Over Anemos

Al aardig van middelbare leeftijd, nog maar dromend over schrijven en daarover schrijven, heeft een monster me gedwongen om uit de ratrace van deze eeuw even of langer te stappen. Ondanks dat monster blijven woorden me intrigeren. Ze komen naar me toe en plagen me tot ik er iets mee doe. Wie weet worden het zinnen die verhalen maken, het jouwe misschien? Een fictief verhaal? Een gedicht? Ik doe het allemaal graag. Zolang de woorden me plagen, gebruik ik ze.

Teksten

Devoot taboe.

“Ik moet jullie iets vertellen!” Anja zat net aan tafel met haar ouders. Ze heeft zich gehaast om op tijd te zijn voor de koffietafel op zondagnamiddag. De dampen van het bruine goedje prikkelden haar neus. De geur alleen al gaf haar een boost en ze rechtte haar rug. Ze heeft zo lang gewacht maar vandaag zou ze de knoop doorhakken. Ze nam haar kopje dat bijna weggleed uit haar klamme handen, nipte ervan en wilde net van wal steken toen haar moeder haar een bordje met een aardbeientaartje voorzette. “Proef nu eens eerst, Anja. Jij bent altijd zo gehaast. Ik ben voor deze taartjes speciaal gaan aanschuiven bij de banketbakker.” Ze peuterde een stukje af met haar vork en at het op, traag kauwend haar woorden kiezend. Ze zouden zich vast en zeker verraden voelen, als ik ze het vertel, dacht ze. “Lekker mama, dank je wel.” Een beetje vleien kon geen kwaad. Zeker niet over zo’n oppervlakkige dingen als een duur taartje op zondagnamiddag. Daar voelde ze zich niet schuldig over. Neen, de gedachte aan wat ze gerealiseerd had, dankzij de financiële steun van haar ouders, zat haar dwars. Al  had ze veel talent, alleen had ze dit nooit verwezenlijkt. Ze had immers twee studies mogen afmaken. Daar bovenop mocht ze een specialisatie volgen. Van verpleegster-vroedvrouw werd ze dokter en nu wilde ze zich specialiseren in de gynaecologie. Daar had ze haar redenen voor, die haar ouders nog niet wisten. “Wat zit je nu te treuzelen? Neem nog een hap!” “Zo dadelijk, mama. Ik wil jullie wat vertellen. Ik, euh…” “Anja, heb je er al eens over nagedacht welke stage je wil lopen in mijn ziekenhuis?” onderbrak haar vader. “Ik kan je wel even een duwtje geven. Niemand hoeft het verder te weten.” Daar heb je het, dacht ze. Het lijkt wel of ze ruiken dat ik iets anders wil. Maar ik wil niet afhangen van de noden in zijn ziekenhuis. Ze moest doorzetten als ze het leven wilde leiden dat haar als kind geïnspireerd had. Vanaf het moment dat ze in een kerk stapte om de eerste communie van haar neefjes te volgen, voelde ze het. Het leven was meer dan mooie poppen, Nintendo, snelle Polaroid foto’s en uitmuntende cijfers op school. Elke gelegenheid greep ze aan om een kerk binnen te gaan waar ze zich, gezeten op een te hoge stoel, liet overdonderen door de beelden en de schilderijen die haar verhalen vertelden. Ze wilde zelfs veranderen van zedenleer naar godsdienstlessen en in haar kamer zong ze zachtjes hymnes en psalmen mee van onder haar koptelefoon. Later in de universiteit – ze koos voor de katholieke – zonderde ze zich altijd af na de lessen. Ze zat op peda voor vrouwen, niet op kot, studeerde hard en was niet vies van handenwerk tijdens haar stage. Een lijk, een zwaargewonde, een uitterende zieke, ze bleef er rustig onder en prevelde onverstaanbare woorden. Zelfs  de meest ongelovige Thomassen of de uitzichtloze terminale zieken kalmeerden onder haar bedrijvige handen. “Anja! Luister je wel? Wat wil je doen na je afstuderen? Er zijn twee openstaande betrekkingen voor nieuwe stagiaires.” “Ja, het zit zo, papa, ik heb eigenlijk ergens anders gesolliciteerd. Ik zou graag eerst … ” “Wablieft? Waar dan? Wat wil je eerst? Hoe kóm je erbij om zo plots te veranderen?” bulderde hij. Ik moet doorzetten, dacht ze. Nu! “Ik wil eerst naar het klooster. Ik zal mijn gelofte van armoede en kuisheid afleggen en als het God belieft, zal ik na mijn opleiding naar Afrika reizen om daar meisjes en jonge vrouwen te helpen die…” De woorden zaten in haar hoofd. Ze kreeg ze niet over haar lippen. Was ze maar een eeuw eerder geboren. In die tijd was het een hele eer voor een familie om minstens één kind in een klooster te hebben. Dat gaf aanzien in een katholiek dorp. Haar familie, hoe dankbaar ze hen ook was, geloofde enkel in carrière en achting.  Ze vonden het gedachtengoed van de bedelende kerk en hun naïeve goedheid van het delen diefstal. Daarom mocht Anja nooit naar een katholieke school. De universiteit die ze gekozen had, was prestigieus, de enige reden voor haar vader om haar daar te laten studeren. Ze was bijna dertig, maagd, gemotiveerd, geroepen – hoeveel jongvolwassenen beleefden dat nog?  – en devoot, geïnspireerd door de Blijde Boodschap die zij mee wilde uitdragen. Hadden haar ouders nooit wat opgemerkt? “Ik wil zuster worden!” zei ze plots rechtstaand. “Ik ga naar het klooster en als het God belieft, dan ga ik naar Afrika…” De rest van haar zin ging verloren in het gerinkel van het zondagse koffieservies tezamen met het doffe ploffen van de taart op de vloer en de gil van haar moeder…

Anemos
6 0

Verrassing!

‘Iedereen op zijn plaats? Dan gaat nú het licht uit en denk eraan, pas als het licht weer aangaat komen jullie tevoorschijn!’ Albert had alles minutieus voorbereid. Brigitte, zijn vrouw was jarig en ze zou dit jaar een feest krijgen dat zij zich nog lang zou heugen. Het was waar, hij had de laatste verjaardagen niet voldoende aandacht aan haar besteed. Hij had er wel zijn redenen voor maar toch, dit jaar zou ze niet te klagen hebben. ‘En we roepen: SURPIIIIIISE!’ riep Marietje, zijn dochter nog enthousiast. ‘Jaja, wijsneusje,’ antwoordde Albert, ‘Verstop je nu maar achter je poppenkast.’ Ze verdween, zacht pratend, achter de gordijnen van haar poppenkast. Haar vader maande haar aan tot zwijgen. Ze mocht pas poppenkast spelen als mama er was. Bea, Brigittes zus stond vlak achter de deur als die zou openzwaaien. Twee goede vriendinnen zaten onder de tafel. Zij waren het lenigst om er gezwind onderuit te springen. De partners van de drie vrouwen hadden zich aangesloten bij de gasten buiten. Monica, Brigittes allerbeste vriendin zou niet komen. Daar had Albert wel voor gezorgd. Hij rilde al bij de gedachte dat ze hier zou zijn om hem de hele avond op stang te jagen. Dat mocht ze morgen weer doen, wanneer hij alleen thuis was en de deur op een onzichtbaar kiertje open liet voor haar. Alberts vrienden en hun vrouwen verschansten zich met hun drankje in en achter het tuinhuisje. De andere gasten, vrienden, vriendinnen en de collega’s waarmee ze nauw samenwerkte, verstopten zich achter de hagen, de struiken en de tuinstoelen. De gedekte tafel op het terras zou pas opvallen wanneer de lichten daar aangingen, als Brigitte aan de achterkant van het huis weer naar buiten stapte. Ze zou op een lang surprise-salvo getrakteerd worden vanaf de voordeur tot op het terras. Het geluid van een aanrijdende auto die vertraagde en op de oprit tot stilstand kwam, deed het geroezemoes verstommen. Een autodeur sloeg open en weer dicht. Eindelijk, dacht Albert. De voordeur ging open. Er klonken voetstappen in de hal. De deur zwaaide open maar het licht ging nog niet aan. De voetstappen gingen nog een halve meter verder. Een jas viel ritselend op de grond. Schoenen werden uitgeschopt en toen ging het licht aan. “SURPRISE!” klonk het luid. De roep verstomde snel bij het zien van… Monica slechts gekleed in negligé in het midden van de living, haar mond nog halfgeopend in ‘Surprise!’ Was dat dan niet vandaag dat hij alleen thuis was? dacht ze met koortsrode wangen…

Anemos
6 1

Blanke Westerling, waar ben je bang voor?

“Kom, we gaan stenen naar de Italianen gooien!” Italianen waren een van de eerste migranten in het dorp waar ik toen woonde, op vraag van… de Belgen. Die opmerking is mijn eerste bewuste herinnering aan racisme, al had ik er toen geen woord voor. Spelend bij buurkinderen, die zich ook al eens vervelen, zagen we kinderen aan de overkant van de straat zich amuseren. Toen kwam dat keiharde voorstel van het kind waarbij mijn broertje en ik welkom waren.  Ik deed niet mee maar durfde ook niets zeggen.   Wie is die Westerling die niet genegeerd wil worden? Die continenten veroverde. Die hele volken onderwierp, zo niet nog erger,  in reservaten zette of uitmoordde. Die zelfs vanuit het zuiden van dat westen zijn voetvolk binnenhaalde om hen dan, na hun kapot gewerkte jaren vervolgens te ‘klasseren’? De Afrikaan die verkocht werd, de Indiaan die er oorspronkelijk geen was, de Aboriginal die in eigen land gevangen werd. Elke kolonisatie die de ‘wilden’ van de ‘beschaafden’ onderscheidde, waarbij die laatsten zich uitleefden alsof ze in een horrorfilm de hoofdrol speelden. Weg natuur, weg cultuur en daarmee weg authentieke rijkdom. Tal van voorbeelden doorheen mijn eigen moderne Westerse bestaan waarbij ik me stomverbaasd afvroeg wat een bruine huid, een hoofddoek of ietwat scheefstaande ogen nu te maken hadden met gevaar, met minderwaardigheid, met voorzichtigheid. Lees wat ik aanhoorde doorheen de jaren. Het was bijna altijd naar aanleiding van iets dat ik vroeg, las of hoorde : Niet bevriend willen blijven met iemand omdat die met een zwarte getrouwd is en er zelfs kinderen mee heeft.  Stel je voor! Zich niet aanpassen, geen Nederlands kennen terwijl er aanbod genoeg is. Kunnen ze zelf  dan niet eens informeren? De vluchtelingen voor natuurrampen uit gebieden waar onze rijke westerse manier van leven vaak verantwoordelijk voor is. Ja, en dan? Als ze hier willen wonen moeten ze zich aanpassen. De Syriër die wel kan zeggen dat hij moest vluchten voor zijn leven, maar is dat wel waar? Profiteur! De baby met de vreemde familienaam die ineens afgewezen wordt in de crèche! Geen plaats meer, sorry! Het ‘wij – zij’ verhaal al dan niet met voorbedachte rade. Denk maar niet dat een ‘zwarte’ de blanke niet zal mishandelen als hij de kans krijgt, zo naïef kan je niet zijn. En toch, toch zijn er Europeanen die nog luisteren. Toch zijn er blanken die zich nog oprecht inzetten ook al weten ze dat het niet goed te praten valt wat er kapot gemaakt is. Als ik mijn broers mag geloven was Old Shatterhand zo iemand. Als ik rondkijk in deze of andere organisatie voor vluchtelingen zie ik mensen met goede bedoelingen die een mens als mens behandelen, in welke taal mogelijk voor een goede communicatie. De tweede, derde en volgende generaties, die al echte landgenoten zijn, bewijzen zich dubbel zo hard om dan nog vaak buiten de boot te vallen. Ziet de nog nooit genegeerde blanke mens dan niet dat de mentaliteitsverandering best bij zichzelf begint? Dat één crimineel niet een heel volk vertegenwoordigt?   Die steen had die Italiaanse kinderen niet geraakt, maar mij wel, als een resterende blauwe plek waar soms op geduwd wordt en me dan doet afvragen: “Blijft die Westerling, die niet genegeerd wil worden, de bange blanke man die zijn eigen deur gesloten houdt?”

Anemos
26 1

Eindelijk!

Heraldine keek nog één keer achterom op de top van de Olympus. Voor haar zat haar taak op Aarde erop. Na jaren als aardse vrouw kende ze het lijden, wist ze wat pijn was en had ze alle emoties doorstaan die een vrouw sterk maakten. Althans hier op Aarde. Het werd helemaal stil op dat pad dat ze zo dikwijls bevlogen heeft, onzichtbaar en lichtvleugelig. Dat zei Zeus altijd. Als achter-achterkleindochter van Hera, de oppergodin, wier taak in lang vervlogen tijden de bescherming van het huwelijk was, het leven en de liefde zelf, werd ze naar de Aarde gestuurd om haar missie te vervullen: zuiver de Aarde van alles wat verdorven is om het leven te beschermen! Na een harde training daalde Heraldine neer op Aarde. Als éénentwintigste-eeuwse jonge vrouw met de vrucht nog beschermd in haar warme buik tot ze een goede plaats en man zou vinden. Dan zou de vrucht pas groeien. Het duurde niet lang. Ze werd verliefd op Petros, met wie ze trouwde. Ze leefden een echt mensenleven met een job, vrienden, familie. Op een dag maakte ze hem blij met een gezonde sterke zoon, Angelos, de Brenger van de boodschap, zijn taak en die van zijn nazaten. Hij groeide op als een zeer geliefde jongeman. Maar Petros, die hij vader noemde, voelde dat Angelos zijn zoon niet was. Een jaloezie op de innige band tussen Heraldine en hun zoon overmande hem. Een wrede woede groeide in hem. Zijn hart werd steenhard. Heraldine voelde letterlijk de stemmingen van Petros en bewaakte Angelos met heel haar hart en gekneusd aards lichaam. Meer nog dan de boodschap wilde ze haar zoon beschermen. “Jij zal op een dag deze Aarde dienen. Jij en jouw kinderen zijn voorbestemd.” Hoe vaak zou hij het gehoord hebben? Hoe vaak zou hij zijn moeder hebben zien huilen? Hoeveel blauwe plekken zou ze nog doorstaan voordat hij volwassen was? Wanneer zou dat zijn? Op de ochtend van zijn vijftiende verjaardag werd Angelos al vroeg in de ochtend wakker door rumoer in de kamer van zijn ouders. Hij stond op en ging slaapdronken tot aan hun deur. “Neen! Niet doen alsjebl…!” zijn moeders smeken dempte abrupt. Zonder verder nadenken opende hij de deur. Zijn adem stokte bij wat hij zag. Een emmer met ijswater zou hem niet wakkerder krijgen. Petros hield haar tegen het gesloten raam vast. Hij kneep haar keel dicht. Hij schreeuwde: “Die bastaard met zijn engelenhaar, van wie is die?” “Vader! Laat moeder los!” Angelos stormde in volle razernij op zijn vader af, pakte hem bij zijn schouders en trok aan hem. Petros draaide zich om en met één vuistslag in zijn gezicht sloeg hij Angelos op bed. Die krabbelde weer recht en vloog weer op zijn vader af. Heraldine keek toe, in shock. Ze probeerde weer voldoende lucht te ademen. Ze moest toekijken hoe haar zoon en haar man op leven en dood vochten. De troebele beelden voor haar ogen, het gruwelijke tafereel en de koude die ze voelde toen het stil werd, deden haar moeizaam maar vastberaden opstaan. Een enorme pijn beving haar hart. De dikke ijslaag eromheen zou nooit meer smelten. Het was op het moment dat Petros haar Angelos, haar engel door het tweede raam, dat openstond, duwde, hem nog een trap gaf en hem boosaardig nariep: “Daar, engeltje, nu ben je weer thuis!” Toen wist ze dat ze weg moest, weg van de Aarde die niet meer te redden was, weg van de mensen die zo verdorven waren dat ze toch niet te genezen waren. Maar eerst zou ze nog een ding doen… “Het is echt beter zo, Heraldine,” zei Petros nog. Heraldine deed wat ze te doen had en wachtte. Daar aan de voet van die berg, langs waar ze was afgedaald, waar ze samen met Petros was gaan wonen. Ze belde de politie. De moord van haar Engel mocht niet ongestraft blijven. Petros strompelde naar buiten, stak zijn hand nog uit en keek haar aan. In de verte loeiden sirenes steeds luider, steeds dichterbij. Ze gaf nog hem een laatste kille blik. “Jij hebt mijn jongen vermoord! Jij mag vanaf nu in je eigen donkere krochten leven… voor eeuwig!” Na die vloek van wraak wandelde ze weg. Alleen op de top van de Olympus keek ze nog één keer om. Hij zou zijn straf niet ontlopen. In de dichte mist van de vroege ochtend spreidde ze haar armen, duwde zich af op een rots en zweefde weg, weg van het mensendom met één laatste gedachte: “Eindelijk!”

Anemos
0 0

Een zomaar dag

Op de vensterbank van het raam zit ik goed. Zonder focus kijk ik naar buiten, helemaal in gedachten over deze dag. Hoe begon die ook alweer? Mijn hersens kraken. Mijn dag verdwijnt even wanneer enkele buren voor het huis stoppen en naar boven kijken. Dit beeld zijn ze niet gewoon. Het lijkt alsof ik bij een buurvrouwenjacht-actie hoor, zoals die berenjacht vorig jaar bij de eerste lockdown. Maar goed, het begin van de dag. Een gevecht. Daarmee word ik wakker. Een gevecht in mijn hoofd waarbij sabels en degens mijn hersenpan doorklieven en dit slechts langzaam afzakt naar een uitgeputte knokpartij. Dat verdient wel een kop koffie om die hersenpan weer inhoud te geven. Dat was de ochtend. Ik wil het net neerpennen als ik de buurman voorbij zie stappen. Die buurman die me tot nogal uiteenlopende verhalen inspireerde. Hij moest eens weten! Hij is een van de weinigen die niét opkijkt. Wie ís die man in godsnaam? In duivelsnaam is ook goed. Het sabel-en-degengevecht is nu toch voorbij. Zou hij echt te vinden zijn voor een gesprek op dat bankje in dat park? Terug naar mijn dag! Rond de middag komt de man van de verwarmingsketel. Tijd voor het tweejaarlijks onderhoud; van die ketel. De Coca Cola light man! Echt!? In het echt is hij kleiner. Hoe zou hij er uitzien onder dat… mondmasker? De klus is snel geklaard. Zo’n onderhoud gaat soms sneller dan verwacht. Wat deed ik daarna? Ergens in de diepte van mijn hoofd wordt er nog geknokt. Een dutje dan maar. Pijn, moe, dutje. Dat is het. Het gevecht is gestopt, doch de deelnemers liggen nog languit. De dag glijdt daarna nog even verder op de fiets in traagheid, de bestuurder defensief gekleed tegen zonnebrand. Kleine-meisjes-gilletjes die de loopfietsen, met die twee dotjes erop, voorafgaan halen me naar hier en nu. Zouden ze al twee hoog zijn? In elk geval wel even hoog. Dat zag ik al eerder. De entertainers in spé van de buurt. De mijmering neemt het weer over. Wie is toch die verhalenbuurman? Na korte overweging, sneakers aan of niet, blijf ik zitten. Een verhaal groeit vaak sneller dan de waarheid.

Anemos
19 0

Die lente toch...

De vrouw lachte breed toen Robby’s naam in het oog sprong tussen de andere mails. Ze klikte de mail open en begon te lezen: Bedankt voor je vertrouwen, Lisa. Via e-mail is het toch makkelijker om contact te houden. Jouw profiel sprak me onmiddellijk aan. En die korte berichtjes van gisteravond… Nu ja, ik wil graag met je afspreken. Zegt jou dat ook wat? Laat je me niet te lang in spanning… pleeeaasse! Zij bleef het antwoord nog een dag schuldig. Robby zou heus wel toehappen. Ze begon aan haar dag, zich verheugend op de onderbreking van de dagelijkse routine, nadenkend over hoe het allemaal begon.   Die toevallige ontmoeting daar in dat park op dat bankje. Ook later die namiddag in de fietsengarage recht tegenover haar huis. Er volgden fijne wandelingen en anderhalvemeter-ontmoetingen. Ze wisselden telefoonnummers uit. “In geval van,” had hij gezegd. Tot die warme middag een paar maanden na hun eerste ontmoeting. Hij had haar enkele ondeugende berichten gestuurd. Ze had het voelen kriebelen. Haar lippen krulden. Haar ogen brandden. Spontaan had ze even stout geantwoord. Een half uur later stond Els gillend aan haar deur. “Wat denk jíj nu wel? Het aanleggen met míjn man!” gevolgd door een scheldsalvo waarvan de buren vast doorheen de muren bloosden of in hun vuist lachten. Maar ze was dapper het gesprek aangegaan met Els. Haar ego had dan een deuk gekregen maar nog geen onherstelbare schade.   Het afspraakje met Robby kwam er. Hij zat er al, daar op dat bankje. ‘Zo voorspelbaar als je hem eens doorhebt,’ dacht ze nog. Ze stapte op hem af, ging voor hem staan en tikte even op zijn schouder. “Verdomme Britt, wat doe jij hier? Stalk jij mij?” Poeslief glimlachend antwoordde ze: “Dag Bart slash Robby. Ik ben… Lisa. Ik heb een verrassing voor jou, jij die toch zo van triootjes droomt.” Bart zag van achter de boom voor het bankje iemand bekend opduiken. Ze ging naast Britt staan. Beiden sloegen demonstratief hun armen over elkaar, in de aanval voor een ‘standje’. Bart piepte enkel nog:  “Els? Jij zat toch aan zee met de kinderen?”

Anemos
5 0

Risicovolle busritten

De lijnbus remt zo abrupt dat sommige staande reizigers zich stevig moeten vastgrijpen. Gelukkig zit ik al. Enkele jonge meisjes gillen en het is niet duidelijk of ze er nu plezier in hebben of echt geschrokken zijn. Wel duidelijk is de woede van de buschauffeur en het geroep van jongeren die hun energie blijkbaar niet meer de baas zijn. De bus staat stil! Ik voel een koele bries in mijn nek. Een welkom contrast met de sfeer die nu in de bus hangt. Het is me niet helemaal duidelijk waar de onenigheid om gaat. Dit is niet mijn eerste risicovolle busrit. Zelfs niet mijn tweede…   In tijden waarin volgepropte bussen en spettertjes spreekspeeksel nog geen gevaar waren, rolde ik eens bijna van mijn klapstoeltje van plaatsvervangende schaamte. De ruzie toen was vreselijk. Vreselijk gênant vooral. Een oudere man, pas opgestapt vroeg vriendelijk aan een jongedame of ze haar plaats wilde afstaan. Het was al een wonder dat hij met zijn rollator op de bus geraakt was én blijven rechtstaan. De dame in kwestie keek de man aan met een blik waarvan ík blij was dat ik al zat. Ineens schoot ze recht, ze schold de man uit met argumenten die volgens de verbaasde uitdrukkingen van alle andere reizigers, geen steek hielden. ‘Mijnheer, ziet u niet dat ik een kind bij me heb! Ziet u niet dat ik hier ook nauwelijks kan bewegen tussen het raam, de buggy en deze veel te smalle stoeltjes! Ziet u niet dat… ‘ Ze was blijkbaar zo overstuur dat ze niet eens zag dat de bus leegliep bij een volgende halte, dat de man plaats had genomen twee stoeltjes verder en dat haar peuter aan het krijsen was. Gelukkig was er wel iemand die haar – voorzichtig – vriendelijk vroeg of zij hier ook af moest stappen. Daarna werd het stiller. Veel stiller, zoals ik het nu mezelf en de andere volwassen reizigers ook wens.   Ik zie beweging in de spiegel. Er wordt iemand met een volgeschreven en kletsnat mondmasker – God en zijn discipelen mogen weten hoe dat gebeurd is – verzocht af te stappen ‘desnoods met fysieke begeleiding’, hoor ik de chauffeur nog zeggen. De hele bende scholieren stapt af, roepend en gebaren makend, er is zelfs één die spuwt, maar het wordt nu wel rustig. De bus nemen in deze tijden zonder uitlaatklep voor deze of andere jongere, is altijd een beetje een risico.

Anemos
19 1
Tip

Het Bankje

Op het bankje ziten een oudere man (A) en een jonge dame (B). Zitten naast elkaar, voor zich uit kijkend. Er vallen regelmatig rustige stiltes. … A – Interessant, heel interessant. B – Wat vindt u interessant? A – Die beelden. Het lijkt wel of ze ’s nachts theekransjes en dansfeesten houden. Wie weet wat nog meer. B – Hoezo dan? A – Ze zijn stil de hele dag. Schone schijn voor al die bezoekers. Ze moesten eens weten, die toeristen. …. A – Kijk, zag u dat beeld van die vrouw als u terug wandelt. Schijnbaar altijd in dezelfde houding maar als u goed keek, kon u zien dat ze zweette. B – Dat is de ochtenddauw die er nog op zit. A – Neen hoor, ze heeft vast een zwoele nacht gehad, daarvan zweet ze. B – Zwoel van dat kransje? Was de thee te heet misschien? A – Fantasie, juffrouw, een béétje fantasie, dat maakt het makkelijker. B – U houdt van hete thee dan? A – Ja natuurlijk wel. Alleen wordt die, net zoals soep, nooit zo heet gedronken als die wordt opgediend. B – (lacht)  Mijnheer heeft ervaring. A - (lacht terug) Wel ja, juffrouw. En u bent dan tóch een grapjas. B – U maakte toch ook een grapje, mag ik hopen? A – Ja hoor. Maakt u zich geen zorgen. Trouwens, ik ben toch al ingenomen. B – Nu maakt u mij nieuwsgierig! (B bekijkt A even) A – De allermooiste vrouw en ze wil mij hebben. Hoeveel geluk kan een man hebben? U lijkt wat op haar. (A kijkt vluchtig naar B) B – Is dat dan een compliment voor mij? A – Ja zeker! B – Oh! Dank u wel. … A – Dat beeld, dat daar schuin links voor ons staat, dat is prachtig. De zee. Die vrouw is er helemaal de verpersoonlijking van. Dat heeft de beeldhouwer goed gedaan. B – Daar kwam ik gisteren langs. Hoezo ziet u dat erin? A – De zee, de ene keer onstuimig, de andere keer koppig stil, of glad en gehoorzaam… B – Is dat uw idee over ‘de vrouw’? (half schertsend) A – Dat is de natuur en daar houd ik het meest van. … B – Komt u hier eigenlijk vaak? A – Bijna elke dag. Mijn Annie komt soms mee. B – Mag ik u wat vragen? A – Ja hoor. Wat wil je weten? Mag ik ‘je’ zeggen? B – U mag ‘je’ zeggen. Wat ik vragen wilde, hebt u kinderen? A – Ja, ik heb een jongen en een meisje. B – Werken uw zoon en dochter? A – Hoezo!? Ze gaan nog naar school. Ik moet wél op tijd weer weg om ze op te halen. B – Oh, neemt u me niet kwalijk. A – Geeft niets hoor. Vandaag ben ik vrij van mijn werk en dan kom ik graag overdag naar het park. B – Welk werk doet u? A – Ik was ooit zeeman, matroos. Mensenlief, wat heb ik veel van de wereld gezien. Maar ja, toen trouwde ik, ik was al dertig en toen er kinderen kwamen wilde ik zelf veel bij hen zijn. Nu werk ik… uhm, hoe zal ik dat uitleggen… tja. Weet je, het doet er ook niet toe. Vandaag ben ik in elk geval vrij. B – Inderdaad. Nu zit u hier. Ik ben blij dat ik u hier zie. A – Hoezo? Waarom dan? B – Uhm… Ja, normaal fiets ik gewoon recht door het park op weg naar de stad of naar huis. Maar ik wilde even nog wat buiten blijven, en ik hoor u praten over die beelden. A – Jij kent dit park dus? B – Ja, ik ben in Antwerpen geboren en opgegroeid. Ik woon hier nog steeds. A – Mooi! Ken jij het park goed? B – Tja, het is te zeggen, ik ken mijn weg hier, maar ik ken niet al die kunst hoor. Alleen enkele beelden. En in de zomer kom ik wel eens naar Jazz Middelheim luisteren. A – Wat fijn! Dat doe ik ook wel graag, als het niet te druk is tenminste. B – Helemaal zoals ik het ook graag heb. Niet te druk. … B – Kent u álle beelden en andere kunstwerken hier? A – Ik ken dit park als mijn broekzak en zeker de permanente beelden. Al sinds ik hier woon, lang geleden, toen ik met Annie trouwde. Ja, ik ben de liefde gevolgd en zij heeft geleid. B – Dat lijkt alsof u… A – (weer licht verward) Langs welke ingang kwam je binnen? B – Langs het bootje. A – Oh, de Misconceivable. Het bootje doet me mijmeren. B – Waar denkt u dan aan? A – De eeuwige twijfel. Steeds over andere dingen die het leven me gratis gaf. B – Dat klinkt minstens zo interessant als een beeldenverhaal. A – Wil je dat echt horen? B – Alleen als u echt wil vertellen. Ik heb wel even tijd. A – (meer in zichzelf pratend) Jonge mensen die tijd hebben, waar gaan we dat schrijven? De gebeurtenissen des levens. Ik was heel lang zeeman, heb de zeven zeeën bevaren. Woeste baren en glad stil water. De liters zoutwater die ik per ongeluk ingeslikt heb… B – Hoe lang was u zeeman? A – (glimlacht) Dat was toen ik piepjong was. In elke stad een ander liefje. In elke stad andere geuren en smaken. Overal was het anders. Andere kleuren, zelfs andere geluiden. B – Zoals? A – Zoals wat? B – Welke geluiden zoal? A – Van de santouri, de conga’s, percussie, de luit en de lier en … B – Leerde u zelf ooit een instrument bespelen? A – Ik kocht ooit een lier, het was een koopje in Griekenland, Kreta. Kijk, zoals dit beeld van Orpheus, waarvan ik met mijn gsm een foto nam. B – Dat is wel mooi. Ik ken iemand die… A – Kan je de muziek al horen? Zo’n mooi geluid! … A – Probeer alstublieft. B – Ja, jaja! Heel zuiver, één klank, er komt steeds een klank bij, de muziek zweept op en… A – Je hebt het helemaal begrepen! Je ziet wat je voelt. … B – Voorzichtig nu maar. Zo opspringen van de bank. A – Ik sta nog recht. Ik heb zin om te wandelen langs die beelden. Vergezel mij alsjeblieft. B – Het zou voor mij een hele eer zijn, om de verhalen uit uw mond te horen. (staat op en draait zich helemaal naar A toe) … A – Leentje! Jou had ik hier niet verwacht. Ik wandelde en … B – Dag opa, was u weer aan het gidsen voor toevallige passanten? A – Ja, maar ze is weg. Ik praatte hier met een jonge dame… Ik zie haar niet meer. … B – Kom, we wandelen langzaam terug naar oma. Ze zal wel ongerust zijn nu. Het wordt ook frisser. Ik was toch net op weg naar uw thuis. A – Ja, die oma. Altijd voor anderen bezig. Jij lijkt zo hard op haar. Ze zou warme hutsepot maken vanmiddag. Je blijft toch lunchen? B – Ja hoor. Vertelt u dan aan tafel verder? A – Verder vertellen? Waarover dan? Vertel jij eens over je school? Waarom zit je nu niet in de les? (stappen arm in arm het park uit, het bankje blijft achter)

Anemos
110 3

Even die andere zijn. (Belgische is even Nederlandse)

Uit de online sessies: Schrijven over de grens - dit is wat we delen.   Hoi Mies, hoe gaat ie?’ ‘Je bent lekker vroeg, kom binnen joh. Dan doen we eerst lekker een bakkie.’ ‘Gezellig zeg.’ Romy stapte binnen bij Mies met haar zware tassen. Ze hadden wel wat te doen vandaag. Maar eerst dat bakkie. ‘Nou, we zitten. Hoe gaan we het doen?’ vraagt Mies. ‘Ik heb op de markt lekkere dingen op de kop kunnen tikken. Ik ben snel langs de kraampjes gelopen die om 13u nog open waren. Dan doen ze gewoon de helft van de prijs af. Lekker goedkoop.’ ‘Dan zullen we meteen beginnen. Ik zal al de groenten schoonmaken en snijden. Begin jij dan aan de satés? Jij kan dat veel beter.’ Mies en Romy kletsen de middag verder terwijl ze de maaltijd bereiden voor hun gasten die hen twee per jaar bezoeken. ‘Het is toch altijd even wennen hè. Onze vriendinnen. Best leuke meiden, maar zo stil.’ ‘Nou, dat valt wel mee hoor. Geef ze straks een ouzootje of iets sterkers en hun tongen komen los hoor.’ Het gesprek gaat verder. De tafel wordt intussen gedekt, het salontafeltje wordt gezellig gemaakt, met de nodige koekjes. Als de Vlamingen op bezoek komen, willen ze eerst even ‘thuis’ komen, met koffie. Bij koffie horen koekjes. ‘Toch rare gewoonte hè, de koekjes op tafel zetten.’ ‘Ja, vind ik ook. Als iedereen z’n koekje heeft, zet je de doos toch gewoon terug weg. Ze durven niet eens een tweede te nemen. Al die koekjes drogen uit.’ ‘Ach, laten we het vandaag maar gewoon gezellig maken. We zijn klaar, geloof ik.’ De bel gaat. ‘Oh, wat leuk! Zo opwindend, onze Vlaamse vriendinnen op bezoek!’ Mies zwaait de deur open. ‘Welkom, welkom …’ haar mond valt open. Even zwijgt ze verbaasd. Daar staan de lieve Vlaamse vriendinnen, hun gezichten bijna onzichtbaar, verstopt achter een grote mand met lekkernijen. Tja, ze komen gelukkig nooit met lege handen.

Anemos
3 0

Het huis

We moesten snel weg! Het was een kwestie van enkele minuten vooraleer de huidige bewoners zouden verschijnen. Gehaast gooide ik de achterdeur van het zo bekende huis open. Er was geen tijd meer om hem netjes dicht te doen, af te sluiten en de sleutel onder de mat te leggen. Dáár op die roestplek, de jarenlange verstopplaats voor ons, wanneer wij te laat thuiskwamen. We renden de longen uit ons lijf. Onze harten bonkten in éénzelfde ritme. “Ik hoop dat Karel en Marie zich tijdig kunnen verstoppen,” hijgde Els, mijn kleinere zus. Bijna aan het einde van de lange tuin, keken we om. Het licht van het terras sprong aan. Een donkere gedaante in de deuropening bulderde: “Daar lopen ze, die verdomde ...” Ik hoorde de rest niet meer. We waren er bijna. Hij dacht hopelijk dat het alleen om ons ging. De twee oudsten waren nog even veilig. Zouden ze die plaats in dat hoekje van de garage nog kennen? Zouden ze zich dáár verstoppen tot alles weer stil en donker was? Ik durfde mijn gedachten niet uit te spreken. Els was al een beetje labiel. Haar kalmeren zou uitdraaien op tijdverlies. Op dat moment prees ik Karel en Marie gelukkig dat ze een tweeling waren; ze waren altijd al goed op elkaar afgestemd. Het zou hen van pas komen. Eindelijk bereikten we de achterkant van de tuin. We kropen onder de draad door waarbij ik even een hevige schok voelde. Die beul had de omheining onder stroom gezet! Goed dat Els het niet gezien had. Ze stond al vijf meter verder hardop te bibberen. Ondanks de warme herfstavond rilde ze. “Ik b-b-ben b-b-baang!” Haar gezicht vertrok. Ze werd bleker. Nog even en ze zou huilen. Ik was snel genoeg bij haar om haar hand te pakken en samen verder te rennen.  “Nog even, Els! Niet omkijken, dat vertraagt alleen maar!” De man des huizes had het er niet bij gelaten. Hij holde achter ons aan met in zijn hand een zaklamp die bij elektriciteitspanne het hele dorp kon verlichten. Zelfs als de bewoners uit de huizen van deze landelijke buurt hiervan niet wakker werden, deed zijn bulderende stem het wel. We waren er bijna, daar in de boomgaard waar de appelbomen nog volop vruchten droegen en in het aanliggende veld het koren nog niet gemaaid was. Voor we verdwenen in het donkergroene duister keek ik nog éénmaal om. Op datzelfde moment lichtten zeker drie tuinen op. De dreigende schaduwen kwamen steeds dichterbij. Ze werden bange, boze en grimmige gezichten achter hun tuinhekken. Els was altijd al de lenigste van allemaal. Ze liet mijn hand los en klom handig in een boom, bijna geruisloos, zonder verder naar mij om te kijken. Ik besefte dat haar automatische piloot handelde. Ze overleefde zo wel vaker in situaties die haar bevattingsvermogen te boven gingen. Ik moest daarop vertrouwen. Het licht kwam immers dichterbij en ik kon nog net op tijd in het korenveld raken om daar op mijn buik verder te kruipen. Dat lukte niet zo geruisloos. Het windstille weer van die nacht maakte elk geluid scherper dan het in werkelijkheid was. Zo op mijn buik was ik niet snel genoeg. Ik stond op en probeerde me doorheen de maisstengels een weg te banen in labyrintvorm. Het was ijdele hoop. Het woeste geruis achter me leek in sneltempo dichterbij te komen.  Ik nam nog één keer een afslag en bleef daar gehurkt zitten achter een dikke stengel. Een bijna grappige gedachte overweldigde me. Die stengel zal wel veel mais opbrengen. Alsof het brein een teveel aan angst afsluit om zichzelf en zijn drager te beschermen. Het hielp! Ik hijgde niet meer. Mijn ademhaling werd rustiger. Alleen het wilde geruis van de stappen van de bruut waren nog hoorbaar. Dat leek steeds verder weg te raken. Op mijn hurken waggelde ik dichter naar de rand van het veld. Schuin boven me zag ik Els helemaal versteend in de boom zitten. Haar ogen staarden in het niets. Ze wachtte op het teken dat het weer veilig was, als een stenen beeld uit een kindersprookje. Ik treuzelde even voor ik haar riep. Die man was vast nog aan het zoeken. Pas toen dacht ik opnieuw aan de reden waarom we hier waren. Vorig jaar woonden we hier met ons acht. Onze nieuwe woning was groter. Maar we zouden er na de verhuizing maar met zessen wonen. Tijdens de verhuizing verdwenen …. Mijn zelfgesprek werd abrupt onderbroken toen ik de kwelgeest duidelijk hoorde zeggen: “Als jullie je broertjes willen terugzien, kom je nú uit dat veld.” Zouden Marie en Karel hen intussen gevonden hebben? Mijn laatste gedachte voor ik me overgaf.   (foto: Brooke Shaden, aangeboden en gebruikt in de workshop schrijven zonder smoesjes)

Anemos
21 2

Hilaire en Henry

“Hilaire?” Hij kwam moeizaam uit de luchtbel van verdriet waarin hij verdwenen was en draaide zich in de richting van de stem. Met troebele blik zag hij de vrouw die hij twee weken geleden nog zo kranig en waardig de kerk zag binnenstappen, tussen haar kinderen, achter de doodskist van haar man aan. De wereld rondom hem bestond deze dagen niet. Hij waande zich in een jonge wereld waarin enkel wij bestonden, waarin Woef hem nog niet moest troosten. Zelfs wederzijdse woorden van verdriet waren hem niet gegund. Hij probeerde verbeten het water dat zijn hele wezen overspoelde, uit zijn ogen te houden en  hoorde de stem bij een nabijgelegen bank niet meteen.  Enkel Woef herkende het geluid en liet zachtjes van zich horen. “Hilaire? Hilaire, kom even alsjeblieft.” Hij keek op en aarzelde. Nu nog niet! Dit kan ik nu nog niet. “Alsjeblieft, ik wil je iets geven, iets van hem.” Zijn luchtbel knapte. Van hem? Hij zette Woef op de grond, schuifelde naar het bankje en zette zich langzaam neer. Hij knikte kort naar haar. “Huguette,” zijn stem liet hem in de steek. Hij ging naast haar zitten. In een povere poging zijn zelfbeheersing te herstellen, boog hij zich over Woef die nu op zijn schoot lag en streelde hem. “Nogmaals mijn deelneming.” Het kwam er dan toch van. De ontmoeting waarvoor hij al weken vreesde. “Dank je. Dat is lief. Ik wilde je iets geven van Henry. Dat had hij nog gevraagd voor hij …” Haar stem stokte even. “Je weet wel.” “Ja, ik weet het.” Vreemd dat deze vrouw die zo nabij hem geleefd had al die jaren niet zag welk verdriet haar man meedroeg. Zijn laatste levensmaanden mocht hij niet meemaken. Henry moest sterven met zijn geheim. Hij wachtte tot ze zich weer in de hand had. “Hij laat een gedichtenbundel na voor jou. Ik heb het deze ochtend verstuurd. Er zit ook een bidprentje bij.” Zijn ogen werden weer troebel, zijn lip beefde. Hij wist, hij hoopte dat het om ‘hun’ bundel ging. Hij verzette zich wat. Die verdomde tranen die niet wachten tot weer thuis. Pas lange tellen later, toen hij erkentelijk naar haar knikte, zag hij het begrip in haar ogen. “Dank je, Huguette. Dat is echt een heel mooi gebaar van jou.” Nu nog meer zeggen werd teveel. Traag stond hij weer op en schuifelde zichzelf in beweging. Woef trippelde blij verrast mee met zijn baasje, blij dat er weer een beetje licht in zijn ogen scheen.

Anemos
16 1

Als je magie kan schrijven

Helemaal gek van Dalaras, die Griekse muzikale god, zou ik op minstens één concert van zijn Europese tour toeschouwer zijn. Het werden er drie, binnen handbereik als je het bekijkt op wereldschaal. In één lang weekend zouden we naar Brussel, Amsterdam en Düsseldorf reizen. Hij had, zoals steeds, een beloftevol talent bij. Ik wist alleen dat dit talent in Limburg geboren was en op nog jonge leeftijd met zijn familie terug naar Kreta verhuisde om zich daar in zijn muziek te storten. Het Brusselse concert begon rustig zoals het Belgen betaamt, zelfs de Griekse; eerst de ambiance laten aanzwellen. Mijn partner in Griekse muzikale crime en ik glunderden in de donkere zaal, genietend van die bevallige stem en de veelzijdige muziek. We konden bijna alles meezingen. En toen was het zijn beurt. Kon ik nog meer onvoorbereid zijn op wat komen zou? Enkel zijn naam kende ik. Michali met zijn luit en die vingervlugge passie. Michali met zijn ontembare krullen. Michali in trance. Opgegaan in zijn muziek, de μαύρα of de combinatie? Hij was hoe dan ook high. Dat ene nummer, waarin ooit gezworen werd, zou alles omvatten. Alles wat ik voorheen niet was, wat ik nog zou worden, wie ik echt ben. Ik had toen maar één gedachte. De gedachte waarbij mijn puddingweke benen het begaven bij de staande ovatie. Zelfs bij die backstage ontmoeting na het concert in Düsseldorf, kon ik alleen maar gelukzalig lachen en de gedachte bleef bestaan. Pas jaren later, in zijn thuisbasis en in zijn taal, zou ik hem die toevertrouwen: “Dié man moet ik hebben!”   https://www.youtube.com/watch?v=y2ik472ZABk (mijn inspiratie tot dit verhaal)

Anemos
17 0

Leugentje om bestwil

Daar lagen we op dat bed, elkaars naakte lichaam te bewonderen in de spiegel tegen het plafond, heel gewoon voor dit soort hotel waar je per uur betaalt. Wat is hij mooi! Hoe lang is het geleden dat ik zijn rug en gespierde billen nog zo zag, in volle actie? Of rustend bovenop mijn voldane lichaam? Wij waren volmaakt. “Er is iets in jouw ogen dat ik allang niet meer zag,” fluisterde hij zwaar. Dat zal wel. Weet jij hoeveel werk ik de laatste maanden aan jou heb? Ik schenk hem intussen mijn zaligste glimlach en laat mijn hand nog eens over zijn buik afglijden. Ik weet het. Hij heeft een drukke job, ook nu nog, zo dicht bij zijn pensioen. En dan zijn er de volwassen kinderen uit zijn vorige relatie die veel tijd in beslag nemen. Zelfs al wonen ze niet meer bij hem, ze vallen toch regelmatig met de deur in huis, vooral in het weekend. Had ik het nooit eerder opgemerkt? Willen opmerken? De vleesgeworden macht der gewoonte, waarbij ik al het werk deed, ondanks mijn gewrichtspijnen en hij dan als een blok in slaap viel, voldaan lachend weliswaar, maar toch. De gewoonte waarbij ik tussen het douchen en aankleden een gelukkige glimlach op mijn gezicht toverde en hem vertelde wat ik zelf niet voelde… niet méér voelde. In deze spiegelkamer, drie uren lang voor ons alleen, was er opnieuw tijd. Onze blikken kruisten zich nog eens boven onze lijven. We draaiden naar elkaar, ik gaf hem een zinnelijke zoen en mompelde tussen zijn lippen: “Wat ben jij toch lekker!” Het was lang geleden dat ik naar waarheid sprak. “En jij dan!” was zijn antwoord. “Toch goed dat ik die folder van dit hotel tussen de reclame uit viste.” “Wat een geluk ja, zoiets moeten we vaker doen,” en ik glimlachte denkend aan die folder die ik net achter het eerste blad van het Bookspotboekje gestoken had. Bookspot sloeg hij nooit over.

Anemos
11 0

De late tirade

cajetana@kloosterorde.com Dag non Cajetana, Het zal u choqueren dat ik u niet met eerwaarde zuster aanspreek. Die schijnheiligheid zal u bij mij niet vinden. Ik herinner me onze eerste ontmoeting nog goed: samen met mijn moeder om mij in de nieuwe school in te schrijven. “Hier valt niemand uit de toon.” Dat zei u, onmiddellijk gevolgd met: “Je wordt geholpen om in het gareel te blijven.” Ik was pas naar hier verhuisd, amper negen! Spionnen had u genoeg, in dat dorpsschooltje van u. Het zal u verheugen te vernemen dat ik zware nachtmerries had, dromend over neonlicht in mijn gezicht geschenen.  Beschuldigde sta op! Waarom? Ik probeerde zo grijs mogelijk te zijn zoals de rest van uw kudde. Niets baatte. De rotte appel, die moest verwijderd worden. Dat herinner ik me het beste. In een schaal met mooie gave blinkende appels moet de harmonie behouden blijven. Stelde dat een metafoor voor? Wat had ik in hemelsnaam fout gedaan? Dat hoorde ik nooit. Ik was alleen een gemakkelijk slachtoffer, om uw frustratie op te botvieren. Waarom u zo graag uitblonk in uw specialiteit, mij of een andere enkeling eruit te halen als voorbeeld, wil ik niet meer weten. Nu ben ik aan het woord. Het gezegde gaat, al wat je zegt, ben je zelf. Heel toepasselijk voor u. Moge dus uw rottigheid u verteren tot in de diepste lagen van de aarde en nooit meer zichtbaar worden.   Het ga u slecht of goed. Wat dan nog? Waarschijnlijk bent u toch al lang weggerot en ergens in die hemel van u om de gunsten vechtend van uw aller Geliefde. Ik benijd Hem niet. Hoewel ik denk dat een goede beurt in de hel u meer goed zou doen. Tot nooit meer.

Anemos
10 1

Vuilzakkenruzie

Daar zaten ze, op meer dan anderhalve meter van elkaar. Er kon maar iemand zitten om de twee stoelen, die dan ook nog over de vloer schuurden wanneer ze verschoven werden. “Herman, wat ga jij vertellen? Dat het weer mijn fout is?” “Wat anders? Jíj bent altijd zo slordig. Ja, het is jouw fout!” Herman bekeek zijn buurvrouw laatdunkend en trok zijn jas weer bruusk dicht waarbij hij even bewoog en de stoel even schuurde. Sandra slaakte een geërgerde zucht. De gedempte woede was voelbaar in die koude wachtkamer waar de ramen openstonden. Maar binnen sijpelende nattigheid of niet, verluchten was tegenwoordig overal verplicht, ook hier in het gebouw der wet. Door de open deur zagen ze mensen in uniform, met mondmaskers op te mompelen, te roepen, te vragen. Hun drukte drong zich ook in deze kamer steeds luider op. “Nee Herman, dat is het niet. De huisregels zijn duidelijk. Je hebt ze zelf mee opgesteld … vroéger!” Ze benadrukte dat laatste. Hij zal toch al niet dement worden zeker? Maar die gedachte durfde ze Niet uitspreken. “Ja, dat weet ik nog. Toen hielden mensen nog rekening met elkaar én hielpen ze waar er nood aan was, júffrouw Sandra.” Herman durfde zijn gedachte evenmin uitspreken; dat verwende nest nauwelijks van school. Intussen warmde het maar niet op. Niemand die zich zorgen leek te maken over de pruttelende geluiden van de verwarming die waarschijnlijk in geen jaren ontlucht was. Zíj spraken anders wel luid genoeg. Zich verstaanbaar maken, daarvan hoefde  geen van beiden nog iets te leren. “Alsof ik het kan helpen dat ik overuren moet maken. Ik ben ’s avonds laat wel doodmoe. Dan zet ik jouw vuilzakken niet meer buiten als het mijn beurt niet is. Zeker niet wanneer ze zo zwaar zijn.” “Ze zijn niet zwaar!” “Niet zwaar? De laatste keer dat ik jou hielp, zat mijn schouder bijna uit de kom. Kon ik nog die vieze smurrie van de vloer vegen omdat jij te lui bent om plastic helemaal leeg te gieten en bij het PMD te doen.” De verbleekte poster tegen de muur ‘Goede buren maken goede vrienden’ leek een utopie op dat moment. ‘Geef mij maar een verre vriend,’ dacht Herman inwendig kokend. “Het moet zijn ‘de árm uit de kom’! En dat was niet mijn zak. Die was van Jef, onze buur op het gelijkvloers.” “En jij hebt daar tijd voor? Om uit te kijken wat van wie is? Wat dóe jij eigenlijk de hele dag?” “Dat zijn jouw zaken niet. Ik houd wél de boel in het oog. Het zou er anders nogal eens uitzien.” “Oei oei. Meneertje heeft het zwaar hoor, die enkele stofjes opvegen in de gang.” “Wel die van joú hè! En die van jouw vriendjes. Het zijn meer dan stofjes. Bij regenweer zijn het hele modderpoelen. Het zijn lege blikjes bier in de hoek van de hal gegooid. Het houdt niet op bij jou.” Die zat! Sandra zweeg even. Dit leidde nergens heen. Ze was echter te koppig om nu in te tomen. “Dat is één keer gebeurd, hoogstens twee. Daar ga je toch niet over zeuren?” “Zeuren? Wanneer ga jij eens rekening leren houden ….” Een geluid aan de deur deed hen opkijken. “Héla daar! Een beetje rustiger hé. We kunnen onszelf niet eens meer horen denken.” De agent was geïrriteerd. Verdorie, wat was dat vandaag? Nationale Dag van de Burenruzie? “Zijn jullie mevrouw Vissenaken en de heer Veys voor de burenruzie over dat huisvuil?” Ze knikten beiden, te geschrokken van het volume van zijn stem om zelf nog een geluid uit te brengen. “De volgenden zijn jullie! Niet lang meer!” Dat was duidelijk. Klatsj! Die deur was dicht! Het geluid gonsde nog na in Hermans oren. Hij dacht na. Hij had zoveel geprobeerd om Sandra op de uitvoering van het huisreglement te wijzen. Het enige wat ze trouw deed, was elke maand  de huur betalen. Misschien moesten ze toch eens echt vergaderen over alles wat er in hun gebouw makkelijker zou kunnen. Het bestond verdorie maar uit drie appartementen. Sandra begon zich ongemakkelijk te voelen. Was ze toch te ver gegaan? Die blikjes, die waren inderdaad van haar vrienden geweest. Ze wilde niet onderdoen in stoer zijn. En die vuilzakken in de gemeenschappelijke bergruimte, één keer om de drie weken buiten zetten, dat moest toch lukken? Ze voelde zich belachelijk. Werd het niet tijd dat ze zich meer openstelde voor haar buren? “Wat nu?” “De waarheid vertellen! Al zal de jouwe wel wat anders zijn dan de mijne.” “Euhm, Herman, waarom heb jij klacht neergelegd?” “Ik heb die niet neergelegd. Hoezo? Jij ook niet?” “Neen. Maar wie dan wel?” “Jef!” riepen ze simultaan. Ze sprongen tegelijk op van hun stoel en stoven naar buiten. Die zogenaamde hulpbehoevende buurman. Dié had pas de hele dag niets te doen. Ze zouden hem wel eens een klusje geven.

Anemos
11 2

Het smaakt of net niet

Zaterdagochtend. Ik begin het weekend met koffie, een chocoladekoek en mijn geopende Postvak In. Antwerpen vraagt vrijwilligers. Ik open de mail, klik op de betreffende link en lees: “In Antwerpen ‘vind’ iedereen vrijwilligerswerk: denkers, doeners, praters, schrijvers, …” De officiële pagina van ’t Stad?! Blijkbaar drinkt Antwerpen nooit Tee. Van commentaren op Facebook word ik ook niet vrolijker. Spellingsfouten van allerlei aard tarten me. En toch, iemand die bij Basiseducatie leerde lezen en schrijven vind ik moediger dan de arrogante universitair die te lui is om een taal te hanteren op zijn zogenaamde niveau. Van verengelsing zwijg ik dan nog. Met andere woorden; ik voel me gekneusd. 0ngemakkelijk wordt ackward. Voor loser is er geen alternatief. Er wordt niets meer gedeeld. We doen tegenwoordig aan sharen om iets dat we cute vinden op te dringen als een absolute must read. Kan de moedige waaghals, die in de pagina VRT-Taal vraagt wanneer men ‘gebeurd’ schrijft en wanneer ‘gebeurt’, voorzien dat ze vooral uitgelachen zou worden? Ze vraagt het nog zo beleefd. Een groep anderstaligen lijden naar de wondermooie Nederlandse taal wordt nogal pijnlijk. Wie is de lijder en wie de leider? Opiniemakers van één of andere radicale strekking vinden, bijvoorbeeld, dat ‘ze Nederlands moete lere en zig aanpasse.’ Series, quizzen, praat- en andere tv-programma’s,  die het verschil tussen ‘die, dat’ en ‘als, of, wanneer, toen’ en aanverwanten niet meer hanteren. Heeft zelfs de publieke zender geen trots meer? Sinds wanneer proeft een dessert? Sinds Jeroen Meus ze bereidt. Het kan hem maar smaken. Wie hecht nog waarde aan correct en hoffelijk taalgebruik? Taalvirtuozen die prachtige dichterlijke creaties op ons afvuren, waarvan wij dan kunnen smullen als van een malse rijpe perzik. Hier en daar zal nog iemand met een grote liefde voor taal zijn pennenvruchten vooraf grondig (laten) controleren. Een tikfout is immers snel gebeurd. Maar het is zaterdagochtend. Antwerpen kan wel even zonder mij. Ik reageer niet, noch om de moedige waaghals te verdedigen, als om het taalgebruik op de publieke zender aan te klagen. Neen, ik sluit mijn mobieltje, neem de weekendkrant erbij en laat me onderdompelen in een wereld van mooie woorden, duidelijke taal en uitdagende cryptogrammen onder het genot van de nog warme chocoladekoek en de sterke koffie. Het kan maar smaken.   12 horizontaal heb ik inmiddels gevonden ;-) 

Anemos
20 3

Stormachtig (oefening spanningsboog)

“Niemand binnenlaten! Echt niemand!” Daar moest ik het mee doen. Ik hoorde Pierre de trappen afrennen, bijna over zijn voeten vallend en nog vaag vloekend verdwijnen. Een kwartier nadat we hier binnenkwamen, was de elektriciteit uitgevallen. Het gebouw bewoog dreigend. De jongen  aan de salontafel probeerde zijn eerste stapjes te zetten. Wat was hij blij, met zijn handjes voor zich uit, enthousiast naar mij lachend. Voelt hij dan nog niets van het naderende onheil? Hoe heet hij ook alweer? Ik verbaasde me over het volle vertrouwen dat hij had. Hij wees naar de muur achter de televisie. Daar hing een foto van zijn opa met hem op schoot. Verder waren de muren leeg. Het appartement zag er vrij kaal uit, met enkel een oude krakende zetel en een salontafeltje in de living. De eetkamer leek een kampeerterrein met uitgeklapte campingmeubeltjes en één kinderstoeltje. In de slaapkamer had ik enkel de koffer neergeploft zonder echt op te letten. Hopelijk stond er wel  een tweepersoonsbed én een kinderbedje. Hier was duidelijk nog werk aan de winkel. Ondanks de vreemde situatie werd ik toch warm dat hij een foto van zichzelf en zijn kleinzoontje had opgehangen. Wat wist ik eigenlijk nog weinig van hem. Pierre had beloofd snel terug te zijn, ‘gewoon even naar de winkel voor proviand’. Het onweer was veel sneller. De wolken verzamelden zich rond dit penthouse, dat vooral uit glas leek te bestaan. Gordijnen hingen hier niet. De eerste flits verlichtte de grote ruimte. Een schaduw tegen de muur kwam en ging, snel als de bliksemflits zelf. Enzo  - zó heette hij – verstijfde.  De volgende seconde bevroren we gelijktijdig bij het knetteren van de donder. De jongen viel ter plaatse neer. Was het zijn verbazing van het vallen of het schrikken van de donder? Hij begon te roepen, zijn eerste woordjes al: “Oopaa”. Maar opa was er niet. Ik zat hier, zijn vriendin, met zijn kleinkind dat ik vanmorgen pas ontmoet had. Van een verrassing gesproken. Ik wilde hem oppakken en troosten, maar hij stampte met zijn voetje naar mij. Hij gooide zijn hoofd in zijn nek en krijste met een volume waar enkel de stormwind beter kon. Waar is dat lieve jongetje van vanochtend? Het onweer zwol snel  aan. De zwartgrijze lucht dreigde te ontploffen. De wolken barstten open om hun lichtsabel doorheen de kamer te zwaaien. In de spiegeling van het brede raam zag ik mezelf opschrikken. Geen wonder dat Enzo zo schreeuwde. Ik zag eruit als een vampier met mijn bleke gezicht en nog rood gestifte lippen. Die uitgelopen oogschaduw deed er nog een bangelijk schepje bovenop. Met een papieren zakdoek beperkte ik de ergste schade. Hij werd stilaan kalmer. Ik slaagde erin zijn handje vast te pakken zonder dat hij weerstand bood. Hij kneep zelfs in de mijne bij de volgende bliksemflits. Hij schoof dichterbij. Ik waagde het hem op te pakken. Hij liet het toe. We konden elkaar troosten. Hoe kan Pierre zo’n lief jongetje alleen laten bij iemand die hij nog nooit eerder gezien had? Ik streelde zijn rugje. Hij vlijde zich tegen mijn schouder. Zo wandelde ik over en weer in het appartement tot de storm langzaam afnam. Ik praatte met hem. “Donder niet meer boos. Kijk! Hij vliegt weg.” En “Bliksem ook niet meer boos.” “Weg,” zei hij en wees onhandig met zijn vuistje naar buiten. De wolken werden lichter grijs. Het dreigend bewegen van het dakappartement minderde. Alleen de regen kletterde nog op het terras. De elektriciteit was terug. Het licht kon weer aan. Een andere onrust bekroop me. Hoe moest ik Enzo aan eten helpen? Drinkt hij ’s avonds babymelk? Wanhopig trok ik toch de ijskast open. Groot was mijn verbazing. Enzo juichte: “Tatje”. Patatjes, inderdaad. Er stond allerlei proviand hier. Pierre hád al boodschappen gedaan. Hij had zelfs al enkele maaltijden voor zijn kleinzoon bereid. Of in elk geval meegekregen. De jongen herkende de potjes. Ik zette hem aan de campingtafel in het kinderstoeltje en gaf hem een koekje. Mijn handen vrij om zijn eten op te warmen. In gedachten overliep ik de dag, de verrassende ontmoeting met zijn kleinzoon, de strandwandeling, de vertederende zorgzaamheid, het vrolijke lachen, het speelse haasten toen de wind opstak. Zo kende ik Pierre niet. Enzo at intussen gulzig van zijn ‘tatjes’. Toen de grootste honger gestild was, mocht hij zelf proberen. Ik zette de tv aan. Er was nieuws over de stormschade. Pierre zal nu wel snel hier zijn. Enzo amuseerde zich. Schattige jongen toch, zich helemaal onder de patatjes gewerkt. Dan! Een pas binnengelopen bericht. Beelden van zwaailichten, combi’s, een tentje en Pierre die  geboeid werd afgevoerd. Ik was ontzet. Ik greep instinctief naar mijn mobieltje.  Een sms van hem, al van een uur geleden: ‘Ik was het niet. Zorg AUB voor Enzo.’

Anemos
19 2

Slimme Jefke (als oefening in een cursus - korte scène ahv foto)

“Jefke! Weeral aan het dromen?” Jefke had zijn oefening al af. Hij schrok even op. “Ja, euhm, ja meneer Lathouwers, al effekes. Komt ge niet nakijken?” Vingers intrekken wanneer de lattenkletser langskomt. “Neem de achterkant van uw lei maar en maak de volgende oefening!” Jefke begon eraan en was weeral snel klaar. Fluitje van een cent. Hij was niet aan het dromen. Jefke telde de winst die hij zou maken door huiswerk van andere kinderen te schrijven. Daar verdiende hij goed mee. Hij kon dan niet betrapt worden. Laten afkijken in de klas was riskanter en enkel mogelijk voor de kinderen rondom hem. De meester kwam nu toch nakijken. Jefke voelde zijn vingers al tintelen. “Allez jong, gij zijt toch slimmer dan dat! Hoe kunt ge nu zo’n stomme fout maken?” “Wablieft meester? Ik wist dat echt niet. Kunt ge het eens uitleggen?” Meestal trok Jefke het zich niet aan. Hij wist dat het goed was. Af en toe expres een foutje maken, daar was hij bedreven in. Zo bleef hij populair en zouden zijn klasgenoten zijn hulp blijven vragen. Zijn spaarvarken zwol aan, zijn fietsdroom werd echter. “Begrepen nu, Jefke?” Oei, is die al klaar met zijne uitleg? Jefke haastte zich om de oefening nu goed te maken. Dan kon hij weer nadenken over zijn kansen. Zou ik nu geld vragen aan die nieuwe hier naast mij, zo gretig om af te kijken? Opslag misschien? “Jéfke! Stop met dromen. Ga liever aan bord de tweede oefening maken. Dan kan iedereen zien hoe het moet!” De klas keek gespannen naar hem. Waar zát die toch altijd met zijn gedachten? “Jéfke, nú!” Verdorie toch, nu moest Jos niet meer afkijken. En ik was er bijna, nog vijftig frank!

Anemos
6 0

Wat wil je later worden? (tweede oefening)

“Zeg Marie, wat wil jij later worden?” Tante Trix met haar grote mensenvragen. Marie stond te friemelen aan haar rok, niet wetend wat te antwoorden. Haar neefje Jonas stond erbij en trok een grimas naar haar als verontschuldiging voor zijn moeder. Wat wil ik later worden? Wanneer is dat dan? “Ons Marie wordt leerkracht! Zoals zíj haar klasgenootjes kan helpen.” Mama wist het weer hoor. Marie was blij dat ze niet bij haar in de klas zat. Ze had, zoals haar moeder verwachtte, haar nieuwe kleren geshowd. Stomme rok! Ik wilde mijn jeans aan! Ze zat in de tweede klas van de basisschool, met bijna het hoogste leesniveau, zodat ze niet mee moest doen met de andere kinderen tijdens het leesuur. Alleen een uurtje per week een ander kind helpen. Hoe moeilijk kon het zijn? Meestal mocht zij, met twee andere slimmeriken, in de schoolbibliotheek een boek lezen en daarover vertellen. “Maar neen, die gaat naar de universiteit. Die wordt professor!” Wat is pro-fes-sor? Zeker iets saai! Zoals nonkel Frans zelf. “Laat haar toch met rust! Ze …” Gelukkig verdedigde haar vader haar. Gered! Op dat moment begon haar babyzusje te huilen. Eindelijk! De aandacht voor Marie verslapte. Samen met Jonas ging ze naar zijn speelhoek. Hij was al negen en kon al zóveel lezen. Marie vond dat heerlijk. Ze speelden de avonturen uit hun boeken. Soms kibbelden ze wel eens wie de held was en wie de slechterik. Ofwel las Jonas aan haar voor. Hij kende al veel moeilijke woorden. Later aan tafel babbelden Marie en Jonas verder over hun boekenavonturen. De held ging bij rijken stelen om het aan armen te geven. Toen herinnerde Marie zich weer plots, de vraag die de volwassenen allang vergeten waren maar zij riep dolenthousiast: “Ik wil later Robin Hood worden!”

Anemos
3 0

Wat wil jij later worden?

Haar glimlach verbreedde toen nonkel Mon zei dat ze talent had om piano te leren spelen. Met blozende wangen van plezier, speelde Maartje het eenvoudige kinderliedje nog een keer. De omzittenden zongen mee,  ‘Broeder Jacob, broeder Jacob …’ Ze genoot zichtbaar en haar favoriete oom werd haar meest toegewijde fan. Het zingen ging nog even door, afgewisseld met mopjes vertellen en vrolijke raadseltjes oplossen. Zo in het middelpunt van de belangstelling voelde ze zich in haar nopjes. ’s Nachts droomde ze haar eigen komende succes. De volgende dag in de klas, vertelde de juf over beroepen. Dat triggerde haar wel. Nog half dromend over de vorige avond, waarin ze zich een beroemde ster voelde met nonkel Mon als haar grootste fan, antwoordde ze enthousiast ‘pianospeler’, toen het haar beurt was om te antwoorden op de vraag wat ze later wilde worden. De hele klas schoot in de lach en zelfs de juf moest haar best doen om zich in te houden. Ze keek een beetje beteuterd rond. Haar klasgenootjes vonden haar soms een beetje raar, maar wel altijd grappig. ‘Gisteren was het juffrouw’, ‘vorige week wilde ze nog mensenhelper worden’ of ‘klerenmaakster’ … werd er zacht gefluisterd. Maartje was het wel gewoon. Ze had meestal ook genoeg aan zichzelf en haar dromen. Ze zweeg, bleef in haar eigen wereld, waar nog net genoeg plaats was om de les te volgen. ‘Misschien,’ dacht ze, ‘misschien moet ik eerst maar eens groot worden.’   (dit korte verhaal schreef ik als oefening voor een cursus van Wisper)

Anemos
14 1

Opleiding

Logopedie graduaat (bachelor)