Thomas De Mulder

Gebruikersnaam Thomas De Mulder

Publicaties

Courage.
Uitgegeven door uitgeverij Devries-Brouwers, Antwerpen. Oktober 2022

Prijzen

Teksten

Via R4

Vanaf zijn appartement, drie hoog, had Adelbert een prachtig zicht op de R4. Vele mensen zouden neerkijken op dit uitzicht en deze ligging maar Adelbert niet. Het constante spel van wagens, vrachtwagens en motoren, het leken wel filmpersonages, maakte dat hij ’s avonds amper televisie keek. Hij keek jaloers naar durfallen op de motor die nog bij het net op rood gesprongen licht passeerden en zo het ruime sop kozen waar anderen, ter plaatse trappelend, moesten wachten om mee te springen. Hup de wijde wereld in. De wijde wereld zelf was voor Adelbert geen must. Iets te vaak is hij het spoor bijster geraakt. Zo moest hij eens op controle naar het ziekenhuis voor een malle bijnier. De afspraak stond gepland om 10 uur. Adelbert was mooi op tijd aangekomen met de bus, zijn moeder verbood hem de fiets te nemen door de drukke ochtendspits, en braaf had hij zich aangemeld aan de balie. Hij kreeg een nummer en een route die hem naar het juiste kabinet zou leiden. In de lift al wist Adelbert niet meer precies waarheen. Hij werd gevonden in het mortuarium, het tijdslot voor de controle van zijn bijnier was inmiddels verlopen, dan maar huiswaarts en hopen dat alles het houdt. In dat mortuarium, zo oordeelde Adelbert, was het minder stil dan hij had verwacht. Niets sereen. Ook de doden kampen met overlast, bedacht hij. Er speelde muziek uit een radio, geen dodenmars maar vrolijkheid in plastic. Af en toe kraakte er iets, zo nu en dan sloeg de koelinstallatie aan. Neen, prettig toeven was het daar niet. Alle mensen die hier liggen zijn binnen de week weg van deze aarde. Dat zijn ze in wezen al, maar straks zullen ook hun fysieke resten niet langer onder ons zijn. We gaan er allemaal aan, dat is het punt niet, maar hier, op deze plek, is het zo tastbaar.  Toen hij thuis was vroeg zijn moeder, hij had afgesproken eerst daar te passeren, hoe het ging. ‘Niets gevonden’, loog hij. Op de keper beschouwd loog hij maar één letter “niet gevonden” was waar, maar dat zou voor gedoe zorgen. En er was vandaag, en alle andere dagen, al gedoe genoeg. ‘Ga je maar wassen, je stinkt’, zijn moeder wond er geen doekjes om. ‘Maar moeder.’‘Naar ziekenhuis, je stinkt naar ziekenhuis. Daarbij, daar zitten allemaal bacteriën op de klinken en stoelen. En je hebt de dokter vast en zeker een hand gegeven. Daar zit ook vuiligheid op, op dokters.’ Gedwee gehoorzaamde Adelbert, hij sjokte naar de badkamer. De roze tegel deed zijn maag altijd een beetje keren. ‘Neem het blauwe washandje, ik heb dat maar één keer gebruikt, zaterdag’ riep zijn moeder hem na. Nadien aten ze karnemelkpap. Zwijgend. Adelbert dacht aan zijn raam dat uitkeek op de R4 en de wijde wereld.

Thomas De Mulder
13 0

Lied van vroeger

‘We doen zijn jasje uit.’Het konijn hing ondersteboven uit te druppen. Keeltje door. Mijn grootmoeder wreef het mes met haar schort proper en depte haar neus met een zakdoek. Ze was niet ontroert omdat het konijn, inmiddels zonder jasje, ondersteboven hing te bengelen. Een verkoudheid noopte haar tot het meermaals snuiten der neus. Haar bril besloeg. Buiten slurpte mist het landschap op. Ergens joeg een paard zijn dromen achterna. Ze sneed met een achteloze precisie het buikje van het beestje open. Met haar lieve, oude handen, dezelfde handen waarmee ze mij knuffelde en streelde, voelde ze aan het buikje. Alsof ze een puzzel legde zorgde ze ervoor dat de organen klaar lagen om uit de buikholte te vallen als muntjes in het lunapark. De glimlach rond haar lippen maakte het tafereel vrediger dan het was. Het routineuze waarmee ze handelde gaf het iets gevaarlijks. De buurman stookte een vuurtje in een vat. Het verbrand rubber van oude banden overstemde iedere andere geur. Ik kreeg tranen in mijn ogen. Misschien was niet enkel de rook te scherp maar ook het leven dat zich aan mij presenteerde. Kippen pikten schraal graan. Later aten we het konijn met kroketten. We dronken tafelbier, ik wou dat ik roes kon proeven. Het huishondje week niet van de tafel. Nu vraag ik me af waar ze zijn de konijnen uit mijn jeugd. De talloze gevilde beestjes. Zullen ze, ontdaan van leed, hun opwachting maken wanneer ik oversteek naar gene zijde? Zullen ze, in een tijdscapsule, me terug mee nemen naar de jaren tachtig? Toen het gat in de ozonlaag het enige gevaar was dat op ons afkwam. Toen de Sint ook mijn schoen nog vulde en zomers eindeloos leken. Toen winters koud waren en al de rest nat.

Thomas De Mulder
19 0

Een kale reis.

In de laatste sigaret op Spaanse bodem proefde ze de ontgoocheling van een reis die voorbij was en niet had gebracht wat ervan te verwachten viel. ‘Een kouwe kermis’, dacht ze terwijl ze naar de homp vlees keek die onhandig in een rieten hotelstoeltje gepakt zat en haar ex was. Zijn ogen diep in z’n kassen, zoekend bijna, naar het laatste beetje ziel, aangetast door drank en het leven zelf. Hologig staarde hij naar de luttele druppeltjes bier in zijn glas. Hij mompelde iets als ‘in schoonheid afsluiten’, maar kwam niet uit zijn woorden en koos voor turen in de verte in plaats van moeite. De reis was geboekt toen ze nog geen exen waren. Het was misschien allemaal een beetje te snel gegaan, achteraf gezien. Maar achteraf is het zicht altijd beter dus dat telt niet. De luchthaventaxi’s kwamen bij bosjes aangereden en verzamelden zich voor de ingang van het hotel. Mannen met hemden, uit hun broeken, hielden zich in stilte bezig. Toeristen sjokten hun valies achter zich aan, de vakantie was gedaan en de frons in het voorhoofd kneedde zich weer als vanouds. Waar was het fout gelopen? Waar tegen was de relatie niet bestand geweest? Kon hij nog zeggen waar de schoen wrong? Zei hij maar waar het gekneld zat, dan kon ze daar iets aan doen, maar hij zei niets. Nooit echt gedaan. Was ze toch in de val getrapt. De val van blijvend polonaise springen terwijl het feest over was, willens wetens melden dat alles prima was terwijl de duisternis haar intrede deed. De val, die ontzettend venijnige val, dat leven passeert zonder grip op de teugels. ‘Ik mis je en ik wil een knuffel’, hoopvol keek ze zijn kant op terwijl ze deze zin schoorvoetend en verlegen mompelde. Hij zag haar mond buigen en tuiten. Dat er woorden te horen waren wist hij al verstond hij ze niet. Hij dacht aan die keer met dat feest, dat er Duvel was en dat hij met drie anderen om ter hardst had gelachen om niets. Een lach die vanuit de onderbuik resoneerde, verder opzwol in de keelholte en vervolgens los liet in de met vlaggetjes en flauwe spots beklede feestzaal waar het betrekkelijk warm maar dus tamelijk donker was geweest. Het geluid klokte. Zo bleven ze bezig tot ze uitgeteld waren. Gek toch dat ik daar nu aan denk, op een terras in Benidorm. Hij greep zijn pint vast en proefde het genot van een goudgele rakker die zijn mond fris spoelde. Ze was gestopt met praten, dat kon hij zien. De taxichauffeurs, die eerder rustig stonden te wachten, maakten nu meer lawaai en begonnen actief mensen te ronselen. Ook voor hen was het tijd om te gaan. Dus dat deden ze. Er gebeurde niets en dat was goed zo. Straks, na de vlucht, was er weer bier. Doordoen dus. Onzeker waggelend naar een zeker einde. Lachen, vast en zeker. 

Thomas De Mulder
18 0

Ieper

De weg naar Ieper is lang en saai ook op één van de eerste zonnige dagen dit voorjaar. In de auto heerste sereen de stilte die er kan zijn wanneer twee mensen die onvoorwaardelijk van elkaar houden in dezelfde ruimte verkeren. Met mijn zoontje van net geen 10 reden we op weg naar zijn eerste wielerwedstrijd. De fiets rammelde in de koffer, het fietsrek was niet op tijd geleverd. Nerveus parkeerden we de auto ver voor het afgesloten parcours. We moesten dringend plassen dus we liepen een eindje een veldje in en schuilden achter een boom. Ondertussen kwamen campers, mono volumes en andere station wagons slag om slinger de andere parkeerplaatsen bezetten. Beter voorbereidde vaders voelden met hun handen in de lucht of er wind was, hoeveel wind er was en waar die wind vandaan kwam. Tevens inspecteerden ze de weg. Ze fietsten zelf een ronde op het parcours en bekeken daarbij de staat van het asfalt. ‘Ik leg er de Schwalbes op’ hoorde ik een vader in feilloos Vlaams Brabants stamelen tegen zijn kind. Hij haalde de sleutelkoffer uit een onzichtbare schuif en begon de juiste wielen vast te draaien. Wij aten ondertussen peperkoek met onze pishanden. Met parelsuiker. We stapten het parcours op om ons in te schrijven. Ik probeerde professioneel te ogen door af en toe wat onbestemd met mijn voet op de grond te stampen en te proberen op een intelligente manier te spieden naar de bochten die voor ons lagen. Indruk maakte ik niet. Links de inschrijfstand, rechts de drankstand. Beter kijken deed me beseffen dat ik niet de enige vader met een korte broek was, wel één van de weinigen die z’n beenharen niet geschoren had. Gelukkig kon ik met payconiq betalen. Het hamburgerkraam ging open, de barbecue aan. Krakende boxen deed schlägermuziek schallen. Ik twijfelde om een hamburger te nemen, zoals ik altijd twijfel om een hamburger te nemen. We zochten nog even verkoeling en rust in de auto. De bass achtervolgde ons. Soundtrack bij de heersende stress. Ik voelde okselvijvers. Ik kon ze ruiken ook. Ik depte mijn voorhoofd met zijn handdoek. Hij dronk en at, zoals we van te voren hadden afgesproken. We snoerden zijn nummer op en begaven ons naar de startzone. ‘Doe niks gek, probeer gewoon uit te rijden’. Hij knikte alleen maar. Als drukke mieren verzamelden alle rennertjes zich in de buurt van de meet. Een jongen was zijn schoenen vergeten en stond daar met fiets op slippers. Kwaad woei hij zijn moeder verwijtend toe onmiddellijk de schoenen te gaan halen. De moeder, haar knieën verrieden een zwaar leven, schoot in colère naar de auto, druk bellend met papa die ‘godverdomme’ die schoenen toch wel had kunnen meebrengen. We keken elkaar nog een keer aan vanonder onze zonnebril. Iemand schoot, een pistool knalde. Ik was hem kwijt. Het gemis kwam in golven. Iedere rond werd de afstand groter. Ik miste mijn eigen vader, hoe die daar gestaan had bij mijn eerste koers, toen. Ik coachte niet, klapte amper. Ronde drie van zeven herstelde hij zich enigszins. In het geroezemoes rondom mij herpakte ik mezelf ook een beetje. Ik voelde, nu de rust was neergedaald, een zekere leegte. Waarschijnlijk mis ik gewoon mezelf. Ronde vijf was er contact. Onze ogen berusten in dit moment. Ik hield van hem, wilde dat roepen. Dat ik van hem hield. Hoe hij daar fietste.   Hij finishte anoniem achteraan het peloton. We waren blij. Ik weet niet waarom hij vrolijk was maar ik was trots op hem, op zijn lokken die als manen wapperden, op zijn lijfje sterk en buigzaam. Op dat wie hij is kortom en waar hij het mee zal moeten doen.

Thomas De Mulder
23 0

Senna

1 mei 1994 was een zondag. Ook een feestdag maar dat voordeel viel dus weg. Op zondag was iedereen sowieso vrij. Ik speelde buiten, een beetje doelloos. De tuin stond pril in bloei. De kleur van de dennen viel mij toen nog niet zo op, later zou dat veranderen. Verderop joeg iemand vuur in z’n barbecue, kool en kruid mengde zich tot een smakelijke geheel. Wij hadden thuis geen talent voor gezelligheid dus wij barbecueden nooit. Wel aten we friet, altijd op zondag, het is vrij aannemelijk dat we die zondag ook frieten aten. Omdat het een feestdag was waarschijnlijk met vol au vent. Ik hield en houd nog steeds van vol au vent. Mijn moeder, geen keukenprinses nochtans, verstond de kunst om net te veel te maken. Ik weet niet of we “Renni“ hadden, dat hielp ‘snel en effectief’ deed de sterreclame ons geloven. De vrouw van de reclame was een stewardess, wij vlogen nooit. Ik droomde vaak over vliegen maar we hielden het bij varen, dat was nog heldhaftiger. Op en af naar Canterburry…Londen als onbereikbaar bastion iets verderop. Op 1 mei 1994 speelde de radio. Het geluid kraakte de keuken uit en had tot halfweg de tuin een fijn bereik. Wie verder zat moest af en toe naar binnen om te luisteren. Om de zoveel tijd werden we bijgepraat door een, wat saaie, radiostem met updates over diverse sportmanifestaties. Er zal wel ergens een koers geweest zijn, een eindeseizoenswedstrijd. Ik hoorde verhakkelde consternatie. Liep dichter naar de radio toe. Ik wist niet goed wat of hoe maar er was een ongeluk gebeurd. Senna was van de baan geraakt. Ik gaf en geef nog steeds niks om formule 1. Wel had ik posters op mijn kamer van Thierry Boutsen en van Ayrton Senna. Die hingen daar al altijd. Misschien waren ze van mijn pa of heeft iemand die daar gehangen omdat ik een jongen was en vond dat dit moest. Ik herinner me vaag dat er op de poster bij Boutsen ook reclame stond voor ton ton tapis. Op de poster van Senna herinner ik mij de Marlboro bolide. Dat zag er goed uit, die man zelf ook. Een poster met ergens een verwijzing naar Marlboro zou nu waarschijnlijk niet meer opgehangen worden in een kamer van een kind. Ik had ook een foto van een rallywagen (uit het Rijk der vrouw) met Camel op. Die vond ik nog gaver. Ik heb altijd meer Camel dan Marlboro gerookt. Roken was nog net in toen ik er aan begon. Wij moesten soms sigaretten halen voor onze ouders in de krantenwinkel. Mijn vader kwam ook luisteren, we stamelden wat. Later kwam het nieuws toch als een schok: Senna was dood. Icoon uit mijn jeugd, omdat zijn foto aan mijn muur hing. Krullenbol net als ik. Nu dertig jaar later leer ik pas wat de impact van zijn overlijden is geweest. Een natie in rouw. Een land op de rand van een depressie. 1 mei 1994, een dag die geen geschiedenis verdiendemaar zich toch in ons geheugen wist te griffen.

Thomas De Mulder
13 0

1994

Op dinsdag 5 april 1994 overleed Kurt Cobain in Seattle. Ik was toen met school op paasreis naar de Dordogne. Internet bestond nog niet dus we wisten nergens van. Hoewel ik me Cobain nog goed herinner, weet ik van die reis dan weer niets meer. Als ik heel diep graaf meen ik dat we ellenlange busritten hebben doorstaan, op zoek naar uitstappen. Een grot hier, een Victoriaanse tuin daar. Ik had een fototoestel en weinig vrienden, dat weet ik nog. Een leerkracht had zijn dochter mee, een heel mooi meisje, zeker in vergelijking met die leerkracht: een kolos met een brede kraag en een overdaad aan lavendelzeep. Andere leerkrachten hadden hun vrouw mee. Nog een andere had stiekem drank meegesmokkeld, dat bleek een probleem en werd later zijn dood. De dood was overal in de jaren negentig. Dood en regen, meer niet. De Dordogne, het zal best een mooie streek zijn, sinds die reis, en nu ik zelf bepaal waarheen de trip gaat, mijd ik die plek altijd met een brede boog. Op donderdag 7 april kwamen we thuis, mijn moeder stond me op te wachten aan school. Mijn zus ook, ze was misschien blij dat ik terug was. Misschien. Mijn vader was er niet bij, die was nog aan het werken. Toen ik in de auto naar huis reed en door de achterruit keek werd het meisje steeds kleiner, ik dacht dat ze zwaaide, nooit zag ik ze nog terug. ’s Avonds, ik had proberen vertellen wat we allemaal gezien hadden, stond mijn vader te drinken. Ik stond erbij. Wij dronken nooit zittend, altijd quasi gehaast staand. Hij boerde en zei, zeer achteloos dat er nog een zanger gestorven was. ‘Wie?’‘Ik weet het niet, een zanger, zo een populaire.’‘…van Metallica?’‘Neen, niet Metallica, dat zou ik weten. Van die met die gitaren.’‘Pearl Jam?’‘Ja.’‘Eddie Vedder, van Pearl Jam.’‘Ja die, zeker weten! Enfin ik ga slapen.’ Ik was meer fan van Pearl Jam dan van Nirvana gebied de eerlijkheid mij te zeggen. Hij liet me staan in een koude keuken, het ongezellige licht brandde tot in mijn ziel en de koelkastmotor sloeg aan en maakte een stil zoemend geluid. Een Zanussi, huwelijkscadeau. Ik spoelde Ten, de debuutplaat van Pearl Jam, steeds terug op mijn walkman die nacht. Toen ik wakker werd na een koortsig slaapje aten we brood met paaseieren. We moesten naar oma en opa, mijn vader, die verlof had, zou daar het gras afrijden. Voor we vertrokken sloop ik de gang in en belde met het vaste toestel naar mijn makker Wesley die me vast en zeker meer zou kunnen vertellen. ‘Het was Kurt Cobain.’‘…’ ‘Fuck you gast, ik ben er kapot van.’ Wes en ik waren vrienden. We hielden van korte, duidelijke boodschappen. Dat ik Eddie Vedder verwisselde met Cobain was voor hem onvergefelijk. Hij was niet mee naar de Dordogne, ik wou dat ik ook thuis was gebleven, ik had hem kunnen troosten, al moest ik daarvoor met de fiets over het veer naar het verre Evergem.  Mijn grootouders hielden kranten bij. Ik onderschepte de kranten van de dagen voordien, reportages bladzijden lang over de erfenis van Kurt Cobain en Nirvana. Dat duizenden jongeren over de gehele wereld een rolmodel kwijt waren  en ontroostbaar erkenning zochten. Mijn vader zwoegde zich door de kleine tuin met de elektrische maaier in zijn kielzog, de zon viel plomp op de keukentafel die aan het raampje stond dat uitkeek op de koer. Niemand zei iets, ik wou wel maar niemand luisterde echt. 1994. Eilanden waren wein een te grote oceaan. Vakantie was oneindigwachten tot het over wasde uitdaging. Eenzame dagen koortsige nachtengrunge zorgde tenminste dat Amerika iets dichter leek. Meer donker en regen Nu zijn er geen Zanussi’s meer. Later dat jaar vielen we als een blok voor Korn, nu metal, maar niets was ooit nog hetzelfde zoals dat altijd gaat. Niets is ooit nog hetzelfde na de val. 

Thomas De Mulder
21 0

De stand van de middenstand part II

Karolien hoorde het slot klikken. Ze probeerde nog een spurt tot de deur maar haar vermoeide benen sneden haar de adem af. Gespannen keek ze rond zich heen. Omgeven door karkassen zakte de moed haar in de schoenen. Een koelcel openen van binnenuit kan niet. Er was niemand meer in de winkel of het atelier en thuis wachtte niemand. Haar ouders zouden haar op termijn wel beginnen missen, daar was ze zeker van en sowieso: als de beenhouwerij morgen niet opengaat en de eerste klanten, altijd dezelfde klanten, voor een gesloten rolluik staan zal er alarm geslagen worden. Allemaal te laat natuurlijk. Tegen die tijd zou de kou die zich als een sluipmoordenaar rondom haar manifesteerde haar helemaal hebben ingepalmd. Zoals een zeeman een zeemansgraf krijgt zo krijg ik ook wat me toekomt met deze mindere tijding, dacht Karolien. Omdat ze de koude voelde dacht ze onwillekeurig aan ijsberen. Ze dacht, beroepsmisvorming, in één moeite door wat er met een ijsbeer te doen viel. Zou ze er paté van kunnen maken? Ijsberenpaté. Heerlijk op een toastje tijdens de feestdagen. Ze moest lachen bij die gedachte. Ijsberenpaté verkoopt niet, daar was ze zeker van. Geef het kind een naam en het verkoopt, zei haar vader steeds. Haar pa was ook een beenhouwer geweest, een spekslager feitelijk. Zij was enig kind, het lag voor de hand dat zij de zaak over zou nemen en zo gebeurde ook. Na haar opleiding in Maria Spermalie te Brugge begon ze te werken bij vader. Stiekem droomde ze van een traiteurzaak maar daar kon volgens hem geen sprake van zijn. Niemand zat te wachten op steeds dezelfde, veel te zoute en anderszins weinig smaakvolle schoteltjes. De magnetron was een hype die dra over zou zijn. Traiteurs hadden geen toekomst. Wel mocht ze een nieuwe naam voor de slagerij bedenken. ‘Het gewassen varkentje’, doopte ze haar eigen zaak. Ze vond het jammer de iedereen in de buurt toch bij Versluys bleef zeggen. Haar vader, Erik Versluys, had destijds geen moeite gedaan om een originele naam te bedenken. Ze zag haar adem wolken. Ze stelde zich voor dat ze een schoorsteen was. De gedachte alleen al maakte dat ze het iets warmer had. Een schoorsteen in een voor het overige volledig bevroren omgeving hoe zou die zich voelen? Eenzaam waarschijnlijk. Karolien was ook eenzaam, ze gaf het voor het eerst toe. Niet enkel nu. Al een hele tijd. Tussen mes en vlees zit weinig menselijke warmte weet Karolien. Ze was graag bemind geweest door een man. Een sterke kerel die haar zacht op het bed legt en met zijn liefdesdolk haar vurige onderwereld ontsteekt. Terwijl ze zich een beeld probeerde te vormen van hoe die man er uit zou moeten zien, wreef ze over het karkas van een varken. Alles aan dat karkas was stijf. Stijf en hard. Ze wilde iets hard. Ze wilde iets hard in haar. Diep in haar, wilde ze. Dieper en dieperen sneller en sneller. Ze hijgde, ze krijste als een gnoe. Bij de laatste slag blies ze haar laatste adem uit, met wat rest van het ooit fiere dier nog in haar.

Thomas De Mulder
12 0