leek wel te galmen in mijn oren. “Focus, Van Damme!” riep ik tegen mezelf. Uiteindelijk bereikte ik de grond. Mijn benen trilden van de spanning, maar de opluchting was enorm. Terwijl ik naar boven keek naar de volgende die naar beneden moest, besefte ik hoe belangrijk het was om dit soort ervaringen nooit meer te hoeven doorstaan. De fysieke uitputting en de mentale stress die ik had doorgemaakt, waren genoeg om me te doen twijfelen of dit allemaal wel de moeite waard was. ’s Nachts, wanneer we in de barakken lagen, was het niet veel beter. De kachels werkten nauwelijks, en ondanks dat ik meerdere lagen kleding droeg, voelde de kou als een constante metgezel. Het was een gevoel dat je niet snel vergeet: de kilte die door je botten trekt en je nergens warm kunt vinden. Terwijl ik in mijn smalle bed lag, dacht ik: “Nooit meer.” Maar toch, ergens diep van binnen, wist ik dat deze ervaring me had gevormd. Het had me sterker gemaakt, mentaal en fysiek. Een Onverwacht Bezoek Enkele weken later, toen ik dacht eindelijk klaar te zijn met mijn militaire verplichtingen, reed er een combi van de Rijkswacht Tremelo de oprit van onze tuin op. Vera keek me bezorgd aan. “Wat heb je nu weer uitgestoken?” vroeg ze, met die vertrouwde blik die ik goed kende. Zelf begon ik ook te twijfelen. De rijkswachters stapten uit, hun gezichten ernstig. Toen ze dichterbij kwamen, werd het duidelijk: ze waren niet gekomen om me te arresteren, maar om me een voorstel te doen. “Zou u interesse hebben om reservist te worden bij de Rijkswacht?” vroeg een van hen. “Als u dat doet, bent u vrijgesteld van verdere militaire kampen.” Mijn oren spitsen zich meteen. Geen kampen meer? Dat klonk als muziek in mijn oren. De rijkswachter legde uit dat ik in noodgevallen administratieve taken zou moeten uitvoeren bij hun bureau in Tremelo, maar dat de kans daarop uiterst klein was. “Wat houdt het verder in?” vroeg ik nieuwsgierig. “U krijgt een reservistenkaart, en daarmee bent u officieel deel van ons team. Maar eerlijk gezegd, u zult er waarschijnlijk nooit iets mee moeten doen.” De keuze was snel gemaakt. Ik tekende de papieren en kreeg mijn reservistenkaart. De gedachte aan zware militaire kampen in de ijskoude winter was nu voorgoed verleden tijd. Het was een slimme zet, die me niet alleen de kans gaf om vrijgesteld te worden van verdere plichten, maar me ook het gevoel gaf dat ik iets had bereikt. Ik was nu officieel deel van de Rijkswacht, al was het maar op papier. Een Slimme Zet Hoewel ik als reservist nooit werd opgeroepen, bleek mijn reservistenkaart onverwacht van pas te komen. Op een dag reed ik met mijn Motobecane naar de RMS in Putte. Zoals altijd zat ik ontspannen op mijn bromfiets, mijn voeten rustend op het frame in plaats van op de pedalen. Dit trok de aandacht van een patrouille van de Rijkswacht, die me prompt aan de kant zette. Een van de rijkswachters stapte uit, zijn blik streng. “Waarom rijd je zo?” vroeg hij, wijzend naar mijn voeten. Ik dacht even na en antwoordde met een knipoog: “Het zit wat comfortabeler zo.” Hij schudde zijn hoofd. “Weet je dat dit gevaarlijk is? Wat als je de controle verliest?” De spanning steeg, maar toen bedacht ik me: mijn reservistenkaart! Ik haalde de kaart uit mijn portefeuille en gaf hem aan hem. Hij bekeek de kaart aandachtig, zijn ogen gleden over mijn naam en geboortedatum. Toen glimlachte hij. “1953… Dat zijn de goeie.” Zijn houding veranderde meteen. Hij gaf de kaart terug en zei met een knikje: “Rij maar door, collega. Maar hou je voeten voortaan op de pedalen, hé.” Ik knikte, lachte en reed verder. In feite waren we collega’s, en dat ene zinnetje gaf me het gevoel dat ik erbij hoorde. Het was een klein moment, maar het gaf me een groot gevoel van voldoening. Mijn reservistenkaart was plots veel meer dan alleen een praktisch document; het was een symbool geworden van mijn ervaring en het gevoel van verbondenheid met de mensen om me heen. Slot Mijn militaire dienst en de periode als reservist bij de Rijkswacht blijven me bij als een bijzondere tijd. Het begon met administratieve taken en leidde tot een zwaar winterkamp in Elsenborn, waar ik leerde hoe ver ik kon gaan. Uiteindelijk bracht de keuze om reservist te worden een onverwachte wending die mijn leven makkelijker maakte. Dat moment met de Rijkswacht op weg naar Putte gaf me niet alleen een glimlach, maar ook het besef dat een slimme zet op het juiste moment het verschil kan maken. Mijn reservistenkaart was niet alleen een praktische oplossing, maar ook een symbolische herinnering aan hoe ver je kunt komen met een beetje vindingrijkheid.  

Guy Van Damme
100 2

Meegesleurd door de Tshopo (waargebeurd)

De zon stond hoog aan de hemel boven Stanleyville, het kloppende hart van de Belgische kolonie in de jaren '50. De stad, nu bekend als Kisangani, lag als een parel aan de oevers van de machtige Tshopo-rivier. Het was een stad vol leven en contrasten, waar de natuur en koloniale invloed met elkaar verweven waren. De rivier, die altijd zowel krachtig als kalm leek, was onze favoriete plek om te ontsnappen aan de drukte van de stad. Die dag leek op alle andere. Mijn moeder, mijn zus Ginette, mijn tante Roza en haar dochters Rita en May besloten opnieuw naar de rivier te gaan. Ik, Guy, was de jongste en genoot altijd van de omgeving. Terwijl de anderen vaak het water ingingen, bleef ik liever aan de kant, spelend met stenen of starend naar de kolkende stroming. Toen we de oever bereikten, renden Ginette, Rita en May al vooruit, de rotsen beklimmend en het water in duikend. De plek achter de waterkrachtcentrale was populair vanwege de rustige stukken langs de oever, waar kinderen veilig konden spelen. Het geluid van de rivier mengde zich met het gefluit van vogels en het geritsel van bladeren in de wind. Alles leek perfect. Mijn moeder en tante Roza gingen op een open plek zitten, genietend van het uitzicht en elkaars gezelschap. Ik zat op een rots en keek naar de meisjes die elkaar lachend nat spetterden in het ondiepe water. Alles was veilig en vertrouwd. Maar de rivier, die ogenschijnlijk kalm was, had een ander plan voor ons. Het onheil slaat toeHet begon met een dreunend geluid, diep en onheilspellend, dat door de lucht rolde. Eerst schenkte niemand er aandacht aan. Het leek op het gerommel van een verre onweersbui. Maar toen keek mijn moeder op. Haar gezicht veranderde van ontspanning naar bezorgdheid. "De sluizen," fluisterde ze. "Ze hebben de sluizen geopend!" De waterkrachtcentrale, die Stanleyville van stroom voorzag, liet soms plotseling grote hoeveelheden water door de dam stromen. Dit veroorzaakte een gevaarlijke, plotselinge stroming in de rivier. Ginette, Rita en May merkten het als eersten. Het water, dat eerst rustig over hun voeten spoelde, begon sneller te stromen. Ginette, die verder in het water stond, verloor haar evenwicht en werd meegesleurd. Haar gil sneed door de lucht. Mijn moeder en tante Roza sprongen overeind, geschrokken door het plotselinge gevaar. "Ginette!" schreeuwde mijn moeder. Ze rende naar de waterkant, maar de rivier was al veranderd in een kolkende massa. Ginette's kleine lichaam werd steeds verder de stroom in getrokken. Rita en May, dichter bij de oever, konden zich nog net vastklampen aan een uitstekende tak. Ik stond verstijfd. Mijn hart bonkte in mijn keel. "Blijf staan!" riep mijn moeder, haar stem doorbroken van paniek. Ze wist dat ik niets zou kunnen doen tegen de kracht van de rivier, maar haar zorgen over mij waren groter dan alles. Maar alles in mij wilde Ginette helpen. Ginette’s gevecht tegen de stroomIn het water was Ginette volledig overgeleverd aan de woeste rivier. Haar armen maaiden door de lucht, haar ogen wijd van angst terwijl ze wanhopig probeerde boven water te blijven. De stroming sleurde haar heen en weer, alsof de rivier met haar speelde. Iedere keer dat ze haar hoofd boven water kreeg, hapte ze naar adem, maar de golven duwden haar weer onder. “Ik kan dit niet,” dacht ze. Haar hart bonsde, haar longen brandden van het ingeslikte water. De kracht van de stroming trok aan haar lichaam, alsof onzichtbare handen haar steeds verder naar het midden van de rivier wilden duwen. Een scherpe pijn trok door haar schouder toen ze tegen een uitstekende rots werd geslagen. Ze greep er wanhopig naar, maar haar vingers gleden weg over het natte oppervlak. De stroom sleurde haar verder mee. “Help!” schreeuwde ze opnieuw, haar stem bijna verdrongen door het gebulder van het water. Haar spieren waren uitgeput, en haar kracht leek op te raken. Maar diep van binnen voelde ze een sprankje hoop. Ze dacht aan mijn moeder, aan Rita en May, en aan mij die aan de kant stond. Ze moest vechten. Ze mocht niet opgeven. Een glimp van reddingIn de verte zag Ginette een grote rots die boven het water uitstak. Haar ogen richtten zich daarheen. Met haar laatste beetje kracht begon ze in die richting te zwemmen, de stroming te slim af. Haar armen voelden zwaar, alsof ze lood wogen, maar ze dwong zichzelf door te gaan. Haar vingers bereikten de rand van de rots. Ze klampte zich eraan vast, haar nagels krassend over het ruwe oppervlak. Het water probeerde haar nog steeds mee te sleuren, maar ze hield zich vast met alles wat ze had. Haar borstkas ging hevig op en neer, terwijl ze naar adem hapte. "Help!" riep ze, deze keer zachter, bijna een fluistering. Ze keek om zich heen, maar er was niemand in de buurt. Ze was helemaal alleen in haar strijd tegen de natuur. De race tegen de klokAan de oever was mijn moeder in paniek. Ze stormde naar de technici bij de hut naast de waterkrachtcentrale. "Mijn dochter! Ze wordt meegesleurd door de stroom! Jullie moeten de sluizen sluiten!" De technici reageerden meteen. Terwijl een van hen telefonisch contact opnam met het hoofdkantoor van de centrale, stormde een ander naar buiten om de situatie in de rivier te bekijken. Ik stond intussen aan de oever, mijn ogen wanhopig op Ginette gericht. Ze was nauwelijks meer zichtbaar in de verte, slechts een stip die aan een rots hing. Mijn moeder kwam teruggerend, haar gezicht nat van tranen. "Ze sluiten de sluizen," zei ze, half tegen mij, half tegen zichzelf. "Ze doen hun best." Het metaalachtige gekraak van de dam bereikte ons, en langzaam begon de woest kolkende rivier weer tot rust te komen. De reddingZodra de stroom verzwakte, sprong een van de technici in een kano die vlakbij lag. Hij peddelde behendig naar Ginette toe, terwijl wij aan de kant ademloos toekeken. Mijn moeder kneep mijn hand fijn, haar ogen strak op de kano gericht. Toen de technicus Ginette bereikte, trok hij haar voorzichtig uit het water. Ze huilde, haar hele lichaam trilde van de kou en de schrik. Met een snelle beweging bracht hij haar naar de oever, waar mijn moeder haar onmiddellijk in haar armen sloot. Ginette klampte zich aan haar vast, haar natte haren kleefden aan haar gezicht. "Het spijt me," snikte ze. "Ik wilde niet zo ver gaan." Mijn moeder schudde haar hoofd, haar tranen vermengden zich met die van Ginette. "Je bent veilig nu. Dat is alles wat telt." Een les in nederigheidDie avond zaten we stil bij elkaar in ons huis. Niemand had veel behoefte om te praten. Ginette was uitgeput, maar veilig. Toch voelde de gebeurtenis als een waarschuwing. De natuur, hoe prachtig ook, was niet zonder gevaar. We gingen daarna nog steeds naar de Tshopo-rivier, maar altijd met een diep respect voor haar kracht. Het beeld van Ginette, vechtend tegen de stroom, bleef me altijd bij. Die dag leerde ik hoe dun de lijn is tussen plezier en gevaar, en hoe belangrijk het is om die lijn nooit te onderschatten.

Guy Van Damme
24 0

Het Geheim van de Keldervilla (waargebeurd)

Begin jaren zeventig was Keerbergen een rustige, bosrijke gemeente waar ik samen met mijn ouders woonde. Toch had het dorp een bijzondere reputatie. Onder de hoge bomen en langs de slingerende lanen hadden zich enkele bijzondere figuren gevestigd. Keerbergen stond in die tijd namelijk bekend als toevluchtsoord voor gangsters uit Brussel. In luxe villa’s verscholen ze zich voor de buitenwereld, ver van de politie. Voor ons, jonge jongens met een levendige fantasie, zorgde dat voor eindeloze verhalen over geheime schatten en verborgen wapens. In een nieuwe wijk, niet ver van ons huis, stond een grote villa. Het was een statig wit gebouw met hoge hekken en een oprijlaan die uitnodigde tot nieuwsgierigheid. Maar wat het echt spannend maakte, waren de geruchten die de ronde deden. Volgens sommigen was het huis eigendom van een gangster. En in de kelder, zo werd gefluisterd, lagen wapens verborgen. Dit mysterie kon ik onmogelijk laten liggen. Samen met een paar vrienden besloot ik op onderzoek uit te gaan. De villa binnensluipen Op een warme namiddag liepen we met kloppende harten richting de villa. Hoe dichter we kwamen, hoe stiller we werden. We keken voortdurend om ons heen, alsof iemand ons in de gaten hield. Het huis leek verlaten. De gordijnen waren gesloten, en nergens was een teken van leven te bespeuren. We slopen langs de muren, zoekend naar een manier om binnen te komen. De voordeur zat op slot, en ook de ramen aan de voorkant waren dicht. Maar aan de achterkant van het huis ontdekten we een kelderraam dat op een kier stond. Het was precies groot genoeg om doorheen te kruipen. Binnen in de kelder hing een vochtige geur, zoals die van een oude schuur na een regenbui. Het licht van onze zaklampen gleed langs stoffige planken, houten kisten en metalen rekken. Het was er stil, op het zachte geritsel van onze bewegingen na. Toen zag ik iets glinsteren in een open kast. Mijn adem stokte. De ontdekking In de kast lagen pistolen en revolvers, keurig gerangschikt, alsof ze op ons lagen te wachten. Voor even staarden we ademloos naar onze vondst. Dit was het bewijs dat de geruchten klopten. Onze fantasie sloeg op hol. Dit was een gangsterkelder. Hier werden misschien wel plannen gesmeed voor misdaden waarvan wij niets konden bevatten. We aarzelden geen moment. Met kloppende harten pakten we elk een revolver uit de kast. Het voelde zwaar en koud in mijn handen, alsof ik iets gevaarlijks en verboden vasthield. Onze angst maakte plaats voor trots. Dit was ons geheim, ons bewijs van moed. Met onze "buit" verlieten we de kelder dezelfde weg als we gekomen waren. We keken voortdurend om ons heen, bang dat iemand ons had gezien. Maar het huis bleef stil achter ons, alsof het onze aanwezigheid nooit had opgemerkt. De confrontatie thuis Thuis verstopte ik mijn revolver zorgvuldig in mijn kamer, tussen oude kleren in de kast. Ik dacht dat niemand er ooit achter zou komen. Maar mijn moeder was grondig tijdens het schoonmaken. De volgende ochtend kwam ze mijn kamer binnen met een vreemde uitdrukking op haar gezicht. Ze hield de revolver omhoog alsof ze niet wist wat ze in haar handen had. "Wat is dit?" vroeg ze scherp. Haar stem trilde, niet van boosheid, maar van angst. Ik stamelde een onsamenhangende uitleg, maar voor ik het goed en wel wist, was mijn vader erbij geroepen. Zijn gezicht betrok toen hij de revolver zag. Hij zei niets, maar zijn blik sprak boekdelen. "Stop dat ding in een tas," zei hij uiteindelijk streng. "We gaan naar de rijkswacht." Ik probeerde te protesteren, maar mijn vader was onverbiddelijk. Met de tas in mijn hand stapte ik in de auto. De rit naar Haacht duurde niet lang, maar het voelde als uren. Mijn vader zweeg, en ik wist dat hij ontzettend boos was. Bij de rijkswacht Bij het bureau aangekomen parkeerde mijn vader de auto. "Blijf in de auto," zei hij, alsof hij zich bedacht. Maar ik had inmiddels genoeg moed verzameld. Met de tas in mijn hand stapte ik uit en liep rechtstreeks naar binnen. De rijkswachter achter de balie keek me verrast aan. "Wat is er aan de hand, jongen?" vroeg hij. "Ik wil iets aangeven," zei ik, terwijl ik de tas op de balie zette. Mijn stem trilde, maar ik voelde een vreemde opluchting. De rijkswachter opende de tas en haalde de revolver eruit. Zijn gezicht veranderde nauwelijks, alsof hij dit soort dingen vaker zag. Hij keek op en wenkte mijn vader, die inmiddels aarzelend het bureau binnen was gekomen. Samen legden we ons verhaal uit. De rijkswachter luisterde aandachtig en stelde af en toe een korte vraag. Uiteindelijk keek hij me streng aan. "Dit is geen speelgoed," zei hij met een lage stem. "Wapens zijn gevaarlijk, ook als je denkt dat ze onschuldig zijn." Ik knikte beschaamd. De rijkswachter gaf me een officiële waarschuwing, maar liet ons verder gaan. Het verrassende einde Op weg naar huis zei mijn vader niets. Pas toen we bijna thuis waren, verbrak hij de stilte. "Gij zijt toch een onnozele," mompelde hij hoofdschuddend. "Waarom ging je naar binnen? Ik wilde je gewoon bang maken. Nu hebben we daar voor schut gestaan." Ik wist niet wat ik moest zeggen. Misschien had hij gelijk, maar ik voelde ook een zekere trots. Ik had verantwoordelijkheid genomen, hoe dom mijn actie ook was geweest. Enkele dagen later kwamen we erachter dat de villa helemaal niet van een gangster was. De eigenaren waren zeilers, en de "wapens" die we hadden gevonden, waren vuurpijlpistolen. Ze waren bedoeld om noodsignalen mee te geven op zee, niets meer. Mijn vrienden en ik konden er achteraf om lachen. Maar mijn vader herhaalde nog vaak: "Misschien leer je nu om je niet overal mee te bemoeien." Toch, zelfs nu, kijk ik met een glimlach terug op die middag. Het avontuur, de spanning, en het idee dat we een geheim hadden ontdekt—het waren momenten die ons maakten wie we waren. Jong en roekeloos, maar altijd op zoek naar het onbekende. 

Guy Van Damme
24 0

De Kleine Ontdekkingsreiziger van Stanleyville (waargebeurd)

Het avontuur dat ik me nog levendig herinner, gebeurde toen ik 4 of 5 jaar oud was. Het is de jaren vijftig, voor de 'dipenda' (de periode van politieke onrust en de strijd voor onafhankelijkheid die zou beginnen in de late jaren vijftig), en ik woon met mijn ouders en mijn zussen Ginette en Nicole in het verre Belgisch Congo, in een groot, charmant huis dat omringd is door een weelderige tuin vol exotische bloemen. Ons huis staat aan de rand van Stanleyville, de stad die nu Kisangani heet, diep in het hart van Congo. Hier, waar de drukte van markten en het geluid van Afrikaanse ritmes samenkomen met de rust van het omringende landschap, voelde het dagelijks leven als iets magisch. Als jonge jongen zag ik de wereld met een onbevangen blik en een nieuwsgierige geest. Nonkel Robert woonde vlak naast ons, samen met Tante Roza en mijn nichtjes May en Rita. Zijn huis was groot, net als het onze, en zijn tuin altijd keurig onderhouden, net als de man zelf. Nonkel Robert werkte voor de Belgische administratie in de stad en was een belangrijk figuur binnen de koloniale gemeenschap. Hij hield van een grap en had altijd een glimlach paraat, waardoor hij een warme aanwezigheid was in ons leven. Tante Roza was even zorgzaam als vrolijk, altijd druk in de weer voor haar gezin. Mijn nichtjes waren mijn speelkameraadjes, en samen brachten we uren door in de tuin, op ontdekkingstochten of bij onze eenvoudige spelletjes. Het was een hechte familie, en wij waren altijd samen. Het verhaal dat volgt gaat over een middag die begon als alle anderen, maar die veranderde in een avontuur dat niemand had verwacht. Het was een warme, zonovergoten middag. De lucht was gevuld met de geur van exotische bloemen – jasmijn, hibiscus en het frisse aroma van pas gemaaid gras. Ik reed rondjes op mijn driewieler over het zandpad dat naar de open poort leidde. Af en toe stopte ik om naar de kleurrijke vlinders te kijken of om naar mijn moeder te wuiven, die de was ophing in de tuin. Die middag voelde echter anders dan alle andere. Mijn ogen vielen op de open poort aan het einde van de oprit. Daarachter lag de grote weg, een stoffig zandpad dat de stad verbond met onze buitenwijk. Het trok aan me, als een uitnodiging naar het onbekende. Ik keek even naar huis. Mama was bezig in de tuin en had geen oog voor mij. Het leek het perfecte moment om op ontdekking te gaan. Vastbesloten trapte ik met mijn kleine voeten mijn driewieler de oprit af en het stoffige pad op. Het zand stoof op achter mijn banden terwijl ik langzaam vooruit ging, het avontuur tegemoet. De wereld om me heen voelde als een spannend toneel. Mannen op fietsen, beladen met marktwaren, passeerden me. Ze zwaaiden en riepen:"Mbote na yo!" Ik glimlachte breed en zwaaide terug. "Mbote, na te!" Het voelde alsof ik een echte ontdekkingsreiziger was in hun wereld. De vrouwen die ik zag droegen manden vol fruit of vlees op hun hoofden, alsof het niets woog. Hun kleren waren een explosie van kleuren, en hun vriendelijke glimlach gaf me het gevoel dat ik welkom was. De Afrikaanse dorpelingen, met hun donkere huid, keken vriendelijk op en glimlachten terug. Ik voelde me bijzonder – een kleine blanke jongen die met zijn driewieler door hun wereld reed. "Yango ezali malamu!" riep een vrouw.Ik zwaaide enthousiast terug. Het voelde alsof de wereld me toelachte. De mensen die ik tegenkwam, hadden altijd zulke vriendelijke ogen. Wanneer ze me zagen, glimlachten ze naar me en zeiden iets vrolijks, altijd blij om me te zien. Soms stopten ze even, en praatten ze met me, alsof we al vrienden waren. Het was alsof zij hun leven altijd met plezier leefden, alsof elke dag een feestje was. Soms hoorde ik ze zeggen: "Nzambe akeya", wat betekent ‘God is groot’. Het klonk zo mooi, net zoals de zon die warm op mijn gezicht schijnt. Ook al zag ik er anders uit dan zij, voelde ik me helemaal niet vreemd of alleen. Ik voelde me welkom, alsof ik gewoon deel uitmaakte van hun wereld. Langzaam veranderde de sfeer. De bomen aan weerszijden van de weg werden dichter, en het zand voelde zwaarder onder de wielen van mijn driewieler. De vertrouwde geuren van onze tuin maakten plaats voor de onbekende aroma’s van het bos. Mijn nieuwsgierigheid maakte langzaam plaats voor een lichte onrust. Waar was ik eigenlijk naartoe? Hoe ver was ik van huis? Het geluid van een naderende auto bracht me terug naar de werkelijkheid. Een zwarte sedan remde abrupt naast me. Het was Nonkel Robert, die vanuit de stad kwam. Zijn gezicht sprak boekdelen toen hij me zag, duidelijk geschrokken en bezorgd. "Wat doe jij hier, jonge man?" vroeg hij verbaasd, terwijl hij uit de auto stapte. Zijn blik gleed snel van mijn driewieler naar mijn rode gezicht."Ben jij helemaal alleen hierheen gekomen? Je bent al een heel eind van huis!" Ik voelde mijn wangen warm worden. "Ja," stamelde ik zachtjes. "Ik wilde gewoon... fietsen." Nonkel Robert knielde voor me neer en keek me met een mengeling van opluchting en bezorgdheid aan. "Je bent ver van huis, jongen. Weet je hoe gevaarlijk dit is? Wat als een auto je niet had gezien?" Ik haalde mijn schouders op, te jong om echt te begrijpen wat hij bedoelde. Maar zijn serieuze toon drong wel tot me door. "Kom," zei hij terwijl hij me optilde. "We gaan terug naar huis. Dit is geen plek voor kleine avonturiers zoals jij." Hij zette me in de auto en legde mijn driewieler achterin. De terugweg voelde anders. Ik keek uit het raam naar de bomen die we passeerden. Nonkel Robert probeerde de spanning te breken door grapjes te maken:"Ik denk dat jouw driewieler sneller is dan mijn auto! Misschien moet ik hem eens lenen." Ik glimlachte, opgelucht door zijn humor. Toen we eindelijk onze oprit opreden, zag ik mama in de tuin. Ze liet alles uit haar handen vallen en kwam ons tegemoet. "Wat is er gebeurd?" vroeg ze bezorgd. "Onze kleine avonturier hier vond het een goed idee om de wereld te gaan ontdekken," zei Nonkel Robert, met een knipoog naar mij. "Maar geen zorgen, ik heb hem veilig thuisgebracht." Mama knielde en nam me stevig in haar armen. "Jongen, doe dat nooit meer. Begrijp je wel hoe gevaarlijk dat is?" Ik knikte en voelde me klein, maar ook trots op mijn avontuur. Die middag leerde ik niet alleen over de wereld buiten onze poort, maar ook over de grenzen die me beschermden. En misschien, heel misschien, was dit pas het begin van mijn ontdekkingsreizen

Guy Van Damme
0 0