Over Zonsondergangdromen

Ons taal eigen beginnen maken? Waarom zijn we er in godsnaam mee begonnen? Simpelweg om te overleven in groep? Of om ons uit te drukken, om te beschrijven hoe we ons voelen en wat we precies voelen? Om plezier te maken? Was starten met spreken ook een manier om ons vast te houden aan datgene wat weg is, of misschien ook om hoop te koesteren en naar de toekomst te kijken? Wie weet... alleszins via deze wegen zijn verhalen ontstaan.

Er stromen woorden door mijn aderen en vervolgens weeft mijn geest ze tot verhalen.

Teksten

Als(of) de donder roffelt…

Inzending Write Now 2020 “Dit stuk is gewaagd. Zeker vanuit dit perspectief. Toch voelde ik me er niet volledig afgeschrikt door en bij. Dit verhaal zou en zal geschreven worden. Is het niet door mij, dan is het door iemand die uit ervaring geput het zou of zal neerpennen. Nadat zijn of haar littekens verbleekt zijn, maar niet vergeten, zal zij of hij uit de as herrijzen en roepen: dit verhaal moet verteld worden, zodat onze daden en die van anderen niet vergeten zullen worden. Voor eeuwig zijn deze een les, maar er uit leren doen we amper?! Toch geloven wij dat wij kunnen veranderen en (bij) leren. Telkens weer opnieuw, keer op keer, dag op dag. Verandering komt, zal gebeuren en daarom zullen wij ons aanpassen. Zo alleen overleven we en worden we sterker en menselijker, niét machtiger, want dat is geen doel om na te streven. ‘Vreedzamer, gelijker en menselijker, … dat zijn de doelen waar wij naar streven’.” De jongvolwassen (van eender welk land, afkomst, geslacht of geloof) met hun littekens die langzaam verbleken, maar niet verdwijnen - ‘NU is het éindelijk genoeg geweest’, het rolt haast uit mijn mond, deze zin doordrenkt van pijn en vooral: ‘onmacht’. Alsof het al die tijd smekend om aandacht op het puntje van mijn tong lag. Onaangeraakt en ongenaakbaar, toch onbewust sluimerend aanwezig. Ik schrik van de kracht, van de impact die mijn bloedeigen woorden op mij hebben. Ik klem mijn handen rond mijn kop koffie. Mijn knokkels verkleuren. Is het niet van de warmte, dan is het van de spanning die ik nu voel. Het draaft doorheen mijn lichaam als een op hol geslagen kudde paarden. PETS. Kwaad sla ik met mijn hand op de onaangetaste en tevens lege bundel papieren op mijn bureau. Mijn trots is gekrenkt. Iedereen zal én moet het weten en ook voelen – maar vooral ik eigenlijk -. BAM. ‘Alsof de donder roffelt in de verte … Oh moest je eens weten’, ik zucht en kerm, tegelijkertijd. Een seconde daarna kraakt het raam. Een immense stofwolk kringelt voorzichtig naar beneden. Als in een trance kijk ik er naar, alsof het de inkt is die ik nodig heb om mijn bundel lege papieren te vullen met letters. Op zijn beurt zullen die letters zich omvormen tot woorden, zo tot zinnen en zo tot …? ‘JA? TOT WAT EIGENLIJK?’ ik schreeuw het uit. Als ik opkijk, zie ik de opgezette dwergooruil me kil aanstaren vanuit de vitrine. Ik heb dat beest nooit gemogen. Niet dat ik iets tegen dieren heb en al zeker niet tegen vogels. Nee. Het is de door mij niet te begrijpen innerlijke drang van mensen om beesten op te zetten. BAM. ‘OCH, stop er toch mee!’ tier ik, opnieuw, in het niets. ‘Alsof het iets zal uitmaken, Amine, mijn jongen’, zegt de stem, die toebehoort aan mijn grootmoeder, die onopgemerkt mijn studeerkamer is binnen geslopen.  Alsof ze haar kousen tot haar knieën heeft getrokken – wat goed mogelijk is – , haar ouderwetse pantoffels is vergeten en zo mijn kamer nonchalant is binnengewandeld. Zonder te kloppen. Huisregel één? Genegeerd en geschonden! Voordat grootmoeder haar zin kan afmaken, loopt het mis. Ik schrik me een ongeluk, spring recht - of in de omgekeerde volgorde – waardoor mijn grootmoeder nog erger schrikt. Ze laat de plateau met heerlijk ruikende koffie, inclusief zelfgebakken zandkoekjes, vallen … Theatraal kletst de koffie op de grond … BAM. Opnieuw het ijzingwekkend geluid uit de verte, waar iedereen en alleman, van kloeke grootvaders tot de moedigste tieners en de stoutste meisjes, het begeven en van in hun broek doen – ook ik -. Ons huis schudt en beeft. Het raam kraakt, stof valt opnieuw naar beneden, mijn ijle hoop dat er letters door deze gevormd zullen worden gaat in rook – of beter gezegd stof – op. De koekjes rollen van de in scherven gevallen plateau naar de scheve hoek van mijn kamer en komen onder de kast terecht. Daar blijven ze liggen. Alsof het zo hoorde te wezen! Eén ontsnapt zandkoekje blijft rusten in de hoek van de kamer. Daar staart het me met een lachend gezichtje uit kleurstof aan.  Al die tijd gaap ik grootmoeder aan. Ook grootmoeder kijkt me aan, haar hoofddoek is een centimeter scheef gezakt, waardoor haar haar niet langer onbedekt is. Een grijze noch zwarte krul bengelt vanonder de hoofddoek. Haar glimlach die daarvoor nog zo zorgend, lieflijk en goedbedoeld was, is volledig van haar gezicht verdwenen en maakt nu plaats voor een misplaatste en teleurgestelde uitdrukking. Grootmoeder vloekt. Luid, duidelijk én als een rasechte Arabische vrouw. Dat doorbreekt de staarwedstrijd. Ik sla mijn blik neer. Mijn wangen kleuren rood, alsof het mijn schuld is. Deze hachelijke situatie. Alsof ik een jochie van acht ben, en geen jongeman van 20 lentes. Mijn kousen zijn zichtbaar onder mijn zwarte broek. Ik bestudeer ze dan maar, want nog steeds durf ik haar niet aan te kijken. Het zijn mijn favoriete kousen – regenboog kousen -. Volgens velen misplaatst en niet toepasselijk, én al zeker niet draagbaar in onze cultuur. ‘Wat is onze cultuur dan volgens u?’ vraag ik dan telkens wanneer ze het lef hebben om me erover aan te spreken. Op een typische stoutmoedige wijze, alsof ik zojuist mijn stoute schoenen – noem het eerder mijn stoute kousen – heb aangetrokken. Velen kijken me geschokt of verbaasd aan om mijn reactie, té ontmoedigd om daar nog op te antwoorden. Nog anderen vloeken me toe, nog anderen slaan het gebed teken ‘De Salat’ en werpen hun blik naar boven, naar de hemel, naar Allah. Als ze dat doen, maak ik me snel uit de voeten. De toorn van Allah wil ik me nog nét niet op de nek halen. Dat is exact wat mijn grootmoeder nu doét. Bidden tot Allah. Ik  hoor haar prevelen. Mijn oren beginnen te suizen, haast te piepen. Het haar op mijn armen komt recht. Ik beef. ‘Gebruik je manieren, jongeman’, ze draait zich om, maar vervolgt toch haar zin, ‘en raap dat verloren koekje daar onder de kast alsjeblieft op.’ ‘Dank je, moe’, prevel ik opgelucht. De deur valt met een klap dicht en weg is ze. Opnieuw staar ik voor me uit naar de lege stapel papieren, die deskundig uitgespreid liggen over mijn bureau. ‘Zo gaat dit niet meer verder’, besluit ik. Ik wrijf gefrustreerd door mijn warrige haren. ‘Dan maar een luchtje scheppen.’ Geen normaal mens zou zich nu nog op straat wagen, maar ik ben dan ook geen normaal mens. Ik zuchtte. Nogmaals. Wanneer ging er een eind komen aan deze waanzin, waar we nu al negen jaar in leefden? In gedachten verzonken loop ik door de verlaten en verwoeste stad. Er is geen ziel op straat aanwezig, hier en daar een zwerfkat of hond, daar blijft het bij. Iedereen houdt zich klaar voor wat komen zal. Iedereen die besloot te blijven. De rest, die is op de vlucht. Op het voetpad blokkeren gigantische stenen, afkomstig van een ingestort gebouw verderop, mijn route. Behoedzaam neem ik een sluipweg en begeef me in de schaduwen van de huizen. Enkel nog een zware metalen deur verspert me de weg tussen mijn leefwereld en het contact met de buitenwereld. Nadat ik wat kracht uitoefen op de deur komt er beweging in. De weg naar het binnenplein ligt voor me open. Het binnenplein, mijn schuilplek, mijn geheime plek, maar vooral mijn rustplek. Ik scan de omgeving. Ik voel mijn hart kloppen in mijn keel. Verderop zie ik dat één van de muren is ingestort. Aan de voet van de ingestorte muur valt me een schim op. Een dier? Een mens?! Het wezen wordt deels belicht door de laatste stralen avondzon, die gebroken door een glasraam naar binnen vallen. Ik nader, tergend traag en heel erg voorzichtig. ‘N…n…ee…neee’, stamel ik uit en laat me op mijn knieën zakken. Voor mij, beschenen door het laatste avondlicht, ligt een meisje. Een jong meisje, nog een kind. Ze ademt heel moeilijk, rasperig en met horten en stoten.  Als ik haar aankijk, stoot ze een snerpende gil uit. Het geluid gaat door merg en been.  Ik blijf een hele tijd knielend zitten helemaal verdwaasd en als aan de grond genageld. Elke rationele gedachte wordt naar de achtergrond geduwd. Enkel emotie en gevoel overheersen. Haar lot ligt in mijn handen en ik besef het amper. De tijd kruipt voorbij, net zoals de kans om hulp te zoeken. Haar ravenzwarte krulletjes zijn doordrenkt met gruis en stof. Haar hoofd is bebloed. Bloed dat afkomstig is van een lelijke, gapende wonde aan haar rechterslaap. Haar blauwe kleed is helemaal besmeurd. Haar ogen, zo donker als de nacht, zijn gericht naar de helderblauwe hemel, naar het laatste avondlicht. Haar blik heeft iets levendig en leegs tegelijkertijd. Alsof ik het leven langzaam uit haar lichaam zie verdwijnen. In haar rechterhand houdt het meisje een popje geklemd, in haar ander hand een boek. Zaken die ik nu pas opmerk. Het meisje begint te beven en te schokken. Ik weet niet wat te doen en tegelijkertijd kom ik bij mijn positieven. ‘Hulp, HULP’, schreeuw ik.  Wetend dat geen levende ziel mij nu nog horen kan, buiten de wachters misschien. Ik ben te ver van thuis. Afgedwaald door de stad naar mijn rustplek. Eén keer beweegt het meisje nog. Haar blik wordt koud en ze staart ijzig naar boven, naar het laatste restje zonlicht. Moedeloos met mijn handen over mijn knieën geslagen, blijf ik zitten. Mezelf wiegend. Tot rust? Weg van deze situatie? Eén gedachte sluimert er door mijn hoofd, iets wat ik maar niet kan of wil begrijpen. ‘Waarom kwam er niemand?’ Mijn eigen antwoord dringt zich op aan het oppervlak : ‘Mensen zijn bang, heel erg bang, Amine. Angst vernietigt alles. Elke rationele gedachte verbrokkelt bij angst. Een angst om alles en iedereen waar je van houdt kwijt te raken. Het is erger dan de dood. Daarom kwam niemand toegesneld. Het ligt niet aan jou, noch aan hen, noch aan het meisje.’ Een volgende gedachte vormt zich, een hoopvolle: ‘Maar één iets is sterker dan angst, één iets zorgt er voor dat je jouw angsten aankan, dat je moedig wordt en dat is “hoop”.’ Een warme gloed in de vorm van hoop verwarmt me nu. In mijn twintig lentes, heb ik al veel aanzien. In de 9 jaren dat ik in oorlogsgebied woon, hebben veel zaken me gehard. Het zadelde me op met trauma, maar gaf me ook moed. Een innerlijke kracht om nooit op te geven, om altijd te blijven doorzetten. Eenmaal ik die kracht omarm, maakt het niet uit hoe donker mijn pad wordt. Ik sta op en sluit voorzichtig de ogen van het meisje. Het boek en het popje zijn uit haar handen gegleden. Het popje leg ik naast haar. Het boek neem ik vast. Zij, het onbekende meisje, het zoveelste oorlogsslachtoffer? Ik weet niet precies hoe ze aan haar einde is gekomen. Hadden de brokstukken haar geraakt? Waarom was ze alleen? Was ze een wees? Overlevend op straat? Vragen waar ik nooit de antwoorden op zal weten. De onmacht overvalt me opnieuw.  Het is donker geworden rondom mij. Dat lijkt me tot rust te manen. Nog één keer kijk ik naar het meisje, met tranen in de ogen. Waarom raakt dit me zo hard?! Ik draai me om, de tranen verbijtend. Als in een trance geraak ik thuis. Grootmoeder zit comfortabel in de opgelapte zetel, een boek te lezen. Ze negeert het feit dat ik langs de voordeur binnenkom. Wat ik normaal gezien nooit doe. Ik vermoed dat ze al lang af weet van mijn avondlijke sluiptochten door onze verwoeste stad. Toch zegt grootmoeder er nooit iets op. Nu ook niet. Dankbaar wandel ik naar mijn slaapkamer. Het boek van het onbekende slachtoffer heb ik nog steeds in mijn handen geklemd. Eenmaal op mijn kamer sla ik het open. Tranen vullen zich opnieuw in mijn ogen. ‘H..h..h...et is een dagboek’, stoot ik uit. Kriebelige hanenpoten staan neergepend op vuile en stoffige bladeren. Toch versta ik elk woord dat ze geschreven heeft. ‘Oh, wat was jij slim’, tranen wellen opnieuw op. Een hele avond lees ik in haar dagboek. BAM. Opnieuw dat ijzingwekkend geluid. Altijd vrezend of hopend dat het de laatste keer is dat je het zal horen. Ik leg haar boekje langs de kant, neem mijn pen in de hand en begin te schrijven. Waar het me nog geen enkele uren geleden aan alle inspiratie ontbrak, stroom ik er nu van over. Een hele nacht schrijf ik. Ochtendzon kietelt mijn oogleden. Vermoeid rek ik me uit. Alles komt als in een waas terug. Ik rep me naar buiten, negeer alles dat ik tegenkom. Het enige dat me bezighoudt is de teksten veilig en wel bij hun doel bezorgen. Zodat dit meisje niet voor niets gestorven is. Als zovelen gestorven door een toedoen groter dan ieder van ons begrijpen kan, een machtsspel dat zij nog amper bevatten kon. Veilig overhandig ik mijn teksten en zeg luid en duidelijk: ‘zij moét de laatste zijn.’  

Zonsondergangdromen
7 0

Love and hope - Are felt, not seen

“Some say we find it in the darkest of nights With no candle or light  To brighten up our life Some say it’s in the normal of the day, the wonder Other say it’s in the fear for the thunder We’ll still survive All I know is that I just don’t know What made especially the ‘ow’ in ‘wow’ Some days it’s there Other day it’s gone, and it feels like forever Like it’s forever lost Like I’m a ghost Gone with the smallest wave of wind Like one of a kind  Up in the sky Feet steady on the ground And my head, as always, dreamy in the clouds I suggest my other half, my twin flame, burned out And that’s really a big doubt Surprise me with what you know And with the smallest kind of effort I will laugh But it’s not a real laugh, or honest ‘Dude, like most flowers bloom in august?’ I do not care for you, or you, or you I’ll only be my honest, stupidest, evilest and truest self with him But how many times I’ll burn myself I even speak in rhymes to the books on my shelf I do not learn To the ends of the earth I’ll take him And sing the deadliest most beautifulest hymn  I destroy myself and sadly him too And the sky colours pink blue As both a blessing and message, sharp as knives to those we will become in our next lives All I have learnt is that I’m the sensitive one I laugh, I cry, I live, I overthink, I overrun I had always a connection with the spiritual kind of shit And therefore I’m full of pit I’m the conscious one And that’s so hard, and wrong While he’s drowning in a lake of darkness, unconscious Knockouted on that head, gracious  Some say it’s in the silliness of uncontrolled laughter Other says it’s in the power of only a few hours Or wonder for one another All I know is that hope and love are in our own damned hearts In every hated and loved soul parts And therefor I love him, ‘because he makes me feel How to crash and how to heal Every damn thing, hate, hope, everything in between Because love and hope are the things that are felt not seen And that makes our brains a mess,  And if our hearts win this battle, god bless For those which are forever lost in this perpetual struggle of power In a good environment of love and hope blooms even the darkest flower All I know is that I still feel the difference between love and hate And till the end I will spread and create The light, not the dark, that I am and that I feel And that’s the only way to fully heal.”   Geschreven op 18 juni 2020 "A raw mess"  

Zonsondergangdromen
3 0

In het spoor van verwondering

"Snel, klauter omhoog.” kirde ze. Enthousiast bewoog ze en wees, op een manier dat ze niet naar beneden tuimelde. Ze leidde enkel met haar scherpzinnige blikken en handgebaren haar broer de weg naar de top. Die bereikte hij verbazingwekkend snel voor een zevenjarig ukkie. Hij zette zich voorzichtig naast zijn zus neer. Hoog verstopt in de toppen zaten ze veilig, leunend tegen de ruwe stam van de zomereik. Reikhalzend tuurden ze over de boomkruinen, naar het uitgestrekte landschap dat zich voor hun ogen kenbaar maakte. Het betoverde hen. “Welke geheimen verbergt dit allemaal?”, dacht Simon bedeesd, al speelde er een kleine grijns om zijn lippen, die volledig wees op een naderend avontuur. Hasse liet haar blik meevoeren, mee met de pikzwarte raaf, die zich loom liet meedrijven op de warme luchtstroom. Het vloog haast tegen de late zomerzon aan, maakte haar kinderlijke fantasie haar wijs. “Psst!”, een hand zwaaide voor haar ogen. Simon haalde haar uit haar dagdromen. “Hasse, kijk.”, fluisterde hij haar toe, zijn pientere ogen straalden.  Simon wees trillend van opwinding naar een plek vlak onder hen. Hasse’s ogen scanden de dichtbegroeide omgeving en reikten naar de open vlakte verderop. Rechts van haar zag ze een frivool fladderende vlinder. Een bont zandoogje, wist ze. Het vloog lustig in het rond, tot het landde verder weg.  Toen zag ze het. Simon’s ogen kleurden in allerlei tinten, vol verwondering. Daar liep het. Een schim, struinend doorheen de bomen, geen acht werpend op de twee mensenkinderen hoog verstopt in het nog dunne bladerdek. Het wurmde zich elegant door de lage begroeiing. Doorheen de duinen versnelde het van tempo. Alsof het zich haastte om de laatste toegangspoort die de weg tussen land en zee scheidde te bereiken. Sporen waren het enige wat het achterliet, ook al verdwenen deze al even snel als ze achtergelaten werden. De scherpe zeewind kende geen genade en nam alles wat op haar pad kwam met zich mee. Als een wervelwind belicht door de al laagstaande avondzon stuwde het de schim vooruit. Dat gaf het een verbazingwekkende kracht, of zo leek het toch voor Hasse en Simon. Of gaf het hen juist moed? Hasse zag hoe haar anders zo voorzichtige broer haast als een zwaluw naar beneden vloog. Een donkerbruine bos krullen was het laatste wat ze van hem zag. “Simon, wacht toch!”, maakte ze haar boos.  Met een laatste blik naar de hemel gericht, zag ze hoe een buizerd hoog boven haar zweefde. Het was alsof de roofvogel haar het vertrouwen gaf dat ze juist in dit onzekere moment nodig had. Met een lynx-achtige sprong, waarvan ze zelf niet wist dat ze deze bezat, landde ze op de zanderige ondergrond. Ze rende en rende, door de duinen die haar stevig vertraagden. Toch, was ze sneller dan ze ooit had durven dromen. Simon rende vrolijk verder. Hij had een doel, even vergat hij zelfs dat hij een zus had. Tot ze lachend en brutaal grijnzend hem voorbij stormde.   “Ik ben sneller, haha. Bedankt om me te vergeten.”, lichtjes nijdig stak ze haar tong uit en weg was ze. Simon remde zijn snelheid af en staarde licht beteuterd voor zich uit. Hij zag nog net hoe een paar stevige kuiten de heuvelachtige duin omhoog renden. “Pfff.”, hij wiebelde en viel. Een tapijt van lamsoor ving hem op. Met een knikje bedankte hij de zoutminners in stilte.  Eénmaal de top van de torenhoge duin bereikt, zag hij zijn zus rustig en dromerig voor zich uit staren. Puffend kwam hij tot bij haar en ze gebood hem om naast haar te komen zitten, zonder haar blik af te wenden van datgene wat Simon niet meer opmerkte. Tot hij keek en zag.  De schim liep op een draf langs de kustlijn. Het liep synchroon met de gloeiende zon, die verdween in de golven van de kalme zee. Ook al kwam de zeespiegel hoger dan ooit en hielden de dijken voorlopig stand, deze twee kinderen die opgegroeid waren in de buurt van het Zwin Landschapspark waren gewend aan de extremen waar ze werden aan blootgesteld. Toch, wie goed keek, zag in de verte - en overal - tekenen van een duurzame vooruitgang en ook vandaag, liet de biodiversiteit het niet afweten. Broer en zus zaten zo een hele tijd, naast elkaar leunend, tot de schim enkel nog maar een vage vlek was. Het donker viel, de sterren kwamen op en zij waren verzonken in het moment en in de gedachte dat wat ze vandaag hadden meegemaakt wel heel bijzonder was.

Zonsondergangdromen
35 0

Dagelijkse quarantaine kost (Inzending Virus 2020)

Deze tekst datteert uit 2020 en schetst het beeld van de Coronapandemie toen deze nog maar net doorheen ons land woekerde. Het laat je met een raak, ietwat onbehagelijk gevoel terugdenken aan deze periode, maar tovert bovenal een glimlach op het gezicht! Inzending voor de schrijfwedstrijd "Virus" in 2020. Laat je meesleuren: ‘Elke dag is het nu al hetzelfde liedje: op elke zender, op elke post, op elk TV – scherm en op elke radio.’ zuchtte ze tegen me. ‘Wat als,’ ze draaide resoluut de radio zachter en zette met een rake klap de TV uit, ‘we het nu eens anders aanpakken, het totáál anders bekijken?!’ haar ogen fonkelden geestdriftig, geniepig en pittig tegelijkertijd, alsof ze zojuist Einsteins relativiteitstheorie overtroef en Darwins evolutietheorie met een gemak van de tafel veegde.  ‘Wat bedoel je, lief?’ zuchtte ik, vrezend dat ze net als één van eerder opgesomde namen balanceerde tussen de dunne lijn van gek of geniaal. Op één of andere manier wou en moest ik haar zien te beschermen. Want in mijn ogen dartelde ze – nee, zweefde ze – al enkele dagen rond die dunne lijn, die de uitersten verbond en verweefde tot één geheel.  Wie niet, eigenlijk? dacht ik. Waar zij energiek en creatief was, ontbrak ik ook maar aan enig gevoel van vrolijkheid of werklust. Alsof ik mijn batterijen al veel eerder had moeten herladen of vervangen. Nu was het te laat. We zaten middenin een gekte, een pandemie, een regelrechte crisis, of hoe anderen het ook maar wilden noemen.  De eerste week van sociaal isolement zat er bijna op, maar het leek pas het begin. Even beeldde ik me in dat viroloog Marc van Ranst plaatsgenomen had in de kleurrijke opgelapte fauteuil recht tegenover me. Nippend van zijn thee, me goedkeurend knikkend aankeek en me influisterde: ‘weet dat dit nog maar het begin is, zelfs jij weet net zoals iedereen wat er aankomt, bereid je voor op 10 lange, tergend traag voorbij kruipende weken’. ‘EN BLIJF IN UW KOT.’ en ook minister van Volksgezondheid Maggie De Block was toegetreden tot de conversatie! Ik zuchtte nogmaals, dieper dan de vorige keer. Misschien werd ik wel gek, de TV en radio stonden uit, maar toch beeldde ik me in dat er twee boegbeelden van deze crisis gewoon luchtig in mijn woonkamer zaten?! Waarom niet gans de pas gevormde Belgische regering Wilmès II en de veiligheidsraad erbij betrekken? Of ze gezellig uitnodigen voor het avondmaal? Weliswaar met twee meter voorbeeldige afstand tussen! Marc Van Ranst en Maggie De Block knipoogden me nu tegelijkertijd toe. Ik gromde en maande mezelf terug tot mijn normale zelfcontrole: genoeg fantasie gehad voor rampjaar 2020. Mijn lief was als een opwindbare springveertje recht gesprongen uit de zetel, had de radio uitgezet en de TV dicht geknald en staarde nu met een tegelijkertijd dromerige en enorm gefixeerde uitdrukking door het grootste en tevens vuilste raam van ons appartement.  Ineens draaide ze haar om en herhaalde dat ene kleine stukje: ‘Wat als,’ ze keek me vrolijk aan en vervolgde enthousiast haar zin, ‘ we een stap buiten wagen?!’ ‘WAT?!’ mijn ogen rolden haast uit hun kassen. Zo hard schrok ik. ‘M…m…maar buiten bestaat d…d…de kans dat je …besmet wordt,’ bracht ik voorzichtig en vallend over mijn woorden uit. Toen gebeurden er twee wonderlijk zaken op hetzelfde moment. Even kwam de zon vanachter de wolken piepen en scheen gretig in onze woonkamer. Tegelijkertijd barste mijn lief uit in een schaterlach, waar je haar alleen maar kon in vergezellen. Deze combinatie was te mooi om waar te zijn en kon ik niet aan me laten voorbijgaan! Dus lachte ik mee, eerst voorzichtig en dan haast nog luider dan zij. Spontaan en gezellig was het daar voor even in onze woonkamer en de zon, die scheen vrolijk en enthousiast met ons mee. ‘Wel, we doen het’, zei ik nog niet volledig bekomen van het schaterlachen,’ we gaan naar buiten!’ ‘Op één voorwaarde,’ ik keek haar gespeeld serieus aan. Haar donkerblauwe ogen staarden me serieus aan, de onbezonnenheid van daarjuist als sneeuw voor de zon verdwenen. Ze bleef mijn blik vastgrijpen, zonder een keer te knipperen. Ik slikte, me er volledig van bewust dat haar ogen me meesleurden naar de donkerblauwe diepte van haar energieke ziel. Even zag ik woeste stormen die zich vormen in haar prachtige ogen, maar ook ik gaf geen kik en de storm in haar ogen ging gaan liggen. In de plaats daarvan maakte het plaats voor een rustig gekalmeerd zeetje. ‘We houden afstand van anderen en als we het overleven maken we vanavond, samen, zelfgemaakte pizza!’ voegde ik er slinks en knipogend aan toe. Mijn gemoedstoestand was helemaal omgeslagen. De lachbui van zonet had me goed gedaan. Ze trok even een pruillipje – duidelijk gespeeld -, maar beantwoorde mijn knipoog met haar typische scheve grijns. ‘Oké.’ bracht ze alleen maar uit, maar haar lach was voldoende om mijn dag nu al goed te maken. We trokken onze wandelschoenen aan, voorzagen ons van een warme trui en trokken erop uit, de natuur in. De buitenstad was verlaten. Precies een verlaten, maar dan naar mensen snakkende, woestijn, waar het afval over de straat rolde als pluizen in de woestijn. Op straat passeerden we eenvoudigweg vijf eenzame zielen. Een oudere man, die krom liep, liet zijn hond uit. Hem ontweken we zichtbaar. Wie wou het nu eenmaal op zijn geweten hebben, om een oude man te besmetten?! Ook al zijn eventuele symptomen afwezig, je weet maar nooit! Een denkbeeldige Marc Van Ranst sloeg me gemoedelijk op de schouder. ‘Hela,’ mompelde ik in mezelf, ‘afstand!’ en sloeg zijn denkbeeldige hand weg. Van de andere vier eenzame zielen hielden we een meer dan acceptabele afstand. Wel knikten we iedereen een vriendelijke dag toe en zij beantwoorden minstens even vriendelijk met een knik, een glimlach of een goeiedag. De samenhorigheid en verbondenheid waren terug, dat was duidelijk! We zaten immers allemaal in hetzelfde schuitje, dacht ik optimistisch.  Stadsmussen floten ons een gezellige middag toe. Eenmaal in het natuurgebied aangekomen, geloofden we haast onze ogen niet. ‘HOE in GODSNAAM, overleven we dit, én dat op een zaterdag?’ bracht ik gechoqueerd uit.  Waar de stad volledig verlaten en uitgestorven leek, was het natuurgebied gevuld met mensen! Mijn lief lachte me toe, alreeds bekomen van het besef dat haar idee niet bijster origineel was geweest.  ‘Kom,’ haar ogen lachten me geruststellend toe, ‘zie het als een uitdaging om ze allemaal te ontwijken.’ en ze nam me bij de arm.  Het bleek ook écht een uitdaging te zijn. In plaats van de stilte en de rust te genieten, vogels te spotten en gewoonweg in de natuur te zijn, ontweken we nu een zee aan mensen. Weg was mijn lief haar schitterend plan! Na een grijze ochtend was de zon tevoorschijn gekomen en ieder levend stadsmens was uit zijn kot gekropen. Zo een drietal uur later, zo rond 18u00 kwamen we helemaal bezweet en uitgeput toe op ons appartement. ‘Wat was me dat?’ bracht ik lachend uit. Inmiddels kon ik er al om lachen. ‘Wél, het was een uitdaging.’ zei mijn lief, de pretlichtjes in haar ogen leefden opnieuw op. Streng voor onszelf wasten we eerste onze handen. Marc Van Ranst knikte me goedkeurend toe vanuit de spiegel. Ik gaf hem haast een high five en knipoogde hem toe. ‘Hahaha, wat doe jij nu?!’ mijn lief lachte me guitig toe. ‘Uh, niets! Gewoon gelukkig én moe.’ Na nog een douche, ploften we beiden vermoeid in de zetel, de klok tikte half acht. ‘Wel, als dit dagelijkse kost was voor de komende tien weken, lust ik wel wat quarantaine voedsel.’ Ik keek mijn lief ondeugend aan. Mijn lief keek me inschattend aan. ‘PIZZA, we BESTELLEN pizza.’ bedoel ik. Zo gezegd, zo gedaan. Ze belde de plaatselijke pizzeria op die sedert een week en half thuisleveringen deed. Ik hoorde vanuit haar telefoon het gebruikelijke doorverbind muziekje, en kort daarna had ze de vrouw van de Italiaan beet. ‘Het gebruikelijke…’ zei mijn lief, maar maakte haar zin niet af. Mijn lief haar blik ging van helderblauwe hemels over naar een donkerblauwe kolkende storm. Ik keek haar ongerust aan. ‘Oké, toch bedankt,’ zei ze, maar haar blik sprak boekdelen. ‘Ze doen geen leveringen meer vanaf zeven uur ’s avonds, blijkbaar had iedereen vandaag hetzelfde idee.’ ze zuchtte. ‘Wél, als dit de dagelijkse gebruikelijke quarantaine kost wordt.’ vergezelde ik haar in haar zucht. Ik haalde mijn schouders op. Samen haalden we uiteindelijk een diepvriesmaaltijd uit en warmden het op. ‘Op deze dagelijkse quarantaine kost,’ zei ze vrolijk. ‘Op sociaal isolement, braaf afstand houden op straat, een zee van mensen vermijden in het natuurgebied en diepvriesmaaltijden verorberen.’ voegde ik er aan toe. We klonken er op. Zo was het goed, toch? Zo overleefden we deze weken quarantaine. We maakten er, gewoon zoals iedereen, het beste van. Vanaf op een afstand keek de regering Wilmès II ons aan en schalde de stem van Marc Van Ranst door de woonkamer. Deze keer bleven de radio en televisie gewoon aan.

Zonsondergangdromen
10 0

Leven als een rijm (Good Vibes)

Nee, normaal schrijf ik niet Over de goede dingen in dit leven Maar met de zon die schijnt En het gezang van de vogels melodisch nazinderend in mijn hoofd De bladeren van de bomen groen gekleurd En de lucht fantastisch blauw Is precies hoe ik me voel Ik voel me in harmonie met de lente En mijn gevoelens nemen me mee Naar gloednieuwe plekken Ik dans in een tuin vol bloemen En eindelijk weet ik hoe Ik mijn ziel wil versieren Geen controle meer Ik hoef de verbroken verbindingen niet te repareren Ik spring door de gebroken schoonheid van het leven En tenslotte zing ik de liedjes die ik wil zingen "Good vibes", zing ik en lach in de regen Ik verbind me met alles En dat is zowel een zegen als een vloek Ik maak verbinding en ik controleer En soms verlies ik het allemaal Maar in de donkerste uren Slechts voor een moment Verlies ik mijn krachten Ik weet dat ik nog steeds kan leunen op jouw schouders Dus dans ik naar het duisterste kantje van mijn ziel En zing voor haar alle liedjes die ze nodig heeft  "Good vibes," roep ik hardop als ik door de storm heen lach Ik dans in een tuin vol bloemen En eindelijk weet ik hoe Ik mijn ziel wil versieren Geen controle meer Ik hoef de verbroken verbindingen niet te repareren Ik spring door de gebroken schoonheid van het leven En tenslotte zing ik de liedjes die ik wil zingen "Good vibes", zing ik en lach in de regen Op en neer gaat mijn humeur En mijn veerkracht werkt niet altijd Dan schijn ik het voorgoed op te geven Maar ik weet het tenslotte Dit leven is als een rijm En alles daar tussenin   En als het leven me op een zware weg brengt Herinner ik me dit lied nog steeds En deze stemming En ik weet dat ik alles aankan Eindelijk op mijn best, voorgoed

Zonsondergangdromen
27 0

Connecties: waar wegen splitsen

"Vooruit," fluisteren ze Maar het is mijn manier om vast te houden  "Laat los," schreeuwen ze Maar mijn hoofd herinnert zich nog Elke kleinigheid die ze deden   Je snakt naar verbinding Andere dagen verstop je je Je leeft in jouw hoofd Terwijl jouw balans op sommige dagen  de goede kant van het leven lijkt af te wegen Je leeft gewoon En dat is hoe je het meest van jezelf houdt 'Op je best'   Manieren om je vast te houden aan de dingen waar je van houdt Het leven lijkt een manier te hebben om enkele paden in zijwegen te snijden Je verliest er wat onderweg, rondlopend op deze aarde   Gisteren heb ik jullie twee ontmoet, opnieuw Hij kwelde me en het kan me gewoon niet schelen Hij wilde dat ik in zijn ogen keek maar ik weet wat hij wilde zeggen Zonder een woord uit te spreken Zijn verlangen naar mij Ik ken hem en voelde waar ik onze wegen doorsneed   En jij, ik voelde waar de wegen waren gespleten Door weg te lopen zonder afscheid te nemen ook al kwam je dichtbij Er is nog steeds een vonk Maar dat is alles Het brandt na verloop van tijd wel op (Ik geloof het niet)   Manieren om je vast te houden aan De dingen waar je van houdt Het leven lijkt een manier te hebben om enkele paden in zijwegen te snijden Je verliest er wat onderweg, rondlopend op deze aarde   Mijn moeder zei tegen me: "Verbroken connecties worden vervangen door nieuwe, met tijd" Dat is gewoon hoe het leven werkt Ik heb altijd de gewoonte gehad om het leven te buigen naar mijn wil Net zoals lucht verander ik met de wind Ik herinner het me met mijn hart Hoewel mijn hoofd een winnaar is   Zelfs al geef ik er met heel mijn ziel om En leek je me te vangen zonder het te weten, als ik wil groeien is het tijd om los te laten Dat is waar de wegen zich splitsen.

Zonsondergangdromen
81 0

Prijzen

Online schrijfwedstrijd Science - Fiction, Wattpad 2019
Eindeloze Verte

Eervolle vermelding met het gedicht 'Niemandsland' voor de wedstrijd 'Vlieger' van het Lees Het Boekenfestival en Creatief Schrijven vzw.

Tip van de week 26/01 met 'Liefste Melancholie'