Teksten

Hoe was het vroeger?

Overmorgen  vertrekken mijn vriend Joris en ik op zomerkamp. Wat hebben we er naar uitgekeken. Tot voor kort was het door het coronavirus niet zeker of het kon doorgaan. Onze ouders waren vroeger ook bij een jeugdbeweging.  Bij het nakijken van mijn spullenlijstje ontbreekt nog een zaklamp.  Pa zegt dat er boven op zolder in een kistje nog spullen van hem liggen van vroeger. Daar is vast nog een zaklamp bij maar dan moet ik er wel batterijen in stoppen. Dit kistje heb ik nooit eerder opgemerkt en bij het openen val ik van de ene verbazing in de andere. Niet alleen zijn uniform ligt er in maar ook een echt Zwitsers zakmes en een aantal namaak gouden en zilveren medailles met een soort diploma van ‘Kerel die het hoogst in de boom klom’. Gek dat pa hierover nooit verteld heeft. Er liggen ook foto’s in van hem met zijn jeugdvrienden. God, wat raar. Het is net of ik naar mezelf kijk. Onder de zaklamp vind ik  een schriftje.  Nieuwsgierig open ik het en lees: ‘Logboek van het tiendaagse Zomerkamp in Limburg.’ Eerst staat er te lezen hoe  het kamp werd voorbereid en wat er zoal gepland werd. Zo staat er op woensdag: ‘Surprise’ vermeld en op donderdag: ‘Frietjes en appelmoes op het menu!’ Dat is blijkbaar in al die jaren hetzelfde gebleven want de liefde van pa voor frietjes is wereldwijd bekend en ook op ons kamp zal donderdag frietdag zijn. Dan volgt dag na dag een relaas van al wat er gebeurd is. Ik wil eerst weten wat die surprise wel kan zijn, blader snel naar de woensdag en lees:  ‘Nadat ik gisteren mijn verslag had geschreven hebben wij ’s avonds op de speelplaats van het nabijgelegen schooltje nog een spel gespeeld waarbij wij om beurten rond de koer moesten rennen. Het was al donker maar er waren enkele felle spots die alles verlichtten. Door de schaduw van een afdakje had ik een rand van de stoep niet gezien en verzwikte ik mijn linkervoet. De EHBO-man van dienst heeft naar mijn enkel gekeken en er wat zalf op gedaan. Dat moest volstaan, zei hij.’ Als we al eens samen gaan wandelen, weet ik dat papa soms na een tijdje klaagt over zijn enkel. Vragen wij dan wat er scheelt antwoordt hij steevast dat het iets van lang geleden is. Ik lees verder: ‘Vanmorgen zijn wij zeer vroeg opgestaan. Er wordt ons meegedeeld dat de verrassing,die wij ons heel anders hadden voorgesteld, een voettocht is van om en bij de 50 km. Er zullen vijf bemande controleposten zijn die wij moeten zoeken om er een attest te krijgen. Per persoon zijn er twee halve liter waterflesjes. Op de posten krijgen wij opnieuw water en een stuk fruit. Op de tweede post krijgen we iets om te eten.  Er zijn vijf teams van zes man.  Elke groep heeft een verschillende route en krijgt een stafkaart met de uitgestippelde weg. Uitzonderlijk kan het zijn dat teams elkaar ontmoeten bij een van de controlepunten. De eerste opdracht luidt dat de ganse tocht met het voltallige team moet worden beëindigd. De tweede opdracht is om het eindpunt zo snel mogelijk te bereiken. Voor de winnaars is er morgen na de frieten opnieuw een ‘verrassing’! Wij vertrekken om 8:00 uur stipt. Aan een tempo van gemiddeld 5 km per uur, korte pauzes aan de controleposten inbegrepen, moet het dus mogelijk zijn om tussen 18:00 en 19:00 uur aan te komen. Wij hebben een systeem gevonden om hetzelfde ritme te houden door achter elkaar te stappen. Om de twee kilometer loopt iemand anders op kop. Het is fris in de morgen en af en toe zet iemand een marsliedje in. Dat helpt om het tempo aan te houden. Rond kwart voor tien zijn we bij de eerste controlepost, waar iemand van de leiding ons een kaart geeft met vijf vakken. Hij noteert de aankomsttijd in het eerste vak en zet er een stempel op. Dan stappen wij verder. Waar wij eerst vooral op veldwegen liepen gaat het nu over bospaden. Heerlijk, de geur van een dennenwoud in de morgen. De koploper stopt bruusk en wij knallen tegen elkaar aan. Hij heeft verderop een hert zien lopen. Tof man, maar daar hebben wij nu geen tijd voor. Wij willen er alles aan doen om de tweede post voor twaalf uur te bereiken. Het bospad gaat op en neer en vooral op enkele steile hellingen komen wij traag vooruit. Bij het afdalen hebben wij de neiging om te gaan rennen maar we beseffen al snel dat het niet zo een goed idee is. De man die het plan in handen heeft zegt dat wij bij het buitenkomen van het bos de tweede controle moeten zien.  Het is al zeven over twaalf als wij het bos uitkomen en gelukkig, daar bevindt zich de volgende halte.  Wij krijgen er proviand en drinken en besluiten niet te dralen om tijd te winnen.  Vanaf nu zal het er niet makkelijker op worden. Een uur later zucht iemand: ‘Oef, wij zijn halfweg’. Dat betekent dat wij al vijfentwintig kilometer achter ons hebben zonder een levende ziel tegen te komen, behalve die ree natuurlijk. Hebben dieren een ziel? Aan dierenleven ontbreekt het anders niet onderweg. Waterplassen met libellen, geluiden van tokkende spechten in het bos, koeien met kalfjes in de weiden. Op vele plaatsen worden wij verleid om halt te houden maar we mogen ons niet laten afleiden. Aan een vijver staat een bank. Daar verorberen wij onze boterhammen. Een moeder eend doet alle moeite om haar vijf kuikens bij elkaar te houden. Iemand lacht: ‘Die sloebers lijken wat op ons.’ Een blauwe reiger scheert over onze hoofden het water in en wij vervolgen onze tocht. Met lood in de schoenen halen we zwaar hijgend de derde controlepost.  Het is net twee uur voorbij wanneer wij weer vertrekken. Dat betekent dat wij weer helemaal op schema zitten. Het geeft iedereen nieuwe moed. Maar dan voel ik plots de pijn in mijn enkel. Tot nu toe was ik een beetje vergeten dat ik die gisteravond bezeerd had. Ik verbijt de pijn en laat vooral niets merken aan de anderen. Gelukkig heb ik net voorop gelopen en kan ik nu achteraan stappen, waar het niet zo opvalt dat ik af en toe begin te hinken. Wanneer de volgende koploper achter mij aansluit vraagt hij wat er is.  Ik zeg dat ik wat moe wordt maar dat het wel voor iedereen zal gelden. Ondertussen is het heet geworden en op veldwegen schijnt het zonnetje op onze krullenbolletjes. Haha, grapje! Het is kwart over vier wanneer wij eindelijk bij de vierde controlepost toekomen. Wij zien hoe een andere ploeg net verder trekt in de richting waar wij vandaan kwamen. Ze zien er nog fris uit en begroeten ons hartelijk. Er staat een auto bij de controlepost en gelukkig heeft men een wasteil en waterbidons meegenomen waardoor ook wij ons kunnen opfrissen. Een van de kameraden zegt tegen een leider dat hij naar mijn voet moet kijken. De man staat versteld als hij mijn blauw uitgeslagen dikke enkel ziet en begrijpt niet hoe ik het zo lang heb uitgehouden. Hij stelt voor om met  hem met de wagen terug te keren naar het kamp, maar nu wij zover geraakt zijn wil ik de tocht mee afmaken. Ik moet mijn voeten in koud water baden en dan doet mijn verzorger er een verkwikkende zalf op en verbindt mijn enkel. Mijn metgezellen profiteren van het moment en zitten naast elkaar met de blote voeten in een kabbelend beekje naast de weg. Een twintigtal minuten later zijn we terug op weg. Ik voel mij als herboren en stap nu resoluut op kop.  Ik zet er stevig de tred in want door mijn schuld hebben wij veel tijd verloren. Kop op, het zijn de laatste tien kilometers. Het is kwart na vijf wanneer wij in een bos een korte rustpauze nemen.  Iedereen is bekaf. Mijn voet begint mij terug parten te spelen. Wanneer ik opsta kan ik haast niet rechtop blijven.  Ik hink en zoek een stevige stok om mij te ondersteunen. Mijn kameraden zien dat ik bijna niet meer vooruit geraak. Ik stel voor dat ze mij achterlaten en mij later laten oppikken met de auto. Dat willen ze niet want als we niet in de tweede opdracht slagen om als eerste toe te komen willen wij absoluut de eerste opdracht halen en die is om met het ganse team de eindmeet te halen. Een vlucht vogels hoog in de lucht herinnert er ons aan hoe belangrijk het is om samen te blijven. Er wordt afgesproken dat telkens twee vrienden mij zullen ondersteunen en na elke kilometer zullen ze elkaar aflossen, ook al zijn ze allemaal zelf aan het eind van hun krachten. Gelukkig is het iets koeler geworden en kunnen we in de schaduw van de rij bomen lopen die nu langs onze route staan.  De steun van de armen van mijn vrienden helpt mij om de pijn te verbijten, maar wij vorderen veel te langzaam. Het afgelopen half uur zijn we maar één kilometer opgeschoten. Aan dit tempo moeten wij nog minstens twee uur lopen. Wanneer wij even later een barak zien waar houten planken en stokken liggen opgestapeld, heeft iemand het idee om een soort draagstoel te sjorren met touw dat hij toevallig in zijn rugzak meenam. Als meester sjorders lukt het hen snel om tot een resultaat te komen dat voor de dragers en voor het slachtoffer, ik dus, comfortabel lijkt.  De vrienden maken er een spelletje van en gaan met elkaar in de clinch om als eerste de stoel te mogen dragen. Ik hoef niet meer te stappen waardoor de pijn draaglijker is geworden. De vermoeidheid slaat hard toe maar door het enthousiasme van mijn kameraden gaat het nu heel wat vlotter. Toch hijgen mijn slaafjes alsmaar meer wanneer ze mij dapper voortdragen. Om zeven uur ’s avonds rest ons de laatste kilometer.  Iedereen sleept zich voort en om er de moed in te houden haal ik mijn beste grappen boven.  Ik schat dat wij nog een honderdvijftig meter van het eindpunt vandaan zijn wanneer ik de overige ploegen met de leiding naar ons zie uitkijken. Ze komen ons tegemoet en tillen mij met wel tien man uit mijn draagstoel. Mijn kameraden krijgen van iedereen schouderklopjes. Wij hebben het gehaald.’ Wanneer ik het boek sluit lopen twee dikke tranen over mijn wangen. Dus zo ging het er vroeger aan toe, denk ik.  Ik ben fier als een gieter op mijn papa  en vertrek twee dagen later met Joris op zomerkamp. Mijn kameraden zullen op mij kunnen rekenen. Dat staat vast.      

Vic de Bourg
39 2

Muntenverzamelaar

Een muntenverzamelaar kan je mij bezwaarlijk noemen maar sinds jaren bewaar ik enkele oude munten en biljetten in een bokaal in een lade van mijn bureau. Meer dan twintig jaar na mijn reis naar Berlijn stond de muur nog overeind. Nu meer dan dertig jaar na de val van de muur doe ik een vondst. In mijn confituurpotje vind ik een muntje met het opschrift: ‘Deutsche Demokratische Republik’. Het maakte ooit deel uit van het blikken geld dat je aan checkpoint Charlie moest inruilen voor Westers geld. Bij een bezoek aan Oost Berlijn hoorde je inderdaad minimum vijf zulke Ostmarken aan te kopen met Westerse Duitse Marken of liever nog Amerikaanse dollars, die door het DDR-regime zeer gegeerd werden. Het volledige bedrag moest ter plaatse gespendeerd worden en het overschot moest bij terugkeer afgegeven worden. Onze groep bestond uit mannen en jongens van alle leeftijden, van achttien tot zestigjarigen. Bij de terugkeer naar West Berlijn hadden enkele ouderen het overgehouden geld weggeschonken, anderen hadden het zelfs in een vuilnisbak gedeponeerd. Wij, jongeren hadden in een herberg voor de lokale argwanende bevolking drank gekocht. Het overgebleven kleingeld hadden we in onze broekzak verstopt. Aan een zwaarbewapende Vopo (Volkspolizist) die amper onze leeftijd had, toonden we onze lege geldbeugels. Gelukkig liet hij ons ongemoeid, maar in onze broekzakken gloeiden de geldstukjes. Ze hadden nooit waarde en of ze die nu meer dan vijftig jaar later hebben, is zeer de vraag. Als souvenir is hun sentimentele betekenis daarentegen onbetaalbaar.

Vic de Bourg
16 0

GEEN NIEUWS: Russen gijzelen Tour de France

Na de jarenlange heisa rond het verbod van deelname aan de inmiddels uitgestelde Olympische Spelen hebben Russische atleten zich massaal tot renners omgeschoold. Voor grove roebels uit de Staatskas werden bekende sponsors verleid om ze in hun ploegen op te nemen. Hun overdonderende deelname aan de Ronde zorgde op de eerste tourrit reeds voor vuurwerk. Vooraf werd verwezen naar de president van Wit-Rusland die wodka had aangeraden om zich tegen het coronavirus te weren. Er  werd al smalend gefluisterd dat dit goedje zonder twijfel zou terug te vinden zijn in hun drinkbussen en dat ze er in de eerste bochten zouden uitvliegen. Niets was minder waar. Verbijsterd zagen bekende namen uit de wielerwereld hoe ze met gemak uit het wiel werden gereden door de bolsjewieken met een gevleugelde ‘A’ en de naam van de ooit grootste luchtvaartmaatschappij ter wereld op hun ruggen. Iedereen die dacht dat de natie uit het Oosten zou aantreden met spierbundels op stevige ijzeren rossen kwam bedrogen uit. De Russen bleken meer afgetraind dan wie ook en reden op fonkelnieuwe lichtgewichtfietsen van een merk met de verdachte initialen E.M.X. Naar verluidt zou Poetin in hoogsteigen persoon de ontwikkeling ervan in China gefinancierd hebben en volgens hem verwijzen de letters naar drie bevriende kopstukken van het regime Enlai, Mao en Xi. Het tourmanagement deelde mee dat renners en fietsen aan grondige controles werden onderworpen.

Vic de Bourg
29 0

Racisme

Dit is een bedenking bij de eerder gepubliceerde tekst van Hans Verhaegen onder de titel ‘Privileges’. Daarin schrijft de auteur eindelijk de moed gevonden te hebben om openlijk tegen ‘racisme’ in te gaan. Dat is lovenswaardig, zij het dat racisme niet tot een ras, kleur of afkomst te herleiden is. De Italiaans-Belgische zanger  Adamo, inmiddels multimiljonair, verklaarde op de Franse T.V. hoe hij als kind een haveloos bestaan leidde.  Zijn vader besloot destijds om de Zuiderse zon van Sicilië in te ruilen voor het zwart  van de Belgische koolmijnen. Het licht inruilen om in de duisternis te leven en er geen cent rijker van te worden, integendeel om zijn ganse gezin in armoede te dompelen  in een wildvreemd land. Hij was niet de enige om zulke keuzes te maken, die  levensbepalend en in vele gevallen nefast waren voor de volgde generaties. Na Italië volgden ‘gastarbeiders’ uit Spanje, Turkije en Marokko. Met Italianen en Spanjaarden kon het katholieke gastland goed overweg.  Met  Turken en Marokkanen werd het grimmiger, vanwege hun godsdienst en voor  Belgen rare manieren van leven. De koolmijnen zijn nu  gesloten, de meeste stoflonglijders zijn inmiddels overleden maar hun familieleden  en nakomelingen zijn gebleven. De meesten hebben zich goedschiks aangepast aan de wetten en gewoonten van het land waar hun voorouders als gasten werden onthaald.  Zij hebben  er een levensstandaard verworven die in vele gevallen hoger reikt dan die van de ‘inheemse’ bevolking. Maar dan zijn er de uitzonderingen, zij die geboren zijn om keet te schoppen en de gevestigde orde op alle mogelijke manieren te dwarsbomen.   Omdat men er van uitgaat dat zij de regel bevestigen worden door hun misdragingen  ganse  bevolkingsgroepen onterecht met de vinger gewezen . En dan stel ik mij de vraag: is op die wijze zijn gelijk willen halen in een land met open grenzen geen extreme vorm van racisme?  

Vic de Bourg
35 2

Even vergeten...

Ze keek me  boos aan omdat ze niet begreep waarom ze niet mee mocht. Haar man en mijn echtgenote waren net uit de deur gestapt. Bij zijn pensionering had mijn schoonvader zijn echtgenote verrast met de aanschaf van een vakantieverblijf aan de Kust. Regelmatig bezochten we hen of  gingen met de achterkleinkinderen in hetzelfde kustdorpje logeren, kwestie dat ze nog een tijdje van elkaar konden genieten. Superoma, zoals ze door haar achterkleinkinderen werd genoemd,  zei geregeld: “De oude dag is een zware slag.” De ouderdomsdementie liet inderdaad niet op zich wachten. Superopa  werd stilaan gek  van de tientallen keren dat ze per dag vroeg of er nog boter in huis was en op diverse plaatsen in huis vond hij briefjes met haar pincode.  Toch bleef hij dapper voor haar zorgen, ook al toonde ze geen begrip voor zijn inspanningen en verweet ze hem dat ze niet zelf nog een aantal taken mocht verrichten. Die keer had mijn vrouw voor haar vader en haarzelf kaarten versierd voor een toneelvoorstelling. Ik zou ‘supergrannysitten’. Zodra de boze in een wazige ‘je m’en fou’-blik  omsloeg, vroeg ze waar man- en dochterlief dan wel naar toe waren. Toen ze het begrepen had, vond ze dat wij ondertussen wel iets mochten drinken en vroeg wat er zoal voorradig was.  Om opnieuw een verwijtende blik te vermijden durfde ik niet zeggen dat we in haar woning waren en zij beter dan ik wist wat er te consumeren viel. Ik stelde een biertje voor.  Op de vraag of er niets beters was werd besloten om een iets straffer streekbiertje te proeven. Na de eerste teug kwam de vraag of de ‘sorteurs’ nog lang wegbleven.  Toen ik antwoordde dat ze maar net de deur uit waren, begaf ze zich naar het terras. Daar dommelde ze gelukkig in, maar als ze weer klaarwakker was vroeg ze meteen waar de anderen toch bleven. Vermits  het nog wel even zou duren vond ze dat we nu wel aan een sterker drankje toe waren en opnieuw volgde de vraag wat er zoal in huis was. We besloten om de jeneverfles aan te spreken die er notabene al jaren stond te verkommeren. Met het excuus dat jenever net als goede wijn met de jaren beter wordt, werden twee glaasjes uitgeschonken. Dan volgde een lang gesprek met vragen of ik kinderen had, hoe die dan wel heetten enz., zaken die ze altijd had geweten maar nu in de mist der jaren verdwenen waren. Na het tweede neutje bracht een tweede dutje soelaas.  Ze sliep warempel  tot de ‘toneelgangers’ terug waren. Meteen vroeg ze  waar ze zonder haar naar toe geweest waren.  Toen het woord ‘toneel’ viel keek ze mij triomfantelijk aan en zei:  “Zie je wel, ik had het je toch verteld.” Toen mijn echtgenote en ik huiswaarts keerden,  keek schoonmama me doordringend aan alsof ze zich afvroeg wie ik weer was. Ze twijfelde even maar kuste mij dan innig.

Vic de Bourg
14 0

In dreams

Geriater Paula Debacker kijkt tevergeefs om zich heen. Ze dacht dat er op dit pleintje vandaag markt was. Ach natuurlijk ik vergis me, denkt ze, want het was op maandag dat die gekke meneer Kasters mij een gebakje bracht. Het ‘tompoesje’  had hij voor mij gekocht toen hij met verpleger William mee naar de markt mocht. Wat kan hij aardig zijn, die Kasters, maar soms overdrijft hij wel een beetje. Hoe hij het gisteren weer klaar heeft gespeeld om aan de haal te gaan is mij een raadsel. Hij moet wel pienter zijn om telkens het beveiligingssysteem te omzeilen. Nu ja, intelligent is de man wel of hij is het alleszins geweest. Voor een middeleeuws historicus en emeritus hoogleraar aan de UvA, vind ik het niet behoorlijk dat de medepatiënten hem het professortje noemen. Telkens hij mij ziet spreekt hij mij aan met Jonkvrouw Debacker en geeft hij mij een handkus. De man is een geboren verteller. Laatst beschreef hij mij hoe het er in de Middeleeuwen aan toeging bij de adel. Als kind van de adel kon je niet kiezen met wie je wilde trouwen. Jonkvrouwen werden door hun ouders uitgehuwelijkt. De adel leefde in grote stenen huizen of kastelen waar ze bescherming boden aan de boeren die ze in dienst hadden. Hier komt de uitdrukking ‘steenrijk’ vandaan. Wiens ouders veel landerijen en een kasteel bezaten was een geknipte bruid of bruidegom.   Al ben ik op mijn leeftijd nog steeds een jongejuffrouw, een edelman die mij in zijn kast van een villa wil binnenhalen is meer dan welkom. Ach, die meneer Kasters toch, wat moet ik met hem aanvangen? Als ik hem naar de gesloten afdeling terug stuur, gaat hij zonder twijfel weer fulmineren over de beulsknechten die hem naar het schavot gaan leiden en de vermaledijde pastoor die hem de biecht zal willen afnemen. Hoor ik daar  geen lijster zingen? Die vogels hebben het tegenwoordig hard te verduren. Net als onze oudjes, trouwens. Laat ik maar wat op dat bankje rusten alvorens ik terugkeer naar de instelling. Wat een toeval. William komt aangereden met de ziekenwagen. Hij ziet me zitten en vraagt of ik mee wil rijden. Ik stap in en vraag waar hij vandaan komt. Hij heeft net meneer Kasters naar het ziekenhuis gebracht.  Die is ten val gekomen terwijl hij door de gangen snelde en alsmaar riep dat iemand hem dringend naar de kerk moest voeren. Hij zou vandaag trouwen met de edelvrouw die hij gisteren ten huwelijk had gevraagd. Terug in de instelling trekt zij haar witte doktersjas aan en droomt weg. Er komt een ridder in harnas aangereden met een sierlijke pluim op zijn helm. Hij stapt van zijn paard en klapt het vizier van zijn helm open. Het is meneer Kasters. In zijn hand houdt hij een patisseriedoosje. William heeft zoals gevraagd  het dossier van Kasters op haar desk gelegd en klopt nu aan bij dokter Debacker. Hij krijgt geen gehoor en opent de deur. Met de ogen gesloten leunt de dokter achterover in haar bureaustoel en kust een foto van haar patiënt.

Vic de Bourg
18 0

Show me the way...

Een auto met vreemde nummerplaat reed mij langzaam voorbij en stopte.   Het rechterraam werd neergelaten en een vijftiger vroeg of ik Engels verstond. Op mijn vijftiende had ik pas één studiejaar lang Engelse les gekregen. De afkorting van Global Positioning System behoorde nog niet tot de leerstof. Het eeuwige excuus aan mijn moeder om te rechtvaardigen dat ik op TV tot laat in de nacht keek naar Britse, Amerikaanse of Australische series, was dat ik er veel Engels mee bijleerde. Dat bleek te kloppen want zowel op school als nu met deze authentieke Englishman kreeg ik complimenten voor mijn uitspraak. De man in kwestie vroeg of dit het dorp was waar zich een Engels kerkhof bevond met oorlogsslachtoffers. In mijn mooiste Queen’ s English, of was het Oxford English, legde ik hem uit dat er in het dorp niet enkel een Engels maar ook een Duits kerkhof was en dat er op die begraafplaats zich ook graven bevonden waarop tekens stonden die aangaven dat de gesneuvelden Joden, Moslims of zelfs Hindoes waren. Na mijn begeesterde uitleg en de bewonderende blikken van de medepassagiers, herhaalde de chauffeur nog even hoe hij moest rijden. Tot slot zwaaide ik met mijn rechterarm naar rechts en herhaalde op mijn beurt dat hij aan het volgend kruispunt  dus eerst links moest afslaan.  Hij bedankte me terwijl alle inzittenden naar mij knikten maar keek toch wat bedenkelijk toen hij zijn raampje sloot. Nog even een wuivend handje aan het achterraampje dat mij aan dat van de Queen in haar gouden koets deed denken en de wagen met de exotische nummerplaat en de grote GB sticker op de kofferruimte vervolgde zijn weg. Terwijl ik rond keek of men in het dorp wel goed gezien had hoe ik deze vreemdelingen perfect te woord had gestaan, besefte ik plots mijn blunder. Ik keek naar mijn rechterhand en hoorde mezelf zeggen: ‘Yes, you turn to the left.’  Dan bedacht ik dat het ook wel een beetje de schuld van de Engelsen was.  Waarom zat het stuur in hun wagens ook aan de foute kant, ook al is het de ‘right side’.

Vic de Bourg
10 0

Boronali

De bank in het park stond vol met  potjes verf en schildergerei.  De eigenaar van de spullen, in wie ik een schilder vermoedde, was nergens te bespeuren. Zodra ik over mijn verwondering heen was, zag ik een eind verder een man op me toekomen. Hij droeg een schildersezel en naast hem liep ook een ezel aan een touw.  Een breed omrande hoed sierde zijn hoofd. Bij de bank gekomen maakte hij het touw met ezel aan de leuning vast.  Het dier toonde totaal geen interesse voor wat er met hem gebeurde. Het personage met hoed, die ik de rol van schilder had toebedeeld, trachtte hem om te draaien, maar zoals het een ezel betaamt bleef die koppig staan. Dan nam de man maar de andere ezel, de schildersezel beet en plaatse hem  naast de bank op het gazon. Het was een lage ezel. Op deze ezel plaatste hij een doek dat  bij nader toezien reeds met  felle kleuren was beschilderd. Uit een tas die al op de bank stond haalde hij een wortel.  Daarmee slaagde hij er vooralsnog in om het dier te keren zodat het met zijn achterste naar het doek gericht stond. De hele tijd sloeg ik het gebeuren gade maar werd totaal genegeerd, tot de man mij plots aankeek, naar mij toestapte en vroeg of ik een telefoon had en of hij die even mocht gebruiken. Ik overhandigde hem mijn nieuwe Huawei smartphone.  De man verwijderde zich en stond even later hevig gesticulerend met iemand te bellen. Dan werd mijn aandacht gevestigd op een grote groep vrouwen en mannen die ondertussen het park binnenkwamen.  Aan het materiaal dat ze bij zich hadden merkte ik dat het een cameraploeg was. Ze stelde zich op voor de bank met de ezel, die verder zijn wortel verorberde. Er kwam een troep actrices en acteurs toe, gekleed in kleren van omstreeks 1900. Een jonge dame die waarschijnlijk dacht dat ik bij de crew hoorde kwam naast mij staan.  Zij had een klembord in de hand en vroeg of ik het even wou vasthouden terwijl ze instructies gaf aan een aantal acteurs. Op de papieren die op het bord zaten geklemd las ik : Documentaire over Boronali, de beroemde schilder die een ezel was. Tot mijn grote verbazing zag ik hoe aan de staart van de ezel een schilderskwast werd bevestigd. Mijn middagpauze zat erop, dus gaf ik snel het klembord terug aan de dame, die de wenkbrauwen fronste toen ze me uit het park zag lopen. Weer op het werk zocht ik op het internet meteen de naam Boronali op en vond er het ongelooflijke, spannende en hilarische verhaal  van het kunstwerk dat zogenaamd door een ezel  met zijn staart werd geschilderd. De Fransman die het  in 1910 allemaal verzon heette Roland Dorgelès en wou op die manier de spot drijven met het artistieke milieu en zijn kleinzielige snobs en criticasters.   Pas uren later ontdekte ik dat ik mijn telefoon miste.  

Vic de Bourg
16 1

Aliens Alliance

Op de kerktoren wijst het verlichte uurwerk vijf over acht aan.  Klokslag acht is hij begonnen aan zijn dagelijkse avondwandeling met zijn Golden Retriever. Vreemd, dat het kerkplein leeg is op dit uur. Er hangt iets onheilspellend in de lucht, alsof er elk moment iets te gebeuren staat. Dan merkt hij het vliegend gevaarte dat achter de kerktoren vandaan komt alsof het er zich al die tijd had verscholen. Hij ziet ook de lege lijnbus die voor de kerk geparkeerd staat. De hond gromt vervaarlijk. Het plein baadt plots in een oogverblindend licht. Hij moet de ogen sluiten. Als hij de ogen terug opent, ziet hij de totaal uitgebrande bus aan de bushalte.  Het ding dat hij als een ruimtetuig bestempelt verdwijnt zo snel het gekomen is in het wolkendek. Later leest hij in zijn favoriete krant: Was het de kleur of het nummer van de lijnbus?  Men had er het raden naar wat deze creaturen bezielde toen ze het stilstaande voertuig aan de halte eerst met een alles verschroeiende vuurstraal bestookten om het meteen daarna met ijskoud sneeuwschuim  te blussen. Gelukkig zat niemand op de bus en de bestuurder, die net terugkeerde van een plaspauze was de enige getuige. Het idee werd als ongeloofwaardig afgevoerd dat dit een reclamestunt betrof van een lokaal wellnesscenter. Hun poster  op het wachthuisje had het over:  ‘Eerst heerlijk warm in de sauna, dan lekker rillen in de ijskamer.’ De bekende roddelkrant  had een fortuin betaald voor het exclusieve verhaal van de buschauffeur. Veel later had hij vernomen dat de (on)fortuinlijke man ontslag had genomen en nooit nog met een bus had gereden. Hij had nochtans  ook op het plein gestaan maar had zijn ogen hard dicht geknepen bij de lichtflits. Wie zal dit ooit geloven?  

Vic de Bourg
8 0

De heimat onzer jeugd...

                                                                              tekening © giart productions Het gaat (te) vlug. Telkens er een jaartje bij komt beseft men hoe het steeds sneller gaat. Van oude mensen zegt men wel eens dat ze weer kinds worden. Ondertussen weten we dat een kort geheugen afbrokkelt en het tollen in het hoofd steeds dieper zoekt naar herinneringen van weleer. De geheugens op een computer en wat erin wordt opgeslagen of gewist, kunnen met een druk op de knop gecontroleerd worden. Over hoeveel gigabytes het ook gaat, men kan de intelligentie op een artificiële gegevensdrager  amper vergelijken met de ongebreidelde hoeveelheid aan indrukken, gevoelens, herinneringen en kennis die wij onder de eigen hersenpan opslaan.   Alleen ontbreekt een knop om er enige controle op uit te oefenen en stopt het heen en weer slingeren in gedachten nooit. Of wij nu slapen of dagdromen, de molen maalt steeds door. Zo loop je  toevallig onder een eeuwenoude boom in een bos en zie je de wortels die aan de voet van zijn stam boven de grond uitsteken. Plots worden die wortels weer trappen en sta je met jouw schoolkameraden weer onder een soortgelijke boom op de speelplaats. Met zessen staan jullie paraat om de burcht te bestormen.  De boom is de imaginaire toren die moet beklommen worden.  Elke wortel is een trede.  Het beklimmen begint. De voorste krijger staat klaar met ingebeelde helm en zwaard en zet de eerste stap.  Voorwaarts! Behoedzaam volgen, één voor één zijn vijf kompanen.  Het zestal stapt in wijzerzin rond en mist geen enkele wortel.  Langzaam wordt de snelheid opgedreven en alras rennen jullie om de dikke boom. Dan stopt de aanvoerder bruusk en botsen jullie  tegen elkaar aan.  Er is tegenstand opgedoken en jullie moeten terug. Keren is moeilijk op de smalle trap.  De laatste moet in tegenovergestelde richting terug stappen, de overige vijf volgen tot de aanvoerder roept dat jullie aan de winnende hand zijn en weer in wijzerzin omhoog kunnen. De inname van de toren duurt nooit langer dan een speeltijd en keer op keer zal de vijand verslagen worden en zal de één of andere burchtvrouw gered worden, waarbij ieder aan zijn eigen liefje denkt. Je weet ondertussen al lang niet meer wie de vijf kompanen waren en je kan ze dus, alle facebooks, instagrams  of emails ten spijt,  niet vragen of de boom ook bij hen op de harde schijf een onvergetelijk, onuitwisbaar plaatsje heeft ingenomen.

Vic de Bourg
13 1

Absurdisme

(nvda:The Record Yale” was een publicatie uitgegeven door de studenten van de Yale University en bekend voor zijn absurdistische stijl)  Hij ging binnen maar zei niets.  Waarom zou hij? Het duivenhok was niet meer zoals vroeger toen er nog meesjes in de perelaar huisden.  De appels daarentegen die werden ieder jaar dikker.  Dat kwam omdat hij ze individueel verpakte in zakjes die je daarvoor online kon kopen. Dat is al maar meer in de mode dat online kopen en ook mode kan men online kopen. Wegversperringen vindt men tegenwoordig in de commercie, dat heet dan sperperiode.  Dat heeft alweer met mode te maken, maar dan eerder mode voor jan modaal. Modaliteiten worden meestal door instanties  bepaald. “Modaliteit drukt de verhouding uit tussen de beschrijving en de werkelijkheid, bijvoorbeeld het oordeel van de spreker ten opzichte van de waarschijnlijkheid.”  Dat is pas een surrealistische beschrijving door  Van Dale, omdat ….. En toen wist hij plots niet meer waarom? Hij herinnerde zich ook niet meer het onderwerp dat hij voor ogen had, noch het ogenblik waarop hij deze woorden neerschreef: ‘Ceci ne sont pas mes mots.’ ‘Une pipe?’  Simenon hield niet van kromme pijpen, hij wou ze recht. In zijn taalles vroeg hij de blonde Deense:   “Wat is het tegengestelde woord of negatie voor iedereen?”  Zij antwoordde: “Niedereen.”  Hij vond het beter dan niemand en bedacht dat hij ooit een woordenboek moest samenstellen met de verzinsels van zijn cursisten. Inmiddels zag hij rood van opwinding.  Dat kwam door die mooie zonsondergang.  Avondrood betekent dat het de volgende dag mooi weer wordt.  Alweer opwinding, door die aangekondigde hitte voor morgen. Zo heet als mosterd scherp kan zijn. Waar kan men deze dagen kleine potjes mosterd kopen?  Een tube? Neen, kan verward worden met tandpasta en zijn tanden zien al zo geel. Van het roken ? Neen, van teveel chocolade. Toen hij vroeger in de chocoladefabriek werkte kwamen soms stukken naast de lopende band terecht.  Al wat op de grond viel werd opgehaald door de lui van de zeepfabriek. Daar werd de chocolade door de zeep gedraaid wat resulteerde in mooie gemarmerde blokken.  Hij mocht er niet aan denken dat het omgekeerde zou gebeuren, gemarmerde zeepbellen na het eten van een reepje! Bij het morgenkrieken eet hij gehaktbrood.  Bij het gehaktbrood eet hij morgen krieken. Bij het krieken van de morgen hakte hij het brood. Hollanders kennen het woord kriek niet. Nederlanders  wel , maar zij mogen niet verward worden met Hollanders. Nederlanders wonen  dichter bij de Belgische grens, lekker warm en sympathiek. Zij trekken met volle bussen naar Belgenland en drinken sloten van het rode zurige zoete bier waarop de Kriek in al haar glorie prijkt. Neen,  surrealisten zijn het niet, de N(ol)L(and)-ers, daarvoor zijn ze iets te stijveharkelijk.  Nochtans hebben Hollandse kanaries, vooral de donkeroranje, ook twee pootjes….twee gelijke pootjes…. vooral het linkse.   Hij stopt met schrijven, zijn verhaal  wordt  te realistisch.  

Vic de Bourg
11 1

Fien (esse)

Wim Sonneveld zong over zijn lellebel Josefien. Of ze ook allemaal Josefien heetten, of misschien  Rudolfien of Adolfien heb ik nooit geweten, maar in ons dorp van weleer waren er enkele ‘Fienen’ die in de ogen van de dorpsbewoners elkaar de loef afstaken om het meest op te vallen. ‘Zotte Fien’ herinner ik mij nog levendig.  Ik was waarschijnlijk niet ouder dan zes jaar want zat op de kermis nog op de paardenmolen. Een bezigheid die men vanaf een bepaalde leeftijd staakte, want het dorp keek mee en je wilde niet voor ‘broekje’ aanzien worden. Of het haar eigen kinderen waren of neefjes of nichtjes weet ik niet, maar eentje zat naast mij in een brandweerwagen.  Zotte Fien stond met haar wilde zwarte haren langs de kant te turen.  Haar opengesperde ogen draaiden haast sneller dan de molen.  Zij had net een felgekleurd rood zuurtje gegeten of een gesuikerde rode appel op een stokje.  Telkens haar familielid voorbij kwam stak ze haar lange bloedrode tong uit.  Ik dacht dat ze het op mij gemunt had,  hield de teugels van mijn paard strak en vergat naar de ‘floche’ te grijpen. ‘Zwarte Fien’ was er eentje die je nooit in het dorp zag.  Om haar te zien moest je langs het huis van Mieke en Marcel.  Mieke had een zus waarvan wij dachten dat ze zich bijna nooit waste omdat iedereen haar zwarte Fien noemde.  Dat klopte niet met de waarheid want het ‘zwart’ had te maken met de (ontbrekende) kleur van haar lange kousen die ze droeg en tot haar knieën optrok.  Ze droeg blijkbaar nooit schoenen en stond  uren op kousenvoeten in het deurgat. Een derde beruchte Fien was de eega van Pol Klos, een koopman in oud ijzer.  Die bijnaam kreeg hij door het feit dat hij dag in dag uit dingen in elkaar kloste, wat er in het lokaal dialect op neerkwam dat hij een knoeier was.  Zijn Fien had ook een bijnaam.  Omdat ze eerder zwaarlijvig was, noemde men haar ‘Fien spek’. Maar het spek had ook te maken met de kracht die ze bezat om zware metalen voorwerpen op de kar te tillen, waar ze het dorp mee rondtrok.   Van haar is geweten dat ze ooit op het middaguur bij een hoeve aankwam waar men net aan het middagmaal zat. Op vraag van de boerin of ze ook een ‘sjat soep’ wou ging Fien gretig in. Toen ze even later zag dat er biefstuk op het menu stond, zei ze zonder schroom dat ze daar ook wel een stukje van lustte. Onlangs stuurde een familielid mij het doodsprentje met een opvallend mooie foto van Fien spek,  haast onherkenbaar en één en al finesse.

Vic de Bourg
17 0

Bom Dia

In Portugal, Italië of Spanje stap ik onder een stralende zon in het vliegtuig en in ons land stap ik er onder de ‘drache nationale’  weer uit. Het waren de woorden van een bevriend zakenman die er aan toevoegde dat het tijd werd  om een beslissing te nemen.  Met wat de fiscus hem hier afhandig maakte kon hij in Portugal een riante villa kopen. Een tijdje later voegde hij de daad bij het woord. Om ter plaatse naar een geschikt onderkomen op zoek te gaan, huurde hij in de winterperiode een vakantieverblijf. Het optrekje was een enorme villa met een zevental kamers en badkamers en een zwembad.  Inbegrepen in de huurprijs  was ook een bediende die er dagelijks kookte en de was en de plas deed. Wij kregen al snel een aanbod dat wij niet konden weigeren om met  onze twee dochters enkele weken het gure decemberweer in ons landje te ontvluchten. Ter plekke begeleidden wij onze vrienden soms bij hun zoektocht naar een geschikte woonst.  Het was de periode dat vele Engelse grootgrondbezitters en eigenaars de biezen namen na de politieke omwenteling in het land.  Gewiekste advocaten, een soort surrogaat-notarissen, verkochten er eigendommen  tegen tien keer de prijs die je zou betalen als je rechtstreeks van de eigenaar kocht. Maar er was dus die Portugese ‘ajuda doméstica’, die naast het opdekken van de bedden en het schrobben van de badkamers en vloeren , ons ook dagelijks deed genieten van haar kookkunst. Erg verfijnd was die niet, want ze had voor een langere periode een soort tomatensaus bereid, die elke dag opnieuw werd geserveerd.  Maar er  was ook dagelijks verse vis.  Overheerlijk, het leek wel of die rechtstreeks vanuit de zee in haar keuken was aangespoeld. Als deze lieve ‘faxineira’  toekwam  en wij aan de ontbijttafel zaten klonk er steeds een luide begroeting: ‘Bom dia’. Af en toe hoorden wij hoe ze tijdens het werk liedjes zong.  Ze legde uit wat ‘saudades’ betekent , het Portugese begrip  voor heimwee of zielesmart, die zo prachtig vertolkt wordt in de fado, de nationale zangkunst of  het levenslied. Wanneer wij al een tijdje terug  waren in het druilige vaderland vroeg onze jongste dochter: ‘Hoe zou het nog met Bomdia zijn?’  Dan bleek  dat ze dacht dat het de naam was van de Portugese mevrouw die de kook en plas deed. Nadien hadden we  zelf een aantal werksters en huishoudhulpen van Braziliaanse afkomst die wij tot hun groot jolijt, steevast Bomdia noemden.   Een van hen zong ook regelmatig tijdens het werk maar het voorstel om een cd met fado’s op te leggen  wimpelde ze af. “ Veel te triestig”, zei ze: “deze Bomdia zingt liever de Samba!”   

Vic de Bourg
9 1

Bleekwater

De hoogste gezagdrager van de grootste wereldmacht kan nog wat leren van schoonmaakster Conchita. Na een jobwissel werd mijn nieuwe kantoor een  kamer in een oud herenhuis met uitzicht op een stadstuintje.  De vorige kettingrokende gebruiker van de ruimte was naar een hogere etage verhuisd maar de nicotineaanslag op de witte muren was gebleven. De Spaanse schoonmaakster die gemerkt had dat ik een niet-roker was vond het zonde dat ik tussen vier vergeelde muren moest werken en beloofde mij dat ze elke week een gedeelte onder handen zou nemen. Zij sprak een goddelijk mengelmoestaaltje van Spaans, Frans, Nederlands en Engels. Toen ik haar vroeg of zij dat klusje ging ‘klaren’ met bleekwater antwoordde zij verschrikt: “No, no blanqueador, pas de Javel, niet goed por los manos et ne sens pas bon. Javel no good!” Zelf vond ik dat het aan het Frans ontleende eau de Javel, genoemd naar Javelle, een vroeger dorp bij Parijs waar het gemaakt werd, best aangenaam rook maar ‘soit’. Conchita verkoos het gebruik van ammoniak.  Het was haar lievelingsproduct met name voor het reinigen van witte muren, maar als er één geur was waar ik allergisch voor was: jawel, niet javel maar ammoniak! Na een uitgekiende planning zou Conchita haar ‘trabajo transformacional’ aanvatten op de dag dat ik voor een opdracht buitenshuis was.  De volgende morgen stond ik vol bewondering in de halfwitte, halfgele kamer. Conchita stond fier naast mij en sprak de wijze woorden: “Maravillosa, non? Ammoniak c’est magnifique!” Met mijn breedste glimlach knikte ik overtuigd, maar hield het er geen tien minuten uit en vluchtte naar een andere ruimte.  Niettegenstaande mijn vlucht bleef Conchita enthousiast verder werken. Na twee volle  openramendagen kon ik zonder mondmasker weer aan de slag in mijn inmiddels hagelwitte kantoor. Dan volgde een opendeurdag voor de collega’s die met open monden het resultaat bewonderden van de Spaanse tornado. Mocht Conchita nog van deze wereld zijn, zij zou Trump van antwoord gediend hebben in de zin van: “No, señor Presidente, Javel is no good!”

Vic de Bourg
9 1

Geen liefde brengt geluk

Niets is verworven door de mens  Noch  kracht Noch zwakte noch zijn hart Komt hij je met open armen tegemoet Dan toont zijn schaduw slechts een teken van tegenspoed Geluk houdt hij zo stevig beet dat het verbrijzelt en zo doet Hij zijn  leven verzinken in pijn en onmacht                 Geen liefde brengt geluk   Zijn leven Het lijkt op deze strijders zonder zwaard noch vanen Die voor een ander  doel werden gekleed Hun ontwaken dat er niet toe deed En de onzekere leegte die aan hen vreet Spreek en zeg Mijn Leven En smoor dan maar je tranen                 Geen liefde brengt geluk   Mijn mooie allerliefste liefde die mijn hart doorprikte Jij nestelt je in mij als de gekwetste specht   En zij die ons nastaren, onwetend maar  terecht Herhalen steeds de woorden die ik draaide als een vlecht En voor jouw opengesperde ogen terstond verstikten Geen liefde brengt geluk   Het leven leren leven, daarvoor  is het te laat Hoe treuren in het duister onze vereende  harten Wat kost slechts een deuntje aan smarten Hoeveel spijt moet een rilling betrachten Voor een vleugje muziek staat op snikken geen maat Geen liefde brengt geluk   Geen liefde behoedt je van de pijn Geen liefde zonder stoot of slag Geen liefde die geen  wond vermag En niet meer dan liefde voor land en vlag Kan liefde zonder tranen zijn Geen liefde brengt geluk Maar de onze kan niet stuk      Vrije bewerking  van het gedicht ‘Il n’y a pas d’amour heureux’ van Louis Aragon.    

Vic de Bourg
5 0

Paradise lost – kroniek van een draaidag

In 1978 wedijverden twee televisieprogramma’s op de Belgische zenders om de gunst van filmliefhebbers. Langs Franstalige kant was er ‘Le Caroussel aux Images’ gepresenteerd door Selim Sasson en langs Nederlandstalige kant presenteerde Jo Röpke zijn ‘Première’. De Vlaamse regisseurs en hun films beleefden hun hoogdagen en de Nederlandse Willeke Van Ammelrooy was hun geliefde actrice. Vreemd genoeg was het Selim Sasson die in zijn uitzending een oproep deed voor figuranten in een Vlaamse film. De geroemde en soms verguisde cineast Harry Kümel  draaide zijn ‘Het verloren Paradijs’ ergens in een zompige weide bij een kasteel in hartje Pajottenland.  Hij zocht een allegaartje die als dorpsbewoners in opstand kwamen tegen de kasteelheer. De prestatie noch de verplaatsing werden vergoed. Voor de buitenopnamen werd gekozen om te draaien rond eind oktober.  Ik vermoed dat het licht en de herfstkleuren dan ideaal  waren. Toen ik vernam dat de hoofdrol aan bovengenoemd Willeke zou te beurt vallen, twijfelde ik geen ogenblik. Haar wou ik wel eens in levende lijve aan het werk zien. Ik volgde de aanbevelingen van Selim, stopte mijn jeans in mijn rubberen laarzen, trok boven een warme trui mijn versleten korte regenjas aan en nam een roestige spade uit het tuinhuisje. Op de set werd al snel duidelijk dat het gelukt was om een allegaartje op te trommelen.  Het werd een ware volkstoeloop. Gelukkig hadden de meeste begrepen dat ze inwoners van een boerendorp moesten spelen. Bij de welkomkoffie werd uitgelegd wat er van de figuranten verwacht werd. Naargelang het al of niet goede verloop van de opnames werd er rond het middaguur een pauze voorzien met drank en broodjes.  Door het vroege invallen van de avond werd voorzien om rond zeventien uur te stoppen. Iedereen was onder de indruk bij het zien van de gebruikte filmapparatuur.  Naast de enorme lichtspots  was er een heuse travelling met een enorme mobiele camera opgesteld onderaan de heuvel die naar het kasteel leidde.  Daar werden de opnames gemaakt voor de bestorming van het kasteel door de boerenmeute. Wij dachten aan Frank Aendenboom in ‘De Leeuw van Vlaanderen’ als we de heuvel opliepen, gewapend met rieken, spades en knuppels. Tijdens de middagpauze zagen wij Frank’s moeder, de gevierde actrice Gella Allaert, die een rol had in de film. Toen we haar vroegen naar Van Ammelrooy,  zei ze op haar uiterst beminnelijke manier dat Willeke nu geen draaidagen had en dat wij het dus met haar moesten stellen. Dan merkten wij dat de oproep van Selim Sasson ook tot hartje Wallonië was doorgedrongen. Uit het verre Charleroi waren met de trein een moeder met haar twintigjarige en wat sullige zoon afgezakt.  Mama droeg een feloranje broekpak met brede pijpen en hoge hakken. Voor zoonlief had ze een broodzak vol met sandwiches meegebracht. Die kon ze sparen voor de terugreis, nu  de filmproducer voor de hele bende belegde broodjes had laten aanrukken. Om de haverklap stiftte ze haar lippen. Met broekspijpen die al snel onder het slijk zaten en haar hakken die in de modder bleven steken liep ze achter haar zoon aan en duwde hem telkens in beeld van zodra er een camera in de buurt was. Ze moest en zou hem als filmacteur lanceren! Naast een aantal Pajottenlanders uit de buurt die voor hun ‘typische koppen’ werden uitgekozen mochten enkele figuranten die vrij waren de volgende dag weerkeren voor een reeks binnenopnames.  Daarbij bestond de mogelijkheid dat er een kleine onkostenvergoeding zou betaald worden.  Met de hoofdrolspeelster in mijn achterhoofd gaf ik mijn naam op. Tijdens de tweede draaidag werd in het kasteel gefilmd. Bovenaan een draaitrap snauwde Kümel de boeren en boerinnen toe dat ze grimmig en dreigend moesten kijken als ze naar boven stormden.  De scene moest verschillende keren herhaald worden. Bij de derde take riep de cineast een knap meisje toe dat ze weg moest.  Tot driemaal toe had ze met een brede glimlach in de lens gekeken en daardoor de boel verknoeid. In tranen verliet ze de set, haar prille filmcarrière gefnuikt. Uiteindelijk kwam alles goed en keerden de trotse figuranten huiswaarts. Nu begon het lange wachten tot de film zou worden gereleaset. Toen ik het haast vergeten was kwam  er een postcheque toe  voor het niet onaardige bedrag van 500 Belgische Franken .  Nu is dat amper 12,50 € maar destijds kon men er een aantal filmtickets mee kopen. Ik weet zeker dat ik het talon van mijn postcheque met de titel van de film op zolder bewaard heb.  Tenslotte is het  een ultiem bewijs dat ik ooit met Willeke samen in een film gespeeld heb.  

Vic de Bourg
31 0

(N)iemand (500 woorden verhaal)

Ik schrik op en vraag of er iemand aan de deur heeft gebeld?   Niemand antwoordt.    Het kan ook niet want er is niemand.  Niemand meer om te zeggen of er iemand gebeld heeft.   Zal ik dan zelf maar gaan kijken?  Ik moet wel, want er is niemand anders. Ik kom recht uit mijn zetel en besef dat het geen zin heeft naar de deur te gaan.  Er zal niemand zijn, net zoals hier niemand is.  Ik heb het mij vast ingebeeld.   Van zodra ik mij terug neerzet, hoor ik weer dat geklingel.  Is het wel de deurbel?  Het is net of er iemand in mijn hoofd zit met een klok in de hand.   Vroeger klonk die deurbel toch anders? In feite weet ik het niet meer zo goed. Ik moet op zijn Vlaams tot mijn scha en schande bekennen dat ik niet zo op het geluid van dat ding gelet heb in de tijd dat er nog iemand was die ging opendoen als er iemand aanbelde.   Er zit nu niets anders op dan weer recht te staan en mij naar de deur te begeven.  Die is trouwens niet zo ver verwijderd van de plek waar mijn zetel staat.  Ik sta zo in de smalle gang die naar de voordeur leidt en waar ook de steile trap naar de bovenverdieping zich bevindt.    Ik weet niet meer waarom ik vroeger nooit de deur opende als er iemand aanbelde.  Ik zou er altijd als eerste kunnen geweest  zijn.  Als er iemand naar de deur liep kwam die vaak van de trap naar beneden gedonderd of uit de achterkeuken aangesneld.   Maar nooit heb ik beseft dat die bel zo een leven maakte.  Wie zou er trouwens aan die klok hangen?  De postbode vast niet.  Als die al iets voor mij heeft stopt hij het wel in de brievenbus.  Die bus is meer dan honderd meter van het huis verwijderd.    De klep van de brievenbus is in het muurtje ingebouwd waaraan het tuinhek is bevestigd.  Het tuinhek staat altijd open.  Achteraan het muurtje is er een deurtje dat ook nooit op slot is.  Daarin zou iemand grote omslagen of zelfs kleine pakjes kunnen deponeren. Neen, de postbode komt heus niet tot aan het huis als het niet hoogdringend nodig is.   Ruime tijd geleden waagde hij het om rond Kerst en Nieuwjaar tot aan de voordeur te komen in de hoop een borreltje te versieren of een fooi te krijgen.  Dat heeft geduurd tot hij de krenterigheid door had van de bewoners van deze plek.   De voordeur klemt een beetje.  Wanneer  ik ze openruk,  merk ik dat het gesneeuwd heeft.  In deze tijd van het jaar? Dan zie ik de voetstappen in de sneeuw.  In de verte stapt iemand naar het tuinhek. Het is iemand in een rood pak met een rode muts met witte boord.  Hij heeft een zware koebel in de hand. Voor het hek staat een slee met twee rendieren.   Hoezo?  Is het dan al Kerstmis? Is er (n)iemand die dit weet?  

Vic de Bourg
4 1

The American (dream) nightmare

A retractable ballpoint pen assemblage (Schneider K15) Inventor: John Loud Inception 1888   Het is 45 jaar geleden maar het kon gisteren gebeurd zijn. Amerikaanse gepensioneerden contacteren Global Travel.  De naam spreekt voor zich. Ze boeken er hun ‘trip around the world’. Slechts enkele generaties voordien volgden de voorouders van deze oudjes  hun American Dream.  Daarbij vergaten ze in hun bagage ook wat cultuur mee te nemen uit het Oude Continent.  Nu hun nazaten er eindelijk het geld ervoor bij elkaar hebben geschraapt,  keren deze terug naar hun ‘roots’.  Omdat ik er zelf voor werk,  weet ik dat het merendeel  zal overnachten in een hotel van  een internationale Amerikaanse keten.  Onder het devies ‘home away from home’ eisen deze globetrotters  het comfort dat ze thuis zogenaamd gewend zijn. Zo moeten hotels beschikken over een indoor swimming pool,  terwijl slechts  2% een voet in het water zet. In de meeste steden die worden aangedaan wordt ook amper een voet aan land gezet en beperkt het verblijf zich tot het transitgedeelte van een internationale luchthaven.  Verkooplieden in de internationale hotel business kunnen niet omheen zulke grote touroperators.  Die boeken namelijk globaal tientallen duizenden overnachtingen en vullen zo in één klap vele hotelkamers.  In de hotelwereld bestaat de ongeschreven wet dat er niets erger is dan een leegstaande kamer.  Bij het bedingen van de kamerprijs wordt gebruikelijk ook een ontbijt en zelfs een extra maaltijd aangeboden. Vandaar dat de Amerikaanse toerist tijdens zijn wereldreis haast overal een ontbijtbuffet en koude kip krijgt voorgeschoteld.  Ik heb een sterk vermoeden dat de ontbijtbuffetten die inmiddels overal zijn ingeburgerd daar hun herkomst vonden. Zeer vroeg in de morgen ben ik net op de eerste vlucht van Brussel naar Frankfurt gestapt als er een groep van de bovengenoemde toeristen aan boord komt. Een grijsgekrulde oude dame, overladen met zakjes en pakjes,  maakt aanstalten om zich naast mij neer te vlijen. Om niet onder de pakjes bedolven te worden veer ik recht en stel  de dame voor haar een handje toe te steken.  Ik krijg een ‘big smile’ en een “Oh,  you’re such a gentleman,” in een Amerikaans met een onmiskenbaar Texaanse tongval.  De cowboy, die uit dezelfde streek afkomstig is en ook president is van het bedrijf waar ik voor werk, klinkt namelijk precies hetzelfde. De desalniettemin lieftallige dame steekt meteen van wal met haar verhaal.  Haar groep is de dag voordien vertrokken en heeft reeds een tussenstop gedaan in Schiphol waar alvast een aantal souvenirs werden ingeslagen.  Nu zijn ze van Amsterdam via Brussel  op weg naar Frankfurt.  Daar nemen ze straks een vlucht naar Moskou.  Zo zullen ze in plus minus achtenveertig uren reeds een kwart van de wereld gezien hebben, bedenk ik. Ook in Brussel heeft  ze in de Freeshop al ‘famous Belgian chocolates’ gekocht.  Ze duikt meteen in haar supergrote handtas en mijn vrees is groot dat er een pralinen doos te voorschijn gaat komen. Gelukkig zijn het een pak stylo’s die samengehouden worden met een stevige elastiek.  Ze neemt er één uit het pakje en overhandigt  mij de pen met de vraag of wij dit reeds kennen in Europa? Ik kijk haar verbijsterd aan en voor ik kan antwoorden zegt ze: “This is a ballpoint and you can write with it.” Ik neem het ding aan en weet niet ik of ik moet bulderen van het lachen of hard moet beginnen wenen.  Stel je voor! Gezien haar gevorderde leeftijd besluit ik ze in haar gedacht te laten.  Tenslotte staat er in de aardrijkskundeboeken in Amerika over Nederland nog steeds dat de mensen er  ‘wooden shoes’ (klompen) dragen en het land vol staat met windmolens. Dan vraag ik haar waar ze in Amerika vandaan komt?  Ik heb namelijk gemerkt dat de balpen een opdruk heeft van een bank in Forth Worth, Texas. Ze bevestigt mij dat ze uit Forth Worth afkomstig is. Voor wie het niet kent:  dit is zowat de vierde grootste stad van Texas, gelegen vlakbij Dallas.  Even denk ik terug aan de tijd dat wij op de lagere school geen balpen mochten gebruiken.  Wij moesten namelijk met een potlood schrijven ‘om ons geschrift te vormen’.   Dan haal ik mijn meest sarcastische blik boven en met een perfect geïmiteerd Texaans accent zeg ik aan het vrouwtje: “Never heard about this place,Forth Worth.” Wat er nadien met de pen gebeurde weet ik helaas niet meer. In feite had ik ze moeten bewaren en in dit internettijdperk op zoek gaan naar lotgenoten die in de rest van de wereld een soortgelijk exemplaar ontvingen tijdens de World Tour van mijn BFF, Best Flying Friend uit Texas.

Vic de Bourg
7 0

Dure Fiets

De haat-liefde verhouding tussen Nederlanders en Vlamingen is van alle tijden.  Naast het échte bier en de bourgondische levensstijl benijden de Noorderlingen ons vooral het feit dat wij zogenaamd tweetalig zijn.  Zij gaan er van uit dat elke Vlaming een aardig potje Frans kent Niettegenstaande haar onbetwiste onkunde op taalgebied, werd een van mijn vele nichtjes reeds op vroege leeftijd verliefd op een Franstalige knapperd. Er volgde een huwelijk en er kwam een zoontje ter wereld.  Ze verhuisden naar een bekende Waalse stad. Mijn nichtje werd alsmaar beter tweetalig,  zelfs zodanig dat ze in de lokale supermarkt geregeld omroepen deed via de luidsprekers.  Lag het aan de Walen die niet al te kieskeurig waren of had ze zich via de liefde de taal van Molière eigen gemaakt? Dat gold ook voor haar zoontje.  Zij, en ‘langs haar kant’ de Bomma, Bompa en de vele tantes, nonkels, nichtjes en neefjes spraken met hem Nederlands.  Met  papa en ‘de son côté’ al evenveel familieleden en ook op school  werd Frans gesproken. Het mannetje was al vijf toen wij er eindelijk in slaagden met zijn ouders af te spreken voor een bezoek  aan hun recent gekochte woonst  net buiten de Waalse stad. Bij aankomst stond zoonlief ons ongeduldig op te wachten.  Meteen zei hij:  “Ah, ja, in het Nederlands!”.  Toen hij merkte hoezeer ik op zijn grootvader leek voegde hij er aan toe: “Ah, non, tu n’ es pas Bompa. Gij zijt zijn frère.” Dan palmde hij mijn echtgenote in aan wie hij vertelde dat hij voor zijn verjaardag een nieuwe 'vélo' had gekregen.  Hij troonde haar mee naar de plaats waar de fiets stond.  “Wat een mooie fiets”, zei ze.  Het jongetje glunderde,  sloeg met zijn hand op het zadel en zei:  “Het is duur, hoor!” Mijn echtgenote beaamde dat je wel kon zien dat het een dure fiets was.   Dan  twijfelde hij  en zei : “Neen, neen, dit is duur”, en opnieuw sloeg hij nog harder op het zadel. Gelukkig was ook zijn groottante sinds mensenheugenis tweetalig en begreep ze snel dat hij bedoelde dat het zadel van zijn nieuwe koersfiets fameus hard was. Gedurende het verder verloop van een fantastische dag samen hoorde wij de jongen om de haverklap oefenen: “Hard en Flamand, dur in het Frans, hard en Flamand, dur in het Frans,…….”

Vic de Bourg
9 0

Groen, zo diepgroen

(Ter verduidelijking voor wie er nood aan heeft:  Nieve betekent sneeuw in het Spaans – Blanc is wit , Chasseur is Jager en Aupépine is Doorn in het Frans, enz…)   Niève Leblanc de Chasseur is moe. Sinds haar huwelijk met prins Baldwin de Termonde heeft ze vier kinderen op de wereld gezet. De twee prinsessen, Liliane  en Laura hebben met vriendinnen Lesley en Lisa een meidengroep opgericht en zingen uptempo covers van Duitse schlagers.  Sinds ze er achter kwamen dat al hun voornamen  met een ‘L’  beginnen, noemen ze hun groepje ‘The four L’s’. Bij optredens prijken op hun hagelwitte T shirts vier blauwgrijze opspringende vissen met het ‘4 L’s’-logo. Hun oudere tweelingbroers zijn ernstiger: de ene studeert voor landbouwingenieur en de andere veeartsenij (studenten aan de KULeuven noemen afgestudeerden van deze richting ook ‘paardendoktoors’).  Grootvader de Termonde heeft aangekondigd dat hij er de brui aan geeft en zoon Baldwin volgt hem weldra op aan het hoofd van zijn Immobiliënmaatschappij.  Daardoor heeft Baldwin het zo druk dat hij nog amper oog heeft voor zijn familie.  De jongens zijn op kot in de universiteitsstad. De twee vrolijke meiden wonen nog thuis en Niève zit zonder personeel  sinds de kosten voor haar kroost en het onderhoud van het prinselijk domein  de pan uit swingen. Ze zorgt daarenboven voor drie dwergen, die vroeger deel uitmaakten van een groep van zeven.  De zeven werden immens populair door optredens in Tv-series na hun bijrollen in de kas krakende jeugdfilm waarin Niève de hoofdrol vertolkte. Vier zijn inmiddels overleden en de overige delen een serviceflat.  Ze bezoekt het drietal regelmatig,  alléén, want haar kinderen zijn nooit geïnteresseerd geweest in de bejaarde, bebaarde mannetjes met hun rare mutsen. In haar ravenzwarte bobkapsel  duiken her en der grijze haren op. Voor een bezoek aan de kapper is er amper geld, laat staan voor een kleurplix,  zoals haar grootmoeder zaliger zich elke week kon permitteren. Gelukkig heeft ze de naaimachine van jeugdvriendin Rose d’Aubépine voor een prik kunnen overkopen.  Daar maakt ze babykleedjes mee, die ze doorverkoopt  aan een rondreizende koopman in diepvriesproducten, die ze op zijn beurt slijt aan jonge koppels in zijn klantenbestand. Met Rose is ze bevriend gebleven en samen met Fitness-vriendinnen Dusty van As en Bonnie Reddy,  vormen ze een hecht clubje dat niettegenstaande de crisis regelmatig de bloemetjes buiten zet. Enkel via facebook heeft ze nog contact met Cinderella  von Rosenthal en Alice Wunderland. Cinderella heeft destijds ook een prins gehuwd, wiens naam ze overnam.  De von Rosenthal’s zitten er warmpjes in: een authentiek ‘Schloss’ in Oostenrijk en drie wijnkastelen in het Zuiden, die ook als luxehotels fungeren en overspoeld worden door bemiddelde toeristen. Alice Wunderland is met een beroemde goochelaar getrouwd, die de wereld afstruint met een wervelende variétéshow. Stiekem hoopt Niève soms dat ze een dochter aan één van de zonen van Cinderella kan koppelen. Die van Alice liever niet, zij behoren tenslotte niet tot de gevestigde adel.  Maar ze hoorde waaien dat de jongens liever met hun bolides rondrijden en van één weet ze dat hij niet in meisjes geïnteresseerd is, dat zie je ook op de manier waarop hij loopt. Ach, dat lang en gelukkig leven, waarvan na hun trouwpartij gewag werd gemaakt is niet geworden wat ze verwacht had.  Maar ongelukkig  is ze niet.  Niève is alleen hondsmoe . Niettemin neemt ze zich voor om er bij het begin van het nieuwe jaar weer stevig tegenaan te gaan. In de aftandse jeep van de vroegere tuinman rijdt ze die morgen naar het dorp om brood.  Waar is de tijd dat ze met Mammie in de Bentley naar de bakker reed?  Haar grootmoeder was klein van gestalte en droeg steevast een haarwrong.  Men zag haar nauwelijks zitten achter het enorme stuurwiel, net of de wagen zonder chauffeur reed. Het immense bedrag dat de luxewagen jaren later opbracht  had amper volstaan om de enorme som aan successierechten te betalen, toen ze als enig kind het familiedomein erfde. In het bakkersatelier speelt radio Nostalgie oude Eurovisiesongfestivalnummers.  Isabelle Aubret zingt ‘Un premier amour….ne s’oublie jamais…….’. Niève betaalt de bakker en krijgt plots een raar gevoel, alsof twee priemen haar doorboren. In de spiegel achter de toog merkt ze dat een grote blonde kerel pal achter haar staat. “Dag mevrouw de Termonde.” Ze draait zich. “Of mag ik Niève, zeggen?”, vraagt de blonde God.  Ze kijkt in twee groene ogen.  Groen is wereldwijd de zeldzaamste kleur die ogen kunnen aannemen.  Ze beseft wie bij dit paar ogen hoort en stamelt “Conrad?” Dan weet ze met zichzelf geen blijf meer, rent de winkel uit en stapt in de jeep. Ze zit als versteend achter het stuur.  Het rechterportier zwaait open en zij hoort de diepwarme stem. “Heb ik u doen schrikken, mevrouw?  Sorry, dat ik mij zo onbehouwen gedroeg.  Maar u herkende mij toch meteen, niet ?” Ze knikt. “Je mag me tutoyeren, Conrad”, zegt ze. Haar stem trilt. “Waar was je al die tijd?”  Conrad vraagt “Mag ik?, en zet zich naast haar. “Dat dit ding het nog doet”, zegt hij en klopt op het dashboard van het voertuig.“Hij werd altijd prima onderhouden door je vader,”zegt Niève weifelend: “maar waar kom je zo plots vandaan?”“Om precies te zijn kom ik nu net uit Puerto Limón in Costa Rica. Ik ben dek officier ter lange omvaart”, zegt hij trots. “Wat is in godsnaam een dek officier?”, vraagt Niève.“Ik ken enkel dekhengsten van toen wij nog paarden hadden op het landgoed.” Ze voelt dat ze rood kleurt bij het gebruik van deze woordenschat. Hij merkt het, negeert het en lijkt haar te willen geruststellen met zijn antwoord.“Als dek officier, Niève, moet je een koopvaardijschip kunnen manoeuvreren, rekening houdend met stromingen, wind en stabiliteit. Je moet alles kennen over laden, stockeren en het behandelen van de lading. Vroeger was dit een taak van de stuurman.  Je moet een zeereis kunnen plannen en in alle wateren je positie weten te bepalen met je kennis van kustnavigatie en van astronomie.” Niève zucht dromerig: “De stand van de sterren, daar wist jij alles van, Conrad. Hoe dikwijls lagen we er ‘s nachts niet naar te kijken op de heuvel naast het kasteel?”Ziet zij het goed?  Ja, de haar zo vertrouwde  groene kijkers zijn vochtig.  Zacht neemt hij haar bleke pols in zijn getaande zeemanshand. Hij brengt haar hand naar zijn mond, kust ze teder en fluistert  “Vayo con Dios, mi princesa.” Dan springt hij uit de wagen en verdwijnt. Even blijft ze beduusd achter. Dan glimlacht ze, start de jeep en rijdt gezwind neuriënd huiswaarts.  Haar vermoeidheid is verdwenen. Ze kan opnieuw de hele wereld aan.   Voetnoot: alle verwijzingen naar sprookjesfiguren als Sneeuwwitje, de zeven dwergen, Doornroosje, Assepoester, Roodkapje, Cinderella, Alice in Wonderland, enz…zijn pure verzinsels.      

Vic de Bourg
15 1

Berichten uit het roddelstraatje

Het is geen herenhuis maar heeft wel iets statigs. Van de vroegere bewoners blijft enkel nog de bejaarde moeder over. Soms komen kinderen en kleinkinderen op bezoek. Sommigen komen niet meer, een oude familievete. Rosalia is al geruime tijd weduwe. Ze houdt zich kranig.  Met haar ranke verschijning en net iets te grote neus doet zij aan tante Sidonia denken.  Ze komt geregeld grappig uit de hoek. Voor een alleenstaande oude dame is zij opmerkelijk bij de pinken.  Zij heeft een uitgebreide garderobe met niet alledaagse jurken, ensembles en bijpassende accessoires. Haar taal is verzorgd maar doorspekt van de grappigste dialectwoorden.  Ze is van de streek, dochter van de witloofboer van de grote hoeve in een naburig dorp. Haar man zaliger was directeur op de regionale zetel van een Bank met sterke Vlaamse verankering.  Daarom wappert  op 11 juli nog lang na zijn dood steevast de Vlaamse Leeuwenvlag aan de gevel van het huis. Dit is een doorn in het oog van de schuins overbuur, een Franstalige Gentenaar die tien dagen later de Belgische driekleur uit het raam hangt. Wij zijn haar nieuwe overburen en schoorvoetend groeit het contact met de streng ogende maar bij nadere kennismaking lieftallige dame. Om het ijs te breken hebben wij het over haar verzorgd voorkomen. “Waar ik die mooie kleren vandaan heb?”, vraagt ze: “mijn man reisde veel voor zijn werk en kwam ook regelmatig in de chique Avenue Louise in Brussel.  Hij kende precies mijn maten en bracht dan de laatste modespullen voor mij mee.  Zelf heb ik bijna nooit kledij moeten kopen en al wat hij meebracht paste als gegoten.” Ze kent hier veel bewoners maar houdt de meeste op afstand. “Het is hier een roddelstraatje”,  weet ze te vertellen: “dat zullen jullie snel merken.  Let maar op.” Op een dag wordt eindelijk de verloederde straat vernieuwd.  De werken duren zes maand langer dan oorspronkelijk voorzien.  De zoon van Rosalia werkt op de gemeente.  Zo weet  ze aan wie de opdracht voor de werken werd toevertrouwd.  “Dat is geen aannemer”, lacht ze smalend: “dat is een pattattenboer.”  Later gaat de voormalige aardappelkweker failliet en moet een andere aannemer zijn knoeiwerk voltooien . Meestal steken wij de straat over als wij met haar een praatje slaan.  Wij dringen aan om naar de druivelaar in onze achtertuin te komen kijken en eindelijk stemt ze toe.  Op een lokaal marktje hebben wij op een standje met streekproducten voor het eerst witloofjenever gevonden.  “Rosalia, mag ik je een borreltje aanbieden van iets dat je nog nooit hebt gedronken?” vraag ik .  “Ik mag geen alcohol drinken”, antwoordt ze maar neemt toch gretig het glaasje aan.  “En, ken je dit”, vraag ik.  “Maar, manneke, dat is lofjenever, dat ken ik al van mijn jeugd”, lacht ze: “en dat is lang geleden, er is geen varken dat zo oud wordt als ik.” Na het derde neutje loodsen wij haar huiswaarts.  Daar toont ze foto’s van vroeger.  Ze is nog steeds eigenares van een chaletje in de Ardennen dat op de beelden te zien is.  Er loopt ook een hondje rond op het terrein.  “Onze Jacky”, zegt ze meewarig: “die is al lang geleden gestorven.” Ze vertelt dat het chalet in de Ardennen te koop staat.  Ik vraag het adres en ga er met een vriend een bezoekje brengen.  Het staat midden op een totaal verwilderd terrein.  Zodra wij uit de wagen stappen valt ons op hoe rustig het er is.  Wij worden haast ongemakkelijk van de stilte.  Het gebouwtje is niets meer dan een uit de kluiten gewassen tuinhuisje.  De ramen zijn stuk en er ligt vuilnis van vermoedelijke krakers.  Ik trek een deur open en schrik me rot.  Het is het toilet en vanop de pot kijkt mij een dier strak in de ogen.  Ik denk eerst dat het een vos is die mij elk moment gaat bespringen maar merk dan dat het opgezet is.  Ik herken Jacky van op de foto.  Als ik later het verhaal aan Rosalia vertel komt ze niet meer bij van het lachen.  “Onze Jacky, ja, die zagen wij zo graag dat wij hem hebben laten opzetten.  Dus die waakt daar nog steeds?” Donderdag is marktdag in het dorp.  Ze zegt dat ze er al lang niet meer geweest is en vraagt mijn echtgenote haar te vergezellen.  Ze nemen de bus, het is amper twee haltes verder.  Mijn echtgenote heeft een busabonnement maar Rosalia staat erop alles te betalen,  ook het bus ticket. Na een kwartiertje heeft ze er al genoeg van en nodigt mijn echtgenote uit in het dorpscafé. Ze wordt er hartelijk begroet door de waard, een oude kennis.  Het is amper elf uur maar Rosalia bestelt reeds twee rode porto’s. Een uur en drie porto’s later nemen beide vrouwen vrolijk de bus terug naar huis.  Als ze later gezwind door het roddelstraatje naar huis stappen snijdt Rosalia een heikel onderwerp aan.  Ze zegt dat ze breeddenkend is en tegen niemand iets heeft.   Zoals ze daar arm in arm lopen moet ze denken aan de problemen van de holebies.  “Ge weet toch hoe ze twee vrouwen die samen zijn noemen?”, vraagt ze: “dat zijn lesbieken" , knikt ze heel wijs. Het enige restaurant op loopafstand is een  chinees eethuis waar Rosalia regelmatig uit eten gaat. Ze  nodigt ons uit om er samen naar toe te trekken.  Als de bestelling is opgenomen vraagt de ober wat er gedronken wordt.  “Doe maar dat rond fleske, ge weet wel”, zegt Rosalia.  De ober komt terug met het alombekende  Portugese Mateus rosé tafelwijntje. “Dat drink ik hier graag”, knikt ze: “past perfect bij hun eten.” Rosalia neemt ons in vertrouwen. Ze heeft in haar geboortedorp  een nog te bouwen serviceflat gekocht. Haar huis wordt te groot om te onderhouden.  Zes maanden later zegt ze enigszins bedrukt dat het project met de seniorenflats niet doorgaat:  alweer een politieke kwestie, zeurt ze.   Dan blijft ze maar in haar huis wonen want naar dat oudewijventehuis in het andere dorp wil ze niet. Met haar gezondheid gaat het langzaam achteruit. Na een aantal keren dat ze onwel werd vraagt de dokter haar een verklikker te dragen waarmee ze de hulpdiensten kan verwittigen als haar iets overkomt. Wanneer de rolluiken een ganse dag omlaag blijven verwittigen wij de zoon. Rosalia is gevallen en heeft de ganse nacht op de vloer gelegen. Haar verklikker ligt op de keukentafel. De kinderen besluiten dat ze niet meer alleen mag blijven en brengen haar onder in het gehate rusthuis. Wij bezoeken haar af en toe.  Ze deelt haar kamer met een andere dame. De dementerende kamergenote lacht ons kinderlijk toe maar Rosalia zegt resoluut: “Ge moet daar niet tegen klappen. Dat menske is compleet tureluut.”  Toch geeft ze het menske een stuk van de taart die wij voor haar hebben meegebracht.  “Ne mens moet toch een beetje compassie hebben, nietwaar?” Geruime tijd na haar begrafenis wordt de voormalige woonst van Rosalia verkocht aan hoogst onsympathieke huizenopkopers uit de buurt. Ze verhuren het huis. De eerste huurders zijn een buitenlands lesbisch koppel. Wij denken meteen terug aan de ‘lesbieken’ van Rosalia. P.S. : Alle gelijkenissen met bestaande personen berusten op puur toeval

Vic de Bourg
26 3

Vakantiegenoegens

“Stoort het niet dat ik eet terwijl jullie roken?”   Ze zaten even verder op het terras Hij: hoogrood verbrand Zij: donkerbruin olifantenvel Hij had ze al opgemerkt op het strand Beiden in de vlakke zon op ligstoelen   Om het half uur werden sigaretten opgestoken Hij: iets met zwarte tabak zonder filter Zij: iets superlang met lange filter De peuken werden naast hen in het zand geduwd Haar peuken zagen rood van de lippenstift   Na elke sigaret werd het braadspit  gedraaid Haar armbanden rinkelend Zijn nepgouden halsketting blinkend in blakend zonlicht   Op het terras had hij ze te laat opgemerkt Pas bij het horen van de klik van de zware vergulde aansteker Besefte hij dat hij niet dit enige nog vrije tafeltje had moeten uitkiezen Maar zijn maaltijd werd reeds opgediend   Ze schrikken op bij zijn vraag Verbijsterd kijkt zij naar de aangebrande vleeshoop naast haar Woedend snauwt hij: “Ga dan elders zitten, sukkel.” Ze betalen en stappen misprijzend op   In de asbak op hun tafeltje liggen een tiental peuken Uit een geparkeerde cabriolet nemen zij hun strandhanddoeken Dan wandelen ze rokend terug naar het strand Zeelucht geeft trek   Nadat hij heeft betaald ledigt hij snel de asbak in zijn servet Hij stapt resoluut naar de rode cabriolet Dit zeebriesje zit net goed, denkt hij Hij opent de servet en merkt hoe as en peuken de lucht in gaan   Ze belanden precies op de witlederen zetels Ach, denkt hij, wat sneu Dat die lui nu net op dit enige vrije plekje staan Hadden ze maar elders moeten parkeren Op de passagiersstoel ligt een lange peuk met rode lipstift Past wel bij de kleur van de wagen, denkt hij.

Vic de Bourg
0 2

De wandtekening

In de prehistorie maakte de mens al rotstekeningen en grotschilderingen voordat het schrift was uitgevonden.   Men hoeft echter niet zover te zoeken of terug te gaan in de tijd voor het ontdekken van interessante wandtekeningen.   Na het overlijden van moeder zaliger werd met spijt in het hart het ouderlijk huis verkocht. Daarin sprak één ruimte tot ieders verbeelding.   Achter een mysterieuze deur in de kamer van onze oudste broer lag een trap. Die was net zo lang en hoog als de trap die liep van het gelijkvloers naar de slaapkamers op de eerste verdieping.   De geheimzinnige trap leidde naar een grote ruimte onder het dak.  In die ruimte was een zolderkamer. Voor de kamer was er nog een stuk beton maar verder lagen links en rechts enkel balken met daartussen het plaaster van de plafonds van de kamers eronder.   Waagde men zich daar op, zou men dwars door het plafond zakken.  Langs een dakraampje viel bij daglicht een straaltje licht binnen maar verder was het er pikdonker en best akelig.   Zo stond er een zwart kistje dat ooit had toebehoord aan vaders broertje  dat op vijfjarige leeftijd was overleden.  Er zouden nog spullen van hem in zitten maar niemand durfde er ooit in te kijken. Luguber!   Er stond ook een kast met oude kranten, tijdschriften, documenten en boeken.  Wij werden niet verondersteld er in te kijken maar alle kinderen hebben er op tijd en stond stiekem in gesnuisterd.   Van de ouders zelf kregen wij weinig voorlichting.  Mogelijk hoopten zij al even stiekem dat wij ooit de boekjes wel zouden ontdekken waarin ze zelf in hun jeugdjaren de inspiratie gevonden hadden.   Aan het eind van de trap was een deur die toegang gaf tot een ruime zolderkamer.  Er was een groot raam waardoor men ver over de daken kon kijken.  De zee van licht maakte het een best aangename kamer waardoor ze door de kinderen achtereenvolgens gebruikt werd om er  in alle rust te gaan studeren of er kattenkwaad uit te halen.   Er stond een grote ingemaakte kast en de muren waren niet geverfd of behangen.  Dit leidde ertoe dat op het witte pleister  één van de broers schilderwerken van kentekens uit de jeugdbeweging had aangebracht. Fel groen, rood en blauw.   Tot ergernis van moeder was vader een verwoed verzamelaar van allerlei spullen die geleidelijk hun weg naar deze zolderkamer vonden.   Na zijn overlijden was één van haar eerste bekommernissen  (of was het haar guilty pleasure?) om de kamer leeg te maken.  De spullen werden door het grote raam van twee verdiepingen hoog naar beneden gekeild.   Door de jaren vervagen de vele herinneringen aan het huis en wat er allemaal voorviel in een tijdspanne die later niet langer bleek te beslaan dan een tweetal decennia.   Hoe groot was de verrassing toen de huidige eigenaar van het huis ons meer dan veertig jaar later een foto bezorgde.  Het was een tekening die werd gevonden op de binnenmuur van de ingemaakte kast van onze geliefde zolderkamer.   Wij hebben nog niet uitgemaakt welke holbewoner als maker van het kunstwerk mag bestempeld worden en of er een pagina op Wikipedia aan gewijd  zal worden.  

Vic de Bourg
15 0

Oma denkt dat ik doof ben

  Inzending wedstrijd met opdracht : maak van een 6-woord een 500-woord verhaal.   Uitbundig vieren wij  haar verjaardag.   Vijfentachtig wordt ze.  De jonge dokter, die ze consulteert omdat hij ‘een zo knappe kerel is’, taxeert haar conditie op ruim vijftien jaar jonger.   Oma Lidy is nog een prompte dame.  Aan vrienden toonde ik haar jeugdfoto’s  bewerend dat zij mijn vriendin was. Dat is niet gelogen, want wij hebben  een zeer vriendschappelijke band.  Ze staat er op dat ik haar tutoyeer. In een boek over een adellijke familie las ze ooit dat grootouders zich in die kringen altijd met de voornaam laten aanspreken.  Zij gebruikt steevast  het troetelnaampje dat ze voor mij bedacht toen ik baby was: ‘Bobolino’.  Inmiddels bebaard met een nochtans zwarte kinbegroeiing  begroet ze mij steeds  met: ‘Bobolino amore, mio Barbarossa!’   Destijds rookte ze, niet voor het roken zelf, maar om te pronken met haar lange sigarethouder,  zoals Hepburn  in ‘Breakfast at Tiffany’fs’.   Net als Audrey  bezit Lidy die geïncarneerde elegantie. Ze is altijd welgezind, wat haar jeugdig voorkomen extra in de verf zet.   Glanzend hagelwit geworden zijn haar naar sprookjes refererende  ravenzwarte haren van weleer, voor deze gelegenheid opgestoken door een kapster: ‘je kan ook niet voor alles op jonge goden een beroep doen’.   Het kapsel past perfect bij de wijnrode fluwelen outfit die ze zich voor haar 85 lentes  heeft  aangeschaft.   “Het staat je beeldig, Lidy”, zeg ik. “De prix neggens voor begemmen ”, antwoordt ze. “Wat zei je nu?” vraag ik. “De prix neggens voor begemmen”, zegt ze opnieuw. “Oma, ik versta er echt niets van”, zeg ik. “Oh, gaan we het zo spelen.  Ben ik nu plots jouw oma omdat jij doof begint te worden”, zegt ze verbijsterd. “Sorry Lidy, maar ik versta je niet”, antwoord ik beteuterd. “Laat maar Bobolino , haal nog een drankje.”   Ik druip af op zoek naar een glaasje ‘ premier cru brut ’ die ze in de  supermarkt op de kop heeft getikt.  Met hangende oortjes overhandig ik haar de bubbels. “Echt, schat, je moet jouw oren laten nakijken”, zegt ze bezorgd. Dan ziet ze mijn bedrukt gezicht, heft haar glas en vraagt:  “Hoe vind je mijn nieuwe ontdekking? Du Champagne Veuve Hémard!” “Lekker”,  stamel ik. “En ken je de voornaam van de man zaliger van die weduwe?” vraagt Lidy. “Neen”, zeg ik. “Jean!  -  J’en ai marre!” schatert ze. Wij proesten het  uit en klinken samen op onze vriendschap.   Later doe ik in een hoorcentrum  mijn verhaal over een familielid dat mij aanraadde langs te komen. De test verloopt prima.  “Alles perfect,”  zegt de arts :  “ik stuur jouw huisarts een bericht. “ Toevallig doet een van mijn nichtjes haar doktersstage bij mijn huisarts.  Zij bezorgde mij het voorschrift en krijgt zo het resultaat te lezen van de test.   Wegens  beroepsgeheim delen dokters hun patiënten wel resultaten mee, maar nooit de commentaren.  Mijn nichtje kan  zich echter niet weerhouden voor te lezen:  ‘Patiënt zegt dat familielid beweert dat zijn gehoor slecht is. Naar mijn mening moet dat familielid zelf even bij ons langs komen!’  

Vic de Bourg
17 0

Tussen twee polen smelt men niet

  Dit verhaal kreeg een eervolle vermelding bij de wedstrijd: van 6 naar 500 woorden. Onderaan staat commentaar van de jury.     De zon brandt onverbiddelijk. Miranda rolt zich op haar grote stranddeken tot ze weer onder de parasol ligt. Gisteravond  was het nog redelijk koel geweest toen ze flaneerde onder de palmbomen. Het was haar opgevallen dat er veel minder Duits werd gesproken door de toeristen dan vroeger.  Al jaren was haar vaste vakantiestek vergeven van de Germanen, zoals ze zichzelf noemden als ze met hun vreselijk accent Engels met haar wilden praten. Tegenwoordig viel het op hoeveel Oost-Europese talen werden gesproken. Ze kende er geen maar kon wel het Russisch onderscheiden van de andere klanken.  De nieuwe rijke Russen waren ook het grootst in aantal, reden rond in peperdure cabrioletten en maakten grote sier. Voor haar vakantieliefdes had ze zich voorheen beperkt tot wat de lokale markt aan hunks te bieden had en dat was altijd best meegevallen.  Maar nu ze meer zicht kreeg op de mannenvoorraad uit het Oosten besloot ze haar kennis op dit vlak te verruimen. Zo viel haar oog op twee knappe kerels die iets van haar verwijderd in haar geliefde ‘Tratoria Alberto’ het erg goed met elkaar konden vinden.  Ze twijfelde even of de andere sekse hen überhaupt kon boeien tot ze merkte dat ze haar in het vizier kregen en afwisselend zwoele blikken haar richting uitstuurden. Een dame gaat uiteraard nooit in op de avances van vreemde mannen maar ze hield wel van dit spel en flirtte er danig op los. Glas vasthouden aan de steel en pink in de lucht: op de meest gracieuze wijze nipte zij aan de cocktail die Alberto voor haar had geshaket. Regelmatig gooide ze haar golvende haren naar achteren en streek ze met zorgvuldig gemanicuurde hand door haar nek. Tot na haar cannellonirolletjes hadden de twee hun testosteron in bedwang kunnen houden maar nu stapten ze resoluut naar haar met de vraag of ze voor het dessert mochten aanschuiven. “It is so much nicer to dine in good company”, zei de blonde blauwogige hunk.  “If you so desire, Madame”, voegde de zwartharige donkerogige tegenpool er aan toe in een al even onberispelijk Engels. Ze had het woord enkel gedacht, want ze wist niet hoe het in het Engels klonk maar schaterde het uit toen ze beiden uit Polen bleken afkomstig te zijn: Poolse tegenpolen. Hoe grappig. Wegens de gekozen voertaal, suggereerde ze als dessert een ‘Zuppa Inglese’.  De naam mag dan al verwarrend zijn, Piotr en Wojtek vonden de combinatie van custard met lange vingers goddelijk. Na de obligate grappa van Alberto werd de avond besloten met een fles Prosecco.  Daarna namen ze in stijl van elkaar afscheid met een kuise handkus. ‘ Niet te hard van stapel lopen’, dacht ze. Die morgen op het strand ziet ze langs weerszijden van haar parasol twee bruingebrande voeten verschijnen en herkent ze meteen de stem die vraagt of ze naast haar mogen plaats nemen. Ze knikt instemmend. ‘Het zal dan wel héél warm worden’, denkt ze: ‘maar tussen twee Polen smelt men niet.’   Feedback jury:   De ontknoping was hilarisch. Ik was de titel al even vergeten tijdens het lezen tot ik bij de laatste zin aankwam. Een heel originele manier om de zin te benaderen. Het verhaal leest erg vlot en zou zo in een zomereditie van Flair passen.

Vic de Bourg
14 1

Alternatief sprookje

(afbeelding: Lectrr)   Hans keek verdwaasd voor zich uit. Zijn Griet was met haar hebben en houden met de noorderzon verdwenen. Hoe had het zover kunnen komen ?   Toen ze nog met de vader van Grietje, de houthakker en stiefvader van Hansje samen met de moeder van Hansje en stiefmoeder van Grietje aan de rand van het woud woonden waren ze, niettegenstaande hun schrijnende armoede, toch gelukkig geweest.   Het afgeluisterde gesprek tussen hun respectievelijke stiefouders over hun achterlating in het bos had hen geen deugd gedaan en Hansje had het heel stom gevonden dat hij de truc met de kiezelsteentjes nadien met broodkruimels had geprobeerd. Hij had zich doodgeschaamd voor Grietje. Waarom ook moesten die domme bosduiven zijn kruimels oppeuzelen?   Gelukkig dat het sneeuwwit vogeltje al op het stekeldoorntje hen naar het huisje van peperkoek had geleid. Zij hadden zich tegoed gedaan aan de lekstokken die aan het dak bengelden,  de croissants en boterkoeken op de deur en het kleurrijke snoepgoed dat her en der aan de muren hing.  Echt voedzaam waren die dingen niet geweest maar hun buikjes werden eindelijk eens gevuld.   Dat het plots opgedaagde besje hen na haar 'wie knabbelt aan mijn huisje' nog chocolademelk en pannenkoeken met bruine suiker had voorgeschoteld was er teveel aan geweest. Toen dit oud scharminkeltje uiteindelijk ook nog een heks bleek te zijn was het hek van de dam.  Maar er zat niets anders op dan berusten in hun lot en dank zij de vetmesterij van Hansje kon ook Grietje af en toe een stukje hamburger en wat frietjes met mayonaise meepikken. De hongersnood was alvast verleden tijd.   Het verhaal ontplooide zich verder, eerst met de gruwel van het water dat werd gekookt om Hansje in te garen - de oven die opgestookt werd om Grietje in te duwen  en het heldhaftige optreden van Grietje die het oude vrouwtje in de oven duwde waarin deze, zoals het een heks betaamt, levend werd verbrand.    Daarna volgde het stroperige deel met de ontdekking van parels en edelstenen.  Alweer vulde Hansje zijn broekzakken met deze steentjes en Grietje, die nog haar schortje om had van het geveinsde broodbakken in de oven, propte het vol met parels.   Waarom er, later door Disney meermaals geïmiteerde, witte zwanen bij te pas kwamen om de weg naar huis te vinden blijft een raadsel . Het dekselse water waarop de zogenaamde boot ontbrak hadden ze immers nooit opgemerkt op de heenweg naar het heksenhuis .   Dat vader bij het weerzien blij was maar ook weer triest omdat zijn tweede vrouw inmiddels overleden was , niet echt van verdriet maar van pure ontbering en dat hij snel weer vrolijk werd bij het zien van zoveel rijkdom,  kon niet echt een happy end genoemd worden.   Moest er dan een nieuw einde aan het verhaal worden gebreid ? Wat er niet in het verhaal werd verteld maar logischer leek is het feit dat Griet en Hans van elkaar 'stief' en ook stapel waren en dus samen konden trouwen en nog lang en gelukkig leven.   Zo geschiedde dus, tot er haren in de boter kwamen. Hans was nooit zijn overtollige kilo's van weleer kwijt geraakt en Griet had met de vele parels die ze zich had eigen gemaakt de smaak te pakken gekregen en was een  juwelierszaakje begonnen.  Toen Hans zich ook nog in de drank gooide en Griet zich danig begon te interesseren in een knappe vertegenwoordiger van Huize Cartier gingen de poppen aan het dansen.   Het sprookjeshuwelijk waarvan in het ware leven nooit sprake was geweest, maar ook niet in het sprookje, eindigde in een banale vechtscheiding.    

Vic de Bourg
153 1

De moeder en de broeder

of de achterkant van de medaille…. Zijn hand voelt hij weer op zijn knie. Zij ging langzaam naar boven tot aan de rand van zijn korte broek. Was dat de beloning voor het vegen van het bord na schooltijd? Neen, de vingers zijn nooit verder gegaan dan die rand. Het voelde fijn en een kind wordt graag bewonderd. Het inzicht in de verderfelijkheid van het gebaar kwam pas vele jaren later. De school lag om de hoek. De geestelijke kwam regelmatig aan huis met zijn ouders praten. Waarover? Zocht hij buiten de eenzame klooster(m)uren wat huiselijke warmte in het grote gezin? Wou hij de band met het kind aanhalen? Het was trouwens niet de enige broeder die langs kwam. Ook anderen kwamen, soms laat en dan zat hij luistervinkend in pyjama op de hoogste trede van de trap. Zijn moeder was tuk op die bezoekjes. Mocht hij toen dit woord hebben gekend: hij zou deze situatie niet ‘koosjer’ hebben gevonden. Door zijn moeders dweepzucht werd hij op zijn achtste van klas veranderd. Door het grote aantal kinderen bestond elk studiejaar uit twee klassen. Die waarin zijn beste vriendje zat en die een meester als titularis had, werd op zijn moeders voorspraak ingeruild voor de andere, waar de broeder titularis was. Mede door het vele nablijven en bordvegen werd hij de eerste van de klas, hetgeen de perfecte keuze van zijn moeder bevestigde. De vragen die hij als kind al mocht hebben over het gedrag van de geestelijke(n) kwamen nooit aan bod en werden verdrongen. Vandaag las hij in de krant het overlijdensbericht van de broeder. Die werd heel oud. Moge hij……neen, over de doden geen kwaad woord.

Vic de Bourg
7 0

't Liep tegen het nieuwe jaar (*)

Het is 11 november. De  telefoon rinkelt. “Met  Johan.” “Johan Smits?”, vraagt een basstem:  “U spreekt met  Harry, zoon van Paul Bolden.” “Harry? Dat is meer dan een kwarteeuw geleden . Hoe oud ben je nu?” “Juist dertig geworden.” “Precies, jij was pas drie toen je laatst met jouw mama hier was. “   Toen zijn ouders net waren gescheiden, was  Laura voor de Kerstdagen met haar zoontje in België.  Nadat zij naar Canada verhuisden, verwaterde het contact met Paul snel. Laura bleef naar goede gewoonte nog lang kaartjes sturen met Nieuwjaar.   “Ik vond jouw naam in een oud telefoonboekje  van mijn vader. Hij wordt volgende maand zestig en ik wil hem verrassen met een feestje waarop ik zijn vroegere studievrienden uitnodig.“   Paul en ik hadden in de woelige jaren zestig  samen op de universiteit gezeten.  Na één jaar veranderden wij beiden van studierichting en kwam ik in een andere stad terecht, maar wij bleven elkaar opzoeken  tot zijn terugkeer naar zijn geboorteland.   “Op dat feestje wil ik niet ontbreken”, zeg ik: “wanneer moet ik mijn ticket bestellen, Harry?” “Neen, wij komen naar België en het feestje gaat door op 27 december  in de buurt van Antwerpen.  Mag ik jouw mailadres, dan stuur ik je de details.”   “Mijn derde Kerstdinertje op rij dit jaar”, zeg ik tegen Harry wanneer  ik hem omhels bij de ingang van het feestzaaltje.  De vrienden ken ik niet, want zij stammen uit de tijd dat Paul andere studies aanvatte, maar zijn broer is er en een zoon van zijn zus is uit Canada overgekomen.   Er wordt teken gedaan dat Paul er aan komt.  De verrassing is totaal. Hij dacht met familieleden  uit België  Kerst te vieren en begroet iedereen uitbundig.    Het wordt een oergezellige avond.  Haast iedereen is terug huiswaarts gekeerd en ik  zit met Paul en Harry wat na te praten.   Dertig jaar is lang om bij te praten en als Paul het over de scheiding en andere treurige zaken heeft wordt er een traantje weggepinkt,  maar ook de gelukkige momenten komen aan bod.  Straks wordt hij opa.  De vader in spé naast hem glundert.   Paul blijft honderduit praten, Harry en ik komen haast niet aan bod.  “Je hoort dat mijn vader rechten heeft gestudeerd”, schertst Harry. “Tabernacle”, repliceert Paul in zijn Canadian French. “Pa, besef je dat je heel de tijd in het Québécois aan het praten bent tegen  Johan?”, vraagt Harry. Paul kijk mij aan: “Heb jij mij verstaan, Johan?” Al zijn mij woorden ontgaan,  antwoord ik: “Zeker, Paul, ik heb haast alles verstaan en wat ik niet verstond heb ik begrepen.”   Dan glimlacht Paul naar zijn zoon: “Tu vois, mon fils c’est  ça la vraie amitié.  Wij hebben mekaar zolang niet meer gezien of gehoord maar vanaf het eerste woord dat wij vandaag wisselden leek het of wij het gesprek  van jaren terug weer opnamen.”   Wanneer wij opstappen sluit Harry zijn pa en mij in de armen en zegt: “Happy New Year, blood brothers.”   (*) opdracht: schrijf een kortverhaal met maximaal 500 woorden  

Vic de Bourg
0 0

MY famous blue raincoat

1975 : De vinylplaat Greatest Hits van Leonard Cohen wordt uitgebracht.  Op de  negende plaats van het  album prijkt zijn song ‘Famous bleu raincoat.’   1986 : Jeniffer Warnes  begeleid door saxofoon, piano en cello covert ‘Famous bleu raincoat’ van Cohen.   1989 : Joan Baez begeleid  door gitaar, cello en piano covert ‘Famous blue raincoat’ van Cohen.   1995 : Tori Amos begeleid door piano covert ‘Famous blue raincoat’ van Cohen.   Ook al is het origineel niet te evenaren, deze covers zijn, stuk voor stuk, pareltjes die vandaag gelukkig nog via You Tube of Spotify  kunnen beluisterd worden.   2017 : In November is het een jaar geleden dat Leonard Cohen is overleden.  Toevallig lees ik in DS Weekblad een column van Bernard De Wulf met de titel “Schaduw” en krijg deze flash back:   1953 : Mijn oudste broer is met zijn prille zeventien jaar ‘ingetreden’ bij de Luchtmacht van het Belgisch Leger. Hij zou piloot worden maar een viertal jaar later beslist het noodlot er anders over. Een valpartij met zijn brommer wordt hem haast fataal maar bij wonder overleeft hij.  Zijn pilotendroom moet hij opbergen maar zijn jongere zusjes en broertjes blijven naar hem opkijken in zijn indrukwekkende uniform.   1961 : Ik weet niet wat mij overkomt, maar mijn moeder zegt dat ik nu groot genoeg ben en geeft mij met  Kerstmis mijn eerste pakje sigaretten. Mijn Ma stamt uit de tijd dat al haar broers er vanaf hun dertiende al lustig op los paften.  Het is een geel pakje ‘Laurens filter’.   1963 : Mijn oudste broer is inmiddels getrouwd.  Bij het leger krijgt hij om de zoveel tijd een nieuw uniform. Bij die outfit hoort ook een donkerblauwe regenjas.  Hij heeft zijn oude regenjas niet moeten inleveren en laat hem thuis achter voor een van zijn jongere broers.  De jas is nog als nieuw en op mijn vijftiende voel ik mij de koning te rijk met het imposante kledingstuk.   Veel van de details zijn door de tand des tijds opgevreten maar ik herinner mij hoe ik ’s avonds met opgetrokken kraag in mijn blauwe regenjas het dorp introk.  Als ik dan onder een straatlantaarn liep zag ik voor mij mijn schaduw.  Dan stond ik even stil en stak een sigaret op. Met de rook om mijn hoofd waande mijn schaduw zich James Dean of een andere jeugdheld van het witte doek.   Dank zij mijn broers’ regenjas was het plots niet meer de onbehouwen slungel die in de winkelramen werd weerspiegeld. De jas werd een verlengstuk van mijn opgroeiende mezelf en gaf mij een gevoel van zekerheid en vertrouwen in de onzekere toekomst.   Nog beter werd het toen ik merkte dat bij sommige gelegenheden met neonverlichting er dames vanachter hun etalages opkeken en mij een zwoele blik of guitige knipoog toewierpen. Overwelmend bestaat niet volgens het groene boekje dus houd ik het bij 'overwhelming'.   Pas in 1988 schreef Cohen zijn: 'I am your man'.  Werd ik destijds niet zo door de meisjes overrompeld - ik had hen met die titel van antwoord kunnen dienen.   Onlangs werd in hetzelfde dorp de première opgevoerd van de musical: ‘Meisjes van Plezier’. Graag  had ik hem aan één van de bejubelde artiesten  willen uitlenen, maar helaas MIJN blauwe regenjas is niet meer.    

Vic de Bourg
10 1

Voornaam

Dit jaar valt het nog mee.  Het was pas rond de dag van de Wapenstilstand herdenking dat er Sinten uit chocolade en speculaas in de winkels opdoken.  Verleden jaar was dat al rond Allerheiligen.    Alleen de concurrentie van de Kerstmannen valt tegen want die hebben hun versieringen al overal opgehangen.  Gisterenavond schrok ik mij een hoedje toen ik op de Leuvensesteenweg verblind werd door de overdadige en hoogst wansmakelijke Kerstverlichting van een villa of wat er moet voor doorgaan.   Wij zijn vandaag pas 1 december, dus nog  5 keer slapen voor de Sint komt.  Onze noorderburen moeten maar 4 keer meer slapen want zij houden reeds op 5 december hun pakjesavond.  De Nederlanders zijn altijd al wat ‘gedrevener’ geweest dan hun zuiderburen.  Ze zullen nooit toegeven dat ze op zeker willen spelen om als eersten de buit binnen te halen. Gelukkig weet de Sint beter en reserveert dan ook de betere chocolade, marsepein en speculaas voor de Belgskes.   Inmiddels weten wij dat de schimmel van de Sint ‘Slecht weer vandaag’ heet maar wie hoorde ooit het verhaal over de voornaam van Sinterklaas?   In de klaasperiode ziet men in haast alle groot- en kleinwarenhuizen, sportclubs, scholen, verenigingen, enz… de ‘helpers’ van de enige echte Sint opduiken.  Soms prachtig uitgedost, soms , zoals Toon Hermans zaliger reeds opmerkte, met het tafelkleed van de salontafel op de rug waarop de afdruk van de asbak te zien is.   Zo is Jefke met zijn mama naar één van de vele tronen van de Sint getrokken.  Bij thuiskomst toont hij aan zijn papa fier de puntzak met snoep die hij gekregen heeft en zegt: “Papa, ik weet een geheim.” “Zo, Jefke, laat horen”, zegt papa. “Ken jij de voornaam van Sinterklaas?” vraagt Jefke.  Papa kijkt verwonderd en schudt langzaam het hoofd van links naar rechts. “De voornaam van Sinterklaas is Oscar!” jubelt de kleine. “Hu?”, is alles wat de vader kan uitbrengen waarbij hij met een grimas naar de moeder kijkt. “Hoe weet jij dat zo zeker, Jefke?”, vraagt papa. “Toen ik op de schoot van de Sint zat, ging er een gordijntje opzij achter de troon en vroeg een dame aan hem : ‘Oscar, wil je een sjat koffie ?’ – en de Sint antwoordde: ‘Ja, graag Julia.’ “, antwoordt Jefke.   Voor onze noorderbuurtjes: een sjat is een leuk Vlaams woord voor een kopje.

Vic de Bourg
0 2

Zwart gat weg geknikkerd (fantastisch verhaal) (*)

 Al volgt hij tegenwoordig het nieuws meestal online, toch heeft hij het abonnement op zijn geprefereerde papieren dagblad nog niet opgezegd. Op zijn werktafel ligt naast hem de opengevouwen ochtendeditie van de krant van vandaag en hij leest terloops:   ‘Met behulp van de Amerikaanse röntgentelescoop Chandra is een superzwaar zwart gat ontdekt dat met hoge snelheid uit het centrum van een sterrenstelsel werd weggeslingerd…….’   Zijn gedachten dwalen af. Hij heeft niet de pretentie zichzelf een heuse schrijver, laat staan journalist te noemen, maar hij houdt ervan zijn mening te geven en te verkondigen door ze aan het papier of aan het computerscherm toe te vertrouwen. Zo nu en dan reageert hij wel eens op artikels van anderen en hij is er reeds in geslaagd zijn teksten te laten publiceren op een recent opgerichte online nieuwssite. Die bijdragen worden af en toe op twitter en facebook geshared en bovendien geliked of soms van commentaar voorzien.   Bij het schrijven valt hij niet over genres.  Zowel poëzie, proza, autobiografische stukjes, ja zelfs kinder- en jeugdliteratuur liggen hem. Na een vijftigtal bijdragen aan een populair schrijversplatform, waartoe zelfs liedteksten en een heus scenario voor een kortfilm behoren en niettegenstaande een serie artikels en columns op de inmiddels bekend geraakte nieuwssite,  breekt hem vandaag het angstzweet uit. Sinds vanmorgen krijgt hij immers geen letter meer op papier gezet, noch op het scherm. Het water staat hem tot aan de lippen. Zal hij nog ooit iets kunnen schrijven of is dit dan het beruchte  writers’block?   Hij heeft er al veel over gelezen, dit plotse onvermogen om tot schrijven te komen. Over de conflicterende gevoelens, het precies weten wat je zelf weet maar niet weten wat je lezers weten. Beseffen hoe iets moet klinken bij het inlossen van de verwachtingen van zijn lezers, maar niet over alle feiten beschikken. Zijn notieboekje puilt nochtans letterlijk uit van allerlei gebeurtenissen en van alternatieve woorden en zinnen.   Altijd en overal streeft hij perfectionisme na alvorens tevreden te zijn met zijn pennenvruchten. Uit alle mogelijke bronnen put hij inspiratie.  Het zien van een foto kan volstaan om hem aan het werk te zetten. Termen als 'freewriting' en 'brainstorming' zijn hem niet onbekend. Maar welke technieken en hulpmiddelen hij ook aanwendt, vandaag lukt het hem niet! De ganse dag blijft hij tobben.  Hij komt zelfs niet tot eten toe, enkel de drank brengt even soelaas. Uitgeput, sluit hij tegen valavond wanhopig zijn laptop en doet ten einde raad hetzelfde met zijn notitieboekje. Dan stapt hij totaal terneergeslagen naar buiten.   Er is geen mens te bespeuren.  De straten zijn onheilspellend leeg en er heerst een beklemmende stilte. Compleet verward kijkt hij om zich heen en dààr ziet hij het.  Iets verderop  ontwaart hij een donkerte. Stap voor stap waagt hij zich voorzichtig dichterbij en staat aan de grond genageld als hij merkt wat het is. De obscure vlek is niets anders dan een gat, een enorm zwart gat. Snel keert hij op zijn passen terug. Een hevig aanzwellend geluid achter hem doet hem opschrikken.  Nog net kan hij wegspringen voor de enorme vrachtwagen met laadbak en takel die hem rakelings voorbij raast.   Op zijn beurt kan de onbezonnen chauffeur even verder nog amper het gat ontwijken. Plotsklaps merkt hij tot zijn stomme verbazing hoe de vrachtwagen abrupt afremt en met knarsende remmen tot stilstand komt.  Hij hoort het kraken van de versnellingsbak en ziet hoe het gevaarte achteruit rijdt tot pal aan de rand van de put. Uit de cabine van het monstertuig springen twee duistere gedaanten en stellen de takel in werking.  Zij laden warempel het gat op de laadbak. Even later stuiven ze ervan door met hun bizarre vracht.   Op de een of andere manier lucht dit voorval hem op.  Stel je voor dat hij in het zwarte gat was gevallen! Iets minder bedrukt keert hij mijmerend huiswaarts.   De dag nadien leest hij in de krant over het ongeval in zijn buurt: een abnormaal zware vrachtwagen met laadbak en takel is in een gat gereden. Twee niet identificeerbare individuen werden levenloos teruggevonden in de stuurcabine. Eerst bedenkt hij dat het wel eens om dezelfde vrachtwagen kan gaan die hij gisteren heeft  voorbij zien stormen en die hem bijna van de weg maaide.     Daarna beseft hij dat alleen hij zag hoe het gat werd getakeld en meegenomen. Dan bedenkt hij dat de twee figuren met hun roekeloze rijden hoogst waarschijnlijk hun lading verloren en toen ze dit merkten bij het bruusk achteruitrijden in het gat terecht zijn gekomen.   Hij zoekt en vindt de gazet van gisteren die van zijn werktafel op de grond is gevallen en leest, iets meer geboeid, er het krantenbericht op na over Chandra, de Amerikaanse supertelescoop.  Aansluitend opent hij zijn laptop en zoekt online in alle andere kranten van de dag naar de berichtgeving over het fameuze verkeersongeval. Slechts een viertal bladen brengen er in het lokale nieuws een zeer kort verslag over. In geen van de artikels wordt enig verband gelegd met het zwarte gat dat uit de ruimte werd weg geknikkerd, maar hij weet wel beter.    Het voorval op zich, ook al gaat het om een ongeluk, stemt hem niet echt treurig want hij stelt opgelucht vast dat zijn angst voor het writers’ block volledig verdwenen is. Prompt zet hij zich aan het werk. Op internet vindt hij zowaar een afbeelding van een zwart gat. Amper een half uur later stuurt hij tekst en foto naar het onvolprezen schrijversplatform en nog dezelfde dag volgt een beklijvende column op de gretig gelezen online nieuwssite.  Onderaan plaatst hij zijn emailadres.   Twee dagen later vindt hij een bericht in zijn mailbox.  Hij twijfelt om het te openen.  Dit is geen bekend mailadres en toch werd het niet tegengehouden door zijn performante antivirusprogramma. Het adres van de afzender luidt :  forbidlongid.deephole@brunswick.hr . Een zoekopdracht met het adres geeft geen resultaat. Zijn nieuwsgierigheid haalt de bovenhand.  Hij opent de mail en leest: ‘Budite hrabri otvoriti privitak’ Hij kopieert de tekst en geeft hem in als vertaalopdracht.   Het blijkt een zin te zijn in het Kroatisch die betekent : 'Wees moedig en open de bijlage'.   Er staan te veel belangrijke zaken op zijn computer, dus besluit hij te wachten.  Hij start een programma dat zijn volledige harde schijf op een externe schijf kopieert.  Dat kan even duren.   Frisse lucht heeft hij nodig en dus gaat hij naar buiten.  Alsof hij van op afstand geleid wordt stapt hij naar de plaats waar hij eerder het gat zag.  Er is niets meer te bespeuren.  Of toch?  Het is amper zichtbaar maar het is net of er een dun zwartgeblakerd spoor loopt  dat een cirkel beschrijft, de omtrek van het gat? Dan bedenkt hij dat er in de berichtgeving van het ongeluk totaal geen vragen waren gerezen bij het feit dat er plots een groot gat was ontstaan.  Hij moet uitvissen waar het precies gebeurde en ter plekke gaan.    Terug voor zijn computer wil hij eerst de geheimzinnige bijlage bekijken.  De reservekopij van al zijn gegevens is inmiddels klaar. Zonder  dralen opent hij de bewuste mail en drukt op de bijlage. Meteen is een blauw scherm zichtbaar dat meldt : 'U heeft opdracht gegeven om alle gegevens van uw computer te verwijderen – druk op de startknop om verder te gaan – druk op de stopknop om uw mening te herzien'. Niettegenstaande zijn reservekopie drukt hij toch op de stopknop.  Nu kleurt het scherm rood en meldt:  'Gelukkig was u wijs genoeg om uw ondoordachte beslissing ongedaan te maken.  Weest gerust. Er is niets gewist maar wij hebben nu wel even de controle van uw computer overgenomen.  U hoort nog van ons. Tot later!'   Dan verdwijnt het rode scherm en lijkt zijn computer normaal te functioneren.  Zijn mailprogramma staat nog open en zonder dat hij zelf iets doet, ziet hij hoe in zijn in-box de laatste mail met de bijlage oplicht en verdwijnt.   Hij wil meteen aan de slag gaan en een aantal opzoekingen doen maar bedenkt zich net op tijd.  Indien zijn computer gehackt is, kan hij hem beter voorlopig niet meer gebruiken.  Hij neemt zijn reservekopie en stapt resoluut naar de stadsbibliotheek waar gelukkig een computer vrij is. In het emailadres levert de naam Brunswick  als enig noemenswaardig resultaat de bedrijfsnaam op van een wereldwijd adviesbedrijf gespecializeerd in communicatie en crisissituaties.  De landcode .hr  is wel degelijk die van Hrvatska of Kroatië.     Wanneer hij op de zoekmachine Kroatie intikt stuit hij op een artikel van enkele jaren geleden onder de titel: 'In Kroatie breekt men zich het hoofd over 28 perfect gevormde circkels die voor de kust verschenen' Uit het artikel blijkt dat de cirkels een diameter van 50 meter hebben en zich op 300 meter van elkaar bevinden.  Na ernstig onderzoek kan men nog steeds  geen logische verklaring vinden voor deze cirkels.  Er gaan steeds meer stemmen op die beweren dat het niet alleen aardbewoners zijn die genieten van de mooie Kroatische kusten. Dit laatste zinnetje doet hem twijfelen.  Dit ruikt verdacht veel naar een promotiecampagne voor de inderdaad prachtige kusten van Kroatie.  Wil men hiermee toeristen lokken?  De foto die bij het artikel staat toont een prachtig wit strand en een groot aantal cirkels die net onder het azuurblauwe water zichtbaar zijn.  Hij blijft nuchter en bedenkt dat tegenwoordig met fotoshopping veel mogelijk is.    Dan merkt hij dat het artikel één van de vele is die verschenen op een nieuwssite over  Ufowaarnemingen.  Dus toch?   Bij zijn terugkeer in zijn flat merkt hij dat er een nieuw bericht is toegekomen. Het bericht is opgesteld in een vreemde taal maar na elke zin staat er een vertaling.  Het is een gebrekkige vertaling die waarschijnlijk door een computerprogramma werd uitgevoerd.   Hij leest: 'Na doorzoeking van uw computer wij hebben niet gevonden informatie dat is gevaarlijk voor ons.  Wij denken wij kunnen vertrouwen u. Wij willen te ontmoeten u.  Kom naar  de Grote Park deze nacht om 23:00. Zien u.'   Hij was van plan zijn computer volledig te herinstalleren, maar laat dit voorlopig zo. Op een stadsplannetje zoekt hij waar het Grote Park precies gelegen is.  Hij kent het van naam maar herinnert zich niet er ooit geweest te zijn.  Met een lijnbus in de buurt kan hij er op een kwartiertje geraken maar hij besluit er een fikse wandeling van te maken.  Om 22:00 u sluit hij de deur van zijn flat en gaat op stap.    Reeds om 22:46 staat hij aan de ingang van het park. Slechts hier en daar merkt hij een late jogger en iemand die de hond uitlaat.  Verder ligt het park er verlaten bij.  Hij weet niet waar hij juist naar toe moet en stapt over een aardeweg in de richting van een grote kiosk.   Plots duiken van achter een bosje twee gedaanten op.  Ze dragen lange donkere overjassen en hebben een zwarte kap over het hoofd.  In het donker kan hij geen gezichten onderscheiden. De twee nemen hem ieder bij een arm en leiden hem verder in de richting van de kiosk.  „Volgen“, zegt een van de gedaanten.  Het klinkt als een computerstem.   Voor de kiosk is een groot grasplein.  Hij kijkt rond om te zien of er nog andere personen in het park zijn maar alles lijkt verlaten. Alleen op de wandelwegen en aan de trap van de kiosk is er verlichting.  Hij ziet dan ook amper dat ze bij een groot zwart gat in het grasveld  zijn aanbeland. De drie stappen tot aan de rand van het gat en zien dat een smalle trap naar beneden leidt.  „Na u“, zegt de computerstem en de beide gedaanten strekken respektievelijk de linker- en rechterarm uitnodigend naar voren.   Langzaam daalt hij de treden af en telkens hij een stap zet licht de volgende trede op.  Hij kijkt achterom  en merkt dat ook de twee gedaanten  de trap afkomen. Net als hij met het hoofd volledig onder de rand van het gat verdwijnt kijkt hij nog even op naar de kiosk en vraagt zich af of hij wel de juiste beslissing genomen heeft. Wat hij niet heeft gemerkt is dat een man die zijn zwarte pittbull uitlaat, verscholen achter de kiosk het  hele toneel  heeft gadegeslagen.  Het dier draagt een muilkorf en kan dus niet blaffen.  De man verlaat langzaam zijn schuilplaats  om te zien waar de drie gedaantes verdwenen zijn.   Dan is het of een tweede kiosk als een wervelende vuurbol uit de grond opstijgt en met razende vaart de ruimte invliegt en uit het zicht verdwijnt.   De man kijkt verbouwereerd naar zijn hond maar het beest blijft totaal onbewogen. Is dit een droom?  De man besluit hierover te zwijgen. De kans is groot dat ze hem anders weer interneren zoals die vorige keer toen hij overal had rond gebazuind dat hij een grote vrachtwagen achterwaarts in een enorm zwart gat had zien rijden.   (*) : terug na herwerkte versie voor deelname aan wedstrijd kortverhalen  

Vic de Bourg
0 1

Pisbakken

Voor de Noord-Nederlandse vrienden:  dit stukje gaat over urinoirs.   Al de heisa rond het al of niet staand urineren doet mij denken aan deze merkwaardige voorvallen.   Op de Gentse Feesten ergens in de jaren 70/80, kwam iemand op het lumineus idee om het wildplassen tegen te gaan door de bouw van een grote citroenpers.  Het ding kreeg ook een naam: de 'pistron'.   Aan een centraal roterend gedeelte hingen hokjes met pisbakken.  Om de paar minuten begon het gevaarte te draaien en werden de bakken gespoeld met citroengeurwater. Degenen die dan net aan hun kleine boodschap begonnen waren moesten mee stappend verder plassen.   Zeer onlangs dacht ik op de E40 een kermisattractie voorbij te rijden.  Tot mijn grote verbazing was het de ‘pistron' , hij bestaat dus nog na al die jaren! Hoe ze het ding gaan ‘moderniseren’ om er zittend te kunnen plassen is mij een raadsel.   In lagere scholen heeft men al geruime tijd bedacht om pisbakken op verschillende hoogtes te plaatsen zodat de kleintjes niet op hun tippen moeten staan en de groten niet door de knieën hoeven te gaan.    Ook weer in Gent had men daar reeds een goedkopere versie voor bedacht, met name in het sanitair van een bekend studentencafé.  Daar hing een gewone regenpijp tegen de muur die links hoog en rechts laag hing zodanig dat iedereen aan zijn trekken kwam.  Pikant detail:  aan de rechtermuur aan het uiteinde van de regenpijp hing een spiegel!   Steeds in de zeventiger jaren kwamen de elektronisch gestuurde spoelbakken op de markt. Zelf maakte ik er voor het eerst kennis mee in een nieuwbakken tankstation langs de autoweg.  Na mij vruchteloos te hebben afgevraagd waar de drukknop zat voor de spoelbeurt, zette ik geërgerd een stap achteruit.   Plots zag ik op het schermpje boven de pisbak een groen lichtje aanflitsen en begon het water mijn plas weg te spoelen.  Bij het handenwassen bleek  het kraantje warempel vanzelf te lopen van zodra men er de handen onder plaatste .  Aan de toiletdame zei ik bij het betalen dat ik er niet zo van hield om gefotografeerd te worden tijdens het urineren en vroeg of ik dan de foto kon krijgen.

Vic de Bourg
10 1

De bonnetjes van Rudi

Het enige wat je op dit schrijversforum kan doen als je iemand van antwoord wil dienen is zelf een stukje schrijven en een titel bedenken die de aangeschreven schrijver hopelijk opvalt.   Zo heb ik ooit een Ierse hooligan die van ‘ons’ platform misbruik wou maken het zwijgen kunnen opleggen, weliswaar met medewerking van de initiatiefnemers.   Maar ik ging het over de bonnetjes hebben van Rudi, een columnschrijver die deze week terecht een tip verdiende.  Naast de inhoud van zijn teksten apprecieer ik ook dat Rudi weet wat hij wil.  Dat is columns schrijven, het genre dat hij steevast verkiest.   Ook al zijn de verhalen meestal kort,  soms flitsig.  Ook al heeft het proza een grote autobiografische inslag of zou het als scenario kunnen dienen.  Ook al hebben de teksten iets jeugdigs of kunnen ze op een podium worden voorgelezen of zijn ze soms poëtisch.  Neen.  Rudi laat zich niet, zoals vele Azertyfactorcollega’s, verleiden om onder zijn teksten een mengelmoes van genres te vermelden. Column, punt uit.   Maar ging ik het niet over zijn bonnetjes hebben?   Er is goed nieuws, Rudi.  Een bekende supermarktketen reikt sinds de oprichting van zijn biowinkels kaarten uit die meteen alle promoties bevatten.  Ook al krijg je nog bonnetjes in je brievenbus, je mag ze meteen weggooien en hoeft ze niet mee te nemen naar de winkel.  Het is allemaal gedigitaliseerd.   En er is nog meer! Dezelfde keten, die ook nog buurtwinkels, benzinestations en zoveel meer uitbaat, heeft onlangs de enige en unieke aankoopkaart ingevoerd die in al haar vestigingen geldig zal zijn, bonnetjes incluis.   Wat ik vooral niet wil is hiermee enige reclame maken voor de bewuste supermarktketen want  het werd hoog tijd dat zij een halt toeriepen aan de grootscheepse volksverlakkerij met hun eeuwige bonnetjes.  Studies hadden namelijk uitgewezen dat de Belg zijn bonnetjes wou, basta.   Hoe dikwijls heb ik aan de kassa’s gemerkt hoe, vooral oudere mensen, een bonnetje onverrichterzake inleverden omdat zij de hele kleine tekst niet hadden gelezen (of niet konden lezen), die meldde dat  je pas recht had op de reductie bij afname van een minimumhoeveelheid.   Zelf heb ik ook altijd willens nillens bonnetjes uitgesneden en verzilverd en om mij te troosten vertelde ik aan wie het horen wilde dat ik er de helft van mijn woonst had mee kunnen financieren.   Ik heb opgelucht adem gehaald toen ik mijn “all-in” kaart kreeg van dat ene bedrijf.  Binnenkort zullen de andere ketens zonder twijfel volgen, temeer daar ik nu het frauduleuze karakter van de bonnetjes onder de aandacht heb gebracht.   Met deze column wil ik er bij de ‘bazen’ van Azertyfactor (nogmaals) op aandringen om via het forum ook een gelegenheid tot communicatie tussen schrijvers aan te bieden.   

Vic de Bourg
0 1

Q van THE UNITED  QUEENDOM

(uit “verhalen van A tot Z”)   The UK in a nutshell    Van boven naar onder, van links naar rechts….   Wie op de kaart van Engeland een kruis tekent,  vindt  op een wip al deze bestemmingen terug : London – Glasgow – Leicester – Great Yarmouth – Cardiff – Leeds –Brighton.   Dit zijn nabeschouwingen bij een  businesstrip uit 1972 door het land waar de beste comedyseries vandaan komen en waar toen nog lang geen sprake was van een ‘Brincome’.   Met een Sabena Boeing  naar Gattwick,  dan van Londen met een BEA Trident naar Glasgow en nog diezelfde avond in een propellervliegtuig naar Leicester, of all places.   Tijdens de  eerste vlucht krijgen we koffie met een koekje, tijdens de tweede een sandwich met drankje maar in het derde vliegtuig , wanneer  luchtzakken pas écht voelbaar zijn, wordt een volledige warme maaltijd geserveerd.  Hoe krijgen zij het  voor mekaar?   Ik denk in Glasgow aan mijn vroegere leraar Engels.  Hij wist dat de Schotten niet ‘Church’ maar ‘Keurk’  zeggen en leerde ons  ‘Auld lang syne’  zingen.  Het wijsje kenden wij van de Vlaamse versie  ‘Ik zeg u geen vaarwel mijn vriend’.   De man was tot tranen toe bewogen toen zijn studenten uit volle borst het lied telkens hernamen,  terwijl de rest van het schoolgebouw zich afvroeg wat er in godsnaam gaande was.   In Leicester waag ik het  per auto naar de volgende bestemming te rijden.  In de knalrode huurwagen zoekt mijn rechterhand tevergeefs naar de versnellingspook. Als het stuur rechts staat zit de pook natuurlijk links.  Het went snel, maar op de kleinere verbindingswegen blijft het opletten geblazen.  ‘The right (juiste) side is the left side:  spooky !’   Geamuseerd denk ik aan de grap waarin wijlen Mobutu  na een staatsbezoek aan de Engelse Queen besloot om in Zaire ook het links-rijden in te voeren en bedacht had om met de vrachtwagens te beginnen.  Een maand later zouden de personenwagens volgen.    Spijtig dat men op affiches geen afbeeldingen mag gebruiken  van Royals.  Anders kon men langs de snelweg naar de Kust  foto’s van de  Queen  hangen met het opschrift  “In my country, continuously driving on the left side is right – in your country it is wrong ! Rij rechts - Roulez à droite!”   Zulke campagne zou  zondagsrijders viseren die zich op de snelweg op het middenvak  neerpoten om er pas af te gaan als ze de zee ruiken.   Mijn hotel in Great Yarmouth ligt ook aan zee. Het is een oergezellige cottage waar naar Engelse maatstaven het eten  opmerkelijk doenbaar blijkt. Er hangt een onwezenlijk licht boven het water en vanuit de diningroom kan men het ongerepte strand overschouwen.  Na de ingespannen autorit wil ik een opkikker, het wordt een Irish Whiskey.   In de lezersrubriek van een weekblad  voor  expats vroeg een dame ooit naar het recept voor Irish Coffee.  Een Ierse dame zei dat  “strong coffee, whipped sour cream, sugar and Scotch Whisky “ onontbeerlijk waren.  De eerste dame is verwonderd dat men in Ierse koffie Scotch Whisky gebruikt, waarop de Ierse antwoordt  “Irish Whiskey is far too good to pour into coffee!”.   Bij het overhandigen van mijn kamersleutel brabbelt de receptionist mij iets toe.  Ik ga ervan uit dat het een lokale formule is om mij goedenacht te wensen maar vraag in mijn mooiste Queens’ English om te herhalen.  “Et wot teim dojoe ont joor urlie orning tie, Sir ?”  Alleen de “Sir” versta ik  en pas na de vijfde poging begrijp ik dat hij wil weten wanneer ik morgenvroeg mijn eerste tas thee wens.   Als ik zeg niet te weten wat hij met die thee wil, ik drink zelden thee, antwoordt hij dat ik bij het inchecken  een ‘wake up call’ vroeg.  Bij hen bestaat dit erin dat iemand aanklopt en je een ‘early morning tea’ serveert.  Even later zit je dan voor spek en bonen aan jouw ‘cooked English breakfast’.  Waar de Britten groot in kunnen zijn !   Ik houd de levengevaarlijke autorit voor bekeken en reis per trein  naar het andere uiteinde van het land, de ‘Welshe’ hoofdstad Cardiff.  Door mijn kortstondige bliztverblijven  mis ik veel, maar pas tien jaar later zal de BBC Cardiff Singer of the World Competition uitgroeien tot de meest prestigieuze in de operawereld.   Wat ik niet mis bij mijn terugkeer in Londen is het Palladium. Op zoek naar een restaurant loop ik in het beroemde West End  voorbij deze kunsttempel en merk dat het ballet Romeo  &  Juliet op muziek van Prokofiev wordt uitgevoerd in een topbezetting en  een choreografie van  de wereldberoemde Russische danslegende Rudolf Nourejev.  De voorstelling begint binnen tien minuten en is uitverkocht.  Toch waag ik mij tot aan de kassa en heb prijs.  Niet in de ‘Stalls’, niet in de ‘Royal Circle’ maar in de ‘Upper Circle’ zit ik even later in de vrijgekomen tweeduizend tweehonderd zesentachtigste zetel , hoog boven in de nok van het Theater.  Tot op vandaag bedenk ik bij het horen van de passage ‘Dance of the Knights’ hoezeer deze prachtuitvoering indruk op mij maakte en ik toen geen seconde spijt  heb gehad ze voor mijn avondmaal in te ruilen.   Aangaande dat avondmaal valt ook nog wat te vertellen maar eerst  over de treinreis van Cardiff  naar Londen. Na de overstap in Leeds bevind ik mij in een lege coupé.  Het is een van die heerlijke treinen uit de films,  waar een lange gang via schuifdeuren toegang verschaft tot afzonderlijke compartimenten.   Een  Aziatisch type loopt  tot drie maal toe voorbij mijn coupé.  Telkens tuurt hij binnen maar als ik naar hem opkijk wendt hij snel het hoofd af.  Eén keer blijft hij kijken en zegt: “Hi.” Ik antwoord: “Hello.”, maar dan loopt hij door.  Hij is groter dan de doorsnee Aziaat en heeft een donkere sluikse haardos. Hij is jong, net als ik trouwens, ik ben net de 26 voorbij.  Ik zet de schuifdeur  open en neem mij voor hem bij de volgende passage aan te spreken.  Hij komt niet meer , dus verdiep ik mij in mijn lectuur en  het voorbijglijdende immer groene landschap.    Even voor wij de stad binnenrijden wordt omgeroepen dat onze trein niet in Victoria Station zal toekomen maar wordt omgeleid naar een ander station.  Bij het uitstappen zie ik hem weer.  Ik neem hem nader op en merk,  vooral aan zijn twee metgezellen, dat hij uit Japan afkomstig is.  De twee kompanen  zijn meer dan dubbel zo oud als hij en reiken amper tot zijn schouders.   Aan dit station is het aantal taxi’s beperkt.  In de rij wachtende reizigers sta ik plots achter de drie Jappen.  De twee oudere mannen stappen in een taxi en de jonge man draait zich om naar mij en vraagt in onberispelijk Engels “if I want to share their cab?” Ik twijfel geen moment.    Wij praten over koetjes en kalfjes.  Geen sprake van dat wij naar hun hotel rijden;  ik wordt eerst aan het mijne gedeponeerd. De twee oudere Jappen verstaan geen jota Engels.  Na het vertalen wordt telkens met veel hoofdgeknik  ingestemd.  Het gesprek verloopt steeds  gemoedelijker  en al snel test ik mijn verworven Engelse humor uit op de innemende  jongeman.    Waar men in Londen  naar toe wil, telkens slagen de taxichauffeurs erin voorbij Buckingham Palace te rijden.  Ik vraag aan de jonge Jap of hij weet wie er in dat grote huis woont ? Hij aarzelt, waarop ik vlug zeg : “It’s the house of my friend Liza.”  Opnieuw twijfelt hij maar begrijpt  dat ik Elisabeth, the Queen, bedoel.  Hij vertaalt en de tot dan toe zo gereserveerde ouderlingen schateren het uit.   Overmoedig door dit succes vraag ik of zij de naam van het gebouw kennen ?  Ik geef ze  geen kans om te antwoorden en zeg “F….ingham Palace.”  Doodse stilte, ik besef dat deze oude studentengrap misplaatst is. Dan volgt kort heen en weer gepraat en plots besterven de drie het van het lachen. Wie durft beweren dat Aziaten geen gevoel voor humor hebben?   Ik heb spijt wanneer de taxi halt houdt. Met die Japanse Adonis had ik wel een avondje op stap willen gaan.  Ik ben net op tijd alvorens de keuken sluit van mijn hotel-restaurant.   De avond nadien, na mijn  balletorgie in het Palladium, kom ik te laat in hetzelfde restaurant.  Verderop knippert een helgele lichtbak ‘Wimpy  Bar’.  Het is een slechte doorslag van wat een betere snackbar  hoort te zijn.  Het enig eetbare voedsel op de kaart is een omelet.  Ik krijg er frieten bij of wat er moet voor doorgaan : bijna rauwe aardappelrepen druipend van het vet .  Welgeteld twee eet ik op om het later te kunnen navertellen.  Ook dit is Brits: van de meest verheven kunst naar de diepste knoeiboel op culinair vlak.   Met een ontregelde maag neem ik ‘s anderendaags toch een stevig ontbijt, zowat de enige maaltijd waarmee men in dit land niet al te veel risico’s loopt, de warme bonen in tomatensaus , blijven  onaangeroerd.   Op naar Brighton.  Dit is een van de bekendste  badsteden van Engeland.  Ik vraag me af wat Britten in Oostende zoeken als  men deze prachtstad doorkruist.  De zon schijnt en ik waan me aan de Franse Riviera. Later vind Ik warempel een lekker restaurantje , of is de chef een overgezwommen  fransman?  Wat dat met een mens kan doen, ik neurie zowaar “always look on the bright side of live.” Tenslotte ben ik in Brighton.   Terug bij ‘af’ in Londen, vraagt  mijn laatste’ business appointmen’t waar ik vandaan kom en vervolgt:  “Let me guess.”  Hij gokt dat ik uit de Midlands kom.  Ik vertel hem over mijn verblijf in Leicester en  dat ik niet uit dié Midlands kom maar wel uit ‘Flanders’ .  Hij bekijkt mij achterdochtig.  “Where poppies grow in Flanders’fields ? That Flanders ?” “Yes, sir, that Flanders, at the other side of the water. “ Hij lacht ongelovig en looft mijn kennis van zijn moedertaal.  De flegmatieke stijve Londenaar ontpopt zich snel tot een ‘most likeable bloke’.  Hij wil alles weten over mijn trip door zijn land.   “Did you like your stay  after all ?”, vraagt hij bij ons afscheid.  Ik zeg hem dat ik “besides the far from yummy food” ,zowat van alles heb genoten.   Als ik later op het vliegtuig stap krijg ik een ‘big smile’ van de air hostess .  Ik draai me nog even om en fluister: “Goodbye Albion.”   Inmiddels zit de legendarische Queen al 65 jaar op de troon en moeten wij straks wennen aan de Brexit.  Alles bij het oude laten?    You really want to get the decision right if it's for all eternity, right?

Vic de Bourg
0 0

Verrassend Brussel

Het is waar, je was de stad wat moe.   Ze bruist nog hier en daar, maar de slechte smaak overheerst. Kijk maar naar de wansmakelijke kerstversiering van de laatste jaren en de vreselijke disco-light-show op de Grote Markt.   Je hebt jezelf gedwongen om met een schrijfkans mee te doen waardoor je op een voordrachtnamiddag belandt in het hart van de stad. Je nodigt iemand uit die al te graag een stukje van Brussel wil zien.   Het weer valt tegen en maakt de stad nog troostelozer.   Maar dan volgt een eerste surprise. Je ontdekt een winkel op het Vossenplein. Het blijkt een schatkamer aan kledij uit vroegere tijden. Hier zou je nog uren kunnen rondsnuffelen. Van hoeden met veren en jurken waarin diva’s ooit op de Brusselse podia schitterden tot zware kazuifels waarin kerkoversten pronkten in Brusselse kathedralen.   Bij het verlaten horen geestdriftige klanten het slechte nieuws:  de zaak sluit weldra de deuren.  Moet dit niet beschermd worden en tot werelderfgoed uitgeroepen?   Na balletjes met stoemp en kriek in ’t Goudblommeke,  één van de pareltjes uit het Brussels verleden volgt de voorleessessie  en een gastbabbel over haar Tutti Fratelli project van de iets ruwer ogende maar niet mindere diva Rheinhilde Decleir.  Met haar obligate bloem in heur haar zingt ze een liedje uit haar Nieuwe Sceneperiode. In het Aantwaarps, of wadachte?  Zij zou nog staan in één van de ruimere  jurken van daarstraks, de kazuifels niet te na gesproken.   Iets later glijd je over het eerder genoemde mooiste marktplein van Europa.  De kinderkopjes zijn glad van het vocht. Een troost:  gelukkig is de kerstboom echt.   Onbewust stap je nu in de goede richting.   In de Koninginnegalerij is de kerstversiering iets smaakvoller, dat mag ook wel in dit peperdure winkelcomplex.   Eindelijk dan toch een stukje authentieke kerstsfeer:  in de prinsengalerij verrast  een heus mannenkoor je met kerstliederen.   Je vervolgt je tocht en dan krijgt het onbestemde ronddwalen plots een doel:  ‘A la Mort Subite’, een tweede parel aan de Brusselse kroon.   Beroemdheden zijn en waren er kind aan huis, waaronder Maurice Béjart, Franse choreograaf, die de danswereld in België tot ongekende hoogten tilde.    Hier is geen muziek, dit is een praatcafé, een ontmoetingsplek bij uitstek waar men hoofzakelijk komt  om:   gezien te worden, te discussiëren, te zwansen met het toffe personeel, te genieten van de beste bieren die België te bieden heeft.   Je zet je snel aan het eerste vrije tafeltje bij de ingang naast het koppel waarvan de vrouwelijke helft perfect beantwoordt aan het eerste criterium: opvallen!   Een sympathieke pinguïn-ober ruimt het tafeltje.  Er is teveel tocht en je verzet je naar de tafelrij in het midden van de zaak. Ondertussen is het koppel vertrokken.  Nu zit er een oudere dame in haar eentje  naast een foto van de jonge Jacques Brel. Ze praat aldoor in zichzelf,  neen ze heeft géén gsm,  maar weet zo dat ze het tenminste tegen een intelligent persoon heeft en bevestigt op die manier het tweede criterium: discuteren!   Je bent van plaats veranderd waardoor de eerste ober je zoekt en met een kwinkslag overdraagt aan zijn collega van de middenbeuk.  Het derde criterium is een feit: zwansen!       Het is straks Kerstmis, dus kies je een Barbe de Noël van de Brouwerij Verhaeghe.  Goede keuze, zo blijkt en meteen is het vierde criterium beslecht: genieten!   Drie tafeltjes verder krijg je plots een groepje jonge mannen in het vizier.  Eén ervan kijkt je kant op en dan merk je het.  Voor alle zekerheid kijk je nog eens richting de oude dame aan de ingang, die nu, nog steeds pratend, aanstalten maakt om te vertrekken.  Er is de foto van Brel en nu weet je het zeker.  De jongeman lijkt, althans van ver, sprekend op  Brel.  Als hij dan ook nog een onaangestoken sigaret in de mond neemt en je hem zijdelings bekijkt, lijdt het geen twijfel.  Dit is de ‘sosie’ van de jonge Jacques.   Als Kerstekind kan dit tellen.   En dan besef je:  hoe je het ook draait of keert,  Brussel verrast altijd weer.      

Vic de Bourg
0 2

Remember Toots

Hoe fier ben ik, dat ik het je, haast twintig jaar geleden, zelf heb mogen en durven vertellen. Het verhaaltje van mijn schoongrootmoeder.    Jij was te gast op de stand van een luxemerk op het autosalon te Brussel. Toen ik met een vriend langs de andere kant van het afscheidingstouw voorbij wandelde, zagen en begroetten wij je.  Je was de eenvoud zelve en in plaats van op ons neer te kijken, zoals  vele andere grootheden zouden doen, groette je hartelijk terug en wenkte ons.  De securityman wist ook wie je was en liet ons tegen zijn zin op jouw wenken door.   Jouw warme handdruk, je eeuwige “smile”, het glas dat wij samen dronken – het is een herinnering om te  blijven koesteren.  En jouw muziek natuurlijk.    Toen vertelde ik je de “story” van mijn bejaarde “grand mother in law”.  Zij keek maar naar één TV kanaal maar telkens  ze je zag,  vond ze er maar niks aan.  Zo een oude man die op een speelgoedharmonica muziek maakte.   Je kon er hartelijk om lachen want je wist beter dan wie ook dat dit kleine instrument jou wereldberoemd had gemaakt.   Van dat beroemd zijn hield je niet en “you could not care less”, dat je geadeld werd lachtte je weg met  “je suis le Baron des Marolles”.  Of het de grootste muzikanten ter wereld waren of de ketjes uit jouw geliefde Brussel, het waren allemaal “copains” en “best friends”.   Vele bewonderaars zullen vandaag een traan wegpinken en denken aan een of andere attentie die ze van jou mochten ontvangen of simpelweg wegdromen bij de heerlijke muziek die je aan vele generaties hebt cadeau gedaan.   Merci, Toots, ge waart nen toffe pee en wij zaain gielegans geperturbeet en van os melk moar we zaage en hoerdege  a zuuu geire !   

Vic de Bourg
0 0

U van” om U tegen te zeggen”.

(uit “verhalen van A tot Z”)   (Deze tekst verscheen in “Verzin” met commentaar van Vitalski. Dit is de aangepaste versie met dank aan de commentator)   Etiquette en waar het toe kan leiden   Ze was Franstalig maar bezat genoeg kennis van de Nederlandse taal (zij het met zware Antwerpse tongval) om in een privéschool  te mogen doceren.   Haar cursus heette “sociale relaties” .  Vermits er in de Nederlandse taal over protocollaire regels en voorkeuren geen boek bestond,  nam de docente het initiatief zelf een cursus samen te stellen.   Ook in haar schrijftaal was het Aantwaarps niet veraf  (manlief was afkomstig van een welgestelde Antwerpse familie).  Op de sympathie van haar studenten kon zij alvast rekenen.   Terecht werden de leerlingen er op gewezen dat weinigen het voorrecht kregen om tijdens de lesuren “manieren te leren”.   Tijdens de (soms hilarische) colleges  werden de gekste thema’s aangesneden.  Allen even voor de hand liggend maar wie kende de regels  en wie durfde het aan om ze aan jonge twintigers open en bloot voor te leggen ? Daarom verontschuldigde zij zich meermaals alvorens een delicaat onderwerp aan te boren .   Zo stond er letterlijk  (inclusief taalfouten)  :   Citaat:  “Wil U mij nu verontschuldigen voor het eerder delikate onderwerp dat ik thans ga aansnijden.  Wanneer de heren naar het toilet gaan, klappen zij de bril op.  Zij kontroleren hun handelingen om geen onprettige overstromingen te veroorzaken.  Zij knopen hun broek volledig dicht vooraleer het toilet te verlaten.  Niets is onaangenamer dan heren uit het toilet te zien komen terwijl zij nog hun hemd in hun broek steken of hun broek dichtknopen en naar U toe komen om U de hand te geven.  Het komt nochtans veel voor “ .   Of dit citaat : “ op internationaal vlak zult u verder geraken wanneer U niet de indruk geeft een onbehouden boer zonder fijnheid te zijn”   Iemand als wijlen JL Dehaene, die er allicht niet fier op was,  maar die het verder weinig kon schelen dat hij als een bullebak overkwam,   zou baat hebben gehad bij haar lessen.  De schade die dit aanbracht aan de politiek, de internationale uitstraling van het land en de dagelijkse omgangsvormen (als de premier zo is mag ik ook zo zijn…) was groot.  Men kan zich afvragen of  de vele verdiensten van de man die schade enigszins heeft beperkt.     Mevrouw,  uw naam zal hier uit discretie niet genoemd worden maar vele studiegenoten zullen u uit bovenstaand verhaal herkennen.  Of uw lessen nut hebben gehad ?  Wel, ruime tijd geleden was de schrijver van deze lijnen op een receptie.  Nadien kreeg hij via via te horen dat hij in alle modestie toch was opgevallen.  De organisatrice, een Franstalige dame,  beschreef uw vroegere student als iemand met “prestance”.  U heeft bij dit woord  geen verdere uitleg nodig.   De taal in uw cursus liet wat te wensen over  maar ook vele jaren later staan een aantal waarheden nog als een paal boven water.  Wees ervan overtuigd dat de basis van die prestance in uw lessen werd gelegd.     Destijds waren uw andere activiteiten  niet gekend, maar dat u daarvoor in de adelstand werd verheven heeft uw oud-leerling niet verbaasd maar wel juist zeer verheugd.  U werd een terechte barones, om U tegen te zeggen.    

Vic de Bourg
0 2

Aanhalen

  Hoe hard valt het ontwaken als de geliefde uit jouw droom is heengegaan. Hoe kort het elkaar vinden was, zo eeuwig zal het afscheid duren. Hoe makkelijk  je ook herleeft, wat je achterlaat  komt steeds hard aan.    naar Tyga:   The hardest part of dreaming about someone you love is waking up to see that person gone. You know it, if it takes seconds to say hello , it takes forever to say goodbye. Moving on is easy, but what you leave behind is what makes it hard. )                                                           *    *    * Hoe gelukkig is degene die iemand gekend heeft van wie het moeilijk viel afscheid te nemen.   naar A.A.Milne – Winnie-the-Pooh:   How lucky I am to have known someone who was so hard to say goodbye to                                                         *    *     *   Le souvenir d’un moment peut importer plus que le moment vécu. Le vrai sens d’une expérience est d’en fabriquer un souvenir, d’en méditer,  d’en réfléchir. Il ne faut qu’une poignée d’événements, quelques endroits, odeurs, couleurs, bruits et impressions, pour déterminer l’histoire d’une vie.    Remembrances may be more important than experiences.  The true sense of an experience is to turn it into a memory, to meditate and reflect about it. You only need a few encounters, some places, smells, colours, noises and impressions to nourish the rest of your life.   naar Robbert Welagen  uit “Verre Vrienden”  – p119:   Misschien is het terugdenken aan een tijd belangrijker dan het beleven van die tijd. Daarvoor hebben gebeurtenissen plaats gevonden : om ze te herinneren, te bespiegelen en erover te mijmeren.  Je hebt maar een paar gebeurtenissen nodig, een handjevol plaatsen, geuren, tinten, geluiden en indrukken, als brandstof voor de rest van je leven.                                                          *    *    *

Vic de Bourg
0 2

Alleen maar niet zo eenzaam

Alone but not so lonely...   De Amerikaan Chris O’Leary was maandag een tijdlang de enige passagier op een vlucht van Cleveland naar New York.   Dit was een krantenkop op 13 januari 2015. De Fransen noemen het:  " l’histoire se répète " of een " déjà vu ".  Ik heb het anno 1974 niet in de gazet gezet, maar nu kan ik niet meer achterblijven.   Toen er nog een Oost- en West-Berlijn bestond mocht om een of andere reden enkel de Duitse Lufthansa op het vliegveld Tempelhof in West Berlijn landen.  Haast alle internationale vluchten moesten dus eerst naar een andere Duitse luchthaven vliegen en de passagiers moesten daar op een Lufthansa-vlucht overstappen. Destijds moest ik voor een korte zakenreis naar Berlijn en vanuit Brussel vloog ik over Frankfurt.    De bovengenoemde regel was net voordien opgeheven, waardoor er plots ook andere vliegmaatschappijen toegelaten werden.  Zo merkte ik pas in Frankfurt dat er voortaan een rechtstreekse verbinding Brussel-Berlijn-Brussel bestond verzorgd door de inmiddels failliete Pan Am. Ik kon zonder probleem mijn terugvlucht omboeken en spaarde zo voor de terugreis ruim een uur.   Buiten enkele uitzonderingen waren de meeste aankomsten en vertrekken in West Berlijn logischerwijze inlandse vluchten. Met de Pan Am vlucht veranderde dit en werd mijn terugvlucht een internationale vlucht met als gevolg dat ik recht had op aankopen in de “Freeshop” van de luchthaven.   Toen ik bij de balie kwam om mij in te checken werd ik door het Pan Am personeel super enthousiast ontvangen:  ik was namelijk hun eerste en voorlopig enige klant voor deze vlucht.   Even later werd mijn naam afgeroepen met de vraag om mij naar de “Freeshop” te begeven mocht ik geïnteresseerd zijn om aankopen te doen.  De shop werd inderdaad alleen voor mij geopend want ik was de enige passagier op een internationale vlucht.   In de shop zag ik even later nog twee reizigers die uit het Midden-Oosten kwamen.   Bij de check-in werd er gegrapt over welke plaats ik in het vliegtuig verkoos: aan het raampje, rokers of niet-rokers?  Vermits het vliegtuig willens nillens in Brussel moest zijn voor de heenvlucht van de volgende dag zat ik, behalve het personeel, dus moederziel alleen op de terugvlucht.    Het was nog in de tijd dat gratis drank werd aangeboden en dat men op het vliegtuig zelf sterke drank, sigaretten en parfumerie-artikelen taxfree kon kopen. Zodoende had ik drie airhostessen ter beschikking.  Eentje om de champagne te bedienen, eentje om een klein hongertje te stillen en een derde die mij langs alle kanten volspoot met geurtjes van eau de toilettes van de bekendste Franse parfumiers.   Pas toen we in Brussel landden zag ik dat helemaal achterin de twee Arabieren uit de Freeshop lagen te slapen.  Ze wisten niet wat ze gemist hadden en wreven de ogen uit toen ze door drie uitzinnig vrolijke hostessen gewekt werden, of waren ze met vier? Soit.   Zodus Mister Chris O’Leary, (de twee slapende quantités négligables niet te na gesproken) : waar had u het over???    

Vic de Bourg
0 1

Het  Lonkerke –

(naar een Beeldexpress foto maar er waren meer dan 16 lijntjes....dank zij Guido Gezelle)   O Krinklende winklende waterding gij hebt geen kabotseken aan, wat zien ik toch geren uw kopke flink met dotje in ‘t waterke gaan! Gij leeft maar gij roert en beweegt niet snel, al zie ‘k u toch arrem toch been; gij wendt en gij weet uwen weg zo wel, al zie ‘k u twee ooge, geen één. Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn? Verklaar het en zeg het mij, toe! Wat zijt gij toch, blinkende dotje fijn, dat nimmer van lonken zijt moe? Gij kijkt over ’t spegelend water klaar, en ‘t water nog meer en verroert dan of het een gladdige windtje waar, dat stille over ‘t waterke voert. O  lonkerke, lonkerke zegt mij dan, net twintig of zijt gij al meer, en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: wat lonkt en wat kijkt gij zo zeer? Gij kijkt, en ‘t en staat in het water niet, gij lonkt, en ‘t is uit en ‘t is weg; niemand en weet er wat dat bediedt: och, lonkerke, zeg het mij, zeg! Zijn ‘t visselkes daar ge naar kijken moet? Zijn ‘t plantjes daar ge naar kijkt? Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet, of ‘t water, waarin dat gij zijt? Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep, of is ‘et het blauwe gewelf, dat onder en boven u blinkt, zoo diep, of is het u, lonkerke zelf? En t krinklende winklende waterding, met ’t zwarte dotje in ‘t haar, het stelde en het rechtte zijne oorkes flink, en ‘t bleef nog een stondeke maar: Ik kijk," zoo sprak het, “al krinklen af het gene mijn Meester, weleer, mij makend en leerend, te lezen gaf, één lesse, niet min nochte meer; ik kijk, en kunt gij die lesse toch niet lezen, en zijt gij zo bot? Ik kijk , herkijk en lonk er nog, naar Guido Gezelle, mijn God!"

Vic de Bourg
0 1

HOBELILAND (*)

Ode aan de Nollander    “HOBELILAND” (Holland Belgie land) – Karnavalschlager in spé   Refrein: (gezongen bij aanvang en telkens tussen elke strofe)   Ochottekestoch tisniewaarzeker waarzemmemeebezig, waarzemmemeebezig ? Ochottekestoch tisniewaarzeker waarzemmemeebezig? Hou toch op !   Een hoge piet uit Belgenland, die zei eens met een zucht Zijn naam is welbekend, hij rijmt ook op berucht Vond dat ie wat moest doen, aan ‘t Oranje blazoen Hij noemde hem een stijve hark, neen dat was geen fatsoen Dat mocht hij echt niet doeoeoen !   Ochott…   Naar Brussel uit den Haag, komen zij op bezoek Wat krenterig, maar graag, met muisjes of een koek Dan vinden zij het fijn, om bij den Belg te zijn Pintjes bier, zakskes friet, cervela zonder vel Dat  lusten zij echt wèèèèèl !   Ochott…   Het liefst voor niet veel geld, maken zij hier plezier Zeer spaarzaam steeds geweest, twee rietjes en één bier Het Zilvermeer in Mol, wordt de Costa del Sol Lawaaierig, Poep op de stoep, het antwoord op de vraag ? Wij zien hen echt heel gràààààg !   Ochott…   Hartstikke is hun woord, met leuk er bovenop De Moerdijk is niet hoog, ze klimmen tot de top Kroketje uit de muur, dat is beslist niet duur Goedkope grond, belastingsvrij, wat wil je nu nog meer ? Zij komen telkens wééééér !   Ochott…   Elk liedje heeft een end, dat zal nooit anders zijn Zing daarom al te gaar nog éénmaal ons refrein : Oooooooooooochotekestoch, enz…..     (*) Op toon van ongeveer Lilly the Pink    

Vic de Bourg
6 0

The American (Dream) Shame

Trump (zoals in olifant) - versus - Hillary (zoals in hilarisch)   Heden ten dagen vindt men alom verspreid opiniestukjes over de Amerikaanse presidentskandidaten.    Trump krijgt het er, terecht, stevig van langs.  Dikwijls ontbreekt  een mening over het alternatief Clinton.  Waarom trouwens Clinton ?  Zij heet Hillary Rodham en dus gebruikt zij de naam van haar eens zo ontrouwe wederhelft enkel voor strategische of marketingoverwegingen.   Ook al deed Obama het protocollair volledig fout toen hij een toast wou brengen op de Queen en beging ook zijn first lady een slipper  toen zij de legendarische vorstin,  zeer ongepast,  maar wel vriendschappelijk bij de heupen nam,  zij hebben beiden “stijl”.   Noch boerenkinkel Trump noch Hillary zie ik het nadoen.   Erg bij de pinken op zijn negentigste, zei wijlen mijn schoonpa ooit  “Wat een wijf, die Hillary”, en hij bedoelde het in de slechte betekenis van het woord.  Dus anders dan Bill, wanneer hij het over “my wife” had. Mijn schoonvader was niet zo gebrand op haar vreselijk plat Amerikaans accent en haar allesbehalve gracieuze voorkomen. Ook al heeft zij er de laatste maanden hard aan gewerkt, het is niet met het inhuren van een Amerikaanse versie van Jani Kazaltzis dat ze het kan redden.   Waarom is het zo aartsmoeilijk om mensen met stijl te vinden in de V.S., laat staan een president? Wat in het oppermachige Rusland of zelfs in veel minder machtige Afrikaanse landen kan, moet  in de supermacht  van onderontwikkelde Trumps toch ook kunnen?   Daarom pleit ik voor een terugkeer naar de “Constitution” van vóór Franklin Roosevelt toen een president nog voor meerdere ambtstermijnen kon herkozen worden.  Hoe is het trouwens mogelijk dat  er in geen van de 50 staten niet één fatsoenlijk mens aan de bak kan komen.   In ons 3 substaten-landje zijn wij dan toch beter af, niet ?  

Vic de Bourg
0 0

Mao was een chinees

Rijp voor opname in het “Gele Boekje”   Neuke Soms komt het als extra  bij hemd en jas Heeft niets de doen met voortplanting Maar alles met vlinder en das.   Koffieprut Het scheelt maar een letter met Koffiepreut Dat is volgens schrijver HB  een vrouw die verzot is op koffie Met andere woorden een koffieleut.   Dank Het scheelt maar twee letters met Stank Dat is wat schrijver HB soms krijgt Voor zijn zoveelste zeikerig boek.   Bleiten Het scheelt maar twee letters met Blèren Van Dale omschrijft het als blaten van een wijfjesdier Maar de ene is al een grotere geit dan de andere.   Dichten Bekend door poëten die rijmen Maar hij die geen rijmtalent had Deed het met de vinger in ’t gat.   Po-épen Het scheelt maar een letter met Poëten In Nederland draait het om uitwerpselen In Vlaanderen om bekakte dichters met een neuke (zie hoger).   Stommerik Onze Rik kon niet praten dus was hij stom Maar kijken deed hij voor twee Boven zijn optiekzaak in Brussel Prijkt  in neonletters  ’t opschrift : “Au Petit chien “   Vogelen In Nederland oude meervoudsvorm van gevleugelde dieren In Vlaanderen een werkwoord.   Lekker In Nederland een uitroep bij het zien van een mooi kontje In Vlaanderen dagelijkse kost.   Poep In Nederland stront In Vlaanderen een kont.   Fijnslagerij In Antwerpen “Twie-e schellekes hesp” In Amsterdam “Twee plakken ham”.   Zomer In Schelle bij Antwerpen “Er zit een weps op d’heps” In  Schin op Geul  bij Maastricht “Er zit een wesp op de ham”.   Zomer Westvlaming aan de Belgische kust : “Jes mi zin pupegoale van den diek geploft” Nederlander op vakantie aan dezelfde kust : “Hij is met zijn kruiwagentje van de dijk gevallen”.   Vraag en antwoord V : Wat hangt aan het raam en het blaft ? A:  In VL : een blaffeture       In NL : een rolluik.   Harrie Cotter Stilleven:  er ligt een hoopje prinsessenboontjes op tafel,  één boontje ligt verderop Opgave:  bedenk een naam voor deze compositie   Antwoord  van de Vlaming : “een Boon Apart” Antwoord van de Nederlander :  “Napoleon”        

Vic de Bourg
0 0

Dag Gaston

Veel bekende mensen brengen u vandaag en de volgende dagen hulde.  Alle gewone mensen, die u graag bezig zagen hebben niet de mogelijkheid om u publiekelijk te bedanken.  Zij zaten in hun huiskamers voor het scherm of in de ontelbare zalen die jij hebt doen vollopen.   Van wijlen mijn moeder  en vader en ook van mijn schoonmoeder weet ik het zeker dat je ze deed huilen van het lachen.   Van ontelbare andere mensen ook,  maar dat weet je zelf  wel.   Vandaag bedacht ik wat er kon zijn dat ons op een of andere manier kon verbinden,  zodanig dat ik een goede reden zou hebben om mij te voegen bij de schare Vips en BV’s die je  bewieroken.   Toen zag ik in de krant een affiche van een man met een grote bril.  Het was een onbekend iemand geschilderd door een beroemde schilder-stadsgenoot, die net als jij geboren en getogen is in Antwerpen.  En toen wist ik het.   Al een tijdje geleden kwam ik erachter dat je net dezelfde bril droeg als de mijne. Het montuur en de glazen….krak hetzelfde.    Nu scheel ik wel wat jaartjes met jou maar ik hoor de optieker het al zeggen:    “Gaston, ge stoat er goe mee. Het mokt aa een fameus pakske junger”.     En “Das just!” , dat was niet gelogen.  Je zag er stukken jonger uit en door jouw bril en door jouw pretogen zag men ook jouw jonge ziel.   Enfin,  dank zij onze bril voel ik mij, heel even, speciaal genoeg om  jou in naam van velen te bedanken voor de lach,  en al huilen clowns niet, ook voor de traan.  Merciekes Gaston !

Vic de Bourg
0 0

de Vlaemsche tale

(niet of juist wel voor NL-ers)   Anno 2015 schreef Ann De Craemer in haar rubriek “ Ik hou van taal”  (De Morgen) een tekst in het West Vlaams dialect.  Voor wie die taal niet verstaat, hierbij een poging tot vertaling in een ander Vlaams streektaaltje.   Vruuger in den taid da bieste nog kosten klappen sprak iederiên dialect. Het durp was hiêl de weireld en verder dan de kerk en de café oep den hoek kwamen de mensen nie, en het was dus nie noedig da ge iet anders as dialect kost klappen.   Vandoag is het twieëduzend vuftien en is den taad vriët veranderd.  De weireld is een durp en alleman is mé malkander in contact, en omda we malkander zaë verstaon, klappen we schoên vloms.  Allé of toch iet dat er wa op trekt : de tussentoal, moar nie die Frank en Simmoneke in Thuis klappen.   Ik vin da spatig. Pas oep: ‘k vin het nie persé spatig da de wereld groeter is gewurre dan ’t durp. Ik vin het wel spatig da we daordeur veul schoên woorde van os dialect ont kwèit spelen zen. Pakt na het toltje wo da ‘k in oepgebracht zen. Ik denk dak van de leste generaotie zen die nog de echte woordenschat ken. Veul van mijn kameraoden geven les in ’t middelboar, en ze zeggen da de jong gaste een “bord” giên “talloer” mier noemen en “altijd” zeggen in de pluts van “altaaid”.   ’t Spatige on hiêl die zoak is da de woordenschat van de tussentoal ienheidsweust is en de toal is pertang oep zen shoênst as er wa varioatie in zit. Er zen woorde in veul Vlomse dialecten die ont staarve zen woa da we bij stoan.  ‘k Denk da da een groête rede is veurwa da “Bevergem” oep Canvas zoeveul succes héé : ze klappen doar nog écht West-Vloms en de mensen missen da. Joeng gasten zeggen vandoag “rolluik” mor bei os is da een “blaffetuur”. Ne “sloeber” is ne “pagadder of ne kastaar” , “nee” is “niejet”, een “zadel” is a “zoadel” , “jawel” is “das zeker da” of “joa zenne”, een “mooi meisje” is “a schoê maske” , “spaghetti” das Italiaans en bei os bleft da ’t zelfde, just as nen boterham, doar is toch niks verkierd oan ? “Met volle snelheid”  weurt dan misschien “mé volle vitesse” .  Is da na nie vriêt spatig da al die woorden ont verdwâne zen ? Heet de taol nie viêl mier kleur en reuk me zoên woorden derin ?   ’t Is daorum da die Westvlomse madam nen oproep wilt doen :    Bleft astenblief die woorden gebruike en liert ze on ulle pagadders. Heure professer Nederlands on den unief van Gent hee altei gezee da een kind da in ’t dialect is oepgebracht loater twiêtoalig is, zodus moet niemand zenne neus oeptrekken veur het dialect en denken da ‘t “marginoal” zaa zijn. Dikke ziever. Dialect is rijkdom. Doet dus ulle best en lot os toal die rijkdom nie verlieren. Die Madam van de gazet wilt de moakers van Bevergem bedanken omda ze ’t Westvloms zoe schoën tot zijn recht lot kome. Ze weurt er content van, want as ze het Nederlands mé een schoên huis za vergelaiken dan is het dialect de wermste koamer van da huis en heur familie en beste kamerôden zitten do, bij den open heird en bij t’ vuur en ’t is doar altaid vriêt gezellig.   Hugo Claus, onze groête schrijver en ne West Vlôming hee het het schoênst van al gezee :   Ik leen uw lucht in mijn woorden. Uw struiken uw linden schuilen in mijn taal. Mijn letters zijn: West-Vlaanderen duin en polder   “t Is tijd dat 't gedoan is” , da woaren Claus zen leste woorden of 'het is tijd dat het voorbij is', in 't deftig Nederlands.   Lot et mé os dialect nog nie gedoan zen en kekt morgen allemoal vanneir nor Bevergem en as awe klenne iet vroagt da ge nie verstoân het, zegt dan gewoên load en doadelijk : “Wadde ?”  

Vic de Bourg
22 0

Zo ziet u maar weer

In dit ZKV zijn alle gelijkenissen met bestaande toestanden of personen geen of puur toeval, dus  wie er zich in herkent, mag zich altijd manifesteren.   Een bekende instelling in het land werd al jaren bestuurd door een raad van ouderlingen en (oude) stropoppen. Nochtans zijn de leden van de instelling sinds mensenheugenis van alle leeftijden.   Na de obligatoire jaarlijkse Algemene Vergadering waren een resem van maatregelen getroffen die financieel vooral de bestuursleden ten goede kwamen. Voor een ja-knik kregen ook de stropoppen  een billijk deel van de te verdelen aanzienlijke koek.   Een jong lid steigerde en in een niet mis te verstane taal schreef hij in een bekend weekblad dat de grijze eminenties weer hebben beslist over zijn lot en dat van vele lotgenoten.   Dit was niet naar de zin van de Afgevaardigde Beheerder die luidop te kennen gaf dat hij het lid in kwestie persoonlijk ging ter verantwoording roepen.  De jongere vriendin van de topman zuchtte dat hij zich op zijn leeftijd niet te veel mocht opwinden.  Later bleek dat dezelfde man zijn innemende vriendin nog ettelijke jaren zou overleven.   De inhoud van het gesprek waarbij het jonge lid op de vingers werd getikt is voor de buitenwereld nooit bekend geraakt, niettegenstaande de vele “lekken”, waarvoor de instelling bekend stond.   Feit is dat hetzelfde jonge lid van weleer het in de instelling nadien tot bestuurder schopte.  Een aantal Afgevaardigde Beheerders later wordt het inmiddels iets oudere lid tot nieuwe Gedelegeerd Bestuurder verkozen.  Inderdaad werd de titel in het Nederlands ondertussen aan de voorkeurspelling aangepast.     Het vermoeden is groot en het staat haast vast dat hij in zijn nieuwe functie aanwezig was op de begrafenis van zijn illustere strenge voorganger.   Zo ziet men maar weer hoe het kan verkeren.   Et l’histoire, elle se répête……….  

Vic de Bourg
0 0

Een hagelwit kostuum ?

Van de Italiaanse topontwerper Roncalli   De charismatische Angelo Roncalli was geliefd bij jong en oud. Voor zijn vernieuwende ideeën werd hij gerespecteerd door  vriend en vijand.   Inmiddels werd hij, terecht,  heilig verklaard.  Het gaat hier met name over de innemende “Man in White” die beter bekend stond onder zijn pseudoniem Johannes XXIII.   Door het samenroepen van het Tweede Vaticaans Concilie vernieuwde hij de katholieke kerk van weleer.  Een van die vernieuwingen was dat voortaan de zwarte soutane van de priester door een “clergyman” mocht worden vervangen.   Dit tot grote opluchting van vele pastoors en kapelaans maar evenzeer van hun huishoudsters (en hier en daar een koorknaap) die allen verlost werden van het langdurig "deboutonneren" van de ontelbare knoopjes.   Was het omwille van zijn omvangrijk postuur, of was hij toch wat ouderwets? Was er obstructie vanuit de Romeinse Curie (rokken tot daar aan toe, maar rode of paarse pakken!)?   Waarom heeft de man toen niet de toon gezet en is hij niet meteen in een wit kostuum verschenen op het balkon aan het Sint Pieters Plein?   Wij zullen het allicht nooit weten en van zijn meer bekrompen opvolgers kon men niet verwachten dat zij het ijs zouden breken. Voor de eveneens heilig verklaarde JP 2 zou het tijdens zijn vele wereldreizen nochtans een stuk comfortabeler geweest zijn.   J.M. Bergoglio, ook al een naam die aan een Italiaanse modeontwerper doet denken en ondertussen beter bekend als de populaire paus Franciscus, zal hij het waar maken?   Zou het inderdaad geen zegen én statement zijn deze beminnelijke man voortaan in een hagelwit maatpak te zien aantreden?  En dat hoeft geen Hugo Boss , Gucci of Zegna te wezen, een simpele Argentijnse “sastre”  zal de job wel klaren. 

Vic de Bourg
0 0

Once upon a time in the East

Gent, wo bist du bleiben ?   Ode, Poezieke en verhoalijnkskes   Woar es da Gent na ? Van de Frithoer op ‘t Zuid Dé stoverij Van ’t Keetje Duvel,  ongefilterd van ’t vat Van Den Amber Nachtvlinders nooit daglicht Van ‘t Kelderke Spaghetti early in the morning Van De Rialto en den Bèr Copie conforme van Fernandel Van zijn juke box Drie plaakskes voor vijf frank       Woar es maan Gent na ? De Vrijdagmarkt, verdwaasd Ontmoeting, onverwacht Liefde, levenslang Stad, stoet Stoepen, straat van glas Boten, bruggen Torens, telkens terug Verlaten, verloren Verkocht     Op de Kuiperskaai rond ten elve tsoavends             Zij :  Azijnzieker, achterwoarstige blageur! Een passant tegen hem : Wadest Tsiepmuile, zit uw koeketiene in ’t slameur? Zij weer : Bruudruuster, Blaffetuure, Bloedsossietse! Nu hij : Pekelteeve met uw tsoepen en tsoesplekke! De passant tegen hem : Lot ze zitten met heur eerweten en petoaters Hij tegen haar : Ge keun mijn uure kusse Hij tegen de passant :  Kom, we goan ziere tuuptegoare een peintse pakke!     Van ’t stroate upgeroapt …(*)     In het herenhuis in Gent was ons kot een druk bezochte plaats.   Er waren nog andere koten in huis, maar op de derde verdieping stak het onze boven alles uit, omdat men er van de derde verdieping haast de complete Sint Pieters-nieuwstraat kon overzien: van café “het Hoeveke” tot aan het wereldvermaarde “Keetje”.   Zelf afkomstig uit het al te bronsgroene Limburg en het dorpsleven grondig beu, bleef ik tijdens het weekeinde meestal in de stad. Mijn kotmaten, voor het merendeel Westvlamingen (les extrêmes se touchent) gingen wél huiswaarts. Ze moesten er dan meestal de stallen kuisen, wat ik ooit tijdens een uitnodiging ergens "ten huize van" aan den lijve mocht ondervinden en vooral ruiken !!   ’s Maandags werd het kot dan volgestouwd met vers gewassen ondergoed én vers gebakken wafels van “moedere”. Deze wafels werden al eens vergeten in de kast en als ze inmiddels beenhard werden teruggevonden, werd er een wedstrijd georganiseerd.   De wafels dienden als projectiel en de wedstrijd bestond er in ze drie verdiepingen lager in de stadsvuilbak aan de overkant van de straat te mikken.   Als menig wafel in brokken nààst de vuilbak was beland, werd besloten het boeltje beneden te gaan opruimen (wij waren écolo’s avant-la-lettre).  Maar, wie daagde dan plots op? Onze straatclochard die glunderend al de wafels (zowel deze in als naast de vuilbak) gretig in zijn plastic graaizak deponeerde.   Wij namen ons voor om hem bij de eerstvolgende gelegenheid een pak verse wafels aan te bieden maar zagen van ons plan af toen wij later merkten dat hij ook niet leeggegeten frietzakjes uit de vuilbak opviste.   ( * gepost in 2007 op DS online  onder de titel “Wafels en frieten” - studentenkotverhalen)          

Vic de Bourg
8 1

N van Not Done

(uit “verhalen van A tot Z”)   De lidwoord  (foto : Mantz Werner)   Van kindsbeen af , bij het inoefenen van de Nederlandse taal  leert men het juiste gebruik van het lidwoord. Is het “het” of “de” – gelukkig is er maar één “een” en geen “un” en “une” zoals in het Frans.  Hoe ouder men wordt hoe moeilijker men het aangeleerd kan krijgen.   Is het een modetrend ? Tegenwoordig komt men zelfs in gelauwerde teksten (o.m. op Azertyfactor)  een fout gebruik van het lidwoord tegen.   Voor degenen die met deze trend meedoen graag deze hersenspinsels om aan te tonen hoe “not done” het foute gebruik aanvoelt :   Vandaag is het het dag dat er witloof met hesp op de menu staat. De witloof kan in volle grond maar ook in water gekweekt worden.  Mensen uit het witloofstreek houden niet zo van hydro-witloof.  Zij zweren bij het echte grondsmaak.  Wat het hesp of voor Noord Nederlanders het ham betreft zijn er ook veel smaakverschillen. Wat het kaas aangaat heeft men de keuze tussen het Zwitserse Gruyère of het Franse  Emmenthal maar het Italiaanse kazen zijn tegenwoordig ook populair.  De witloof stoven, laten uitdruipen, in het hesp rollen en kaas erover.  In het voorverwarmde oven zetten en na twintig minuten is kees klaar.   Inmiddels is de witloof op en denken wij aan morgen.  Het dag zal druk worden.  Van zodra de ontbijt zal genuttigd zijn, moeten wij direct naar het stad vertrekken.  Vandaag beginnen immers het koopjes, in de volksmond het solden genoemd.  Het kleren, het schoenen, het witgoed apparaten, de behangpapier, het verf, alles zal weer aan het gekste prijzen verkocht worden.  Dat willen wij niet missen.     In het winkelstraat is het (ah, neen, dit is geen lidwoord !) inderdaad superdruk.  Vele mensen zijn met het wagen of met het trein of het metro naar de stadscentrum gekomen.  Het parkings staan vol en het duurt niet lang of alle winkels puilen uit van de volk.   Door de zachte weer in het winter is de aanbod groot.  En het kortingen zijn al van het eerste dag belangrijk.  Zowel voor het groten als voor het kleintjes is er wat te vinden.   Tussendoor wordt er tijd gemaakt voor een (dit is inderdaad een lidwoord maar er bestaat  geen foute versie van) drankje of hapje – een tussendoortje dus. Ook het restaurants, het snackbars en het koffiehuizen barsten van de volk. Het koffie is best lekker maar kan niet goedkoop genoemd worden.  Net voorbij het winkelstraat is er het bekende bakkerij waar het beste worstenbroodjes van het stad worden verkocht.  Daar moeten wij persé eens binnenspringen.   Voor hen die van de lezen van deze nonsens beginnen te genieten : gedaan ermee, dit is niet langer vol te houden.  Aan alle lidwoordverkrachters :  ahoe ! Dat zij mogen branden in het hel.

Vic de Bourg
0 0

X van Xeres

(uit “verhalen van A tot Z “)   HET DETAIL   Hij , groenblauwe ogen met lichtbruine weerspiegelingen, borstelige wenkbrauwen, halflang  asblond haar.  Zijn naakt gespierd en getaand bovenlichaam neigt zachtjes voorover.   Zij, fluwelen blik uit merendiepe kijkers, geen blauw is blauwer, fris heldere oogopslag, gebeeldhouwde lippen, kort  gitzwart  stomp lichtjes schuin lopend bobkapsel.  Haar beschaduwd hoofd draait even linksom.   Hij opent een boek en leest.   Zij beluistert Rachmaninov ’s derde klavierconcert op haar gedateerde MP3 speler.   Vanmorgen nog beiden in de fluisterstille tempel,  oosterse booglijnen en verbluffende mozaïeken die alle onheil weren, tuinen rondom, waar seringenaroma’s de lucht lichtjes benevelen.  In de hoogste hoogte van het minaret een lied dat neerdaalt en hun zielen verplettert in opperste gelukzaligheid.   Dan dwalen naar de zee die ruist en lokt achter de blanke zandduinen. Overweldigend hoe ze schuimt en toch blinkt onder wolken en zonnespel.  Fijne zandkorrels onder danshuppelende voeten en dan het gulzig slurpende en klotsende koele water.   Moe van spel en strand, neen, hongerig eerder, op weg naar het kleine eethuisje verderop. Heerlijke aroma’s van onverwachte kruiden en verre landen beloftes. Kleurenlichtjes weerkaatsen in gulzig geledigde cocktailglazen.  Subtiele gerechten, voor, hoofd en na.   Een fonkel in de koele Xereswijn.  Dan nagenieten. Sandalenvrije voeten in het mulle zand bij de laatste roodverdronken zonnestralen.     Plots sluit hij zijn boek, hij houdt niet zo van al te gedetailleerde beschrijvingen. Zij  heeft de ogen gesloten en stelt zich de lange vingers voor die het klavier beroeren en strelen.      

Vic de Bourg
7 0

Y van Yale

(uit ”verhalen van A tot Z”)     SURREALISME OF DE KUNST VAN HET ABSURDE   (“The Record Yale” was een publicatie uitgegeven door de studenten van de Yale University en bekend voor zijn absurdistische stijl)    Hij ging binnen maar zei niets.  Waarom zou hij ook ? Het duivenhok was dan ook niet meer zoals vroeger toen er nog meesjes in de perelaar huisden.  De appels daarentegen die werden ieder jaar dikker.  Dat kwam omdat hij ze individueel verpakte in zakjes die je daarvoor online kon kopen.   Dat is al maar meer in de mode dat online kopen en ook mode kan men online kopen. Wegversperringen vindt men nu ook in de commerce, dat heet dan sperperiode.  Ook dat heeft met mode te maken maar dan eerder mode voor jan modaal.   Modaliteiten worden meestal door instanties  bepaald. “Modaliteit drukt de verhouding uit tussen de beschrijving en de werkelijkheid, bijvoorbeeld het oordeel van de spreker ten opzichte van de waarschijnlijkheid.”  Dat is pas een surrealistische beschrijving door  Van Dale omdat …..   En toen wist hij plots niet meer waarom? Hij herinnerde zich ook niet meer het onderwerp dat hij voor oog had noch het ogenblik waarop hij deze woorden neerschreef.  “Ceci ne sont pas mes mots.”  “Une pipe?”  Simenon hield niet van kromme pijpen, hij wou ze recht.   Waar moet hij hem kwijt, zijn tekst.  Geen mens wil hem lezen.  Vuilbak is  geen optie.  Azertyfactor ? Goede ingeving!   In zijn taalles vroeg hij de blonde Deense:   “Wat is het tegengestelde woord of negatie voor iedereen?”  Zij antwoordde  “Niedereen”.  Hij vond het beter dan niemand en bedacht dat hij ooit een woordenboek moest samenstellen met de verzinsels van zijn cursisten.   Inmiddels zag hij rood van opwinding.  Dat kwam door die mooie zonsondergang.  Avondrood betekent dat het de volgende dag schoon weer wordt.  Alweer opwinding, door die aangekondigde hitte voor morgen. Zo heet als mosterd scherp kan zijn.   Waar kan men deze dagen kleine potjes mosterd kopen ?  Een tube ? Neen, kan verward worden met tandpasta en zijn tanden zien al zo geel.  Van het roken ? Neen, van teveel chocolade.   Toen hij vroeger in de chocoladefabriek werkte kwamen soms stukken naast de lopende band terecht.  Al wat op de grond viel werd opgehaald door de mannen van de zeepfabriek.  Daar werden de stukken door de zeep gedraaid wat resulteerde in mooie gemarmerde blokken.   Hij mocht er niet aan denken dat het omgekeerde zou gebeuren, gemarmerde zeepbellen na het eten van een reepje !   Bij het morgenkrieken eet hij gehaktbrood.  Bij het gehaktbrood eet hij morgen krieken. Bij het krieken van de morgen hakte hij het brood.   Hollanders kennen het woord kriek niet.  Nederlanders  wel , maar zij mogen niet verward worden met Hollanders.  Nederlanders wonen  dichter bij de Belgische grens, lekker warm en sympathiek. Zij trekken met volle bussen naar ons land en drinken sloten van het rode zurige zoete bier waarop de Kriek in al haar glorie prijkt.   Neen,  surrealisten zijn het niet , de NL-ers, daarvoor zijn ze iets te stijveharkelijk.  Nochtans hebben (vooral de donkeroranje) Nederlandse kanaries ook twee pootjes….twee gelijke pootjes…. vooral het linkse.      Stop het verhaal nu maar, het wordt  te realistisch.    

Vic de Bourg
0 0

R van Roulette

(uit “verhalen van A tot Z”)   The winner takes it all   Ergens in de jaren zeventig is Frankrijk gastland voor de jaarlijkse internationale conferentie voor reisagenten en tour operators.   Deze bijeenkomsten worden  in een bekende badplaats in het laag seizoen georganiseerd.  In feite is het een aantal dagen verwennerij van al wie betrokken is bij de organisatie van vakanties : van vliegtuigmaatschappijen tot hoteluitbaters, van reisagenten tot busexploitanten, kortom al degenen die het toerisme promoten.   ’s Morgens wordt er vergaderd over uiteenlopende thema’s , ’s namiddags struinen de deelnemers allerhande attracties af en ’s avonds en tot diep in de nacht is er tijd voor recepties met veel bubbels,  dinerparty’s en reuze barbecues.   De Fransen zijn dat jaar aan bod en hebben hun kroonjuweel Monte Carlo als “venue” gekozen. Onze ploeg die een internationale hotelketen vertegenwoordigt  logeert in een pas geopend hotel van een bevriende Amerikaanse hotelgroep. Mijn charmante Franse collega zegt dat ook zijn moeder in Monaco aanwezig is als chef van een bekend reisbureau  in Parijs.  Zij logeert in het mondaine Hôtel de Paris.   Tijdens een van de vele recepties ontmoet ik de uiterst elegante Parisienne slash moeder slash reisagente.  Ze klaagt over haar hotelkamer.  Het is heel warm voor de tijd van het jaar en  het Hôtel de Paris mag dan wel “chique” zijn, er is geen airconditioning op haar kamer.  “Vous en avez de la chance dans votre boîte Americaine frigorifiée”  schertst zij.     De Monegasken hebben iets origineels bedacht om ons te verwennen.  Nu ja, origineel ? Alle congresdeelnemers worden gratis in de grote speelzaal van het Casino toegelaten , waar het minimum speelbedrag  voor de duur van het Congres, uitzonderlijk verlaagd wordt tot vijf Franse Franken, destijds het equivalent van 30 Belgische Franken, momenteel een luttele 75 eurocent.   Wij hebben ons, zoals in de films, mooi uitgedost en lopen benieuwd tussen de speeltafels.  Door de zware overgordijnen en het dikke rode voltapijt is het er stil als in een tempel.  Het is dan ook een goktempel.  Naast het geluid is ook het  licht gedempt .  Enkel de typiische groene luchters werpen lichtbundels op de speeltafels.  Mijn Franse collega houdt het al snel voor bekeken.  Hij vindt het hele gedoe wansmakelijk.  Aan de tafel waar wij halt houden  wordt inderdaad met één haal van de croupier een veelvoud van zijn maandsalaris verspeeld.   Met mijn vrouwelijke collega uit Duitsland heb ik besloten dat een terrasje of een nachtje uit in een of andere Club in Monaco al snel wat bankbiljetten kost. Wij besluiten te blijven en voor het equivalent bedrag  ons te amuseren en onze kansen te wagen in dit gokparadijs.  Wij vermaken ons niet zozeer met het spel dan wel met het ons voordoen als rijkeluiskinderen die het fortuin van Papa gaan verbrassen.  Vooral het mensjeskijkend gedeelte is daarbij uiterst boeiend.   Rond de tafel ziet men lui van allerlei pluimage rondlopen of aanzitten.  Een man in onberispelijk maatpak loopt van de ene tafel naar de andere  en geeft telkens instructies aan een “handlanger” .  Deze man of vrouw respecteert nauwgezet de som en het nummer of de combinatie waarop moet  worden ingezet. Schril contrast met een andere tafel waar een knappe dertiger samen met een vriend nogal luidruchtig aan het spelen is.  Beiden zijn in hippiestijl gekleed in gerafelde jeans en (dure) jekkers over een t-shirt .  Als de fooien vet genoeg zijn knijpt het personeel voor haar vaste cliënteel graag een oogje dicht en in de zaal waartoe wij toegang hebben is geen strikte dresscode vereist.   Plots is er rumoer aan een van de tafels.  Er zit een stokoude man.  Voor hem staan enkele torentjes van opeengestapelde speelfiches.  Onze 5 FF-fiches zijn mosterdgeel en rond.  De zijne hebben allerhande kleuren en de meeste zijn rechthoekig wat betekent dat hun stukwaarde  al snel in de duizenden FF loopt. Sommige stamgasten, vooral deze die in het geld zwemmen, hoeven niet steeds naar de kassa om hun geld in fiches te ruilen.  Zeer uitzonderlijk (en nogmaals  “moyennant un gros pourboire”) aanvaardt de croupier van een vaste klant dat er cash geld op de speeltafel wordt gelegd, uiteraard enkel briefjes, geen munten.  Aan de tafel van de oude gokker stijgt de spanning.  Hij wint het ene spel na het andere.  Zijn  stapels speelfiches beginnen te  lijken op de skyline van New York in miniatuur.   Dan gebeurt iets merkwaardigs.  Met beide handen schuift de man heel zijn New Yorkse miniskyline naar voren.  Hij zet alles in op het rode nummer 7.  De fiches kunnen amper op het ene nummer staan maar met een oogwenk heeft de croupier begrepen wat de man wil en helpt hem met het opeenstapelen.  Geen andere speler waagt het op  hetzelfde nummer in te zetten. Na het “faites vos jeux “ en “rien ne va plus” gaat de roulette draaien.  Het witte balletje tolt rond en valt op het zwarte nummer 29, het nummer nààst de rode 7.  De man is alles kwijt maar blijft totaal onbewogen bij het gebeuren.  Een jonge dame wuift heftig met haar waaier, haar vriendin wankelt weg van de speeltafel naar de bar waar ze waarschijnlijk iets “sterks” bestelt om te bekomen.   De man blijft zitten en stopt langzaam de linkerhand in zijn rechter binnenzak.   Hij haalt een bundel bankbiljetten boven.  Er zit nog een bandje om de spiksplinter-nieuwe flappen.  Zelf heb ik deze kleur van bankbriefjes nog nooit gezien. Het zijn biljetten van 500 Franse Frank.  Die hadden destijds een tegenwaarde van 3.000 Bef en zouden tegenwoordig  75 euro waard zijn.   Terwijl hij een tiental biljetten uit het bundeltje neemt fluistert iemand naast mij : “Il a la tremblote”.  De man bibbert inderdaad als hij de biljetten telt.  Niet omdat hij twijfelt maar van de ouderdom.  Hij zet het hele bundeltje geld opnieuw  in op één enkel getal.    Ooit werd  berekend dat er 2,7 kansen op 100 bestaan dat iemand wint met een “plein” (inzet op één getal).  Die dag zijn wij getuige van het feit dat het kan.  Het witte balletje komt terecht op het ene nummer waarop het geldbundeltje ligt.  De gokker wint 35 maal zijn inzet.  Een snelle rekensom leert ons dat hij op slag een slordige 175.000 FF of 1.050.000 BEF of 26.000 Euro gewonnen heeft. Morgen zal ik mijn Franse collega kunnen vertellen dat geen maandlonen  maar ettelijke jaarwedden verspeeld werden.    Ik krijg plots genoeg van dit decadente schouwspel  en  realiseer mij dat ik in mijn enthousiasme toch een duizendtal oude Belgische frankjes heb verspeeld.  Het is geweten : de Bank, en in dit geval , het Casino, wint altijd. Morgen keren wij terug huiswaarts en in het verlaten van de speelzaal zie ik een gang vol met de beruchte eenarmige bandieten . Ik wil weerwraak nemen op de uitbaters van deze goktent. Tot mijn grote verbazing  haal ik tot tweemaal toe Jackpot op verschillende gokautomaten.  In een mum van tijd (Toon Hermans zaliger zei vroeger dat hij er soms twee mummen voor nodig had)  win ik meer dan 700 BEF terug van mijn oorspronkelijke inleg.   Voordat de verslaving toeslaat en ik mijn centen weer kwijt ben stop ik het spel.  Ik troost mij met de gedachte dat ik mij thuis in mijn eigen stamcafé nooit voor 300 BEF op één avond zo kostelijk zou geamuseerd hebben. Bij het verlaten van het Casino zie ik de twee vrolijke fils-à-papa hippies wegscheuren in een peperdure Porsche.      De volgende morgen heb ik nog tijd om enkele aankopen te doen.  Ik maak mezelf wijs dat ik de avond tevoren 700 BEF gewonnen heb en koop voor de helft van het bedrag in een kinderboetiek een snoezig bolerootje met blauwe bontkraag en fonkelende kleurenpailletten .  Dat is een cadeautje voor mijn anderhalf jarig dochterje.  Op haar Porsche gaat ze nog enkele jaartjes moeten wachten.  Papa moet daarvoor nog wat oefenen maar vreest dat het bij een Dinky Toy zal blijven.    

Vic de Bourg
0 0