Over Felix Sandon

Ik ben geboren op 17 december 1993, de dag dat Herman Brusselmans stopte met drinken. Wonen doe ik in Mechelen, waar ik ook het driemaandelijkse poëzie-evenement Zo bijna Zo nabij organiseer. Daarnaast schrijf ik poëzie en kortverhalen. En ooit een roman. En een toneelstuk. Of zelfs meer. Maar eerst die eerste. Je debuteert tenslotte maar één keer in je leven.

Af en toe tref je mij aan op muziekoptredens, ijverig pennend aan een artikel of een artiest interviewend voor Luminous Dash of Jazz&mo’. Je vindt mijn woorden ook in Kluger Hans, De Optimist en het boek Mijn Azertyfactor van Uitgeverij Vrijdag.

Publicaties

'Vloed', 'Vluchtpunt', 'Stilstaan' en 'Locatie' verschenen ook in Kluger Hans #42: Chaos, mei 2022.

'Sluitingstijd' verscheen ook op Virusverhalen, 20 maart 2020.

'Verf' verscheen in 'Mijn Azertyfactor. Aan de slag met schrijftalent' van uitgeverij Vrijdag, voorgesteld op 28 oktober 2018.

'Missen' en 'Zitplaats' verschenen ook in 'Kluger Hans #35: Denkmal', oktober 2018.

'Spelen', 'Boomhut', 'De rivier', 'Spiegelbeeld' en 'De herinnering van de oude man' verschenen ook op De Optimist, in de tijdelijke rubriek ZKV op zondag, van 12 augustus tot 23 september 2018.

'Missen' en 'Zitplaats' verschenen op Het Driede Verdiep, april 2018 (https://hetdriedeverdiep.com/2018/04/18/felix-sandon-twee-handpalmverhalen)

'Kiem' verscheen ook in de bundel van de wedstrijd 'Dichter in beeld' 2017-2018, januari 2018.

'Resten' verscheen in Verzin, met vakkundig commentaar van Vitalski, oktober 2017

'Zonder titel, onbekende meester' verscheen op Het Gezeefde Gedicht, februari 2017 (http://www.hetgezeefdegedicht.be/2017-02.php)

Ik schrijf ook artikels over muziek voor Luminous Dash (zoals dit: https://luminousdash.be/reviews/album-reviews/esinam-shapes-in-twilights-of-infinit) en Jazz&mo', waarvoor ik onder andere Kae Tempest interviewde.

De rest post ik op Instagram (https://www.instagram.com/felixsandon), Facebook (https://www.facebook.com/felixsandon) en op mijn blog (https://felixsandon.wordpress.com).

Prijzen

De Woordsmeedse 2021: één van de drie laureaten met mijn videogedicht 'Krijt'

Poëziewedstrijd ‘Dichter in beeld’ 2017-2018, gemeente Brasschaat: 2e plaats met mijn gedicht 'Kiem'

Tips op Azertyfactor:

Frans A. Brocatus tipte mijn verhaal 'Locatie', 9 maart 2022.
akim a.j. willems tipte mijn gedicht 'Vervullen', 8 mei 2019.
Ellen Van Pelt tipte mijn verhaal 'Het idool', 20 juni 2018.
Stefan Boonen tipte mijn verhaal 'De verdwenen kustlijn', 16 mei 2018
Yelena Schmitz tipte mijn verhaal 'Spelen', 25 april 2018
Jelle Van Riet tipte mijn verhaal 'Zitplaats', 14 februari 2018
Christophe Vekeman tipte mijn gedicht 'Verf', 6 november 2016
Tom Kets tipte mijn gedicht 'Halftijdse pauze', 2 september 2015

Teksten

Weerborstel

Nu weet ik het zeker. Die ogen zijn de mijne, de manier waarop hij zijn brilletje schoonveegt aan zijn trui en weer opzet ook. Maandag had ik nog getwijfeld toen ik iets voor vieren de school passeerde en hij mijn pad kruiste. Het was alsof ik recht in de ogen van mijn tienjarige zelf keek. Ik wou zeker zijn. De kans leek me te klein. Dinsdag lummelde ik op hetzelfde tijdstip rond op dezelfde plaats. De jongen sleepte een donkerblauwe sporttas achter zich aan, zijn rugzak bengelde over één schouder. Zijn haar was niet blond als het mijne, maar vormde wel dezelfde gekke kuif achterop zijn kruin. Een weerborstel, zoals mijn moeder het vroeger noemde. Zonder me aan te kijken wandelde hij langs me heen, bleef even staan voor een achtergebleven colablikje, trapte er dan toch niet tegen en sloeg rechtsaf. Vanmiddag volg ik hem dat straatje in, tot bij hem thuis. Meer dan honderd meter moet hij niet in zijn eentje afleggen vanaf de schoolpoort. Hij heeft een eigen sleutel en gaat op de tippen van zijn tenen staan om de voordeur van het rijtjeshuis te openen. Een paar keer loop ik terug naar de straat waar de school ligt en weer naar het huis. Ik wil weten hoe de moeder eruitziet, en of er een vader is. Tien jaar, zolang is het zeker al geleden. Ik weet niet meer hoe vaak ik in dat kleine kamertje vertoefd heb en hoelang er telkens tussen twee bezoekjes zat. Ik herinner me vooral de frisse geur van de matrasbeschermer op het bed, de gordijnen die altijd dichtgeschoven waren en de opwinding wanneer de roodharige verpleegster me achterliet met het potje in mijn hand, de deur achter me sloot en het bordje met ‘BEZET’ omsloeg. Ik had er wat voor over. Voor elke donatie mocht ik vijf dagen geen zaadlozing hebben. De onkostenvergoeding was de moeite niet waard. En toch evenaarde niets die opwinding. De boekjes in de kamer waren elke keer dezelfde, maar op de televisie was telkens iets nieuws te zien. Geen gebabbel, enkel lijven die over elkaar heen glijden. Ik zonk weg in de matras en ging aan de slag. Zoveel jaar later voel ik die rilling weer.  Tegen valavond heb ik geluk. Een slanke vrouw met dezelfde kastanjebruine lokken als de jongen komt naar buiten. Ze steekt haar haren op in een dot terwijl het jongetje zich in rubberen laarsjes wurmt. De moeder draagt stevige stapschoenen. Ze trekt de voordeur achter zich dicht en legt haar hand op het hoofd van de jongen. Samen verdwijnen ze in de richting van het bosje aan het eind van de straat. Wanneer ze terugkomen, heeft het kind zijn handen vol met bladeren. Bruin, geel, rood, oranje.  Ik moet vindingrijk uit de hoek komen. ‘Hallo, is mijn pakje toevallig hier bezorgd?’ vraag ik meteen wanneer de deur openzwaait en ik recht in die koffiebruine ogen staar. Ik zwaai met een papiertje dat ik onderin mijn jaszak heb gevonden. Wat daarop staat weet ik niet eens. ‘Ik kreeg zo’n briefje in de bus dat het bij de buren was afgegeven, maar ik heb geen idee bij wie dan.’‘Oei, hier is bij mijn weten niks toegekomen,’ hoor ik de vrouw zeggen terwijl de jongen achter haar komt piepen. Ik zwaai naar hem. ‘Dag grote jongen!’ Verschrikt duikt hij weg in de woonkamer. ‘Hoe heet hij?’ vraag ik zonder de moeder aan te kijken. ‘Oscar,’ antwoordt ze voor ik alweer verder leuter. ‘Hij heeft het haar van z’n mama. Maar die felblauwe kijkers, die moet hij toch ergens anders vandaan hebben.’ De vrouw veegt haar handen af aan haar okergele jurk. ‘Sorry, we moeten nog ergens naartoe. Uw pakje is hier niet toegekomen, het spijt me.’ Donderdag haalt ze haar zoontje op aan de schoolpoort. Ze draagt dezelfde jurk als gisteren met daarover een bordeaux jasje. Tussen de andere ouders, die allemaal in het grijs of donkerblauw gekleed zijn, herken ik haar meteen vanop mijn plaats aan de overkant van de straat. Ik doe alsof ik aan het telefoneren ben en hou hen intussen in de gaten tot ze uit het zicht verdwijnen. Een halve meter voor haar uit holt het jongetje naar huis. Ik vraag me af of ik ook voor de naam Oscar zou gekozen hebben als het kind echt van mij was geweest.  Ik moet eruitzien als een buurtbewoner. Soms kijk ik niets eens op wanneer ik hen passeer op straat, druk mijn sleutels zoekend in mijn jaszakken of bellend zonder iemand aan de andere kant van de lijn. Dan merk ik hen op het laatste moment toch op en zwaai hartelijk. Ik moet weten of zij alleen is of een suffe echtgenoot heeft, zo’n kalende met een bierbuik die de hele dag voor televisie hangt. ’s Ochtends zijn de gordijnen open en kan ik binnenkijken in huis, als ik traag genoeg voorbijwandel en op het juiste moment mijn hoofd draai. Oscar is een boekje aan het lezen, zijn mama staat boterhammen te smeren aan de eettafel. Geen papa te bekennen. Ik verschuil me om de hoek van de straat en wacht tot moeder en zoon naar buiten komen en naar school wandelen. Mijn neus heeft hij niet, wel mijn oorlellen. Hij slentert met zijn handen achter zijn rug, de blik op de grond gericht, net zoals ik zo vaak op die leeftijd. Ik beeld me in dat hij plots begint te groeien tot hij zo groot is als ik en me recht in de ogen kijkt, of dat ik op straat plots omringd ben door honderden Oscars die uit alle deuren naar buiten stromen.  Woensdagmiddag volg ik Oscar opnieuw tot hij thuis naar binnen glipt. Voor de gevel staat een fiets die ik nog niet heb gezien. De voordeur zwaait open, een vrouw komt naar buiten en plaatst de fiets in de hal. Het is niet de moeder. Deze heeft rode krullen. Ik ga op het huis af en bel aan. Wanneer ik de groene ogen van de vrouw zie, weet ik het meteen. Ik ruik weer de matrasbeschermer, hoor het bordje met ‘BEZET’ omslaan, zie de video’s op het televisiescherm waarvan de klank is uitgeschakeld. ‘Hallo ik vroeg me af of u een goed doel zou willen steunen misschien,’ krijg ik er nog net uit. Even zegt de vrouw niets. ‘Ik ben verpleegster, ik steun elke dag een goed doel,’ hoor ik haar dan antwoorden. ‘Het spijt me, we hebben niet zoveel geld over om weg te schenken.’Dan glijdt haar blik naar mijn ogen. ‘Maar ik ken u toch ergens van?’ vraagt ze. Ik frons mijn wenkbrauwen en staar naar de stoep. ‘Is dat zo?’‘Ben jij ooit patiënt geweest bij mij?’‘Ik heb nog nooit in het ziekenhuis gelegen. Toch niet sinds mijn geboorte.’ Ik probeer weg te lopen maar blijf op mijn plaats staan. Nu steekt ze haar wijsvinger naar me uit. ‘Vroeger, toen ik nog in het fertiliteitscentrum werkte. Daar kwam jij toch?’ Ze lacht haar tanden bloot. ‘Da’s meer dan tien jaar geleden.’De deur die de woonkamer van de hal scheidt zwaait langzaam open. Oscar en zijn mama komen de hal binnen. Ik kijk naar de jongen met het brilletje en de weerborstel, de vrouw met de kastanjebruine haren, de andere vrouw met de vuurrode krullen.  ‘Dan ga ik maar eens naar het volgende huis. Misschien heb ik daar meer geluk,’ stotter ik. ‘Tot… tot ziens.’Ik draai me om en wacht tot de deur achter me dichtslaat, maar het blijft stil in de straat.

Felix Sandon
15 0

Duikboot

Sindsdien mochten we niet meer in de buurt van het meer komen. Mama belde de moeders van mijn klasgenoten op met de vraag of hun kinderen in de tuin kwamen spelen en tikte luid op het raampje van de keuken als ze vermoedde dat we iets verdachts aan het uitspoken waren.  Op school ruimden de lessen plaats voor urenlange praatsessies om het verlies te verwerken. Na twee weken waren we de kringgesprekken in de stille ruimte en de knutselsessies om creatief met de nagedachtenis om te gaan spuugzat. De juf begon weer over gewone onderwerpen te praten, zodat we volgend jaar zouden meekunnen in de grote school. Alles wat met water, duikboten of zelfs maar experimenteerdrang te maken had, verdween onverbiddelijk uit het programma.  De laatste dag van het schooljaar had ik er genoeg van. ’s Middags hadden we elkaar uitgewuifd, wetende dat we de helft in september zouden weerzien en de andere helft waarschijnlijk nooit meer. Toen de bel ging, stroomde de school leeg. De banken bleven achter vol chipskruimels en gemorste limonade. De naam van Benno was nergens gevallen.  In plaats van rechtstreeks naar huis te gaan, maakte ik een kleine omweg. Niet langer dan tien minuten, prentte ik me in, anders zou mama ongerust worden. Ik fietste naar het bos, zette mijn fiets vast tegen het bord waarop de wandelroutes uitgestippeld waren en verdween in de richting waarin er volgens de kaart niets lag. Het modderige pad hadden we vorige zomer zo vaak gevolgd, met Benno, op weg naar ons strandje waar we in het water doken en onze zwembroek als een vlag boven ons hoofd uitzwaaiden. Ik ging op de oever zitten, trok mijn schoenen en sokken uit en waadde door het doorzichtige water.  Ik beeldde me in hoe Benno hier had gewandeld, in het donker, met het gevaarte achter zich aan. Ik zag weer voor me hoe hij onder mijn raam had gestaan nadat hij me met kiezels had gewekt, wijzend naar de duikboot gemaakt van een houten vat, een autoruit en een tuinslang, hoe hij hijgend fluisterde dat ik moest meekomen, hoe ik uit angst mijn raam weer dichtschoof en me tussen de lakens wentelde.

Felix Sandon
9 1

Te koop

Ik passeer het huis met het bordje ‘Te koop’ voor de deur en wandel door naar het einde van de straat. Pas als ik rechtsomkeer maak, durf ik het aan om het gazon vol kniehoge paardenbloemen voor het huis over te steken, het klinkerpad aan de rechterkant te volgen en aan de achterdeur te voelen. Die is los. Ik ga naar binnen en hoewel ik weet dat er niemand is, sluip ik de trap op naar de eerste verdieping. De woonkamer is hier, dat is ongewoon, maar het biedt wel een prachtig uitzicht. Eerst neem ik een kijkje in de kamers. Overal staat alles nog op zijn plaats en zijn de kasten vol, maar de planten beginnen al te verdorren. Ik kies een wit hemd met rode strepen. Het past net. Terwijl ik de mouwen oprol, wandel ik de badkamer binnen. Het blauwe flesje parfum ruikt het lekkerst. Ik leg mijn haar goed voor de grote spiegel en ga terug naar de woonkamer. Met een borrel uit de goedgevulde drankenkast ga ik languit op de vaalbruine sofa liggen. Terwijl mijn vingers de barstjes in het leer volgen, kijk ik uit op straat.De deurbel maakt een dreunend geluid. Ik ga rechtop zitten en staar drie seconden voor me uit. Dan stuif ik naar beneden en open ik de voordeur zodat ik net mijn hoofd naar buiten kan steken. Twee vrouwen kijken me aan met een brede glimlach. ‘Hallo, zegt de vrouw met het rode haar. ‘We reden voorbij en zagen dat u uw huis verkoopt. Wij zijn best geïnteresseerd.’ Even blijf ik staan zonder iets te zeggen. ‘Als we niet storen, natuurlijk,’ voegt ze eraan toe.  ‘Nee hoor, kom maar binnen’ antwoord ik en zwaai de deur open. Kamer na kamer gids ik hen door het huis.  ‘Zo gezellig!’ merkt de roodharige vrouw op in het midden van de hobbykamer. ‘Weet u zeker dat u het wil verkopen?’ Ik blijf staan en kijk haar even zwijgend in de ogen. De glimlach op haar lippen verdwijnt. 'Ik... We zouden het begrijpen als u toch nog besluit hier te blijven wonen.’ De blonde vrouw plaatst een porseleinen beeldje weer op de vensterbank en beaamt met een knikje. ‘Ik ga er toch nog eens over nadenken,’ zeg ik. Vijf minuten later lig ik opnieuw op de sofa en zie ik door het raam nog net de auto van het koppel in de schemering verdwijnen.

Felix Sandon
26 0

Neem me mee

Neem me mee prijkte op de leren sofa – wij zouden zeggen zetel – waar ik door mijn badkamerraam op uitkeek. Twee weken al had niemand de moeite gedaan hem mee te nemen. In een regenachtige periode had dat voor problemen gezorgd, maar in deze hittegolf die maar niet wou eindigen leek niemand er aanstoot aan te nemen. Voorbijgangers vonden een rustpunt in het midden van mijn eindeloze straat. Op elk moment dat ik in de badkamer passeerde, viel mijn blik op iemand anders, zeker op die uren van de dag dat de schaduw juist stond. Een oude man met een stok, een moeder met hoofddoek, overvolle winkeltas en twee kinderen, een rugzaktoeriste met haar gezicht naar de zon.Ik sliep slechter naarmate de nachten heter werden. Zelfs naakt, zonder laken, als een zeester over de matras uitgespreid voelde ik me alsof ik uren in een tube lijm had liggen woelen. ’s Avonds kon ik de slaap niet vatten en zag ik elk uur op de wekker voorbijkomen, dus ging ik later slapen om toch maar moe genoeg te zijn, om twee uur, om drie uur, waardoor ik telkens rond het middaguur wakker werd, wanneer de zon al op mijn slaapkamerraam brandde. De rest van de dag bracht ik met een suf hoofd door in mijn aardedonkere huis. Het moet na drie uur ’s nachts geweest toen ik mijn tanden stond te poetsen in de badkamer en merkte dat iemand in de zetel me kon zien in al mijn naaktheid. Snel dook ik onder de vensterbank, maar meteen stond ik weer op. Er lag niemand in de zetel, de straat was volkomen stil. Zonder problemen kon ik hier staan, niks op mijn lichaam behalve de zweetdruppels die van me afliepen, het maanlicht op mijn naakte huid. Ik trok snel een T-shirt en een short aan en stak op blote voeten de straat over. Misschien was de zetel een valstrik, de mond van een monster dat opvrat wie erin lag. Toch liet ik me neerzakken op de bruinleren, schilferige lippen, mijn voeten op de armleuning, en staarde naar de sterrenhemel. Toen ik wakker werd, voelde de lucht heerlijk koel aan. De kapper had zijn rolluik nog niet opgetrokken. De ene buurvrouw stond stiekem haar auto te wassen, de andere liet een vrouw buiten met een snelle afscheidskus. Een zwaluw vloog voorbij. Er viel nog geen wagen te bekennen op straat.

Felix Sandon
5 1

Kwartier

Net toen ik op de bus wou stappen, drong tot me door dat ik mijn laptop vergeten was. Meteen liep ik terug naar huis. De lift was nog steeds kapot en het briefje dat het benodigde wisselstuk onderweg was uit Italië al vergeeld. Met twee treden tegelijk snelde ik de trap op. Haastig schuurde ik me langs de muur om mevrouw Maes te passeren, die haar negentigjarige echtgenoot stapje voor stapje naar beneden hielp.‘Ik kom vanavond wel helpen wanneer je terugkomt, nu ben ik gehaast,’ riep ik hen na.De paraplu lag al voor de deur van ons appartement. De grendels zaten er vast al op en sowieso zou ik het eerstvolgende kwartier niet mogen storen, langer zelfs als hij bijbetaalde om te douchen. Ik zou te laat komen voor de vergadering, mijn project niet kunnen voorstellen. Weken werk in de vuilnisbak.Ik legde mijn oor tegen de voordeur toen de buurvrouw kwam kijken.‘Heb jij Laura zien binnengaan?’ vroeg ik nog hijgend van mijn spurt. Door de deur hoorde ik niets.‘Ja, zij had zakdoeken mee. Hele stapel. Papieren zakdoeken.’‘Was ze alleen?’‘Nee, met man. Oude man.’Op dat moment hoorde ik de douche stromen.Ik waagde het erop en bonsde op de deur. ‘Laura!’ riep ik toen mijn geklop niet werd beantwoord. Grendels verschoven en door een kier zag ik Laura’s blauwe kijkers.‘Geef ’s snel mijn laptop,’ fluisterde ik voor ze kon protesteren. Ze verdween een seconde, probeerde de zwarte tas door de kier te stompen, maakte de grendel los toen dat niet lukte en gaf me dat waarvoor ik terug naar huis was gesneld. Meer dan een knikje kreeg ik niet voor de deur weer op slot ging.‘Ze kijkt nogal veel droevige films de laatste tijd,’ zei ik tegen de buurvrouw die me bleef aankijken vanuit haar deuropening terwijl ik de trap weer afdaalde. Ik haalde mijn schouders op. ‘Liefdesverdriet.’

Felix Sandon
5 0

Sluitingstijd

Het eerste wat je aan de voordeur opviel toen je hier één jaar geleden kwam wonen, was dat ze niet zomaar kon dichtvallen. Je moest wel erg hard trekken aan dat onding om haar te sluiten. Dat bood een geruststellend gevoel: nooit zou je je immers buitensluitenhad je gedacht, tot nu, nu je op de drempel staat met je hand op de deurknop, een onaangename trilling op je trommelvlies van de dreun waarmee je de deur net achter je hebt dichtgetrokken, en geen sleutel op zak. Je spoelt de film van het afgelopen halfuur terug. Je had je laptoptas in een hoek geslingerd toen je thuiskwam en je sleutelbos aan het haakje gehangen, een afscheidscadeau van de vriendin met wie je een jaar een huis had gedeeld. Om te voorkomen dat je ook hier je sleutels overal zou laten rondslingeren, nu er niemand zou zijn die je om vier uur ’s nachts wakker kon bellen om de voordeur te openen. Toen moet je weer naar de stoep zijn gewandeld om buiten het bereik van de veel te gevoelig afgestelde rookmelder een sigaret op te steken, zonder geld, telefoon of sleutels op zak.  Op het werk had je honderden e-mails moeten sturen om de afspraken van de komende weken af te zeggen en vertrouwelijke documenten in het geniep van het bestand moeten halen om de lopende dossiers thuis af te werken. Intussen was de collega naast je maar blijven jammeren dat we er allemaal aan zouden gaan, terwijl die aan het bureau voor je volhield dat het een complot was om een geheim biologisch wapen te testen. Je had geprobeerd je oren voor hen te sluiten. Als iedereen zich aan de noodmaatregelen hield, zou het virus zich niet verder verspreiden en zou alles spoedig goedkomen. De reservesleutel ligt binnen in het laatje in de keuken. De buren heb je nog nooit gesproken, hoogstens twee keer gedag geknikt in het voorbijgaan, dus had je nooit overwogen hen een sleutel van je huis toe te vertrouwen. Familie en vrienden wonen mijlenver hiervandaan. In je nieuwe stad ben je er nooit toe gekomen duurzame contacten te leggen. Het werk zuigt je leeg en in het weekend waai je liever uit in je eentje dan contact op te zoeken. Een sleutel onder de deurmat leggen of in een bloempot verstoppen, heb je in te veel slechte films zien mislopen.  Optie 1: je belt een slotenmaker die je weer binnen laat. Over minder dan een uur lig je te ronken op de sofa. Bezwaar tegen optie 1: je telefoon ligt nog binnen. Zelfs opzoeken waar er een slotenmaker is kan je niet. Hoe laat blijven die open? Het is donker en alle rolluiken in de straat zijn al naar beneden.Optie 1b: je vraagt andere mensen om een slotenmaker te bellen of op zijn minst op te zoeken. Optie 2: je belt aan bij het huis aan het einde van de straat, klimt over de muur naar de tuin van hun buren en herhaalt dat vijf keer tot je in je eigen tuin bent. Vervolgens kruip je op het platte dak van de keuken om het raampje van het toilet in te slaan en zo met de kleinste schade naar binnen te klauteren.Bezwaar tegen optie 2: alles. En je rechtervoet doet al dagen pijn.  Optie 3: je brengt de nacht op straat door. Morgen zullen er slotenmakers zijn die met een glimlach de deur weer open toveren. Gewoon de weg vragen morgenvroeg, misschien opent er eentje al om half negen de deuren, dat rest dus nog maar twaalf uur en dertig minuten. Als student heb je dit zo vaak gedaan.  Optie 1Je blijft in het midden van de stoep staan. Een koppel komt je richting uit.‘Excuseer,’ zeg je, ‘mag ik iets vragen?’ Ze lopen om je heen.Je wacht tot een oude man voor je verschijnt.‘Excuseer, mag ik iets vragen?’‘Dat bent u al aan het doen.’‘Zou ik even uw telefoon mogen lenen om op te zoeken waar er een slotenmaker is die mij binnen kan laten?’‘Ik kan niet op het internet met dat versleten bakje van mij.’ Weg is hij. Je loopt vijf keer de straat op en af, maar er komen weinig mensen voorbij. Een andere man kijkt je recht in de ogen en wandelt verder. Drie mensen mompelen elk iets over besmetting en virussen. Een vrouw steekt de straat over wanneer ze je opmerkt. Een andere vrouw antwoordt: ‘Nee, ik ken dat wel, dan zie ik mijn telefoon nooit meer terug.’ Hoeveel tijd er verstrijkt zonder resultaat, weet je niet. Een halfuur, drie uur.  Optie 3Met rechte rug volg je de straat, weg van de voordeur, richting het centrum. Je steekt de ene sigaret in je mondhoek op en kalmeert. Gelukkig heb je je jas aan, maar het is niet eens koud. Zo erg kan het allemaal niet zijn. Morgen gaat de wereld pas op slot. Lang voor je aan de dichtstbijzijnde kroeg bent, hoor je het gejoel al. Je mengt je tussen de mensen die de laatste avond vieren. De muziek staat luid en het bier vliegt in het rond. Je weet dat je dit normaal onverantwoord zou vinden, dat we nu juist allemaal in afzondering moeten, maar dat zet je uit je hoofd. ‘Weet u waar er een slotenmaker is?’ probeer je nog een keer bij een caféganger. Hij danst verder zonder je aan te kijken.  Je keel begint te branden. ‘Hallo,’ begin je tegen de serveerster aan de bar. ‘Ik ben hier al vaak geweest,’ lieg je. ‘Maar nu heb ik geen geld bij me. Kan ik misschien…’ ‘Nee, dat doen we niet.’‘Maar ik kom u morgen alles terugbetalen.’‘Morgen zijn we dicht.’ ‘Dan schrijf ik het over op jullie rekening.’‘Doen we niet.’‘Ik heb thuis genoeg geld. En op mijn bankrekening. Nu is het gewoon…’Ze kijkt je niet meer aan en gaat verder met tappen.  Eens buiten het café valt je oog op een hotel. Je wil naar binnen gaan, maar beseft dat je nog steeds geen geld op zak hebt. Je vat post aan de geldautomaat. [5] [JDB6] ‘Kan u mij een beetje geld lenen? Ik heb mezelf buitengesloten. Morgen betaal ik het u terug, als ik weer binnen kan.’ Een jonge vrouw bekijkt je van top tot teen en wandelt weg zonder iets te zeggen. ‘Waarom zou ik dat geloven?’ vraagt een man die je vader zou kunnen zijn. ‘Ze zijn allemaal maar op één ding uit.’‘Wie?’‘Mensen zoals u,’ roept hij over zijn schouder voor hij om de hoek verdwijnt.  Je doolt verder door de straten. De klokken van de kathedraal hebben twaalf uur geslagen. Cafés en restaurants veranderen in leegstaande panden. Voor je doemt het station op. De laatste trein is al lang vertrokken, de hal die naar de sporen leidt is doodstil. In het donker herken je de omtrekken van daklozen die her en der liggen te slapen. Je passeert hier elke dag op weg naar je werk, intussen ben je vertrouwd met het zicht van de man op zijn rafelige matje die in een onbegrijpelijke taal bedelt terwijl hij met een beker vol muntjes rammelt. Tussen de frisdrankautomaat en het koffiekraam zie je hem zitten. Hij zwaait naar je. Even blijf je voor hem staan. Hij wijst naar de stapel oude kranten naast hem. Je laat je zakken en legt je hoofd neer op een achtergebleven zadelbeschermer van een fiets. Je hebt geen idee hoeveel uren nog resten voor er hier en daar weer iets opent in de stad. Je sluit je ogen. Zolang kan het heus niet meer duren.

Felix Sandon
3 0