Dries Verhaegen

Gebruikersnaam Dries Verhaegen

Teksten

Een berg die opstaat - episodes I-VIII

I     een weinig voor de hand liggend landschap ademt ook. ik adem mee zonder wroeging of onschuld en heilig zijn. wanneer de proza-industrie nee zegt stop ik ermee. bomen, wind, alles. kreten, woorden, alles doet mee. een passant fluistert me een belediging in het goede Oor. ik ken het landschap maar al te goed, hier panikeren de objecten, de dingen die zich aanpassen.de essentie: mee weigeren tot de dood die we kunnen sterven. brood eten en hongerspelen in een ver verleden dat zich een weg baant naar het vrome heden. kanjers van bazen praten enkel en alleen met iedereen en wees eerlijk: je ademt je diep ingedoken bibliothecaris -isme tot een archivaris aan flora.de plantentuin van Gent in je hoofd goochelt witte rook.Oor hoort alles dus ook de associatieve gestiek. een berg doemt op, waarom zou je niet omarmen wat je aanraken kon: een weinig voor de hand liggend landschap dat ademt en daarom dat je mee-ademt.         II     je verdenkt je zelf van eigendom. een kleine god leeft zo in je voort en je bepaalt je lot andersom.jij die jij kijkt in mij. leef zo in me voort aub. een nieuwe passant die meewarig aandacht schenkt aan de benen. opwaartse vloeiende bewegingen die aarde zijn. Oor en hand en tand en mens zijn.zodoende je hulp biedt aan de mechanismes die messcherp waarheid propaganderen en deze inbedden.anekdote: ik kende mezelf toen nog niet, enkel in de anderen zag ik de lichaamsdelen verdrinken. alles participeert in de handelingen des dood, jezelf verdenken, passeren doe je passief, communicatie post propaganda en nee, nee aan de adem, terwijl op de hoek van de straat de hoek van de straat opstaat en zich manifesteert tot blokkade, nee aan deze mensen die de zeg zeggen zonder meer, terwijl op kantoorgebouwen het bloed de handen van directeur abc zuivert; nee. ik ontdoe mezelf van een god. water de woorden, ken de beginselen en een religie begint.                     III     jezelf in fauna gekleurde aangrijpende fauna veranderen om je aders te doen vernauwen en dichter bij een mythologie te staan.de adem van de daken roepen, doe je het hiervoor of aanschouw je andere wezens in ingewikkelde dromen over alles en niets dat nog onzeker zonder mening blijkt. jezelf groen kleden dan maar, de oase lijkt wel onuitputtelijk als jij je in zijn schoenen zet. adem jezelf tot mens; dan ben je te weinig voor mij. op straathoeken verzamelen met te weinig om de schreeuw der ambivalentie op te wekken uit een slaap die smaragdgroen een bezit lijkt.hoor: de vergevorderde dood van de winter die nadert. als je elk spel als wrange nasmaak ontziet valt er namelijk niet meer te spelen.wij leven om de botten heen, klauteren de berg op, het erfgoed, bivakkeren om de stroom die alles omgeeft en drijven mee in een toekomst met écht geluid. tot je jezelf in zijn schoenen ziet. je verliest een haar daarbij.         IV     kijk nu, een pre-sekte die anders is. kijk: gewaarwording. dan de ontreddering en dan de toekomst, landschap. op meerdere plaatsen ontstaan stromingen zonder geheel gevrijwaarde setting. ik leg me erbij neer, hier is niets dat veel is, en mensen zijn van een bepaald begrip dat ik terloops naast me neer kan leggen.ik leeg de rivier in een hand die ik had.wij kijken naar de verduistering die altijd weer optreedt.kwaliteit een verdubbeld begrip. een pre-sekte leeft in tropen en exotisch genoeg verspreid hij zich niet. daar: de toon is gezet.         V     in een ogenblik ontbreekt de afstand die we met zijn allen vergooien in de aanval. zo’n ogenblik: het waait en de huizen staan nog krom, wezens werpen schaduw op de klimaatheersers en ik tik op een Tourette-patiënt. de ziekenkas is leeg, de boeien worden geworpen, je woorden zijn hol, de kaviaar is op. het stormt, wij met zijn allen. kun je jezelf aan me geven. daaromtrent een contract dat ik zal opstellen met enkele waarachtigheden die aan stroom ontbreken. geluid dat je uitkraamt versta ik nog niet. VI     zonder je geloof in jezelf te verliezen, zonder meer: het zwembad is geleegd, net zoals het huis. verplaatsingen binnenin. een maag die niet meer wil of kan. zo verloor je de akte van wellust.ik verdrink je niet langer, er is niet genoeg H2O voor ieder kwaad dat in mij broedt. zolang je er nog in gelooft heb je me maar op te bellen via de moordlijn. quasi onberekenbaar sluipen mijn woorden zo verder. ik die de wil wil. een verknipt krantenartikel zegt me dat ik meer zou mogen willen. dat is een understatement en ik.         VII     panikeren doe ik in je achterhoofd.er heeft zich een landschap gevormd, dat weinigen zullen beklimmen. van punt A naar B: een gang door het Oor en weer terug.       VIII     goederen op een treinvaart naar de overkant. op en ook weer af de berg langs beide kanten en de weerszijden mijn hoofd hebben hoornen. import: een gebalanceerd gedoe zonder gevrijwaarde hel. export: de andere kant van de munt die vrijwel onmiddellijk op zijn staart trapte. goederen op een hoog tempo de berg af dansen en kilte oproepen. dan de kans grijpen om erin op te gaan; jij die je haar goedlegt, ik kijk keurend toe: een 6. mensen en alles daarbuiten: een goed. onderhandelen, veranderen: metamorfose. amfibie die sceptisch is over zijn soortgenoten. de trein die halt houdt in het gladde verwantschap en zo ook ik die de benen influistert met film. vastleggen. passief de gebergtes passeren en kantelen, we zijn op het hoogtepunt ook dat alweer voorbij de sissende klanken van de waanzin in en wij keren de kar naar mijn rug. wij leerden de volharding passeren in een vingerknip en praten luider tegen elkaar. de spraak des leegtes vult de tongen met een hartkwaaltje. paniek pro habitat; hier wil je wonen en blijven.

Dries Verhaegen
4 0

Moor

in een kwijtgespeeld interesseveld zitten de aangetaste deeltjes benadelen en de weg vrijmaken voor mezelf in een verbaasd landschap de staat bezingen de vertwijfelde pose vormgeven en de weg vrijwaren voor mezelf   Ik startte een onderzoek naar de ongeziene status der dingen die in een handomdraai de gevrijwaarde basis vormde van al dat zich de dag in zong, een kwestie van volume waarin het volle de zendmast betekende voor communicatie en een volle integratie. Zo vormde zich een poreus buiten-landschap dat zich omplooide tot routine waarmee we alles exclusief raad gaven en de dieren de dieren vertwijfelde poses in joegen tot mens vermomd en tot twijfel verdacht waardoor mens zijn niets meer werd dan al dat exclusieve gepropagandeerd aanstalten maken. Hiermee schreven we nieuwe grondregels voor een helium-staat waarin op onder werd en wij onderwezens vastzaten in de modder van de aangrijpende horror der mens versus dier.   in een verbaasd aanzicht vastzitten en geluid maken opdat alles zich in een vrome realiteit voortbeweegt en wij ons in dat vacuüm een plexiwand schenken en deze ook schenden tegen de doodgebloede buitenlander waarvan quasi alles verdacht bleek en het stormde soms als het al licht was geworden dat herinnerde ik me nog goed en als daarin het licht wederkeerde vermomde ik mijzelf als een dubieus dier dat nog instinct kende   Instinct een gevrijwaarde basis voor het omkomen van de wezens der planeet pro integratie die een baan beschrijft in zichzelf. Hij beschrijft een baan die in de ban is van zijn eigen middelpunt en daarmee garandeert het zichzelf van starende blikken die steken in de huid de huid die aardkorst mee beweegt in een ommekeer en hierover lopen om telkens om een middelpunt te vragen om te kunnen terugkeren   Hiernaar bleek geen vrije weg die verloren was in het zich aanpassen naar een bleke norm en we liepen liepen en we liepen tot we vastzaten in onze eigen ledematen die de aardkorst in natte materie met zich meedroegen en het zicht met zich meedroegen en alle ongeziene dingen met zich meedroegen waardoor het zicht al in ons zat en wij keerden de gaten in onszelf om zodat we onszelf iets beloofden dat nooit zijn rug kon tonen.Hierop glimlachte onze thuisbasis en keerde weder naar zijn schamel spel waar er een spijkerschrift het begin betekende van de ondergang.   ik wou mijzelf een wand schenken waarin ik schroot was en de tafel bekleedde volgens de regels van de weigering ik wou mijzelf een wand schenken zodat ik schroot was en wanden op zijn beurt verkleedde een buiten-binnenspel volgens de regels van een toekomst

Dries Verhaegen
13 0

Plek II - O Toréador

Deze plek zou je organisch willen samenknijpen en uitstrooien in hoge kwantiteit over de ondergrond zelve waarvan de oorsprong teruggrijpt naar mij, naar ons o Toréador en aan u die hier de grond rood bezingt en zand in de ogen van uw vijand strooit weet toch reeds alles van de alter ego’s die we in wij in de stemmen steken en in de hiërarchie steken en onder de lakens delen en o Toréador, wij de huid mee inkleuren van licht naar donker en in geheel overdreven hoeveelheden die allen gehuisvest dienen te worden in een land van herkomst of in het strooisel uit mijn lange doch vlugge handen.   de ondergrond geheel verstaanbaar voor mijn voeten die de wereld kennen door snel te zijn ik door de interactie van de benen die snel zijn vluchtpunt bereikt en verkent die zijn handlangers kent en verstaat wij wij o Toréador die niets in het ongewisse laten ook geen plek zonder naam deze plek die je zou willen uithoren over beterschap   Eén die de hoop én de stof hoog doet opvliegen in een niemandsland waar de waarden reeds gemeten en gekend zijn een geconditioneerd landschap waarin de koude zich meet aan de afwezigheid en de warmte zich meet aan de présence qui parfois maar continu in flux zonder zichzelf te verliezen continu in flux zo ook wij, wij die de weg wegen o Toréador en de zeg zeggen en de onderverdeling herverdelen keer op keer en steeds meer zodat wij onze vlag kunnen wapperen en onze stilstand kunnen verant- woorden aan zij die bewegen en onze achteruitgang kunnen vertellen aan zij die vooruit willen gestuwd worden maar in plaats daarvan met ons mee gezogen worden en toch denk ik dat mijn aandacht zich zou moeten verplaatsen naar waar het allemaal begon de oorsprong zonder naam en de geboorte van een denkwijze die zich heeft gehuisvest in de hoofden van zij die niet willen zien o Toréador wat er zich afspeelt in de hoofden van die anderen wel ik zal het u zeggen compleet dezelfde wens om meer mens te weigeren én te verblijven in een oord van waanzin zonder de waan.   aan u die de natuur klein krijgt krijgt het applaus en kreet van onthoofding ook iets sacraal iets sacraal zoals de massa o Toréador die zich ook voortbeweegt en soms onthoofd wordt soms ook voor het genot van anderen   als ik de arena betreed wil ik de stoelen organisch herschikken van goed naar slecht en wordt ik zelf gespietst op de adem van de rijken de rijken die dus ook nog ademen o Toréador alles is van ware aard en ik geloof in bepaalde algoritmes zo ook het volgende De algoritmes van de adem een levenscultus maar ook de wazige aanslag op de ramen een gevolg van deze levenscultus die zich voortbeweegt zoals een route in onze achterhoofden gegrift en verdacht bevonden onder de mensen dus niemand die nog dezelfde route wil belopen die nog dezelfde wil zijn allen willen we het andere van het zelf en hetzelfde van de andere zodat we onszelf hoopvol kunnen cultiveren in de cultus en daardoor kan ik mezelf zien door de bril van iemand anders waarmee ik wil zeggen:   de materie is nooit van mij hetgeen waar ik op sta en waar ik voor sta is mij gegeven in afwachting van het nieuwe het nieuwe dat ik soms reeds vasthoud maar niet valideer in mijn doen slechts bewerkstellig in de toekomst de visioenen de waanbeelden die ik slaap en gaap en in opga wakker word en herleef   want het herleven in de waan is het echte ik sliep ik leefde ik ging en liet iets achter niemand wil nog hetzelfde achterlaten   want ik wilde hoog laag de ziel bezingen ik wilde dier en de o en de a - o a o Toréador verliezen in de kringen onder de ogen en de ogen onder de zielen die als een bagage onder de andere arm passen de andere arm dan die weinig om de munten nog speelt maar eerder om de kunde   Ik wilde oog traag laag laten bezingen en de traan in waan van snelheid laten tranen over de huid die gespannen staat over mijn kunde en hiermee de wil vaag laat grazen in de spanwijdte van een aarde zoals de onze waarmee ik wil zeggen dat een huid een oppervlak een aarde een ondergrond zou kunnen zijn en zichzelf bewijzen onder invloed van aardse waarheden zoals de meta- fysica zoals de o en de a -  o a verdwaal me in de onder andere van woorden o a de hysterica van een toendra onder de resem exotica die we dan toch nog net hier terugvinden der aardse verschijnselen passanten die me aanstaren medemensen verschrikkelijke zielsverwanten die de sneeuwman een tijd de tijd laten lezen seizoenen van een gewilde grootte tijd verloopt en de wil die loopt over de lippen uitgespuugd zorgt het voor een vergezicht die ik wilde vertrappelen onder de woorden tussen de lijnen die ik wilde oog-traag laten bezingen over de spanwijdte van de huid die thuis is een aards fenomeen een klein gebeuren dat zichzelf weigert in een waanzinnig vertekend beeld.Ik wilde oog traag hoog laag o a verwante zielen zich laten omdopen tot beeld ik wilde o a verzinnen in iets nieuws     Ik wilde de toréador van dat nieuwe zijn en de klank van het oude in mij meedragen gemaakt tot angstbeeld van een emotie   want de materie die nooit van mij is eerder van de publieksstunt kent geen genade over de spanwijdte

Dries Verhaegen
9 0

Plek

Ergens nadert de trein van de toekomst, maar niet hier; hier is alles quasi onherkenbaar.   De naderende trein houdt halt aan de verschillende wetgevingen omtrent leven op kousenvoeten en braakt een beeld uit. Dit beeld behoudt zijn meerdere gezichten, vooralsnog. Het is een koud landschap op deze neergeworpen manier: de vingers voelen koud, zijn zij nu onbruikbaar geworden; de lichaamssappen hard en kraakbaar, het krijgt een menselijke gezongen dubbelzinnigheid; de natuurelementen ontbreken en zijn koud.   Dit is een waan-droom-beeld met toekomst perspectief. Een visie die nee zegt. Hij is altijd aan zet. Een metamorfose aan te veel; in deze oase is alles al eens aan beurt geweest maar niet in gelijkgestemde evenwaardige zin.    De plek bestaat in een voortgang die zich aansluit bij het gekende; hierdoor ontstaat er een ontkenning van het onaantastbare reeds verkende die de plek vormgeeft in al zijn diffuse en op lichaam gelijkende onderdelen. Deze plek kan een levensvorm zijn en gedraagt zich hiernaar waardoor de perceptie hem mede vormgeeft zonder hem daadwerkelijk aan te tasten in sé. Deze plek kan een organisch goedje vormgeven en zich dus omvormen tot een chemische herkenning die voor gebruik aan te raken valt.Ergens nadert de trein nog steeds, ik krab aan mijn 1e voorhoofd en haal er een deeltje uit: een neo-ethiek die bestaat! Alles is reeds voor mij uitgeklaard en ik kijk gewoon de tijd weg. En dan liefde: een tastbaar afgrijzen die ik omarm en aanraak zoals afgesproken om daarna de wegwijzerzin van het reeds aangeraakte te verdraaien tot artikel: het zegt meer in iets tastbaars, dat is al geweten nog voor ik er aan begon.En zo is alles terug te brengen en herbergen tot en in zijn essentie. Daar voel ik mij thuis en het meest levend.   De plek is verborgen en doch bevind ik mij er continu in een fletse realisatie dat de flatscreen toch ook een deeltje wereld of zelfs plek in zich meedraagt. De voorhoofden verzamelen zich en breken zich op de steenharde materie. Nee, zegt de materie, nee; er is geen oplossing voor de vraag naar meer. Ondertussen staar ik al naar de flatscreen, de tv die huilt, mijn 1e voorhoofd in mijn handen, het huilt, de trein nadert ook huilend, maar ik zal niet huilen, ik zal niet wanhopen om de 20 te veel dan te veel gedode wezens die geloofden dat ze nee konden zeggen, alles huilt maar nee aan deze weigering, terwijl op de hoek van de straat de politiek transformeert tot wens, alles dat huilt maar jij die niet huilt Erica, op tv, meer nog, op de flatscreen, die huilt; maar jij blijft geloven in een weg naar een geschiedenis en door die te herleven zal ik je niet meer bekijken, alles huilt maar de wegen zullen kruisen en de voorhoofden, hopelijk het mijne, zullen zich blijven verdubbelen; vooralsnog verdubbelen ze zich maar zeer gecondenseerd en verdund en ik die niet weet of ik zo nog verder kan want de ratio beweegt en ik sta stil, alles dat al huilt maar jij en ik hebben elkaar nog nergens gevonden en ze sterven ondertussen nog steeds in de toendra’s van de Himalaya of ergens anders dat exotisme exploiteert tot in een top.   Alles dat reeds huilt maar op de plek staat en blijft alles stil, een visioen of toekomst die zichzelf weigert en zo zou het moeten zijn dat alles zichzelf verpletterde onder de ‘nee’ van nu.

Dries Verhaegen
3 0

de r van de ië

ik zal u de zin van alle letters die machinaal zijn ontworpen vertalen op de huid en maniakaal de zingeving duidelijk doen opstellen tot een zuivere vorm van communicatie in de nu-moment van toen van dan van de dan van toen in de dan van het woord de machinale drang die ik heb en die al het volle heeft de zingeving die inslaat als natuur op natuur van atmosferisch geweld tot vaste grond onder de voeten dezelfde voeten die de aarde aandachtig belopen en stropen ook zoals een huid op de huid Artaud die ik iets zei dat we allemaal wisten ik die dit nu vertaal ik klop lange dagen hiervoor en lang been ik de aarde over voor de nu van u en de jullie van wij ik klop late uren en meerdere mensen wakker ook tot bij-wezen; wezens die aanwezig zijn; ik klop ze aanwezig en frappant genoeg heb ik toen gezegd met luide stem jullie nu is tragisch verloren gegaan in jullie zijn jullie zijn dat er ook slechts nu is vrij genoeg was ik om te weten dat ik het mens zijn in mij droeg in alle letters die ik communiceren kon en overleveren ik was een mens-dom en leerde iedereen dat aan dat ook te zijn   zo leerde ik ze zichzelf te zijn in een ander moment en de weinige grauzone die ik nog beluisterde een wake up call voor het hogere commerciële aansprakelijk gemaakte goed we leerden zijgen in de reeds geklonken stiltes en weigerden in een reeds kortstondig abrupt woord en frappant genoeg zegt men steeds vaker nee zonder mee te zijn in deze ontkenning - of ontwenning - van het geleerde het gecreëerde geëerde mens-zijn god-hebben aarde-voelende, taal-voedende, aanwezig-zijnde wezen dat de cultus van alles blijft relativeren tot slag of stoot - de laatste die we nog zullen overleven en mijzelf heb ik toen geëerd gelezen en van binnen geleerd ik een verademing een aarde de basis jij de tegenpool: een zingeving die ik kende nu jij nog zou je mij willen kennen zonder het nu de aanwezigheid van het uwe aanwezige de vicieuze cultus de cultuur en de vormelijke structuren waarop gelopen wordt en die we hebben helpen opbouwen en vertrouwden tot omgeving? en de neo-fosfaten van de ontdekking die ik probeer te zien in mijn ademen die ik probeer te kennen op de schoolbanken ik die jong was en jong ben   ik die zichzelf schuw herkent en herdenkt en toedekt met taal zo leerde ik mezelf de kleine kieskeurige beginselen nieuwe wegen maar ook wezens startende atmosfeer maar ook woorden van toen want an sich is er niets mis met dat gekende van mij dat bekende hij mij de verleden ik de pratende vergetende ik en de vergeten her-bedachte ik en de geschuwde aandachtige ik; mijn lethargisch geneigde ik die in al zijn verkennen een klein zelf-hulp-wezen werd zo is ook een volk   alles is wel al aanwezig gelukkig ik hoef het maar te grijpen of te belopen alles ervan af te slijten de stappen te stuiten en opnieuw te bedenken een ritmische ik het ritme van het wezen zijn het lijkt op het samenkomen of toch ook die eenheidsvorming de vicieuze cultus des ritmes de r van ritme de allegorie van ieder isme geboren uit alles dan taal de r van de cynismen de r van de ië een verlengd zien en spreken en het inspreken van een klankengang de r van de i de i van de i de morse van alles en de tong van de zin die in de oui van het isme ieder voyeurisme ik was er op reis en nam er alles reeds meerder malen mee zo ook leerde ik mezelf en anderen hoefde ik niet meer te kennen dus kende ik ze van binnenuit morse in een alfabet gieten de buitenlander in hokjes om hem er weer uit te halen en in het nu te steken ik kijk naar de i en naar de r en weet dat het goed is ik kijk naar de buitenlander en kijk ook naar mezelf

Dries Verhaegen
0 1

Gent II

Alles kan gebeuren in één enkel geluid zo ook nu.   Alles gebeurde al wel eens maar draaide zichzelf terug de voorbije dagen in met nachten als gevolg en daarin vond ik mezelf terug, in gesprekken in andere geluiden in de dagen dat ik mezelf vond was alles als kleurrijk omschreven en ging het de dagen te buiten; wij zijn dus wel al eens omgekomen in een waanzin groter dan een wereldbeeld want slechts een beeld is het dat zich settelt in onze voeten en waarmee we de stad af stampen tot pad waarmee een oppervlak de dagen vormgeven en de structuren vormgeven en de standvastigheid vormgeeft en al het stevige vormgeeft tot een geboorte van een stedelijke kunstvorm waarin alles al eens gebeurde in één knal die een klankgedicht voor mij betekende en voorbijsuizende wegen voorbijsuizende dagen zijn monogaam hetzelfde zonder nachten die nog gevormd worden in een  groter wordend geheel de emoties in en de kleren uit I discovered a man like no other man want is het een mannelijke trek de wegen door en door te kennen, Gent massagraf van de studentenkringen waarin iedereen lesgaf en iedereen communiceerde en iedereen sprak en iedereen at en iedereen kende iedereen en bovenal zichzelf als een buitenlands toekomstbeeld.     zo heimelijk was alles er nu ook weer niet zo heimelijk dat alles al eens was zo heimelijk was het daar en niemand die erom schreeuwde buiten ik ik schreeuwde mezelf er eindelijk te buiten buiten de steegjes die ik nu kende en buiten mijn ingedoctrineerde zinnen het hoofd dus uit een toekomst in een toekomst zo heimelijk dat ik er eerst even blauw van zag you and I we had nothing left to say en dat ik er daarna van weigerde van mezelf te bekomen boven was alles al blauw in een toekomst die oogde poreuzer dan ik gedacht had maar ik had nu ideeën over de ‘of’ en de ‘en’ van de woorden die niets uitsloten ook niet de wegen waarin ik zakken kon ik deed dit uiteindelijk overtuigend en zou een figuur zijn geworden van ambivalentie die iedereen weigerde te verkennen zo heimelijk een toekomst in en ook weer uit met een lui gedachtengoed maar het was uitspreekbaar alles was doenbaar in een gekend perspectief een context die ik onder de indruk bracht   Zonder twijfels heb ik toegezegd mezelf te verkennen in een omgeving die ik natrapte.   Zo heb ik ook de andere ik vergeten. De andere ik die afkeer heeft van de stem, van de stad, van de naam want zonder dat alles zouden we gelijk kunnen zijn en daar streefde ik toen naar; terwijl er nu een boven en een onder is maar op de herkenbare manier.Mijn denken heb ik toen uitgeschakeld   uit noodzaak en al wat een automatique werd werd weer obsessief ik herleefde zo een jeugd; die ik nog niet goed kende en doch ook verkende op de bekende oude manier dus mijn zoeken was nu ook paradoxaal en fragieler dan ik had voorspeld.   Ik voorspelde een gedachtengoed doorspekt van de waarheid en van de aandacht voor het ongewone en settelde mij daarin zonder gemaar en zonder het vertwijfeld aanbrengen van vriendschap want er was alleen nog maar self consciousness die een plek betekende. Zo van die herkenbare gestes die weinig of niemand aanraken ondanks dat ik iemand raken wilde, niet pragmatisch, niet lethargisch, niet in wijzerzin maar eerder in een ver verleden waarmee ik mezelf koesterde; ik wou iemand raken zonder er gek van te worden en er een plek van te maken zoals ik al deed met het alomtegenwoordige weigeren van de spraak, die ik reeds kende.     Alles dat in een plek zichzelf al eens voorbij snelde verbaasde mij met rood en de dood op de wangen en de ‘en’ en de ‘of’ in de tong en daarom nooit overtuigend waanzinnig echt zoals ik het wel eens wou vertellen en ik kende jou als een woord.     de wij van het zij die de resistance van een taal betekenen just take my hand alles begint al met een geste die just take my hand van je roept en begrijpt Gent is in een roes die weinig betekent alles in één plek dat zichzelf voorbij liep

Dries Verhaegen
9 1

Geheel gesloten trapten zij in mij rond (B. Schierbeek - De andere namen)

Onderweg waren er de wegen, de omkadering van een landschap dat in mij rond trapte en de gedachten des heden verdwenen kort in mijn maag die zich settelde in dit lichaam: de gedachte ‘eindelijk’ keerde zich nog eens licht om en verdween daarna voor goed. Het was zomer, het zou winter kunnen geweest zijn en de nachten waren warmer dan de dagen die weinig verrassends met zich meebrachten en doch, telkens ik wakker werd, werd alles als nieuw: de abstracties die me aanstaarden uit de muren nieuw, de mensen rondom mij telkens nieuw, de handen waarmee ik greep… een wakker worden dat wel eens nee zei… een gedachte? Eerder een toezegging voor de onwetenden, ik stelde daarmee de nieuwe dogma’s, maar dan ongeschreven.   Geheel gesloten zullen ze wel in mij rondtrappen maar de maat wordt gezet met een toon die geheel gesloten verloren is in zichzelf en alleen op zichzelf bestaat dus en mij de oren toe krijgt zonder geforceerd een ontkenning van het blije te blijken; ik ben een aardmens en ken mijn toebehoren van buiten en de mensen die me dragen ken ik van binnen en geheel gesloten verachten zij mij soms maar ook dat ligt in mijn aard die de rijken aanstaart en de blinden aanstaart omdat ik meer weet van het niet-zien dan zij en de zieken aanstaart omdat ik meer weet van volledig zijn dan zij, zij kunnen volledig zijn maar ik ben een volledig onder- wezen dat altijd onder zal blijven: onder de maat van het leven dat ook wel zwaar is verdwe- nen onder de straal van het zicht dat iedereen heeft op elkaar en de dingen die zingen en de mensen die woekeren in de muren die ik betast met nieuwe handen… slechts een gedachte zou er tussen mij en de ontwaking, een symbiose met het leven waarvan er slechts één écht organisch de verdwenen tijd bezingt. De tijd, van wie ik lethargisch wil zijn zoals Bert al zei, ik die lethargisch de tijd vrijt, die passief de rij mensen bedwing zonder gek te worden zoals iedereen aldoor gek is geworden en de tijd spastisch bedwing zodat ik nieuwe dogma’s schrijf voor een eigen leven dat leeft in arrogantie maar IK BEN VRIJ en dat zingt me goed   AT LAST I AM FREE I CAN HARDLY SEE IN FRONT OF ME   Twijfelt de wanhoop me toe maar ze zit me goed in mijn ruggenwervel die mijn baken van mens-zijn zou kunnen zijn maar het niet is, eerder de bele- ving van het organische dat samenleeft, van het onder-zijn, van de regels die nog geschreven moeten worden maar waar ik al naar leef, de fata morgana die de tijd verspreid over la mélodie du bonheur want alleen in klank slaag ik er nog in te denken.   alles dat verdwijnt dat verdwijnt sprak hij en ver zat hij er niet naast toch zou ik nog enkele keren willen horen naar zijn gedachten in klank een gedachte? nee eerder een uiteenzetting over het zweverige het aangetaste die ik met mijn bloedeigen handen verwerk tot kamer waar ik in huis de muren zijn blauw ik ben blauw de vrienden zijn koud en tijdelijk ik ben vooralsnog voor altijd   Het laat weinig aan de verbeelding over, deze 4x4 die me plooit tot ontkenning van mezelf. Ik laat alles toen buiten mezelf die zichzelf kan zijn in het ijle van de tijd en de kamer plooit zich dubbel op een zucht van mij maar ik heb niet veel nodig om hét te voelen en daarmee bedoel ik dat ik meer volledig ben dan zij dat meer zie in het viriele dan zij dat ik meer een onderwezen zal blijven dan zij en de staat zal blijven geloven in tegenstelling tot zij omdat het accepteren ervan is als een vrolijke bevrijding die ik alleen in dat aanvaarden terugvind. Aanvaarding. Aanvaring. Ontkennen om uiteindelijk te verpletteren onder de blik. De blik die alles aanpast naar zijn ongeschreven formules die het 2D een 3D verkopen op een lens die alles toelaat maar ook de kritiek die meer ziet dan het ongeziene die de politiek ontzet verlaat voor een andere veldslag om dan terug te keren hahaha die het geweld alleen maar wilt maar niet krijgt en de über aanslag is de aanslag op het geweld.     Het geweld buiten deze vier muren is een afval dat altijd buiten zal blijven die altijd buiten zal vrijen die altijd buiten zal steigeren in zijn successen maar ook in zijn afvaart die altijd buiten zal bedreigen maar dus nooit hier binnen die altijd de klank zal blijven van de wereld.   Soms ook ik die de situatie met geweld bespeelt en geheel gesloten mijzelf van binnenuit gewelddadig kapot trapte en de ogen uit krabde tot ideeën van een zicht die geheel buiten zichzelf van binnenuit bestonden en I have decided to take off my eyes from the pain die dus niet van tevoren maar pas achteraf de situatie als fetisj act bestempelde want alles - ook geweld - bestaat uit een obsessief trachten de situatie te veranderen als een perfomance die een act is - niets dan een act - die steeds in herhaling valt maar omdat we het telkens als nieuws zien worden we niets van dat geweld beu en heb ik mezelf achteraf nadat ik mezelf had getrapt en opengekrabt, mijn hart uit gesmeten over de straat en achtergelaten zodat al wie er nu nog liep in de horror van mijn liefde verzonk. Alweer in een fictief zicht dus.

Dries Verhaegen
0 0

Oostende

Madensuyu start met eerlijkheid die me met rust kan laten; vooralsnog loopt het gesmeerd: de lucht oogt voorspelbaar,de wegenwacht afwezig, Tobin draagt nog net geen heden, abstracte ideeën over de liefde kunnen aanwezig zijn in de werkelijkheid of ons idee daarover, wij zijn het nieuwe anti en dat denk ik luidop.     Maar ergens verdraagt men het niet meer: de realiteit die onder de huid alles en iedereen uitbuit, de zee in zichzelf opsluit en de tranen verderzet. Eens aangekomen: de staat van het alles blijft onveranderd: al het aanwezige oogt me dubbel in de irissen en vrijt zich op een zucht van mijn liefde, de werkelijke afgrond van de huid in, mij dus, in ontbinding die zich kenmerkt langs de buitenkant. De zee is kraakbaar. De twijfel slaat dan toe.     of we met z’n 2 z’n 4 zouden kunnen zijn, ik vermoed van wel dan de dagelijkse omkeerbaarheid van minuten die in 2 dagen de rand opzoeken van bestaan zonder te overdrijven bijna onmogelijk maar of niet alles zo is ik heb daar naar de hemellichamen boven ons gestaard en me afgevraagd wat ik eigenlijk aan het zien was dat me blauw maakte staren van een buitenkant die dubbel oogt jezelf klein terugvinden  in een kosmos een kosmos die je bekijkt langs buiten en waarin alles verkleint tot dingen ik omgeef me alleen nog maar met dingen     Het alarm van een terugkomst die bijt in de kuiten, we zullen ze dragenwe kunnen de wereld met z’n 4 wel verplaatsen naar een buitenkant die zich het kwalijke dubbel ter verantwoording roept in een taal die buiten isbuiten het samenhorige want hier is de vijand ronduit scherp, vriend en zeer weinig aanwezig, onontkoombaar, vrij, alles, wat je niet zou willen.     verder: een gesloten gevel hier woont iedereen wij botsen op een tegenliggende straat het is hier warm van alle mogelijkheden dus wat in ons zich bevindt is van ons het anti  bijvoorbeeld                                                

Dries Verhaegen
0 0

Moonrock

Ik denk dat het omstreeks 21:13 geweest moet zijn dat de waanzin in de schoenen schoof, van daaruit alleen maar opwaarts, in een spiraalvormige beweging, een hoofd vol weldra, hoofd was een zware put geworden die een nieuw draagvlak voor de toekomst werd, we werden een vriendschap op houterige benen die bonkte in de kiezen en klapperde in de wijsheid. De drank was vroeg, de werkelijkheid oneindig; wij zouden weggegaan zijn naar een vrede moest er liefde ontstaan zijn, en die was er: een atmosferisch hoogtepunt dat willekeurig abstracties uitkoos: de opgezette pauw (kieskeurig) de ambivalentie die ook in de lucht hing (standvastig en immer aanwezig) de hiërarchie tussen de spraakmakers (altijd bereidwillig) maar hij ontstak slechts even af tegen het gelige schijnsel ‘avond’ die de muur bewerkte met pars pro toto. IK MOET JE HERKEND HEBBEN DAARIN. Daarna droomde ik weg:   de kasseien: eindeloos, vermeerderingseffect, de weg is in feite niet zo lang, het is alsof je kruipt in je stappen die de wil willen en de wijsheid begeren vooraleer te domineren en werkelijk ieder mens was een ding geworden als ik draaide door de steegjes op zoek naar de wagen ik vond de wagen niet meer ik heb nog nooit geweten dat ik zo blauw was de kasseien eindeloos het hoofd gewoon erg lang en moegestreden en iedere vriend had ik gewoonweg even niet meer voor een keer was ik anders maar dat-ligt-niet-aan-mij Tuxedomoon citaat zeer toepasselijk op ronddolen want het is hun klank die mij vastzet op de opdracht   de benen kermden en de wielen sputterden geelzucht en alles werd vroom zo ook de tastzin alles wat me nog restte en ik ben nooit vergeten hoe je anders was in mijn anders dat ik je aanreikte en vroeg en zeg nou zelf we waren een ander paradijselijk gebeuren   En ergens boven de beweging stopte de beweging al met versnellen boven waar de toekomst nu voorspeld werd en genegeerd. In mijn hoofd is alles zeer helder maar daarbuiten zwijg ik liefst en draai me om naar de buitenkant die is anders ziet u. Mijn benen zullen kermen en de wielen sputteren maar het hoofd het hoofd is een baken die ik vertrouw mijn boei van geweld, alleen hiermee kan ik nog standvastig de praktijk van angst beoefenen en een gebrek aan uitwegen verplichtte me de waanzin te kopen in mijn voeten het hoofd in.     Gelukkig ben ik nooit vergeten wat anders was en de vertrekken met slaap inkleurde en het gebonk verduisterde tot een tinnitus die me nooit echt zorgen baarde want ik was een jong vaandel- drager van de kleuren en zo heb ik me altijd ingezet te blijven.I’m a keeper, so you can keep me close bijgevolg en inderdaad de telefoon rinkelde plots:   Het was een stem die groette geen boodschap maar is dat niet in het zovele het zovele dat alles verschuilt in de minimale toevoegingen die elkaar opstapelen en elkaar opzeggen Het was een archeoloog die mij vond. Nee. Geen 2e Brussel, alleen maar een zoektocht naar het overgeblevene dat zweeg.  

Dries Verhaegen
0 0

Ode aan O

Een man blaast op een fluit die de vorm van een hond heeft. Is het alsof hij haast heeft, dat hij bijna leeft. Stilzwijgen want daarmee zegt hij niets van wat hij goed zou kunnen doen, de hond uitlaten als die aan hem gegeven is, huizen in de dromen van een schrijver, het zal je maar overkomen.   Is het alsof hij zegt: als ik leef als ik denk en schrijf. Daar is hij: tussen de lijnen gedrukt en is het nooit en net dan dat hij voor en na de letters komt: een alfabet maar dan metamorfose, een stilte maar dan pauze.   Ieder woord op zijn reeds ingevroren plaats roepen, slechts zo zal het woord zijn taalevolutie en de tijd overleven: schudden en daar en hier zijn, frequentie: trillen wordt tijd, tijd wordt taal en die begrijpen we.   De azerty van toen is de O P Q van nu.   Een cliché van een schrijver is je beste vriend. Je wou dat je hem was. Door je neergepende zinnen word je weer individu, een kluwen van vormen herkenning die groeit langs de randen van je straat, een denkbeeldige stad die in je zakt als het alfabet bij de geboorte.   Zo reilt en zeilt de taal: het kijkt achterom naar wie het altijd al was.   Een man blaast op een hond die op een fluit lijkt, is het alsof hij het bijna gelooft dat hij taal was. Dat de zaal voor hem vol zit, dat hij je in je schouders zakt en jij je verhaal doet.   Hij lijkt op tv, en ik dus ook op hem. Dit willen we. Hopelijk wordt die gelijkenis alleen maar erger. Zo hoop je op je verhaal. Abracadabra en je bestaat. Sensatie die in de schemering van je literaire kwaaltjes nog steeds sensatie is, een bekentenis aan mezelf. Op je gesprek met de zaal, let op, een plek, een thuis, een uitwuifgebaar van het gekende naar hetzelfde gesteente.   Ik ontdekte een woord, als een ander woord, maar noemde het mijn woord. Daarna benam ik me taal en schreef dat op.    

Dries Verhaegen
0 0

We zijn de klank niet vergeten

Er is weinig moed voor nodig die de stilte in de overgebleven stad geluid in fluistert. Op het einde van zo’n passieve rol betalen we rood. De straten rood de huizen rood en de mensen rood met de dood op de wangen en de schemer op hun ramen die fluisteren in de taal die hun schermen hen doen kijken. Zij zijn van de wereld en de wereld even van hen. Slechts dan dat warmte gloeit in de woonkamer vrouwenbenen die stappen met een soepele parochie maar geen religie meer. Geen religie meer. Alleen maar de reeds beschreven stilte en het verstikkende aanzien van grijs. Iedereen loopt nog ondersteboven de gesprekken binnen. Maar niemand leeft nog. Soms reanimeert een man een man. Fluisteren dat ze de ambacht het licht mogen laten zien om alles draaiende te houden. Soms is het weten de kanker van de stad. Weten dat een wolkenkrabber een flatcomplex een immanent handgebaar dat een huis zou kunnen nabootsen een afscheid kan zijn dat we allemaal anders interpreteren binnen de vier muren die we ingesmeerd de opvoeding navertellen. Geen religie meer; alleen maar adempauzes en andere dagen die andere gebaren vragen. Symbolen die we in de stenen herkennen en de Belgische hoop belichaamt tot co-housing de grens over of de grens in.     een weinig zeggende straat erin lopen en erin opgaan weinig bedoelen dus bestaan is makkelijker dan voordien je gaat op in het grijs en komt er grijs uit adem je de kleur in speel je de videotape van deja vu af en en speel je hem na _______________________________________________ Je weet waar je voor staat en vraagt je af: wat we hier doen, dat we dan aarden naar de complexe vormen en hun rituelen.     Je weet wat je zou kunnen doen. Maar de nacht die begint de dag en jij begint je verleden opnieuw op een plek die weigert. De mensen die steigeren in de randen die de kleuren gedag zeggen. Je zegt gedag. Je weet wat je zou kunnen doen. Alles is herkenbaar Iedereen te vervangen.     Geen wandaden zouden groot genoeg zijn voor de kamer van de aanpassing, geen enkel persiflage dat langer uit zichzelf kwam als een geest in de cryptische nacht waarin alles eens gebeurde: de aandacht gebeurde eerst, daarna volgde de aanwezigheid pas, wij die getuigen waren  van een klein leven dat zichzelf verbood. De dood in dachten we met 2. Maar de scheve situatie was van ons gezicht af te lezen en je knipte mij een haarlok die mezelf aanbood. De nacht waarin alles eens gebeurde, de statische inburgering van het volk gebeurde, en wij dus ook. De slaap gebeurt. Het leven gebeurt dan weer niet. Wij zullen blijven communiceren als ons daarom gevraagd wordt.   Al hetgeen ons is overgebleven zijn de kleuren zijn de wijze warme deuren naar kroegen en alcohol zijn de weinige vormen van ontreddering letterlijk overal zichtbaar zijn de stemmen hun tenor kwijt in de schandzalen van de fluistering die wij voelen en die ons roert van het vermaak met grote V van volk van het angstige maar vrijblijvende dat.     Ze zei nog: Dat wat jij leven noemt stel je gelijk aan afstevenen op de dood. Zeg me wat je altijd al hebben wou.   In die nacht liepen we op de afgrond van het vermaak af die ons opat en wij kauwden samen mee tot de tijd opgedeeld kon worden in het verval dat alles en niets en wij met ons meebrachten en trachtten te verpletteren in ons gesprek dat met kwade tongen gevoerd moest worden en niemand ontevreden achterliet. Wij werden toen geboren en bevroren in de teleurstelling en het tijdelijke (de herinnering misschien). Wij het gebouw waarin wij woonden. Alles heeft 4 muren in de hoofden van het volk die samen loopt te stampvoeten op het vuur onder hun grond. De bossen op het platteland op de steden werden stil en verspreidden een wezen dat leeft in de quarantaine van de stad. We vergeleken de hemellichamen boven ons met de plekken waar we al kwamen die weinig commotie met zich droegen en we in stilte leerden appreciëren en waar misschien wel Suzy of was het Lien of was het omdat ik elke ochtend daarmee wakker werd en de muren voelde krimpen en ik daar zo stil lag maar klaarwakker de kleuren als een ziekte opdronk en met me mee zou dragen als mijn identiteit en dit dus NIET LEVENSLANG maar wel erg lang. Het was een fase waarin ieder van ons de afgrond vermaak van zich afdroeg tot onze voeten scheurden en we rood achterlieten wat we al gehad hadden die we van zo ver zagen aankomen. Sommige kolen werden scholen en wij leerden onszelf koesteren en in ons woonden de schoonste schepsels maar geen woorden voor dit maal om deze te vergelijken met wat echt was, tenminste dat zei ons de opvoeding telkens om rekening te houden met dat echte en dat onechte te verpletteren met onze visie.       We liepen de letters stuk tot machinaal geweld die we in namaak of gesprek aan de kaak stelden.   Ze zei: on a parlé beaucoup ce soir mais qu’est-ce qu’on va boire? Ik eindigde in haar woorden die de tafel en mijn hoofd omgooiden. Ik gooide hem om en keek ernaar zonder te vermoeden dat alles van die dag aan anders zou verlopen binnen de lijnen van het mijne die de symmetrie van A en van B en C en van Q R S T U V W qu’est-ce qu’on va als het bier in de hoofden zwaar wordt en de woorden dus licht, wat dan, als de lichamen hevig en de levens langer (?) de binnenste waarheden de buitenste worden en alles boven op onder rond en om hemellichamen worden die we aanstaren en fata morgana over verspreiden maar in ons eigen zelf en bleven we de woorden stuk beleven tot de machine van volgzame dromen die ambivalent genoeg de dag nadien ons de hand kwamen schudden.   Ik werd bij je wakker en ik schudde tot frequentie gedragen tot ik je heel wat moeite kostte en mezelf wakker kuste want ook dat was liefde toen daar op die moment op die plek qu’est-ce qu’on va vertel het me si on est ici parfois en niet genoeg.     Werden we snel een beroep en deden we dat zoals het hoorde de bloemetjes buiten zetten liepen we onszelf voorbij de straat uit in de mond van een sekte die we in ons geloof droegen en nog voor ik het wist was ze een machine die me aanstond en ik die me afvroeg of we bakens konden verzetten door samen te zijn, dat terwijl we juist enkel en alleen onszelf zouden kunnen verzetten maar dat was in feite genoeg en dat pak stond me zo goed die avond maar ook dat geloofde ik niet genoeg en daarom groef ik mezelf diep in. Met mijn rug zat ik naar mijn weg die ik bewandeld had nog voor alles nog voor de wezens me elke nacht kwamen ophalen en in fluisterde monogaam om te gaan met de vrouw nog voor andere paden die ik bewandeld had me überhaupt deden nadenken over deze ziektes nog voor jou en mij en wij nog voor de Q R S T U V W nog voor de nacht die de dag inluidde die de stand van zaken alleen maar bevestigt en versterkt en die weg lachte terug maar het was mijn rug die nee zei dit keer en ik wilde alleen maar het nu en in dit nu zijn en alles dat eens achter mij was en toen nu was leek me overbodig omdat dat mij wel gevormd had maar niet vermomd, gelukkig maar.   Alleen ikzelf vermomde mezelf nu in het nu.   We liepen daarmee alles en iedereen en onszelf voorbij in de woorden.   Zonder meer zou ik kunnen zeggen dat dit ook wel geldt voor de muziek die mijn oren verveelt en streelt en geel kleurt van jaloezie maar ooit zal ik eens op de planken de andere oren geel maken van het zicht dat ze zijn en het zicht dat ik ben. Muziek die de Einsturzende Neubauten van het volk is. Muziek die de angst van de mensen kan verdragen en tegelijkertijd deze ook verzinnen in een andere taal die nog geschreven moest worden maar de moment dat die specifieke klank de oren betrad was ze er en ging ik ermee aan de slag. We raken snel uitgepraat over deze zieke lucht die ons manipuleert en vervuilt en bebouwt met grijs en vrijheid.   Ik vind mijn weg hier niet lieve; we hebben te lang gewacht met ziek zijn en nee zeggen tegen de impulsen tegen de de opties die ook nee zeiden en tegen de wijde wereld die ons alleen maar toelacht en daarmee verplettert.      Someone somewhere in summertime Somewhere someone probeerde ik de situatie aan mezelf te spiegelen aan de buitenkant, het gesprek zal stoppen, de mensen zullen de dood dragen in de steden, die ook de dood zullen vragen in steen, de mensen zullen alles uitspreken met een andere tongval, de ziektes zullen zich verspreiden in de gebouwen, new city old buildings maar vooral zal ik nog bij je zijn en de wachtende mensen een weg geven die achter me ligt en met mijn rug zat ik naar de weg die ik aanbood. Same town.   Hasta la via. Ze zegt dat ze nooit genoeg de maniak in mij heeft herkend; maar hoe zou zoiets uitspreekbaar moeten zijn dan? Met de tong van een maniak, met de tred van een maniak, met hand van een maniak en de andere nog van mezelf loop ik het weinige dat nog staat binnen de kroeg de alcohol, dat weldra in mij zal liggen samen met het bijkomende gedachtengoed en vriendschap. ____________       Ik eindigde mijn woorden ook op tafel zoals ik alles daar eindigde: mijn gedachtestroom in het hier en nu en toen hebben we geklonken op de beterschap die om de hoek leunt van de omkadering waar we nog steeds onze plek kennen en de armen verdubbeld terwijl de waanzin stagneert en zijn omzet vindt in andere lichaamsdelen die omhoog geworpen een symbool van veiligheid kunnen betekenen.   Ik heb toen nee gezegd en ja gelachen zoals wel vaker het geval is met mensen en heb toen de tonnen ervaring omhoog geworpen zodat iedereen het zien kon hoe en wat en waar en toen iedereen zweeg heb ik niet langer gezwegen zodat ik me zoals nu tussen de regels bevind en mijn hoofd hef ik op en dus ook de pen en *knip* ik ben vrij van de taal.   De weg die zich aanbood was hard en steil maar dat is nu dus hoe het altijd gaat: hard en steil zei ze en we lachten en we hebben ook wel gehuild maar net niet genoeg om groter dan onszelf te zijn want dat is hoe je groter dan jezelf je emoties laat zien aan de buitenwereld; een volk dat écht samenleeft what a life to have time & what a man makes a man niemand die het nog weet maar gehuild heb ik tot in vroege uurtjes waarin de gebouwen niet langer grijs maar slechts heel even zacht rood tot bloei komen en ik mezelf zie zoals ik ben.   Ay ay ay I am a monkey man en echt ver ernaast zat hij niet, omwille van zijn jonge aanblik zou ik hem plaats bieden in mijn verhaal zei ik hem en zo geschiedde dat ik hem vertelde.   Wat we toen hebben gedaan is een groot geheim wordt er gezegd maar niets is minder waar, “Ik heb  toen zijn hoofd als steen gegrepen en zijn dacht dat het een huis zou kunnen zijn, een huis voor veel en weinig tegelijk en dat menselijke ervan zou ik willen kneden tot iets buitenaards van omvangrijke grootte die ik van onderen uit kan bekijken.” Hij heeft toen zijn hoofd bij de haren gegrepen en liep naar buiten, daar waar het nacht was tenminste, en hij dacht aan haar en als hij naar boven kon kijken, kon zij dan ook? Nee, nu alles stil werd en alles gladgestreken zoals de vlakte hemellichamen die hij aanschouwde en als rechtstreeks bewijs van zichzelf vond in het hier en nu liep de afstand tussen hem en haar een blauwe lijn naar binnen in zijn ogen die hij greep aan zijn hoofd aan zijn haar die hij nooit meer wilde loslaten want de situatie sprak nu eens in zijn voordeel: alles was stil, hij staarde de lucht dichterbij, hij bestond echt en als alles zo bleef zou hij voor altijd zo willen kijken met de ogen. Bleef alles maar zo.           Je zou kunnen zeggen dat hij zijn stem had verloren in het mens zijn en verpletterd werd door het volk rondom maar nergens vond men zijn woorden meer dan in de keten gebouwen die grijs gegoten in de 2D van de 3D mij de ogen vulde; de staat was grijs, mijn lichaam rood, de dood droeg ik op mijn wangen en lippen en deze droogde op in de vlaktes waar de hemellichamen zowel boven als onder en daar en hier als wachter van de mens fungeerden terwijl de tijd was gestopt omdat men hem gegrepen bij de taal uitspuugde en alles en iedereen die stil was blijven staan besefte dat het tevergeefse geweld slechts een act van verwarring en angst was geweest.   De politiek kan vliegen ik zeg het u.   en nergens hebben ze de waanzin beter beschreven dan in boeken waar de werkelijkheid zich plooit en de vormen rekbaar zijn zonder dat ze hun waarde verliezen of verdwijnen in de camouflage van de overdaad alles is al té veel aanwezig dus we kunnen net zo goed overdrijven zonder dat het zal opvallen in het kluwen woord die zich bevindt in straten in gevels waar ik langsloop in de deuren die ik probeer in te trappen in de wagens die scheuren en dat geluid nabootsen heel hun leven lang in de postkantoren waar in uit is en uit in waar de taal circuleert waar de muren omhoog gaan en zo ook mijn blik.   Daar bevindt het zich dus. Boven mij. Altijd al boven mij. We worden geboren en weten niet genoeg. Zodat weten nog weten is gelukkig. De muzikant schreeuwt en kent zijn tekst nog. De weinige toeschouwers vergeten de zin van het bestaan en gaan en komen terug en komen opnieuw en opnieuw en weinig is nog zeker maar dit is alvast zeker: jij, ik, wij, en zij dat is een understatement.   Zo wil je je bestaan bevoorrechten en de kennis opdoen die je wekelijks moet opdoen opdat de kennis uit is en de bron ervan in. Je houdt jezelf altijd bij je en verstuurt jezelf slechts zelden naar de anderen die wel rond je heen bewegen want het zijn lichamen maar jezelf dat ben jezelf; je gedachtegoed dat ben jij niet; je persona dat ben jij niet; de tekst die je vertolkt in sé dat ben jij niet; jij bent alleen jij voor jezelf en niemand kan je zo nog wat maken dus houdt je blik ijzersterk en adem je dagelijkse hip hop in want het is overal.     See you on the other side want dat is waar de stad voor staat: misdaad en de geile stenen bij de kilheid grijpen zodat de stad weer ademen kan en zich vermomt in de weinig aanwezige messias van vandaag en morgen liefst een andere de stad draagt een religie als bijverdienste en verdenkt jou jou jou en mezelf verdenkt mezelf de aandacht die weerstaat de stedelijke ambivalentie maar weinig is ons nog zomaar gegeven in een stedelijke revolutie die de goden over ons afgeworpen hebben.       Brussel 7 uur misschien maar het zegt veel over de gulden ochtend die zich verspreidt over mij en over de armoede.   Kneed je me mee tot inwoner?   We zullen weinig nog zeggen maar weinig is nog zeker: Kendrick Lamar, dat is nog zeker, Festivals bij regenweer maar je hebt anderen dichter bij je, dat is ook zeker, Get God on the phone maar het zal langer duren dan je dacht en dan komt de spijt bij je die je versmacht en verdomme ook deze verplettert je, je leven dat je bijstaat, jezelf die jezelf van onderen aanstaart, je naasten naast je, niets blijkt voldoende als jij je je nog bent.     Ken je het kneden onder je vingers die je de lichamelijkheid  toedient in vormen mensen die nietszeggend de aanval kiezen in de vergeten uren voor de ochtend die iedere plek tot plek maakt en situeert in een web van zonden waarbij de spijt altijd laat de toekomst in suist en de vrouwen de lichamelijkheid bevestigen en wij ze naspelen als in een werkstuk dat een plek vormgeven kan waarbij de plek zijn rol als situatie plausibel vertolkt tot motief zijnde. Ik schrijf erover en drink me de verplettering in die me weinig onbekend laat: honey honey how you threw me de verplettering in de weg weg kwijtgespeeld de ontreddering of verbazing die me juist altijd bijblijft en zich afspeelt voor de ogen van volk dat zich verzamelt in de ziektes van mijn omkadering die zich vormgeeft in letterlijke zin.   Weten we wat te laat is?   om 10u opent ze zich de mond en praat ze eindeloos onder andere de toekomst komt voorbij dan kijk naar ons maar raak ons niet aan zegt ze als ze aan zet is ieder op zijn plaats op zijn tijd   het volk praat eindeloos over het einde waar ze naar uitkijken in het aangezicht gloeit hun het leven even maar want de dood staat op hen geschreven een ziekte is wat ze ademen     Zonder kader weten ze waar te eindigen in de liefde want het is een herhaling van de emotie die ze op het aangezicht verblijven in de grenzen, die ze in hen laten kruipen zoals een zicht of een beeld dat je bijblijft en het ego parten speelt. Alles draait om het volk en hun vaste stek.         De wezens die weinig nog aan het toeval overlaten en zich wegen tegen zichzelf om de zekerheid te bekrachtigen, in een stad waar alles luid is en zwaar weegt op de torso’s en schouders van zij die het nog verdragen zich buiten bepaalde grenzen te wagen en de zieke auto’s horen scheuren en dat hun hele leven lang Sir, zonder te klagen of tegen de grenzen aan te leunen en de sensatie te bejubelen. De wezens die weinig nog écht leven en slechts equatoriaal aanwezig zijn zoals de wiskunde aanwezig is, zoals de evenaar aanwezig is en de geschoolde taal aanwezig is, zoals de dood op hun wangen aanwezig is en de blijdschap in de magen, zoals de lichaamsdelen van buiten maar ook binnenin aanwezig zijn, zoals de muziek in de oren en de hemellichamen in de ogen. ________________________________________________   Het aanschouwen van een nieuw Venetië dat me terstond het oude Venetië uit de mond kietelt met nieuwe steden en oude gebouwen die een revolutie kunnen ontketenen in het blauw van gisteren in het nu van de herinnering die ik niet denken kan en niet denken wil en niet denken mag omdat alles plots moet en het stille denken dat zegt “het weinige komt eerst” maar dat weet je altijd pas erna, nadat de wilde weg zich in de ooghoeken slingert en wij hem afleggen, nadat de wateren dingen doen leven tot nieuwere dingen, nadat de man de vrouw vertrouwt en haar de kilte van een stedelijke nacht laat ontwarren, nadat Venetië zijn straten heeft schoongeveegd en het toerisme de jazz heeft ontdekt en het bloed de pijn en het zingen de stem van de stilte die zegt “het weinige komt eerst” en nadat het weinige eerst komt, komt het eerste ook weinig en nadat de weg de uitgang die in is heeft ontdekt en het in het uit en het uit het in heeft ontdekt en nadat ik mezelf heb ontdekt en als wij elkaar ontdekten openbaarde er zich ook een soort persoonlijk Venetië die wij aanraakten en in onze hand altijd met ons meedroegen en probeerden te vermommen in onze taal tot ook deze uit ons nu werd getrokken en wij hem konden herontdekken.   Daarna begon alles weer opnieuw en zo ook de mensen die het vertikten bij te leren van een hoopje water en een hoopje grijs dat toch menig woord sprak en spreken kon wat op zich al een openbaring had kunnen zijn. Daarna begon alles weer opnieuw en ook de armen die de rijken verstomden met geweld waarin eindelijk alles mogelijk was en de straten schoongeveegd leerden ze alles wat ze weten moesten van A tot Z tot A. Daarna begon alles weer opnieuw van jou tot mij van binnen naar buiten die het zicht vormgaf aan een stel ogen dat zich altijd maar naar boven verfde want het zijn de kleuren zegt men, de kleuren die het kluwen dat we aanschouwen besturen. Daarna begon jij ook opnieuw en nam ik de telefoon in de hand, de angst in de schouders en erop en de stem beefde en bad dat jij het niet vergat, ook tegen mij nog te spreken, de aandacht te verspreken tot een hoopje medeleven want daar dat ik het voor deed en de mensen deden het voor de abstractie van hun emoties, die ze op de straten smeerden en aan de muren kleefden, zoveel in herhaling vielen tot er niets meer van de oorspronkelijke betekenis te bekennen viel en in ons gesprek ook de laatste adem gestreden was en ik inhaakte.   Ik heb gehakkeld als volgt: On a parlé beaucoup ce soir, que’est-ce qu’on va boire? Pas hésiter, pas hésiter   Maar de twijfel was al in de lijn geslopen en ik had mijn stem verheven tot een wezen zo klein als de wereld soms ook wordt en zich dan opwerpt tegen de bolwerken die aan de muren gesmeerd een betere naam krijgen zoals de geabstraheerde emotie die in de mensen schreeuwt om een stem.     Ik had al eens het verre weg beleeft, hier, in de tegemoetkoming met een verleden. Daar leerde ik de ingang van de waanzin kennen als een scherpschutter op het puntje van mijn tong waar de woorden reeds klaarlagen en schokten en beefden om een extase te bereiken waarin ieder persoon brak onder de druk en invloed gebracht van de adrenaline die als het ware de riolering van de behuizing genoemd kan worden; waar de mensen huizen, daar beweegt het weinige als een springveer die zijn armen samenbrengt en de vuisten balt tot spiermassa.       Hoe het alom gekende schudt tot een holle spier Hoe de wegen kruisen tot machines met bijgevolg ontmoetingen, steden die in hun onderweg zijn geboren worden Hoe ik jij en wij en het Ego de weg aflegden met alles en niemand rond ons met de de hemellichamen boven en de streep van rood vuur die uit het volk hun monden naar ons wees “boven” - er was alleen maar boven ons als bewijs van onze moment die zich nu pas langzaam ontspon en nu pas en nu pas en vroeger was er niet meer toen was alles zwart en nu zal alles opentrekken en kan ik tevreden naar boven staren de ik en de jij van de luchtwegen die ons hier nu vertegenwoordigt en zo zal alles hier dan blijven tot ons gemaakt. (Dat.)                                          

Dries Verhaegen
5 1

Jij werd een paradoxaal dubbelwezen (B. Schierbeek (De andere namen))

En jij werd je mond die sprak en nimmer aanstaande weken at of dacht, omdat je niet dacht wat je was of was wie je dacht. Er vormde zich een kieskeurige lach op je aangezicht die danste. Weinigen twijfelden er nog aan: wij zouden wel overwinteren. En zo werd de plaats al gauw de plaats geruimd en in de kiem gesmoord zoals ze zouden zeggen als niets nog echt was alleen maar virtueel zoals tussenin mij: jij. Jij bestaat alleen maar bij mij zei hij En wij bestaan alleen maar erbij dacht hij erbij. Zo dat staat netjes: ergens waar ik me tegoed doe aan jou. Hij keerde zich de rug toe en zijn rug draaide mee en hij keerde zich de rug toe en zijn rug draaide veel meer dan hij en hij bedacht zich: niet alles is rond. Buiten regent het, de stoelen zullen niet overblijven maar zij die zitten in het café, buiten zal het waaien, zij die overblijven zullen zich het zat van de mond vegen en opnieuw worden geboren uit hun dronkenschap,   alleen omdat ik dat wil.   Jij werd een paradoxaal dubbelwezen en leidde een alter ego de hoek om jouw buurt in hier hield jij de touwtjes stevig in handen en de broekspijp omgerold sta jij wel je personage te hulp: je biedt hem een stevige hand aan en leidt hem, soms zul je blij zijn en soms zal je weigeren jezelf nog te zijn maar gelukkig werd jij een paradoxaal dubbelwezen met een dubbel geweten dat zingt en mijn geklungel werd geapprecieerd door zij die dubbel stonden van het lachen dat ze niet meer uit zich kregen dus kermend kwam mijn schaduw de hoek om, alles is oké, buiten zal het regenen en waaien maar wij zullen blijven bestaan lieve.   ------------------------------------   Zo zit dat dus de staart in de achterkant in elkaar de volgorde: van voor naar achter van links naar echt. Alles is pas virtueel als we erin geloven. Met beide benen zul je altijd in de maling genomen worden en nooit apart maar neem je jezelf nu eens bij de handen en lach? Nee nooit was er genoeg zat zijn. Klein klein wezentje, wat doe je in theorie en wat doe je in praktijk? Wat doe je in de hersenpannetjes en wat doe je in mijn maag? Wat heb ik je misdaan, is het misschien een gezwel dat ik je in nestelde en jij die dacht: wel nu ben jij aan de beurt en ik die hier zit, ik en mijn gezwel, zucht wat gaat de tijd snel. Wat gaat de ziekte snel, en redt hij mij of ik hem? Wat kunnen we zonder elkander en wat keert hij om?Wij denken de perceptie meneer.   Nee niets of niemand meer dan mezelf, noem me Aldo zei hij me, de Italiaan en vraag aan Mauro kent hij nog Aldo (hij was zijn jeugdvriend); van toen hij 8 en toen hij dacht: laat mij je helpen. En helpen deed hij maar ook Aldo is ietwat paradoxaal misnoegd en verzuurd en geen jongens enkel mooie jonge meisjes als ze mooi zijn hehe Aldo jij dus ook? Aldo Dubbelwezen kent zichzelf maar wij twijfelen nog even. Wij leerden Aldo net kennen en kneden hem al naar ons gedachtengoed en helpen hem zichzelf te kneden. Italianen in Hasselt bestaan niet meer. Alleen maar verstaan we ze en helpen we ze liefst. Dat ik in sé niet bestond voor hem maar hij kende me nu en kon wel eens op me rekenen maar ik gaf hem steeds andere namen en hij leidde een relatief paradoxaal dubbelleven dankzij mijn toedoen.   Zijn nationaliteit is niets van zijn identiteit. Zijn geweten laat hem nochtans niet met rust, toen hij, ietwat nostalgisch vertelde dat hij 18 of 19 of ik was er niet bij maar hij schoof wel aan tafel bij de racistische schoonvader die hem niet mocht onder tafel maar kom nou, hij schoof wel bij en zei: ik ben niet banaal, ik ben niet Italiaan, ik ben paradoxaal genoeg een gepardonneerd scherpschutter en in mijn verheven stand zal ik nooit doden, dat heeft hij ook nooit gedaan, maar ik schuif nu bij en als het u even niet stoort, uw dochter en ik, wij zullen blijven bestaan als ik ze aan mij verteld krijg nu. Buiten zal het vanalles en nog wat maar aan tafel zitten zal ik.     Hij verschoof zijn dubbelleven   in twee stukken: zwart en wit.     Nergens nog voelde ik de voldoening naar me kruipen dus ik kroop naar hem, ik schoof hem mijn handen toe en weigerde beleefd te slapen. Ik was oververmoeid en eindelijk mooi. Mijn handen bleven schoon maar iemand zorgde voor mijn onder- gang en doopte mijn schuld in een zaterdag. Zaterdag wachtte ik op jou. We deden een gesprek. Weer werd er tweemaal een vallende ziekte gevonden en ontbond die zich tot troetelnaampje, ik noem je zo want je was toen mijn persoonlijke ziekte die ik ondervond en bewoonde. Jij werd draagbaar omdat ik je zo noemde, deze plek had geen geheimen meer voor ons. Onder elke steen streelde ik de woorden die over ons waakten want woorden zijn andere plekken die we erbij verzinnen en nodig hebben, soms, als het waait en huilt buiten dat ik geen naam heb en jij me zult blijven bestaan. _______________________   En je mond die sprak, nooit zou ik vergeten wat een plek was geworden en mezelf toesprak in de serene aandacht die je voorschotelde op de meest onnavolgbare momenten, ik luisterde aandachtig en keerde mezelf weer om en mezelf keerde zich weer om en -   We liepen onszelf bijna te pletter maar noemden het liefde. Deze stad was er ideaal voor, iedere weg ontspon zich in de naasten naast ons en wij weigerden maar de kieskeurige lippen te benoemen voor wat ze echt waren, spraakzame ambacht, die de treurnis zichzelf noemde in de plaats waar ze was en aanstalten maakte zichzelf te verzinnen want weet je nog hoe alles virtueel was hier.   De Italiaanse luchtmacht die me voor de ogen danst virtueel De weinige woorden die kermen en vormgeven dansen maar zijn ook virtueel Jouw blik op mij gericht looking at people looking at me virtueel en erbij verzonnen op de koop toe. Dit is het volk. Ze staren naar mij die zich omdraait en mijn ik die zich draait in zijn draaien ik waai en storm maar ze blijven staren dus ik weet ik zal blijven bestaan net zoals een stad zal blijven bestaan want ook hij heeft een naam die bestaan heeft, en als de stad zich keert zo ook ik. De stad is mijn rug en ik zoek hem. Ergens moet er meer zijn van dat waar ik aan de mond de lippen zet. The usual: Smalltalk, smalltown DJ play the song please bzzzzt zegt de DJ Bronski Beat in de oren en zo rap dat dat gaat dat praten op café als we het zat van onze mond vegen en geeuwen en zeggen dat dit altijd zo zal zijn en nooit zo zal blijven wegkwijnen. Ik zit en staar en zo u ook Aldo die heel de tijd geeuwt en de snelle mensen vertraagt. Ergens kermt een woord, de wind blijft en wij ook.

Dries Verhaegen
0 0

Stadslichaam 2

Wetende waar de steegjes uit bestaan doe ik het raam dicht. Zodat weten weten blijft, Ik weet ze wel te vinden en lik me de verwaande lippen van de zinnen, mijn handen sluiten aan en worden dingen.   De lucht oogt clandestien. In dit oord kan ik ademen. Twijfel sluipt door weinig heen; mij binnen. De huizen branden in kamers. De stad biedt een zwart gat aan waanzin en wikt de woorden.   Wat ze zeggen blijft je bij, niets is je nog onbekend en blijft in je hangen, zo bestaat de plek in jouw plaats.   En al wie nee zei wilde ik ter plekke namaken.   Hij sloot zijn ogen de bewoner en maalde er niet om, hier kon hij wel wonen en hij sloot de ogen meermaals voordat hij ze sloot, dit is wat hij nog zag, hij lag in de kou de vrouw te verdragen want die zijn er hier in overvloed in de schemering van schermen licht waarin alles ademt en gaat, en hij sloot meermaals zijn handpalmen tot ogen en zijn rug keerde hij tot bolletje en zijn lichaam, dit spreekt voor zich vroeg hij zich of hij wel deugde bij de medemens maar wat kan hij nog spreken als hij zichzelf niet ziet? Nee aan de verbreding van de gang die zijn gang gaat in stilte, dit is wat hij het liefst tegen de stroom in zegt zodat weinig nog vanzelfsprekend baat en zijn ogen laat hij hoe hij ze laat: verlaten en verder:   Nee aan de man, omdat hij alles al zal, omdat al die zal al valt bij de minste straat die schoongeveegd de kuisheid zwaarder maakt maar minder kon je niet verwachten in het gat waar de liefde al in viel.   7 keer 7 op 7 bestaat de stad opnieuw en opnieuw en   dit weten we: wat we spreken in strokende woorden met ambacht bereik je toch alles al? Herhaling in verval. Niemand die nog iemand zwaait. Herkenning die we koesteren in de woelige dag die de nacht verprutst. Licht speelt hier een rol die ademt. Ik zet de plaat op waar ik op zit en weeg de klank. De conclusie laat weinig onduidelijk:   Ik heb geen alter ego meer.   Mijn naam is een plek en mijn standplaats een vriend die angst onder de rode arm draagt, rood van het zwoegen en de inspanning toont zich in de laatste uren vrijheid, die is keurig en die is aanwezig. Meer moet er niet voor ons. Wij weten weinig en dat maakt ons in de meerderheid.   Ik ben je al lang kwijt. In de binnenkant van het lichaam dat ik al draag een resem woorden.   Wil je groter worden, dan doe je dat zo; verhuizen en ontwarren die plekken, de stad verkoopt zich niet. Waar vond je laatst jezelf waar je zelf was?

Dries Verhaegen
0 0

En dan: terug in de wagen

Terug in witte lijnen in wegen gekropen vraag ik me af wat meest in het witst van de strijd was geweest en wat me is ontgaan: jij bent me ontgaan, de teleurstelling is me ontgaan, de debiele wegenwacht die stedelijkheid verkracht is me ontgaan, de handige cultuurcheque voor een portie handige kannibalen en vice versa - is me ontgaan, maar wat wil ik, voyeurisme in het zonneland op zijn best? exotisme exploiteren waar het al geëxploiteerd is op zijn eerste benen de vloer de splinters in de benen in, weg houvast? een denkbeeldig aandenken aan wegwerpgebaren van de onverschillige overkant? een weinig tot verbeelding overlatend hevig hijgend windgeruis in de oren hé wat klinkt dat bekend - die we verwerpen, verpletteren, verdenken etc want hij is en blijft de andere kant? Een ogenschijnlijke waaier aan luchtventilatie op mijn hotelkamer aub.   En dan: terug in de wegen van de schijn.   Woestijn vind ik wel oké, niet omdat dat me de daver op het lijf bezorgt, maar aanstalten maken tot de tropen, dat smaak ik wel, de E19 is Babylon nog niet maar in de schemer van OCD is alles wel een nakend einde natuurlijk. Vroeger zouden de Tourette-patiënten vrolijk hebben meegekweeld om daarna hun hongerdood even te verven op het gelaat van de weigering. Nu alleen maar andere kant van het plaatje: alles waar niet is aan gedacht de fanatiekeling de bemiddelaar de onruststoker de weigeraar En dit allemaal in een wagen, in de schaduw het vergeten van de passieve speeltjes.   In de wegenwacht klinkt de herinnering. In de luchtwegen de afstand. In de afstand de wagen, die doorklinkt in de memoires van een zonderling.On pense pas monsieur, on pense pas. Wederom een straf geluid:   de zekerheid, de absolute zekerheid, de vrijheid in!   Nergens klinkt de stereo van alomtegenwoordigheid me nog bekend. Dan maar Brel. Tellen tot 4, tot de gedachten een vangnet voor de hamer van de slaap zouden kunnen vormen, dan de uitvoering: gracieus, roekeloos, en vlot.   Hij is dit gewend, de routine van een stoornis.   De stilstand rolt onze chevy voorbij. Niks daarvan. Chevyroletti pas ici hé. Dit is een autobahn, naar een autosnelwegritsstrook. Welkom in het beloofde wegennetwerk.   De toegepaste wanhoop zegt: niet slapen in deze misselijke buitenkant van het buitenland. Ik weet mezelf bijster snel te wrijven tot bolletje mens in een toekomst die niet zal nalaten.

Dries Verhaegen
0 0

Antverpia

Iemand die het al eens zong en nu niet opnieuw maar dat ik je er terug vind. Zo weten we, is er genoeg van de kwaaltjes die ons treiteren maar wat doe je als je dan met 2? Juist ja.   Om elke hoek schuilt standvastig decoratief goed met een kwinkslag inboedel te noemen - en dat doen we ze ook aan - zonder meer terug te vinden wanneer je ze nodig hebt, men zou hier huizen kunnen blutsen   uit de menig weifelende weigering die ons toch de bocht uit stuurt, laantje dan ook maar uit, steegje in, hier niet maar ergens dat ik je mis en wegwuif tot in mijn binnenste rioleringen: mij en jou in een notendop dat is wat je nalatigheid toelaat in jezelf.   Liefde is: hier misschien maar het wordt snel een overtocht die rond ons klemt en meeneemt naar zichzelf want kennen, een plek? Nergens dat hij vadsiger her en der de hoeken van de kamer liet zien want niets dat hier godverdomme eens blijft.   Alle mensen zwijgen maar ze spelen geen schaak dat heb ik je al gezegd dus wanneer de kerels beter weten zijn spiercellen een overbodig begrip, ik ken mijn afrodisiac al en vind het in de buitenstad waar alles toch zo levendig weeft tussen het oog en de voering van mijn pakje op-het-gemakje.   Anvèrpia zegt ze, maar nee dat is een understatement zeg ik en daarmee de kous af de laan uit, hop, opschieten, doe wat je moet doen in een stad die met weinig twijfel in één woord een oord te noemen is. Hoe zou dat lopen zonder twijfel?   We doen elkaar een voorstel, zij en ik waar een doorweekt woord uit de lucht een belofte betekent en de stemming in een café af te lezen is maar dan letterlijk.   En nu plots iedereen geil, krijg wat. Jezelf zou je mogen wegcijferen voor het hoger goed maar nog kun je ervan op aan dat je stevig weerwerk zult krijgen van een spastische neerbuigende interactie tussen jou en vrouw.   De blues zijn doordrenkt met stad en zo is het. Ergens dat het geschiedde en dan bloedde de kaart zijn dood dood, werkelijk ieder vat werd een pad en we kunnen drinken dat we liefhebben. Mooizo zegt ze.   Er bestaat geen koudere borrel dan je straat de straat uitvegen, en als ik me dat herinner giechelen.   Dit is me nu nog eens een dorp for a tourist zul je bedoelen, eigenlijk bedoelt ze dat maar a tourist weet wel beter en vooral: hij houdt niet van barbaarse sensatie en de lucht is blauw, dit is geen ratio naar zijn recht of kortom, hij had gehoopt op meer denkvermogen als aandenken en wij 2 zitten hier maar lullend de werkelijkheid af te keuren tot we er tussen man en vrouw uitzien en zo is het.   A tourist is like a toy dat is wat ze weten en nemen hem de vestiging dat de ratio zou kunnen zijn af, zalven zich de medicatie inbecause a tourist is also a boy en een toerist is dus ook gepaard gegaan met het cliché der clichés.   De medicatie ingezalfd, lekker uitrijden in de koepel klucht en ijzeren weefsel dat avondlicht eet uit stinkende houten kommetjes metgezellen, metabolisme in een notendop daarvoor doe je het af en toe wanneer de nood hoog is en clichés alweer vervallen in iets heiligs: namelijk geilheid, het hoge woord dat een stad voeren kan.   De stervelingen hier zijn ergens van doordrenkt, maar de vinger erop leggen zou automatisch de vinger er op leggen, en kom nou Chiquita wil je dat echt, of blijf je de sterke vaandeldragers van een regelrechte ramp genaamd ‘t stad soigneren.   De toerist vindt er zijn weg wel maar alleen als hij het nodig heeft de sekte met aandacht voor aandacht aan te kondigen, de Noorderburen lachen zich een hoed en wij zetten hem op, zitten we hier mooi in ons beloofde gelijke land zonder hand of tand om op te staan maar ja maar nee zeg ik u.   Nodige kwaaltjes worden heruitgevonden en alle tanden van van de onbesproken monden - zij moeten ook aan geld komen! - worden getrokken zeg ik u. Monddood de nacht in, kroeg.   Kuiltje nachtrust verstoord dus de beuk erin, ook nergens is een plek die we kunnen wegleggen in de groene zone van ontreddering.   Als kleuren de geste op bestelling laten opkomen (een heel klein zonnetje boven de stad) zie ik het: jij die zo onontkoombaar na lacht als ik het je vertel.

Dries Verhaegen
0 0

Brussel Versie 2

Brussel uitrijden. De lelijke stad blind kunnen verlaten en toch kijken. Het is in deze blik dat een stad zich schuilhoudt en aardt naar inruilbare normen. Ook dit is een vorm van vergeten. Dit is de passe partout van het gaan en het uitsnijden van een bekrompen versie paradijs uit het kleine vlekje realiteit: het stationszicht: ijzeren omhulsels als vormgeving van het ballingschap en het daaruit leren bevrijden door angst, die we graag ingeboezemd krijgen.   Het is een blik die we werpen op het relaas van verloren tijd en hoe we die leren benijden. Nooit bevrijden! We leven ernaar. Tijd en altijd komt dan de spijt.   Het is dus een komen en gaan van de kitsch, de silo van het kijken, want ook daarin oogsten we tonnen ervaring en ambivalentie in doorzettingsvermogen. We willen maar zouden we niet anders en zo en zo en niet hoooo maar!   Ik ben de dupe. Ik ben de dupe. Ik ben de dupe die dan duwt in de richting van een ring waar we wachten en talmen en veiligheid is een veilig begrip, wat is taal toch een kluwen van houvast. Als je krampachtig schudt, zoals een laatste stuiptrekking genaamd Brussel, ben je net de stedelijke evolutie die etaleert met zijn vermogen tot het uitsteken jonge oogjes zonder al te veel angst.   Hier hebben we op gewacht. De ondergang, en we lopen mank tot we ophouden mank te zijn. Gent huilt en Mechelen wacht. Wij, wij zoeken, en worden onderdanig aan zij die opgehemelt worden, het mekka van het roepen, de allegorie, de essentie. Op je knieën schrijven, want op je knieën kan je niet schrijven, laat staan herbeginnen. Een opgave in de stenen maar automatisch dus niet tot onmogelijkheid gedoemd en permanent aanwezig. Reizen moet je meenemen als taal en niet omgekeerd! Het treinstel dient dan als handvat voor de verdubbeling van woorden in zinnen en referenties. Het materiaal dat je onderweg ziet en voelt, zal de nieuwe drijfveer zijn inzake het vermogen van je hoofd. Koppie erbij houden hè! Kortom, nergens meer dan onderweg, nergens meer dan nergens dus. Brussel is de ontmaagding van een reuzin en bevindt zich misschien wel in dit onderweg.   Ik zwaai naar die overkant. Ze laten je expres wat langer wachten tot de theorie over jezelf zichzelf niet meer is. Alsof we de wereld wat nog wat langer over het hoofd zouden willen zien en vergeten dat we bang zijn. Leven in deze illusie dan het doel op zich. Hier zijn om onderweg te blijven! De optelsom maken, teleurgesteld het doek neerhalen en lachen: There will be nothing you will not be be looking for in this world. Except in for your god. This is all a dream. A dream in death.   Achterhoofden kneden tot wat we zijn: tot je legioen marsvrouwen. Want dit is wat je wil. Je persoonlijke tijdsperk. Je wordt wakker. Dan pas ontwaken en de bijhorende ingebedde rituelen die een netwerk vormen aan vangnet, je plan B. Hallo zeggen en weten wat goed voor je is. Dat ontkennen en herbeginnen.  

Dries Verhaegen
0 0

Thuishaven: gedichten op, over en onder plekken - 2 delig gedicht

1 Want waar je je graag bewust bent maar je uitzweten in bestaan wil terugverdienen (dubbel en dik: in emotie, spanwijdte: genoeg) Daar: een ijzeren wil, over dit staren zegt ze ‘Jij daar met mij, jij weet wel?’   Waar ik voor sta? Maar ik gedraag me ernaar. Bijgevolg ik die is wie ik wil zijn, niet wie ik kan. Als een unieke metropool van je bosje huistoeristen. (Iedereen is hier altijd thuis)   Polshoogte nemen, maar, geen zorgen, het is hier dat ik nog zitten zal. En liefst alles transparant houden, niet vergeten denken aan morgen en staren tot je erin zou kunnen verdrinken. Woorden rollend bijschaven als een amorfe taal waarin iets in steekt: namelijk een boodschap die mijn taken in zich opneemt. ‘Ziet u me hier nu zitten’ (dit was mijn antwoord)   Doorlopen om er onderdoor te kunnen gaan en orde te scheppen, het kan alleen maar hier, waar gewenning een pars pro toto zou kunnen zijn.   Het zit me ook zo lekker dit laagje voedsel voor kwatongen. Vandaar, er kan nooit genoeg van zijn, een nooit genoeg is zeker op zijn plaats en luistert nooit genoeg.   Subliem wordt pas gezien als de dagen vormen wat ze zijn. Noemen bij naam en liefst vandaag, omdat wij je goed genoeg kunnen zijn voor wie je zou willen zijn.       2 Schrijven wat ik al ben zou me gezond kunnen houden. Mijn plaats ver weg of lang geleden. Nu ben ik ontheemd geraakt.   Gent? Ze zou kunnen dienen. Tussen mij en dat verre oord enkel dat rondvliegende gevaarte Teleurstelling, die krachtpatser, maar waar van aard.   Zwaarte. Hefboom. Daar ga ik. Schrijven waar? Niet weer, het is een kwestie van geduld en geloof in se.   Een essayist met een doel willen worden en dan dat grote doel najagen: geloofwaardigheid.   Bezig nu het nog kan en daar werd ik geboren. Madensuyu de oren in, Gent de wereld uit, het had gekund. Ook mogelijk: Madensuyu te hoog inschatten (nooit!), en mezelf vrijpleiten van het dwangschrijven. Tot ongeloof van de lezer, bedankt consument.   Grote woorden in steden die zich als dorp vermommen maar met een nog grotere rol te vervullen: staan voor wat ze zijn. Zwaaien want: de tijd valt als een persoon. Daartussen komt alles dat we denken dat we schrijven.   (Eronder een stukje tekst: niet aanraken, bijna gevaarlijk!) Tabula rasa, gelukkig!   Gezellige betwetersfeer onder de radeloze uitgevers die ook geen ander leven zouden willen, het heeft niet veel gescheeld.    

Dries Verhaegen
0 0
Tip

Het is Robert Anker - Mechelen

Het is Robert Ankers stem die me wakker schudde. Wakker worden deed ik in de vertrekhal, is ook maar een woord. Zo blijven we bezig. De gesprekken die al in je drijven nog onuitgesproken, zo blijven we bezig. Leonie moet al op de toppen van haar tenen gaan staan voor een glimp van de zaal met taal, of noemde ze Justine, zo blijven we bezig. Maar het is een bewijs dat niets zeker is, alleen maar beter dan ervoor, want nu is nu en straks is dan nu. Meer hebben we niet in deze vondst. Dus verzinnen maar.   Ik zie wat taal niet ziet en ben het alweer vergeten. Sporen van handschrift zijn het, eerste mail van mijn emotie die in me gedrukt stond en nu verzonden naar de tong. Kijk uit, hij is geletterd.   Lezen is a) ontdekken b) verwekken   c) leuk want ik woon te Mechelen. Taal vormt het netje dat de buitensporigheden van empathie zou kunnen filteren, maar dit vervolgens niet doet en zegt: in mijn potentieel verveel ik me nooit. En wij maar luisteren. Dat ik vergeet hoe ik heet in de weifelachtig warme literatuur. Waarna ik opsta en mezelf voorstel. Ik ben mijn boek omdat ik heet wie ik denk. Ik denk dat ik groot ben maar daarmee verzet ik nog geen bakens en ben ik al helemaal niet onsterfelijk, want wat zouden we meer willen dan willen? Het lezen blijkt het wezen.   Dan belt moeder: zo is ze nog net geen schrijver. Moeder belt want ik ben een zoon en of ik er niet ben als ze niet belt. Zegt: hoi lust je vanavond alles want als kind wat je nu krijgt. Wat je zoals leest als je nee zegt: Vestdijk en Joyce want je vindt ze waar je zoekt. Neenee moeder, zo werkt dat niet. Ik ken de verkoper door er weer te komen en altijd. Hij kent me want heeft geen keuze en dit is Mechelen     Of de apotheek en de bib in één want dit pakje boeken staat me. Happy days, jij ook moeder. Zie je in de dagen dat ik nee zeg. Haha daar heb je me.   Moeder die ophangt. Ik die de dag in de volgende zin nestel: Ook morgen kan vandaag zijn als je de telefoondraad je hoofd in altijd maar bellen. Kan ik nu nooit eens.   Boek is al uit, next up: Het boek alfa of een Hellevaart. Niet geleerd, wel verknocht als tast op beenmerg. Harder fietsen Dora! Iloveyou maar je bent mijn hier en nu al. Harder fietsen als je me maar vastpakt ach zonder gemaar.   Ik heb niet gehuild toen je niet nee zei en ook niet zei. Doodnormale vriendin wat heb ik je. Dat we zonder elkaar enkel maar alleen net woord.   Nu is nergens maar op het lezen na vertel ik je de wereld in die om onze kant en klare verbinding draait. Dora die belt:   Slik ik de gesloten woorden in komen ze en zo weer de telefoon weg de weg uit naar jou. You but I’m always blue.Nergens zou ik de woorden weer onderuit kunnen halen maar erg gevat - zucht - roep ik haar weer tot leven.   Ze zwijgt me tot mijn naam vergeten maar ik zie de verkoper ook graag omdat ik er altijd.   Harder fietsen. Nu is toen toen er straks dan weer meer is. Dat we elkaar steeds weer naast elkaar zullen lopen en liefst nog draai ik mijn hand rond je naam en draag ik je ook nog eens terug de dag in. (Ik die de dag in de vorige zin in nestel)  

Dries Verhaegen
0 0

Op reis gaan en niets gezocht maar ook niets gevonden (R Anker - Goede manieren, XIV)

Junkiebloed dat stroomt en hij lacht eens aangekomen. Hij is vertrokken maar zo voelde thuiskomen. Nieuwe routines als verslaving dit keer. Hij is de laatste dagen wat stil. Gelukkig liegt dit land niet, is het recht voor zijn raam zichtbaar als een schilderijtje dat hij eens kocht in zijn al vergeten roots. Het hangt er nu wat te hangen en bedoelt daarmee niets. Wij kijken fout. Bijgevolg voelen we net niet genoeg   om onder de radar te blijven. Daar zijn we, we zuchten, en vegen daarmee elke laatste vlek bestaan weg. ‘Wel zo zal het al helemaal niet lukken, dat - hoe noemt u het - dat ontnuchteren.’ We leggen niets uit, oke, dus zwijgen is een voorkeur. Gesprekken waaien toch altijd aan als hoogste toon in de holle ruimte, de bocht van bestaan, onder het juk van het moraal. Vertegenwoordigd door het nu blijft er niets dan taal voor ons over. Het zal weinigen verbazen dat het zootje dode dichters op mijn nekvel glijdt tot ik me corrupt voel. Pas op parasiet. Pas op hij is allergisch aan standvastigheid & zekerheden. Waarna hij de laureaat wordt ergens in Athene en de gouden ik-schrijf-soms-boeken-prijs mee naar huis sleept als trofee van een kort leven, hem in zijn geheugen klieft, lustig de taal doceert aan zij die niet weten hoe schuin door een boek te lezen, of tussen de letters de liefde zouden kunnen bedrijven, maar niet heus. Met taal zal je gooien zegt hij of je kan de aangeslagen ruit inwijden door er je voornaam in te tekenen. Hij blijft verbaasd voor zich uit staren als dit tot hem doordringt, je had maar niet moeten slapen zeg ik nadat hij droomt, de deur klap ik dicht, mijn stem heb ik eigenlijk onaangeroerd gelaten.

Dries Verhaegen
0 0

Pauze II

Wezenloos groot zo lijkt hij alvast maar laat je niet bedotten hij is schuw. Jij bent schuw ten slotte ben je niet nodig en breekbaar en dien je enkel om bewondering te laten blijken bekeken worden andere dag andere plek misschien schuilt er daar voor jou een glans. Er is geen haast. Die komt pas met de tijd hoe dubbel dat moge klinken hij is ontsteld hier bij het zien van zoveel invasie en zijn plicht bestaat eruit die te temmen vandaag nog liefst. Leun je naar me jazeker ‘wat doen ze dat naargeestig goed’ denk je dat nu echt. Houd je stevig vast. Gevleid ontken je gêne. Ik mag niet uit mijn concentratie gehaald worden ook dit is weer ambivalent maar te laat. Gsm stond al uit! Familie groet zeg hallo terug en besta.   Me afvragend wat wel en wat niet de bedoeling was geeuwen. Mezelf te pas en te onpas onderbrekend heb ik humor. Mettertijd de clou ontrafelen stoutmoedig worden mezelf wanen groot te zijn maar ik laat me niet bedotten. Ik ben de gedroomde kijker fluister ik krijg de klere de klere krijgend. Alles verloopt naar wens. Iedereen lijkt zichzelf wel te herkennen moest het naargeestig zijn zoals jij dat zegt jezelf vergetend. Jij ook komt van pas denk je als bewonderaar maar is hij listig. Soms ruilen we liever niet van spul zegt de gelegendheidsdrinker en steekt van wal. Ook dat gebeurt hier soms in het binnenste van de keel schuilt een wens dus geloof ik wel in mezelf moet wel nu. Ik heb namelijk geen keuze meer moest het hier eindigen. Gisteren blijft gelukkig hedendaags en de orde bewaard. Genieten. Er is weinig verschil met andere keren dus het zal een serie wezen de critici halen anderen verkneukeld in op achterbanken. Maagdelijkheid op zijn best. Euforisch het eerste het beste koorzangertje dat ook eens zeurde en bleek nog efficiënt ook. Sussen. Ook ik draai me tot jou de stoelen zijn hiervoor gezet op een vierkante meter is het makkelijk lief te zijn. Hij richt zich tot zichzelf nu het niet lang duurt valt het allemaal wel te genieten ook al weten we van niets coulissen strepen blinde vlekken noem maar op alles wat de moeite is even vergeten. Lp’tje en daardoor terugdenken aan jeugd en dat valt tegen. Hedendaags de onverschilligheid waarmee het toeslaat maar gelukkig ook ik. En dan nog iets te bedenken tussen naargeestig en ambetant krijgen we het er niet allemaal krullend warm van. Ze is er even maar is gelukkig alweer hier zodat we gehaast achter ons horen en stemmen die doven.

Dries Verhaegen
0 0

Pleuris

meisje trekt mijn onderbuik open hier is geen plaats voor het anti   in het onaardse niemandsland wordt niemand meer niemand niemand meer gespaard of simpelweg ouder de conversatie ervoor was lullig en vlotte zich doorheen een moreel debat zucht zucht beide partijen talmden te lang beker werd uiteindelijk nachtelijk omgestoten weetjewatdatis nachtelijk het is zoals in het geheim ik heb een migraine van achteren als ik er nog maar over denk   meisje trekt mijn onderste vaak open en knijpt en maagzuur ja dat talmt dus ook niet als ik de spelbreker was vandaag het had dus gekund dan zal ik dat bewijzen ook   moeder grijpt me bij het nekvel en ik denk politiek is zo massaal aanwezig nog niet geen belangstelling bij mij voordien niets niets dat tot fantasmes kon leiden moeder wil me pientere lesjes leren over dit soort volkjes maar ik zie de verschillen niet meer dankje moeder het rekt zo hard dat het springt het nekvel   meisje rilt en trekt me de pleuris uit de kanjer van woonkamer binnen ik ben al gescheurd dus wat is dit comfort in een gebedje? ja dus dat is het een geschiedkundig gebazel verbluffend sentimenteel geblaf vanop een kaars waar het overigens warmer is dan hier zucht zucht nooit zullen we het echt goed stellen of namens de ethiek van hier sappige verhalen   ik klauw de handen samen steek het af gooi het op de treurnis van verstandhouding daar steek ik het op het is allemaal diens schuld waarna het zwellen me ook andere dingen vertelt

Dries Verhaegen
0 0

Visuele cultuur, en mijn rechten

Passeren, bestrelen, dan pas domineren, kattenkwaad zal het écht niet overleven. Achteraf weer alles afleren en herbeginnen.   Tempo-tempo. Kies zorgvuldig, voor je weet maar nooit: pas neergelegde woorden en hoe die bijten, het aartsmoeilijke ambiëren. Ik leg mijn versnelde pas neer,   op de binnenkant van buiken - er groeien zelfs verkneukelde koppeltjes: je weet wel, zo’n zondagmiddag op voorschrift - uitstapjes of kuieren   en op je ene hand tel je je passen en op het andere graaft zich het uiteindelijke besef: “ik, die hier absoluut niets te zoeken heb.”   Dat rondegesluip is per slot van rekening toch ook voor de vraatzuchtigen onder ons. Passief, vooral dat. Het werkt zichzelf niet echt in de hand natuurlijk.   Vooral voor de momenten waarop we (we hebben het elkaar net aangeleerd) buik aan buik het vlezige vallen bestempelen, ik schreef een lus op die geboorte van je, het zegt nu ook niets meer - maar dat is net het punt! Het aanraken baart geen vallen en opstaan, maar ingebouwde zekerheid, en slechts een fractie ervan geloven we elkaar niet, gewoon om zeker te zijn dan, dan toch even die twijfel, zie ik ze? Nee we verstijven beiden, voor kanttekeningen van een paviljoen aan de weerskanten van ons gefriemel, ons heus wel gekreukt volmaakt passeren. U ook hier?   Denk je dat iets me nog kan schelen nu? Steel maar, ik ben alleen maar verveeld bij het bedenken van uw ingebeelde aandacht en voor wat bestaat dat eigenlijk?   Voor de saaie (maar ze zijn al dood - morsdood) types.

Dries Verhaegen
0 0

België

Ik pas mij aan. Zo ook met het streepje aan de horizon. Mijn hoofd lichtjes gekanteld, vlekken voor mijn ogen. Voortekens. Banaliteiten en supermannen.   Is er dan nergens een thuiskomen? Mijn handen in de vorm van een kom. Snap je? Verder niets. Niets niets niets en nergens meer dan hier. Ik vertik het. Vertik het te wachten. Te wachten op een wuivend handgebaar. Curieus hoe men lacht dezer dagen. Heel erg hard.   Voorzien van schouderklopjes de winter in. Komt goed zo. Massale belangstelling voor winterkopjes. Trillend in de schaduw van het koude. Hoe ik ze imiteer. Help, ik ben een man!   Heel veel stof tot nadenken. Me dunkt. Roodborstjes op mijn armen nu. Kwetter maar, vanaf nu hoor ik niets meer. Curieus hoe men lacht dezer dagen.   Water dat stroomt over lappen land, over nergens meer dan hierzo. Natte tenen.   Metafoor voor clowns. Het koud hebben? Misschien wel, en in andere oorden verzint men bestaan op een andere manier. Ik wil misschien wel een fijn snorretje. De weegschaal zegt vanalles. Klopt toch niet. Schandalig hoe men luidkeels vrienden blijft (kan ik wisselen?).   Hoge toppen, verdere rits-situaties, kanjers van geeuwen, malle theorieën over Belgen. Mijn huis is zoek. De vrienden: zoek. De herinneringen: heb ik misschien nog wel ergens. Zo, dat ademt gemakkelijker.   Tellen tot 10. Vloeken. Mond op slot. Hap. Een gat in de conversatie. Curieus hoe men lacht. Mijn dood: bombastisch. Erg veel drama.   Wisselgeld: onbestaande. In morsecode: nee. Gebarentaal: bestaat. Daar ben ik tevreden over. Je zou voor minder.   In alle gevallen: gebruik een nooddeur. Adrenaline enzo. Ik heb nooit leren bekvechten.   Ik voel me alleen maar ellendig over: koude, behulpzaam zijn, mensen die niet dansen. Ik voel me ook ellendig over goedkope wijn, goedkope gesprekken, goedkope manieren. En wat dat met een mens doet. En nee, ben niet zo handig.   Woestijnen is een ander verhaal. Het werkwoord. Curieus proberen lachen. Lukt nooit. Bestaan onder een ander plafond. Andere kleren dragen. Graag! Baantjes trekken. Graag! Uitgeput vogels spotten. Graag! Lezen en op de tenen lopen op trappen. Graag! Twijfelen. Graag!   Gezonde dagritmes en zakmessen voor onderweg, Marchienne-au-pont het paradijs. Zwemmen zwemmen zwemmen. Laat opblijven helpt ook. Zuchten helpt ook.   Mijn dood: nog steeds bombastisch. Je zou voor minder

Dries Verhaegen
0 0

Stapgewijs

Zoiets als stapgewijs in de schemer vertellen wat er is achtergebleven, en met vele vragen bedenken dat ook gadeslaan hoog over ons vliegt, lijkt me zonder discussie op een avond als deze, liters wijn bestempelen dit schouwspel, ondermaats, zie je hoeveel de man met twijfel in de hoeve heeft, in ieder geval bekokstooft hij een nuance op al wat hij zeggen zal: niet ‘ik heb geleerd’, maar ‘één of ander aspect dat mij aanzette tot enig opzoekwerk.’ Niet ‘wat kan er nog meer zijn?’ maar ‘wat u bedoelt met die zin slaat helemaal nergens op’. Het zaait een zekere specifieke spanning die me bereikt in meerdere dagen, ver weg van hier wordt het feest al gevierd. Beste luisteraar, het betreft hier een faalangst van rijke maar familiaire afkomst. Ik heb getwijfeld, en zal nog twijfelen ook, maar dat wil niet zeggen dat ik me niet ook wel eens groter dan mezelf waan, waar een weg is, is een naam, en waar ik roepen wil, daar zal ik, onopgemerkt, staan wachten. Op het moment dat alles even te veel wordt, richt ik mij tot u, te laat komt de toekomstgewijze zin in meer berichtgeving omtrent de sprint naar een verloren plek, waar ik me overgeef aan te veel, te veel ondanks dat ik ook maar een mens ben, dat ik ook maar een mens wil, meng de gekte met waanzin en u krijgt vrede. Grove woorden, besluiten, zingen, laten me achter in een zekere staat, op hypnotiserende wijze bericht gekregen van vijand nummer 1, mijn wijzerszin zegt me te zeggen wat er nog niet op zijn plaats staat. Dus ik vergeef vergeten zonden en begeef me op glad ijs, weersta de drang naar meer en verlies me in het gekende noorden.

Dries Verhaegen
0 0