Gabriel Rooms

Gebruikersnaam Gabriel Rooms

Teksten

Den Dries

“’t Is van dat, ja lap, dat van dat is. Kermis, jong, op Den Dries, jong. Ge ziet ze, alleman is te gare. Allee het valt te bezien of ’t is te zeggen. Pintekens drinken tot k’n kan nie meer. K’n kan nie vele. Peis ik. k’n kan nie vele nie meer. Van ’t flubiet in mijnen kleine teen. De jonge meiskes draaien met hun rokken rond. En Rogerke, ’t smeerlapke, legt hem neer en kijkt er onder. Hij spreekt niet, zijn tong is afgebeten door ne kameraad in ’t schuttershof zeven winters geleden, maar hij sist en tjielpt gelijk een vogelke en met zijn arme armkes bewegingen maken. Bijna tegen de schede van ’t meiske bij wie ’t rokske tot onder d’oksels komt. Dan vraagt ze der ook om. ’t Is precies Sodom en Gomorra. Rick en Jean Luc, d’homos, lopen hier ook rond op hun sandalen. Rick mankt. Zijn knie is kapot. Zijn knie is gammel als een kameel met ene bult. Hij moet alle zeilen bijzetten om Jean Luc te kunnen volgen. Zijn stem klinkt zagerig, alle woordekes uit zijnen mond worden slap als meel. Ze hebben ruzie gehad. Ze hebben altijd ruzie. Iederen dag van de weke maar ’s zondags niet. Dan gaan ze pastis gaan drinken. Met den bus en komen ze thuis als de koekeloeren haan gekraaid heeft. Die ze dan plachten te roosteren met brood. En als ’t mislukt, en ’t is mislukt, boterhammen mee confiture van pruimen. En lap weeral ruzie. Zouden zij naar ’t schietkraam gaan vandaag op de kermisse? Subiet schiet den enen den anderen een oog uit. ’t Zijn al manke hier op Den Dries. Ge kunt gij hier anders niet blijven. Horzelvoet, tandeloos gebit, zonneallergie. Wreed is ‘t, zo zonder zon. Anton, kan niet met de zon. ’t Is daarom dat hij altijd zo wit ziet, precies een lijk. We zeggen ’t tegen mekaar: -’t Lijk, zeggen we. ’t Lijk loopt hier rond. -Ah ja, waar? Vraagt de gindsen. -Ah hier, ziet ge ’t nie? Zo wit. Een lijk. ’t Moet er wel een zijn, subiet komt er vocht uit zijn hol. Past op. Ge kunt daar vervaarlijk over vallen. Antontje toch, ge moet u proper houden. ’t Is niet omdat ge lijk een lijk zijt dat ge niemeer fier moogt zijn ze. En Anton stamelt dan totdattie verder wankelt, uit de zon. Odette heeft vlaaien gebakken. Mee appelsienen in. Slappe vlaai. Met lauwe Rodenbach moet ge da drinken. Zonder schuim. Uit de kelder. Odette strompelt den trap af. D’r zitten muizen in haar haar. Dat leeft daar al zo lang, want Odette komt haren hof nie meer af. In een tuinstoel mee bloemekes op, half doorgezakt, dienen stoel, maar Odette ook, z’heeft water in haar knoessels. Juist vaderlanderkes. Ge kunt er mee naar den oorlog, en als ’t mislukt geeft dan wa vlaai aan de vijand. Directe capitulatie. Haar dochter is ook al vijftig. Nog altijd vlechtjes op hare kop. Vette vlechtjes. Van ’t frietvet. Ze danst heelder dagen rond het huis. En bakt haar frieten. Z’eet nie elle. Of ’t waren lekstokken. Alle dagen van ’t jaar staat ze te lekken. Mee haar grote tong. Precies van een koe. Giet er wa madeira in en ge kunt et eten mee kroketten. En vals zingen doet z’ ook. Ze wil het aanleggen mee Rogerke. Maar hij kan ’t niet uitleggen, dat hij niet wil en dat zij moet stoppen want ge krijgt het zuur van hare kop. Ne goeie kinderkop, maar wel ’t zuur in uw maag als ge er dagelijks op moet kijken. Ze pakt zij zijn handje ne keer en steekt het tussen haar benen. En blijven lekken en Rogerke kwieten. Haar vader was Marcel maar hij is dood. Hij ligt bij de pieren te zwieren. Hij was in de gierput gesprongen van ’t verschieten toen dat hij zijn dochter zag. Maar hij kwam niemeer boven. We stonden wij daar allemaal op te kijken. We hebben dan een lotje getrokken wie d’r achter ging. ’t Was aan Rudy. Maar Rudy durfde nie. We hebben hem dan geduwd. Ah ja, anders moette nie meedoen. Lap Rudy ook nie meer gezien sindsdien. Nog ne keer geprobeerd, maar z’hadden mij in gedachten. Kzeg: kheb mijn tanden nog niet gepoetst. Da ga nie gaan. En ’t een ging nie. Poetst ze anders nu, zei d’r enen, de facteur Louis, hij was al zat. Kzeg tegen Louis: gaat gij ze dan gaan halen, ze liggen in een glas naast mijn bedde, ge kunt er nie nevens kijken.Hoe da niet, vraagt Louis. Ge herkent da wel een gebit. Wa tanden op een rij. Maar Louis was nie zinnens naar mijn huis te trekken. Na wat vijven en zessen zijn we dan maar gegaan, naar ne staminee. Louis zegt: kga mij iets sterks pakken. Hij dronk zijne whisky puur, maar hij zat mee nen hoest. En hij hoest zijne whisky op zijn broeke. Zo ne facteur mee geen broek aan, ’t is toch da nie. ‘k Zal ze afkuisen zegt Nadinda. Komt mee naar boven.   En wij blijven zitten en wat wachten. Ja ja. En ah zo. En al ineens. Ne slag en ne boenk. Wij naar boven. Ze lagen zij daar opéén. Juist voordat Omer, de man van Nadinda, Louis ne boks wou geven, zegt hij nog: mijn broek was toch al af. Da was daar wreed. Bijna drie lijken op nen dag. ’t Zou te veel van ’t goede geweest zijn. Gelukkig dat hij nog overlast had staan een eindje verderop. ’t Was koelen zonder blazen. Nu is ’t hier dus feeste. ’t Zijn al zwijnen dat hier rondloopt. Tot den dinsdag kijkt da naar niets. En dan nog twee maand mee uwen kop in de grond als ge den anderen passeert. Want der is weer van alles gebeurd da nieden deugd. Al een grote chance dak kik zo nie ben. Ik zittekik maar wa te kijken. In de lommerte. Als ’t er iemand komt zeg ik: neen jong ’t is zo goed of ‘k heb het gehad. En ‘k leg mij op de grond van de kelder als ’t mij te warme wordt. ’t Is dan wachten op moeder de vrouw totdat ze thuiskomt. -Vuilaard, smeerlap waar zitte zegt ze. -Hier in mijnen kelder. Alhier alhier dicht bij ’t bier. -Vuilaard, smeerlap wie gaat die bakken naar beneden slepen als ’t op is? ‘k Zeg dadda wel meevalt. Maar ze sleept geen bakken, zegt ze. Blijf kik dan maar terplekke. Totdat z’uitgeraasd is. -Vuilaard smeerlap, ze ziet me zo gaarne. ‘k Hoor het aan haar stem. ’t Is een en al liefde. Allange. Vroeger was ze schoner. ‘k Zeg het haar:-Stop mee paté t’eten. -Ik een eet gene paté. -Maar muilkorft mij ne keer nie. Patéekes me crème, da maakt u vet. Moorevet. -Ge zijt nen dronkaard. Kzeg van nie want ik blijve thuis. -Subiet ne paté op uw muile.En ’t spel is were hespe.En op elkaars muile. Wat moeten w’anders? En zo gaat den dag vooruit.”

Gabriel Rooms
10 0

Afgod

Het containerpark. Niet meteen een plaats waar je in een emotionele rollercoaster stapt. Tenzij misschien je de inboedel van je overleden ouders komt weggooien.  Ik was er, deze ochtend. Met mijn ouders vooralsnog alles prima. Het containerpark waar ik naartoe moet om mijn ei kwijt te kunnen ligt op een berm aan de spoorweg. Het bevindt zich dus iets hoger gelegen. Het waait er altijd, zelfs op mooie zomerdagen overvalt een soort kilte me daar vaak. Al komt dat niet alleen door de koude wind die er giert. Het gehannes begint al nog voor ik binnenrijd, mijn auto staat net te ver zodat ik met mijn kaart niet tegen de chip geraak die kijkt of ik wel nog recht heb binnen te mogen. Uitstappen dus, tot frustratie van degene achter mij, je zult het altijd zien, een professionele opruimer. Omdat ik uitstap zakt mijn gerangschikte stapel vuil, of afval of overschot of wat dan ook, in elkaar als een pudding van weinig benijdenswaardige makelij. Nog meer frustratie bij alle omstaanders deze keer, alsof ik het expres doe allemaal, wat niet zo is. Eenmaal binnen parkeer ik de auto plompverloren aan een foute container. Dus moet ik met mijn gehele mik het terrein een stuk of wat keer oversjouwen. Maar goed, de stappenteller loopt, wat zou ik anders doen op een vrije dag. Op het containerpark voel ik me verder een zonderling. De overige mensen lijken wel te weten wat brandbaar materiaal is. Alles wat kan branden zodra je er een lucifer tegenaan houdt zou je denken maar zo simpel is het dus niet.  In ieder geval: al de andere mensen stappen doelbewust op een container af, gooien daar in wat moet en gaan verder. Met hun leven in het algemeen, met opruimen in het bijzonder. Ik ben altijd zeer vriendelijk tegen het personeel al valt die vriendelijkheid telkens weer op een koude steen. Ze herkennen mijn plastieken glimlach uit de duizend, noem het beroepsmisvorming, en vermoeden stiekem asbest in mijn wagen, zonder aanhanger maar met alle banken naar beneden en gestapeld tot aan de passagierszetel. Ik hou me groot maar ik breek bijna. Vandaag was ik er in opdracht. Mijn schoonouders, die verhuizen, hadden gevraagd of ik ze een handje wilde helpen. Een erfenis komt je niet aanwaaien dus had ik weinig keuze. Kapotte radio’s, in onbruik geraakte keukenapparatuur, massa’s karton, wat metaal, het verdween allemaal netjes waar het thuis hoorde. Het ging vrij vlot. Helemaal op het laatst moest er een toiletpot aan geloven. Een porseleinen. Het leek alsof hij onhandig opgerold in een doos lag. Ik zag hem en kreeg een krop in mij keel. Ineens overviel mij een soort diepe tristesse, naast ons passeerde een trein, waarschijnlijk naar Antwerpen. Daar zaten nu mensen in die misschien heel onverschillig naar mij hadden gekeken, niet wetende dat ik met iets uitermate existentieel aan het worstelen was. Die pot was alles wat het leven je te bieden kan hebben. Hij is je trouwe bondgenoot die zonder klagen of zonder gevolg jou helpt. Bij ziekte ben je blij dat je hem net op tijd bereikt. Je kan er de drukte ontsnappen en even tot rust komen wanneer je een huis vol visite hebt (allemaal vriendinnen van je lief) of wanneer je kinderen alweer de boel op stelten zetten. ’s Nachts doet hij je wegdromen van meer slaap als je even dringend moet. Hij vangt je op na een avond stappen waarna de genadeloze afrekening altijd volgt, ook daar is hij de zwijgzame getuige van. Nu moet ik die smetteloze witte porseleinen pot weggooien bij het steengruis, zo werd mij verteld. Ik zag hem daar al liggen, in de regen, de wind, de brandende zon, tussen ander steengruis wat daar overigens wel heel terecht ligt. Als ik hem al over de rand kon tillen zou hij breken, daar was ik zeker van. Dat lot wens je zelf je ergste vijand niet toe en wij waren vrienden. Ik kreeg het niet over mijn hart en keerde onverrichterzake huiswaarts met die pot. Ik blonk hem op sloeg een plank tegen de schouw en plaatste hem daar waar in vroeger tijden een kruisbeeld aan de muur hing. Daar hangt hij in al zijn glorie. Deemoedig knielen wij nu dagelijks tot onze godeen eenvoudige doch mooie porseleinen wc-pot.

Gabriel Rooms
0 0
Tip

Nachtwake

‘Dolf es duud.’‘He?’‘Dolf…es duud’‘Ja?’‘Ja.’‘Diene mens leefde niet geiren.’‘He?’‘Hij leefde niet geiren, diene mens.’‘Nieje?’‘Nieje.’‘Ja.’‘Ja ja.’ Fré’s vader kwam binnen, ging voor het raam staan en begon te roken.   Hij slofte naar de kelder. Rookte nogmaals en dronk. Wij stiekem ook. Door de Westmalle waren onze geesten even beneveld als de omliggende velden die door slierten duisternis de nacht in slingerden. Fré en ik hielden vanuit de living de wacht. In de stal stond een koe onrustig te trappelen. Het was augustus en er zouden kalfjes geboren worden. Wij speelden play-station en rookten sigaretten. We zakten steeds verder weg in de vergeelde statige zetel, de klok tikte zacht, seconde na seconde verdween in een onmetelijk diepe put. Wij hadden niet veel meer dan elkaar. We hielden er beiden van om gewoon te hangen. Soms keken we elkaar zoekend naar erkenning en veiligheid aan. We lagen dan wel dicht tegen elkaar in die zetel, maar nooit als onszelf. De nacht sluierde ons. Had maar iemand een ontwapenende zin kunnen zeggen.  Had het allemaal gekund, we hadden geschreeuwd, geblaft als honden die met bloeddoorlopen ogen rechttoe rechtaan op hun prooi stormden. We waren bang elkaars jager te zijn. Later die nacht zou het kalfje geboren worden. Met zijn zakmes sneed de buurman de navelstreng door en schilde daarna met datzelfde mes een appel. Er was jenever. De fles ging rond. Iedereen dronk. Er werd gelachen. Alles was goed.      

Gabriel Rooms
85 5

playboy

De keukenkasten en deuren trilden nog na van de veldslag die luttele seconden eerder was geleverd en slechts één winnaar kende. De leeggevreten borden macaroni in de oven stonden erbij en keken ernaar, stenen en stille getuigen van een smeulend generatieconflict. De uitgespoelde mosterdglazen waar wij water uitdronken rinkelden nog na, kleine kringetjes vormend op de besmeurde onderleggers. Bestek lag in willekeur wijzend naar de aanstichters maar vooral naar het slachtoffer. Opnieuw had ik geen enkele poot meer om op te staan. Mijn haar moest af! Mijn ouders hadden dat unaniem beslist, zo kon het niet verder. Sterker nog, ze hadden al een afspraak bij de kapper gemaakt. Nog voor de klok drie uur sloeg zou het allemaal achter de rug zijn. Mijn ouders gingen in het afgeleefde tuinmeubilair zitten in de veranda, daar kwamen ze even op adem. Nog eenmaal keek ik ze dreigend aan, banbliksems en verwensingen ten spijt, ze waren onwrikbaar. Dat in mijn haar mijn kracht zat, dat iedereen me mooi vond met mijn krullen! Het deed ze niets, ik was gedoemd een oude vrijer te worden. Een sjarel die voor eeuwig op het ouderlijke hof zou moeten blijven hokken. Het was jaloezie, dat wist ik wel. Mijn vader was zelf kaal. Al heel vroeg verloor hij al zijn haar en hij kon maar niet verkroppen dat ik nog haar had. Hij haatte lang haar, omdat het hem deed denken aan een tijd waar hij zelf nog aanspraak op succes kon maken. Het leek al eeuwen geleden, nu. Ik nam mijn fiets en fietste de twee kilometer lange kruisweg naar mijn beul. Boven op de brug over de autosnelweg dacht ik even aan springen. Ik zag opspattend water vanonder de reuzevrachtwagenwielen komen en dacht daar mijn verlossing te vinden. Toch daalde ik af. Misschien moest ik doorrijden naar Gent en daar vlug iemand opscharrelen.  Op automatische piloot dreef mijn fiets me tot vlak voor het kapsalon. Ik wuifde zachtjes de wereld gedag. Aan de deur stond hij me lachend aan te kijken. Schort, schaar en snor. Én deodorant die naar lavendel rook. Hij was de enige kapper bij ons in het dorp. Volgens mij kon hij maar één model knippen.  Tondeusekort vanachter, opgeknipt langs de oren en met een frivool kuifje. Ik, de veroordeelde, ging zitten in de kappersstoel. Sowieso een vreselijk moment is dat. Je weet dat je een niet geringe tijd jezelf zal moeten aanstaren in een te grote spiegel die genadeloos je tekortkomingen blootlegt. Jean-Pierre, zo heette de kapper, schiep er een sardonisch genoegen in mijn onzekerheid maximaal uit te spelen. Nadat hij de schort had omgedaan begon het eerste deel van zijn marteling. Het was telkens hetzelfde liedje, ik wist wat er ging komen en dook in elkaar. Hij tuitte zijn lippen en sputterde enkel: ‘ts ts ts’…. ‘Wat is er?’‘Hoe oud ben jij nu?’‘Zestien…’ Hij keek me nu heel strak aan via de spiegel en lachte een heel klein beetje. Wreef zijn handen door mijn haar en vroeg: ‘is uw pa kaal?’ Ik sloot mijn ogen. Schaakmat. ‘Ja.’ ‘Nog twee jaar, dan is het bij jou ook zo ver. Tenzij ik het nu kort zet natuurlijk. Dan heb je een kans dat het nog een jaar langer blijft staan.’ Buiten klonk geraas van opkomende wind, regen viel met bakken uit de lucht en sloeg tegen de ruiten van de kapperszaak. Op Radio 2 klonk de top dertig, Andrea Bocelli beheerste toen de hitlijst met de jammerklacht “con te partiro”. Een droeviger soundtrack bij de ondergang van mijn puberteit was niet denkbaar. De gevolgen van wat kwam zou zich nog wekenlang laten voelen in mijn gefnuikte leven.   Nog twee jaar dus en mijn hele bestaansreden zou weg zijn. Nog twee jaar om een vast lief te vinden die me hopelijk daarna ziet zoals ik echt ben, dat ik lief en gevoelig en slim ben. Nog twee jaar om er het beste van te maken en daarna door te denderen richting graf met keer op keer dezelfde mensen. Nog twee fucking jaar. Jean-Pierre krabde zich in de snor. Spiedend loerde hij naar mij. Ik haalde diep adem en stapte op het schavot. Alsof het nog niet erg genoeg was klokte ik met de baard in de keel: ‘doe maar kort dan.’ Triomfantelijk lachte hij. Zijn tondeuse maakte een monotoon zoemend geluid en zwaar als tranen vielen mijn lokken op de grond. Pluk na pluk. Als laatste daad van het vaststaande ritueel legde hij mijn kuifje in de plooi en mompelde naar de andere klanten: ‘daar zie, ik heb er ne playboy van gemaakt, de meiskes zullen niet weten wat ze zien als gij hierbuiten stapt.’ Neen dat zullen ze niet Jean-Pierre, dat zullen ze niet. De helft van puberend Oostakker loopt rond met dit kapsel. Met mijn fiets, die ratelde van de loszittende spaken of omdat mijn ketting keer op keer tegen mijn kast slingerde, reed ik naar huis in schaamte. Als een pestlijder waar men afstand van moest bewaren. Goed veel lawaai in ieder geval zodat iedereen omkeek. En mij zag, ontdaan van al mijn charme. Playboy voor galg en rad.  

Gabriel Rooms
12 1

Aardschok en aardbeien

Ik kocht vandaag in de krantenwinkel een ‘Aardschok’, dat is een hardrock en metal magazine. Vroeger kocht ik het ook wel eens. Vele jaren al hou ik enorm van hardrock en metal. Het maakt een enorme kracht, zelfs enthousiasme, in me los. Het liefst van al zou ik heelder dagen met geföhnde haren en een te strakke jeans met een mouwloos t shirt rondlopen. En schreeuwen! Als een hond naar de maan. Maar dat kan niet. Iets maatschappelijks houdt me tegen. Je zou het nog het beste als schrik of angst kunnen omschrijven. Echt goed met verwachtingen kan ik niet om. Het kost me al moeite om me aan te passen. Iemand daar de schuld voor geven vind ik heel onnozel. Al probeer ik af en toe wel eens te duiden waar het vandaan zou kunnen komen. Zoals alles heeft het waarschijnlijk te maken met dingen die gebeuren in de puberteit, dat pokdalig slagveld waar je je maar een beetje doorheen moet zien te spartelen. Als je geluk hebt heb je vrienden die de pijn verzachten. Ik had er één en die heb ik nog steeds. Meer heb je niet nodig. Net als een winterjas. Waarom meer dan één? Als hij ooit in ongebruik geraakt dan neem je gewoon een nieuwe. Die vriend leerde ik kennen toen ik veertien was. Er was veel aan de hand, bij hem, bij mij. We herkenden waarschijnlijk elkaars verlies. We trotseerden samen alles, soms op elkaars kap maar altijd dicht bij elkaar. We spiekten ons doorheen het derde middelbaar en werden bijna de slimste jongens van de klas, al vonden we dat overdreven en lieten we de teugels vieren naarmate het einde van dat schooljaar in zicht kwam. We hielden ook geen van beiden van leraars wiskunde. Het waren eikels, stuk voor stuk. Zo hadden wij een leraar die, zodra de eerste zonnestralen zich lieten zien, sandalen droeg. Na de krokusvakantie was het zo ver. Sandalen met zwarte sokken en een buideltasje. Losjes liep hij over de speelplaats, zich te gedragen alsof het vanaf dan permanent vakantie was. Met leerkrachten wiskunde was altijd iets. Mijn allereerste leerkracht wiskunde had mij eens gezegd dat ik wel beschouwd een stuk ongeluk was dat hopelijk later van een soort uitkering kon profiteren waar je alleen maar voor in een stoel moest zitten om boeken te lezen. Hoewel het mij wel wat leek, zo een leven op een stoel tussen de boeken, brak het mijn onzeker studentenhart en van die dag af had ik beslist dat wiskunde, net als studeren niets voor mij was. Mijn tweede leraar wiskunde was oud en versleten. Hij leek toen al in de zeventig. Hij was een klein schriel mannetje met haar uit zijn oren en neus. Hij was op en zag totaal geen reden meer om ook nog maar de minste moeite te doen om zijn les op een iets of wat creatieve manier in te vullen. Dat we er in de klas een janboel van maakten interesseerde hem niet. Hij had zijn krant of de Knack bij en las naar hartenlust. Af en toe had hij betraande ogen. Exact vijfentwintig jaar later kwam ik hem opnieuw tegen. Het was tijdens een toneelvoorstelling. Ik zag zijn naam op de stoel naast mij liggen. Toen een oud mannetje naast me kwam zitten herkende ik hem meteen. Hij wist niet meer wie ik was, althans hij herkende mij niet. Ik stelde me maar niet voor. Ik zag een jongere versie van hem naast hem. Het bleek zijn zoon te zijn. Ik legde hem de situatie uit. Hij knikte beleefd en zei inderdaad dat de laatste jaren van zijn vaders actieve leven een hel waren geweest. Er was zelfs een psycholoog aan te pas gekomen om hem rustig op pensioen te laten gaan. Ik schaamde me. De hele tijd stond de oud leraar naast ons. Te staren in de verte af en toe slokjes nemend van zijn biertje, een bruine Leffe. Ik keek naar hem, zijn zoon zei me dat hij doof was. Inmiddels, zo vertelde zijn zoon, was hij 86. Tel vijfentwintig jaar terug en hij was toen dus 61. Hij hoorde niets meer. Toneel bezoeken was eigenlijk zijn oude leven, maar eens om de zoveel tijd vroeg hij toch of hij nog eens kon gaan. Hij genoot van het pluche, de zaal, de lichten, de opgedirkte mensen. Net als ik. Ik trakteerde zijn zoon een drankje en keek hem aan, gebarend wat hij wou drinken. Nog een bruine Leffe. Minzaam dronken we ons glas leeg. De voorstelling was goed, zonder meer. Ik knikte hem gedag en nam afscheid. Ik voelde medelijden met die man. Oprechte schaamte ook. Zittend aan de eettafel begon ik te lezen in mijn ‘Aardschok’, de kinderen speelden buiten. Ze kwamen binnen en namen een bakje aardbeien uit de koelkast. We aten ze op met slagroom. Het leven naait je genadeloos, wilde ik schreeuwen. Maar ik keek wel uit.

Gabriel Rooms
6 0

cité

Wind giert door de kieren van het tochtige, vochtige huis. De halfbakken barak dreigt met iedere windstoot uit elkaar te spatten en tot gruizelementen te verstuiven. Colette draait zich een laatste maal om in haar bevlekte en te dunne lakens. Ze heeft het akelig koud. Dat is ze gewoon dus ze blijft nog even liggen met gesloten ogen. Langzaam laat zij de wereld binnenkomen. Klompen klakken op de met kinderkopjes belegde straten. Mannen, ook vader, schieten met hun schoofzak om naar de fabriek om uren durende shiften te draaien. Werkdag, weet Colette.   Iemand pompt water in een tobbe en kletst en klotst terug naar af. Rosita het buurmeisje misschien? Of is het moeder die weer wassen moet? Langdradig wol duikt in de waston en te horen valt hoe moeder schuurt en schrobt tot de kleren weer enigszins mooi zijn. Al blijven sommige vlekken hartsgrondig zitten als littekens die op een met eelt bezaaide huid plakken. Een hond huilt jammerlijk uit een nis of een nok. Samen met de gure wind dwarrelt het geluid steeds verder weg. Een knal van een luifel tegen het raamkozijn doet Colette nu de ogen opensperren. Opstaan! Ze dwarrelt de manke houten trap af. In de roestige broodtrommel, een erfenis van oma, treft zij een hard stuk brood. Ze kauwt en kneed en maalt en zwelgt tenslotte het slappe papje binnen. Nog steeds in haar nachthemd en blootvoets verlaat zij de citéwoning. Ze groet moeder die nors en met kille blik verder wast. Ze ziet Rosita die blijkbaar ook net wakker is. Aan de pomp klokt ze een geut water naar binnen en spoelt mond en gezicht aalvlug. Na het kattenwasje vlecht ze haar haar statig. Ze glimlacht naar Rosita die antwoordt met een zwaai. De blaadjes van de schaarse bomen komen los en waaien tollend om hen heen om dan weg te vliegen naar een hemels walhalla.   Moeder wrikt en weegt zich een weg uit de vuile was. Met een ongeduldige grimas plooit zij haar blik naar Colette die plichtsbewust, nog steeds op blote voeten, de wasdraad uitlijnt op het dunne stukje koer dat zij bezitten. Plotsklaps klatert achter haar een jongen de straat op. Omer die een krantenronde heeft. Hij hotst van hot naar her met stapels kranten voor een schamele stuiver die meteen in de gezinspot verdwijnt. Zijn klak hangt scheef en zijn sjaal ligt slordig in zijn nek gesmeten. Hij hijgt en hoest en wrijft met de buitenkant van zijn hand zijn mond droog na het slokken van wat water aan de pomp. Als Colette Omer ziet lacht ze. Zijn roetnagels zijn zo zwart als zijn haren, die speels en fluks vanonder zijn pet springen in dikke krullen. Soms kijken ze samen in een overgebleven krant. De letters dansen op en neer en buigen zich om tot fantasie verzonnen woorden die uitmonden in verhalen over prinsen en prinsessen en helden op zeeën en verdwenen zielen. Ik wil lezen, zegt Colette iedere keer als ze een stuk krant verfomfaaid onder haar kussen legt in de hoop dat er ’s nachts een wonder zal geschieden en zij, als door de hand Gods geslagen, de volgende ochtend zou kunnen lezen. Al weet ze diep vanbinnen dat zulks niet kan en zij tegen beter weten in de slaap tracht te vatten. Omer staat voor haar neus, nu. Woorden smiespelen uit zijn mond. Moeder kucht en zucht. Kiezen is verliezen maar Colette weet dat zij hier niet vandaan kan. Haar lippen tuitend fluistert ze dat Omer moet wachten tot vanmiddag, ze gebaart naar de net gespannen draad en draait hem statig de rug toe met haar vlecht speels en kwispelend als een opkikkertje voor straks.   Rosita weet het. Ze weet dat die twee meer dan kranten delen wanneer niemand kijkt en niemand weet waar ze verblijven in tijden voor de vespers of in het uur tussen hond en wolf. Ze sluipen als prooien gevangen naar elkaar. Ze trekken aan en stoten af. Colette is verstandig weet Rosita, weet haar moeder, weet haar vader. Wist haar broeder voor hij zich verzoop in te sterke jenever en plompverloren op de kasseien viel als een dodelijk gewond dier. Opgegeven nog voor zijn laatste adem definitief uitgeblazen was. Naarmate de dag vordert knaagt de honger verder. Ze zoekt Omer op. Draait met haar kleed. Omer neemt de krant. Ze gaan zitten in hoog gras. Ze verzinnen verhalen. Over hoe een keizer koffiedrinkt of notaris geld verdient. Met zijn handen steelt Omer haar kuisheid. Steeds verder verdwijnen zijn handen onder haar rokken. Van opwinding zucht ze hevig, ze bijt op haar lip en spartelt zich door een bos van gevoelens. Zijn roede klopt tegen haar schoot. Hij ginnegapt bij haar naar binnen en laat als een spotvogel spoedig alles los. Verschrikt kijkt Colette om zich heen. In haar groeit een mond die zal moeten worden gevoed.  

Gabriel Rooms
6 0

Liefde en Motorpsycho

Net afgestudeerd en zonder hoop op beterschap kwam plots het aanbod een monoloog te spelen en regisseren. De schrijfster en ik. Een heel klein project gewoon wij twee en een langdurige maakperiode. De monoloog ging over een aan lagerwal geraakte beloftevolle voetballer. We volgden zijn steile opgang en bodemloos diepe val. We kregen een repetitieruimte toegewezen in een kraakpand waar nog kunstenaars verbleven. Het was een inspirerende en prikkelende omgeving. In mijn verbeelding scheen de zon dagelijks. Ik fietste van mijn krot waar ik verbleef naar de repetitieruimte, altijd met de glimlach. We begonnen laat aan de dag maar werkten hard en lang door. We hadden niets. Zij niet en ik niet. Geen geld, weinig vertrouwen en helemaal geen geluk. Dat vonden we althans. Haar platencollectie van Motorpsycho was net gestolen, haar ex-vriendje was een klootzak die haar met iedereen bedrogen had. Dat scheen iedereen trouwens te weten behalve zij. Ze twijfelde aan haar talent als schrijver, helemaal onterecht, maar regisseren kon ze niet.   We vlogen elkaar meerdere malen, om de kleinste futiliteiten, in de haren maar op het einde van de dag kochten we een goedkope fles wijn en een zak chips of wat kaas en besloten toch maar verder te doen met elkaar en vierden we het leven en de creativiteit. Misschien was er sprake van een soort van prille liefde. Als we niet huilden of ruziënd over de vloer van repetitiezaal rolden dan maakten we grapjes om alles en om iedereen. De lach der gefrustreerden. Blijkbaar vonden we enkel elkaar getalenteerd. Soms kusten we bijna. We aten spaghetti in het enige echte Italiaanse restaurant van de stad. We kregen van de ober een gratis glas uitstekende wijn, omdat hij ons zo mooi bij elkaar vond passen. We bloosden. Ze hield niet op met praten over Motorpsycho. Ze las een stuk dat ik geschreven had en vond het mooi. We dronken koffie in de ochtendzon op het dakterras van haar kleine studio. Koffie en een broodje pindakaas. Ik heb pindakaas nooit echt lekker gevonden. We gingen samen uit. Zij kon rijden, ik niet. Toen op het eind van de nacht de zon licht in de dag blies beslisten we een koffie te gaan drinken in Antwerpen gewoon omdat het kon. We namen de trein naar Den Haag. We lagen daar rillend van de kou op het strand omdat het nog iets te fris was. We repeteerden en begonnen elkaar steeds beter te begrijpen. Ze liet me kennismaken met haar vrienden, ze vroeg naar de mijne. Ik zei dat ik niet goed wist wie mijn vrienden zijn. Ze wilde mee naar Gent. Ze was zes jaar ouder, hoe in godsnaam moest ik dat aan mijn ouders uitleggen, een zes jaar oudere -echte- vrouw bij mij op mijn jongenskamer. Ze stelde me gerust, desnoods bleven we in haar auto slapen. Ze wilde in de voetsporen van mijn jeugd stappen. Ik beleefde alles opnieuw in Gent met haar aan mijn zijde. Mijn huis, mijn school, mijn hond -die dood was-, de eindeloze tochtjes op het veer van de ene naar de ander kant van het water. Mijn allereerste stamcafé, dat dicht was. De verlaten en verpieterde jachthaven. De haven in het algemeen. We parkeerden de auto aan de rand van het kanaal tussen een bomenrij. Doofden de lichten namen onze slaapzakken en keken over het water. De haven bij nacht was een schouwspel van licht, schaduwen en geluiden. Een gigantisch vrachtschip dreef aan ons voorbij. Ze had xtc bij en vroeg me of ik zin had in een pilletje. Ik was bang maar ik deed het toch. Er gebeurde een uurtje niets. Toen viel alsnog de hallucinogene bom. Alles werd scherper, helderder en mooier. Zij was prachtig, de auto was prachtig. We stapten uit en gingen wandelen langs het water. De geluiden die uit de fabrieken kwamen leken symfonieën. Het water maakte een warm geluid. We konden inzoomen bij ieder schip dat ons passeerde. Elke schipper knikte ons gelukzalig toe. We liepen hand in hand omdat dat fijn voelde. Zij ging roken en nam daar uitgebreid de tijd voor, ik zag een kat en had een boeiende conversatie met dat beest. Die kat nodigde mij uit haar te volgen langs de bomen en op de daken. Plots zag ik de schoonheid van dakpannen, nog nooit had ik zo veel verschillende kleuren rood gezien. We werden niet moe, integendeel we hadden energie genoeg om terug naar Eindhoven te rijden, we passeerden nog langs het huis van mijn ouders. We bleven praten in de auto. Over ons, over de liefde over dat we beiden een fantastisch lief verdienden maar dat we wisten dat wij niet dat fantastische lief voor elkaar waren. We hielden af en toe halt aan een tankstation en knuffelden elkaar. Omdat knuffelen op dat moment voor ons de meest dierbare communicatievorm was, er zat zo veel compassie, mededogen en begrip in. Meer kon je niet wensen. We dronken thee in haar studio en luisterden naar Mercury Rev. Ze vroeg me of ik bij haar wilde blijven slapen maar dan meer als broer en zus. Dat deden we. Rond drie uur in de middag werden we wakker. Mijn hoofd was zwaar, we aten een stuk fruit en dronken een biertje. De première naderde en was het de roes of ons lot: we waren niet meer bang. De laatste weken vulden we onze agenda met nieuwe projecten die we vooral samen zouden gaan doen. Ik had een artistiek maatje gevonden. Misschien herhalen kunstenaars zichzelf allemaal tot in den treure. Misschien hebben alle mensen maar één wezenlijk thema waar iedereen altijd op terugkomt. De avond van de première was magisch. De zaal zat stampvol, mijn ouders, haar moeder, haar vrienden. Theaterprogrammeurs uit Vlaanderen en Nederland. Een subsidiecommissie. Mijn vriendenkring had ik verwaarloosd maar al wie de puinhoop had overleefd was aanwezig. Zij had een schitterend oranje jurkje aan en zilveren hakschoentjes. Ik zat strak in het pak. Enfin, na de voorstelling toch. Tijdens de voorstelling had ik een voetbaltenue aan en een teddybeer bij. Het had iets ontroerends. We scoorden met dat beginbeeld, dat wisten we. Het feest was geweldig, iedereen was lyrisch. Ik zweefde eens niet. Ik wist dat dit was wat ik kon en wat ik wilde en ik wist dat ik het niet alleen zou moeten doen. Zij was er en ik was er. We waren soulmates. Onze soundtrack bestond uit Motorpsycho en Grandaddy. De première was op vrijdag gevolgd door een weekend spelen. Na dat weekend was de volgende voorstelling op donderdag. We besloten drie dagen vakantie te nemen. We zouden elkaar pas op woensdag terugzien. Ik reisde op en af naar Gent. Op de terugweg, ik stond in het station van Breda te wachten op mijn aansluiting, rinkelde mijn telefoon. Ze was dood, zelfmoord. Haar moeder had haar die ochtend gevonden met een briefje naast haar tenger lijfje. Er stond: dit is wat ik wil. ‘Ik heb het nooit gezien’, prevelde ik voor me uit. Nooit voelde een perron killer aan, nooit sneed de wind harder. Iedere hap van een boterham met pindakaas proeft naar verlies, altijd.  

Gabriel Rooms
1 0

Wereldkampioenen vallen niet

We ‘loopfietsen’, mijn zoon en ik. Hij fietst en ik loop ernaast. We houden dat gemiddeld elf kilometer vol. Sinds we verplicht worden ons leven anders in te richten door, nu ja u weet wel door wat, doen we dit bijna dagelijks. Het is een manier om naast de nagebootste klasmomenten ook nog sportief bezig te zijn. Dat ik er met volle teugen van geniet weet ik wel zeker. We hebben een routine: voor het vertrek vraagt Jef aan mij waar we vandaag rijden. Ik zeg dan bijvoorbeeld: ‘Vandaag doen we Parijs-Roubaix’ of ‘nu doen we een bergrit naar de Mont Ventoux in de ronde Frankrijk’. Dan vraagt Jef me wie hij is en wie ik ben. In het geval van Parijs-Roubaix zeg ik dan bijvoorbeeld: ‘Jij bent Van Aert en ik ben Van Avermaet.’ Zo weet Jef dat Van der Poel een topper in wording is en dat die een pa heeft die ook nog renner is geweest. Dat De Gendt misschien niet de beste renner van het peloton is maar verdomd lang hard kan knallen. Dat ik liever heb dat mijn zoon de bolletjes dan de gele trui wint. Dat ik bij het lopen steeds een bandana draag ter ere van mijn grote held Marco Pantani, dat die Pantani twee bijnamen had Il Elefantino en Il Pirata. Dat Armstrong een klootzak is omdat hij Marco niets gunde. Dat Pantani al dood is, helaas, net als mijn ander koersheld VDB. Dat helden beter vroeg sterven, dan blijven ze naast held ook mysterieus. Dat die laatste stelling moeilijk valt bij een vijfjarige besef ik nu. We beslissen dus, kortom, wie we zijn en waar we rijden. En ik vertel een verhaal. Omdat we dicht bij huis willen blijven maken we steeds dezelfde boog rondom onze straat. Na ongeveer één kilometer rijden we altijd op een grindpad aan het spoor. Dat is het moment waar of hij of ik een versnelling plaats. Gisteren plaatste ik een splijtende démarage. Ik had direct een aantal meters. Stug bleef ik voor me kijken. Tot ik plots het gerinkel van een bel hoorde, het geschuur van metaal tegen kiezelsteentjes. Een eerste hoge, bijna ingehouden, schreeuw. Valpartij! Daar lag hij, prachtig te bloeden. Ik hielp hem recht nam zijn fiets en zette me naast hem in de berm. Hij huilde. Hij keek me aan en ik zag de ontgoocheling in zijn ogen. Hij verbeet de pijn. Ik nam hem in mijn armen en troostte hem. ‘Toen ik acht was, dat is maar drie jaar ouder dan jij nu bent, de grote vakantie was bijna gedaan, het was 28 augustus, toen werd er een wereldkampioenschap wielrennen gehouden in Ronse. Ik speelde met mijn blokken. Ik had de grootste en de mooiste brug gemaakt van de hele wereld. De gehele living was veranderd in een brug. Later die dag zou ik met mijn grote oranje vrachtwagen vervaarlijk langs de flanken van die brug naar beneden sturen. Ik voelde me nogal opgelaten. Omdat ik wist dat het bijna terug school was en ik wilde nog genieten van die laatste dagen, ik wilde alle momenten vanaf nu tot 1 september in me opzuigen, snap je dat?’ Jef, die beurtelings naar zijn zwaargehavende knie keek en naar mij, loog dat hij me snapte. Het huilen was geminderd maar de pijnlijke grimas bleef. ‘Mijn opa en mijn oma waren er. Mijn moeder had gebakjes gekocht, éclairs sowieso en tompoezen ook, ze koopt nu eenmaal al meer dan dertig jaar altijd éclairs en tompoezen. Mijn papa dronk koffie, net als mijn opa. Zijn grote bruine Ford Taunus stond statig op de oprit. Op de zijkant stond geschilderd in sierlijk witte letters: “kaas en melkhandel De Mulder”. Die grote Ford was een prachtige auto. Paste perfect bij het hoogzomer weer. Mijn oma breide een sjaal, de winter stond immers voor de deur. Dat ze dat zo zei deed me pijn. Ik wilde helemaal geen winter, ik wilde geen sjaals, handschoenen en vol gesnoten neusdoeken. Ik voelde me op slag huilerig worden.’ Ik zag dat Jef geen idee had waar dit verhaal heen ging, ik moest naar de kern. Ik wilde hem hier en nu, op het gras aan de spoorwegberm, met een rustende wereld aan onze voeten en de zon voor het eerst dit jaar als een bondgenoot aan onze zijde, een levensles geven. ‘Bij een Wereldkampioenschap rijden de renners steeds dezelfde rondjes, niet zoals bijvoorbeeld de Ronde Van Vlaanderen. Dan rijden de renners van punt a naar punt b, van start naar finish. De renners vertrokken en ik merkte een zekere stress bij mijn pa en opa. Mijn pa kon zijn been niet stilhouden en mijn grootvader dronk iets vlugger van zijn bier dan gewoonlijk. Signalen die er op wezen dat het er heftig aan toe ging daar in Ronse. Ik had toen nog weinig met wielrennen. Mijn brug was veel belangrijker op dat moment. Hoe dan ook gingen de renners de laatste ronde in. “Allee jong Crique maak het af man, dezju ik ben zenuwachtig”, zei mijn vader, mijn opa beaamde dat. “Sprint, hij maakt ze af”, mijn vader opnieuw. Ik keek nu voor het eerste sinds de start naar het televisiescherm. Een televisie trouwens zonder afstandsbediening. Je moest dus uit je zetel om die te veranderen van zender. Er waren toen wel minder zenders.’ Er passeerde een goederentrein langs ons. De wind maakte dat zijn haren wapperden en dat hij zijn ogen een stukje dichtkneep opdat er geen zand in zou vliegen. Ik zag hem net hetzelfde denken als toen die keer ik hem uitlegde dat wij vroeger muziek die we leuk vonden op een cassette opnamen, rechtstreeks van de radio. Donderen in Keulen. Langzaam plooide hij zijn knie een beetje op en neer. ‘”Ai ai ai, neen, neen toch. Hij is gevallen.” Ik zag de teleurstelling in mijn vaders ogen, de radeloosheid bij mijn opa, zelfs mijn oma liet een steek vallen, mijn moeder kwam uit de keuken kijken wat er aan de hand was, haar ogen schoten ogenblikkelijk vol compassie. Mijn brug viel in duigen. Claude Criquellion, de niet te kloppen, gedoodverfde winnaar die dag werd geen wereldkampioen. Na een laffe stoot van Steve Bauer eindigde zijn Wereldkampioenschap een paar meter te vroeg in een nadarhek. Gescheurd truitje en broek, bloed aan zijn knieën, tranen. Tranen ook bij mijn vader, mijn opa en bij mij. Ik leerde daar dat iets zo maar opeens, stomweg verdwenen kan zijn. Voor altijd. Weg! Iets waar je alles voor gedaan hebt, iets wat je heel graag wilde iets wat je bijna kon ruiken kon voelen, weg. Foetsie. De vakantie was voorbij.’ Ik knuffelde Jef, we legden ons nog even in het gras. Dat moment mocht van mij eeuwig duren. Net zoals alles met hem. ‘Papa, gaan we naar huis nu? Mijn knie doet echt pijn.’ Ik tilde hem op en hief hem in mijn nek. Vervolgens nam ik het fietsje op en liepen we naar huis. Jef nog nasnikkend van de val. ‘Criquellion is ook al dood’, prevelde ik nog.

Gabriel Rooms
8 0

Kermisdagen

De hond beet, dus moest de hond weg. Ik huilde om de pijn in mijn arm en omdat de hond weg moest. Mijn vader vloekte. Mijn moeder stond stijf van de stress. De prille zomerzon gaf onze tuin ondanks het huilen en vloeken toch een feestelijke teint mee. ‘Kom Pluto, we zijn weg.’ Mijn vader kreeg een krop in zijn keel. Mijn moeder verstopte zich diep in een keukenhanddoek. Ik wilde mee. Ik wilde weten waar de hond naartoe zou gaan. ‘Niets van, gij blijft hier.’ Aan duidelijkheid geen gebrek. Mijn vader joeg de hond in zijn blauwe Ford Taunus. Pluto keek me na. Met trieste hondenogen, alsof hij schuldig pleitte. Ik vergaf hem, maar te laat. Hij was weg en zou nooit meer terugkomen. Zelf liep ik de rest van de dag verloren in mijn eigen tuin. De zon scheen, het was net zomervakantie. De schommel schitterde in al zijn glorie. Ik ging zitten op het schommelbootje. Mijn moeder verdween kortstondig achter onze grote groengele doornenstruik. Om te roken. Ze keek me niet aan toen ze terugkwam en passeerde me met haar blik op oneindig en verstand op nul. Het was weer niet gegaan zoals ze had gewild. Ik gooide kiezelsteentjes in de voederbak van de hond. De ketsende steentjes klonken scherp, mijn moeder keek door het raam. Ik hing onderste boven aan de buis van de schommel en putte moed uit een wereld op zijn kop. Als alles omgekeerd was zou Pluto misschien toch terugkomen. Het bloed zakte in mijn hoofd en ik voelde me ongemakkelijk worden. Alsof ik te lang op een draaimolen had gezeten. Toen ik moest plassen ging ik achter het tuinhuis staan en piste op mijn handen. De buurman zag het. Ik dook weg in het hoge gras. Hij wilde iets roepen maar bedacht zich. Ik bleef op mijn buik in het gras liggen en volgde de bewegingen van een lieveheersbeestje. Het gleed van grasspriet naar grasspriet, vloog kortstondig en landde uiteindelijk op mijn arm. Ik sloeg het met een welgemikte pets dood. Zo een dood beestje ruikt heel scherp. De kerkklok sloeg vijf uur, de zon stond nog steeds hoog aan de hemel en van enige wind was geen sprake. In de verte hoorde je het geluid van een draaiende rups. Kermis! Ik was het vergeten maar het was kermis. Mijn vader hield niet van kermissen dus meestal gingen we niet. Hij was nog steeds niet terug, hij zal de hond toch niet gaan begraven zijn ergens in de Ardennen of zo. Een nieuw baasje, dat was de afspraak, toch? Ik keek naar het dode lieveheersbeestje en dacht aan Pluto en beeldde me in dat hij ook dood was. Zou je dat ruiken, een dode hond? Een natte hond wel, dat wist ik. Hij mocht nooit binnen als het geregend had. ‘Kom ’t is kermis, we zijn weg.’ Mijn moeder stond voor me, helemaal opgemaakt. Mooie jurkje aan, lippenstift. Haar lange haren in een dotje. Hand in hand liepen we over straat in de late middagzon. Trottoir op, zebrapad af. Parkje door recht naar het dorpsplein. Een oase van molentjes, viskramen, botsauto’s, suikerspinnen en zo veel meer. We kochten drie kaartjes voor het molentje. Met een beetje geluk kon ik de flosj pakken en had ik een extra ritje tegoed. Ik besliste vooraf waar ik in zou gaan. De brandweerwagen, koersfiets en de bus. Het ritje stopte en ik nam plaats in de prachtig rode brandweerwagen. Ik zwaaide eventjes. De bel, klaar voor de start. Met het draaien van de molen klonk er ook muziek door de boksen. Een soort synthesizer zette een zware beat in gevolgd door een elektronische drum. En dan de zang: “Dear, love is a burning fire Stay, cause then the flames grow higher Babe, don ’t let him steel your heart...” Ik keek mijn moeder aan. Ze moet die muziek ook gehoord hebben. Ze huilde zacht. Tijdens de wissel zette ik me onbewust op de koersfiets en bleef mijn moeder aankijken. “Brother Louie, Louie, Louie Oh, she’s only looking to me Oh, let it louie She is undercover…” Ze nam een witte zakdoek, veegde haar tranen weg en wuifde een beetje wanhopig rond. Dat is mijn moeder ze is de liefste van de hele wereld, maar ze is vergeten wat het is om lief te zijn. Ze houdt van mij en ze houdt van het leven. Ze huilt omdat ze dat zo een vreselijk schoon liedje vindt. Ze huilt omdat ze aan mij denkt en aan Pluto. Ze vindt mijn sponsen broekje en sandalen zo lief. Ze wil dat de wereld aan haar voeten ligt. En de wereld zou aan haar voeten moeten liggen. Iedereen zou moeten weten dat mijn mama toevallig de allerbeste mama ter wereld is. De molen hield andermaal op. Ik merkte nu pas dat ik niet eens meer geprobeerd had de flosj te pakken. We vlogen elkaar in de armen en gaven elkaar een knuffel zoals nooit tevoren. We kochten oliebollen en aten door onze tranen heen spaarzame hapjes met telkens ruim bloemsuiker. Ergens ver weg blafte een hond.

Gabriel Rooms
6 0

verloren zon

Het was bijna middag. De maan schoof voor de zon, de wereld viel even stil. Daar lagen we, stoned, uitgeteld en wel, bijna als in een droom. Drie vrienden, hand in hand. Er viel op dit middaguur een avondlijke stilte over de wereld, onze wereld. We lagen in de woestijn. Althans in een lap grond die wij de woestijn noemden. Een onmetelijke vlakte enkel afgebakend door de fabrieken achter ons en het kanaal Gent-Terneuzen voor ons. Rechts naast ons lag de jungle. Dat wat wij de jungle noemden. Het was een lange tijd geleden gesloten dierenpark. Er waren nog dieren: apen, panters, exotische vogels. De combinatie van die woestijnvlakte en het geluid van vreemde diersoorten maakten deze plek een haast mythisch bedevaartsoord voor ons. Er passeerde een olietanker richting Rotterdam. Fré Wes En ik. De zonsverduistering als laatste wapenfeit van onze puberteit. Fré zou gaan werken, Wes zou gaan trouwen en ik wist nog van niets. Misschien was studeren wel wat. Al bekeken ze mijn plan met argusogen. ‘Toneel? Je bent toch geen homo hé?’, prevelde Wes. ‘Nee, tuurlijk niet.’‘Heb je al gepoept dan?’ Het was er een keer bijna van gekomen. Als we op zaterdag niet naar het voetbal gingen kijken dan dronken we bier in ons gezamenlijk stamcafé ‘de zwaan’. Het leuke aan dat café was dat we onze eigen muziek mochten draaien. Er was nog wel volk maar niemand die het ook maar iets interesseerde wat er door de boxen schalde. We draaiden deftones en korn op onophoudelijke repeat. Het café lag vlak bij de overzet van Langerbrugge. Aan het kanaal dus. Het water klotste nerveus tegen de kade. De knipperlichten van het veer gingen onophoudelijk op en neer. Auto’s, fietsers, een verloren gelopen wandelaar gingen af en aan. Het lawaai van afgekoppelde buizen in de graansilo’s verzorgden buiten de beat. Het waaide er altijd en het was er kil. Wij waren er én een motorbende. Ze hadden van dit café hun schuilhok gemaakt en gedoogden ons. Wij geloofden dat het omgekeerd was. Dik Luckske en Schele Mario waren de voorzitters. Dik Luckske was dik en woonde nog bij zijn moeder. Ze bleef altijd wakker tot hij thuis was en werd dan kwaad omdat hij te veel gedronken had of, nog erger, ruzie had gemaakt. Schele Mario was scheel. Hij zou zich later te pletter rijden met zijn rode Kawasaki. Naast die twee waren er nog een aantal stoere mannen waar je best geen problemen mee kon krijgen. Omdat we bijna altijd weed bijhadden kregen wij nooit problemen. Dat de vader van Wez de beste vriend van Dik Luckske was kan eveneens in ons voordeel hebben gespeeld. In het kielzog van een motorbende verschijnen ook heel wat stoere meisjes aan het firmament. Sandra was zo een meisje. Ze was knap, na een aantal glazen bier deed ze me een beetje denken aan Jennifer Aniston. Als ik haar zag werd ik behoorlijk geil. Ik wist dat ik geen schijn van kans had. Ik reed toen met een Peugeot fox. Op de keper beschouwd een stomme brommer. Maar wel eentje die hard ging. Daarenboven was er plaats achterop. Om de een of andere reden was Sandra wild van die Peugeot fox. Op een zaterdag riep ze in het café van wie die peugeot fox die buiten stond was. Ik stak mijn hand op. Ze kwam naar mij en -toegegeven het was mijn dag niet- ze zag dat ik kriek dronk. Ze bestelde er nog eentje. We dronken hem samen op. ‘Gaan we eens rijden…op uw brommer?’‘Euh…Ja…Ik heb wel maar een helm bij.’‘Je kan toch rijden?’‘Ja, ja, zeker wel.’‘Wel dan. Kom we zijn weg.’ Ze had een neuspiercing. Haar broer zag het gebeuren en kwam bijna tussenbeide, maar ik was vlugger. We glipten naar buiten. Mijn brommer stond links van het café, rechts het water. Ik vroeg haar om even naar de kade te gaan. Kwam het door het verschil in temperatuur van binnen naar buiten. Of door dat venijnige water dat maar bleef jagen. Door de felle spot misschien. Ik weet het niet. Maar plots kotste ik daar op de kade het mooiste meisje wat ik tot dan had gezien helemaal onder. Ze ging naar huis. Sissend riep ze: smeerlap. Ik zag haar broer grijnzen. Later zag ik Sandra terug. Ze was zwanger van Dino. Een jongen die export dronk. ‘Ja vorig jaar op pukkelpop’, loog ik.

Gabriel Rooms
40 0

dierbare vijand.

Ge spreekt af. Na jaren. In hetzelfde café, steeds hetzelfde café. Niemand die weet hoe de avond zal verlopen. Ik niet en jij niet mijn vriend. Mijn maatje, mijn partner in crime in gedachten. Ik drink wat, want drinken verzacht de pijn van het zijn. Door beslagen ramen tuur ik over de rivier die vlak voor het café gesmeten ligt. Nergens ben je te zien. Je had niet hoeven afspreken. Ik snap het wel: tien jaar laat ik niets van mij horen en plots wil ik persé die zaterdagavond afspreken. Dan, vanuit de mist verrijs je. Nog steeds dezelfde kleren lijkt het wel. Nog steeds dezelfde snit. We veranderen continu en eigenlijk blijven we gelijk. Dat is onze bottomline. Hulde! Je schrijdt het café binnen, zelfzeker kijk je me aan. We zijn evenwaardig, ooit waren we beste vrienden. Het kan niet anders, fuck, dan dat we evenwaardig zijn. Je bestelt bier. Ik ook. Veel bier. We gaan buiten roken. Ik doe dat eigenlijk al twee jaar niet meer. Maar ik ga ervoor. Ik inhaleer zachte trekjes van een te zware sigaret. We praten maar komen amper uit onze woorden. De jaren bier worden ons daar en dan bijna fataal. Dat ik op je trouw was wist je niet meer. Maar ik wel. Jouw scheiding heb ik niet meegemaakt. Dat je op de dag dat mijn eerste kind geboren werd er was wist je niet meer, ik wel. Uw fucking oor hing er bijna af en je moest dringend naar de spoed. Dat trof, mijn vriendin moest kopen. Dat ik nog alles weet is jouw conclusie. Ik vergeet niets. We zijn eilanden, drijvend op zoek naar herinneringen en geschiedenis. Dat vind ik. Ik weet nu al dat ik nooit meer zal drinken. Niets meer, maar vandaag is de avond nog jong. Of ik nog drugs doe? Gelegenheid maakt de dief. Niet? Dus blowen we. Ik neurie iets dat lijkt op grunge. Je lacht. We drinken. Dus snuiven we. Vanavond gaan we kapot. Onze knieën zwengelen mee met god weet welke kutband. Het is een plaat dus het maakt niet uit. Het is verdomme koud en het waait. Dat we na vandaag toch nog moeten afspreken. Zouden we niet toch nog afspreken? Morgen als het kan. Maar het kan niet. Ik kan niet en jij ook niet. We struikelen waggelend naar de bar en smiespelen de barvrouw toe dat we drank willen: shotjes. Het is altijd maar kapotgaan. Ik vraag of je die nog kent? Wie? Die zelfmoord pleegde in ons klas door van een hotel te springen, vlak voor de examens. Dat ik daardoor mijn ouders kon wijsmaken dat ik er niet door was. Maar je weet het niet meer, ik wel, want ik weet nog alles, weet je dat nog? Eerder op de avond al gezegd. Het gaat van kwaad naar afgezaagd. Naar spaghetti aan het veer. Puisten op de kermis. Tegenwind naar Terneuzen. Boeken die er toe toe toe doen. Jij en ik. Ooit, altijd samen. Lachen gieren en brullen. Ik probeer, jij probeert. Maar er is iets fundamenteels verandert. Het leven heeft ons ingehaald. Het leven heeft ons pootje lap gedaan, jou iets meer, toegegeven. Ik draai en hang wat rond een barkruk die zo nu en dan net goed lijkt te staan om op te gaan zitten. Om dan toch finaal op de grond te eindigen. We moesten maar eens gaan of niet, nog eentje. Fuck, alle vrouwen zijn zot. Dat ze het niet zien. Ja, ze zien het niet. Hier niet, nergens niet, nooit niet. Er zijn nooit maskers geweest beseffen we nu. We zijn wie we zijn. De maskers zijn voor de anderen, de goegemeente met hun goede bedoelingen en hun verwachtingspatroon. We passen er niet in, weten we nu. Nooit niet, nooit gedaan. Pootje lap verdomme. Maar we rechten vanavond onze rug. We zijn een soort eeneiige tweeling. Dat gedoe, dat brother from another mother, wij hadden dat al eeuwen geleden. Eeuwen zeg ik u. Maar dan nog, wat maakt het uit. Barbecue en daarna boterhammen met salamie. Pukkelpop en uw tent kwijt zijn. Ik kan wel janken. Ik jank! Jij niet, je weet niet wat te doen. Je probeert een schouderklopje. Dan ga je pissen. Ik niet. Ik kijk je na. Drink onze twee shotjes en pinten in een ijltempo op, zoek mijn jas, geef de barvrouw vijftig euro en zeg haar dat de man met wie ik vanavond was de rest van de nacht mag drinken op mijn kosten. Ik sukkel op mijn fiets, kijk om in de bedampte ramen. Je komt uit het toilet en zoekt me. Ik geef plankgas, niet moeilijk. Rechtdoor altijd rechtdoor. Ik val en breek mijn beide knieën, het wordt wachten op een ambulance. Net voor ik het niet meer houd van de pijn en in zwijm val glimlach ik en denk: ik wist alles nog.

Gabriel Rooms
14 1

frame

Twee mensen. Oud. Allebei dragen ze dezelfde trui. Rood met een oranje streep in het midden. Ze rimpelen onophoudelijk rond elkaar en rond hun mobilhome. Die hebben ze al jaren. Vroeger was er niets, alleen maar werken en kinderen opvoeden, drie in totaal. In een rijhuis. Met twee verdiepingen. Dat rijhuis. Het leven greep hen genadeloos vast. Er was weinig tijd, ook niet voor elkaar. Spaghetti, spruitjes, koffie met melk. Het ging zijn gangetje. Kinderen werden groot, gingen weg uit het huis. Andere stad, ander land, ander continent. Die kinderen, met hun dromen, allemaal weg. Ze wilden ze bezoeken. Maar wisten niet hoe. Tot een mobilhome werd verkocht een paar straten verderop. Nog geen duizend kilometer op de teller. Iedereen blij en zij waren vrij. Het huis werd niet groter, maar hun tijd was minder afgemeten. Ze zagen hun kinderen. In dat nieuwe land, maar ook op de camping in de zomer. Ze zagen Dover in de herfst. Troosteloos. Maar het deed ze niets. Ze dronken wijn in een fris voorjaar ergens in de Dordogne. Ze reden met de mobilhome potsierlijk naar de bakker in de Provence. Om croissants en baguette. Ze reden de Waddenkust helemaal af. Zeehonden, strandjutters, zandstralen. Waar koers daar zij. Tour, Giro, Vuelta. Korte broek. Fototoestel om de hals. Onhandig zwabberend. Mee met de grupetto. Tot op een dag. De motorhome startte nog. Maar zij niet meer. Inmiddels een tienvoud van duizend op de teller. Ze keken naar elkaar. Gingen zitten in hun rijdende huisje. Ze namen elkaars handen vast en probeerden een kus. Ze waren vergeten hoe dat moest. ‘Ik van jou.’ Zei hij. ‘Ik ook.’ Zei zij. ‘Niet zonder jou.’ Zei hij.Zij zweeg. Nu wachten ze. Op niets. Allebei met dezelfde trui. Hij is bang haar te verliezen. Zij niet. Zij wint. Iedere keer. Koffie, spruitjes en vergeelde levens. Nog even bij elkaar. Ze laten bijna los. Korrelen als zand dat door vingers glipt.

Gabriel Rooms
29 0

Ford Sierra Cosworth

De helse oranje bol verwarmd zachtjes de koude aarde. Dauwdruppels vormen een kleurloos palet aan de hoge grassprieten. Hoewel nog koud is er reeds een vermoeden van lente. Een paard graast, een koe loeit, doelloos vliegen ganzen voorbij. Een eenzame vroege fietser raast voorbij. Natte aarde knispert onder zijn banden. Hij kijkt niet, die fietser. Hij ziet niets, eerder routineus haspelt hij zijn weg af. Enkele meters voorbij de weide met het grazende paard staat een afgeleefde Ford Sierra Cosworth. Een rode, gedeukt. De afgebladderde verf in de deuken is zo goed en zo kwaad vervangen door een andere rode verf. Iets wat er op lijkt, maar uiteindelijk toch lichter bleek van kleur. De cosworth heeft ook een spoiler en er zijn op de twee voorste deuren nummers geschilderd als was het een raceauto. Op de achterbank, scheuren en loshangend pluche incluis, ligt Timmy. Een sliertje kots ontsnapt zijn mond. Hij ziet er wit uit en rond zijn ogen lijkt zijn gezicht wat getrokken. Hij heeft een wollen jas aan. De eerste zonnestralen raken zijn pokdalig gezicht. Het gaat Timmy niet echt voor de wind. Nooit echte vrienden gehad. Behalve drank en drugs. Die staan hem al bij sinds hij zeventien is. Hij weet het nog goed. Niemand was aanwezig op zijn verjaardagsfeestje. Hij had nochtans iedereen uitgenodigd en bier en porno ingeslagen.  Zijn ouders waren weggegaan op zijn vraag. Toen er om zeven uur ’s avonds nog niemand was besefte Timmy dat langer wachten geen zin had. Hij nam de fles jenever van zijn pa en liet zijn keel branden door telkens wanneer hij een biertje opende een grote slok te nemen van de fles. De roes die volgde, bezegeld met porno, zou hem de rest van zijn dagen bij blijven. Sinds die dag zocht hij haar, maar vond niets anders dan misérie. Timmy heeft rituelen. Daar houdt hij strak aan vast. Gisterenavond was begonnen zoals iedere donderdag begint sinds hij werkloos is. Hij kocht in de carrefour een sixpack van de goedkoopste pils die hij vond. Die dronk hij vrijwel direct op terwijl hij in zijn studio naar muziek luisterde, ‘the scorpions’ of ‘twisted sister’. Hij vond ‘rock you like a hurricane’ een weergaloos nummer. Het paste bij zijn kwade én geile gevoelens. Wie dat kan was een hele straffe zo vond Timmy. Na zijn sixpack ging hij op jacht, zoals hij dat zelf graag noemde. Hij bezocht cafés waar hij wist dat er gedeald werd en ging op zoek naar goedkope drugs. Liefst speed maar echt nauw steken deed het niet. Hij dronk duvel op café. Altijd. Hij kon daar tegen. Soms werd hij getrakteerd, som trakteerde hij. Wanneer hij zijn drugs gevonden had snoof hij een lijn of twee. Dat hief de roes van de drank een beetje op en ging hij naar de hoeren. Hij betaalde een hoer liever iets extra en reed er mee naar zijn geheime nadenkplek. Stiekem hoopte Timmy dat op die manier ooit eens een hoer echt op hem verliefd zou worden. Dat zijn diepere laag zou komen bloot te liggen en dat ze daar als een blok voor zou vallen. Één keer dacht hij prijs te hebben: een Roemeens meisje toonde wel erg veel interesse. Ze bood zich, wanneer hij passeerde in zijn auto, telkens spontaan aan. Hij moest ook minder betalen bij haar dan bij anderen. Ze was niet lelijk maar wel een beetje dik, vond hij. Op een nacht gaf ze hem haar telefoonnummer. Direct ’s anderendaags stuurde hij haar een berichtje. Of ze zin had in een koffie. In gebroken Engels antwoordde ze om naar haar huis te komen. Hij nam zijn fiets en kocht twee éclairs. Hij belde aan bij het gammele huisje. De deur opende vanzelf. Hij stond in de gang. Gescheurd behangpapier en een weeë geur. Hij hield het doosje met de éclairs stevig vast. Hij voelde zijn handen zweten. Opeens ging er een deur open: een reus van een vent greep hem bij zijn kraag en sloeg hem twee keer hard in het gezicht. Daarna stompte hij hem in zijn maag. De reus zei Timmy ‘to leave my bitch alone’….terug buiten at hij alsnog een éclair. Een vogel zong een melodie die hem deed denken aan vroeger tijden. Toen hij gisteren opnieuw met een vrouw naar zijn nadenkplek reed gebeurde het ondenkbare. Hij vroeg haar of ze hem al even wou pijpen terwijl ze aan het rijden waren. Ze weigerde. Ze vond dat niet romantisch en wilde wachten tot ze ergens waren aangekomen. Hij vond dat flauw en werd kwaad. Hij gaf extra gas om toch maar snel terplekke te zijn. Dat vond zij dan weer niet fijn. Ze wilde eigenlijk weg. Timmy had haar al betaald dus vond hij dat hij recht had om met haar te doen wat hij wilde. Toen ze opnieuw weigerde hem te betasten sloeg hij haar op haar neus. Die bloedde meteen hevig. Haar wit nachtkleedje was direct besmeurd met bloed en snot. Ze huilde en vroeg haar te laten gaan. Maar opeens dacht Timmy na over alles wat er was gebeurd in zijn leven tot nu toe. Alle mislukkingen, alle valse hoop die hij meende te hebben gekregen. De hele wereld was tegen hem. Het leek wel of hij de stop uit bad had getrokken en alle water als een kolkende massa verdween in haar ogen. Hij sloeg haar nog en trapte op zijn gaspedaal. Hij reed harder en sloeg harder, zij weende alsmaar hysterischer. Zijn ogen schoten vuur. Zijn hart bonsde in zijn keel. Hij kwam bijna klaar zo lekker vond hij het wraak te kunnen nemen op iedereen. In een fractie van een seconde net voor de finale slag opende ze het portier en smeet zich uit de auto op de weg. Ze rolde de gracht in, een stiletto zwiepte de weide in. Timmy stapte uit, sloeg niet in paniek maar stak een sigaret op. Legde een lijn speed op de motorkap snoof die op en stoof er vandoor. Hij probeerde zijn auto niet ver daarvandaan te verstoppen en legde zich te slapen op de achterbank. Iemand zou hem wel wakker maken en dan zou alles voorbij zijn.

Gabriel Rooms
11 0

Greg Van Avermaet, een gelogen biografie

Olympisch kampioen, winnaar van een tourrit, laureaat Gent-Gent (omloop het Nieuwsblad, ik krijg het niet uit mijn bek), Flandrien van het jaar voor de elfendertigste keer. Maar waar liggen de roots van deze kampioen tegen wil en dank. Huivelde, een dorp die naam niet waardig, een gehucht een scheet geworpen tussen Hamme en Zele. Iedereen kent hier iedereen. Klei, Vlaamse klei daar is dit mormel uit opgetrokken. Zo spreken de inwoners ook: alsof er klei in hun keel zit. Hier hoort men de mensen nog verzuchten als iemand naar Lokeren of Gent trekt. ‘De grote stad, wat kunt ge daar gaan doen, wat in godsnaam hebt ge daar wat er hier niet is’. Wie naar de grote stad trekt dient zich trouwens terdege voor te bereiden, met de trein ben je algauw een halve dagreis onderweg. De trein, die stopt hier. Tussen de velden doemt hij op als een orakel aan duistere tijden, moderniteiten. Het klinkt gek, maar hier liggen de roots van Greg Van Avermaet, thans vooral bekend om zijn Olympische gouden medaille uit Rio. Olympisch kampioen blijf je altijd, wel Huiveldenaar ook. Op het kerkplein draai ik mee met de wind die hier om één of andere reden altijd hard schijnt te blazen in dit tochthol. Links een bedrijf voor veevoeders, rechts het kerkhof. Er stapt een boer op me af, hij komt uit het bankkantoor recht tegenover de kerk. Hij gebaart mij wat ik kom doen, niet agressief maar vriendelijk. Ik vertel hem dat ik een artikel wil schrijven over de roots van Greg Van Avermaet. Hij hoest in zijn zakdoek en laat daar een souvenir voor later achter. ‘Zijn opa ligt daar’, hij wijst op het kerkhof. ‘Toen Greg zijn eerste klassieker won kwam hij hier de bloemen leggen, zijn opa was toen net gestorven.’ De boer zwijgt even en kijkt richting het kerkhof. ‘Nu is Greg van iedereen, allee de mannen van Dendermonde zeggen nu dat hij enen van hun is. Dat was vroeger wel anders, toen hij nooit won, toen was hij maar van hier.’ Hier wonen geen winnaars. Hier wonen hardwerkende mensen, met het hart op de juiste plaats. Ze lijden kou omdat dat ze sterk maakt. Sommigen wonen hier al heel hun leven. Ze zijn van wieg naar graf amper een paar straten verhuisd. Ik stap richting kerkhof om te doen wat ik eigenlijk niet wil maar vind dat ik moet. Het graf van grootvader Van Avermaet bezoeken. Vlak voor het hek wat de buitenwereld scheidt van gene zijde tref ik staminee “ons huis”. Het jupiler reclamepaneel brandt zwakjes. Ik morrel aan het slot en in eerste instantie denk ik dat het huis niet open is, maar door het paarse raampje zie ik het silhouet van de barman, hij wenkt me nader te komen. Ik morrel andermaal aan de deur en wonderwel ze gaat open. Hier ligt mijns inziens het fundament van de Huiveldenaar die nooit opgeeft. Iets wat Greg typeert. Ik vraag een pils en krijg een lauwwarm biertje geschonken zonder kraag. De barman zegt dat hij beter trappisten kan uitschenken, omdat ze dat hier eigenlijk alleen maar drinken. ‘Ne goeien bruinen moet op temperatuur zijn’, ik knik maar hoop dat hij mijn vertwijfeling niet ziet waarmee ik deze wijsheid honoreer. Ik vertel hem dat ik op zoek ben naar het ontstaan van Greg Van Avermaet. ‘Dan moet ge bij Christian zijn.’ De barman monkellacht. Ik klok mijn bier naar binnen en vraag “ne goeien bruinen”. Ik krijg een voortreffelijk geschonken Westmalle dubbel. Het klopt: voor kattenpis moet je hier niet zijn, pils is voor mietjes, the real stuff wordt hier zoals het hoort uitgeschonken. Net als Greg, vanaf 200 km is hij de man, it seperates him from the boys. De barman verdwijnt van achter zijn toog en gaat de koer op. Ik hoor hem roepen, op Christian die daar klaarblijkelijk zit.   ‘Hij steekt hem weg voor zijn vrouw’, zegt de barman. ‘Sinds hij op pensioen is moet hij met haar mee naar de winkel en eens om de twee weken naar Zele op de koffie bij haar zus. Maar hij haat zijn schoonzus.’ Daar staat Christian of dat neem ik aan. Een verwilderde grijsaard met een baard en een vaalgroene body om hem warm te houden, een blauwe belga in de mond, het pakje half weggestopt in zijn overall. Een snelle introductie leert mij dat hij de elektricien was van het dorp. Hij had ook zijn eigen winkel. Ik vermoed een scoop. Waarom moest ik met deze man praten? Omdat hij een geheim bewaart? Omdat hij iets kan vertellen over mechanische doping? Het zal toch niet, het kan toch niet. En inderdaad, het kan niet. Christian vertelt een ander verhaal. ‘Hier in deze zaal spelen ze jaarlijks toneel, kluchten meestal. Ieder jaar iets anders, maar ik kijk nooit. Ik heb namelijk het beste stuk ter wereld al eens gezien. Dat was in 1982 in Zoersel en het was “Een poging tot verbetering van het werelduurrecord op rollen” getiteld. De zaal was tot een sporthal omgetoverd en er was, de gehele voorstelling bier à volonté en de acteurs speelden schitterend, pas op die mannen dronken mee hé. Dat was fantastisch. Al weet ik niet meer hoe ik ben thuis geraakt. Toch een eindje, van Zoersel naar Huivelde. Dat was met de zoon van de neef van de grootvader, die hier begraven ligt, van Van Avermaet. Diene mens kon drinken. We konden allemaal drinken, in die dagen was het altijd feest. Nu niet meer, nu is het gedaan. Ik geraak thuis niet meer buiten en als ik al eens weg geraak moet ik na twee uren terug thuis zijn, of ze wordt vies gezind.’ ‘Daarom dat we hier af en toe eens een frigo saboteren, dan kan hij hier komen werken’, fluistert de barman op geheimzinnige wijze. ‘Alleman helpt alleman, dat doen we hier allemaal.’ Typisch Greg, die vete met Gilbert, maar toch een trouwe soldaat blijven. Roots liegen niet natuurlijk. ‘Weet je, we doen hier aan Sinterklaas, ieder jaar. Het is praktisch ieder jaar hetzelfde. De chiro doet het meeste, maar toch spreken wij vanaf mei iedere dinsdag af om te vergaderen. Om het feest in te vullen, maar dan drinken we bier uiteraard. Want dat doen we graag.’ Uit interesse, naast wielrennen ben ik ook het theater zeer genegen, vroeg ik hoe dat zat met de plaatselijke toneelvereniging. De barman wist mij te vertellen dat de vrouw van de bakker, naar jaarlijkse gewoonte de hoofdrol vertolkt. Als ik vragen had moest ik maar eens bij de bakker langsgaan. Amper zaal “ons huis” uitgelopen, om de hoek van het kerkhof om precies te zijn daar bevond zich in een met heel veel glas omgeven pand: de bakkerij van Huivelde. Ik bestelde drie zachte sandwiches en –noblesse oblige- een rijsttaartje. Ik vroeg haar naar verhalen of anekdotes over de familie Van Avermaet, maar ze wist er geen. Ze dacht zelfs dat ik het over Waldek uit thuis had, want die heet zo van zijn familienaam in het echt want Waldek is slechts de naam van zijn personage in de soap, dat ik dat goed moest weten, maar dat die in Lokeren woonde. Ik vroeg haar dan maar naar het toneelgezelschap. Ze zuchtte. ‘We spelen ieder jaar een klucht. Omdat de mensen dan zouden kunnen lachen, maar we zijn niet echt goed en daarom lijken onze kluchten op tragedies, of zo. We zijn het slechtste gezelschap uit de regio, dat zei onze huisregisseur toch altijd, maar die is dood. Nu hebben we iemand die met ons het landjuweel wil winnen, maar dat is te hoog gegrepen. Zeker als we ook onze souffleurs een eervolle taak willen geven.’ Ze schikte haar kassa, ik had inmiddels de drie sandwiches en rijsttaart afgerekend. Ze trok haar schort in de plooi en staarde naar de blauwe lucht die verdacht verzadigd leek. ‘Onze souffleur, is geen gemakkelijke. Daar zouden ze beter eens een stuk over maken. Ze is 76 jaar en heeft al drie mannen overleefd.’ ‘Ongenadig lot’, en onwillekeurig dacht ik aan de val van Van Avermaet in de ronde van Vlaanderen. ‘Tja, en als het lot niet ongenadig is dan helpt ze dat lot wel een handje. Wees gerust haar eerste man is niet zomaar gestorven.’ ‘Ze heeft hem zelf van die trapladder geduwd. Hij was een licht aan het ophangen voor onze voorstelling en hij is volgens de officiële versie van het trapje gesukkeld omdat hij een draaiing had, maar dat geloven wij hier niet. Ze heeft er hem afgeduwd omdat ze een ander wilde. Maar ja, we zwijgen hier allemaal altijd over alles.’ De omerta. Geen wonder dat Greg zich staande houdt binnen de harde wereld van het peloton als je uit de noeste woestenij komt, waar de regel oog om oog, tand om tand geldt. Toen ik Huivelde verliet werden de verschillende plekken waar ik geweest was steeds kleiner als stipjes in de verte. Sterren die nog een laatste flikkering aan ons schenken net voor ze tot eeuwrest verworden. Het spoorweglicht stond op rood, een trein verliet het kille station, gij die hier vandaan komt laat alle hoop varen. Niet zo voor Greg. Hij bleef hopen, tegen beter weten in, tegen wil en dank en tegen weer en wind. Een kampioen zonder franje, met amper een lach maar des te meer verbetenheid om de lippen. Ik liet zijn roots voor wat ze waren en stoof weg, omdat stuiven zo nu en dan eens leuk kan zijn. De toekomst lacht me toe. Greg Kasseivreter Massa verslinder Ongelijk strijd je met De krachten der natuur Klapwiekend bijt je jezelf vast In Overwinning Die krachten kost en lijkt op Pyrrus Omdat leven Lijden Op de fiets is  

Gabriel Rooms
21 0
Tip

Il bimbo d’Oro

  Oostakker. Godvergeten gat tussen haven en Gent. Twee hoeren werden zwanger zagen de vlucht over het kanaal niet meer zitten, bleven plakken aan de oever en Oostakker werd gebeuren. Onheuse figuren, het geluid van kloppende heipalen die de grond inboren als de pik van een dronken lor die in eender welk gat verdwijnt desnoods dat van zijn eigen zus. Alles stinkt naar gist van de gistfabriek en papier van de papierfabriek, een murwe geur die door alles heen dringt. “Oostakker is een tijdbom”, wordt gefluisterd, “’s nachts passeren hier treinen uit het Ruhrgebied met vuiligheid, als daar ooit een ongeluk mee gebeurt is ’t hier gedaan”. Midden jaren negentig viel er voor een puber weinig te beleven in dit rovershol. De bende van de Spin terroriseerde de twee parkjes die er waren zodat iedereen daar wegbleef en zij in alle rust een drugsdeal konden sluiten. In het blikje cola van de zoon van De Witte werd olie gegoten zodat zijn slokdarm wegbrandde, dit als een vergelding omdat hij met de politie had gebabbeld. Voor de rest was iedereen Johnny en nam xtc, ging in het weekend naar dancings ‘The Cherry moon’ of ‘The Boccaccio’ en reed op camino’s, op het voetpad. Niets was er, behalve ‘worst case scenario’ de prachtige debuutplaat van dEUS. ‘Right as rain’ mag de soundtrack van mijn jeugd worden genoemd. De gitaar van Barman die klinkt als een wegrijdende goederentrein. De einder vervulde zich met dromen, waar wij niet konden komen, simpelweg omdat er hier geen andere trein stopte dan die naar het Ruhrgebied. dEUS dus en twee keer per jaar een kermiskoers voor professionele coureurs. Ook dat bood troost. De kermiskoersen gingen gepaard met –uiteraard- kermis in het dorp. Ik was te oud voor de molentjes en het viskraam. Doch dat kon de pret niet drukken. De woensdag voor de kermis was er koers. Mijn grootvader, mijn vader en ik stonden aan de oprit van ons huis reikhalzend uit te kijken naar de wielrenners die ongeveer vijftien keer zouden passeren. Ieder jaar was er een pleyade aan renners te bewonderen en als het even meezat gingen we op handtekeningenjacht. Ik herinner me de handtekening van Jelle Nijdam en Sean Kelly. Ik bewaarde ze in een schriftje. Mijn grootvader had verstand van de koers en kon voorspellen wie er zou winnen, mijn grootvader had het bijna altijd mis. Waarom al die renners net naar Oostakker afzakten is mij tot op heden een raadsel. Oostakker heeft bergen noch kasseien. Wel twee bruggen (de lourdesbrug en de brug naar Gent) en een wegel (de mostwegel) maar daar kan je bezwaarlijk een moeilijk parcours van maken. In 1994 was er in maart de eerste koers van het jaar. Het regende licht (maartse buien, aprilse grillen, u kent dat, de winter is nog niet goed en wel over of hij laat weten bij monde van een kille wind dat hij nog wel eens terugkomt). Mijn grootvader was toch met zijn fiets (een oude oma’s fiets) tot bij ons gereden. Mijn vader had het deelnemersblad bij. The usual suspects reden mee. Toen kwamen we bij de lotto ploeg en hoorde ik voor het eerst zijn naam: Vandenbroucke. Blijkbaar was hij een groot talent. Iedereen die toen de koers volgde wist dat hij vroeg of laat zou ontploffen en de ene klassieker na de andere winnen. Hij kon immers alles aan. Van Milaan-San Remo tot Luik Bastenaken Luik, hij kon het allemaal zo luidde de prognose van de kenners waaronder mijn opa. En die VDB zou vandaag starten hier in Oostakker. “Een paar rondjes natuurlijk en hij geeft op”, ik hoor het mijn pa nog zo zeggen. Vlak voor de koers reden de coureurs zich een beetje los op het parcours. Hij passeerde, een kuif en een zonnebril, dat herinner ik mij van die eerste ontmoeting. “Een paar rondjes en hij geeft op”. De waarheid was lichtjes anders. Voorafgaand had zijn nonkel en ploegleider Jean Luc geëist dat Frank die dag in functie van de ploeg in Oostakker zou starten. VDB zelf had blijkbaar weinig zin, het was een gure dag en hij geloofde meer in een doorgedreven training in de Moeren of in de Vlaamse Ardennen. Maar Jean Luc was onwrikbaar, hij moest en zou starten, hij was een neoprof en moest niet te hoog van de toren blazen. Hij moest koersen en leren en zo een koers was ideaal. Maar VDB was niet overtuigd. In weerwil van zichzelf werd hij opgehaald door zijn nonkel. In de auto was het ijzig stil. Althans dat stel ik mij zo voor. VDB zat zichzelf op te naaien. Het werd steeds gekker in zijn kop. Moest hij naar dat stomme Oostakker, daar word je toch helemaal geen prof voor. Welke eer valt daar te halen, de bloemenmeisjes zijn daar vervangen door dronken krantenboeren. VDB kleedde zich om in de garage van iemand uit de buurt. Dat was toen zoals het ging, renners belden aan een willekeurige deur aan en vroegen of ze een teil water mochten gebruiken en zich in de garage omkleden. Hij verkende het parcours. Fietste met tegenzin naar de start. En knal: hij startte. Het was koud, wij stonden te kijken, mijn opa stond te vezelen mijn vader stond te roken ik was aan het dromen van een eigen wielercarrière mijn moeder deed de was en mijn zus luisterde op haar kamer naar the spice girls. In de eerste ronde reed één renner voor een jagend peloton uit: VDB. Het waaide. In de tweede ronde had hij al een halve minuut voorsprong. Mijn opa paste snel zijn tiercé aan. In de derde ronde reed hij het peloton op een minuut. Ik zag een god die neergedaald was op aarde, hier in Oostakker, uitgerekend hier, zo vlak bij Lourdes waar een replica van de echte grot van Lourdes de pretentie heeft een bedevaartsoord te zijn! In de vierde ronde was er van een peloton geen sprake meer. Eigenlijk had de koers toen geneutraliseerd moeten worden want hij had te veel voorsprong op de rest. Maar niemand durfde dat te doen. Ik denk dat hij won met vijf minuten voorsprong. Hij was zo kwaad dat hij alles en iedereen op een hoop fietste. Hij kwam zijn bloemen niet halen en zat na de koers boos te mokken in de auto. Laat u niets anders wijsmaken: de eerste professionele zege van Vandenbroucke was in Oostakker. Toen werd het later en alles werd anders. Datzelfde jaar ’94 stierf mijn grootvader een paar dagen na zijn verjaardag en op de start van de wereldkampioenschappen voetbal in Amerika. Ik bleef over met mijn pa. Ik kreeg een koersfiets en fietste bij de nieuwelingen. Niet goed, maar toch met goesting. VDB’s carrière nam een vliegende start. Hij won meer en meer, maar er kwamen roddels en er was misérie met vrouwen met doping met contracten. Het werd ook toen steeds gekker in zijn kop. Uiteindelijk stierf hij. Alleen, in Senegal. Ik werd geen coureur, er was zelfs een tijd dat ik amper een paar kilometer achter elkaar kon fietsen zonder krampen. Ik bleef geloven in een come back, niet alleen van mezelf maar ook van VDB. Zelfs nu hoop ik nog op een wederopstanding. Want met een vingerknip denk ik terug aan dat magische jaar: dEUS op de radio en god op de fiets.

Gabriel Rooms
34 0